Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 5
śrī bhagavān uvāca
imaṁ vivasvate yogaṁ
proktavān aham avyayam
vivasvān manave prāha
manur ikṣvākave ’bravīt
imaṁ vivasvate yogaṁ
proktavān aham avyayam
vivasvān manave prāha
manur ikṣvākave ’bravīt
‘De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer Śrī Kṛṣṇa, zei: Ik onderwees deze onvergankelijke wetenschap van yoga aan de zonnegod Vivasvān en Vivasvān onderwees haar aan Manu, de vader van de mensheid, die haar op zijn beurt aan Ikṣvāku onderwees.’ (Bhagavad-gītā 4.1)
Vele eeuwen geleden onthulde Kṛṣṇa de goddelijke kennis van de Bhagavad-gītā aan Vivasvān, de zonnegod. Voor zover we weten, is het op de zon zeer heet en daarom denken we dat het onmogelijk is dat iemand daar kan leven. Met onze lichamen is het zelfs onmogelijk om dichtbij de zon te komen. Maar uit de Vedische heilige teksten leren we dat de zon een planeet is net als de onze, met dit verschil dat alles daar uit vuur bestaat. Net zoals deze planeet hoofdzakelijk uit aarde bestaat, zo zijn er andere planeten die voornamelijk uit vuur, water of lucht bestaan.
De levende wezens op die planeten krijgen lichamen die zijn opgebouwd uit elementen die overeenkomen met de hoofdelementen van hun planeet; de levende wezens op de zon hebben daarom lichamen van vuur. Van alle personen op de zon is de god Vivasvān de voornaamste. Hij staat bekend als de zonnegod (sūrya-nārāyaṇa). Op alle planeten zijn er belangrijke personen, net zoals in de Verenigde Staten de president de belangrijkste persoon is. De geschiedenis in het Mahābhārata leert dat er op onze planeet vroeger maar één koning was: Mahārāja Bharata. Hij regeerde zo’n 5 000 jaar geleden en de planeet werd naar hem vernoemd. Later raakte de planeet geleidelijk verdeeld in vele verschillende landen. Zo worden de verschillende planeten in het universum gewoonlijk geregeerd door één heerser maar soms door meerdere.
Uit dit eerste vers van het vierde hoofdstuk leren we dat Śrī Kṛṣṇa miljoenen jaren geleden de kennis van karma-yoga overdroeg aan de zonnegod, Vivasvān. Śrī Kṛṣṇa, die de leer van de Bhagavad-gītā doorgaf aan Arjuna, maakt hier duidelijk dat deze leer allesbehalve nieuw is en vele eeuwen geleden al op een andere planeet bekend was gemaakt. Vivasvān droeg deze leer op zijn beurt over aan zijn zoon, Manu. En Manu gaf de kennis weer door aan zijn leerling, Mahārāja Ikṣvāku, een groot koning en voorvader van Heer Rāmacandra. Voor wie de Bhagavad-gītā wil bestuderen en er zijn voordeel mee wil doen is er dus een methode om haar te begrijpen. Deze methode wordt hier beschreven.
Arjuna was niet de eerste persoon tot wie Kṛṣṇa de Bhagavad-gītā sprak. De Vedische autoriteiten schatten dat de Heer deze goddelijk kennis zo’n 400 miljoen jaar geleden aan Vivasvān onderwees. Uit de Mahābhārata leren we dat de Bhagavad-gītā zo’n 5 000 jaar geleden tot Arjuna werd gesproken. Vóór Arjuna werd de leer via de spirituele opeenvolging van discipelen doorgegeven, maar gedurende die lange tijd raakte deze kennis verloren.
Arjuna was niet de eerste persoon tot wie Kṛṣṇa de Bhagavad-gītā sprak. De Vedische autoriteiten schatten dat de Heer deze goddelijk kennis zo’n 400 miljoen jaar geleden aan Vivasvān onderwees. Uit de Mahābhārata leren we dat de Bhagavad-gītā zo’n 5 000 jaar geleden tot Arjuna werd gesproken. Vóór Arjuna werd de leer via de spirituele opeenvolging van discipelen doorgegeven, maar gedurende die lange tijd raakte deze kennis verloren.
evaṁ paramparā-prāptam
imaṁ rājarṣayo viduḥ
sa kāleneha mahatā
yogo naṣṭaḥ paran-tapa
imaṁ rājarṣayo viduḥ
sa kāleneha mahatā
yogo naṣṭaḥ paran-tapa
sa evāyaṁ mayā te ’dya
yogaḥ proktaḥ purātanaḥ
bhakto ’si me sakhā ceti
rahasyaṁ hy etad uttamam
yogaḥ proktaḥ purātanaḥ
bhakto ’si me sakhā ceti
rahasyaṁ hy etad uttamam
‘Zo werd deze allerhoogste wetenschap door de opeenvolging van discipelen ontvangen en zo begrepen de heilige vorsten haar. Maar na verloop van tijd werd de overlevering verbroken en hierdoor lijkt de wetenschap zoals ze is verloren te zijn gegaan. Deze zeer oude wetenschap van de relatie met de Allerhoogste draag Ik vandaag over aan jou, omdat je zowel Mijn toegewijde als Mijn vriend bent en daardoor het transcendentale mysterie van deze wetenschap kunt begrijpen.’ (Bhagavad-gītā 4.2–3)
In de Bhagavad-gītā wordt een aantal yoga-systemen uitgelegd — bhakti-yoga, karma-yoga, jñāna-yoga en haṭha-yoga — en daarom wordt het hier yoga genoemd. Het woord ‘yoga’ betekent ‘zich verbinden met’, waarmee wordt bedoeld dat we in yoga ons bewustzijn met God verbinden. Het is een manier om ons te herenigen met God of onze relatie met Hem te herstellen. Geleidelijk aan was de yoga die door Śrī Kṛṣṇa was onthuld, verloren geraakt. Waarom? Waren er geen wijzen toen Śrī Kṛṣṇa tot Arjuna sprak? Nee, er waren op dat moment juist vele wijzen aanwezig. Met ‘verloren’ wordt hier bedoeld dat de juiste uitleg van de Bhagavad-gītā verloren was geraakt. Geleerden mogen dan hun eigen interpretatie van de Bhagavad-gītā geven en haar op eigen gezag analyseren, maar dat is niet de Bhagavad-gītā. Dat is waarop Śrī Kṛṣṇa hier de nadruk legt en wie de Bhagavad-gītā bestudeert, zou dit goed moeten onthouden. Materieel gezien mag iemand dan een groot geleerde zijn, maar dat geeft hem nog niet de kwalificatie om de Bhagavad-gītā van commentaar te voorzien. Als we de Bhagavad-gītā willen begrijpen, moeten we het principe van spirituele opeenvolging (paramparā) aanvaarden. We moeten ons de geest van de Bhagavad-gītā eigen maken en haar niet alleen benaderen op basis van boekenwijsheid.
Waarom koos Śrī Kṛṣṇa uit alle mensen nu juist Arjuna als ontvanger van deze kennis? Arjuna was helemaal geen groot geleerde en evenmin een yogī, iemand die mediteert, of een heilige. Hij was een strijder die op het punt stond de strijd aan te gaan. In die tijd leefden er veel grote wijzen en Śrī Kṛṣṇa had de Bhagavad-gītā aan hen kunnen geven. Het antwoord is dat ondanks dat Arjuna een gewoon man was, hij één grote kwalificatie had: bhakto ’si me sakhā ceti — ‘Je ben Mijn toegewijde en Mijn vriend.’ Dat was Arjuna’s uitzonderlijke kwalificatie, een kwalificatie die de wijzen niet hadden. Arjuna wist dat Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods was en gaf zich daarom aan Hem over en aanvaardde Hem als zijn spiritueel leraar. Zonder een toegewijde van Heer Kṛṣṇa te zijn, is het onmogelijk de Bhagavad-gītā te begrijpen. Geen enkele andere methode helpt als we de Bhagavad-gītā willen begrijpen. We moeten haar begrijpen zoals de Bhagavad-gītā zelf voorschrijft: door haar net zo te begrijpen als Arjuna deed. Willen we de Bhagavad-gītā op een andere manier begrijpen, of onze eigen interpretatie geven, dan is dat misschien een vertoning van onze geleerdheid maar niet de Bhagavad-gītā.
We kunnen door geleerdheid theorieën over de Bhagavad-gītā verzinnen, zoals Mahātmā Gandhi deed toen hij de Bhagavad-gītā zo interpreteerde dat ze zijn theorie van geweldloosheid ondersteunde. Maar hoe is het mogelijk om op basis van de Bhagavad-gītā geweldloosheid te bewijzen? Het thema van de Bhagavad-gītā is juist gebaseerd op Arjuna’s weerzin om te vechten en Kṛṣṇa die hem aanspoort zijn tegenstanders te doden. Bovendien vertelt Kṛṣṇa aan Arjuna dat de Allerhoogste de uitkomst van de slag al had vastgesteld en dat de mensen die waren samengekomen op het slagveld, gedoemd waren nooit meer terug te keren. Het was Kṛṣṇa’s plan dat alle strijders zouden sterven en Hij gaf Arjuna de kans om de overwinning op zijn naam te zetten. Als de Bhagavad-gītā zegt dat vechten noodzakelijk is, hoe kunnen we haar dan gebruiken als bewijsgrond voor geweldloosheid? Zulke interpretaties zijn pogingen om de betekenis van de Bhagavad-gītā te verdraaien. Zodra persoonlijke beweegredenen de interpretatie van de Gītā bepalen, is haar doel verloochend. Er wordt gezegd dat we enkel op kracht van onze eigen logica of argumenten niet tot de conclusie van de Vedische
literatuur zullen komen. Er zijn veel dingen die de competentie van onze logica te boven gaan. Wat betreft de heilige teksten, verschillende geschriften beschrijven de Absolute Waarheid op verschillende manieren. Als we ze allemaal zouden analyseren, zouden we verward raken. Ook zijn er veel filosofen met verschillende meningen en ze spreken elkaar altijd tegen. Als we de waarheid niet kunnen begrijpen door verschillende heilige teksten te lezen of door logische argumenten of filosofische theorieën, hoe kunnen we haar dan wél begrijpen? De waarheid is dat de wijsheid over de Absolute Waarheid bijzonder vertrouwelijk is, maar door gezaghebbende personen te volgen, kunnen we haar begrijpen.
literatuur zullen komen. Er zijn veel dingen die de competentie van onze logica te boven gaan. Wat betreft de heilige teksten, verschillende geschriften beschrijven de Absolute Waarheid op verschillende manieren. Als we ze allemaal zouden analyseren, zouden we verward raken. Ook zijn er veel filosofen met verschillende meningen en ze spreken elkaar altijd tegen. Als we de waarheid niet kunnen begrijpen door verschillende heilige teksten te lezen of door logische argumenten of filosofische theorieën, hoe kunnen we haar dan wél begrijpen? De waarheid is dat de wijsheid over de Absolute Waarheid bijzonder vertrouwelijk is, maar door gezaghebbende personen te volgen, kunnen we haar begrijpen.
In India zijn er opeenvolgingen van discipelen die helemaal teruggaan op Rāmānujācārya, Madhvācārya, Nimbārka, Viṣṇu Svāmī en andere grote wijzen. De Vedische literatuur kan met behulp van de hogere spiritueel leraren worden begrepen. Arjuna leerde de Bhagavad-gītā van Kṛṣṇa en als we haar willen begrijpen, moeten we haar van Arjuna leren en van geen andere bron. Van alle kennis die we van de Bhagavad-gītā hebben, moeten we nagaan tot op welke hoogte ze overeenkomt met Arjuna’s begrip. Begrijpen we de Bhagavad-gītā op dezelfde manier als Arjuna, dan is ons begrip correct. Dat zou het criterium moeten zijn voor onze Bhagavad-gītā-studie. Als we werkelijk voordeel willen halen uit de Bhagavad-gītā, moeten we dit principe volgen. De Bhagavad-gītā is geen gewoon boek met kennis dat we zomaar op de markt kunnen kopen, lezen en begrijpen met alleen een woordenboek als hulpmiddel. Dat is onmogelijk. Als dat wel zo was geweest, had Kṛṣṇa nooit tegen Arjuna gezegd dat de wetenschap verloren was geraakt.
Het is niet moeilijk de noodzaak van een opeenvolging van discipelen in te zien als we de Bhagavad-gītā willen begrijpen. Als we een advocaat, ingenieur of arts willen worden, moeten we kennis aannemen van gezaghebbende advocaten, ingenieurs en artsen. Een aankomend advocaat moet eerst in de leer bij een ervaren advocaat; een jongeman die studeert om arts te worden, moet eerst een co-assistentschap lopen en werken met gediplomeerde artsen. Onze kennis van een bepaald onderwerp wordt nooit volmaakt, behalve als we die kennis via een gezaghebbende bron krijgen.
Er zijn twee methoden voor het krijgen van kennis: de inductieve en de deductieve. De deductieve methode wordt als volmaakter beschouwd. Neem bijvoorbeeld een stelling als: ‘Alle mensen zijn sterfelijk’. Niemand hoeft argumenten aan te voeren waarom de mens sterfelijk is; dit is een algemeen aanvaard feit. De deductieve conclusie is: ‘Meneer Jansen is een mens en dus is meneer Jansen sterfelijk’. Maar hoe zijn we aan de stelling gekomen dat alle mensen sterfelijk zijn? Volgelingen van de inductieve methode proberen door experimenten en observaties tot deze stelling komen. En op die manier zullen we zien dat deze mens stierf en dat die mens stierf, enzovoorts en na zo veel gestorven mensen te hebben gezien, kunnen we concluderen of de generalisatie maken dat alle mensen sterfelijk zijn. Maar deze inductieve methode heeft een ernstig gebrek en dat is dat onze ervaring beperkt is. We hebben misschien nog nooit iemand gezien die onsterfelijk is, maar we baseren dat op onze persoonlijke ervaring — en die is beperkt. Onze zintuigen hebben een beperkt vermogen en ons geconditioneerde bestaan kent zoveel gebreken. De inductieve methode is daarom niet altijd volmaakt, terwijl de deductieve methode vanuit een volmaakte kennisbron volmaakt is. De Vedische methode is zo’n methode.
Hoewel het gezag van de Bhagavad-gītā wordt erkend, lijken veel passages dogmatisch. Zo zegt Kṛṣṇa
mattaḥ parataraṁ nānyat
kiñcid asti dhanañ-jaya
mayi sarvam idaṁ protaṁ
sūtre maṇi-gaṇā iva
kiñcid asti dhanañ-jaya
mayi sarvam idaṁ protaṁ
sūtre maṇi-gaṇā iva
‘O overwinnaar van rijkdom, er is geen waarheid die boven Mij uitgaat. Alles berust op Mij, als parels, aan een draad geregen.’ (Bhagavad-gītā 7.7)
Śrī Kṛṣṇa zegt dat er geen autoriteit hoger is dan Hijzelf en dat lijkt erg dogmatisch. Als ik zou zeggen dat niemand groter is dan ik, zouden mensen denken: ‘Oh, de swami is wel erg zelfingenomen.’ Als iemand die door vele onvolmaaktheden geconditioneerd is, zegt dat hij de grootste van iedereen is, dan is dat godslasterend. Maar Kṛṣṇa kan dit wel zeggen, want de geschiedenis laat zien dat zelfs toen Hij op deze aarde was, Hij als de grootste persoonlijkheid van Zijn tijd werd beschouwd. En inderdaad, in alle opzichten was Hij de grootste.
Volgens het Vedische systeem moet kennis die wordt ontvangen van de allerhoogste autoriteit als volmaakt worden beschouwd. Volgens de Veda’s zijn er drie soorten bewijsgrond: pratyakṣa, anumāna en śabda. De eerste verwijst naar rechtstreekse visuele waarneming. Als er iemand voor me zit, kan ik hem voor me zien zitten en mijn kennis van het feit dat hij voor me zit, ontvang ik via mijn ogen. De tweede methode, anumāna, heeft met horen te maken: we horen bijvoorbeeld kinderen buiten spelen en veronderstellen daarom dat ze aanwezig zijn. En de derde methode bestaat uit het aanvaarden van waarheden van een hogere autoriteit. Een stelling als ‘de mens is sterfelijk’ wordt van een hogere autoriteit aanvaard. Iedereen aanvaardt dit, maar niemand heeft ervaren dat alle mensen sterfelijk zijn. Gewoontegetrouw aanvaarden we dit. Stel, iemand vraagt: ‘Wie heeft deze waarheid als eerste ontdekt? Heb jij die ontdekt?’ Dat is moeilijk te zeggen. Het enige wat we kunnen zeggen is dat de kennis aan ons is overgedragen en dat we haar aanvaarden.
Van de drie methoden voor kennisvergaring zeggen de Veda’s dat de derde methode, waarbij we kennis van hogere autoriteiten ontvangen, de volmaaktste is. Directe waarneming is altijd onvolmaakt, vooral in het geconditioneerde leven. Via onze directe waarneming zien we de zon als een schijf, niet groter dan het bord waarvan we eten. Maar wetenschappers vertellen ons dat de zon vele duizenden keren groter is dan de aarde. Wat moeten we nu aanvaarden? Moeten we aanvaarden wat de wetenschap beweert en dus wat de autoriteiten ons zeggen of vertrouwen we op onze eigen ervaring? Hoewel we de grootte van de zon niet zelf kunnen bewijzen, aanvaarden we het oordeel van astronomen. Op die manier aanvaarden we voor al onze activiteiten, op welk gebied dan ook, de verklaringen van autoriteiten. Via krant en radio horen we dat er in China, in India of in andere plaatsen over de hele wereld iets heeft plaatsgevonden. We hebben geen directe ervaring van deze gebeurtenissen en weten niet of deze gebeurtenissen ook daadwerkelijk plaatsvinden, maar we aanvaarden het gezag van krant en radio. Voor het verkrijgen van kennis hebben we geen andere keus dan autoriteiten te geloven. En als de autoriteit volmaakt is, is onze kennis volmaakt.
Van de drie methoden voor kennisvergaring zeggen de Veda’s dat de derde methode, waarbij we kennis van hogere autoriteiten ontvangen, de volmaaktste is. Directe waarneming is altijd onvolmaakt, vooral in het geconditioneerde leven. Via onze directe waarneming zien we de zon als een schijf, niet groter dan het bord waarvan we eten. Maar wetenschappers vertellen ons dat de zon vele duizenden keren groter is dan de aarde. Wat moeten we nu aanvaarden? Moeten we aanvaarden wat de wetenschap beweert en dus wat de autoriteiten ons zeggen of vertrouwen we op onze eigen ervaring? Hoewel we de grootte van de zon niet zelf kunnen bewijzen, aanvaarden we het oordeel van astronomen. Op die manier aanvaarden we voor al onze activiteiten, op welk gebied dan ook, de verklaringen van autoriteiten. Via krant en radio horen we dat er in China, in India of in andere plaatsen over de hele wereld iets heeft plaatsgevonden. We hebben geen directe ervaring van deze gebeurtenissen en weten niet of deze gebeurtenissen ook daadwerkelijk plaatsvinden, maar we aanvaarden het gezag van krant en radio. Voor het verkrijgen van kennis hebben we geen andere keus dan autoriteiten te geloven. En als de autoriteit volmaakt is, is onze kennis volmaakt.
Volgens Vedische bronnen is Kṛṣṇa de hoogste en volmaaktste van alle autoriteiten (mattaḥ parataraṁ nānyat kiñcid asti dhanañjaya). Niet alleen Kṛṣṇa Zelf verklaart dat Hij de hoogste autoriteit is, ook grote wijzen en Bhagavad-gītā-geleerden aanvaarden dat. Als we Kṛṣṇa niet als autoriteit aanvaarden of Hem op Zijn woord geloven, is het onmogelijk om ons voordeel te halen uit de Bhagavad-gītā. Het is niet een kwestie van dogmatisme — het is een feit. Als we Kṛṣṇa’s woorden nauwkeurig bestuderen, zullen we tot de conclusie komen dat ze kloppen. Zelfs geleerden als Śaṅkarācārya die een andere mening hebben dan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, geven toe dat Kṛṣṇa svayaṁ bhagavān is: Kṛṣṇa is de Allerhoogste Heer.
Vedische kennis is geen recente ontdekking maar oude, geopenbaarde kennis. Kṛṣṇa noemt het purātanah, ‘oeroud’. Kṛṣṇa zegt dat Hij deze yoga miljoenen jaren geleden tot de zonnegod sprak en we weten niet hoeveel miljoenen jaren Hij het daarvoor tot iemand anders heeft gesproken. Deze kennis wordt altijd herhaald, net zoals zomer, herfst, winter en voorjaar ieder jaar herhaald worden.
Onze kennisschat is zeer beperkt. We hebben geen kennis over de geschiedenis van deze planeet van meer dan 5 000 jaar geleden, maar de Vedische literatuur geeft ons de geschiedenis van miljoenen jaren geleden. Uit het feit dat we niet weten wat er zich 3 000 jaar geleden op deze planeet afspeelde, kunnen we niet concluderen dat er toen geen geschiedenis was.
Natuurlijk kunnen we de historische waarheid van Kṛṣṇa in twijfel trekken. Men zou kunnen zeggen dat Kṛṣṇa volgens het Mahābhārata 5 000 jaar geleden leefde en dat Hij in dat geval onmogelijk de Bhagavad-gītā miljoenen jaren geleden tot de zonnegod had kunnen spreken. Als ik zou zeggen dat ik enkele miljoenen jaren geleden op de zon een toespraak heb gehouden voor de zonnegod, zouden de mensen zeggen: ‘Swamiji spreekt onzin.’ Maar dit geldt niet voor Kṛṣṇa, want Hij is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Of we nu geloven dat Kṛṣṇa de Bhagavad-gītā tot de zonnegod heeft gesproken of niet, dit feit werd wel door Arjuna aanvaard. Arjuna aanvaardde Kṛṣṇa als de Allerhoogste Heer en wist daarom dat het mogelijk was voor Kṛṣṇa om miljoenen jaren daarvoor tot iemand te spreken. Hoewel Arjuna de verklaringen van Śrī Kṛṣṇa persoonlijk aanvaardt, wil hij de situatie verduidelijken voor de mensen die na hem komen en vraagt:
Onze kennisschat is zeer beperkt. We hebben geen kennis over de geschiedenis van deze planeet van meer dan 5 000 jaar geleden, maar de Vedische literatuur geeft ons de geschiedenis van miljoenen jaren geleden. Uit het feit dat we niet weten wat er zich 3 000 jaar geleden op deze planeet afspeelde, kunnen we niet concluderen dat er toen geen geschiedenis was.
Natuurlijk kunnen we de historische waarheid van Kṛṣṇa in twijfel trekken. Men zou kunnen zeggen dat Kṛṣṇa volgens het Mahābhārata 5 000 jaar geleden leefde en dat Hij in dat geval onmogelijk de Bhagavad-gītā miljoenen jaren geleden tot de zonnegod had kunnen spreken. Als ik zou zeggen dat ik enkele miljoenen jaren geleden op de zon een toespraak heb gehouden voor de zonnegod, zouden de mensen zeggen: ‘Swamiji spreekt onzin.’ Maar dit geldt niet voor Kṛṣṇa, want Hij is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Of we nu geloven dat Kṛṣṇa de Bhagavad-gītā tot de zonnegod heeft gesproken of niet, dit feit werd wel door Arjuna aanvaard. Arjuna aanvaardde Kṛṣṇa als de Allerhoogste Heer en wist daarom dat het mogelijk was voor Kṛṣṇa om miljoenen jaren daarvoor tot iemand te spreken. Hoewel Arjuna de verklaringen van Śrī Kṛṣṇa persoonlijk aanvaardt, wil hij de situatie verduidelijken voor de mensen die na hem komen en vraagt:
aparaṁ bhavato janma
paraṁ janma vivasvataḥ
katham etad vijānīyāṁ
tvam ādau proktavān iti
paraṁ janma vivasvataḥ
katham etad vijānīyāṁ
tvam ādau proktavān iti
Arjuna zei: ‘De zonnegod Vivasvān werd eerder geboren dan Jij. Hoe moet ik dan begrijpen dat Jij hem in het begin deze wetenschap hebt onderwezen?’ (Bhagavad-gītā 4.4)
Dit is een heel intelligente vraag, die Kṛṣṇa als volgt beantwoordt:
bahūni me vyatītāni
janmāni tava cārjuna
tāny ahaṁ veda sarvāṇi
na tvaṁ vettha paran-tapa
janmāni tava cārjuna
tāny ahaṁ veda sarvāṇi
na tvaṁ vettha paran-tapa
De Persoonlijkheid Gods zei: ‘Vele, vele geboorten hebben zowel jij als Ik doorgemaakt. Ik kan ze Me allemaal herinneren, maar jij niet, o bedwinger van de vijand!’ (Bhagavad-gītā 4.5)
Hoewel Kṛṣṇa God is, incarneert Hij vele, vele malen. En Arjuna, een levend wezen, wordt ook vele, vele malen geboren. Het verschil tussen de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en een levend wezen is tāny ahaṁ veda sarvāṇi: Kṛṣṇa herinnert Zich de gebeurtenissen van Zijn vorige incarnaties, terwijl het levend wezen dat niet kan. Dat is een van de verschillen tussen God en de mens. God is eeuwig en wij zijn ook eeuwig, maar het verschil is dat wij altijd van lichaam veranderen. Op het moment van de dood vergeten we de gebeurtenissen van ons leven; doodgaan betekent vergeten, zo simpel ligt dat. Wanneer we ’s nachts gaan slapen, vergeten we dat we de echtgenoot van een bepaalde vrouw en de vader van bepaalde kinderen zijn. Tijdens onze slaap vergeten we onszelf, maar als we wakker worden, herinneren we ons alles weer: ‘O ja, ik ben zus en zo en ik moet dit of dat doen.’ Het is zeker zo dat we in onze vorige levens andere lichamen hadden, met andere families, vaders, moeders enz., in andere landen en ook dat we dit allemaal vergeten zijn. We zijn misschien een hond, een god of een kat geweest. Maar wat we ook waren, we zijn het vergeten.
Ondanks al die veranderingen zijn we als levende wezens eeuwig. Net zoals we ons in vorige levens op dit lichaam hebben voorbereid, bereiden we ons in dit lichaam voor op een ander lichaam. We krijgen onze lichamen volgens ons karma, onze activiteiten. Wie zich in de hoedanigheid goedheid bevindt, wordt bevorderd tot de hogere planeten, tot een hogere levensstandaard (Gītā 14.14). Wie in de hoedanigheid hartstocht sterft, blijft hier op aarde. En wie in de hoedanigheid onwetendheid sterft, valt mogelijk terug naar een dierlijke levensvorm of wordt naar een lagere planeet overgebracht (Gītā 14.15). Dit is een proces dat zich al tijden voltrekt, maar wij vergeten alles.
De hemelkoning, Indra, beging eens een overtreding aan de voeten van zijn spiritueel leraar die hem daarna vervloekte, waardoor Indra als een zwijn werd geboren. Maar nu Indra op aarde een zwijn was geworden, was de troon van het hemels koninkrijk onbezet. Brahmā, die de situatie doorzag, ging naar de aarde en sprak het zwijn als volgt aan: ‘Beste meneer, u bent nu een zwijn geworden op deze planeet aarde. Ik ben gekomen om u te bevrijden. Kom nu gelijk met mij mee.’ Maar het zwijn antwoordde: ‘Oh nee, dat zal niet gaan. Ik heb zo veel verantwoordelijkheden: mijn kinderen, mijn vrouw en deze fijne samenleving van zwijnen.’ Ook al beloofde Brahmā hem mee te zullen nemen naar de hemel, toch bleef Indra, in de gedaante van een zwijn, weigeren.
Dit wordt vergeetachtigheid genoemd. Zo komt Heer Śrī Kṛṣṇa naar ons en zegt: ‘Wat doen jullie in deze materiële wereld? Sarva-dharmān parityajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja: kom naar Mij en Ik zal je beschermen.’ Maar wij zeggen: ‘Ik geloof niet in U, Heer. Ik heb hier belangrijkere dingen te doen.’ Dat is de situatie van de geconditioneerde ziel: vergeetachtigheid. Door het pad van de opeenvolging van discipelen te volgen, wordt deze vergeetachtigheid snel verdreven.
Dit wordt vergeetachtigheid genoemd. Zo komt Heer Śrī Kṛṣṇa naar ons en zegt: ‘Wat doen jullie in deze materiële wereld? Sarva-dharmān parityajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja: kom naar Mij en Ik zal je beschermen.’ Maar wij zeggen: ‘Ik geloof niet in U, Heer. Ik heb hier belangrijkere dingen te doen.’ Dat is de situatie van de geconditioneerde ziel: vergeetachtigheid. Door het pad van de opeenvolging van discipelen te volgen, wordt deze vergeetachtigheid snel verdreven.