Default View
Dual Language

Hoofdstuk 4

De mahātmā’s, de grote zielen die Kṛṣṇa voortdurend vereren, zien Kṛṣṇa’s aanwezigheid in alle aspecten van de schepping. En Kṛṣṇa Zelf verklaart dat deze grote zielen de vertrouwelijke kennis uit het negende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā begrijpen en dat ze weten dat Kṛṣṇa de oorsprong is van alles.
mahātmānas tu māṁ pārtha
 daivīṁ prakṛtim āśritāḥ
bhajanty ananya-manaso
 jñātvā bhūtādim avyayam
‘O zoon van Pṛthā, zij die niet misleid zijn, de grote zielen, worden door de goddelijke natuur beschermd. Ze zijn voortdurend en uitsluitend bezig met devotionele dienst, omdat ze Me kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die oorspronkelijk en onuitputtelijk is.’ (Bhagavad-gītā 9.13)
Grote zielen weten zonder enige twijfel dat Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is en dat Hij de oorsprong is van alle emanaties. De Vedānta-sūtra zegt: athāto brahma-jijñāsā — het menselijk leven is ervoor bedoeld om vragen te stellen over de Allerhoogste.

Op dit moment bestuderen we allemaal tijdelijke, kleine dingen. Brahman betekent het allergrootste, maar in plaats van onze aandacht op het allergrootste te vestigen, zijn we vastgelopen in het oplossen van dierlijke problemen: eten, slapen, verdedigen en paren. Deze kleine problemen worden vanzelf opgelost. Zelfs dieren paren, slapen, eten en verdedigen zich. In alles wat ze hiervoor nodig hebben, worden ze voorzien. Deze lichamelijke behoeften zijn niet echt problemen; we hebben er alleen problemen van gemaakt.

De Vedānta-sūtra houdt ons nadrukkelijk voor dat we ons niet in dit soort problemen moeten verdiepen, want in iedere levensvorm worden ze vanzelf opgelost. Ons probleem is dat we vragen moeten stellen over de oorsprong van die verschijnselen. De menselijke levensvorm is niet bedoeld voor hard werken en het oplossen van materiële problemen, want die kunnen zelfs door een varken dat ontlasting eet, worden opgelost. Varkens worden als de laagste diersoort beschouwd. Toch kunnen ze eten, paren, slapen en zich verdedigen. Zelfs als we zulke dingen niet nastreven, krijgen we ze toch. Maar de mens is ervoor bedoeld om te achterhalen wat de bron is waaruit al deze zaken voortkomen. De Vedānta-sūtra zegt dat Brahman datgene is waaruit alles voortkomt (janmādy asya yataḥ). Filosofen, wetenschappers, yogī’s, jñānī’s en transcendentalisten proberen allemaal de uiteindelijke bron van alles te vinden. Deze bron wordt in de Brahma-saṁhitā genoemd: sarva-kāraṇa-kāraṇam — Kṛṣṇa is de oorzaak van alle oorzaken.
Hoe handelen de grote zielen die begrijpen dat Kṛṣṇa de oorspronkelijke bron van alles is? Kṛṣṇa Zelf beschrijft ze als volgt:
satataṁ kīrtayanto māṁ
 yatantaś ca dṛḍha-vratāḥ
namasyantaś ca māṁ bhaktyā
 nitya-yuktā upāsate
‘Deze grote zielen vereren Me onophoudelijk met devotie door Me altijd te verheerlijken, door zich met grote vastberadenheid in te spannen en door voor Me neer te buigen.’ (Bhagavad-gītā, 9.14)
Die verheerlijking is de methode van bhakti-yoga, het chanten van Hare Kṛṣṇa. Grote zielen, die het wezen, het neerdalen en de missie van God begrijpen, verheerlijken Hem op vele verschillende manieren. Maar er zijn anderen die Hem niet aanvaarden. Kṛṣṇa noemt hen in het negende hoofdstuk:
avajānanti māṁ mūḍhā
 mānuṣīṁ tanum āśritam
paraṁ bhāvam ajānanto
 mama bhūta-maheśvaram
‘Dwazen bespotten Me wanneer Ik neerdaal in een menselijke gedaante. Ze kennen Mijn transcendentale aard niet als de Allerhoogste Heer van al wat bestaat.’ (Bhagavad-gītā 9.11)
De mūḍha’s (dwazen), die lager zijn dan dieren, bespotten Hem. Wie niet in God gelooft, is of een gek of een eersteklas dwaas. Er is geen enkele reden om niet in Hem te geloven. Een mens mag dan beweren niet in God te geloven, maar wie geeft hem het vermogen dat te zeggen? Op het moment van de dood houdt dit spraakvermogen op — dus wie geeft ons dit spraakvermogen? Komt het zo maar voort uit steen? Zodra de Allerhoogste Macht het spraakvermogen terugtrekt, is het lichaam niet beter dan steen. Het is juist dit spraakvermogen dat bewijst dat er een Allerhoogste Macht is die ons in alles voorziet. Een Kṛṣṇa-bewust persoon weet dat hij geen macht heeft over zijn bezittingen. Als we niet in God geloven, moeten we op zijn minst in een bepaalde macht geloven buiten onszelf, een die ons voortdurend beheerst. Noem die macht God, de natuur of om het even wat, maar er is een heersende macht in dit universum; geen normaal mens kan dat ontkennen.
Kṛṣṇa was op deze aarde aanwezig en verscheen als een mens met bovennatuurlijke krachten. Maar in die tijd herkende negenennegentig procent van de mensen Hem niet als God. Ze konden Hem niet herkennen, want ze hadden niet de ogen om Hem te zien (paraṁ bhāvam ajānantaḥ).

Hoe kunnen we God herkennen? Aan Zijn bovennatuurlijke kracht, door de bewijsvoering van autoriteiten en door bewijzen uit de heilige teksten. Wat Kṛṣṇa betreft hebben alle Vedische autoriteiten Hem als God aanvaard. Toen Hij op aarde was, waren Zijn handelingen bovenmenselijk. Als iemand dit niet wil geloven, is het duidelijk dat hij geen enkele bewijsvoering zal aanvaarden.
Maar we moeten ook de ogen hebben om God te zien. Met materiële zintuigen kunnen we God niet zien en daarom is het proces van bhakti-yoga de methode waarmee we onze zintuigen zuiveren, zodat we kunnen begrijpen wie en wat God is. We hebben het vermogen om te zien, te horen, te voelen, te proeven enzovoort, maar als deze zintuigen afgestompt zijn, kunnen we God niet begrijpen. Het proces van Kṛṣṇa-bewustzijn is het proces waardoor deze zintuigen worden ge­oefend door regulerende principes, in het bijzonder het chanten van Hare Kṛṣṇa.
Śrī Kṛṣṇa beschrijft de mūḍha’s verder als volgt:
moghāśā mogha-karmāṇo
 mogha-jñānā vicetasaḥ
rākṣasīm āsurīṁ caiva
 prakṛtiṁ mohinīṁ śritāḥ
‘Zij die op zo’n manier verward zijn, raken aangetrokken tot demonische en atheïstische opvattingen. In die verwarde toestand is hun hoop op bevrijding ijdel, zijn hun resultaatgerichte activiteiten gedoemd te mislukken en is de kennis die ze verwerven waardeloos.’ (Bhagavad-gītā 9.12)
Het woord moghāśā geeft aan dat de ambities van de atheïsten verijdeld zullen worden. De karmī’s, zij die voor de vruchten van hun arbeid werken, hopen voortdurend op iets beters voor hun zinsbevrediging. Ze kennen geen grenzen. Ze proberen hun bankrekening te vullen en hopen dat er een punt komt waarop ze gelukkig zullen zijn, maar ze weten niet wat het ultieme verzadigingspunt is. Zij die vol zijn van de illusionerende energie, kunnen het uiteindelijke doel van het leven niet begrijpen. Het woord mogha-karmāṇaḥ geeft aan dat ze hard werken maar uiteindelijk alleen maar gefrustreerd raken. Tenzij we gegrond zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn, zullen al onze handelingen uiteindelijk op een teleurstelling uitlopen.
Dit is niet het oordeel van een gewoon mens, maar van Śrī Kṛṣṇa Zelf. Wanneer we op zoek gaan naar kennis, moeten we onderzoeken of Kṛṣṇa niet God is. Wat is het nut van duizenden jaren van gespeculeer als we geen doel hebben? De Allerhoogste Heer is zo enorm groot dat we Hem niet kunnen bereiken door theoretische speculatie. Al zouden we miljoenen jaren met de snelheid van de geest en de wind reizen, dan nog zou het onmogelijk zijn door speculatie de Allerhoogste te bereiken. Niemand heeft ooit de Allerhoogste Absolute Waarheid bereikt door zijn eigen theoretische speculaties. Daarom geeft het woord mogha-jñānāḥ aan dat het proces van wereldse kennis verwarrend is. Het is onmogelijk om door onze eigen inspanningen de zon te zien nadat deze is ondergegaan — we moeten wachten tot de ochtend, tot de zon zichzelf toont tijdens de zonsopgang. Als het al onmogelijk is om met onze beperkte zintuigen iets materieels zoals de zon te zien, hoe zullen we dan ooit iets niet-materieels kunnen zien? Door onze eigen inspanningen kunnen we Kṛṣṇa niet kennen of begrijpen. We zullen onszelf moeten kwalificeren door Kṛṣṇa-bewust te worden en daarna wachten totdat Hij Zichzelf toont.
teṣāṁ satata-yuktānāṁ
 bhajatāṁ prīti-pūrvakam
dadāmi buddhi-yogaṁ taṁ
 yena mām upayānti te
‘Aan hen die Mij voortdurend met liefde en devotie dienen, geef Ik het verstand waarmee ze tot Mij kunnen komen.’ (Bhagavad-gītā 10.10)
Kṛṣṇa bevindt Zich in alles, maar door onze materiële conditionering realiseren we ons dit niet. Zij die van nature demonisch zijn (rākṣasīm āsurīm) denken dat dit materiële leven alles is en dat zo veel mogelijk plezier uit de materie persen het doel van het menselijk bestaan is. Ze blijven persen, maar hun plannen worden voortdurend gefrustreerd.

De materiële natuur uitpersen is niet de manier om werkelijk genot te vinden. Wie naar werkelijk genot zoekt, moet zich toeleggen op Kṛṣṇa-bewustzijn. Alle geluk in de materiële wereld heeft een begin en een einde, maar geluk in Kṛṣṇa-bewustzijn is onbegrensd en oneindig. Om dit geluk te ervaren hoeven we alleen maar een klein deel van onze tijd op te geven om Hare Kṛṣṇa te chanten.

In vroegere tijdperken offerden de grote wijzen en halfgoden hun hele leven op om de Allerhoogste te bereiken en dan nog zonder succes. Voor dit tijdperk heeft Caitanya Mahāprabhu ons een eenvoudig proces voor godrealisatie gegeven: het enige wat nodig is, is goed luisteren. We moeten naar de Bhaga­vad-gītā luisteren en de namen van Kṛṣṇa chanten en vooral goed luisteren. We moeten niet trots zijn en denken dat we veel kennis hebben en heel geleerd zijn. We hoeven alleen maar zachtaardig en nederig te worden om naar de boodschap van Kṛṣṇa te kunnen luisteren.
De wereld wordt tegenwoordig geleid door rākṣasa’s. Rākṣasa’s zijn menseneters, die hun eigen zoons opeten voor hun eigen zinsbevrediging. Er zijn nu omvangrijke regeringen die zo veel mensen vernietigen voor de zinsbevrediging van rākṣasa’s. Maar ze realiseren zich niet dat hun zintuigen op die manier nooit bevredigd zullen worden. Toch zijn de rākṣasa’s bereid alles op te offeren voor het vervullen van hun grillige verlangens. Omdat ze te gecharmeerd zijn van de materiële beschaving is het moeilijk voor hen om de realiteit onder ogen te zien. Wie begrijpen alles dan wel? De mahātmā’s of zij die groothartig zijn. Zij begrijpen dat alles van God is en dat ook zij toebehoren aan God.
Zulke mahātmā’s worden niet door de materiële natuur beheerst (mahātmānas tu māṁ pārtha daivīṁ prakṛtim āśritāḥ). God is groot en door het dienen van de Grote, wordt het hart van de mahātmā ook groot. ‘Mahātmā’ is geen stempel voor een politiek leider. Niemand kan door een verkiezing als mahātmā worden bestempeld. De Bhagavad-gītā geeft de standaard van een mahātmā: een mahātmā is iemand die zijn toevlucht zoekt bij de hogere energie van de Heer. Natuurlijk zijn alle energieën van Hem en Hij maakt geen verschil tussen de spirituele en de materiële energie. Maar voor een geconditioneerde ziel die zich in de marginale energie bevindt, tussen de materiële en de spirituele energie in, bestaat dat onderscheid er wel. De mahātmā ziet dit onderscheid en zoekt daarom zijn toevlucht bij de spirituele energie (daiviṁ prakṛtim).
Het dienen van de Grote maakt de mahātmā’s ook groot door hun vereenzelviging met de hogere energie: ahaṁ brahmāsmi — ‘Ik ben Brahman, ziel’. Dit betekent niet dat ze verwaand worden en denken dat ze zelf God zijn. Als iemand Brahman wordt, moet zijn gedrag in overeenstemming zijn met Brahman. Het spirituele wordt gekenmerkt door activiteit en Brahman worden betekent niet dat we inactief moeten worden. Brahman is spiritueel en het materiële lichaam is alleen actief omdat Brahman zich erin bevindt. Als we ondanks ons contact met de materiële natuur toch actief zijn, zal die activiteit dan stoppen wanneer we onszelf zuiveren van materiële onzuiverheden en onszelf correct identificeren als zuiver Brahman?

Beseffen dat we Brahman zijn, houdt in dat we spirituele activiteiten verrichten omdat we spiritueel zijn; en ondanks het feit dat we onzuiver zijn door de materie, zijn onze activiteiten toch zichtbaar. Brahman worden betekent niet dat we opgaan in een leegte, maar dat we onszelf verankeren in de hogere natuur, in een verhevener energie met verhevener activiteiten. Brahman worden betekent dat we ons volledig toeleggen op devotionele dienst aan de Heer. De mahātmā begrijpt dat als er iemand is die gediend moet worden, dat Kṛṣṇa moet zijn en niemand anders. We hebben al zo lang onze zintuigen gediend — nu moeten we Kṛṣṇa dienen.
Er is geen sprake van het stoppen van dienen, want we zijn ervoor bedoeld om te dienen. Is er iemand die niet dient? Als we de president vragen: ‘Wie dient u?’ Dan zal hij zeggen dat hij het land dient. Er is niemand die niet dient. We kunnen niet stoppen met dienen, maar we kunnen onze dienstbaarheid wel een nieuwe richting geven: van illusie naar werkelijkheid. Wanneer we dit doen, worden we een mahātmā.
De methode van kīrtana (kīrtayantaḥ) of voortdurend de roem van de Heer chanten is het begin van de mahātmā. Heer Caitanya Mahāprabhu vereenvoudigde deze methode en schonk de mensheid het chanten van Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Er zijn negen methoden van devotio­nele dienst, waarvan śravaṇam (horen) en kīrtanam (chanten) de belangrijkste zijn. Kīrtanam betekent in werkelijkheid ‘beschrijven’. We kunnen dingen beschrijven met muziek, woorden, afbeeldingen enzovoort. Śravaṇam gaat hand in hand met kīrtanam, want zonder te horen kunnen we niets beschrijven. We hebben geen materiële kwalificaties nodig om de Allerhoogste te bereiken; we hoeven alleen maar te luisteren naar gezaghebbende bronnen en nauwgezet te herhalen wat we hebben gehoord.
Voorheen hoorden studenten de Veda’s van de spiritueel leraar en zo kwamen de Veda’s bekend te staan als śruti, ‘dat wat wordt gehoord’. In de Bhagavad-gītā zien we bijvoorbeeld dat Arjuna op het slagveld naar Kṛṣṇa luistert. Hij houdt zich niet bezig met het bestuderen van Vedānta-filosofie. We kunnen overal, waar dan ook, van de Allerhoogste Autoriteit horen, zelfs op het slagveld. De kennis wordt ontvangen, niet verzonnen. Sommige mensen denken: ‘Waarom zou ik naar Hem luisteren? Ik kan voor mezelf denken. Ik kan iets nieuws verzinnen.’ Dit is niet het Vedische kennisproces volgens de neerdalende methode. Bij kennis volgens de opklimmende methode proberen we ons door onze eigen inspanningen zelf te verheffen, maar bij neerdalende kennis ontvangen we kennis van een hogere bron. In de Vedische traditie draagt de spiritueel leraar kennis over aan de student, zoals de Bhagavad-gītā bevestigt (evaṁ paramparā-prāptam imaṁ rājarṣayo viduḥ).
Nederig luisteren is zo krachtig dat we volmaakt kunnen worden door eenvoudig naar een gezaghebbende bron te luisteren. Als we nederig worden, leren we onze eigen onvolmaaktheden kennen: we zullen zeker fouten maken, onder illusie komen, onvolmaakte zintuigen hebben en bedriegen. Daarom is het nutteloos om de Absolute Waarheid te proberen te begrijpen met behulp van onze onvolmaakte zintuigen en ervaring. We moeten luisteren naar Kṛṣṇa’s vertegenwoordiger, een toegewijde van Kṛṣṇa. Kṛṣṇa benoemde Arjuna tot Zijn vertegenwoordiger, omdat Arjuna Zijn toegewijde was: bhakto ’si me sakhā ceti — ‘omdat je Mijn vriend en toegewijde bent.’ (Bhagavad-gītā 4.3).
Zonder Gods toegewijde te zijn kan niemand een ver­tegenwoordiger van Hem worden. Wie denkt dat hij God is, kan geen vertegenwoordiger zijn. Omdat we een deeltje van God zijn, hebben we dezelfde kwaliteiten als Hij. Als we deze kwaliteiten daarom in onszelf bestuderen, kunnen we iets over God leren. Dit betekent niet dat we God kwantitatief begrijpen. Deze methode van zelfrealisatie is een manier om God te begrijpen, maar we kunnen nooit verkondigen dat we zelf God zijn. We kunnen nooit beweren God te zijn zonder Gods vermogens te kunnen vertonen. Wat Kṛṣṇa betreft, Hij bewees dat Hij God was door zo veel vermogens te tonen en door Arjuna Zijn kosmische gedaante te laten zien. Kṛṣṇa vertoonde deze indrukwekkende gedaante om mensen die beweren God te zijn te ontmoedigen. We moeten ons niet voor de gek laten houden door iemand die beweert dat hij God is. Voordat we iemand als God aanvaarden moeten we hem, in navolging van Arjuna, vragen of we zijn kosmische gedaante mogen zien. Alleen een dwaas zal een andere dwaas als God aanvaarden.
Niemand kan gelijk zijn aan God en niemand kan boven Hem staan. Zelfs Heer Brahmā en Śiva, de meest verheven halfgoden, zijn ondergeschikt aan Hem en betuigen Hem alle respect. In plaats van door een of andere meditatiemethode God proberen te worden, kunnen we beter nederig over Hem horen en onze relatie met Hem proberen te begrijpen. Gods vertegenwoordiger of incarnatie beweert nooit God zelf te zijn maar juist Gods dienaar. Dat is het kenmerk van een betrouwbare vertegenwoordiger.
Alles wat we uit gezaghebbende bronnen over God te weten komen kan worden beschreven en dat zal ons helpen spirituele vooruitgang te maken. Dit beschrijven wordt kīrtana genoemd. Als we proberen te herhalen wat we gehoord hebben, raken we gegrond in kennis. Door de methode van śravaṇam kīrtanam, horen en chanten, worden we verlost van materiële conditionering en bereiken we het koninkrijk van God. Het brengen van offers, filosofisch speculeren en het beoefenen van yoga zijn in dit tijdperk onmogelijk. Er rest ons geen andere manier dan nederig naar gezaghebbende bronnen te luisteren. Dat is de manier waarop de mahātmā’s de meest vertrouwelijke kennis ontvingen, dat is de manier waarop Arjuna deze kennis van Kṛṣṇa ontving en dat is de manier waarop wij het van de opeenvolging van discipelen die met Arjuna begint, moeten ontvangen.