Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 3
Op dit punt kan worden opgemerkt dat het negende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā specifiek bedoeld is voor degenen die Kṛṣṇa al als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods hebben aanvaard. Met andere woorden: het is bedoeld voor Zijn toegewijden. Aanvaarden we Śrī Kṛṣṇa niet als de Allerhoogste, dan zal dit negende hoofdstuk anders lijken dan het in werkelijkheid is. Zoals in het begin al werd gezegd, de inhoud van het negende hoofdstuk is het vertrouwelijkste deel van de hele Bhagavad-gītā. Als we Kṛṣṇa niet als de Allerhoogste aanvaarden, zullen we het hoofdstuk alleen maar als overdrijving zien en dan vooral de verzen over de relatie tussen Kṛṣṇa en Zijn schepping.
mayā tatam idaṁ sarvaṁ
jagad avyakta-mūrtinā
mat-sthāni sarva-bhūtāni
na cāhaṁ teṣv avasthitaḥ
jagad avyakta-mūrtinā
mat-sthāni sarva-bhūtāni
na cāhaṁ teṣv avasthitaḥ
‘In Mijn ongemanifesteerde vorm doordring Ik dit hele universum. Alle wezens bevinden zich in Mij, maar Ik ben niet in hen.’ (Bhagavad-gītā 9.4)
De wereld voor onze ogen is ook de energie van Kṛṣṇa, Zijn māyā. Mayā betekent hier ‘door Mij’, als in ‘Dit werk is door mij gedaan.’ Dit ‘door Mij’ betekent niet dat Hij Zijn taak heeft gedaan en nu klaar is of met pensioen is. Wanneer ik een grote fabriek open en zeg: ‘Deze fabriek is door mij opgezet’, houdt dat niet in dat ik verdwenen ben of op een of andere manier niet aanwezig ben. Hoewel een fabrikant van zijn producten kan zeggen dat ze door hem zijn gefabriceerd, betekent dit niet dat hij zijn product persoonlijk heeft gemaakt of in elkaar heeft gezet; het betekent alleen dat het gefabriceerd is door zijn energie. Op dezelfde manier moeten we ook niet denken dat Kṛṣṇa niet langer bestaat als Hij zegt: ‘Alles wat je in de wereld ziet is door Mij geschapen.’
Het is niet zo moeilijk om God overal in de schepping te zien, want Hij is overal aanwezig. Net zoals arbeiders in de Ford-fabriek overal meneer Ford zien, zo zien degenen die de wetenschap van Kṛṣṇa kennen Hem in ieder atoom van de schepping. Alles rust op Kṛṣṇa (mat-sthāni sarva bhūtāni), maar Kṛṣṇa is daar niet (na cāhaṁ teṣv avasthitaḥ). Kṛṣṇa en Zijn energie verschillen niet van elkaar en toch is die energie niet Kṛṣṇa. De zon en de zonneschijn verschillen ook niet van elkaar, maar de zonneschijn is niet de zon. De zonneschijn mag dan door het raam onze kamer binnenkomen, maar dat betekent niet dat de zon in onze kamer aanwezig is. De Viṣṇu Purāṇa zegt: parasya brāhmaṇaḥ śaktiḥ. Parasya betekent allerhoogste, brāhmaṇaḥ betekent Absolute Waarheid en śaktiḥ betekent energie. De energie van de Allerhoogste Absolute is alles, maar we zullen Kṛṣṇa niet in die energie vinden.
Er zijn twee soorten energie: materiële en spirituele energie. Jīva’s of spirituele zielen behoren tot de hogere energie van Kṛṣṇa, maar omdat ze vatbaar zijn voor de aantrekking van de materiële energie, worden ze de tussenenergie genoemd. Maar in werkelijkheid zijn er maar twee energieën. Alle planetenstelsels en universa zijn afhankelijk van Kṛṣṇa’s energieën. Net zoals de planeten in het zonnestelsel afhankelijk zijn van de zonneschijn, zo is alles binnen de schepping afhankelijk van de ‘Kṛṣṇa-schijn’.
Al deze vermogens van de Heer schenken de toegewijden vreugde, maar wie afgunstig is op Kṛṣṇa verwerpt ze. Voor een niet-toegewijde zijn de verklaringen van Kṛṣṇa alleen maar bluf, maar een toegewijde denkt: ‘O, mijn Heer is zo machtig’ en raakt vervuld van liefde en verering. Niet-toegewijden denken dat omdat Kṛṣṇa zegt: ‘Ik ben God’, zij en alle anderen hetzelfde kunnen zeggen. Maar als hun wordt gevraagd hun universele gedaante te laten zien, kunnen ze dat niet. Dat is het verschil tussen een pseudogod en de echte God.
Niemand kan Kṛṣṇa’s activiteiten van vermaak imiteren. Kṛṣṇa trouwde met meer dan 16 000 vrouwen en zorgde voor ze in stijl, in 16 000 paleizen. Een gewone man kan niet eens in stijl voor één vrouw zorgen. Kṛṣṇa sprak niet alleen wonderbaarlijke woorden, Zijn daden waren ook wonderbaarlijk. Het is niet goed om alleen maar te geloven in de ene uitspraak of daad van Kṛṣṇa en de andere te verwerpen; als we geloven, moet ons geloof volledig zijn.
Al deze vermogens van de Heer schenken de toegewijden vreugde, maar wie afgunstig is op Kṛṣṇa verwerpt ze. Voor een niet-toegewijde zijn de verklaringen van Kṛṣṇa alleen maar bluf, maar een toegewijde denkt: ‘O, mijn Heer is zo machtig’ en raakt vervuld van liefde en verering. Niet-toegewijden denken dat omdat Kṛṣṇa zegt: ‘Ik ben God’, zij en alle anderen hetzelfde kunnen zeggen. Maar als hun wordt gevraagd hun universele gedaante te laten zien, kunnen ze dat niet. Dat is het verschil tussen een pseudogod en de echte God.
Niemand kan Kṛṣṇa’s activiteiten van vermaak imiteren. Kṛṣṇa trouwde met meer dan 16 000 vrouwen en zorgde voor ze in stijl, in 16 000 paleizen. Een gewone man kan niet eens in stijl voor één vrouw zorgen. Kṛṣṇa sprak niet alleen wonderbaarlijke woorden, Zijn daden waren ook wonderbaarlijk. Het is niet goed om alleen maar te geloven in de ene uitspraak of daad van Kṛṣṇa en de andere te verwerpen; als we geloven, moet ons geloof volledig zijn.
Er is een verhaal over Nārada Muni dat dit verduidelijkt. Een brāhmaṇa vroeg hem eens: ‘Oh, gaat u naar de Heer? Wilt u Hem alstublieft vragen wanneer ik verlost zal worden?’
‘Natuurlijk,’ stemde Nārada toe, ‘ik zal het Hem vragen.’
Verderop ontmoette hij een schoenmaker die onder een boom schoenen aan het repareren was. De schoenmaker stelde hem dezelfde vraag: ‘Oh, gaat u naar de Heer? Wilt u Hem alstublieft vragen wanneer ik verlost zal worden?’
Toen Nārada op de Vaikuṇṭha-planeten aankwam, vervulde hij deze verzoeken en vroeg Nārāyaṇa (God) naar de verlossing van de brāhmaṇa en de schoenmaker. Nārāyaṇa antwoordde: ‘Zodra de schoenmaker zijn lichaam heeft verlaten, zal hij hier bij Mij komen.’
‘En hoe zit het met de brāhmaṇa?’, vroeg Nārada.
‘Hij zal daar nog een aantal levens moeten blijven. Ik weet niet wanneer hij hier zal komen.’
Nārada Muni was sprakeloos en zei even later: ‘Dit is een mysterie dat ik niet kan doorgronden.’
‘Het zal je duidelijk worden,’ zei Nārāyaṇa, ‘wanneer ze je vragen wat Ik aan het doen was in Mijn woning. Vertel ze maar dat ik een olifant door het oog van een naald aan het rijgen was.’
Toen Nārada op aarde terugkeerde en de brāhmaṇa benaderde, zei deze: ‘Ah, heeft u de Heer gezien? Vertel me, wat was Hij aan het doen?’
‘Hij was bezig een olifant door het oog van een naald te rijgen,’ antwoordde Nārada.
‘Dat soort onzin geloof ik niet,’ antwoordde de brāhmaṇa. Nārada begreep onmiddellijk dat de man geen geloof had en alleen maar een boekenwurm was.
Nārada vertrok en ging verder naar de schoenmaker. Die vroeg hem: ‘Oh, u heeft de Heer gezien? Vertel me eens, wat was Hij aan het doen?’
‘Hij was bezig een olifant door het oog van een naald te rijgen,’ antwoordde Nārada.
De schoenmaker begon te huilen: ‘O, mijn Heer is zo geweldig. Hij kan alles.’
‘Geloof je echt dat de Heer een olifant door het oog van een naald kan halen?’, vroeg Nārada.
‘Natuurlijk, waarom niet?’, zei de schoenmaker.
‘Hoe dan?’
‘Zie, ik zit onder deze banyan-boom,’ antwoordde de schoenmaker, ‘en dagelijks valt er zo veel fruit uit. Nou, in ieder zaadje zit een banyan-boom zoals deze. En als er in elk zaadje zo’n grote boom als deze kan zitten, waarom is het dan zo moeilijk om te geloven dat de Heer een olifant door het oog van een naald haalt?’
Dat is geloof. Het is niet een kwestie van zomaar blindelings aannemen. Achter dit geloof zit gezond verstand. Als Kṛṣṇa in zo veel kleine zaadjes een grote boom kan stoppen, is het dan zo verbazingwekkend dat Hij door Zijn energie alle planetenstelsels in de ruimte kan laten drijven?
Hoewel wetenschappers denken dat de planeten alleen door de natuur in de ruimte worden vastgehouden, bevindt de Allerhoogste Zich achter de natuur. De natuur handelt onder Zijn leiding. Zo zegt Kṛṣṇa:
mayādhyakṣeṇa prakṛtiḥ
sūyate sa-carācaram
hetunānena kaunteya
jagad viparivartate
sūyate sa-carācaram
hetunānena kaunteya
jagad viparivartate
‘O zoon van Kuntī, deze materiële natuur, die een van Mijn energieën is, werkt onder Mijn leiding en brengt alle bewegende en niet-bewegende wezens voort. Onder haar bestuur wordt deze manifestatie steeds weer opnieuw geschapen en vernietigd.’ (Bhagavad-gītā 9.10)
Mayādhyakṣena betekent ‘onder Mijn toezicht’. Zonder de hand van God zou de materiële natuur niet zulke wonderbaarlijke dingen kunnen verrichten. Waar zijn de voorbeelden van materiële dingen die automatisch plaatsvinden? Die zijn er niet. Materie is inert en zonder contact met iets spiritueels kan ze met geen mogelijkheid iets teweegbrengen. Materie is niet onafhankelijk en kan niet automatisch iets uitrichten. Machines mogen dan wonderbaarlijk in elkaar zitten, maar ze werken alleen als ze door een mens worden bediend.
Maar wat is die mens? Een spirituele vonk. Zonder contact met iets spiritueels kan niets bewegen; alles is daarom afhankelijk van de onpersoonlijke energie van Kṛṣṇa. Kṛṣṇa’s energie is onpersoonlijk, maar zelf is Hij een persoon. We horen vaak over personen die wonderbaarlijke dingen hebben gedaan, maar ondanks hun krachtige prestaties blijven ze nog steeds personen. Als dit mogelijk is voor mensen, waarom zou het dan onmogelijk zijn voor de Allerhoogste Heer? We zijn allemaal personen, maar we zijn afhankelijk van Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoon.
Maar wat is die mens? Een spirituele vonk. Zonder contact met iets spiritueels kan niets bewegen; alles is daarom afhankelijk van de onpersoonlijke energie van Kṛṣṇa. Kṛṣṇa’s energie is onpersoonlijk, maar zelf is Hij een persoon. We horen vaak over personen die wonderbaarlijke dingen hebben gedaan, maar ondanks hun krachtige prestaties blijven ze nog steeds personen. Als dit mogelijk is voor mensen, waarom zou het dan onmogelijk zijn voor de Allerhoogste Heer? We zijn allemaal personen, maar we zijn afhankelijk van Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoon.
Vaak zien we tekeningen van Atlas als een grote man die veel moeite doet om een enorme planeet op zijn schouders omhoog te houden. En omdat Kṛṣṇa het universum in stand houdt, zouden we kunnen denken dat Hij net als Atlas met Zijn last worstelt. Maar dat is niet zo.
na ca mat-sthāni bhūtāni
paśya me yogam aiśvaram
bhūta-bhṛn na ca bhūta-stho
mamātmā bhūta-bhāvanaḥ
paśya me yogam aiśvaram
bhūta-bhṛn na ca bhūta-stho
mamātmā bhūta-bhāvanaḥ
‘En toch bevindt alles wat geschapen is zich niet in Mij. Aanschouw Mijn mystieke volheid! Hoewel Ik de instandhouder ben van alle levende wezens en hoewel Ik overal aanwezig ben, maak Ik geen deel uit van deze kosmische manifestatie, omdat Mijn eigen Zelf de bron is van de schepping.’ (Bhagavad-gītā 9.5)
Alle wezens in het universum zijn afhankelijk van Kṛṣṇa’s energie; toch bevinden zij zich niet in Hem. Kṛṣṇa houdt alle levende wezens in stand en Zijn energie is alomtegenwoordig, maar toch is Hij ergens anders. Dit is Kṛṣṇa’s onvoorstelbare mystieke vermogen. Hij is overal, maar toch is Hij boven alles verheven. We kunnen Zijn energie waarnemen, maar we kunnen Hem niet zien, omdat Hij onzichtbaar is voor materiële ogen. Maar wanneer we onze spirituele eigenschappen ontwikkelen, zuiveren we onze zintuigen, zodat we Hem zelfs in deze energie kunnen zien. Elektriciteit is bijvoorbeeld overal aanwezig en een elektricien is in staat daar gebruik van te maken. Op dezelfde manier is ook de energie van de Allerhoogste overal en wanneer we een transcendentale positie innemen, kunnen we God overal van aangezicht tot aangezicht zien.
Die spiritualisering van de zintuigen is mogelijk door devotionele dienst en liefde voor God. De Heer is alomtegenwoordig in het hele universum en bevindt zich in de ziel, het hart, het water en de lucht — overal. Als we een afbeelding van God maken — met klei, steen, hout of met welk materiaal dan ook — moeten we dit niet als een gewone pop beschouwen. Zo’n beeltenis is ook God. Wanneer we voldoende devotie bezitten, zal die beeltenis ook tot ons spreken. God is overal op een onpersoonlijke manier aanwezig (mayā tatam idaṁ sarvam), maar als we Zijn persoonlijke gedaante van welk materiaal dan ook maken of als we in onszelf een beeltenis van God creëren, zal Hij er persoonlijk voor ons zijn.
In de śāstra’s worden acht soorten beeltenissen aanbevolen en iedere gedaante kan vereerd worden, omdat God overal aanwezig is. We zouden hiertegen kunnen protesteren: ‘Waarom zouden we een beeltenis van God vereren en niet Zijn oorspronkelijke spirituele gedaante?’ Het antwoord is dat we God niet onmiddellijk in Zijn spirituele gedaante kunnen zien. Met onze materiële ogen kunnen we alleen steen, aarde en hout waarnemen — concrete dingen — en daarom verschijnt Kṛṣṇa als de arcā-vigraha, een gedaante die de Allerhoogste ons gemakshalve toont, zodat we Hem kunnen zien. Het resultaat is dat Kṛṣṇa ons via Zijn beeltenis zal antwoorden als we ons daarop concentreren en Hem met liefde en devotie offers brengen.
Die spiritualisering van de zintuigen is mogelijk door devotionele dienst en liefde voor God. De Heer is alomtegenwoordig in het hele universum en bevindt zich in de ziel, het hart, het water en de lucht — overal. Als we een afbeelding van God maken — met klei, steen, hout of met welk materiaal dan ook — moeten we dit niet als een gewone pop beschouwen. Zo’n beeltenis is ook God. Wanneer we voldoende devotie bezitten, zal die beeltenis ook tot ons spreken. God is overal op een onpersoonlijke manier aanwezig (mayā tatam idaṁ sarvam), maar als we Zijn persoonlijke gedaante van welk materiaal dan ook maken of als we in onszelf een beeltenis van God creëren, zal Hij er persoonlijk voor ons zijn.
In de śāstra’s worden acht soorten beeltenissen aanbevolen en iedere gedaante kan vereerd worden, omdat God overal aanwezig is. We zouden hiertegen kunnen protesteren: ‘Waarom zouden we een beeltenis van God vereren en niet Zijn oorspronkelijke spirituele gedaante?’ Het antwoord is dat we God niet onmiddellijk in Zijn spirituele gedaante kunnen zien. Met onze materiële ogen kunnen we alleen steen, aarde en hout waarnemen — concrete dingen — en daarom verschijnt Kṛṣṇa als de arcā-vigraha, een gedaante die de Allerhoogste ons gemakshalve toont, zodat we Hem kunnen zien. Het resultaat is dat Kṛṣṇa ons via Zijn beeltenis zal antwoorden als we ons daarop concentreren en Hem met liefde en devotie offers brengen.
Dit is al heel vaak voorgekomen. In India is er bijvoorbeeld de Sākṣi-Gopāla tempel (Kṛṣṇa wordt vaak Gopāla genoemd). De Gopāla-mūrti of -beeldgedaante bevond zich ooit in Vṛndāvana. Er waren toen twee brāhmaṇa’s, een oudere en een jongere, die op pelgrimstocht gingen naar Vṛndāvana. Het was een lange reis en in die dagen waren er geen treinen, dus reizigers ondergingen veel ontberingen. De oudere man was de jongere heel dankbaar voor al zijn hulp tijdens de reis en toen ze in Vṛndāvana aankwamen, zei hij tegen hem: ‘Mijn beste jongen, je hebt me zo veel diensten bewezen en ik ben je zo dankbaar, ik wil je graag een wederdienst bewijzen en je iets geven als beloning.’
‘Mijn beste heer,’ zei de jongeman, ‘u ben een oudere man, net als mijn vader. Het is mijn plicht u te dienen. Ik heb geen beloning nodig.’
‘Nee, ik ben je zo dankbaar en ik je moet belonen’, drong de oudere man aan. Vervolgens beloofde hij de jongeman dat hij met zijn dochter mocht trouwen.
De oudere man was schatrijk maar de jongeman straatarm, ook al was hij een geleerde brāhmaṇa. Met dit in gedachten zei de jongeman: ‘Beloof mij dit toch niet, want uw familie zal er nooit mee instemmen. Ik ben maar arm en u bent een aristocraat, dus dit huwelijk zal nooit plaatsvinden. Beloof mij zoiets dus niet in bijzijn van de mūrti.’
Dit gesprek vond plaats in de tempel voor de mūrti van Gopāla Kṛṣṇa en de jongeman wilde de mūrti niet beledigen. Maar ondanks de smeekbeden van de jongeman bleef de oudere man aandringen op het huwelijk. Na enige tijd in Vṛndāvana te hebben doorgebracht, keerden ze uiteindelijk terug naar huis en de oudere man bracht zijn oudste zoon op de hoogte van het feit dat zijn jongere zus aan de arme, jonge brāhmaṇa was uitgehuwelijkt. De oudste zoon werd woedend. ‘Hoe kun je nou die armoedzaaier uitkiezen als echtgenoot voor mijn zus? Dit kan gewoon niet.’
Ook de vrouw van de oudere man zei tegen hem: ‘Als je onze dochter aan die jongen uithuwelijkt, pleeg ik zelfmoord.’
De oudere man wist zich geen raad. Maar na enige tijd begon de jongere brāhmaṇa zich zorgen te maken. ‘Hij heeft beloofd dat hij zijn dochter aan mij zou uithuwelijken en hij heeft die belofte voor de mūrti gedaan. Maar hij komt nu die belofte niet na.’ Daarop bezocht hij de oudere man en herinnerde hem aan zijn belofte.
‘U heeft deze belofte tegenover Heer Kṛṣṇa gedaan,’ zei de jongeman, ‘en nu vervult u haar niet. Waarom?’
De oude man zei niets. Omdat hij niet wist wat hij moest doen, begon hij tot Kṛṣṇa te bidden. Hij wilde zijn dochter niet aan de jongeman uithuwelijken en zo voor grote problemen zorgen in zijn gezin. Ondertussen kwam de oudste zoon naar buiten en begon de jonge brāhmaṇa te beschuldigen. ‘Je hebt mijn vader in die bedevaartsplaats beroofd. Jij hebt hem een verdovend middel gegeven en hem al zijn geld afgenomen en nu zeg je dat hij jou mijn jongste zuster als bruid heeft beloofd. Jij smeerlap!’
Vanwege dit opstootje verzamelden er zich steeds meer mensen om hen heen. De jongeman begreep dat de oudere man nog steeds bereid was zijn belofte na te komen, maar dat zijn gezin het hem moeilijk maakte. Er kwamen meer en meer mensen op het geschreeuw van de oudere zoon af en de jonge brāhmaṇa begon uit te leggen dat de oudere man deze belofte in het bijzijn van de mūrti had gedaan, maar dat hij niet in staat was zich aan zijn belofte te houden, omdat zijn familie er bezwaar tegen maakte. De oudste zoon, een atheïst, zei: ‘Jij zegt dat de Heer getuige was. Nou, als Hij hierheen komt en een getuigenis aflegt van mijn vaders belofte, kun je met mijn zuster trouwen.’
De jongeman antwoordde: ‘Goed, ik zal Kṛṣṇa vragen of Hij wil komen getuigen.’ Hij was ervan overtuigd dat God zou komen. Er werd een overeenkomst gesloten dat het meisje zou worden uitgehuwelijkt als Kṛṣṇa uit Vṛndāvana zou komen om een getuigenis af te leggen van de belofte die de oudere man had gedaan.
De jonge brāhmaṇa keerde terug naar Vṛndāvana en begon tot Gopāla Kṛṣṇa te bidden: ‘Mijn geliefde Heer, U móét met mij meekomen.’ Hij was zo’n trouwe toegewijde dat hij Kṛṣṇa aansprak als een vriend. Hij beschouwde Gopāla niet als een beeld of beeltenis, maar als God Zelf.
Plotseling sprak de mūrti hem aan: ‘Hoe denk je dat Ik met je mee zou kunnen gaan? Ik ben een beeld. Ik kan nergens naartoe gaan.’
‘Als een beeld kan spreken, kan hij ook lopen’, antwoordde de jongen.
‘Goed dan’, zei de mūrti ten slotte. ‘Ik ga met je mee, maar onder één voorwaarde: je mag je absoluut niet omdraaien om Mij te zien. Ik zal je volgen en door het gerinkel van mijn enkelbanden zul je horen dat Ik je nog steeds volg.’
De jongeman stemde toe en zo vertrokken ze uit Vṛndāvana op weg naar de andere plaats. Toen de reis bijna voorbij was, net toen ze op het punt stonden zijn eigen dorp binnen te gaan, kon de jongeman het gerinkel niet meer horen en begon bang te worden. ‘O, waar is Kṛṣṇa?’ Hij kon zich niet langer inhouden en keek achterom en zag dat het beeld stil stond. Omdat hij achterom had gekeken, ging het niet verder. Hij rende onmiddellijk de stad binnen en vertelde de mensen dat ze mee moesten komen om Kṛṣṇa te zien die was komen getuigen. Iedereen stond er versteld van dat zo’n groot beeld zo’n afstand had afgelegd en ter ere van de mūrti bouwden ze op die plek een tempel. Mensen vereren Sākṣi-Gopāla, de Heer als getuige, tegenwoordig nog steeds.
We moeten daarom concluderen dat God overal is en daarom ook in Zijn beeld, in de beeldgedaante die er van Hem is gemaakt. Als Kṛṣṇa overal aanwezig is — iets wat zelfs impersonalisten toegeven — waarom bevindt Hij Zich dan niet in Zijn beeldgedaante? Of een beeltenis of beeld tegen ons spreekt of niet, is afhankelijk van het niveau van onze devotie. Maar als we ervoor kiezen de beeldgedaante alleen als een stuk hout of steen te zien, zal Kṛṣṇa altijd hout of steen voor ons blijven. Kṛṣṇa is overal, maar als we vooruitgang maken in spiritueel bewustzijn, beginnen we Hem te zien zoals Hij is. Wanneer we een brief in een brievenbus deponeren, zal die naar zijn bestemming gaan, omdat de brievenbus erkend is. Als we dus een erkende beeldgedaante van God vereren, zal ons geloof resultaat opleveren. Zijn we bereid de verschillende regels te volgen, of met andere woorden: als we de juiste kwalificaties ontwikkelen, is het mogelijk om God overal te zien, waar dan ook. In de aanwezigheid van een toegewijde zal Kṛṣṇa Zich, door Zijn alomtegenwoordige energieën, overal manifesteren, maar niet wanneer er geen toegewijde aanwezig is. Dit is heel vaak voorgekomen. Prahlāda Mahārāja zag Kṛṣṇa in een pilaar. En er zijn nog veel meer voorbeelden. Kṛṣṇa is aanwezig, maar om Hem te zien, hebben we de juiste kwalificaties nodig.
Kṛṣṇa Zelf geeft ons het volgende voorbeeld van Zijn alomtegenwoordigheid:
yathākāśa sthito nityaṁ
vāyuḥ sarvatra-go mahān
tathā sarvāṇi bhūtāni
mat-sthānīty upadhāraya
vāyuḥ sarvatra-go mahān
tathā sarvāṇi bhūtāni
mat-sthānīty upadhāraya
‘Probeer te begrijpen dat, zoals de machtige wind, die overal waait, zich altijd in het luchtruim bevindt, alle geschapen wezens zich op dezelfde manier in Mij bevinden.’ (Bhagavad-gītā 9.6)
Iedereen weet dat de wind in de ruimte waait en op aarde waait de wind overal. Er is geen plek zonder lucht of wind. Willen we de lucht verdrijven, dan moeten we met een of andere machine een kunstmatig vacuṜm creëren. Net zoals de lucht overal in de ruimte waait, zo verblijft alles in Kṛṣṇa. Als dit zo is, waar gaat de materiële schepping dan heen wanneer het wordt vernietigd?
sarva-bhūtāni kaunteya
prakṛtiṁ yānti māmikām
kalpa-kṣaye punas tāni
kalpādau visṛjāmy aham
prakṛtiṁ yānti māmikām
kalpa-kṣaye punas tāni
kalpādau visṛjāmy aham
‘O zoon van Kuntī, aan het einde van een kalpa [een dag van Brahmā ofwel 4 320 000 000 jaar] gaan alle materiële manifestaties binnen in Mijn natuur en aan het begin van een volgend kalpa schep Ik ze door Mijn almacht opnieuw.’ (Bhagavad-gītā 9.7)
Zoals iemand een klok opwindt, zo zet Kṛṣṇa Zijn natuur (prakṛti) in beweging. En wanneer de natuur afloopt, wordt ze opnieuw in de Heer opgenomen. Maar de spirituele schepping is anders, want die is blijvend. In de materiële schepping is alles tijdelijk. Net zoals onze lichamen zich ontwikkelen dankzij de spirituele vonk die zich in ons bevindt, zo ontstaat en verdwijnt de hele schepping dankzij de erin aanwezige ziel van de Heer. Net zoals onze ziel zich in ons lichaam bevindt, zo is de Heer aanwezig in het universum als Paramātmā. En net zoals onze lichamen dankzij onze aanwezigheid bestaan, zo bestaat de materiële schepping dankzij de aanwezigheid van Kṣīrodaka-śāyī Viṣṇu. Soms manifesteert Kṛṣṇa de materiële schepping en soms niet. Haar bestaan is in ieder geval afhankelijk van Zijn aanwezigheid.