Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 2
Kṛṣṇa geeft duidelijk aan dat dit proces van Kṛṣṇa-bewustzijn susukham is: bijzonder aangenaam en eenvoudig te beoefenen. Het proces van devotie is inderdaad heel aangenaam: we zingen mooie melodieën onder begeleiding van instrumenten en iemand luistert ernaar en doet mee (śravaṇaṁ kīrtanam). Natuurlijk moet de muziek verband houden met de Allerhoogste en Hem verheerlijken.
Luisteren naar de Bhagavad-gītā maakt ook onderdeel uit van devotionele dienst. Maar los van naar de Gītā te luisteren, zouden we haar enthousiast moeten toepassen in ons eigen leven. Kṛṣṇa-bewustzijn is een wetenschap en moet niet blind worden aanvaard. Er zijn negen aanbevolen methoden van Kṛṣṇa-bewustzijn: horen, chanten, zich herinneren, vereren, bidden, dienen, een dienaar worden van de Heer, vriendschap sluiten met de Heer en alles opofferen voor de Heer. Deze methoden zijn allemaal zeer eenvoudig te beoefenen en kunnen vol vreugde worden uitgevoerd.
Luisteren naar de Bhagavad-gītā maakt ook onderdeel uit van devotionele dienst. Maar los van naar de Gītā te luisteren, zouden we haar enthousiast moeten toepassen in ons eigen leven. Kṛṣṇa-bewustzijn is een wetenschap en moet niet blind worden aanvaard. Er zijn negen aanbevolen methoden van Kṛṣṇa-bewustzijn: horen, chanten, zich herinneren, vereren, bidden, dienen, een dienaar worden van de Heer, vriendschap sluiten met de Heer en alles opofferen voor de Heer. Deze methoden zijn allemaal zeer eenvoudig te beoefenen en kunnen vol vreugde worden uitgevoerd.
Maar als we denken dat de Bhagavad-gītā en de Hare Kṛṣṇa-mantra deel uitmaken van het hindoesysteem en we het daarom niet willen aanvaarden, kunnen we natuurlijk ook een christelijke kerk bezoeken en daar zingen. Er is geen verschil tussen deze methode en die methode; het punt is dat we godsbewust moeten worden, los van de methode die we volgen. God is geen moslim, geen hindoe en ook geen christen — Hij is God. Wij zijn evenmin hindoes, moslims of christenen. Dat zijn lichamelijke aanduidingen. We zijn allemaal zuiver spirituele energie, integrerende deeltjes van de Allerhoogste. God is pavitram, zuiver, en ook wij zijn zuiver. Maar op een of andere manier zijn we in deze materiële oceaan gevallen en we lijden als de golven ons heen en weer slingeren. In werkelijkheid hebben we niets te maken met de beukende golven van materiële ellende. We moeten enkel bidden: ‘Kṛṣṇa, til me alstublieft op.’ Zodra we Kṛṣṇa vergeten, neemt de oceaan van illusie ons onmiddellijk gevangen.
Om te ontsnappen aan deze oceaan, is het chanten van Hare Kṛṣṇa bijzonder belangrijk. Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare is een geluid (śabda) dat niet van Kṛṣṇa verschilt. De klank ‘Kṛṣṇa’ en de oorspronkelijke Kṛṣṇa zijn één en dezelfde. Wanneer we Hare Kṛṣṇa chanten en dansen, danst Kṛṣṇa met ons mee. We kunnen natuurlijk zeggen: ‘Ik zie Hem niet’, maar waarom leggen we zo veel nadruk op zien? Waarom niet op horen? Zien, proeven, ruiken, aanraken en horen zijn allemaal instrumenten om ervaring en kennis mee op te doen. Waarom leggen we alleen zo veel nadruk op zien?
Een toegewijde wil Kṛṣṇa niet zien; hij is eenvoudig tevreden met horen over Kṛṣṇa. Uiteindelijk zullen we Hem dan misschien kunnen zien, maar horen is niet minder belangrijk. Er bestaan dingen die we horen, maar niet zien: de wind kan langs onze oren gieren en hoewel we dit horen, is het niet mogelijk de wind te zien. Omdat ervaring door te horen niet minder belangrijk is dan ervaring door te zien, kunnen we Kṛṣṇa horen en door geluid Zijn aanwezigheid ervaren. Śrī Kṛṣṇa zegt Zelf: ‘Ik ben niet aanwezig in Mijn woning of in het hart van de mediterende yogī maar waar mijn toegewijden zingen.’ We kunnen Kṛṣṇa’s aanwezigheid voelen wanneer we daadwerkelijk vooruitgang maken.
Om te ontsnappen aan deze oceaan, is het chanten van Hare Kṛṣṇa bijzonder belangrijk. Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare is een geluid (śabda) dat niet van Kṛṣṇa verschilt. De klank ‘Kṛṣṇa’ en de oorspronkelijke Kṛṣṇa zijn één en dezelfde. Wanneer we Hare Kṛṣṇa chanten en dansen, danst Kṛṣṇa met ons mee. We kunnen natuurlijk zeggen: ‘Ik zie Hem niet’, maar waarom leggen we zo veel nadruk op zien? Waarom niet op horen? Zien, proeven, ruiken, aanraken en horen zijn allemaal instrumenten om ervaring en kennis mee op te doen. Waarom leggen we alleen zo veel nadruk op zien?
Een toegewijde wil Kṛṣṇa niet zien; hij is eenvoudig tevreden met horen over Kṛṣṇa. Uiteindelijk zullen we Hem dan misschien kunnen zien, maar horen is niet minder belangrijk. Er bestaan dingen die we horen, maar niet zien: de wind kan langs onze oren gieren en hoewel we dit horen, is het niet mogelijk de wind te zien. Omdat ervaring door te horen niet minder belangrijk is dan ervaring door te zien, kunnen we Kṛṣṇa horen en door geluid Zijn aanwezigheid ervaren. Śrī Kṛṣṇa zegt Zelf: ‘Ik ben niet aanwezig in Mijn woning of in het hart van de mediterende yogī maar waar mijn toegewijden zingen.’ We kunnen Kṛṣṇa’s aanwezigheid voelen wanneer we daadwerkelijk vooruitgang maken.
Maar we zouden niet zomaar dingen van Kṛṣṇa moeten aannemen zonder Hem iets terug te geven. Iedereen neemt iets aan van God, dus waarom zouden we dan niet iets teruggeven? We ontvangen zo veel licht, lucht, voedsel, water enzovoort. Als Kṛṣṇa niet in deze hulpbronnen zou voorzien, zou niemand in leven kunnen blijven. Is het een teken van liefde als we voortdurend maar dingen blijven nemen zonder er ooit iets voor terug te geven? Liefde betekent nemen en ook geven. Wanneer we alleen maar van iemand nemen en hem er niets voor teruggeven, is dat geen liefde — dat is uitbuiting. We zouden niet altijd maar moeten eten zonder ooit iets aan Kṛṣṇa te offeren. In de Bhagavad-gītā zegt Kṛṣṇa:
patraṁ puṣpaṁ phalaṁ toyaṁ
yo me bhaktyā prayacchati
tad ahaṁ bhakty-upahṛtam
aśnāmi prayatātmanaḥ
yo me bhaktyā prayacchati
tad ahaṁ bhakty-upahṛtam
aśnāmi prayatātmanaḥ
yat karoṣi yad aśnāsi
yaj juhoṣi dadāsi yat
yat tapasyasi kaunteya
tat kuruṣva mad arpaṇam
yaj juhoṣi dadāsi yat
yat tapasyasi kaunteya
tat kuruṣva mad arpaṇam
‘Als iemand Me met liefde en devotie een blad, een bloem, een vrucht of wat water offert, dan zal Ik het aanvaarden. Wat je ook doet, wat je ook eet, wat je ook offert of weggeeft en wat voor ascese je ook verricht, doe dat, o zoon van Kuntī, als een offer aan Mij.’ (Bhagavad-gītā 9.26–27)
Naast geven en ontvangen, moeten we tijdens het verrichten van onze devotionele dienst alle zorgen en vertrouwelijke problemen aan Kṛṣṇa voorleggen: ‘Kṛṣṇa, dit is mijn leed. Ik ben in deze onrustig oceaan van materiële illusie gevallen. Til me alstublieft op. Ik begrijp nu dat ik hier gewoon ben neergezet, alsof ik in de Atlantische Oceaan ben gegooid. Ik mag me dan op geen enkele manier met de Atlantische Oceaan vereenzelvigen, maar ik word wel heen en weer geslingerd. In werkelijkheid ben ik een spirituele vonk, een afzonderlijk deeltje van U.’
Dat we ons proberen te vereenzelvigen met deze oceaan en de deining willen stoppen leidt ons alleen maar tot ongeluk. We kunnen maar beter niet proberen deze deining te stoppen — dat is onmogelijk. Wat er ook gebeurt, de deining gaat door, dat is een natuurwet. Alleen dwazen proberen zich aan deze wereld aan te passen; het werkelijke probleem is hoe we eraan kunnen ontsnappen. Zij die zich wel proberen aan te passen en zich nooit tot Kṛṣṇa richten, worden voortdurend onderworpen aan zielsverhuizing in de oceaan van geboorte en dood.
Dat we ons proberen te vereenzelvigen met deze oceaan en de deining willen stoppen leidt ons alleen maar tot ongeluk. We kunnen maar beter niet proberen deze deining te stoppen — dat is onmogelijk. Wat er ook gebeurt, de deining gaat door, dat is een natuurwet. Alleen dwazen proberen zich aan deze wereld aan te passen; het werkelijke probleem is hoe we eraan kunnen ontsnappen. Zij die zich wel proberen aan te passen en zich nooit tot Kṛṣṇa richten, worden voortdurend onderworpen aan zielsverhuizing in de oceaan van geboorte en dood.
aśraddadhānāḥ puruṣā
dharmasyāsya paran-tapa
aprāpya māṁ nivartante
mṛtyu-saṁsāra-vartmani
dharmasyāsya paran-tapa
aprāpya māṁ nivartante
mṛtyu-saṁsāra-vartmani
‘Zij die geen geloof hebben in deze devotionele dienst kunnen Me niet bereiken, o overwinnaar van de vijand, en keren daarom terug naar het pad van geboorte en dood in deze materiële wereld.’ (Bhagavad-gītā 9.3)
Religie is per definitie dat wat ons met God verbindt. Is zij niet in staat ons met God te verbinden, dan is zij geen religie. Religie betekent zoeken naar God, God begrijpen en een relatie met Hem opbouwen. Dat is religie. Zij die devotionele dienst verrichten, doen dat voor Kṛṣṇa of God, en omdat ze op die manier een verbinding met God hebben, is Kṛṣṇa-bewustzijn een religie.
Het is onmogelijk om zelf een religie te verzinnen. Een echte religie moet van een gezaghebbende bron komen en die bron is of God, of Zijn vertegenwoordiger. Religie wordt ook de wet van God genoemd. Een individu kan onmogelijk een wet verzinnen. Wetten bestaan al en worden bepaald door de staat. Het is mogelijk om enkele speciale of plaatselijke verordeningen te verzinnen voor een bepaalde gemeente, maar deze wetten moeten in overeenstemming zijn met de wetten van de staat. Wanneer we dus een religieus principe willen introduceren, moet deze in overeenstemming zijn met de autoriteit van de Veda’s.
Ook de Bhagavad-gītā is religie. Grote autoriteiten, zoals Rāmānujācārya, Madhvācārya, Viṣṇu Svāmī, Heer Caitanya, Śaṅkarācārya en zo veel andere, hebben de Bhagavad-gītā aanvaard als het allerhoogste religieuze principe en beschouwen Kṛṣṇa als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Daarover bestaat geen twijfel. Ook in het westen wordt de Bhagavad-gītā als een groot filosofisch werk aanvaard en vele grote westerse geleerden en filosofen hebben het gelezen en becommentarieerd. Ondanks die aanvaarding door geleerden en ācārya’s zijn er mensen die de Bhagavad-gītā niet aanvaarden en geen geloof hebben. Ze aanvaarden de Bhagavad-gītā niet als gezaghebbend, omdat ze denken dat het overdreven sentimenten zijn van iemand die Kṛṣṇa heet. Daarom zegt Kṛṣṇa in het bovengenoemde vers dat zij die de Bhagavad-gītā als autoriteit verwerpen, geen enkele relatie met Hem kunnen hebben. En omdat ze geen relatie met Hem hebben, blijven ze in de cyclus van geboorte en dood (aprāpya māṁ nivartante mṛtyu-saṁsāra-vartmani).
Het feit dat we onderworpen zijn aan saṁsāra, de cyclus van geboorte en dood, is geen garantie dat we in ons volgende leven noodzakelijk dezelfde voorzieningen krijgen om de Bhagavad-gītā te begrijpen. Het is goed mogelijk dat we niet weer als mens worden geboren, of in Amerika, of in India, of zelfs op deze planeet. Niets is zeker. Het hangt allemaal af van onze activiteiten. Op het pad van geboorte en dood worden we geboren, bestaan we enige tijd en genieten of lijden we. Vervolgens geven we dit lichaam op en komen we terecht in de baarmoeder van een andere moeder, menselijk of dierlijk, en bereiden we daar een ander lichaam voor dat tevoorschijn komt, zodat we weer verder kunnen gaan met onze activiteiten. Dit wordt mṛtyu-saṁsāra-vartmani genoemd. Wie dit pad wil vermijden, moet zich toeleggen op het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Het feit dat we onderworpen zijn aan saṁsāra, de cyclus van geboorte en dood, is geen garantie dat we in ons volgende leven noodzakelijk dezelfde voorzieningen krijgen om de Bhagavad-gītā te begrijpen. Het is goed mogelijk dat we niet weer als mens worden geboren, of in Amerika, of in India, of zelfs op deze planeet. Niets is zeker. Het hangt allemaal af van onze activiteiten. Op het pad van geboorte en dood worden we geboren, bestaan we enige tijd en genieten of lijden we. Vervolgens geven we dit lichaam op en komen we terecht in de baarmoeder van een andere moeder, menselijk of dierlijk, en bereiden we daar een ander lichaam voor dat tevoorschijn komt, zodat we weer verder kunnen gaan met onze activiteiten. Dit wordt mṛtyu-saṁsāra-vartmani genoemd. Wie dit pad wil vermijden, moet zich toeleggen op het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Toen Yudhiṣṭhira Mahārāja werd gevraagd wat volgens hem in deze wereld het wonderbaarlijkst is, antwoordde hij: ‘Dat er iedere dag, ieder moment, mensen doodgaan en iedereen toch denkt dat de dood hem niet zal overkomen.’ Iedere minuut en iedere seconde zien we dat er levende wezens de tempel van de dood binnengaan. Mensen, insecten, zoogdieren, vogels — iedereen. Deze wereld wordt daarom mṛtyuloka genoemd, de planeet des doods. We lezen iedere dag overlijdensberichten en als we de moeite zouden nemen naar de begraafplaats of het crematorium te gaan, zouden we ze bevestigd zien. Toch denkt iedereen: ‘Op een of andere manier zal ik blijven leven.’
Iedereen is onderworpen aan de wetten van de dood, maar niemand neemt ze serieus. Dit is illusie. Omdat we denken dat we voor altijd zullen blijven leven, blijven we doen wat we willen en hebben we het gevoel dat niemand ons ooit op onze daden zal aanspreken. Dit is een bijzonder riskant leven en de meest hersenloze vorm van illusie. We moeten serieus worden en begrijpen dat de dood ons opwacht. We kennen allemaal het gezegde ‘Zo zeker als de dood.’ Dit betekent dat van alle dingen in deze wereld de dood iets is wat met de grootste zekerheid zal plaatsvinden; niemand kan eraan ontkomen. Wanneer de dood komt, zullen onze trotse filosofie of hoge opleidingen ons niet meer kunnen helpen. Op dat moment wordt ons stevige lichaam en onze intelligentie — die nergens wat om geven — overwonnen. Op dat moment staat het afzonderlijke deeltje (jīvātmā) onder het gezag van de materiële natuur en prakṛti (de natuur) geeft ons het soort lichaam dat bij ons past. Als we dat risico willen lopen, kunnen we Kṛṣṇa uit de weg gaan; willen we dat niet, dan komt Kṛṣṇa ons te hulp.
Iedereen is onderworpen aan de wetten van de dood, maar niemand neemt ze serieus. Dit is illusie. Omdat we denken dat we voor altijd zullen blijven leven, blijven we doen wat we willen en hebben we het gevoel dat niemand ons ooit op onze daden zal aanspreken. Dit is een bijzonder riskant leven en de meest hersenloze vorm van illusie. We moeten serieus worden en begrijpen dat de dood ons opwacht. We kennen allemaal het gezegde ‘Zo zeker als de dood.’ Dit betekent dat van alle dingen in deze wereld de dood iets is wat met de grootste zekerheid zal plaatsvinden; niemand kan eraan ontkomen. Wanneer de dood komt, zullen onze trotse filosofie of hoge opleidingen ons niet meer kunnen helpen. Op dat moment wordt ons stevige lichaam en onze intelligentie — die nergens wat om geven — overwonnen. Op dat moment staat het afzonderlijke deeltje (jīvātmā) onder het gezag van de materiële natuur en prakṛti (de natuur) geeft ons het soort lichaam dat bij ons past. Als we dat risico willen lopen, kunnen we Kṛṣṇa uit de weg gaan; willen we dat niet, dan komt Kṛṣṇa ons te hulp.