Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 1
śrī bhagavān uvāca
idaṁ tu te guhya-tamaṁ
pravakṣyāmy anasūyave
jñānaṁ vijñāna-sahitaṁ
yaj jñātvā mokṣyase ’śubhāt
idaṁ tu te guhya-tamaṁ
pravakṣyāmy anasūyave
jñānaṁ vijñāna-sahitaṁ
yaj jñātvā mokṣyase ’śubhāt
‘De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: “Beste Arjuna, omdat je nooit afgunstig op Me bent, zal Ik je dit inzicht en deze meest vertrouwelijke kennis uitleggen; door dit begrip zul je worden bevrijd van de ellende van het materiële bestaan.”’ (Bhagavad-gītā 9.1)
De openingswoorden van het negende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā geven aan dat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods het woord heeft. Śrī Kṛṣṇa wordt hier Bhagavān genoemd. ‘Bhaga’ betekent ‘volheid’ en ‘vān’ betekent ‘iemand die iets bezit’. We hebben een idee van wie God is, maar in de Vedische literatuur staan duidelijke beschrijvingen en definities van wat er wordt bedoeld met God. En wat daarmee wordt bedoeld kan met één woord worden beschreven: Bhagavān. Bhagavān bezit alle volheden: complete kennis, rijkdom, macht, schoonheid, roem en onthechting. Wanneer we iemand vinden met al deze volheden in hun totaliteit, kunnen we er zeker van zijn dat hij God is. Er zijn veel mensen die rijk, wijs, bekend, mooi en machtig zijn, maar niemand kan volhouden al deze volheden te bezitten. Alleen Kṛṣṇa kan volhouden dat Hij ze volledig in Zijn bezit heeft.
bhoktāraṁ yajña-tapasāṁ
sarva-loka-maheśvaram
suhṛdaṁ sarva-bhūtānāṁ
jñātvā māṁ śāntim ṛcchati
sarva-loka-maheśvaram
suhṛdaṁ sarva-bhūtānāṁ
jñātvā māṁ śāntim ṛcchati
‘Wie zich volledig van Mij bewust is en Me kent als de uiteindelijke genieter van alle offers en ascese, als de Allerhoogste Heer van alle planeten en halfgoden en als de weldoener en vriend van alle levende wezens, bereikt vrede en verlichting van alle materiële ellende.’ (Bhagavad-gītā 5.29)
Hier verklaart Kṛṣṇa dat Hij de genieter van alle handelingen en de bezitter van alle planeten is (sarva-loka-maheśvaram). Iemand mag dan grote stukken land bezitten en trots zijn op al die eigendommen, maar Kṛṣṇa zegt dat Hij alle planetenstelsels bezit. Kṛṣṇa zegt ook dat Hij de vriend van alle levende wezens is (suhṛdaṁ sarva bhūtānām). Wanneer iemand begrijpt dat God de eigenaar is van alles, de vriend van iedereen en de genieter van alles en iedereen, wordt hij heel vredig. Dit is de ware vredesformule. Niemand kan vredig zijn en denken ‘Ik ben de bezitter.’ Wie kan werkelijk eigenaarschap opeisen? Slechts een paar honderd jaar geleden werden de indianen als de eigenaars van Amerika gezien. Ondertussen hebben wíj het eigenaarschap opgeëist. Maar over vierhonderd of duizend jaar komt er misschien wel weer iemand anders die aanspraak maakt op het eigenaarschap. Het land lag er al en nu komen wij om het ons onrechtmatig toe te eigenen.
Deze filosofie van vals eigenaarschap druist in tegen de Vedische geboden. Śrī Iśopaniṣad zegt dat ‘al het levende en levenloze in dit universum beheerd wordt door de Heer en aan Hem toebehoort’ (īśāvāsyam idaṁ sarvaṁ). De waarheid van deze bewering is een feit, maar onder invloed van illusie denken we dat wij de eigenaars zijn. In werkelijkheid bezit God alles en daarom wordt Hij de rijkste genoemd.
Deze filosofie van vals eigenaarschap druist in tegen de Vedische geboden. Śrī Iśopaniṣad zegt dat ‘al het levende en levenloze in dit universum beheerd wordt door de Heer en aan Hem toebehoort’ (īśāvāsyam idaṁ sarvaṁ). De waarheid van deze bewering is een feit, maar onder invloed van illusie denken we dat wij de eigenaars zijn. In werkelijkheid bezit God alles en daarom wordt Hij de rijkste genoemd.
Natuurlijk zijn er veel mensen die beweren dat ze God zijn. In India zal het niet veel moeite kosten om minstens een tiental mensen te vinden die beweert God te zijn. Maar als je ze vraagt of ze de eigenaar van alles zijn, vinden ze het moeilijk een antwoord te geve n. Dit is een criterium om te begrijpen wie God is. God is de eigenaar van alles en omdat Hij de eigenaar is, moet Hij machtiger zijn dan alles en iedereen. Toen Kṛṣṇa persoonlijk op aarde aanwezig was, kon niemand Hem verslaan. Nergens staat beschreven dat Hij ooit een gevecht heeft verloren. Hij behoorde tot een familie van kṣatriya’s (militaire of besturende klasse) en kṣatriya’s moeten de zwakkeren beschermen. En wat betreft Zijn rijkdom: Hij trouwde 16 108 vrouwen. Iedere vrouw had haar eigen paleis en Kṛṣṇa expandeerde Zichzelf 16 108 keer, zodat Hij van alle vrouwen en paleizen kon genieten. Dit klinkt misschien ongeloofwaardig, maar het staat in het Śrīmad-Bhāgavatam en grote wijzen van India erkennen het Bhāgavatam als een heilige tekst en aanvaarden Kṛṣṇa als God.
In het eerste vers van het negende hoofdstuk laat Śrī Kṛṣṇa met het woord guhyatamam doorschemeren dat Hij de meest vertrouwelijke kennis onthult aan Arjuna. Waarom onthult Hij deze kennis aan Arjuna? Omdat Arjuna anasūyu is, vrij van afgunst. In de materiële wereld worden we afgunstig wanneer iemand groter is dan wij. We zijn niet alleen afgunstig op elkaar, maar ook op God. Als Kṛṣṇa bijvoorbeeld zegt: ‘Ik ben de eigenaar’, geloven we Hem niet. Maar dit is niet het geval met Arjuna, die zonder enige afgunst naar Kṛṣṇa luistert. Hij maakt geen onnodige bezwaar, maar is het eens met alles wat Kṛṣṇa zegt. Dit is zijn speciale kwalificatie en zo moet de Bhagavad-gītā worden begrepen. Het is onmogelijk God te begrijpen door onze eigen hersenspinsels; we moeten luisteren en aanvaarden.
Omdat Arjuna vrij is van afgunst, spreekt Kṛṣṇa deze speciale kennis tot hem. Dit is niet alleen theoretische, maar ook praktische kennis (vijñāna-sahitam). De kennis die we via de Bhagavad-gītā ontvangen moeten we niet zien als sentimenteel of fanatiek. Deze kennis is zowel jñāna als vijñāna: theoretische wijsheid en wetenschappelijke kennis. Als we deze kennis goed beheersen, is bevrijding een feit. Het leven in deze materiële wereld is van nature ongunstig en ellendig. ‘Mokṣa’ betekent ‘bevrijding’ en de belofte is dat als we deze kennis begrijpen, we van alle ellende worden verlost. Het is daarom belangrijk te begrijpen wat Kṛṣṇa over deze kennis zegt.
rāja-vidyā rāja-guhyaṁ
pavitram idam uttamam
pratyakṣāvagamaṁ dharmyaṁ
su-sukhaṁ kartum avyayam
pavitram idam uttamam
pratyakṣāvagamaṁ dharmyaṁ
su-sukhaṁ kartum avyayam
‘Deze kennis is de koning van alle onderricht, de geheimste van alle geheimen. Ze is de zuiverste kennis en omdat ze door bewustwording rechtstreeks inzicht geeft in het zelf, is ze de vervolmaking van religie. Ze is onvergankelijk en wordt met plezier beoefend.’ (Bhagavad-gītā 9.2)
Volgens de Bhagavad-gītā is Kṛṣṇa-bewustzijn de allerhoogste kennis (rāja-vidyā rāja-guhyam), want in de Bhagavad-gītā zien we dat overgave aan Kṛṣṇa het kenmerk is van iemand die werkelijk kennis heeft. We moeten beseffen dat als we zonder overgave verdergaan met speculeren over God, we nog geen volmaakte kennis hebben bereikt. De vervolmaking van kennis is:
bahūnāṁ janmanām ante
jñānavān māṁ prapadyate
vāsudevaḥ sarvam iti
sa mahātmā sudurlabhaḥ
jñānavān māṁ prapadyate
vāsudevaḥ sarvam iti
sa mahātmā sudurlabhaḥ
‘Na vele malen geboren en gestorven te zijn, geeft degene die werkelijk kennis bezit zich aan Mij over, wetend dat Ik de oorzaak van alle oorzaken ben en dat Ik alles ben wat bestaat. Zo’n grote ziel is heel zeldzaam.’ (Bhagavad-gītā 7.19)
Zolang we ons niet overgeven, zullen we God niet kunnen begrijpen. Overgave aan God kan vele levens duren, maar als we aanvaarden dat God groot is, is het mogelijk ons onmiddellijk aan Hem over te geven. Maar dat is niet onze natuurlijke houding in de materiële wereld. We zijn van nature afgunstig en denken: ‘Waarom zou ik me aan God overgeven? Ik ben onafhankelijk en kan mezelf wel redden.’ Deze misvatting corrigeren, vergt vele levens werk. De naam van Kṛṣṇa is daarbij bijzonder belangrijk. Kṛṣ betekent ‘herhaalde geboorte’ en ṇa betekent ‘iemand die iets stopt’. Alleen God kan voorkomen dat we herhaaldelijk geboren moeten worden. Zonder de grondeloze genade van God kan niemand de herhaling van geboorte en dood stoppen.
Het onderwerp van het negende hoofdstuk is rāja-vidyā. Rāja betekent ‘koning’ en vidyā betekent ‘kennis’. We zien in het gewone leven dat iemand koning is over een bepaald onderwerp en iemand anders over een ander onderwerp. Maar deze kennis is onovertroffen en alle andere kennis is ondergeschikt of relatief. Het woord rāja-guhyam geeft aan dat deze onovertroffen kennis zeer vertrouwelijk is en het woord pavitram betekent dat het heel zuiver is. Deze kennis is ook uttamam: ud betekent ‘overstijgen’ en tama betekent ‘duisternis’. En kennis die deze wereld en de kennis van deze wereld overstijgt, wordt uttamam genoemd. Het is de kennis van licht zonder enige duisternis. Wie dit pad van kennis volgt, begrijpt zelf hoe ver hij is gevorderd op het pad van vervolmaking (pratyakṣāvagamaṁ dharmyam). Susukhaṁ kartum geeft aan dat deze kennis vol geluk is en dat de toepassing ervan vreugdevol is. En avyayam geeft aan dat deze kennis duurzaam is. In deze materiële wereld werken we voor een opleiding en voor rijkdom, maar die dingen zijn niet avyayam, want zodra dit lichaam ophoudt te bestaan, houdt al het andere ook op. Met onze dood komt er ook een einde aan onze opleiding, onze universitaire graad, onze bankrekeningen, familie — alles. Alles wat we in deze materiële wereld doen, is tijdelijk. Maar deze kennis is dat juist niet.
nehābhikrama-nāśo ’sti
pratyavāyo na vidyate
svalpam apy asya dharmasya
trāyate mahato bhayāt
pratyavāyo na vidyate
svalpam apy asya dharmasya
trāyate mahato bhayāt
‘Dit streven kent geen verlies noch vermindering en een kleine vooruitgang op dit pad kan iemand voor het grootste gevaar behoeden.’ (Bhagavad-gītā 2.40)
Kennis in Kṛṣṇa-bewustzijn is zo volmaakt dat wanneer we werken in Kṛṣṇa-bewustzijn maar toch geen volmaaktheid bereiken, we in het volgende leven weer beginnen waar we in het huidige leven zijn geëindigd. Met andere woorden: activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn zijn blijvend. Materiële prestaties daarentegen worden op het moment van de dood tenietgedaan, omdat ze betrekking hebben op het lichaam. Kennis die betrekking heeft op bepaalde benamingen is niet duurzaam. Ik mag dan misschien denken dat ik een man of een vrouw ben, of een Amerikaan, een Indiër, een christen of een hindoe, maar dit zijn maar benamingen die betrekking hebben op het lichaam en als het lichaam verloren gaat, gaan die benamingen ook verloren. In werkelijkheid zijn we spiritueel en daarom zullen onze spirituele activiteiten met ons meegaan, waar we ook heengaan.
Śrī Kṛṣṇa geeft aan dat deze koning van kennis ook met plezier wordt toegepast. Het is niet moeilijk om te zien dat activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn met plezier worden gedaan. We chanten, dansen, eten prasāda (voedsel dat aan Kṛṣṇa is geofferd) en praten over de Bhagavad-gītā. Dit zijn de belangrijkste activiteiten. We volgen geen strikte regels die ons vertellen dat we lang rechtop moeten zitten of lange tijd gymnastiek moeten doen of onze ademhaling moeten beheersen. Nee, onze methode is heel eenvoudig en plezierig om te volgen. Iedereen wil dansen, zingen, eten en de waarheid horen. Deze methode is werkelijk susukham, heel plezierig.
In de materiële wereld zijn er zo veel onderwijsniveaus. Sommige mensen maken nooit hun middelbare school af, terwijl andere doorgaan en een universitaire opleiding volgen en een graad behalen, zoals die van bachelor, master of doctor. Maar wat is rāja-vidyā, de koning van alle onderwijs, het summum bonum van kennis? Het antwoord: ‘Kṛṣṇa-bewustzijn’. Echte kennis is begrijpen ‘wat ik ben’. Tenzij we tot het punt komen dat we begrijpen wat we zijn, kunnen we geen echte kennis opdoen. Toen Sanātana Gosvāmī zijn regeringspositie verliet en voor het eerst bij Caitanya Mahāprabhu kwam, vroeg hij de Heer: ‘Wat is onderwijs?’ Hoewel Sanātana Gosvāmī een aantal talen kende, waaronder Sanskriet, vroeg hij toch naar het ware onderwijs. ‘Het gewone volk noemt me bijzonder geleerd,’ zei Sanātana Gosvāmī, ‘en ik ben zo dwaas dat ik ze nog geloof ook.’
De Heer antwoordde: ‘Waarom zou je níet denken dat je zo’n goede opleiding hebt gehad? Je bent een groot geleerde op het gebied van Sanskriet en Perzisch.’
‘Dat mag zo zijn,’ zei Sanātana Gosvāmī, ‘maar ik weet niet wat ik ben.’ Daarna zei hij tegen de Heer: ‘Ik wil niet lijden, maar deze materiële ellende wordt me opgedrongen. Ik weet niet waar ik vandaan kom en ook niet waar ik naartoe ga, maar mensen noemen me geleerd. Wanneer ze me een grote geleerde noemen, voel ik me voldaan, maar in werkelijkheid ben ik zo’n dwaas dat ik niet eens weet wat ik ben.’
Sanātana Gosvāmī sprak eigenlijk voor ons allemaal, want dit is onze huidige situatie. We mogen dan trots zijn op onze universitaire opleiding, maar als ons wordt gevraagd wat we zijn, hebben we geen antwoord. Iedereen gaat ervan uit dat dit lichaam het zelf is, maar uit Vedische bronnen leren we dat dit niet waar is. Alleen wanneer we ons realiseren dat we niet dit lichaam zijn, kunnen we echte kennis bezitten en begrijpen wat we werkelijk zijn. Dat is het begin van kennis.
Sanātana Gosvāmī sprak eigenlijk voor ons allemaal, want dit is onze huidige situatie. We mogen dan trots zijn op onze universitaire opleiding, maar als ons wordt gevraagd wat we zijn, hebben we geen antwoord. Iedereen gaat ervan uit dat dit lichaam het zelf is, maar uit Vedische bronnen leren we dat dit niet waar is. Alleen wanneer we ons realiseren dat we niet dit lichaam zijn, kunnen we echte kennis bezitten en begrijpen wat we werkelijk zijn. Dat is het begin van kennis.
Rāja-vidyā kan nader worden gedefinieerd als niet alleen kennis over wat we zijn, maar ook het vermogen daarnaar te handelen. Als we niet weten wat we zijn, hoe kunnen onze handelingen dan juist zijn? Als onze identiteit op een vergissing berust, zullen onze handelingen ook op een vergissing berusten. Alleen weten dat we deze materiële lichamen niet zijn, is niet voldoende; we moeten handelen naar de overtuiging dat we spiritueel zijn. Activiteit op basis van deze kennis — spirituele activiteit — is werk in Kṛṣṇa-bewustzijn. Misschien lijkt het dat dit soort kennis niet zo gemakkelijk te verwerven is, maar het is ons bijzonder eenvoudig gemaakt door de genade van Kṛṣṇa en Heer Caitanya Mahāprabhu, die deze kennis zeer toegankelijk heeft gemaakt door de methode van het chanten van Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare.
Caitanya Mahāprabhu verdeelde de levende wezens in twee grote groepen: zij die zich voortbewegen en zij die zich niet voortbewegen. Bomen, gras, planten, stenen, enz. bewegen zich niet voort, omdat hun bewustzijn niet voldoende ontwikkeld is. Ze hebben bewustzijn, maar het is bedekt. Als een levend wezen zijn positie niet begrijpt, is het net een steen, ook al verblijft het in een menselijk lichaam. Er zijn in totaal meer dan 8 000 000 levensvormen: vogels, reptielen, zoogdieren, insecten, mensen, halfgoden, enz. en slechts een heel klein deel hiervan zijn mensen. Heer Caitanya legt verder uit dat van de 400 000 mensensoorten er maar een paar beschaafd zijn, en dat onder vele beschaafde mensen er maar enkelen toegewijd zijn aan de heilige teksten.
Tegenwoordig beweren mensen dat ze een of andere religie volgen, zoals het christendom, hindoeïsme, boeddhisme of de islam, maar in werkelijkheid geloven ze niet echt in de heilige teksten. Zij die in heilige teksten geloven, voelen zich over het algemeen aangetrokken tot vrome, filantropische activiteiten. Ze geloven dat met religie yajña (het brengen van offers), dāna (vrijgevigheid) en tapas (boetedoening) wordt bedoeld.
Wie tapasya verricht, onderwerpt zich vrijwillig aan strikte regels, net zoals brahmacārī’s (celibataire studenten) of sannyāsī’s (mensen in de onthechte levensorde). Vrijgevigheid betekent het vrijwillig weggeven van materiële bezittingen. In het huidige tijdperk vinden er geen offers meer plaats, maar historische literatuur, zoals het Mahābhārata, bevat informatie over koningen die offers brachten door robijnen, goud en zilver weg te geven. Yajña’s werden voornamelijk uitgevoerd door koningen en vrijgevigheid, weliswaar op een veel kleinere schaal, was bedoeld voor getrouwde personen. Zij die werkelijk in de heilige teksten geloofden, volgden meestal enkele van deze grondbeginselen. Over het algemeen zeggen mensen in dit tijdperk dat ze tot een religie behoren, maar in werkelijkheid doen ze niets. Onder miljoenen zulke mensen is er een klein aantal dat werkelijk vrijgevig is, offers brengt en boetedoeningen verricht. Caitanya Mahāprabhu wijst er verder op dat van de miljoenen mensen over het hele universum die zulke religieuze grondbeginselen beoefenen, er maar een paar zijn die tot volmaakte kennis komen en begrijpen wat ze zijn.
Wie tapasya verricht, onderwerpt zich vrijwillig aan strikte regels, net zoals brahmacārī’s (celibataire studenten) of sannyāsī’s (mensen in de onthechte levensorde). Vrijgevigheid betekent het vrijwillig weggeven van materiële bezittingen. In het huidige tijdperk vinden er geen offers meer plaats, maar historische literatuur, zoals het Mahābhārata, bevat informatie over koningen die offers brachten door robijnen, goud en zilver weg te geven. Yajña’s werden voornamelijk uitgevoerd door koningen en vrijgevigheid, weliswaar op een veel kleinere schaal, was bedoeld voor getrouwde personen. Zij die werkelijk in de heilige teksten geloofden, volgden meestal enkele van deze grondbeginselen. Over het algemeen zeggen mensen in dit tijdperk dat ze tot een religie behoren, maar in werkelijkheid doen ze niets. Onder miljoenen zulke mensen is er een klein aantal dat werkelijk vrijgevig is, offers brengt en boetedoeningen verricht. Caitanya Mahāprabhu wijst er verder op dat van de miljoenen mensen over het hele universum die zulke religieuze grondbeginselen beoefenen, er maar een paar zijn die tot volmaakte kennis komen en begrijpen wat ze zijn.
Enkel de kennis: ‘Ik ben dit lichaam niet, ik ben een spirituele ziel’ is niet genoeg. We moeten ontsnappen aan onze verstrengeling in deze materiële natuur. Dat wordt mukti of bevrijding genoemd. Van de vele duizenden mensen die zelfkennis bezitten en dus weten wie ze zijn, zijn er misschien maar één of twee die begrijpen wat en wie Kṛṣṇa is. Kṛṣṇa begrijpen is dus niet zo eenvoudig. En dus is bevrijding in dit Kali-tijdperk, een tijdperk gekenmerkt door onwetendheid en chaos, voor nagenoeg iedereen onbereikbaar. Eerst moeten we de beproeving doorstaan van beschaafd worden, daarna een religieus leven leiden en vervolgens vrijgevig zijn en offers brengen. Op die manier moeten we het niveau van kennis bereiken, waarna we doorgaan naar het stadium van bevrijding om vervolgens, na bevrijding, op het punt te komen waarop we begrijpen wat Kṛṣṇa is.
Deze methode wordt ook beschreven in de Bhagavad-gītā:
Deze methode wordt ook beschreven in de Bhagavad-gītā:
brahma-bhūtaḥ prasannātmā
na śocati na kāṅkṣati
samaḥ sarveṣu bhūteṣu
mad-bhaktiṁ labhate parām
na śocati na kāṅkṣati
samaḥ sarveṣu bhūteṣu
mad-bhaktiṁ labhate parām
‘Wie zich zo op een transcendentaal niveau bevindt, kent onmiddellijk het Allerhoogste Brahman en wordt volkomen vreugdevol. Hij treurt nooit en verlangt nergens naar. Hij beschouwt alle levende wezens als gelijk. In die toestand komt hij tot zuivere devotionele dienst aan Mij.’ (Bhagavad-gītā 18.54)
Dit zijn de kenmerken van bevrijding. Het eerste kenmerk van een bevrijd persoon is dat hij bijzonder gelukkig is. Je zult hem nooit neerslachtig zien. Ook heeft hij geen zorgen. Hij piekert nooit: ‘Dit heb ik nog niet. O, ik moet ervoor zorgen dat ik dat in mijn bezit krijg. O, ik moet deze rekening betalen. Ik moet hierheen, daarheen.’ Wie bevrijd is, heeft helemaal geen zorgen. Hij kan de armste man van de wereld zijn, maar hij klaagt niet en evenmin beschouwt hij zichzelf als arm. Waarom zou hij denken dat hij arm is? Als we denken dat we dit materiële lichaam zijn en dat we bepaalde bijbehorende bezittingen hebben, denken we in termen van arm en rijk, maar wie bevrijd is van de materiële levensopvatting, heeft niets te maken met bezittingen of een gebrek eraan. Hij denkt: ‘Ik heb niets te verliezen of te winnen. Ik sta volledig los van dit alles.’ Evenmin ziet hij wie dan ook als rijk of arm, geleerd of ongeschoold, mooi of lelijk, enz. Hij ziet geen materiële dualiteiten, want zijn visie is volkomen spiritueel en hij ziet dat ieder levend wezen een deeltje van Kṛṣṇa is. Omdat hij de ware identiteit van alle levende wezens ziet, probeert hij ze terug te brengen naar Kṛṣṇa-bewustzijn. Zijn uitgangspunt is dat iedereen — brāhmaṇa of śūdra, blank of zwart, hindoe of christen of wat dan ook — tot Kṛṣṇa-bewustzijn zou moeten komen. In die toestand komt hij ervoor in aanmerking om een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa te worden — mad-bhaktiṁ labhate parām (Gītā 18.54).
Praktisch gezien is deze methode niet zo makkelijk in het Kali-tijdperk. Het Śrīmad Bhāgavatam geeft een beschrijving van mensen in dit tijdperk: hun levensduur is maar kort, ze hebben de neiging ongevoelig en traag te zijn en slapen heel veel. En slapen ze niet, dan zijn ze bezig met geld verdienen. Ze hebben maximaal twee uur per dag voor spirituele activiteiten. Hoeveel hoop is er dan dat ze spirituele kennis zullen ontwikkelen? Verder wordt er beschreven dat ook al verlangt iemand ernaar spirituele vooruitgang te maken, er zo veel pseudospirituele gemeenschappen zijn die misbruik van hem willen maken. De mensen in dit tijdperk worden ook onfortuinlijk genoemd. Ze moeten heel veel moeite doen om aan hun eerste levensbehoeften te komen: eten, verdedigen, voortplanten en slapen, behoeften waarin zelfs dieren worden voorzien. En zelfs al weten mensen deze behoeften te vervullen, dan nog zijn ze in dit tijdperk voortdurend bezorgd over oorlog: of ze verdedigen zichzelf tegen aanvallers, of ze moeten zelf een oorlog beginnen. Daarnaast zijn er in het Kali-yuga voortdurend ziektes en economische problemen die alles verstoren. Heer Kṛṣṇa kwam daarom tot de conclusie dat het voor de mens in dit tijdperk onmogelijk is het niveau van volmaakte bevrijding te bereiken door voorgeschreven regels en bepalingen te volgen.
Uit Zijn grondeloze genade verscheen Kṛṣṇa daarom als Heer Caitanya Mahāprabhu om de middelen te verspreiden voor de hoogste vervolmaking van het leven en voor spirituele extase door het chanten van Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/ Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Deze methode van chanten is bijzonder praktisch en hangt niet af van het wel of niet bevrijd zijn van iemand of van zijn gunstige of ongunstige situatie voor spiritueel leven — wie zich op dit proces toelegt, wordt onmiddellijk gezuiverd. Daarom wordt het pavitram (zuiver) genoemd. Bovendien worden alle kiemen van verborgen reacties op zondige handelingen vernietigd wanneer we deze methode van het Kṛṣṇa-bewustzijn toepassen. Net zoals vuur alles tot as verbrandt wat we erin leggen, zo verbrandt deze methode alle zondige handelingen van onze vorige levens.
We moeten inzien dat ons lijden te wijten is aan onze zondige activiteiten en zondige handelingen komen voort uit onwetendheid. Mensen die niet weten wat wát is, begaan zonden of overtredingen. Een kind is bijvoorbeeld zo naïef dat het zijn hand in het vuur steekt en zich onmiddellijk brandt. Het vuur is namelijk neutraal en zal voor het onschuldige kind geen speciale uitzondering maken. Het doet gewoon wat vuur altijd doet. Op dezelfde manier weten we niet hoe deze materiële wereld werkt, wie er de uiteindelijke bestuurder van is of hoe ze wordt bestuurd. Door onze onwetendheid gedragen we ons soms als dwazen, maar de natuur is zo streng dat ze ons niet laat ontkomen aan de reacties op onze handelingen. Of we een bepaalde daad nu in kennis of in onwetendheid begaan, de reacties en het daaruit voortvloeiende lijden zijn onvermijdelijk. Maar door kennis kunnen we begrijpen hoe de situatie werkelijk in elkaar zit en wie God is en wat onze relatie met Hem is.
Deze kennis waardoor we verlost kunnen worden van ons lijden, is alleen mogelijk in de menselijke levensvorm, niet in een dierlijke. In verschillende talen en in alle delen van de wereld zijn er heilige teksten opgeschreven om ons kennis en goede aanwijzingen te geven. Heer Caitanya Mahāprabhu wees erop dat mensen al sinds onheuglijke tijden hun relatie met de Allerhoogste Heer vergeten. Daarom heeft Kṛṣṇa zo veel vertegenwoordigers gestuurd om de mensheid heilige teksten te schenken. We zouden hiervan moeten profiteren, en dan vooral van de Bhagavad-gītā, de belangrijkste heilige tekst voor de moderne wereld.