Default View
Dual Language

Hoofdstuk 8

na māṁ karmāṇi limpanti
 na me karma-phale spṛhā
iti māṁ yo ’bhijānāti
karmabhir na sa badhyate
‘Er bestaat geen activiteit waardoor Ik beïnvloed word en ook verlang Ik niet naar de vruchten van activiteiten. Wie deze waarheid over Mij begrijpt, zal ook nooit verstrikt raken in karma voor resultaatgerichte activiteiten.’ (Bhagavad-gītā 4.14)
De hele wereld is gebonden door karma. We weten allemaal dat er microben of bacteriën bestaan, die met miljoenen tegelijk op een oppervlakte van één vierkante millimeter leven. In de Brahma-saṁhitā staat dat iedereen — van de microbe, die indra-gopa wordt genoemd, tot Indra, de koning van de hemelse planeten — gebonden is door karma, de reacties op werk. Allemaal lijden of genieten we door de reacties op ons werk, goed of slecht. Zolang we moeten lijden of genieten door deze reacties, zijn we gebonden aan deze materiële lichamen.
De natuur regelt alles zo dat het levend wezen een materieel lichaam krijgt voor zijn leed of genot. We krijgen verschillende lichamen voor verschillende doeleinden. Het lichaam van een tijger is gemaakt voor de jacht en voor rauw vlees. Zo zijn zwijnen op zo’n manier gemaakt dat ze ontlasting kunnen eten. En wij mensen hebben een gebit dat is gemaakt om groente en fruit mee te eten. Al deze lichamen zijn gemaakt in overeenstemming met het werk dat het levend wezen in zijn vorige leven heeft gedaan. Ons volgend lichaam wordt voorbereid in overeenstemming met het werk dat we nu doen. Maar in het hiervoor geciteerde vers geeft Śrī Kṛṣṇa aan dat wie de transcendentale natuur van Zijn activiteiten kent, bevrijd wordt van de reacties op activiteiten. We zouden op zo’n manier moeten handelen dat we niet opnieuw verstrikt zullen raken in de materiële wereld. Dit is mogelijk als we Kṛṣṇa-bewust worden door Kṛṣṇa te bestuderen, over de transcendentale aard van Zijn activiteiten te leren en te begrijpen hoe Hij Zich zowel in de materiële als de spirituele wereld gedraagt.
Als Kṛṣṇa naar deze aarde komt, is Hij niet zoals wij, want Hij is volledig transcendentaal. Wij verlangen naar de resultaten van onze activiteiten, maar Kṛṣṇa verlangt niet naar resultaten en evenmin volgen er reacties op Zijn activiteiten. Ook heeft Hij geen enkel verlangen naar resultaatgerichte activiteiten (na me karma-phale spṛhā). Als wij een bedrijf beginnen, hopen we winst te maken, en met die winst hopen we dingen te kunnen kopen die ons leven veraangenamen. Wanneer geconditioneerde zielen iets doen, is dat altijd met een achterliggend verlangen naar genot. Maar Kṛṣṇa verlangt nergens naar. Hij is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en Hij is in alles volledig. Toen Kṛṣṇa naar de aarde kwam, had Hij vele vriendinnen en meer dan 16 000 vrouwen. Sommige mensen denken dat Hij heel sensueel is, maar dat is niet waar.
We moeten de betekenis begrijpen van relaties met Kṛṣṇa. In de materiële wereld gaan we vele relaties aan, als vader, moeder, echtgenote of echtgenoot. Elke relatie die we hier ervaren, is enkel een verwrongen afspiegeling van onze relatie met de Allerhoogste Heer. Alles wat we in deze materiële wereld vinden, komt voort uit de Absolute Waarheid, maar wordt hier op een verwrongen manier weerspiegeld in de tijd. Elke relatie die we met Kṛṣṇa hebben, blijft doorgaan. Als we een vriendschappelijke relatie hebben, is die vriendschap eeuwig en duurt voort van het ene leven naar het andere. Maar in de materiële wereld bestaat een vriendschap maar een paar jaar en wordt dan verbroken. Daarom wordt zij verwrongen, tijdelijk of onwerkelijk genoemd.

Maar sluiten we vriendschap met Kṛṣṇa, dan zal die nooit worden verbroken. Maken we Kṛṣṇa tot onze meester, dan zullen we nooit worden bedrogen. Houden we van Kṛṣṇa als onze zoon, dan zal Hij nooit sterven. Houden we van Kṛṣṇa als onze geliefde, dan zal Hij de beste geliefde van allemaal zijn en zal de relatie nooit bekoelen. Omdat Kṛṣṇa de Allerhoogste Heer is, is Hij onbegrensd en heeft Hij een onbegrensd aantal toegewijden. Sommigen proberen Hem lief te hebben als een geliefde of echtgenoot en Kṛṣṇa aanvaardt die rol dan ook. Hoe we Kṛṣṇa ook benaderen, Hij zal ons aanvaarden, zoals Hij zegt in de Bhaga­vad-gītā: (4.11)
ye yathā māṁ prapadyante
 tāṁs tathaiva bhajāmy aham
mama vartmānuvartante
 manuṣyāḥ pārtha sarvaśaḥ
‘Ik beloon iedereen al naargelang ze zich aan Mijn overgeven. Iedereen volgt Mijn pad in alle opzichten, o zoon van Pṛthā.’
De gopī’s, de koeherderinnen en vriendinnen van Kṛṣṇa, ondergingen in hun vorige leven ongelooflijke ascese om Kṛṣṇa als echtgenoot te krijgen. In het Śrīmad-Bhāgavatam zegt Śukadeva Gosvāmī ook dat de jongens die met Kṛṣṇa speelden in hun vorige leven grote ascese hadden ondergaan om Kṛṣṇa als speelkameraad te krijgen. Kṛṣṇa’s speelkame­raden, metgezellen en vrouwen zijn dus geen gewone levende wezens. Omdat we geen idee hebben van Kṛṣṇa-bewustzijn, zien we Kṛṣṇa’s activiteiten als onbeduidend, terwijl ze in werkelijkheid verheven zijn. In die activiteiten bevindt zich de vervolmaking van al onze verlangens. Alle verlangens die we van nature hebben, zullen volkomen worden vervuld wanneer we Kṛṣṇa-bewust zijn.
Kṛṣṇa had geen vrienden nodig om mee te spelen en had ook geen behoefte aan welke vrouw dan ook. Wij leggen het aan met een vrouw omdat we bepaalde verlangens willen vervullen, maar Kṛṣṇa is volledig in Zichzelf (pūrnam). Een arme man verlangt naar duizend euro op zijn bankrekening, maar wie miljoenen bezit, heeft dat verlangen niet. Als Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is, waarom zou Hij dan verlangens moeten hebben? Het is juist zo dat Hij de verlangens van anderen vervult — de mens wikt, God beschikt. Als Kṛṣṇa verlangens had, zou Hij onvolmaakt zijn, omdat Hij iets zou missen. Daarom zegt Hij dat Hij geen verlangens heeft die vervuld hoeven te worden. Als Yogeśvara, meester van alle yogī’s, wordt alles wat Hij wil onmiddellijk verwezenlijkt. Er is geen sprake van verlangen. Hij wordt alleen echtgenoot, geliefde of vriend om de verlangens van Zijn toegewijden te vervullen. Als we Kṛṣṇa als vriend, meester, zoon of geliefde aanvaarden, zullen we nooit worden teleurgesteld. Ieder levend wezen heeft een specifieke relatie met Kṛṣṇa, maar op dit moment is deze relatie verborgen. Die relatie wordt onthuld als we vooruitgaan maken in Kṛṣṇa-bewustzijn.
Hoewel de Allerhoogste Heer volledig is en niets hoeft te doen, werkt Hij om een voorbeeld te stellen. Hij is niet gebonden aan Zijn activiteiten in de materiële wereld; wie dit beseft, zal ook vrij zijn van de reacties op zijn activiteiten.
evaṁ jñātvā kṛtaṁ karma
 pūrvair api mumukṣubhiḥ
kuru karmaiva tasmāt tvaṁ
 pūrvaiḥ pūrvataraṁ kṛtam
‘Alle bevrijde zielen uit het verleden handelden met deze kennis over Mijn transcendentale aard. Daarom moet je in hun voetspoor volgen en je plicht vervullen.’ (Bhagavad-gītā 4.15)
Het proces van Kṛṣṇa-bewustzijn vereist dat we in de voetsporen volgen van de grote ācārya’s, die succesvol waren in hun spirituele leven. Als we het voorbeeld volgen van grote ācārya’s, wijzen, toegewijden en de verlichte koningen die tijdens hun leven karma-yoga beoefenden, dan zullen wij ook vrij worden.
Op het slagveld van Kurukṣetra was Arjuna erg benauwd dat vechten in de oorlog hem zou verstrikken in zijn activiteiten. Vandaar dat Kṛṣṇa Arjuna verzekerde dat verstrikking onmogelijk was als hij voor Hem zou vechten:
kiṁ karma kim akarmeti
 kavayo ’py atra mohitāḥ
tat te karma pravakṣyāmi
 yaj jñātvā mokṣyase ’śubhāt
‘Zelfs zij die intelligent zijn, raken verward wanneer ze activiteit en inactiviteit van elkaar proberen te onderscheiden. Ik zal je nu uitleggen wat activiteit is en wanneer je dit weet, zul je bevrijd zijn van alle ellende.’ (Bhagavad-gītā 4.16)
Mensen zijn verward over werk (karma) en niet-werk (akarma). Kṛṣṇa geeft hier aan dat de essentie van werk zelfs grote geleerden (kavayaḥ) verwart. Het is noodzakelijk dat we weten welke activiteiten zuiver zijn en welke niet, welke bonafide zijn en welke niet en welke verboden zijn en welke niet. Begrijpen we eenmaal het beginsel van werk, dan kunnen we van materiële gebondenheid worden bevrijd. We moeten daarom weten hoe we te werk moeten gaan, zodat we bij het verlaten van het materiële lichaam geen nieuw opgelegd kunnen krijgen maar vrij zullen zijn om de spirituele hemel binnen te gaan.

In het laatste vers van het elfde hoofdstuk van de Bhaga­vad-gītā 11.55 legt Śrī Kṛṣṇa het principe van zuiver werk duidelijk uit:
mat-karma-kṛn mat-paramo
 mad-bhaktaḥ saṅga-varjitaḥ
nirvairaḥ sarva-bhūteṣu
 yaḥ sa mām eti pāṇḍava
‘Beste Arjuna, degene die Mij zuivere devotionele dienst bewijst, die vrij is van de onzuiverheden van resultaatgerichte activiteiten en speculatieve kennis, die voor Mij werkt, die Mij het hoogste doel van zijn leven maakt en die vriendelijk is voor alle levende wezens, zal zeker tot Mij komen.’
Dit ene vers is voldoende om de essentie van de Bhaga­vad-gītā te begrijpen. We moeten bezig zijn met ‘Mijn werk’. Wat is dat werk? De laatste instructie van de Bhagavad-gītā (Gītā 18.66) geeft dit aan. Daarin vertelt Kṛṣṇa Arjuna dat hij zich aan Hem moet overgeven.
Arjuna’s voorbeeld leert ons dat we alleen werk moeten doen dat Kṛṣṇa goedkeurt. Dat is de missie van het menselijk bestaan, maar wij beseffen dit niet. Uit onwetendheid doen we zo veel werk op basis van de lichamelijke of materiële levens­opvatting. Kṛṣṇa wilde dat Arjuna ging vechten. Maar hoewel Arjuna niet wilde vechten, vocht hij toch, omdat Kṛṣṇa het wilde. Dit is het voorbeeld dat we moeten navolgen.
Kṛṣṇa was natuurlijk direct aanwezig om Arjuna te vertellen wat hij moest doen, maar hoe zit dat met ons? Śrī Kṛṣṇa gaf Arjuna persoonlijk aanwijzingen hoe hij moest handelen, maar dat Kṛṣṇa niet persoonlijk voor ons staat betekent niet we richtingloos zijn. Er zijn zeker richtlijnen voorhanden. In het laatste hoofdstuk van de Bhagavad-gītā wordt aangegeven welk werk we moeten doen:
ya idaṁ paramaṁ guhyaṁ
 mad-bhakteṣv abhidhāsyati
bhaktiṁ mayi parāṁ kṛtvā
 mām evaiṣyaty asaṁśayaḥ
na ca tasmān manuṣyeṣu
 kaścin me priya-kṛttamaḥ
bhavitā na ca me tasmād
 anyaḥ priyataro bhuvi
‘Wie dit allerhoogste geheim aan de toegewijden uitlegt, zal zeker tot zuivere devotionele dienst komen en zal uiteindelijk bij Mij terugkeren. In deze wereld is geen dienaar Me dierbaarder dan hij en nooit zal iemand Me ooit dierbaarder zijn.’ (Bhagavad-gītā 18.68–69)
We hebben daarom de verantwoordelijkheid om de methode van de Bhagavad-gītā te verspreiden en mensen Kṛṣṇa-bewust te maken. Mensen lijden door gebrek aan Kṛṣṇa-bewustzijn. Voor het welzijn van de hele wereld zou iedereen de wetenschap van Kṛṣṇa moeten verspreiden. Heer Caitanya Mahāprabhu begon deze missie van het onderwijzen van Kṛṣṇa-bewustzijn en zei dat als iemand Kṛṣṇa-bewustzijn onderwijst, hij los van zijn positie als een spiritueel leraar moet worden beschouwd.

Zowel de Bhagavad-gītā als het Śrīmad-Bhāgavatam staan vol met informatie over hoe we Kṛṣṇa-bewust kunnen worden. Heer Caitanya Mahāprabhu selecteerde deze twee boeken en verzocht mensen in alle windstreken om deze wetenschap van Kṛṣṇa in elke stad en elk dorp ter wereld te verspreiden. Heer Caitanya Mahāprabhu was Kṛṣṇa Zelf en met Zijn verzoek toont Hij ons wat ons echte werk is. Maar we moeten de Bhagavad-gītā wel presenteren zoals ze is, zonder persoonlijke interpretaties of beweegredenen. Sommige mensen presenteren hun eigen interpretatie van de Bhagavad-gītā, maar we moeten de woorden presenteren zoals ze door Śrī Kṛṣṇa Zelf zijn gesproken.
Het lijkt soms alsof er geen verschil is tussen iemand die voor Kṛṣṇa werkt en iemand die in de materiële wereld werkt, maar dat is niet zo. Arjuna vocht net als een normale militair, maar omdat hij vocht in Kṛṣṇa-bewustzijn, raakte hij niet verstrikt in zijn activiteiten. Dus hoewel zijn werk materieel leek, was het helemaal niet materieel. Elke activiteit die Kṛṣṇa goedkeurt — welke dan ook — kent geen reactie. Vechten is misschien niet prettig maar is soms absoluut noodzakelijk, zoals tijdens de slag van Kurukṣetra. Aan de andere kant kunnen we dingen doen die volgens de gangbare mening dan heel altruïstisch en humanitair mogen zijn maar die ons ondanks dat toch aan materiële activiteiten binden. Het is daarom niet de activiteit zelf die belangrijk is, maar het bewustzijn waarin de activiteit wordt uitgevoerd.
karmaṇo hy api boddhavyaṁ
 boddhavyaṁ ca vikarmaṇaḥ
akarmaṇaś ca boddhavyaṁ
 gahanā karmaṇo gatiḥ
‘De complexiteit van handelen is zeer moeilijk te begrijpen. Men moet daarom precies weten wat activiteit is, wat verboden activiteit is en wat inactiviteit is.’ (Gītā 4.17)
Het pad van karma is heel complex en daarom moeten we het verschil kennen tussen karma, akarma en vikarma. Door ons eenvoudig toe te leggen op Kṛṣṇa-bewustzijn wordt alles duidelijk. Anders zullen we, om maar niet verstrikt te raken, onderscheid moeten maken tussen wat we wel en niet moeten doen. In het gewone dagelijkse leven breken we zonder het te weten sommige wetten en moeten we daarvan de gevolgen ondergaan. Ook natuurwetten zijn heel streng en dwingend en aanvaarden geen excuses. Dat vuur brandt, is een natuurwet; zelfs een kind dat het aanraakt zal zich branden ook al is het nog zo onschuldig en onwetend. We moeten daarom goed overwegen wat we gaan doen, opdat de strenge wetten van de natuur niet reageren om ons te verstrikken in lijden. Het is daarom noodzakelijk te begrijpen welk werk we moeten doen en welk werk we moeten vermijden.
Het woord ‘karma’ verwijst naar voorgeschreven plichten. Het woord ‘vikarma’ verwijst naar activiteiten die tegen onze voorgeschreven plichten indruisen. En het woord ‘akarma’ verwijst naar activiteiten zonder enige reactie. Tijdens het uitvoeren van akarma zijn er ogenschijnlijk reacties, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Voor werk onder Kṛṣṇa’s leiding geldt dat er geen reacties op volgen. Beslissen we zelf om iemand te doden, dan kan de staat ons de doodstraf opleggen. Onze activiteiten worden dan vikarma genoemd, omdat ze tegen de voorschriften indruisen. Maar als de regering ons inlijft in het leger en we doden iemand in de strijd, dan ondervinden we geen reacties. Dit wordt akarma genoemd. In het ene geval handelen we op eigen gezag en in het andere in opdracht van de regering. Hetzelfde geldt als we in opdracht van Kṛṣṇa handelen; de activiteiten die we dan uitvoeren worden akarma genoemd, want dat soort activiteit brengt geen reacties met zich mee.
karmaṇy akarma yaḥ paśyed
 akarmaṇi ca karma yaḥ
sa buddhimān manuṣyeṣu
 sa yuktaḥ kṛtsna-karma-kṛt
‘Wie inactiviteit in activiteit en activiteit in inactiviteit ziet, is intelligent onder de mensen. Zo iemand bevindt zich op het transcendentale niveau, ook al verricht hij allerlei activiteiten.’ (Bhagavad-gītā 4.18)
Wie werkelijk ziet dat er ondanks de activiteiten geen karmische reacties zijn en de aard van karma begrijpt, ziet de dingen zoals ze zijn. Het woord akarmaṇi verwijst naar iemand die de reacties van karma probeert te vermijden. We mogen dan met van alles bezig zijn, maar door deze activiteiten te verbinden met Kṛṣṇa-bewustzijn zijn we vrij. Op het slagveld van Kurukṣetra vochten zowel Arjuna als degenen aan de kant van Duryodhana. Wat wij moeten begrijpen is waarom Arjuna vrij was van reacties en Duryodana niet. Oppervlakkig gezien vochten beide partijen, maar het is belangrijk om in te zien dat Arjuna niet gebonden was door reacties, omdat hij in opdracht van Kṛṣṇa vocht. Zien we dus iemand werken in Kṛṣṇa-bewustzijn, dan moeten we beseffen dat zijn werk vrij is van reacties. Wie zulk werk kan zien en begrijpen moet als zeer intelligent worden beschouwd (sa buddhimān). Het is niet zozeer de kunst om te zien wat iemand doet, als wel begrijpen waarom hij het doet.
Wat Arjuna te doen had op het slagveld was eigenlijk bijzonder onprettig, maar omdat hij Kṛṣṇa-bewust was, onderging hij geen reactie. We voeren soms een bepaalde activiteit uit en beschouwen dat als goed werk, maar als we dat werk niet uitvoeren in Kṛṣṇa-bewustzijn moeten we de reacties ondergaan. Materieel gezien was Arjuna’s oorspronkelijke beslissing om niet te vechten goed, maar spiritueel gezien niet. Vroom werk leidt tot een bepaald resultaat, bijvoorbeeld dat we worden geboren in een goede familie, in het gezin van een brāhmaṇa of van een rijke man, of misschien dat we heel rijk, geleerd of mooi worden. Maar doen we goddeloos werk, dan worden we later misschien wel geboren in een gezin van lage stand of in het dierenrijk, of we worden analfabeet, dwaas, of heel lelijk. Maar ook al verrichten we vroom werk en krijgen we een goede geboorte, dan nog zijn we onderworpen aan de strenge wetten van actie en reactie. Ontsnappen aan de wetten van deze materiële wereld zou ons hoofddoel moeten zijn. Begrijpen we dit niet, dan zullen aristocratische families, welvaart, een goede opleiding of een mooi lichaam aantrekkelijk voor ons blijven. We moeten leren inzien dat we, ondanks al deze voorzieningen voor het materiële bestaan, niet vrij zijn van geboorte, ouderdom, ziekte en dood. Om ons hiervoor te waarschuwen, zegt Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā:
ābrahma-bhuvanāl lokāḥ
 punar āvartino ’rjuna
mām upetya tu kaunteya
 punar janma na vidyate
‘Alle planeten in de materiële wereld, van de hoogste tot de laagste, zijn oorden van ellende waar geboorte en dood zich voortdurend herhalen. Maar wie Mijn woning bereikt, o zoon van Kuntī, wordt nooit meer geboren.’ (Gītā 8.16)
Zelfs op Brahmaloka, de hoogste planeet in het materiële universum, bestaat de herhaling van geboorte en dood. Om hiervan bevrijd te worden, moeten we naar Kṛṣṇa’s planeet gaan. Rijk of mooi zijn mag dan heel aangenaam zijn, maar hoe lang blijven we dat? Dat is niet ons permanente leven. We kunnen vijftig, zestig, of hooguit honderd jaar geleerd, rijk en mooi blijven, maar het werkelijke leven duurt niet vijftig of honderd jaar, zelfs niet duizend of een miljoen jaar. We zijn eeuwig en moeten tot ons eeuwige leven komen; ons hele probleem is dat we dat nog niet hebben verworven. Dit probleem kan worden opgelost door Kṛṣṇa-bewust te zijn.
Als we Kṛṣṇa-bewust zijn op het moment dat we dit materiële lichaam verlaten, hoeven we niet langer terug te keren naar de materiële wereld. Het punt is nu juist dat we dit materiële bestaan volkomen moeten vermijden; het gaat er niet om onze omstandigheden in de materiële wereld te verbeteren. In de gevangenis kan een gevangene proberen zijn omstandig­heden te verbeteren door een eersteklas gevangene te worden, en de regering kan hem inderdaad een A-status toekennen. Maar niemand bij zijn volle verstand neemt genoegen met een gevangenschap klasse A. De gevangene zou er juist naar moeten verlangen om de gevangenis helemaal te verlaten. In de materiële wereld zijn sommigen van ons gevangenen klasse A en anderen klasse B of C, maar dat betekent in ieder geval dat we allemaal gevangenen zijn. Echte kennis bestaat niet eenvoudig uit een mastergraad of doctoraat behalen, maar uit het begrijpen van de basisproblemen van het bestaan.
yasya sarve samārambhāḥ
 kāma-saṅkalpa-varjitāḥ
jñānāgni-dagdha-karmāṇaṁ
 tam āhuḥ paṇḍitaṁ budhaḥ
‘Wanneer al iemands inspanningen vrij zijn van verlangens naar zinsbevrediging, is het duidelijk dat hij volledige kennis bezit. De wijzen beschouwen hem als iemand van wie het karma voor zijn activiteiten is opgebrand door het vuur van de volmaakte kennis.’ (Bhagavad-gītā 4.19)
Het woord paṇḍitam betekent ‘geleerd’ en budhāḥ ‘door en door kennen’. Ook in het tiende hoofdstuk vinden we het woord budhāḥ in het vers budhā bhāva-samanvitāḥ (Gītā 10.8). Dat iemand alleen veel universitair onderwijs heeft gehad betekent volgens de Bhagavad-gītā nog niet dat zo iemand ook geleerd is. De Bhagavad-gītā zegt dat een geleerde alles op een gelijk niveau ziet:
vidyā-vinaya-sampanne
 brāhmaṇe gavi hastini
śuni caiva śva-pāke ca
 paṇḍitāḥ sama-darśinaḥ
‘Omdat ze werkelijke kennis hebben, beschouwen de nederige wijzen een geleerde, eerbiedwaardige brāhmaṇa, een koe, een olifant, een hond en een hondeneter (paria) als gelijk.’ (Gītā 5.18)
In India wordt een geleerde brāhmaṇa volgens de Vedische beschaving beschouwd als de hoogste persoon in de menselijke samenleving. De paṇḍita, geleerd en zachtmoedig, beschouwt zo’n brāhmaṇa, een hond of een paria die honden eet als gelijk. Met andere woorden: hij maakt geen onderscheid tussen de hoogste en de laagste. Willen we daarmee zeggen dat een geleerde brāhmaṇa niet beter is dan een hond? Nee, maar de paṇḍita ziet ze als gelijk, omdat hij niet de huid maar de ziel ziet. Wie de kunst verstaat dezelfde spirituele ziel te zien in ieder levend wezen, wordt beschouwd als een paṇḍita, omdat ieder levend wezen in werkelijkheid een spirituele vonk is en een integrerend deeltje van het volledige spirituele geheel. De spirituele vonk is in iedereen gelijk maar wordt door verschillende kleding bedekt. Soms verschijnt een gerespecteerd man in sjofele kleren, maar dat betekent nog niet dat hij respect­loos behandeld moet worden. In de Bhagavad-gītā worden onze materiële lichamen vergeleken met kleding die door de spirituele ziel wordt gedragen.
vāsāṁsi jīrṇāni yathā vihāya
 navāni gṛhṇāti naro parāṇi
tathā śarīrāṇi vihāya jīrṇāny
 anyāni saṁyāti navāni dehī
‘Zoals men nieuwe kleren aantrekt en de oude opgeeft, zo aanvaardt de ziel nieuwe materiële lichamen en geeft ze de oude en nutteloze op.’ (Gītā 2.22)
Telkens wanneer we een levend wezen zien, zouden we moeten denken: ‘Hier is een spirituele ziel.’ Iedereen die zo’n spirituele visie op het leven begrijpt, is een paṇḍita. Cāṇakya Paṇḍita beschrijft de opleidingsstandaard of kwalificatie van een paṇḍita als volgt: ‘De geleerde man ziet alle vrouwen, uitgezonderd zijn echtgenote, als zijn moeder; hij ziet alle materiële bezittingen als straatvuil; en andermans leed beschouwt hij als zijn eigen leed.’ Heer Boeddha onderwees dat we zelfs dieren geen geweld aan moeten doen door onze woorden of daden. Dat is de kwalificatie voor een paṇḍita en hoe we zouden moeten leven. We moeten daarom inzien dat geleerdheid gebaseerd is op onze levensvisie en hoe we handelen in overeenstemming met die levensvisie en niet op onze universitaire graden. Dit is de uitleg van het woord ‘paṇḍita’ in de Bhaga­vad-gītā. Zo verwijst het woord ‘budhāḥ’ specifiek naar iemand die de heilige teksten door en door kent. De resultaten van zulke realisatie en studie van de heilige teksten worden als volgt in de Bhagavad-gītā beschreven:
ahaṁ sarvasya prabhavo
 mattaḥ sarvaṁ pravartate
iti matvā bhajante māṁ
 budhā bhāva-samanvitāḥ
‘Ik ben de oorsprong van alle spirituele en materiële werelden. Alles komt voort uit Mij. De wijzen die hiervan volkomen doordrongen zijn, bewijzen Me devotionele dienst en vereren Me met heel hun hart.’ (Gītā 10.8)
Een geleerd persoon of budhāḥ is iemand die heeft be­grepen dat Kṛṣṇa de oorsprong is van alle emanaties. Alles wat we zien is een emanatie of uitvloeiing van Kṛṣṇa alleen. Al vele miljoenen jaren lang emaneert er zonneschijn uit de zon en toch blijft de zon onveranderd. En zo komen alle materiële en spirituele energieën ook voort uit Kṛṣṇa. Wie dit beseft, wordt een toegewijde van Kṛṣṇa.
Wie dus beseft dat hij moet werken in Kṛṣṇa-bewustzijn, wie niet langer verlangt naar genot in deze materiële wereld, is echt geleerd. In de materiële wereld drijft lust (kāma) ieders activiteiten, maar de dwang van deze lust heeft geen grip op de wijze (kāma-saṅkalpa-varjitāḥ). Hoe is dit mogelijk? Jñānāgni-­dagdha-karmāṇam: het vuur van kennis verbrandt alle reacties op zondige activiteiten. Het is de krachtigste zuiveraar. Ons leven heeft alleen betekenis en richting voor zover we streven naar deze transcendentale kennis van Kṛṣṇa-bewustzijn, rāja-vidyā, de koning van alle kennis.