Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 7
Twee werelden verenigd
San Francisco, 5 juli 1970
Śrīla prabhupāda woonde in 1970 het ratha-yātrā-festival in
San Francisco bij. Ondanks het koude, winderige weer voegden zich ongeveer tienduizend mensen bij Heer Jagannātha’s optocht door Golden Gate Park. Śrīla Prabhupāda danste tijdens de parade samen met honderden deelnemers op straat en sprak in een auditorium aan het strand een grote menigte toe. Hij keek tevreden toe hoe zijn leerlingen aan duizenden mensen een gratis vegetarische prasādam-maaltijd uitdeelden. Maar toen er een toegewijde kwam met de eerste zes exemplaren van Deel I van Kṛṣṇa, the Supreme Personality of Godhead, was hij helemaal gelukkig.
San Francisco bij. Ondanks het koude, winderige weer voegden zich ongeveer tienduizend mensen bij Heer Jagannātha’s optocht door Golden Gate Park. Śrīla Prabhupāda danste tijdens de parade samen met honderden deelnemers op straat en sprak in een auditorium aan het strand een grote menigte toe. Hij keek tevreden toe hoe zijn leerlingen aan duizenden mensen een gratis vegetarische prasādam-maaltijd uitdeelden. Maar toen er een toegewijde kwam met de eerste zes exemplaren van Deel I van Kṛṣṇa, the Supreme Personality of Godhead, was hij helemaal gelukkig.
Omringd door toegewijden en nieuwsgierige festivalgangers, nam Prabhupāda een van de boeken in de hand en bewonderde de kaft waarop Rādhā en Kṛṣṇa in kleur afgebeeld stonden. Het boek was groot, bijna zevenentwintig centimeter hoog, en had een glimmende, zilverkleurige kaft waar met grote, felrode letters “KṚṢṆA” op stond. Het was een transcendentaal wonder in Prabhupāda’s eerbiedige handen.
De toeschouwers verdrongen zich rond Prabhupāda om een blik over zijn schouder te kunnen werpen. Toen hij het boek glimlachend opende, slaakten ze kreten van bewondering. Hij bekeek de illustraties, het drukwerk, het papier en het bindwerk. “Erg mooi”, zei hij. Hij richtte zijn aandacht op een bepaalde pagina en las. Toen keek hij op en kondigde aan dat dit bijzonder waardevolle boek Kṛṣṇa net uit was en dat iedereen het zou moeten lezen. Terwijl hij één boek in zijn hand hield – de andere boeken lagen opgestapeld voor hem – nodigde hij iedereen die een exemplaar wilde kopen uit om naar voren te komen.
Mensen begonnen te roepen. Ze smeekten Prabhupāda om een boek terwijl ze het geld naar hem uitstaken. Prabhupāda verkocht alle boeken in een oogwenk, zonder er eentje voor zichzelf te houden.
Voor de toegewijden was dit de meest opzienbarende gebeurtenis van het hele festival. Ze bogen zich in groepjes over de gekochte boeken en bespraken Kṛṣṇa’s speels vermaak en de invloed die het boek op het Amerikaanse volk zou hebben.
Brahmānanda vertelde hoe Prabhupāda in 1967 in zijn kamer aan 26 Second Avenue in New York, het eerste exemplaar van Teachings of Lord Caitanya weggaf. Vlak voordat het boek aankwam, zat Prabhupāda te praten met Satyavrata, een leerling die al een tijd niet meer naar de tempel kwam vanwege een onbeduidend meningsverschil met zijn godsbroeders. Toen het eerste exemplaar van Teachings of Lord Caitanya aankwam, bekeek Prabhupāda het liefdevol en gaf het daarna aan Satyavrata cadeau.
Brahmānanda was heel verbaasd om Prabhupāda zijn enige exemplaar van het boek te zien weggeven. Hij had geholpen bij het uitbrengen van het boek en wist hoe nauwgezet Prabhupāda het geschreven had en hoe hij een jaar lang met spanning had gewacht tot het boek eindelijk gedrukt zou zijn. Toch gaf hij het, toen het eenmaal aankwam, onmiddellijk weg en nog wel aan een toegewijde die niet zo’n goede naam had. Satyavrata nam het boek aan, bedankte Śrīla Prabhupāda en vertrok. Niemand zag hem daarna ooit nog terug.
Śrīla Prabhupāda wilde dat zijn leerlingen er net zo naar zouden verlangen Kṛṣṇa-bewuste boeken te verspreiden als hijzelf, maar geen van hen had er een flauw idee van hoe ze dat moesten aanpakken. Het verspreiden van een tijdschrift en het vragen om een kleine donatie was één ding – maar zo’n groot boek met een harde kaft? Toen de volledige lading van Teachings of Lord Caitanya in april 1967 in New York aankwam, huurden de toewijden een vrachtwagen, haalden de boeken op in de haven en laadden ze uit op 26 Second Avenue. Daarna verscheepten zij ze naar iskcon-centra in Los Angeles, San Francisco, Boston, Montreal en andere plaatsen. En daar bleven ze.
Sommige toegewijden probeerden advertenties in tijdschriften te plaatsen en exemplaren bij boekenwinkels in consignatie achter te laten. Maar de boeken verkochten niet. Hoe deze grote boeken met harde kaft ooit verkocht moesten worden, was een raadsel – tot er iets belangrijks gebeurde…
Op een dag kwamen twee brahmacārī’s terug van een kīrtana in het centrum van San Francisco. Onderweg moesten ze bij een benzinestation stoppen om te tanken. Toen de pompbediende aan het raampje kwam om de betaling te ontvangen, liet een van de toegewijden hem het Kṛṣṇa-boek zien. De man toonde interesse en de toegewijden begonnen over het Kṛṣṇa-bewustzijn te vertellen. Toen ze voorstelden dat hij het boek zou aannemen in ruil voor de benzine, stemde hij toe.
Geïnspireerd door hun succes gingen de twee brahmacārī’s de volgende dag met een paar Kṛṣṇa-boeken voor een supermarkt staan. En opnieuw gebeurde het; deze keer verkochten ze twee boeken.
De ervaring en getuigenissen van toegewijden die Śrīla Prabhupāda’s boeken verkopen, beschrijven een bijzondere smaak, die verschilt van het geluk dat jongemannen gewoonlijk ervaren wanneer ze op een verkooptechniek stuiten en ontdekken dat ze op het punt staan veel geld te verdienen. Een toegewijde verspreidt boeken als devotionele dienst aan Kṛṣṇa en dit brengt een transcendentale vreugde met zich mee, die zelfs het grootste materieel geluk ver te boven gaat.
Gewoon iets verkopen en het verkopen van Kṛṣṇa-bewuste literatuur verschillen net zo veel van elkaar als materieel leven en spiritueel leven. Wie het spiritueel leven vanuit een materieel gezichtspunt bekijkt, zal dit niet kunnen begrijpen. Bhaktisiddhānta Sarasvatī vergeleek de poging om de extase van het Kṛṣṇa-bewustzijn proefondervindelijk te doorgronden met een poging om honing te proeven door aan de buitenkant van de pot te likken.
De jonge mannen en vrouwen die in Amerika boeken begonnen te verspreiden, wisten dat Śrīla Prabhupāda hen van een hels bestaan had gered door hun het Kṛṣṇa-bewustzijn te geven en ze wilden hem helpen om het Kṛṣṇa-bewustzijn aan anderen te geven. En het verspreiden van zijn boeken bracht extase, spirituele extase.
Halverwege 1971 verkochten de tempels honderden Kṛṣṇa-boeken per week. Karāndhara, de manager van Prabhupāda’s boekenfonds, begon sankīrtana-nieuwsbrieven naar Śrīla Prabhupāda en naar de tempels in Noord-Amerika te sturen. Doordat de maandelijkse resultaten van iedere tempel zo gedeeld werden, zetten de nieuwsbrieven aan tot een soort competitie. De nieuwsbrief van december 1971 beschreef de resultaten over het hele jaar en spoorde de toegewijden aan het nog beter te doen.
De tempel van San Francisco heeft laatst bij een grootscheepse actie om boeken te verspreiden, gemiddeld twintig Kṛṣṇa-boeken per dag verkocht. Welke techniek gebruiken ze? Keshava Prabhu zegt: “We maken het gewoon tot onze belangrijkste activiteit. Het enige wat ervoor nodig is, is het echt te willen en het zo hard mogelijk te proberen. We hebben altijd Back to Godhead-tijdschriften en Kṛṣṇa-boeken bij ons,” zegt hij, “of we nu op straat chanten, deur-aan-deur gaan, naar de wasserij of naar de winkel moeten – altijd.” We hebben onze hersenen gepijnigd om allerlei ingewikkelde manieren te verzinnen om meer boeken te verkopen, maar de praktijk heeft uitgewezen, dat het het beste is met de grondeloze genade van deze boeken van deur tot deur te gaan. Hoeveel uur per dag besteden we welbeschouwd aan het verspreiden van Śrīla Prabhupāda’s boeken? Is dat niet wat hem het meest nauw aan het hart ligt?
Maar het was niet de nieuwsbrief die de kroon op het sankīrtana-jaar zette, maar Prabhupāda zelf, die het volgende schreef aan Keśava, de ‘koning’ van de boekverspreiding:
Ik heb zoveel verhalen gehoord over hoe mijn leerlingen in de tempel van San Francisco door niemand overtroffen kunnen worden in het verspreiden van mijn boeken. Er is mij verteld dat ze soms wel zeventig Kṛṣṇa-boeken per dag verkopen. Als dat waar is, moet ik, als ik weer naar de Verenigde Staten kom, jullie tempel beslist komen bezoeken. Het feit dat jullie mijn boeken op zo’n grote schaal verspreiden, maakt me heel enthousiast om te vertalen. Jullie helpen me allemaal om de opdracht uit te voeren die mijn guru mahārāja me heeft gegeven. Daarvoor ben ik jullie heel dankbaar en ik ben er zeker van dat Kṛṣṇa jullie een miljoen keer zal zegenen, om jullie voor dit werk te belonen.
Ik hoop dat jij en mijn geliefde leerlingen in de tempel van San Francisco in goede gezondheid verkeren en in een opgewekte stemming zijn.
Van deze brief werden kopieën naar alle iskcon-centra gestuurd. Prabhupāda had zijn zegen altijd aan alle toegewijden gegeven, maar niemand kon zich herinneren dat hij ooit eerder had gezegd dat een toegewijde een miljoen keer door Kṛṣṇa gezegend zou worden!
Hoewel een brief van Prabhupāda meestal voor een bepaalde toegewijde bestemd was, konden de gegeven aanwijzingen vaak meer algemeen toegepast worden. En uit zulke brieven werd het volkomen duidelijk wat er bij de toegewijden op de allereerste plaats moest komen: boekverspreiding.
Ik ben erg blij te horen dat jullie steeds meer van onze boeken en tijdschriften verspreiden. Dit betekent dat ook jullie predikwerk krachtig is. Hoe krachtiger jullie beginnen te prediken hoe meer boeken jullie zullen verkopen. Mijn voornaamste verlangen is dat mijn boeken overal worden verspreid.
Prabhupāda’s streven was om wereldse literatuur door transcendentale literatuur te vervangen. In ieder huis zou er minstens één boek of tijdschrift over het Kṛṣṇa-bewustzijn moeten zijn, redeneerde hij. Want wanneer iemand er ook maar één bladzijde uit las, kon dit een begin zijn van de vervolmaking van zijn leven. “Als één procent van de lezers toegewijde wordt,” schreef hij, “zal de wereld veranderen.” Postorderbedrijven waren tevreden als vijf procent van de lezers reageerden, maar Prabhupāda had het over een nog kleiner percentage. Hij dacht dat één procent van de mensen die een boek ontvingen, zuivere toegewijden zouden kunnen worden. Kṛṣṇa bevestigt dit ook in de Bhagavad-gītā (7.3): “Onder vele duizenden mensen streeft er misschien één naar volmaaktheid en van hen die volmaaktheid hebben bereikt, kent nauwelijks één Mij werkelijk.” Om de wereld Kṛṣṇa-bewust te maken, was het daarom absoluut noodzakelijk dat er miljoenen transcendentale boeken en tijdschriften werden verspreid.
Śrīla Prabhupāda wilde dat zijn leerlingen begrepen waarom ze zijn boeken moesten verspreiden en hij onderwees ze via zijn brieven.
Het antwoord op de vraag wie God is, kan in slechts vijf woorden worden samengevat: Kṛṣṇa is de Allerhoogste Bestuurder. Als jullie hiervan overtuigd raken en het vol enthousiasme uitdragen, is succes verzekerd en bewijzen jullie alle levende wezens de grootste dienst.
Hij schreef aan Jayādvaita:
Deze boeken en tijdschriften zijn onze belangrijkste propagandawapens tegen de onwetendheid van het leger van māyā en hoe meer van zulke literatuur we produceren en in grote hoeveelheden over de hele wereld verspreiden, hoe meer kans we hebben om de wereld te redden van het pad van de zelfvernietiging waarop ze zich bevindt.
Aan Jagadīśa schreef hij:
Het rapport dat je me gestuurd hebt over de verkoop van onze boeken heeft me goede moed gegeven, omdat het aantoont dat je het als je verantwoordelijkheid ziet ervoor te zorgen dat steeds meer mensen onze boeken gaan lezen. Deze boeken zijn het fundament voor ons predikwerk – geen enkele andere beweging kan met zoveel gezag prediken. Wie onze Kṛṣṇa-bewuste filosofie leest, raakt overtuigd.
Prabhupāda stond erop dat alle belangrijke Kṛṣṇa-bewuste programma’s, zoals de verering van de Beeldgedaanten, het chanten van Hare Kṛṣṇa in het openbaar en het houden van lezingen buiten de tempel, zouden doorgaan. Al deze activiteiten waren belangrijk. Maar het verspreiden van boeken zou, als dat maar enigszins mogelijk was, een onderdeel van alle programma’s moeten worden. Aan een sannyāsī die veel openbare lezingen gaf, schreef Prabhupāda:
Verspreid zoveel mogelijk boeken. Als iemand iets van onze filosofie hoort, zal dat hem helpen, maar wanneer hij één boek koopt, kan dat zijn hele leven veranderen. Boeken verkopen is daarom de beste manier om te prediken. Verkoop boeken, houd kīrtana op openbaar toegankelijke plaatsen, zoals op scholen en universiteiten; predik.
En in een brief aan Bhagavān Dāsa in Frankrijk benadrukte hij hetzelfde punt: “Wat zullen je drie minuten prediken uitrichten? Maar als ze één boek kopen, kan dat hun hele leven veranderen.”
Een andere doorbraak in de boekverspreiding kwam aan het eind van 1972. Het jaar daarvoor hadden alle toegewijden gebruik gemaakt van het Kerstseizoen door met boeken langs de deuren te gaan, maar niemand was zich er van bewust geweest hoe belangrijk deze periode wel niet kon zijn.
Rāmeśvara: Het was op 22 december 1972 dat we bij toeval de Kerstmarathon ontdekten in Los Angeles. Natuurlijk hadden we gezien dat er veel meer mensen naar de winkels gingen en dat de winkels soms tot middernacht openbleven. Ik stond voor een Burbank Zody. Er waren in de tempel in Los Angeles prijzen uitgeloofd voor degenen die de meeste boeken zouden verspreiden en de competitie bereikte een koortsachtig hoogtepunt.
Nadat ik de hele dag als een gek boeken had verkocht, had ik zo’n 350 dollar ingezameld en 650 tijdschriften verspreid. Het was ongeveer tien uur ’s avonds. Ik was ervan overtuigd dat dit het nieuwe wereldrecord in iskcon was en dat niemand me die dag zou kunnen verslaan. De winkel was tot twaalf uur open, maar het werd toch minder druk en ik dacht: “Misschien kan ik beter teruggaan. Iedereen is waarschijnlijk al terug. Er is nog nooit iemand tot na acht uur weggebleven. Ze zitten natuurlijk allemaal op me te wachten. Ik moet ze niet langer ophouden.” Op deze manier overtuigde mijn geest me terug te gaan.
Om elf uur was de winkel volkomen uitgestorven. Ik stapte in mijn auto en begon te rijden. Onderweg kwam ik langs een andere Zody-supermarkt, de zogenaamde Hollywood Zody. Ik twijfelde of ik nu zou stoppen of niet, want in die winkel was het nog druk en deze zou tot middernacht openblijven. Maar ik besloot terug te gaan naar de tempel, omdat ik dacht dat alle toegewijden waarschijnlijk al terug waren en nog niet naar bed waren gegaan, omdat ze wilden weten hoeveel boeken ik had verspreid. Dus reed ik maar door.
Om tien voor twaalf kwam ik eindelijk bij de tempel aan. Ik stormde de sankīrtana-kamer binnen. Maar de enige die daar zat was de secretaris, Madhukaṇṭha. Ik riep uit: “Oh nee, is iedereen nu al naar bed?” Maar hij antwoordde: “Welnee, er is nog niemand terug.” Ik was de eerste die terug was! Dat was de ontdekking van de eerste Kerstmarathon. Het was helemaal niet zo gepland. Niemand had ons ooit de opdracht gegeven zo lang weg te blijven. Het gebeurde gewoon spontaan.
Om half twee ’s morgens waren eindelijk alle toegewijden terug en zaten we allemaal om de tafel op de sankīrtana-kaart te kijken. We wilden zo graag weer beginnen dat we niet konden slapen. We dachten: “Waar vinden we een hoop geconditioneerde zielen om boeken aan te geven?” We maakten zo’n lawaai en lachten zo hard dat we wel een stelletje dronkenlappen leken en Karāndhara, die in het kantoor naast het onze lag te slapen, werd er wakker van. Hij kwam, de slaap uit zijn ogen wrijvend, de kamer binnengestommeld. Toen hij ons zag en begreep wat er aan de hand was, barstte hij in lachen uit en stuurde ons allemaal naar bed met de woorden: “Morgen is er weer een dag.” Zo hielden we dus onze eerste driedaagse marathon op 22, 23 en 24 december.
Nog nooit in de geschiedenis van onze beweging had iemand zoveel boeken verkocht. Een goede dag was wanneer iemand ergens tussen de vijfentwintig en de veertig boeken verspreidde. Maar wij verspreidden tussen de vijf- en de zesduizend boeken en tijdschriften per dag, drie dagen lang. Eén tempel had in drie dagen tijd bijna achttienduizend boeken- en tijdschriften verspreid.
* * *
Toen prabhupāda het nieuws over de boekverspreiding in Los Angeles en andere plaatsen in de Verenigde Staten ontving, was hij even blij als verbaasd. Hoewel hij druk bezig was met allerlei zaken van over de hele wereld, zette hij alles aan de kant en genoot van de overweldigende overwinning van de boekverspreiding in Amerika. Onmiddellijk riep hij zijn secretaris en dicteerde een paar brieven:
Mijn beste Rāmeśvara,
Ik heb je brief d.d. 27 december 1972 ontvangen en met veel vreugde gelezen hoeveel boeken er in de periode van 22 tot 24 december 1972 verkocht zijn. Het is nauwelijks te geloven dat één tempel in drie dagen tijd meer dan 17.000 boeken heeft kunnen verkopen! Dat is voor mij het bewijs dat de mensen in jullie land deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn eindelijk een beetje serieus gaan nemen. Waarom zouden ze onze boeken anders kopen? Ze worden geraakt als ze zien hoe oprecht onze toegewijden zijn en hoe serieus ze zijn wat betreft het verspreiden van de boodschap van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Daarom waarderen ze ons en kopen ze de boeken. Dit is uniek in de wereld. Ik ben uiterst tevreden over alle jongens en meisjes in Los Angeles en de rest van de wereld, die de unieke waarde van onze transcendentale literatuur begrijpen en er, ondanks alle moeilijkheden, vrijwillig op uit gaan om boeken te verspreiden. Alleen al vanwege het feit dat ze zich zo inspannen, is het zeker dat ze terug naar huis, terug naar God zullen gaan.
Op dezelfde dag dicteerde Prabhupāda een brief aan Karāndhara:
Ik had me nooit kunnen voorstellen dat het mogelijk was zoveel van onze boeken te verspreiden. Daarom begrijp ik dat Kṛṣṇa ons gewoon wil zegenen omdat jullie zo oprecht voor Hem werken. In feite is dat het geheim van mijn succes; persoonlijk heb ik niets speciaals gedaan, maar degenen die me helpen zijn zo oprecht, ze hebben al het werk gedaan. Dat is de reden waarom we over de hele wereld succes hebben, waar anderen gefaald hebben. Een beetje oprechtheid is iets heel zeldzaams in dit tijdperk van schijnheiligheid en bluf, maar ik ben zo gelukkig dat Kṛṣṇa me zulke goede jongens en meisjes als jullie heeft gestuurd. Wees zo vriendelijk ze allemaal mijn diepste waardering over te brengen.
Deze brieven, waarin Śrīla Prabhupāda zijn tevredenheid over de Kerstmarathon uitsprak en de toegewijden ervan verzekerde dat ze terug naar God zouden gaan, deden de boekverspreiding met volle vaart het nieuwe jaar invliegen. Toegewijden bleven steeds maar nieuwe manieren en plaatsen vinden om boeken te verspreiden. De oude records werden voortdurend verbroken en de toegewijden maakten plannen om in de toekomst nog meer boeken te verspreiden.
Deze brieven, waarin Śrīla Prabhupāda zijn tevredenheid over de Kerstmarathon uitsprak en de toegewijden ervan verzekerde dat ze terug naar God zouden gaan, deden de boekverspreiding met volle vaart het nieuwe jaar invliegen. Toegewijden bleven steeds maar nieuwe manieren en plaatsen vinden om boeken te verspreiden. De oude records werden voortdurend verbroken en de toegewijden maakten plannen om in de toekomst nog meer boeken te verspreiden.
Praghoṣa: Ik kwam regelmatig naar de tempel in Detroit om de avondlezingen bij te wonen en deed wat karweitjes om de toegewijden te helpen met de inrichting van de tempel. Iedere avond als ik aan het schilderen was, zag ik de toegewijden terugkomen van sankīrtana. Ze zagen er erg gelukkig en geïnspireerd uit en ik was altijd een beetje nieuwsgierig naar wat ze daar buiten deden, waardoor ze zo blij terugkwamen. Ik luisterde vanaf mijn ladder naar hun gesprekken, als ze op de vloer hete melk zaten te drinken. Ze vertelden dan hoe ze bij iemand aan de deur hadden geklopt en wat er toen allemaal gebeurd was – het trok me geweldig aan.
Een week nadat ik in de tempel was komen wonen, vroeg iemand me of ik mee wilde gaan om boeken te verspreiden. Daar ging ik dan. Ik had een dhotī aan en tilaka op. Ik benaderde de mensen heel direct – ik liep op ze af, gaf ze een uitnodiging en een boek, vertelde over de inhoud ervan, liet een foto van Prabhupāda zien en vroeg ze om een donatie. Dit wekte een ongelofelijke vreugde in me op. Het werd een waar genot om dit te doen. Niemand van ons begreep eigenlijk precies waarom het zo extatisch was.
’s Nachts lagen we vaak wakker. Dan lagen we in onze slaapzakken op de grond van de brahmacārī-kamer en fluisterden tegen elkaar “Wat zeg jij tegen de mensen?” Zo werd er in het donker heel wat afgepraat. Iedereen probeerde uit te leggen hoe hij Prabhupāda’s boeken presenteerde.
Tripurāri: Mijn verbintenis met Śrīla Prabhupāda was min of meer in gescheidenheid, omdat ik altijd op pad was. Veel van de oudere toegewijden waren door Prabhupāda zelf opgeleid, maar ik heb dat nooit meegemaakt. Ik ben meer door Prabhupāda opgeleid vanuit mijn hart. Ik denk dat het zo met al onze boekverspreiders was. Ze voelden zich heel nauw met Prabhupāda verbonden, ook al hadden ze nooit veel persoonlijk contact met hem. Dat ze echt het gevoel hadden Prabhupāda heel goed te kennen, kwam doordat ze zijn intiemste verlangen vervulden: het verspreiden van zijn boeken.
Tripurāri: Mijn verbintenis met Śrīla Prabhupāda was min of meer in gescheidenheid, omdat ik altijd op pad was. Veel van de oudere toegewijden waren door Prabhupāda zelf opgeleid, maar ik heb dat nooit meegemaakt. Ik ben meer door Prabhupāda opgeleid vanuit mijn hart. Ik denk dat het zo met al onze boekverspreiders was. Ze voelden zich heel nauw met Prabhupāda verbonden, ook al hadden ze nooit veel persoonlijk contact met hem. Dat ze echt het gevoel hadden Prabhupāda heel goed te kennen, kwam doordat ze zijn intiemste verlangen vervulden: het verspreiden van zijn boeken.
In de zomer van 1973 ontdekten de toegewijden dat ze op popconcerten in een paar uur tijd honderden Kṛṣṇa-boeken konden verspreiden. Het Kṛṣṇa-boek, dat nu als driedelige pocket met een voorwoord van George Harrison verkrijgbaar was, was vooral aantrekkelijk voor jonge mensen. In juli schreef Rāmeśvara Prabhupāda in Londen om hem te vertellen dat de tempel van Los Angeles nu tweeduizend boeken per week verspreidde en dat de toegewijden op een popconcert in twee uur tijd zeshonderd boeken hadden verkocht.
De toegewijden in Los Angeles besloten dat Tripurāri en een paar andere leidende saṅkīrtana-mensen van tempel naar tempel moesten reizen om hun ervaringen te delen. Rāmeśvara schreef aan Prabhupāda: “Het is de genade van Śrī Śrī Rukmiṇī-Dvārakādhīśa (de Beeldgedaanten van de tempel in Los Angeles), dat we nu zoveel toegewijden naar andere centra kunnen sturen. Dit is de werkelijke rijkdom van New Dvārakā.” Śrīla Prabhupāda stuurde op 3 augustus het volgende antwoord:
Zonder twijfel is het verspreiden van onze boeken onze belangrijkste activiteit. De tempel is geen plaats om te eten en te slapen, maar een basis vanwaar we onze soldaten eropuit sturen om met māyā te vechten. Vechten met māyā betekent dat we duizenden boeken in de schoot van de gebonden zielen laten vallen, net zoals in de oorlog de bommen als regen uit de lucht komen vallen…
Je idee om de beste mensen eropuit te sturen om andere toegewijden te onderwijzen, vind ik erg goed. De feitelijke vooruitgang van het Kṛṣṇa-bewustzijn ligt in het opleiden van anderen. Zet dit programma voort, zodat in de toekomst iedere toegewijde in onze beweging de kunst van het verspreiden van boeken verstaat. Ik keur dit goed.
Sura: Vaiśeṣika en ik verkochten boeken op het vliegveld. Hij liep naar de mensen toe en zei: “Hoe gaat het meneer? Alle eer aan Śrī Kṛṣṇa’s sankīrtana-beweging, de voornaamste zegen voor de mensheid, die het hart reinigt van alle onzuiverheden.” Hij herhaalde gewoon de Śikṣāṣṭaka-gebeden van Heer Caitanya en toch verkocht hij boeken. In de boeken stonden plaatjes van Kṛṣṇa en op de kaft waren devotionele taferelen afgedrukt. Soms snapten zelfs de toegewijden niet hoe de mensen ook maar iets van deze boeken konden begrijpen. Maar Prabhupāda wilde dat ze verspreid werden en zei dat we over het boek zelf moesten prediken. Toen een toegewijde vroeg wat ze moesten zeggen om de boeken te verspreiden, antwoordde Prabhupāda: kṛṣṇe sva-dhāmopagate, wat betekent dat het Śrīmad-Bhāgavatam zo stralend is als de zon en uitsluitend verschenen is om de mensen de ware religie te schenken in deze tijd van duisternis. Dat vers herhaalden we dus ook en omdat we zo’n sterk vertrouwen hadden in Prabhupāda, lukte het ons om de boeken te verspreiden.
Doordat we met zoveel mensen spraken, merkten we dat ze werkelijk getroffen werden door het Kṛṣṇa-bewustzijn. Ze zagen dat de toegewijden erg oprecht en serieus waren en daarvan raakten ze onder de indruk. Op sankīrtana ervaarden we dagelijks hoe de mensen Prabhupāda’s boeken waardeerden. Soms kregen we ook vervelende reacties, maar Prabhupāda had gezegd dat er altijd moeilijkheden zouden zijn. Hij had ons van tevoren gewaarschuwd dat een boekverkoper af en toe problemen zou hebben, omdat hij soms aanvaard werd en soms geweigerd; maar dat moest hij leren verdragen.
Op het vliegveld kwamen we professoren, advocaten en allerlei andere mensen tegen die met ons in discussie gingen. Ze daagden ons uit en we moesten Prabhupāda’s boeken en zijn beweging constant verdedigen, veel meer dan toen we nog maar groentjes waren die op parkeerplaatsen huisvrouwen aanspraken en een euro voor een pakje wierook vroegen. We presenteerden Prabhupāda’s boeken aan intellectuelen, māyāvādī’s, wetenschappers, zakenlui – allerlei mensen die bijzonder scherpzinnig waren. Daar in Chicago, Los Angeles en San Diego waren de mensen erg gehaaid en hard. En gewoon doordat we ze op spiritueel niveau moesten kunnen verslaan en de beweging moesten verdedigen, werden we volwassener en ontwikkelden we een steeds dieper begrip van Prabhupāda’s boeken. We leerden hoe we ze op zo’n manier moesten aanbieden dat we zelfs mensen die niet overtuigd wilden worden, konden overtuigen. Dat vereiste dat we zelf Prabhupāda’s boeken goed bestudeerden.
De boekverspreiding deed nog een grote stap voorwaarts toen Tamāla Kṛṣṇa Goswami, die vier jaar lang Prabhupāda’s secretaris in India was geweest, terugkeerde naar de Verenigde Staten. Samen met zijn vriend Viṣṇujana Swami organiseerde hij de Rādhā-Dāmodara sankīrtana-groep. die in een bus met Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa door de Verenigde Staten trok om boeken te verspreiden en festivals te houden.
Śrīla Prabhupāda toonde speciale belangstelling voor de Rādhā-Dāmodara-groep en keurde leningen van de bbt goed voor de aankoop van meer bussen. Zo ontstond er een waar sankīrtana-leger dat rondreisde in opgeknapte Greyhound-bussen. Eind 1974 hadden ze drie bussen, een aantal bestelwagens en een heleboel mensen. Prabhupāda noemde de bussen ‘rijdende tempels’ en moedigde de toegewijden aan hun programma’s voort te zetten; hij wist zeker dat ze er Heer Caitanya een plezier mee deden. “Ik ben blij dat jullie het belang van mijn boeken hebben ingezien”, schreef Prabhupāda. “Daarom leg ik er zoveel nadruk op. Laat iedereen deze boeken aanvaarden.”
Śrīla Prabhupāda wilde dat de Rādhā-Dāmodara-groep zich uit zou breiden totdat ze honderden bussen hadden om het Kṛṣṇa-bewustzijn naar iedere stad en ieder dorp te brengen. Toen er een spannende, transcendentale competitie ontstond tussen de tempel van Los Angeles, Tripurāri’s bbt-groep en de Rādhā-Dāmodara-groep, sloeg Prabhupāda dat met plezier gade.
In 1974 vormde hṛdayānanda goswami een nieuw team dat zich specialiseerde in de verkoop van boeken aan bibliotheken en universiteiten. Deze bbt-groep werd bijgestaan door een professioneel georganiseerd verkoopkantoor in Los Angeles. Ze begonnen al snel hele series van Prabhupāda’s boeken te verkopen, die bestonden uit de gepubliceerde en nog te publiceren delen van het zeventiendelige Caitanya-caritāmṛta en het zestigdelige Śrīmad-Bhāgavatam.
Śrīla Prabhupāda had dit idee lang gekoesterd en zelfs voordat hij naar Amerika was gekomen, was hij al naar bibliotheken in India gegaan met exemplaren van het eerste canto van zijn Śrīmad-Bhāgavatam. Dankzij zijn inspanningen had de United States Library of Congress in New Delhi verschillende exemplaren gekocht. Nu begon zijn verlangen om zijn boeken in alle Amerikaanse bibliotheken te zien, werkelijkheid te worden. Rāmeśvara, de bbt-manager, schreef een nieuwsbrief aan alle tempels:
Śrīla Prabhupāda is steeds meer geïnteresseerd geraakt in dit programma en vindt dat het de hoogste prioriteit verdient. Hij heeft zelfs Satsvarūpa das Goswami, die lid van de gbc is en op dit moment dienst doet als Śrīla Prabhupāda’s persoonlijke secretaris, gevraagd naar de Verenigde Staten terug te keren om het bbt-bibliotheekprogramma te leiden.
Onder Satsvarūpa’s leiding reisde de groep de Verenigde Staten door en kreeg iedere week tientallen bestellingen van universiteitsbibliotheken, waaronder die van Yale, Harvard, Columbia, Princeton en Stanford. Binnen een paar maanden begonnen professoren gunstige recensies te schrijven en velen bestelden al Prabhupāda’s boeken voor hun afdelingen. Na de meeste Amerikaanse en Canadese bibliotheken van de complete uitgave van Prabhupāda’s werk te hebben voorzien, verplaatste de bibliotheekgroep haar activiteiten naar Europa en India en oogstte daar evenveel succes.
Dr. Alex Wayman, hoogleraar Sanskriet aan de Universiteit van Columbia, schreef:
Ik heb met groot genoegen de voortreffelijke uitgave van het Śrīmad-Bhāgavatam van A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda gelezen. Uit elke pagina spreekt volmaakte aandacht en toewijding aan de sanskrietwoorden en de waardevolle betekenis ervan. Ik ben er zeker van dat dit monumentale werk talrijke westerlingen, die anders nooit deze kans zouden hebben gehad, toegang zal verschaffen tot de verheven boodschap van het Bhāgavatam.
Prabhupāda was blij met de erkenning van de westerse geleerden en liet zijn gasten vaak hun recensies van zijn boeken zien. “Ik vind het idee van de doorlopende bestellingen erg goed”, schreef Prabhupāda. “Probeer vijftigduizend van zulke bestellingen van bibliotheken te krijgen.”
Toen śrīla prabhupāda in september 1974 een paar weken ziek was, waren de rapporten over de boekverspreiding het effectiefste medicijn voor hem. “Altijd als ik verslag krijg van de verkoop van mijn boeken,” schreef hij aan de bibliotheekgroep, “voel ik nieuwe kracht. Zelfs nu, in deze verzwakte conditie, geeft jullie verslag mij nieuwe kracht.” In dezelfde periode schreef hij aan Rāmeśvara:
Ga alsjeblieft door met het verkopen van mijn boeken. Dit is de enige troost in mijn leven. Als ik hoor dat mijn boeken goed verkopen, krijg ik de energie van een jonge man.
Śrīla Prabhupāda herstelde van zijn ziekte en tegen het eind van 1974 was ook de bbt buitengewoon gezond; de tempels wedijverden opnieuw in een verwoede Kerstmarathon. Het bbt-kantoor in Londen rapporteerde aan Prabhupāda dat er het afgelopen jaar ongeveer 387.000 boeken met harde kaft verkocht waren, 67% meer dan het jaar ervoor. Er waren ook bijna 4.000.000 nummers van Back to Godhead verkocht, dat was 89% meer. De Amerikaanse bbt had aan de individuele tempels in totaal 6.668.000 boeken en tijdschriften verkocht, 60% meer dan in 1973.
Van zulk nieuws kreeg Śrīla Prabhupāda ‘de energie van een jonge man’. En alles wees erop dat de al verbazingwekkende cijfers van 1974 in 1975 nog verdubbeld of verdrievoudigd zouden worden. Bovendien breidde de bbt zich steeds meer uit naar landen in andere delen van de wereld.
Śrīla Prabhupāda had zijn Bhaktivedanta Book Trust in 1972 opgericht als een onafhankelijke organisatie, om zeker te stellen dat zijn boeken steeds gedrukt en verspreid konden blijven worden. De bbt zou uitsluitend voor de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn werken en tegelijkertijd zou de uitgeverij een onafhankelijk bestaan leiden.
In de statuten was vastgelegd dat de bestuurders het geld van de verkoop van boeken aan iskcon-tempels over twee fondsen moest verdelen: één voor het drukken van boeken en één voor het kopen van gebouwen en grond en het bouwen van tempels voor iskcon. Prabhupāda geloofde dat, als deze half-om-halfformule werd gevolgd, Kṛṣṇa het succes van iskcon zou verzekeren. Herhaaldelijk wees hij in conversaties, in brieven en zelfs in zijn commentaren van het Śrīmad-Bhāgavatam op deze verdeling.
Śrīla Prabhupāda vertrouwde zijn bbt-bestuurders de zorg voor het drukken van zijn boeken toe. Maar alle belangrijke beslissingen moesten eerst door hem worden goedgekeurd. Hij stelde de standaard en de richtlijnen vast die zijn bbt-bestuurders moesten volgen; alleen na overleg met hem mochten ze veranderingen doorvoeren. En tegen veranderingen was Prabhupāda bijzonder gekant. Hij koos het formaat van het boek, bepaalde welke illustraties gebruikt moesten worden en deed voorstellen voor de oplage van een bepaalde herdruk, voor de verzendmethode, voor de verkoop aan tempels – voor bijna ieder aspect van de activiteiten van de bbt. Zelfs wanneer bepaalde tempels hun schulden aan de bbt niet op tijd betaalden, bemoeide Prabhupāda zich met de zaak.
Het is niet goed dat zulke grote tempels, die het voorbeeld zijn voor de hele gemeenschap, hun rekeningen niet betalen. Dit is volkomen tegen de regels. Ik probeer de organisatie aan jullie over te laten, maar als tempelpresidenten en leden van de gbc zulke problemen veroorzaken, hoe kan ik dan gerust zijn? Alles moet automatisch in stand gehouden worden; pas dan zal ik rust hebben.
Hij was een consciëntieus manager. “Volgens de vedische leer”, zei hij, “moeten
brand, schulden en ziekten nooit verwaarloosd worden. We moeten er hoe dan ook iets aan doen.”
brand, schulden en ziekten nooit verwaarloosd worden. We moeten er hoe dan ook iets aan doen.”
Śrīla Prabhupāda zag het verspreiden van boeken als de basis van een economisch gezond iskcon. Er mochten ook andere zaken opgezet worden, maar het verkopen van boeken was het beste, omdat op die manier het prediken tegelijkertijd een goede bron van inkomsten was. Hij schreef aan een van zijn tempelleiders:
Ik word erg bemoedigd als ik hoor hoe goed onze boeken verspreid worden. Dit is onze belangrijkste taak, over de hele wereld. Als je hier alle aandacht aan schenkt, zul je zien dat je nooit geld te kort komt.
In een andere brief:
Wat betreft bepaalde toegewijden die de nadruk willen leggen op zaken doen: jullie moeten goed begrijpen wat de bedoeling van ‘zaken doen’ is. Zaken doen is nodig om het predikwerk mogelijk te maken. Het prediken moet financieel ondersteund worden. Verder hebben we geen behoefte aan zaken doen. Wat mij betreft is onze boekverkoop al voldoende om onze beweging te onderhouden.
Door vastberaden śrīla prabhupāda’s boeken te verspreiden, ervaarden de toegewijden de essentie van liefdevolle dienst aan Kṛṣṇa in gescheidenheid, de hoogste spirituele vervoering die mogelijk is. “Probeer niet om God te zien,” had Śrīla Prabhupāda’s spiritueel leraar vaak gezegd, “maar handel zo dat God jou ziet.” Met andere woorden, door nederig te handelen volgens de aanwijzingen van de dienaar van de dienaar van de dienaar van Kṛṣṇa, wisten Śrīla Prabhupāda’s leerlingen zeker dat ze Kṛṣṇa’s aandacht zouden trekken.
De snelste manier om Kṛṣṇa’s aandacht te trekken, zei Prabhupāda, was door iemand anders naar het Kṛṣṇa-bewustzijn te brengen. De boekverspreiders voelden daardoor een speciale wisselwerking met hun spiritueel leraar en dit gaf ze de kracht om vol enthousiasme verder te gaan.
Sañjaya: We begrepen dat onze spiritueel leraar wilde dat we boeken verspreidden. Dat wisten we. We hadden ook een ideaal voor ogen: dat deze boeken en tijdschriften de wereld zouden veranderen. Als je eenmaal Kṛṣṇa-bewust wordt, zie je pas hoe rot de wereld eigenlijk is, hoe jaloers de mensen zijn en hoe afschuwelijk het materiële leven is. Zelf kun je het niet veranderen, maar je weet dat iedereen die een van Prabhupāda’s boeken krijgt en erin leest, op een spirituele manier gezuiverd zal worden. Daar waren we van overtuigd. We verwachtten ook dat het Kṛṣṇa-bewustzijn in de toekomst grote veranderingen in de wereld teweeg zou brengen. We hadden het volste vertrouwen in de boeken en in Prabhupāda.
Keśava Bhāratī: Als je iemand een boek geeft, voel je een bepaalde wisselwerking met Prabhupāda. Innerlijk ervaarden we het totaal anders als iemand een boek nam, dan wanneer hij alleen maar wat wierook of zoiets kocht. We waren ons werkelijk de hele dag bewust van onze band met Prabhupāda als we boeken verspreidden. We voelden ons helemaal niet buitengesloten omdat bepaalde toegewijden lichamelijk dichter bij Prabhupāda waren. Boekverspreiders waren altijd erg geïnspireerd. We lazen over Haridāsa Ṭhākura, die eropuit ging en over de grond rolde en de mensen gewoon smeekte om Hare Kṛṣṇa te chanten. Dat soort dingen inspireerde ons.
Vaiśeṣika: We dachten er altijd aan hoeveel tijd Prabhupāda achter zijn dicteermachine doorbracht om deze boeken te schrijven. We mediteerden op het feit dat hij maar een paar uur per dag sliep en alle andere bezigheden tot een minimum beperkte om te kunnen schrijven. We probeerden onze andere activiteiten dus ook te verminderden zodat we alle tijd hadden om eropuit te gaan en boeken te verspreiden. Prabhupāda zei dat een toegewijde in de gemoedstoestand van de zes Goswami’s moest zijn en daarom zongen we die gebeden iedere dag. We voelden echt een band. Zelfs toen ik nog maar net een toegewijde was, vroeg iemand me: “Weet je waar Prabhupāda is?” En toen zei hij: “Prabhupāda is in zijn boeken.” Zo was de sfeer.
Jagaddhātrī devī dāsī: “Als ik Prabhupāda’s boeken aan het verspreiden was, begreep ik dat dat hetgene was waar ik hem het meeste plezier mee deed. Ik hielp hem bij het uitvoeren van de opdracht van zijn spiritueel leraar en daarom was hij tevreden. En hij zou nog meer tevreden zijn als ik het goed deed. Ik heb vaak horen vertellen hoe gelukkig Bhaktisiddhānta Sarasvatī was als iemand eropuit ging en zelfs maar één tijdschrift verkocht. Want eigenlijk gaat het om de sankīrtana-mentaliteit, het verlangen om de geconditioneerde zielen genade te brengen.
Ik heb altijd welzijnswerk willen doen. Ik doe graag iets voor mensen en hoger dan dit kun je niet gaan bij het helpen van mensen. Je helpt ze terug naar God te gaan. Dat was mijn motivatie. En bovendien worden we zelf automatisch gezuiverd als we andere levende wezens naar Kṛṣṇa brengen
Lavaṅga-latikā devī dāsī: We wisten dat Prabhupāda altijd uit deze boeken, het Śrīmad-Bhāgavatam, las en we hoorden hem altijd zeggen dat je deze kennis aan anderen moest doorgeven – en dat maakte alles erg eenvoudig. We wisten gewoon precies wat Prabhupāda wilde. Śrīla Prabhupāda was naar Amerika gekomen om samen met zijn leerlingen te prediken. Daarom deden we het, omdat het was wat Śrīla Prabhupāda verlangde. Waarom zou hij zoveel tijd hebben besteed aan het vertalen van deze boeken, als ze niet verspreid zouden worden? Daarom hadden we maar één verlangen: deze kennis aan iedereen doorgeven, totdat alle mensen Prabhupāda’s boeken in huis hadden.
Vṛndāvana, India, 20 april 1975
Srīla prabhupāda plaatste de beeldgedaanten op het altaar in de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir in de aanwezigheid van bijna duizend leerlingen en de gouverneur van Uttar Pradesh als eregast. Na jaren hard werken betekende de officiële opening een triomfantelijk hoogtepunt voor Śrīla Prabhupāda en zijn beweging. Nadat hij de eerste ārati aan Kṛṣṇa en Balarāma had geofferd, sprak Prabhupāda de menigte toe en legde uit dat dit een internationale tempel was waar mensen van over de hele wereld heen konden komen om Gaura-Nitāi, Kṛṣṇa-Balarāma en Rādhā-Krisna te vereren en hun toevlucht bij Hen te zoeken.
Later op de avond zat Śrīla Prabhupāda met een paar leden van de gbc op zijn kamer. Hij had de knoopjes van zijn kurtā losgemaakt vanwege de hitte en hij zat er ontspannen bij, met zijn benen uitgestrekt onder de lage tafel. Zijn leerlingen zaten dicht om hem heen in het zwakke schijnsel van de bureaulamp. Dit was een mijlpaal, zei hij, maar ze moesten nog steeds vooruit en niet op hun lauweren gaan rusten. Er moest nog veel gedaan worden voor de tempel en het hotel in gebruik konden worden genomen.
Śrīla Prabhupāda dacht verder dan Vṛndāvana. “Het bouwen van tempels is zo belangrijk”, zei hij, “dat ik bereid ben vele lakhs uit te geven om een tempel als deze te openen. Maar, hoe belangrijk het ook is, de productie van boeken is nog belangrijker.” Dit was een overduidelijke bevestiging van het belang van boekproductie. Zelfs tijdens deze fantastische tempelopening sprak hij over het drukken van boeken.
Maar Śrīla Prabhupāda leek ontstemd te zijn omdat het uitbrengen van zijn Caitanya-caritāmṛta al maanden werd vertraagd door zijn sanskrietredacteur. Hij zei met een frons dat, hoewel hij het Caitanya-caritāmṛta al lang had vertaald, de boeken nog steeds niet gepubliceerd waren. Ook had hij alle vier delen van het vierde canto van het Śrīmad-Bhāgavatam voltooid en was hij al aan het vijfde canto begonnen, terwijl er nog maar één deel van het vierde canto was uitgebracht.
Een van de aanwezige toegewijden die niet begreep wat Prabhupāda bedoelde, herinnerde hem eraan dat hij binnenkort naar Hawaï zou gaan, waar hij in alle rust en stilte zou kunnen vertalen. Prabhupāda antwoordde dat hij zich niet geïnspireerd voelde om te schrijven, omdat zijn manuscripten niet gepubliceerd werden. De bbt-uitgeverij was enkele jaren in New York gevestigd geweest en zou nu naar Los Angeles overgeplaatst worden, waar Rādhāvallabha de productieleider zou worden. Daardoor zou Rāmeśvara, de bbt-supervisor, de gang van zaken in de uitgeverij beter kunnen overzien. Rāmeśvara was zich niet bewust geweest van de vertraging bij het uitbrengen van het Caitanya-caritāmṛta- manuscript en hij hoorde er nu voor het eerst van. Hij beloofde Prabhupāda dat hij de uitgeverij in Los Angeles onmiddellijk op gang zou brengen en het Caitanya-caritāmṛta klaar zou maken voor publicatie.
Dat Śrīla Prabhupāda het hele Caitanya-caritāmṛta in achttien maanden voltooid had, was een opmerkelijke prestatie, want in diezelfde tijd had hij zich intensief met allerlei organisatorische kwesties beziggehouden, terwijl hij bovendien nog voortdurend had rondgereisd. Hij had met ernstige problemen te kampen gehad doordat bepaalde leiders hun post verlaten hadden en hij was gedwongen geweest persoonlijk de gbc-taken in India op zich te nemen. Behalve dat hij regelmatig grote hoeveelheden post moest beantwoorden, sprak Prabhupāda dagelijks met gasten en gaf hij elke ochtend een lezing uit het Śrīmad-Bhāgavatam. Bovendien droeg hij de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de Bhaktivedanta Book Trust en hield hij toezicht op de ontwikkeling van de talrijke iskcon-projecten in de wereld. Daarom had Prabhupāda alleen ’s morgens vroeg tijd gehad om te schrijven. Hij stond om 01:00 uur op en werkte steevast twee of drie uur aan zijn vertalingen.
Los Angeles, 20 juni 1975
Bij zijn aankomst in los angeles werd Prabhupāda vol vreugde verwelkomd. Hij was vergezeld van sannyāsī’s en gbc-secretarissen, zoals Kīrtanānanda Swami, Viṣṇujana Swami, Brahmānanda Swami en Tamāla Kṛṣṇa Goswami. Later, op zijn kamer – een van zijn favoriete kamers in heel iskcon – sprak hij maar kort over de achterstand bij het drukken van de boeken. Hij leek er enigszins verstoord door te zijn, maar zei weinig. Wel was hij heel tevreden toen hij de tempel en de Beeldgedaanten van Rukmiṇī-Dvārakādhīśa zag.
Bij zijn aankomst hield hij een korte toespraak waarin hij uitlegde waarom hij er voortdurend zo op aandrong dat zijn leerlingen zijn boeken publiceerden. “Persoonlijk heb ik geen kwalificaties”, had hij gezegd vanaf zijn met bloemen gedecoreerde vyāsāsana. “Ik probeer alleen mijn spiritueel leraar tevreden te stellen, dat is alles. Mijn guru mahārāja vroeg me: ‘Mocht je ooit wat geld hebben, druk dan boeken.’ Dat was in Rādhā-kuṇḍa. Enkele belangrijke godsbroeders van mij waren er ook bij. Mijn guru mahārāja zei tegen me: ‘Sinds we die marmeren tempel in Baghbazar hebben, is er zoveel onenigheid geweest. Iedereen houdt zich alleen maar bezig met wie er in welke kamer moet wonen. Daarom wil ik deze tempel met al zijn marmer verkopen om er boeken van te drukken.’ Uit deze woorden begreep ik hoeveel waarde mijn guru mahārāja aan boeken hechtte. En toen zei hij rechtstreeks tegen mij: ‘Mocht je ooit geld hebben, druk dan boeken.’ Daarom leg ik zo de nadruk op dit punt: waar zijn de boeken? Waar zijn de boeken? Help me alsjeblieft. Dat is mijn verzoek. Druk zoveel mogelijk boeken in zoveel mogelijk talen en verspreid ze over de hele wereld. Dan zal deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn automatisch groeien.”
Toen ze de volgende morgen een wandeling over Venice Beach maakten, stelde Śrīla Prabhupāda een buitengewoon ultimatum. Omringd door toegewijden liep hij langs het strand en prikte zachtjes met zijn wandelstok in het zand.
“Het feit dat die zeventien delen ongepubliceerd zijn,” begon hij, “vormt een groot probleem voor onze beweging.”
“Ja, Prabhupāda,” antwoordde Rāmeśvara aandachtig en bezorgd. De andere toegewijden knikten ook meelevend. Er moest iets aan gedaan worden.
“Ja,” vervolgde Prabhupāda, “ze moeten onmiddellijk gepubliceerd worden.”
“Ja, Prabhupāda,” antwoordde Rāmeśvara gehoorzaam.
“Ik schat dat ze binnen twee maanden gedrukt kunnen worden”, besliste Śrīla Prabhupāda.
Rāmeśvara wist niet zeker of hij het wel goed gehoord had. De uitgeverij was nog maar net geopend. De illustrators hadden zelfs nog geen licht op hun kamer. Twee maanden! Het was onlogisch, onmogelijk. Nu was het juiste moment om Prabhupāda te vertellen over het plan waarmee ze de productie zouden verhogen. Rāmeśvara ging wat dichter bij Prabhupāda lopen.
“Śrīla Prabhupāda,” begon hij, “we hebben verschillende bijeenkomsten over dit onderwerp gehad en nu de uitgeverij eindelijk hier gevestigd is, denk ik dat we de productie kunnen verviervoudigen. We denken dat we nu in plaats van één boek in de vier maanden, iedere maand een van uw boeken kunnen uitbrengen.” Nu liepen zowel Rāmeśvara als Rādhāvallabha samen naast Śrīla Prabhupāda, terwijl Tamāla Kṛṣṇa Goswami en Brahmānanda Swami aan de andere kant naast hem liepen.
“Eén boek per maand,” zei Śrīla Prabhupāda, alsof hij hardop nadacht, “dat betekent dat het meer dan een jaar gaat duren. Dat is niet snel genoeg.” De andere toegewijden keken naar Rāmeśvara en Rādhāvallabha, die elkaar een snelle blik toewierpen.
“Jullie moeten alle boeken in twee maanden tijd klaar hebben”, zei Prabhupāda opnieuw. Deze keer hadden ze het duidelijk gehoord en de twee managers waren met stomheid geslagen. Ze konden hun oren niet geloven.
“Śrīla Prabhupāda,” zei Rāmeśvara, “ik denk dat dat onmogelijk is. Misschien kunnen we wel sneller…”
Plotseling stond Śrīla Prabhupāda stil. Hij prikte zijn wandelstok stevig in het zand, wendde zich tot Rāmeśvara en zei, zonder boos te worden, maar wel op heel ernstige toon: “Onmogelijk is een woord dat alleen in het woordenboek van een dwaas thuishoort.”
Opeens realiseerde Rāmeśvara zich dat zijn spiritueel leven aan een zijden draadje hing. Nu “onmogelijk” te zeggen, zou betekenen dat hij geen vertrouwen had in Kṛṣṇa’s vertegenwoordiger en in Gods almacht. Hij moest zijn materiële berekeningen en zijn rationele verstand overboord gooien.
Opeens realiseerde Rāmeśvara zich dat zijn spiritueel leven aan een zijden draadje hing. Nu “onmogelijk” te zeggen, zou betekenen dat hij geen vertrouwen had in Kṛṣṇa’s vertegenwoordiger en in Gods almacht. Hij moest zijn materiële berekeningen en zijn rationele verstand overboord gooien.
Rāmeśvara vroeg Śrīla Prabhupāda of het goed was als hij dit met de andere toegewijden van de uitgeverij ging overleggen en dan verslag zou komen uitbrengen. “O ja,” antwoordde Prabhupāda, “doe maar wat nodig is.” Rāmeśvara en Rādhāvallabha bleven achter, terwijl Prabhupāda en de anderen verder liepen over het strand.
Tijdens het hele ochtendprogramma in de tempel probeerden Rāmeśvara en Rādhāvallabha zich op het chanten van hun japa en op Prabhupāda’s lezing te concentreren, maar het enige waar ze aan konden denken, was hoe ze het voor elkaar moesten krijgen om binnen twee maanden zeventien boekdelen uit te brengen. Maar tegen de tijd dat ze met de medewerkers van de uitgeverij zouden vergaderen, waren ze ervan overtuigd geraakt dat het mogelijk was. Het was alsof er een of andere mystieke kracht ging neerdalen. Op een of andere manier zou het lukken. Dus presenteerden ze hun plan en overtuigden de andere bbt-medewerkers.
“We kunnen het voor elkaar krijgen”, zei Rāmeśvara later, toen hij er met Śrīla Prabhupāda over sprak.
“Hmm”, antwoordde Śrīla Prabhupāda.
Maar er waren enkele voorwaarden, zei Rāmeśvara. Om het corrigeren van het Bengaals soepel te laten verlopen, moesten de redacteuren Śrīla Prabhupāda regelmatig om advies kunnen vragen. Prabhupāda stemde onmiddellijk toe en voegde eraan toe dat hij bereid was zo lang als nodig in Los Angeles te blijven. Rāmeśvara beloofde ook dat de illustratoren zo snel zouden werken als menselijkerwijs mogelijk was, maar dat de illustraties misschien niet van de beste kwaliteit zouden zijn. “Beter iets dan niets”, antwoordde Śrīla Prabhupāda. Toen Rāmeśvara naar voren bracht dat de illustratoren veel technische vragen zouden hebben, zegde Prabhupāda toe tijd vrij te maken om hun vragen te beantwoorden. Hij stemde er ook mee in dat er foto’s van de heilige plaatsen die met Caitanya-līlā verband hielden, gebruikt konden worden om de schilderijen aan te vullen.
Na hun vergadering met Śrīla Prabhupāda hadden Rāmeśvara en Rādhāvallabha het gevoel dat ze een kans van slagen hadden. Ze verlieten Śrīla Prabhupāda’s kamer en renden de trap af. De marathon was begonnen!
“Hmm”, antwoordde Śrīla Prabhupāda.
Maar er waren enkele voorwaarden, zei Rāmeśvara. Om het corrigeren van het Bengaals soepel te laten verlopen, moesten de redacteuren Śrīla Prabhupāda regelmatig om advies kunnen vragen. Prabhupāda stemde onmiddellijk toe en voegde eraan toe dat hij bereid was zo lang als nodig in Los Angeles te blijven. Rāmeśvara beloofde ook dat de illustratoren zo snel zouden werken als menselijkerwijs mogelijk was, maar dat de illustraties misschien niet van de beste kwaliteit zouden zijn. “Beter iets dan niets”, antwoordde Śrīla Prabhupāda. Toen Rāmeśvara naar voren bracht dat de illustratoren veel technische vragen zouden hebben, zegde Prabhupāda toe tijd vrij te maken om hun vragen te beantwoorden. Hij stemde er ook mee in dat er foto’s van de heilige plaatsen die met Caitanya-līlā verband hielden, gebruikt konden worden om de schilderijen aan te vullen.
Na hun vergadering met Śrīla Prabhupāda hadden Rāmeśvara en Rādhāvallabha het gevoel dat ze een kans van slagen hadden. Ze verlieten Śrīla Prabhupāda’s kamer en renden de trap af. De marathon was begonnen!
Hoewel śrīla prabhupāda had gezegd dat hij in Los Angeles zou blijven, besloot hij al snel zijn oorspronkelijke reisplan te hervatten. Hij voelde zich verplicht toe te zien op het welzijn van zijn leerlingen door het hele land en vertrok voor een reis langs dertien iskcon-centra in de Verenigde Staten en Canada. Maar binnen een maand keerde hij weer terug naar Los Angeles.
Śrīla Prabhupāda was tevreden met de oprechtheid van zijn leerlingen. Hij had ze gevraagd om binnen twee maanden zeventien boeken uit te brengen en in plaats van te proberen uit te leggen waarom dit onmogelijk was, hadden ze de opdracht zo serieus genomen dat het niet bij hen opkwam die te verwerpen, aan te passen of af te zwakken. In plaats van de opdracht aan te passen, hadden ze hun leven aangepast. Wat ze nu deden was geen routinewerk meer – ze waren een buitengewone prestatie aan het leveren, met als resultaat dat zowel zij als Śrīla Prabhupāda grote voldoening voelden. Zoals Śrīla Prabhupāda zei, was dit allemaal zo geregeld om Kṛṣṇa, Heer Caitanya en de voorgaande ācārya’s tevreden te stellen.
Śrīla Prabhupāda besloot nog een rondreis door de Verenigde Staten te maken. Hij wilde Laguna Beach en San Diego bezoeken en vandaar doorgaan naar Dallas. Daarna zou hij naar New Orleans en de nabijgelegen iskcon-boerderij in Mississippi gaan. Dan verder naar Detroit, Toronto, Boston en New York en uiteindelijk zou hij naar Europa en India vliegen.
Prabhupāda’s rondreizen waren noodzakelijk voor het verspreiden van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Tijdens zijn aankomsttoespraak in Berkeley, op zijn laatste reis door de Verenigde Staten, had hij gezegd: “Ik reis twee, drie keer per jaar de hele wereld rond. Het is mijn plicht erop toe te zien dat mijn leerlingen die me als guru hebben aanvaard, niet terugvallen. Dat is mijn grootste zorg.”
Prabhupāda was niet alleen bezorgd om zijn leerlingen, maar ook om de mensen in het algemeen. Bedroefd als hij was vanwege de gevallen en onwetende toestand van de mensheid, vooral in het Westen, wilde hij de Engelstalige wereld helpen zoals zijn spiritueel leraar hem dat had opgedragen. Het was deze gemoedstoestand waardoor hij twee jaar geleden van zijn ziektebed in Kolkata was opgestaan om naar Londen te vliegen en daar aan het Ratha-yātrā-festival deel te nemen. Dit was zijn grootste verlangen: te prediken in het Westen, waar de mensen zo in de greep waren van speculatieve filosofieën die God ontkenden en waar zinsbevrediging verheerlijkt werd als het hoogste goed. De meeste mensen zouden hun leven in onwetendheid niet gemakkelijk veranderen. Maar als hij één persoon tot een zuivere toegewijde kon maken, zei hij, dan zou zijn missie al geslaagd zijn.
Prabhupāda werkte steeds een paar maanden intensief aan zijn projecten in India, maar daarna keerde hij altijd terug naar het Westen om weer rond te reizen en te prediken; beide waren nodig.
Detroit, 2 augustus 1975
Alfred Ford, de achterkleinzoon van Henry Ford, was aangetrokken geraakt tot het Kṛṣṇa-bewustzijn, nadat hij in Detroit enkele van Prabhupāda’s leerlingen had ontmoet en de Bhagavad-gītā zoals ze is had gelezen. Hij was de leefregels van het Kṛṣṇa-bewustzijn gaan volgen en elke dag zestien ronden gaan chanten. Nu was hij een geïnitieerd leerling van Śrīla Prabhupāda: Ambarīṣa. Vandaag was Ambarīṣa op het vliegveld. Hij zat achter het stuur van een witte limousine en wachtte op Prabhupāda. Toen hij Śrīla Prabhupāda zag aankomen, kwam hij achter het stuur vandaan en boog zich eerbiedig neer. Hij opende de achterdeur van de limousine voor Prabhupāda, sloot deze en ging terug naar zijn zitplaats, net als een gewone chauffeur.
“Wij toegewijden hebben ook auto’s,” zei Prabhupāda toen ze wegreden, “maar we gaan ermee naar de tempel of we gebruiken ze bij het verspreiden van boeken. Alles kan gebruikt worden voor Kṛṣṇa. Hier is de zoon van een rijk man, Alfred Ford. We hebben hem wat spiritueel onderricht gegeven en nu is hij gelukkig.”
Tot Śrīla Prabhupāda’s leerlingen in Detroit behoorde ook Elisabeth Reuther – nu Lekhaśravantī Devi Dāsī – de dochter van de vakbondsleider Walter Reuther. Ambarīṣa had Prabhupāda verteld dat de familie Ford en de familie Reuther altijd vijanden waren geweest, maar nu werkten twee van hun afstammelingen vreedzaam met elkaar samen in Kṛṣṇa-bewustzijn. Śrīla Prabhupāda was tevreden met de nederigheid van deze twee leerlingen en hoewel hij een speciale waardering voor ze had, trok hij ze nooit voor vanwege het feit dat ze uit zulke bekende families afkomstig waren. Ambarīṣa en Lekhaśravantī zagen zichzelf als nederige dienaren van de vaiṣṇava’s.
Op weg naar de tempel passeerde Prabhupāda’s auto een groot modern gebouw met vlaggen van vele naties en een groot bord waarop “World Headquarters, Ford” stond. Een van de toegewijden wendde zich tot Ambarīṣa en vroeg: “Werk jij hier?”
Vanaf de achterbank antwoordde Prabhupāda: “Nee, hij is de eigenaar.”
Toen ze langs een groot stadsvernieuwingsproject kwamen, vroeg Prabhupāda: “Wat is dit?”
“Dit wordt het Renaissance-centrum van Detroit genoemd”, zei Ambarīṣa.
“Ze zullen nooit een renaissance meemaken”, antwoordde Prabhupāda.
De tempel in detroit was gevestigd in een oud stenen huis. De tempelkamer was op zolder. De huurovereenkomst zou binnenkort aflopen en Govardhana, de tempelpresident, was op zoek naar een nieuw onderkomen. Tussen de foto’s die hij Prabhupāda liet zien van gebouwen die eventueel in aanmerking kwamen, was er ook een van het huis van de overleden automagnaat Lawrence Fisher. Het was waarschijnlijk te duur, zei Govardhana, en het lag bovendien in een slechte buurt.
Maar Prabhupāda had interesse. Eigenlijk zei Prabhupāda van alles wat de toegewijden er slecht aan vonden, dat het juist goed was, of dat het op zijn minst gemakkelijk verbeterd kon worden. Over het hoge misdaadcijfer in die buurt, zei hij: “Jullie hebben niets te vrezen. Chant gewoon Hare Kṛṣṇa en deel prasādam uit. Je moet alle mensen uit de buurt, inclusief de dieven en de boeven, uitnodigen om prasādam te komen eten en te chanten, dan zal niemand komen stelen.”
De toegewijden herhaalden nogmaals dat Detroit de grootste misdaadstad van de Verenigde Staten was en dat de armoedige krottenwijk waarin het huis lag, berucht was vanwege de wijdverspreide handel in verdovende middelen, diefstallen en moorden. Maar Śrīla Prabhupāda antwoordde weer dat ze niet bang moesten zijn. “Ik heb op de Bowery gewoond”, zei hij, en hij beschreef hoe de zwervers tegen zijn voordeur urineerden en in het portiek lagen te slapen. Maar als hij binnen wilde, stonden ze op en zeiden: “Ja, mijnheer. Kom maar, mijnheer.”
“Koop dat gebouw,” zei Prabhupāda, “en chant er vierentwintig uur per dag Hare Kṛṣṇa. Als er een dief komt, zeggen we: ‘Ja, eet eerst prasādam en neem dan wat je hebben wilt.’ Wat valt er trouwens te halen?”
Śrīla Prabhupāda ging het landgoed samen met Govardhana, Ambarīṣa en enkele leden van de GBC bekijken. Ze maakten kennis met de eigenaar en met een dame die zich voorstelde als de makelaar.
Toen de eigenaar hen rondleidde, raakte Prabhupāda steeds meer tot het huis aangetrokken. Het paleisachtig gebouw was omringd door twee hectare grond omringd door een hoge, stenen muur. Behalve tuinen en wandelpaden, die er nu verwaarloosd bij lagen, waren er fonteinen en een zwembad. Sommige toegewijden vonden de extravagante inrichting uit de jaren twintig protserig, maar Prabhupāda zag de grote mogelijkheden die het huis bood.
Zodra hij de vestibule binnenkwam en de sierlijke Italiaanse tegels en de marmeren galerij zag, begon hij te glimlachen. De groep betrad de voorzaal, waarvan het hoge plafond bezaaid was met op klassieke wijze uitgehouwen blaadjes, rozetten en met de hand beschilderde gipsbloemen. Vervolgens gingen ze de balzaal binnen, die een marmeren vloer en een hoog gewelfd blauw plafond had, dat zo beschilderd was met wolken en sterren dat het leek op een sterrenhemel aan het begin van de nacht. Speciale belichting zorgde ervoor dat de sterren echt leken te schijnen. Achter in de zaal waren drie marmeren bogen, die sprekend leken op de altaarbogen die Prabhupāda voor zijn tempels ontworpen had. Praktisch zonder iets te hoeven verbouwen, konden daar drie altaren geïnstalleerd worden, waarmee de balzaal in een tempelzaal veranderd zou zijn. Prabhupāda liet de eigenaar niet merken hoe geschikt de balzaal wel niet was, maar voor de toegewijden was het overduidelijk.
Daarna werd de rondleiding voortgezet naar de botenschacht – een overdekte steiger waaraan ruimte was voor verscheidene jachten. De botenschacht kwam uit op een kanaal dat uitmondde in een nabij gelegen rivier. Prabhupāda opperde dat de toegewijden een boot konden kopen voor hun predikwerk. Ze gingen van de ene prachtige kamer naar de andere en bewonderden de vele gebeeldhouwde stenen pilaren, de met de hand beschilderde vloer- en muurtegels uit Italië en Griekenland, en de plafonds die met bladgoud gedecoreerd waren. Zeldzame antieke kroonluchters sierden veel van de kamers. Er waren zitkamers, bibliotheken, een eetkamer, een biljartkamer, een muziekkamer, twee grote slaapkamers – alle stuk voor stuk even bijzonder. “Iedere kamer op zich is de hele prijs waard”, zei Prabhupāda in vertrouwen tegen de toegewijden. De eigenaar had het over Maya-, Moorse, Spaanse, Griekse en Italiaanse invloeden en wees erop dat de twee met de hand gesneden spiraalpilaren in de eetkamer uit een oud Europees paleis gered waren. Overal waar Śrīla Prabhupāda maar keek zag hij pracht en praal: een marmeren fontein binnenshuis, een muur van oplichtende tegels, met de hand beschilderde kroonlijsten… Zelfs de ruime badkamers waren buitengewoon, met hun schitterende geïmporteerde tegels en vergulde ornamenten.
Toen de rondleiding achter de rug was, gingen Prabhupāda en zijn volgelingen samen met de eigenaar en de makelaar onder een parasol aan een tafeltje bij het zwembad zitten. Prabhupāda had al tegen zijn leerlingen gezegd dat de eigenaar het gebouw eigenlijk zou moeten schenken ten bate van de missionaire doeleinden van iskcon. Omdat de eigenaar de prijs nog niet had genoemd, sprak Prabhupāda vrijuit.
“Wij zijn bedelaars”, begon hij. Hij was serieus, maar toch sprak hij met een vleugje humor. Ambarīṣa en Upendra verborgen hun gezicht van schaamte. “We hebben geen geld”, ging Prabhupāda stoutmoedig verder. “Daarom vragen we u zo vriendelijk te zijn ons dit gebouw te schenken.”
De eigenaar keek even ongelovig naar de makelaar en lachte toen zenuwachtig. “Dat is onmogelijk”, zei hij. “Dat kan ik niet doen.”
De makelaar was verrast en verstoord. “Dat kan hij niet doen”, fluisterde ze.
“Ik kan het niet aan u geven,” legde de eigenaar uit, “omdat ik verlies heb geleden met het onderhouden van dit gebouw. Ik moet mijn geld er dus weer uithalen. In dit huis heb ik het grootste deel van mijn geld belegd.”
“En,” vroeg Prabhupāda, “hoeveel wilt u dan hebben?”
“Nou,” antwoordde de man, “het moet minstens $ 350.000 opbrengen.
Geen van de toegewijden durfde iets te zeggen. Prabhupāda dacht een ogenblik na en zei toen: “We zullen u $300.000 contant geven.”
“Daar moet ik even over nadenken”, antwoordde de man.
De makelaar stond op en zei dat een overeenkomst als deze gewoonlijk niet rechtstreeks met de eigenaar gemaakt wordt. Maar Prabhupāda negeerde haar en zei tegen de eigenaar hoe prachtig hij het huis vond. Daarna stond hij op en ging met zijn leerlingen nog even de tuin in.
Govardhana vroeg Prabhupāda of hij het gebouw mooi vond en Prabhupāda zei: “Wie zou zo’n gebouw niet mooi vinden?” “Ambarīṣa vindt het niet mooi”, zei Govardhana.
“Oh?” Ambarīṣa gaf toe dat hij het huis māyā vond.
“Dat is waar,” antwoordde Prabhupāda, “maar māyā is ook Kṛṣṇa. We kunnen alles gebruiken voor Kṛṣṇa.”
Terwijl ze naar hun auto’s terugliepen, vroeg Prabhupāda aan Ambarīṣa: “En, is het mogelijk?”
“Ja Prabhupāda. Het kan.”
Terug in de tempel begonnen Ambarīṣa en Lekhaśravantī meteen met elkaar te overleggen. Haar erfenis was beperkt, maar ze was in staat $125.000 te geven. Ambarīṣa zou de rest bijleggen.
De volgende dag kwam de eigenaar Prabhupāda opzoeken. De man had twee vrouwen bij zich en ze leken alle drie een beetje beschonken. Hij was gekomen om te zeggen dat hij het aanbod aannam. Prabhupāda glimlachte en bevestigde opnieuw zijn bedoeling om het gebouw te kopen.
Na afloop toonde Prabhupāda openlijk zijn vreugde over de aankoop. “Kijk”, zei hij, “ik had geen cent en toch heb ik hem $300.000 contant geboden en Kṛṣṇa heeft voor het geld gezorgd.”
Prabhupāda had tegen de eigenaar van het landgoed gezegd: “Ik ben een sannyāsī. Ik heb geen geld.” En nadat hij $300.000 van zijn leerlingen had gekregen, had hij nog steeds geen geld. Een paar dagen later vertrok hij naar Toronto, zonder een cent voor zichzelf te hebben genomen. Alles behoorde aan Kṛṣṇa, om in Zijn dienst te worden gebruikt.
In toronto werd Prabhupāda’s rondreis door Noord-Amerika plotseling onderbroken. Een telegram van Tejiyas uit New Delhi meldde dat als Prabhupāda een gesprek met Indira Gandhi wilde hebben, hij onmiddellijk moest komen. Het telegram gaf verder geen bijzonderheden en zijn secretaris kon de tempel in Delhi telefonisch niet bereiken. Maar Prabhupāda wist genoeg. Als zich een gunstige omstandigheid voordeed, zei hij, moest een toegewijde onmiddel-
lijk handelen.
lijk handelen.
Harikeśa stippelde de reis zo uit dat ze in Montreal konden overnachten. Van Montreal zouden ze dan naar Parijs vliegen, waar Prabhupāda wat kon rusten voor ze verder gingen naar Delhi. Toen het nieuws over zijn op handen zijnde vertrek zich verspreidde, probeerden verschillende toegewijden in Toronto hem nog te zien om nog wat laatste instructies te ontvangen voor hun projecten. Rāmeśvara belde ook op vanuit Los Angeles en drong er bij Harikeśa op aan, Prabhupāda nog gauw een aantal vragen te stellen over het vijfde canto van het Śrīmad-Bhāgavatam. Maar Prabhupāda verwierp de vragen – die gingen over de manier waarop het Bhāgavatam de structuur van het universum uitlegt – als onintelligent. Hij gaf Rāmeśvara de opdracht de boeken gewoon te drukken zoals ze waren.
Het was niet alleen het vooruitzicht van een ontmoeting met Premier Gandhi dat Prabhupāda ertoe bracht naar India terug te keren, maar ook het feit dat zijn projecten daar, vooral Hare Kṛṣṇa Land in Mumbai, nog steeds onvoltooid waren. Volgens Brahmānanda Swami had Prabhupāda op zo’n kans gewacht om zijn reis door het Westen te beëindigen en naar India terug te keren om daar persoonlijk de leiding over zijn projecten weer op zich te nemen. Prabhupāda had juist een brief gedicteerd aan Surabhi in Vṛndāvana, waarin hij zijn teleurstelling had geuit over het feit dat de dingen zonder hem niet voor elkaar schenen te komen.
Jullie schrijven me allemaal alleen maar brieven. Zonder mijn persoonlijke aanwezigheid kunnen jullie daar niets doen. Alleen maar brieven schrijven. Pas in ieder geval op dat je niet bedrogen wordt in deze transactie (het kopen van land). Het is erg riskant, wees dus voorzichtig. Stuur me regelmatig een verslag over de bouw in Mumbai. Ik maak me er nogal zorgen over en zal blij zijn regelmatig een rapport van je te ontvangen.
New Delhi, 22 augustus 1975
Om kwart over negen ’s ochtends arriveerden Śrīla Prabhupāda en een aantal leerlingen bij het huis van de premier, waar ze geconfronteerd werden met een enorme veiligheidscontrole. Twee dagen eerder was de eerste minister van Bangladesh vermoord en mevrouw Gandhi, zo werd gezegd, zou het vólgende slachtoffer zijn. Daarom was haar woning omringd door gewapende soldaten. De wachten bij het hek besloten dat de buitenlanders niet naar binnen mochten. Alleen Śrīla Prabhupāda kon doorgaan. Terwijl één wacht het hek open deed, bracht een andere Śrīla Prabhupāda naar een auto, die hem tot aan de voordeur van de premier reed.
Ondertussen wachtten de toegewijden bezorgd buiten bij de poort. Prabhupāda werd altijd vergezeld door een paar leerlingen en de toegewijden maakten zich – bijna als zorgzame ouders – ongerust dat hij hun hulp misschien nodig zou hebben.
In een klein kriebelig handschrift had Prabhupāda in zijn adresboekje een lijst met punten geschreven die hij met mevrouw Gandhi wilde bespreken:
1 Immigratievergunning voor 500 buitenlanders;
2 Alle leden van het parlement geïnitieerde brāhmaṇa’s;
3 Sañjaya de koning;
4 Slachthuizen sluiten;
5 Chanten;
6 Vleeseten in het openbaar verboden;
7 Prostitutie strafbaar;
8 De Bhagavad-gītā moet onderwezen worden zoals ze is; geen ongeautoriseerde religieuze groepen;
9 Alle leden van de regering moeten minstens twee maal per dag een kīrtana bijwonen;
10 De beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld steunen.
Het meest dringende punt stond bovenaan op de lijst: mevrouw Gandhi moest permanente visums verlenen aan Prabhupāda’s westerse leerlingen. Een paar weken geleden hadden een aantal buitenlandse toegewijden in Māyāpur India moeten verlaten. Prabhupāda vroeg al jaren om permanente visums wanneer hij gouverneurs, parlementsleden of andere invloedrijke mensen ontmoette. Nu moesten de toegewijden het land om de zes maanden uit om hun visums te laten vernieuwen. De reiskosten die daarmee gemoeid waren en de verstoring van de diensten van de toegewijden, vormden een serieuze belemmering voor iskcon’s werk in India. Daarom wilde Prabhupāda dat Indira Gandhi vijfhonderd buitenlandse leerlingen zou toestaan om permanent in India te verblijven.
De andere punten op Prabhupāda’s lijst waren aanwijzingen uit de Veda’s, over hoe de premier haar leiderschap Kṛṣṇa-bewust kon maken, in de geest van de grote rājarṣi’s uit de vedische tijd. Het waren dezelfde beginselen van godsbewust leiderschap die hij overal waar hij kwam, predikte. Hij was er stellig van overtuigd dat als de wereldleiders deze principes zouden toepassen, er een tijdperk van vrede, voorspoed en geluk zou aanbreken. Indira Gandhi neigde naar autoritair bestuur; ze zou dit kunnen uitoefenen, zolang ze de vedische aanwijzingen maar volgde. Dan zou haar bewind heel effectief en weldadig zijn.
Een functionaris opende de deur van Śrīla Prabhupāda’s auto, leidde hem het huis in en bracht hem bij de premier. Toen Prabhupāda de kamer binnenkwam, stond mevrouw Gandhi op. Hoewel ze hem hoffelijk begroette en hem een zitplaats aanbood, merkte hij onmiddellijk dat ze afgeleid was. Ze zei openlijk dat ze voor haar leven vreesde en voegde eraan toe dat dit daarom geen erg geschikt moment was voor hun ontmoeting. Prabhupāda kreeg het gevoel dat ze hem liever helemaal niet had ontmoet, maar het alleen door liet gaan, omdat ze het al had beloofd. Het feit dat ze ermee had ingestemd hem te ontmoeten, was volgens hem een teken dat ze zich een beetje aangetrokken voelde tot het spiritueel leven, maar hij begreep dat hij het uitvoerige advies dat hij haar had willen geven, nu niet kon presenteren.
Mevrouw Gandhi prees Śrīla Prabhupāda voor het werk dat hij over de hele wereld deed. “Het zijn goede jongens”, antwoordde hij en hij vroeg of ze voor permanente visums kon zorgen.
Ze stemde toe, maar begon opnieuw over de angst waarin ze verkeerde. Hun gesprek werd al snel beëindigd en Śrīla Prabhupāda vertrok.
Een paar dagen later ontving Śrīla Prabhupāda een brief van Rāmeśvara. De bbt in Los Angeles was er op wonderbaarlijke wijze in geslaagd Śrīla Prabhupāda’s opdracht te vervullen om in twee maanden zeventien boekdelen te publiceren. De zetters, de redacteurs, de kunstenaars en de andere medewerkers hadden hun marathon beëindigd – en binnen de gestelde tijd! Toen de eerste boeken van de drukker teruggekomen waren en op het altaar aan Rukmiṇī-Dvārakādhīśa waren geofferd, hadden de toegewijden gehuild van vreugde en steeds opnieuw de mantra’s voor Śrīla Prabhupāda gezongen. Ze hadden de kracht van de opdracht van hun spiritueel leraar ervaren en beschouwden zichzelf als zijn instrumenten bij het volbrengen van wat eens een onmogelijke taak had geleken.
Vandaag heeft onze zetter de laatste delen van de Caitanya-caritāmṛta afgemaakt. Volgende week woensdag, 20 augustus, zijn alle delen bij de drukker. Nu beginnen we met het zetten van het vijfde canto en tegen Vyāsa-pūjā zal het hele canto zeker bij de drukker liggen.
Verder beloofde Rāmeśvara dat de boeken uiterlijk in oktober afgeleverd zouden worden. De brief was ondertekend door ongeveer zestig toegewijden: “Uw onwaardige dienaren van de iskcon-uitgeverij.” Namens hen verklaarde Rāmeśvara:
We hebben ieder verlangen verloren om nog iets anders te doen dan miljoenen van uw transcendentale boeken te produceren en ze in elke stad en elk dorp te verspreiden.
We hebben ieder verlangen verloren om nog iets anders te doen dan miljoenen van uw transcendentale boeken te produceren en ze in elke stad en elk dorp te verspreiden.
Wat betreft jullie brandende verlangen om alle twaalf canto’s te hebben, kunnen jullie gerust zijn dat jullie ze zullen krijgen. Kṛṣṇa zal jullie verlangen vervullen.
Op 21 augustus, de verschijningsdag van Heer Balarāma, stuurde Rāmeśvara Śrīla Prabhupāda een telegram.
Op 21 augustus, de verschijningsdag van Heer Balarāma, stuurde Rāmeśvara Śrīla Prabhupāda een telegram.
DOOR DE GENADE VAN HEER BALARĀMA, NITYANANDA, GAAT VANDAAG HET LAATSTE DEEL VAN HET CAITANYA CARITAMRITA NAAR DE DRUKKER. DOOR UW GENADE EN GODDELIJKE OPDRACHT IS HET VOLBRACHT.
Hoewel Śrīla Prabhupāda al doorgereisd was naar Vṛndāvana, konden de toegewijden hem voor zijn negenenzeventigste verjaardag op 31 augustus de voorpublicaties van alle vijftien delen toesturen. Terwijl de feestelijkheden in de tempel in volle gang waren, arriveerde een toegewijde in Vṛndāvana met de laatste zes delen van het Caitanya-caritāmṛta.
Prabhupāda bekeek de boeken met intens genoegen. Al snel ging hij volkomen op in het lezen van de verhalen over het leven van Śrī Caitanya. Hij voelde zich zo geïnspireerd, dat hij tegen de toegewijden in Vṛndāvana zei dat hij erover nadacht volledig te stoppen met reizen en gewoon in Vṛndāvana te blijven om te vertalen. De toegewijden bij de bbt hadden zo oprecht gereageerd dat Śrīla Prabhupāda’s verlangen om gelijke tred met hen te houden, erdoor toenam. Hij schreef:
Mijn beste Rāmeśvara en alle anderen,
Jullie hebben het publiceren en verspreiden van deze boeken heel serieus opgenomen. Dat bepaalt het succes van onze missie. Jullie hebben je vol overgave aan dit werk gewijd en ik weet dat mijn guru mahārāja tevreden met jullie is. Dit is wat hij wil. Door deze inspanning zullen jullie allemaal terug naar huis, terug naar God gaan.
In een paar jaar tijd waren de publicatie-faciliteiten van iskcon van de kleine, handmatig bediende A. B. Dick-stencilmachine in de eerste tempel in New York, uitgegroeid tot de ingewikkelde bbt-onderneming in Los Angeles, die uitgerust was met de laatste technische snufjes. Nu werkte er een toegewijde groep van managers, redacteuren, correctoren, kunstschilders, fotografen, ontwerpers, opmakers en fototechnici. Voordat Śrīla Prabhupāda naar het Westen was gekomen, had hij maandenlang in zijn eentje geworsteld om één enkel deel van zijn Śrīmad-Bhāgavatam-vertaling in India gedrukt te krijgen. Maar nu zag hij hoe zijn liefhebbende leerlingen zich haastten om zijn manuscripten net zo snel bij de drukker te krijgen als hij ze kon schrijven. Bovendien werden zijn boeken tegelijkertijd over de hele wereld in allerlei talen vertaald.
In een paar jaar tijd waren de publicatie-faciliteiten van iskcon van de kleine, handmatig bediende A. B. Dick-stencilmachine in de eerste tempel in New York, uitgegroeid tot de ingewikkelde bbt-onderneming in Los Angeles, die uitgerust was met de laatste technische snufjes. Nu werkte er een toegewijde groep van managers, redacteuren, correctoren, kunstschilders, fotografen, ontwerpers, opmakers en fototechnici. Voordat Śrīla Prabhupāda naar het Westen was gekomen, had hij maandenlang in zijn eentje geworsteld om één enkel deel van zijn Śrīmad-Bhāgavatam-vertaling in India gedrukt te krijgen. Maar nu zag hij hoe zijn liefhebbende leerlingen zich haastten om zijn manuscripten net zo snel bij de drukker te krijgen als hij ze kon schrijven. Bovendien werden zijn boeken tegelijkertijd over de hele wereld in allerlei talen vertaald.
Vṛndāvana, 13 september 1975
Op rādhāṣṭamī legde śrīla prabhupāda de eerste steen voor een groot gurukula-gebouw. naast de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir. Hij zei dat het onderdak zou bieden aan vijfhonderd leerlingen van over de hele wereld. Met behulp van de prachtige tempel, het hotel en binnenkort de gurukula wilde Śrīla Prabhupāda zoveel mogelijk mensen de gelegenheid geven naar Vṛndāvana te komen, onder Kṛṣṇa’s bescherming. Voor dit doel was hij bereid om alles op te geven, zelfs de rust om te schrijven. En hiervoor verwachtte hij ook opofferingen van zijn leerlingen.
“Het voortdurend reizen valt me steeds zwaarder”, zei Śrīla Prabhupāda; het was een van de redenen waarom hij naar India terugkeerde. Maar dat betekende niet dat hij ermee ophield: hij móest reizen, anders zou zijn beweging niet sterk en gezond blijven. Hij was ondanks de ongemakken bereid te blijven reizen. De toegewijden nodigden hem ook voortdurend uit om hun tempel te bezoeken. Puṣṭa Kṛṣṇa Swami vroeg hem naar Zuid-Afrika te komen. Toen Prabhupāda toestemde, organiseerde Puṣṭa Kṛṣṇa in Durban en Johannesburg snel tien festivals en andere programma’s, die de eerste drie weken van de maand oktober zouden beslaan.
De toegewijden op het overwegend hindoe-eiland Mauritius verzochten Prabhupāda ook hen te komen bezoeken. Ze vermeldden erbij dat de premier hem wilde ontmoeten. Prabhupāda stemde toe. Hij verliet Vṛndāvana, bleef korte tijd in Delhi, Ahmedabad en Mumbai en ging op weg naar Afrika.
Mauritius, 24 oktober
Prabhupāda was naar mauritius gekomen om de premier te ontmoeten. Deze had, als vriendschappelijk gebaar, een auto met chauffeur gestuurd die Prabhupāda tijdens zijn hele verblijf kon gebruiken.
Op een dag wilde Prabhupāda een tochtje in de omgeving maken. Toen hij aan de rechterkant de auto in wilde stappen, stelde Puṣṭa Kṛṣṇa Swami voor: “Śrīla Prabhupāda, kom aan de andere kant, dat is veiliger.” Prabhupāda gehoorzaamde. Ze reden door het prachtige landschap, langs suikerrietvelden en bergen, tot ze bij de oceaan kwamen. Na een halfuurtje stopten ze om even over een klif bij de oceaan te wandelen. Terug bij de auto opende Brahmānanda Swami de rechterdeur, maar Prabhupāda herinnerde zich de woorden van Puṣṭa Kṛṣṇa en zei: “Nee, de andere kant is veiliger.”
Een paar minuten later, toen de zwarte Citroën waarin Prabhupāda reed door een bocht ging, verscheen er plotseling een Volkswagen, die op dezelfde rijstrook recht op hun afkwam. Prabhupāda zat achter Puṣṭa Kṛṣṇa en Brahmānanda zat achter de chauffeur. Even voordat de Volkswagen was verschenen, was Śrīla Prabhupāda rechtop gaan zitten met zijn benen gekruist en had hij zijn stok op de vloer gezet om zichzelf te ondersteunen.
Toen hij de Volkswagen in volle vaart op zich af zag komen, remde de chauffeur en zwaaide naar links, maar de Volkswagen zwaaide dezelfde kant op. Ze botsten frontaal op elkaar. Puṣṭa Kṛṣṇa sloeg met zijn hoofd tegen de voorruit en brak het glas. Met de chauffeur gebeurde hetzelfde en het bloed stroomde over zijn gezicht.
Śrīla Prabhupāda zat nog steeds overeind op de achterbank; zijn gezicht stond ernstig. Brahmānanda, in shocktoestand, omarmde hem plotseling alsof hij hem wilde beschermen, hoewel het gevaar al geweken was.
Toen sprong Brahmānanda uit de wagen om een automobilist aan te houden. Ook Puṣṭa Kṛṣṇa stapte uit en opende de achterdeur. Daar zat Śrīla Prabhupāda met een gekneusd gezicht; zijn been bloedde en er lagen glasscherven aan zijn voeten. Hij sprak niet en liet niet merken hoe hij zich voelde. Plotseling realiseerde Puṣṭa Kṛṣṇa zich dat de gehavende auto op een gevaarlijke plaats in de bocht stond, dus ging hij bij Brahmānanda op de weg staan om de automobilisten te waarschuwen en iemand aan te houden.
Toen sprong Brahmānanda uit de wagen om een automobilist aan te houden. Ook Puṣṭa Kṛṣṇa stapte uit en opende de achterdeur. Daar zat Śrīla Prabhupāda met een gekneusd gezicht; zijn been bloedde en er lagen glasscherven aan zijn voeten. Hij sprak niet en liet niet merken hoe hij zich voelde. Plotseling realiseerde Puṣṭa Kṛṣṇa zich dat de gehavende auto op een gevaarlijke plaats in de bocht stond, dus ging hij bij Brahmānanda op de weg staan om de automobilisten te waarschuwen en iemand aan te houden.
Zowel de Citroën als de Volkswagen waren total-loss en de man en de vrouw in de Volkswagen waren allebei gewond. Al snel stopten er wat auto’s en toen de gewonden verzorgd waren, bracht iemand Prabhupāda en de toegewijden terug naar de tempel.
Harikeśa zat ongerust te wachten en vroeg zich af waar Śrīla Prabhupāda zo lang bleef, toen Prabhupāda plotseling binnenkwam. Hij liep erg stijf en zei niets. Toen Harikeśa zag dat ze alle drie gewond waren, riep hij uit: “Mijn God! Wat is er gebeurd? Wat is er gebeurd?” Maar Śrīla Prabhupāda liep naar zijn vertrekken en ging zitten, zonder een woord te zeggen. Een toegewijde bracht verband voor de verwondingen aan Prabhupāda’s kin, hand en been en aan Puṣṭa Kṛṣṇa’s en Brahmānanda’s hoofd.
Śrīla Prabhupāda had sinds het ongeluk nog niets gezegd. Uiteindelijk sprak hij: asann api kleśa-da āsa dehaḥ.” Hij vertaalde: “Zodra je dit materiële lichaam aanvaardt, zijn er zoveel problemen.’’ We zaten rustig in de auto en het volgende moment – crash.” Hij sprak kort over de botsing en Brahmānanda Swami vertelde hoe Prabhupāda vlak voor het ongeluk zichzelf met zijn stok had ondersteund en zo waarschijnlijk ergere verwondingen had voorkomen.
“Haal wat hars en kurkuma”, zei Prabhupāda. “Meng het met een beetje loog en maak het warm.” Prabhupāda sprak weer – over Bhāgavata-filosofie en praktische huismiddeltjes. Maar het bleef een angstaanjagende gebeurtenis en Prabhupāda vroeg de toegewijden om kīrtana te houden. Kṛṣṇa had hen gered, zei hij. Gezien het feit dat beide wagens total-loss waren, waren de verwondingen nauwelijks van betekenis.
Prabhupāda zat daar als een oorlogsheld, op drie plaatsen ingesmeerd met de gele brij, terwijl Harikeśa hardop voorlas uit het Caitanya-caritāmṛta – “De verdwijning van Haridāsa Ṭhākura.”
Toen begon Prabhupāda te spreken over de gevaren van het reizen en hij vroeg zich af of het wel raadzaam was dat hij zoveel reisde. Zijn werkelijke taak, het vertalen van het Śrīmad-Bhāgavatam en andere vaiṣṇava-literatuur, was zo belangrijk dat hij zijn leven niet wilde wagen in auto’s en vliegtuigen. Hij had overwogen een bezoek aan Nairobi te brengen voordat hij naar Mumbai terug zou keren, maar nu zei hij dat hij het wilde annuleren. Hij had eigenlijk helemaal niet uit Mumbai willen weggaan, legde hij uit, maar hij was toch naar Afrika gekomen omdat ze zoveel predikprogramma’s georganiseerd hadden. Misschien was het ongeluk een teken dat hij meteen terug moest keren naar India.
De volgende morgen maakte Prabhupāda zijn dagelijkse ochtendwandeling, hoewel hij trok met zijn gewonde been. Brahmānanda Swami en Puṣṭa Kṛṣṇa Swami strompelden met hem mee. Opnieuw besprak hij met zijn leerlingen of hij door zou gaan naar Nairobi of naar India terug zou keren. Cyavana, de tempelpresident in Nairobi, pleitte ervoor dat Prabhupāda zou komen. De toegewijden daar rekenden erop, zei hij, en ze hadden allerlei regelingen getroffen. Als Prabhupāda het nu zou afzeggen, zou het waarschijnlijk heel lang duren voor hij weer terug zou komen. Maar anderen vonden dat er geen sprake van kon zijn Prabhupāda te vragen door te gaan na dit traumatische ongeluk; hij moest rechtstreeks naar Mumbai terugkeren.
De volgende morgen maakte Prabhupāda zijn dagelijkse ochtendwandeling, hoewel hij trok met zijn gewonde been. Brahmānanda Swami en Puṣṭa Kṛṣṇa Swami strompelden met hem mee. Opnieuw besprak hij met zijn leerlingen of hij door zou gaan naar Nairobi of naar India terug zou keren. Cyavana, de tempelpresident in Nairobi, pleitte ervoor dat Prabhupāda zou komen. De toegewijden daar rekenden erop, zei hij, en ze hadden allerlei regelingen getroffen. Als Prabhupāda het nu zou afzeggen, zou het waarschijnlijk heel lang duren voor hij weer terug zou komen. Maar anderen vonden dat er geen sprake van kon zijn Prabhupāda te vragen door te gaan na dit traumatische ongeluk; hij moest rechtstreeks naar Mumbai terugkeren.
Prabhupāda luisterde naar beide partijen, maar het idee dat hij de toegewijden in Nairobi zou teleurstellen, raakte hem meer dan de overweging dat hij moest bijkomen van het ongeluk. Hij besloot naar Nairobi te gaan.
Maar na een paar dagen in Nairobi, begon Prabhupāda al naar India te verlangen. Hij ontving rapporten dat de zaak in Mumbai niet goed beheerd werd en dat er bouwmaterialen van het terrein gestolen werden. Er zou een samenzwering zijn waarbij de arbeiders, de magazijnmeester en de chaukīdārs betrokken waren. Dit nieuws deprimeerde Śrīla Prabhupāda zodanig dat hij ophield met vertalen. Hij at zelfs niet meer. Hoewel hij duizenden kilometers van Mumbai verwijderd was, voelde hij de pijn meer dan wie dan ook ter plaatse. Veel van de toegewijden daar waren zich er zelfs niet eens van bewust dat er dingen gestolen werden. Toen Brahmānanda Swami Prabhupāda vroeg waarom hij niet at, antwoordde hij: “Hoe kan ik eten als mijn geld wordt gestolen?”
Mumbai, 1 november
Srīla prabhupāda’s vliegtuig uit nairobi kwam om één uur ’s nachts in Mumbai aan. Ondanks het late uur werd hij door een groep trouwe steunende leden, leerlingen en zelfs enkele huurders die op het land woonden, in de tempel begroet. Toen ze hem naar zijn kamer volgden, vertelde hij hun dat hij een ernstig ongeluk had gehad en liet ze zelfs het litteken op zijn knie zien. Hij zei dat hij zich opgelucht voelde dat hij weer terug was. In een brief vanuit Mumbai schreef hij:
Het ongeluk was ellendig, maar Kṛṣṇa heeft ons beschermd… Het kan zijn dat ik hier een tijdje blijf om de bouw van de tempel af te ronden.
Śrīla Prabhupāda ging onmiddellijk aan het werk. Hij ontsloeg de ingenieur, die hij verantwoordelijk achtte voor het slechte, langzame werk en voor het feit dat er bouwmaterialen gestolen waren. Prabhupāda had geen bouwbedrijf in dienst willen nemen; hij had Surabhi de supervisie over het hele project gegeven, die de verschillende onderaannemers dan weer opdrachten moest geven. Maar dat werkte niet.
Śrīla Prabhupāda wilde iets veranderen, maar er was geen duidelijk alternatief. “We zijn naar het Kṛṣṇa-bewustzijn gekomen voor een leven van eeuwige gelukzaligheid,” zei hij tegen Surabhi, “maar in plaats van eeuwige gelukzaligheid te ervaren, lijden we onder eeuwige zorgen.” Hij deed een beroep op Surabhi, Girirāja en de anderen om er iets aan te doen.
Op een dag bracht een steunend lid, die bouwkundig ingenieur was, een bezoek aan het project en zei tegen Śrīla Prabhupāda dat de tempel en het hotel gemakkelijk in zes maanden tijd voltooid konden worden. Daarop gaf Prabhupāda Surabhi, die had gezegd dat zes maanden niet lang genoeg was, een fikse uitbrander. “Nu ben ik nergens meer”, dacht Surabhi. “Ik raak vast mijn dienst kwijt.”
Toen kwam er een ander steunend lid naar het zondagsfeest, een zekere Omkar Prakash Dir, de hoofdingenieur van E.E.C., een van de grootste, meest gerenommeerde bouwbedrijven van India. Hij bekeek het werk en was ontsteld over de slechte kwaliteit ervan. Volgens hem zou alles na twee tot drie jaar uit elkaar vallen.
Girirāja, die er veel voor voelde om het grootste en meest capabele bouwbedrijf van Mumbai in dienst te nemen, sprak met Prabhupāda, die interesse voor het voorstel toonde. Eerst was Surabhi verontwaardigd dat het werk hem uit handen werd genomen, maar nadat hij Mr. Dir had ontmoet, was ook hij het eens met de voorgestelde verandering.
Het contract werd met E.E.C. gesloten en Mr. Dir presenteerde een werkschema, waarin hij iedere fase van de werkzaamheden nauwkeurig beschreef en liet zien wanneer de tempel voltooid zou zijn. Śrīla Prabhupāda was tevreden met hun professionele aanpak, ook al waren ze duur. Nu zou het werk zo professioneel en zo snel mogelijk gedaan worden en dat was het belangrijkste.
Prabhupāda bleef het grootste deel van november en de bouw vorderde snel. Er mocht niet bezuinigd worden alleen maar om een klein beetje geld uit te sparen, legde Prabhupāda Surabhi uit. De tempel moest een prachtig juweel worden, zodat mensen van over heel India er naartoe zouden komen. Bij de bouw in Vṛndāvana had Prabhupāda steeds gevraagd: “Waarom zoveel? Waarom houden we het niet gewoon eenvoudig?” Maar nu was het precies omgekeerd: “Waarom niet meer?” De tempel móest weelderig en sierlijk zijn, met veel marmer. Het hotel moest heel luxe worden, met mooi ingerichte kamers en een elegant restaurant. En het theater met airconditioning zou een van de beste schouwburgen in Mumbai worden.
“Waarom geen marmer op de vloeren?” vroeg Prabhupāda toen ze over de hotelkamers spraken.
“Dat wordt erg duur”, zei Surabhi.
“Maak je geen zorgen over het geld”, antwoordde Prabhupāda. “Kunnen we marmer op de vloer leggen? Doe het dan.”
Surabhi deed het, maar probeerde geld uit te sparen door voor de gangen in het hotel een goedkopere steensoort te gebruiken. Toen Prabhupāda dat zag, was hij niet tevreden. Het had allemaal marmer moeten zijn, zei hij.
Het geld voor de bouw in Mumbai kwam in de eerste plaats van de boekverkoop in Amerika en Śrīla Prabhupāda ontving regelmatig rapporten. Op 18 november stuurde Rāmeśvara een telegram met goed nieuws.
Het geld voor de bouw in Mumbai kwam in de eerste plaats van de boekverkoop in Amerika en Śrīla Prabhupāda ontving regelmatig rapporten. Op 18 november stuurde Rāmeśvara een telegram met goed nieuws.
JUIST MILJOEN EXEMPLAREN VAN DE BTG GEDRUKT. TOEGEWIJDEN WORDEN WILD. HEBBEN BELOOFD ZE ALLEMAAL BINNEN EEN MAAND TE VERSPREIDEN. SPAANSE GĪTĀ NET VAN DE PERS. ZAL HONDERDEN MILJOENEN MENSEN NAAR UW LOTUSVOETEN BRENGEN. ALLES MOGELIJK SLECHTS DOOR UW GENADE.
Toen de tempelpresident van iskcon in Denver een brief schreef om te vragen of ze een juwelenhandel konden beginnen, wees Prabhupāda dit idee van de hand.
Waarom doen ze zaken? Dat schept een slechte atmosfeer. We doen maar één soort zaken en dat is het verkopen van boeken. Dat is alles. Zodra jullie als karmī’s achter zaken aangaan, lijdt het spiritueel leven schade. Dit zaken doen moet niet meer aangemoedigd worden. Zaken doen in plaats van sankīrtana, dat is helemaal niet goed. Sankīrtana is erg goed, hoewel gṛhastha’s ook andere dingen kunnen doen, op voorwaarde dat ze minstens 50 procent van de winst afgeven. Maar van alle vormen van zaken doen, blijft sankīrtana de beste.
Prabhupāda hoopte dat de verspreiding van boeken niet alleen de bouw in Mumbai kon financieren, maar ook zijn nog grootsere plannen voor Māyāpur. Hij keurde een plan goed waarbij alle verschillende bbt’s minstens tien procent van hun jaarlijks inkomen zouden afstaan voor de bouw van de internationale projecten van iskcon in India, vooral voor de toekomstige stad in Māyāpur. Zo’n samenwerking tussen de bbt’s in de verschillende landen zou de groeiende beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn helpen verenigd te blijven. Het verspreiden van boeken was een goede vorm van zaken doen en het was de beste manier om te prediken. Dit was Prabhupāda’s formule – Amerikaans geld, gecombineerd met de spirituele cultuur van India – en hij moedigde Rāmeśvara aan de sankīrtana in de Verenigde Staten volgens dit principe te ontwikkelen.
Amerika heeft het geld; zo helpen de lamme en de blinde elkaar. Op die manier zal er een goede relatie tussen India en Amerika ontstaan. De volgende keer dat ik de kans heb Indira Gandhi te ontmoeten, zal ik haar vertellen hoeveel buitenlandse valuta wij sturen. Na je bemoedigende belofte dat, nu er meer boeken verspreid worden, de bbt ook meer geld zal sturen, overwegen we nu met een Kurukṣetra-project en het Jagannātha Purī-project te beginnen. Voorlopig geven we het geld in India uit, maar uiteindelijk zullen we het overal, over de hele wereld uitgeven. Dit zal de spirituele positie van Amerika zeker versterken. Blijf altijd afhankelijk van guru en Kṛṣṇa en je vooruitgang is verzekerd.
Sinds de de BBT-marathon in de zomer van 1975 had de uitgeverij Śrīla Prabhupāda’s schrijven bijgehouden. Er was een zoete, transcendentale competitie ontstaan tussen Prabhupāda, zijn uitgeverij en de boekverspreiders. In november 1975 had Prabhupāda aan een van de leidende boekverspreiders geschreven:
De BBT zegt dat ze net zo snel publiceert als ik vertaal en dat jullie alles net zo snel zullen verspreiden als zij het publiceren. Dat is heel goed. Maar ik lig nog steeds voor met mijn vertaalwerk. Ze zijn me nu het zesde canto van het Śrīmad-Bhāgavatam schuldig. Ik ben al aan het zevende canto bezig.
Maar de laatste maanden was Prabhupāda’s literaire productie aan het afnemen, vooral vanwege zijn betrokkenheid bij allerlei organisatorische kwesties.
Eigenlijk geeft het woord ‘vertalen’ niet volledig weer wat het schrijven van Śrīla Prabhupāda inhield. Het vertalen betrof enkel de verzen en de synoniemen, maar Prabhupāda’s diepste meditaties – wat hij zijn “persoonlijke extases” noemde – waren zijn Bhaktivedanta-commentaren. Zowel het schrijven van de commentaren als het vertalen van de verzen ging het best als hij er gedurende de dag over na kon denken en niet alleen wanneer hij om één uur ’s nachts zijn dictafoon aanzette. Hij vertaalde de uiterst belangrijke en ingewikkelde vedische kennis en zette haar in een modern kader, om haar zo voor westerse lezers toegankelijk te maken. En dat was een zware opgave.
Om de mensen van de wereld via zijn Śrīmad-Bhāgavatam zo goed mogelijk te kunnen toespreken, had Śrīla Prabhupāda een gunstige situatie nodig. Na het Māyāpur-festival stelde hij daarom een reisplan op dat hem binnen ongeveer een maand naar Hawaï zou brengen. Hij verwachtte dat hij zich daar in alle rust aan zijn literaire werk zou kunnen wijden.
Hawaï, 3 mei 1976
Na een kort bezoek aan enkele steden in India verbleef Śrīla Prabhupāda enige dagen in Melbourne, Auckland en Fiji en kwam volgens schema op Hawaï aan. Onmiddellijk begon hij meer te schrijven.
Hij was ongeveer een week in Honolulu, toen hij op een morgen, tijdens een wandeling langs Waikiki Beach, aankondigde dat hij die nacht waarschijnlijk het laatste commentaar voor het zevende canto zou afmaken. Toen Hari-śauri zijn blijdschap hierover liet blijken, antwoordde Prabhupāda: “Oh, ik zou het heel snel af kunnen maken, maar ik moet het zo presenteren, dat jullie het begrijpen. Dat vereist diep en precies denkwerk.”
Nadat hij het zevende canto had afgemaakt, wijdde Prabhupāda zich onmiddellijk aan het achtste. Hij begon met een gebed: “Ik buig me eerbiedig en vol ontzag neer aan de lotusvoeten van mijn spiritueel leraar, Zijne Goddelijke Genade Śrī Śrīmad Bhaktisiddhānta Sarasvatī Goswami Prabhupāda.” Prabhupāda legde uit dat zijn spiritueel leraar hem in 1935, bij Rādhā-kuṇḍa, de opdracht had gegeven meer nadruk te leggen op de productie van boeken dan op het bouwen van tempels. Hij had die aanwijzing gevolgd, te beginnen met het uitbrengen van het tijdschrift Back to Godhead in 1944. In 1958 was hij aan het Śrīmad-Bhāgavatam begonnen. Zodra hij drie delen van het Bhāgavatam in India had gepubliceerd, was hij in augustus 1965 naar de Verenigde Staten vertrokken.
Prabhupāda zei dat hij het Śrīmad-Bhāgavatam toegankelijk wilde maken voor de gewone man. Dit betekende niet dat het zijn boeken aan inhoud ontbrak; ze waren puur inhoud. Maar in de wezenlijke geest van het Bhāgavatam zelf liet Prabhupāda alles wat irrelevant was en afleidde weg, waarbij hij uit de commentaren van de voorgaande ācārya’s die passages koos die zijn lezers het meest tot zuivere devotionele dienst zouden aanzetten.
Bijna alle hoogleraren en professoren die Prabhupāda’s boeken serieus hadden gelezen, waardeerden de betrouwbare manier waarop hij de paramparā vertegenwoordigde. Van over de hele wereld kwamen er recensies:
“… Voor mensen die geen toegang hebben tot het Sanskriet is dit een voortreffelijke manier om met de boodschap van het Bhāgavatam kennis te maken.” Dr. Alaska Hejib, vakgroep voor Sanskriet en Indiase studies, Universiteit van Harvard.
“… Het werk is diep doorvoeld, krachtige onder woorden gebracht en prachtig uitgelegd. Ik weet niet wat ik meer moet prijzen, deze vertaling van de Bhagavad-gītā, de gedurfde manier waarop ze uitgelegd wordt, of haar eindeloze rijkdom aan ideeën. Ik heb nog geen andere bewerking van de Gītā gezien met zoveel gezag en stijl… Dit werk zal lange tijd een belangrijke plaats innemen in het intellectueel en ethisch leven van de moderne mens.” Dr. Shaligram Shukla, professor in de linguïstiek, Universiteit van Georgetown.
“… Het is voor het eerst dat we een gemakkelijk toegankelijke editie van dit grote religieuze klassieke werk bezitten, die zowel indologen als volgelingen van de Kṛṣṇa-bewuste traditie de mogelijkheid biedt om de originele tekst met een moderne Engelse vertaling te vergelijken en om door de geleerde commentaren van Śrī Bhaktivedanta kennis te maken met de diepere spirituele betekenis van dit werk.
… Iedereen die het commentaar nauwkeurig leest, zal merken dat Śrī Bhaktivedanta hier, net als in zijn andere werken, de vurige toewijding en de esthetische fijngevoeligheid van de toegewijde op een gezonde manier gecombineerd heeft met de intellectuele nauwkeurigheid van de letterkundige. Nergens offert de auteur de betekenis van de tekst op aan een bepaalde dogmatische overtuiging.
… Deze prachtig bewerkte boeken vormen een aanwinst voor de bibliotheek van ieder die zich toelegt op de studie van de spiritualiteit en de religieuze literatuur van India, of hij nu gedreven wordt door de motivaties van de geleerde, de toegewijde of die van de gewone lezer.” Dr. J. Bruce Long, vakgroep voor Aziatische studies, Universiteit van Cornell.
“Deze Engelse uitgave van A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda is voortreffelijk. Ze bevat de originele verzen in het Bengaals en Sanskriet met een Engelse transliteratie, synoniemen, een woord-voor-woord vertaling, een lopende vertaling en een uitgebreid commentaar, waaraan de diepgaande kennis die de auteur van het onderwerp heeft, gemakkelijk is af te lezen.” Dr. O. B. L. Kapoor, emeritus voorzitter en professor, vakgroep voor filosofie, Government Postgraduate College, Gyanpur, India.
Het feit dat Prabhupāda de boodschap van het Bhāgavatam ‘toegankelijk’ maakte, wilde niet zeggen dat hij haar alleen maar vereenvoudigde. Het betekende dat hij er bij de lezer op aandrong de wereld van illusie op te geven en zich toe te leggen op de eeuwige bevrijding van het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Maar de moderne samenleving was zo gedegradeerd geraakt dat een prediker zich niet langer kon beroepen op de autoriteit van de Veda’s – niemand zou het aanvaarden. Daarom behandelden Śrīla Prabhupāda’s boeken theorieën die de oorsprong van het leven aan ‘toeval’ toeschreven, de evolutietheorie van Darwin en de theorie van de chemische evolutie. En hij weerlegde ze stuk voor stuk met behulp van strikte logica en bewees dat leven voortkomt uit leven en niet uit dode materie.
Prabhupāda’s boeken waren ook gericht aan het adres van de bedrieglijke leerstellingen van zogenaamde yogī’s, guru’s en ‘incarnaties’ die in dit tijdperk van Kali zowel India als het Westen overspoelden. In zijn boeken leverde hij ook kritiek op de hedendaagse politieke systemen; hij analyseerde waarom de monarchieën ten val kwamen, waarom de democratie evenmin werkte en hoe dictatorschap de burgers meer en meer zou gaan kwellen. In het licht van de heilige teksten besprak Prabhupāda hoe regeringen misbruik maken van belastinggelden en mensen naar de steden lokken om ze daar in fabrieken te laten werken, waardoor ze hun eenvoudige boerenbestaan moeten opgeven.
Op zijn reizen had Śrīla Prabhupāda het overal om zich heen grijpende verval van de samenleving opgemerkt: de seksuele bevrijding, het toenemend gebruik van verdovende middelen en de wrede misdaden die het eten van vlees met zich meebrengt. Eén commentaar in de Bhagavad-gītā (16.9) ging in het bijzonder over de dreiging van een nucleaire holocaust.
Zulke mensen worden beschouwd als de vijanden van de wereld, omdat ze uiteindelijk iets zullen uitvinden of creëren dat de oorzaak zal zijn van de vernietiging van alles en iedereen. Indirect loopt dit vers vooruit op de uitvinding van de nucleaire wapens waar de hele wereld tegenwoordig zo trots op is. Op elk moment kan er een oorlog uitbreken en dan kunnen die atoomwapens een ravage aanrichten. Die dingen zijn alleen gemaakt om de wereld te vernietigen en dat is waar in dit vers naar verwezen wordt. Door goddeloosheid worden er in de menselijke samenleving zulke wapens uitgevonden; ze zijn er niet voor bedoeld vrede en voorspoed in de wereld te brengen..
Prabhupāda’s kritiek was krachtig en gezaghebbend, zoals het een ware ācārya past. Zijn vastberadenheid was aantrekkelijk. Hij was geen schuchtere geleerde, die een paar obscure historische verbanden probeerde aan te tonen. Toch hadden zijn teksten een nederige, verzoekende ondertoon die tot het hart sprak. Als de dienaar van de dienaar van Kṛṣṇa vroeg hij iedereen alstublieft een begin te maken met Kṛṣṇa-bewustzijn om zo zijn oorspronkelijke, natuurlijke levensstaat van eeuwigheid, gelukzaligheid en kennis te herwinnen.
Zoals Prabhupāda oorspronkelijk zijn schrijfwerk in de Rādhā-Dāmodara-tempel in Vṛndāvana had opgegeven om in het Westen te gaan prediken, zo was hij ook nu bereid zijn schrijfretraite op Hawaï te beëindigen. Hij was toch vastbesloten door te gaan met schrijven, waar ter wereld hij zich ook bevond. Hij was nooit van plan geweest om langer dan een maand op Hawaï te blijven. Zijn leerlingen moesten hem zien om kracht en inspiratie op te doen en zolang hij leefde, was dat zijn streven.
Prabhupāda’s kritiek was krachtig en gezaghebbend, zoals het een ware ācārya past. Zijn vastberadenheid was aantrekkelijk. Hij was geen schuchtere geleerde, die een paar obscure historische verbanden probeerde aan te tonen. Toch hadden zijn teksten een nederige, verzoekende ondertoon die tot het hart sprak. Als de dienaar van de dienaar van Kṛṣṇa vroeg hij iedereen alstublieft een begin te maken met Kṛṣṇa-bewustzijn om zo zijn oorspronkelijke, natuurlijke levensstaat van eeuwigheid, gelukzaligheid en kennis te herwinnen.
Zoals Prabhupāda oorspronkelijk zijn schrijfwerk in de Rādhā-Dāmodara-tempel in Vṛndāvana had opgegeven om in het Westen te gaan prediken, zo was hij ook nu bereid zijn schrijfretraite op Hawaï te beëindigen. Hij was toch vastbesloten door te gaan met schrijven, waar ter wereld hij zich ook bevond. Hij was nooit van plan geweest om langer dan een maand op Hawaï te blijven. Zijn leerlingen moesten hem zien om kracht en inspiratie op te doen en zolang hij leefde, was dat zijn streven.
Prabhupāda wilde eerst een bezoek brengen aan zijn centrum in Los Angeles, dat nu een grote, bloeiende gemeenschap van toegewijden was. Hij zou hun nieuwe tempelkamer gaan bekijken, met de marmeren bogen en de galerij met prachtige transcendentale schilderijen en de overdadige verering van de Beeldgedaanten Rukmiṇī-Dvārakādhīśa gadeslaan. Hij zou de laatste technische snufjes gaan zien in de Golden Avatara-studio’s en in het FATE-museum, waar diorama’s in combinatie met allerlei audiovisuele middelen gebruikt werden om de leer van de Bhagavad-gītā uit te beelden. Hij zou in zijn tuin luisteren naar het voorlezen uit het Kṛṣṇa boek en met Dr. Svarūpa Damodara over Venice Beach wandelen om wetenschappelijke theorieën te bespreken. En natuurlijk zou hij ervoor zorgen dat er nóg meer boeken verspreid werden. Toen hij op een dag in de auto zat, verklaarde hij: “Mijn boeken zullen de komende tienduizend jaar als wetboeken in de samenleving gelden.’’
New York City, 9 juli 1976
Jayānanda bestuurde de auto. Hij, Tamāla Kṛṣṇa Goswami en Rāmeśvara Swami haalden Śrīla Prabhupāda en Hari-śauri op van het La Guardia vliegveld. Op weg naar de tempel in Manhattan, vroeg Prabhupāda: “Gaat alles hier goed?”
Tamāla Kṛṣṇa antwoordde dat alles eigenlijk pas net was begonnen. De toegewijden waren nog steeds naar hun elf verdiepingen tellende tempel in Manhattan aan het verhuizen en ze waren tegelijkertijd druk bezig de laatste regelingen te treffen voor Ratha-yātrā. “U zult zien dat het werk nog volop aan de gang is”, zei hij.
“Bestuur alles goed”, zei Śrīla Prabhupāda, “Kṛṣṇa geeft ons alles. Er is geen gebrek. Als we gewoon oprecht werken, zal Kṛṣṇa ons intelligentie geven en alles wat we verder nodig hebben. Door Zijn genade is alles beschikbaar. Dat is Kṛṣṇa.”
Toen de auto de reusachtige Brooklyn Bridge opreed, informeerde Prabhupāda: “Is dit niet de Brooklyn Bridge? Soms kwam ik hier; dan ging ik daar vlak bij de brug zitten.”
“Aan het water?” vroeg Tamāla Kṛṣṇa. Ze vonden het heel fascinerend te horen wat Śrīla Prabhupāda vroeger, toen hij alleen in New York was geweest, gedaan had. “Zat u aan het water?”
“Ja, aan de rivier”, antwoordde Prabhupāda. “Dat was toen ik op Bowery Street woonde. Dat is hier niet zo ver vandaan. Als ik ging wandelen, kwam ik soms hier onder de brug zitten en dacht: ‘Wanneer zal ik naar India terugkeren?’” Hij lachte. Hij vroeg ook naar andere plaatsen – Chambers Street en het metrostation van Fulton Street – bijna alsof hij naar oude vrienden informeerde.
Tamāla Kṛṣṇa vertelde Prabhupāda dat het ISKCON-centrum niet ver van het Empire State Building lag en dat hij er een mooi uitzicht op zou hebben vanuit zijn kamer op de tiende verdieping. “Onze tempel”, vertelde Tamāla Kṛṣṇa Goswami, “ligt midden in het stadsdeel waar alle theaters, restaurants en andere uitgaansgelegenheden zijn.”
“In New York voel ik me een beetje thuis,” merkte Prabhupāda op, “omdat ik hier in het begin gekomen ben en veel door deze straten heb gelopen. Ik heb hier van september 1965 tot juli 1967 gewoond.”
“Tamāla Kṛṣṇa Mahārāja heeft vanmorgen de lezing gegeven”, vertelde Rāmeśvara Swami. “Hij zei dat we ons niet kunnen voorstellen hoe gezegend deze stad is dat u hier gekomen bent.”
“Toen ik eenmaal besloten had om naar het buitenland te gaan, had ik nooit het plan gehad om naar Londen te komen; ik wilde hier naartoe. Meestal gaat iedereen naar Londen, maar ik dacht: ‘Nee, ik ga naar New York.’
“Heel gedurfd”, merkte Tamāla Kṛṣṇa Mahārāja op.
“Misschien”, lachte Prabhupāda. “Het was Kṛṣṇa’s plan. Ik had net zo goed naar Londen kunnen gaan. Londen was zelfs dichterbij, maar ik zei tegen mezelf: ‘Nee, jij gaat naar New York.’ Soms droomde ik er zelfs van dat ik al in New York was.”
Tijdens de hele rit door de stad haalde Prabhupāda herinneringen aan vroeger op. Hij had het over de kleine yoga-studio van Dr. Mishra, over de kamer op Seventy-second Street 100, waar zijn bandrecorder en zijn typemachine waren gestolen en de West-End Superette, waar hij altijd fruit kocht.
“Ik geloof dat ik soms naar dit deel van de stad kwam,” zei Prabhupāda terwijl hij uit het raam keek, “maar ik had geen bepaald doel. Soms ging ik gewoon wat wandelen op Second Avenue.”
Toen ze op Fifty-Fifth Street reden, wezen de toegewijden Prabhupāda de ISKCON-wolkenkrabber aan, met op de zijkant in grote gouden letters de woorden “Hare Kṛṣṇa”. Aan de voorkant van het gebouw hing een groot, geel spandoek met een toegewijde van Heer Caitanya erop die de heilige namen chantte. Op een stijlvol zonnescherm boven het trottoir stond met schitterende letters “Hare Krishna Centrum” geschreven. Toen Prabhupāda’s auto in zicht kwam, begonnen honderden toegewijden die bij de ingang stonden, te juichen en zijn naam te zingen
Het was de grootste samenkomst van iskcon-toegewijden sinds het Māyāpur-festival. Velen onder hen waren van ver gekomen om bij Śrīla Prabhupāda te zijn en er verbleven meer dan zeshonderd mensen in de tempel. De kīrtana’s waren onstuimig. Toen Prabhupāda voor de Beeldgedaanten van Rādhā-Govinda stond, zag hij er heel tevreden uit. Er stond een foto van Jagannātha, Balarāma en Subhadrā op het derde altaar en Prabhupāda zei dat hij ernaar verlangde ze op het Ratha-yātrā-festival terug te zien.
Toen Prabhupāda op zijn grote, groene vyāsāsana zat, was hij eerst te ontroerd om te spreken. “Allereerst moet ik jullie allemaal bedanken, omdat jullie me naar deze nieuwe tempel hebben gebracht”, begon hij. “Toen ik in New York aankwam, wilde ik een tempel beginnen en ik vroeg me af hoe ik dat ooit zou kunnen verwezenlijken.” Hij beschreef zijn eerste, bijna hulpeloze poging om in Manhattan een ruimte van tweehonderd vierkante meter te kopen. Maar het was hem niet gelukt om er het geld voor bij elkaar te krijgen.
“Ik had geen ruimte”, zei hij. “Ik had nog niet eens een vast dak boven mijn hoofd, laat staan een tempel. Daarom dacht ik erover om terug te keren naar India. Ik ging bijna iedere week naar de scheepvaartmaatschappij. Het is een lang verhaal, hoe ik hier in New York begonnen ben. Ik was vastbesloten een tempel te openen, maar in die tijd, tien jaar geleden, was dat niet mogelijk. Door de genade van Kṛṣṇa en van mijn guru mahārāja hebben jullie nu dit gebouw gekregen. Ik dank jullie allemaal heel hartelijk dat jullie voor deze tempel hebben gezorgd.”
* * *
Tijdens prabhupāda’s tiendaags verblijf in New York bleven de toegewijden in een uitgelaten, euforische stemming. Ze hadden van de gemeente toestemming gekregen om de Ratha-yātrā-optocht op Fifth Avenue te houden. Prabhupāda had gezegd dat New York de belangrijkste stad in de wereld was en dat, als iskcon hier een wolkenkrabber zou hebben, dit als een lichtend baken voor de wereld zou zijn. En nu had iskcon dan zijn eigen wolkenkrabber in Manhattan, zijn Ratha-yātrā.optocht langs Fifth Avenue en de zegening van Prabhupāda’s persoonlijke aanwezigheid.
De Ratha-yātrā optocht met zijn drie vijftien meter hoge karren, begon bij het Grand Army Plaza op Fifth Avenue en trok van daar verder de stad in. Honderden mensen – jonge mannen, meisjes in sārī, Indiërs en New Yorkers trokken aan de touwen en de reusachtige karren rolden zo voort. Met hun torens van geel, groen, rood en blauw zijde, die bol stonden in de wind, zeilden de karren langzaam en majesteitelijk voort. De parade was volmaakt: het was prachtig weer, honderden toegewijden zongen en dansten en er stonden duizenden toeschouwers langs de weg. De route leidde een flink stuk – tot aan Washington Square Park – langs Fifth Avenue, ‘de belangrijkste straat van de wereld’.
Op Thirty-fourth Street voegde Prabhupāda zich bij de optocht. Toen hij naar voren kwam om op Subhadrā’s kar plaats te nemen, kwamen de toegewijden van alle kanten om hem heen staan. De politie en de andere toeschouwers stonden versteld van deze spontane verering van Kṛṣṇa’s vertegenwoordiger. Hoewel de innerlijke betekenis van Ratha-yātrā het verlangen van de gopī’s om Kṛṣṇa terug te zien keren naar Vṛndāvana weergeeft, gingen deze toegewijden meer op in Prabhupāda’s terugkeer naar New York.
Het was een fantastisch, passend hoogtepunt van de tien jaar dat Prabhupāda in New York had gepredikt. Toen hij voor het eerst kwam, had hij geen geld, geen eigen woonruimte en geen plaats waar mensen konden samenkomen om over Kṛṣṇa te horen. Nu reed hij ter gelegenheid van het Ratha-yātrā.festival te midden van pracht en praal langs Fifth Avenue en stonden zijn Beeldgedaanten. Rādhā-Govinda, in een wolkenkrabber. In 1965 liep hij alleen over straat, maar nu werd hij vergezeld door zeshonderd toegewijden, die luid de heilige namen zongen voor het welzijn van miljoenen geconditioneerde zielen.
Het was een fantastisch, passend hoogtepunt van de tien jaar dat Prabhupāda in New York had gepredikt. Toen hij voor het eerst kwam, had hij geen geld, geen eigen woonruimte en geen plaats waar mensen konden samenkomen om over Kṛṣṇa te horen. Nu reed hij ter gelegenheid van het Ratha-yātrā.festival te midden van pracht en praal langs Fifth Avenue en stonden zijn Beeldgedaanten. Rādhā-Govinda, in een wolkenkrabber. In 1965 liep hij alleen over straat, maar nu werd hij vergezeld door zeshonderd toegewijden, die luid de heilige namen zongen voor het welzijn van miljoenen geconditioneerde zielen.
Die avond werd er op alle belangrijke tv-zenders lovend over de parade en het festival gesproken. De volgende morgen stonden er overal foto’s en artikelen in de kranten. Prabhupāda was het meest ingenomen met het verslag in de New York Daily News, die zijn middenpagina aan het festival gewijd had: “Fifth Avenue, waar het Oosten en het Westen elkaar ontmoeten.” Er stonden ook verschillende foto’s bij.
“Dit krantenknipsel moet overal naartoe gestuurd worden”, zei Prabhupāda. “Stuur het naar Indira Gandhi. Deze titel is erg goed. ‘Het Oosten en het Westen ontmoeten elkaar.’ Dat is precies waar het om gaat. Zoals ik altijd zeg, de lamme ontmoet de blinde. Samen doen ze het erg goed en afzonderlijk kunnen ze niets. De een is lam en de ander is blind. Maar als ze hun krachten bundelen – de Indiase cultuur en het Amerikaans geld – kunnen ze de hele wereld redden.”
Śrīla Prabhupāda luisterde naar het artikel in de New York Times, waarin genoemd werd dat er honderden Indiërs aan de parade hadden meegedaan, “die blij waren te merken dat ze zelfs in New York hun geloof konden praktiseren.” Het artikel citeerde een Indiase immigrant die verklaarde: “We houden van New York. Het is het mooiste plekje van de wereld. Er bestaat geen ander land in de wereld dat ons zoveel vrijheid biedt voor onze eigen religieuze plechtigheden.”
“Dat is een feit,” zei Prabhupāda, “dat zeg ik ook altijd. De eerste keer dat The Times over mijn activiteiten schreef, was ook in New York, toen ik in het Thompson Square Park was.”
Op het festivalterrein was er prasādam geserveerd aan zevenduizend mensen. En zelfs toen de toegewijden laat in de avond met de karren terug waren gelopen, hadden honderden mensen hen gevolgd en Hare Kṛṣṇa gechant. De toegewijden praatten er nu al over hoe ze het festival het volgend jaar nog beter konden maken. Ze zouden een perstribune kunnen oprichten en Prabhupāda stelde voor dat ze een klein gebouw in het centrum zouden huren, dat ze Gundica* konden noemen (* De tempel in Orissa, India, waar Jagannātha traditiegetrouw ieder jaar enige tijd verblijft tijdens Ratha-yātrā). Daar zou Jagannātha dan een week kunnen blijven en aan het eind ervan zouden de toegewijden weer een optocht kunnen houden om Hem naar de tempel op Fifty-Fifth Street terug te brengen.
“We zijn de hele nacht bezig geweest om het park op te ruimen”, vertelde Tamāla Kṛṣṇa Goswami, “en een vrouw die vlak bij het park woont, zei tegen ons dat ze in al die jaren nog nooit zo’n fantastisch festival had meegemaakt.” De beheerder van het park verklaarde: ‘‘We zijn er trots op te kunnen zeggen dat dit park honderden jaren geleden is aangelegd, toen Amerika religieus was en dat religie nu nog steeds leeft in het Washington Square Park.’” “Waarom vragen we de burgemeester niet om daar een tempel te bouwen?” vroeg Śrīla Prabhupāda. De toegewijden lachten. Maar Prabhupāda beschouwde zoiets helemaal niet als onmogelijk.
Srīla prabhupāda’s gezondheid ging achteruit, zoals zo vaak wanneer hij veel reisde. Vooral tijdens zijn verblijf in New York werd zijn gezondheid steeds slechter. Het plan was dat hij vandaar eerst naar Londen zou gaan, dan naar Parijs, Teheran, Mumbai en uiteindelijk naar Hyderabad, waar hij een nieuwe tempel zou openen. Maar verschillende oudere toegewijden smeekten hem het een tijd rustig aan te doen voordat hij naar Engeland en India zou reizen. Hij had een bijzonder prettige dag doorgebracht op de iskcon-boerderij in Pennsylvania en de toegewijden stelden voor dat hij daar een paar maanden zou heengaan om te rusten, te herstellen en te schrijven. Iedere dag vroegen ze hem om te blijven. Toen hij hoorde dat de gbc-leden in New York hem unaniem hadden afgeraden om onmiddellijk te gaan reizen, zei hij: “Oké, ik zal niet reizen.” Maar hij kon niet door de gbc worden tegengehouden – alleen Kṛṣṇa kon dat. Hij had zijn vliegtuigticket al en bleef toch bij zijn voornemen om weer op reis te gaan.
Op de morgen dat Prabhupāda zou vertrekken, kwamen een paar toegewijden hem voor de laatste keer te vragen zijn reis wat uit te stellen. Hij zei niets, hoewel het overduidelijk was dat hij wilde gaan. Zijn dienaren waren zijn koffers aan het pakken en alles was klaar voor het vertrek. Toch liepen er, toen hij zijn kamer verliet en de lift instapte, nog een paar toegewijden achter hem aan.
“Prabhupāda, denk er alstublieft nog eens over na”, pleitte Rāmeśvara Swami. Tot op dat moment was Śrīla Prabhupāda ondanks zijn lichamelijke zwakheid en de smeekbeden van zijn leerlingen, opgewekt gebleven. Maar nu veranderde zijn gezicht.
“Reis niet”, zei een toegewijde. En een ander voegde eraan toe: “Blijf gewoon hier. Ga zitten en rust wat uit.”
Prabhupāda draaide zich om; zijn ogen waren erg diep. Meer dan ooit tevoren leek hij niet van deze materiële wereld te zijn. “Ik wil de zegen om tot mijn laatste adem voor Kṛṣṇa te blijven vechten”, zei hij, “net als Arjuna.”
Iedereen bleef stil en de belangrijke les stond in hun geheugen gegrift. De lift bereikte de begane grond en honderden wachtende toegewijden zongen en juichten, terwijl Prabhupāda naar zijn auto liep.