Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 6
Een tempel voor Kṛṣṇa (II)
“Ik zal de laatste zijn die hare kṛṣṇa land voor die schurk N. zal opgeven”, schreef Prabhupāda aan een steunend lid, vlak voordat hij vanuit Ahmedabad naar Mumbai vertrok. Prabhupāda wilde de fout van zijn leerlingen nu direct goedmaken. Er was nog geen cent overgemaakt, dus misschien was het nog niet te laat.
N. kon met geen mogelijkheid begrijpen waarom Prabhupāda zo vasthoudend was in zijn gevecht om het land in Juhu. Niet dat Prabhupāda zijn motieven verborgen hield, maar alleen een toegewijde kan de geest en de activiteiten van een andere toegewijde begrijpen. N. had met Prabhupāda hetzelfde spelletje gespeeld als met het bedrijf C. Hij had hen bedrogen en nu zou hij iskcon bedriegen. Bekrompen als hij was, veronderstelde hij dat Prabhupāda en zijn leerlingen door hetzelfde motief gedreven werden als hijzelf, het enige motief dat hij begreep: hebzucht.
Eigenlijk hadden zelfs Prabhupāda’s leerlingen moeite om zijn onbreekbare vastberadenheid te begrijpen. Prabhupāda’s belangrijkste drijfveer was dat hij het Kṛṣṇa-bewustzijn in Mumbai wilde prediken. Hij zei: “Mijn guru mahārāja heeft me de opdracht gegeven het Kṛṣṇa-bewustzijn in het Westen te prediken en dat heb ik gedaan. Nu wil ik in India prediken.” Mumbai was de belangrijkste stad van India – de poort. En in Mumbai had Kṛṣṇa Prabhupāda op de een of andere manier naar dit stuk land geleid. Hier was hij begonnen met prediken en hier had hij de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa heengebracht. In Prabhupāda’s ogen was het land uitermate geschikt voor de grote, prachtige tempel en het internationale hotel die hij wilde bouwen.
In Mumbai zou de tempelverering groots moeten zijn en ze zouden grandioze festivals moeten organiseren en heel veel prasādam moeten uitdelen. Daarnaast moesten ze een verscheidenheid aan vedische, culturele programma’s kunnen bieden. Het land in Juhu leek ideaal om er een school, theater en bibliotheek op te zetten, evenals appartementen – kortom, een Hare Kṛṣṇa-stad. Hoe kon Prabhupāda zich dan terugtrekken omdat deze schurk hem probeerde te bedriegen? Er zouden altijd mensen tegen het Kṛṣṇa-bewustzijn zijn, zei Prabhupāda, maar dat betekende niet dat de toegewijden moesten toegeven. Een prediker behoorde tolerant te zijn, maar soms, wanneer al het andere faalde en Kṛṣṇa’s belang op het spel stond, moest hij vechten.
Een andere reden waarom Prabhupāda weigerde dat bepaalde stuk land op te geven, was dat hij het aan de Beeldgedaanten Rādhā en Rāsavihārī had beloofd. Hij had Kṛṣṇa hier uitgenodigd en gebeden: “Lieve Heer, wees zo vriendelijk hier te blijven, dan beloof dat ik een prachtige tempel voor U zal bouwen.”
Was het gebruik van het land voor missiewerk de voor de hand liggende of externe reden waarom Prabhupāda zo vastberaden was om zijn Hare Kṛṣṇa Land te houden? De interne reden was de persoonlijke verplichting die hij voelde tegenover Śrī Śrī Rādhā-Rāsavihārī.
Prabhupāda’s vechtlust in deze kwestie was zo fel dat hij soms leek te vechten om het vechten zelf. Soms vergeleek hij N. zelfs met een demon uit het Śrīmad-Bhāgavatam, Kaṁsa, die herhaaldelijk had geprobeerd Kṛṣṇa te doden. Zoals Kaṁsa vele kleinere demonen in dienst had genomen bij zijn pogingen om Kṛṣṇa te doden, zo had ook N. demonische agenten aangesteld, zoals advocaten, vrienden en gangsters. Als Kṛṣṇa demonen doodde, was dat Zijn speels vermaak, Zijn līlā, Hij genoot ervan. En Prabhupāda, als dienaar van Kṛṣṇa, ging ook volledig op in deze strijd. Hij was alert en strijdvaardig. Zelfs als N. de toegewijden overdonderde of intimideerde zodat ze zich terugtrokken, hield Prabhupāda voet bij stuk. Natuurlijk ging hij de strijd aan; Kṛṣṇa en Kṛṣṇa’s missie stonden op het spel.
Prabhupāda trad op als de beschermer en ouder van de Beeldgedaanten en van iskcon in Mumbai. Zoals hij had beschreven in de Nektarzee van zuivere liefde, hadden veel grote toegewijden een eeuwige relatie met Kṛṣṇa als Zijn beschermer. Toen Kṛṣṇa als kind met de slang Kāliya vocht, werden Kṛṣṇa’s vader en moeder gek van transcendentale angst. Ze zagen hun kind gevangen in de kronkels van de slang en, bevreesd voor Zijn leven, wilden ze Hem beschermen. De eeuwige vader en moeder van Kṛṣṇa maken zich altijd zorgen dat Kṛṣṇa iets kwaads zal overkomen en als er gevaar lijkt te zijn, wordt hun angst zoveel groter. Op deze manier vertonen ze de meest intense liefde voor Kṛṣṇa. Śrīla Prabhupāda voelde zich de beschermer van Rādhā-Rāsavihārī en van zijn beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Hoewel hij wist dat Kṛṣṇa de allerhoogste beschermer is en dat niemand tegenstand kan bieden aan Zijn wil, vreesde hij, gedreven door het verlangen om Kṛṣṇa’s heerlijkheden te verspreiden, dat de demon N. Kṛṣṇa schade zou kunnen berokkenen.
Prabhupāda’s gevoelens van zorg en zijn drang om te beschermen strekten zich ook uit tot zijn leerlingen. Hij zag ze als kinderen, met maar weinig ervaring. Ze wisten niet hoe ze met schurken moesten onderhandelen en waren gemakkelijk te beïnvloeden. Maar waar de zoon lichtgelovig was, moest de vader slim en sterk zijn om zijn gezin te beschermen. Als beschermer van de toegewijden en van Kṛṣṇa’s missie, wilde Prabhupāda goede woonvoorzieningen treffen, zodat zijn leerlingen Kṛṣṇa comfortabel – en zelfs in stijl – konden dienen. Prabhupāda’s spiritueel leraar, Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī, had hetzelfde onderwezen toen hij had gezegd dat predikers van Kṛṣṇa-bewustzijn van alles het beste zouden moeten hebben, omdat ze Kṛṣṇa het beste dienden. Daarom was Prabhupāda vastbesloten zijn Hare Kṛṣṇa-stad in Mumbai te vestigen. Hij nam geen houding aan van naakte bedelaar die nergens om geeft in deze materiële wereld. Hij voelde zich verantwoordelijk voor zijn duizenden leerlingen en voor hen nam hij zoveel zorgen op zich.
N. kon niet weten door welke beweegredenen Śrīla Prabhupāda gedreven werd. Evenmin kon hij zich voorstellen welke gevolgen het voor hem zou hebben dat hij Kṛṣṇa of Kṛṣṇa’s zuivere toegewijde tegenwerkte, zelfs al wordt het gevaar van zo’n positie duidelijk uitgelegd in de bekendste klassieken van India, zoals de Bhagavad-gītā, het Śrīmad-Bhāgavatam en het Rāmāyaṇa. Prabhupāda vocht aan de kant van Kṛṣṇa; daarom werkte N. indirect de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods tegen.
N. kon niet weten door welke beweegredenen Śrīla Prabhupāda gedreven werd. Evenmin kon hij zich voorstellen welke gevolgen het voor hem zou hebben dat hij Kṛṣṇa of Kṛṣṇa’s zuivere toegewijde tegenwerkte, zelfs al wordt het gevaar van zo’n positie duidelijk uitgelegd in de bekendste klassieken van India, zoals de Bhagavad-gītā, het Śrīmad-Bhāgavatam en het Rāmāyaṇa. Prabhupāda vocht aan de kant van Kṛṣṇa; daarom werkte N. indirect de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods tegen.
Omdat prabhupāda’s leerlingen de overeenkomst ongedaan hadden gemaakt, was de juridische positie van iskcon verzwakt. Maar Prabhupāda vertrouwde erop dat zolang de toegewijden het land gewoon in handen bleven houden, hun positie sterk zou blijven. Tegelijkertijd spoorde hij de toegewijden aan meer te prediken. Ze moesten niet denken dat ze zonder tempel niet konden prediken. Daarom organiseerde hij nog een groot paṇḍāl-festival in het centrum van Mumbai. Het werd een enorm succes: er kwamen iedere avond twintigduizend mensen.
Belangrijke gasten zoals R. K. Ganatra, de burgemeester van Mumbai, hielden toespraken en ook de toegewijden namen actief deel door te organiseren, te adverteren, prasādam uit te delen, Śrīla Prabhupāda’s boeken te verkopen en te prediken bij een vraag-en-antwoordkraam. Het paṇḍāl-festival was voor de toegewijden een welkome onderbreking van hun langdurige strijd en zware leven in Juhu.
In de laatste week van januari 1973 ontmoette Prabhupāda N. in de woning van dhr. Mahadevia. Hoewel Prabhupāda’s advocaten een aanklacht tegen N. hadden ingediend, wilde Prabhupāda een laatste poging wagen om buiten de rechtbank om tot een schikking te komen. Hij had zich altijd minzaam en charmant tegenover N. gedragen en N. was altijd beleefd tegen hem geweest. Maar deze keer was het anders. Verdwenen waren de glimlach en de vriendelijke woorden. Na een paar minuten vroeg Prabhupāda zijn leerlingen de kamer te verlaten.
In het Hindi begon N. Prabhupāda en de toegewijden ervan te beschuldigen met de cia verbonden te zijn. “Ik zal maandag een cheque van twee lakhs meebrengen om de aanbetaling terug te betalen”, beet hij Prabhupāda toe.
“Dat is goed”, zei Prabhupāda. “Als u niet van uw land wilt scheiden, zullen we weggaan. Maar denk eerst goed na voor u dit doet.”
N. bleef doorgaan beschuldigingen te spuien. “Jullie noemen jezelf de eigenaars van het land, maar jullie verstoren de hele buurt alleen maar door om vier uur op te staan…”
“Wij beweren niet dat we de eigenaars zijn”, antwoordde Prabhupāda, “Kṛṣṇa is de eigenaar, niet ik. Kṛṣṇa staat al op Zijn land. Waarom maakt u het ons zo moeilijk? Neem gewoon het geld en geef ons het land. Of, als u wilt dat we het ontruimen, schrijf dan een cheque uit.” Prabhupāda had zich in bedwang gehouden, maar nu werd hij kwaad. “Kom voor de dag met uw cheque en we zullen het land morgen ontruimen! Nee, vanavond nog! Geef ons ons geld terug. Heeft u het geld?”
N. schreeuwde: “Ik zal de Beeldgedaanten eigenhandig verwijderen! Ik zal de tempel neerhalen en de Beeldgedaanten verwijderen!” Daarna stormde hij de kamer uit.
Diezelfde week werd N. na een zware hartaanval in het ziekenhuis opgenomen. Twee weken later overleed hij.
Hoewel mevr. N. op juridisch gebied niet zo geslepen was als haar overleden echtgenoot, ging ze door met de strijd en vervolgden haar advocaten, die op hun honorarium uit waren, het geding om iskcon te verdrijven met grotere vastberadenheid dan zij. In april 1973 kwam de zaak, op verzoek van iskcon, voor het Hooggerechtshof. Maar om tactische redenen werd alles steeds uitgesteld en gingen er maanden voorbij zonder dat er een besluit werd genomen.
Prabhupāda durfde het nog niet aan om op het land te gaan bouwen, omdat hij geen eigendomsbewijs had en ook geen zekerheid dat er ooit een zou komen. Hij reisde Europa en Amerika rond en kwam naar India terug, maar nog steeds was er niets aan de situatie veranderd. Het leven in iskcon Mumbai ging vredig z’n gangetje, maar er zat niet veel schot in de rechtszaak en de afloop bleef onzeker.
Maar op de ochtend van 1 juni viel mevr. N. zonder enige waarschuwing met geweld aan. De toegewijden waren met hun alledaagse werkzaamheden bezig, toen ze opeens een vrachtwagen het terrein zagen oprijden met een afbraakploeg die de tempel kwam neerhalen. Op een of andere manier had mevr. N. iemand van de gemeenteraad weten te overtuigen toestemming te geven voor de sloop van de tempel, die niet meer dan een eenvoudig bouwsel van steen en gewapend beton was. Toen Girirāja de voorman van de ploeg een brief wilde tonen waarin de rechten van iskcon waren vastgelegd, negeerde de man hem en gebaarde dat de sloop kon beginnen. Al gauw arriveerden er meer vrachtwagens, tot er bijna honderd slopers over het terrein zwermden.
De slopers klommen op ladders en begonnen met voorhamers op het dak van de tempelzaal te slaan. Anderen gebruikten lasbranders om de stalen draagbalken door te snijden. Ze waren van plan om de stalen draagbalken van de kīrtana-hal eruit te slaan en systematisch op te trekken in de richting van de plaats waar Rādhā-Rāsavihārī stonden. De toegewijden probeerden hen tegen te houden, maar al snel verschenen er politieagenten op het toneel die, in paren opererend, de lastposten bij hun armen en benen grepen en wegdroegen. De politie sleepte de vrouwen aan hun haren weg, terwijl de bewoners van het land toekeken. Sommigen waren blij met de sloop, maar er waren er ook die met de toegewijden meevoelden. Maar uit angst voor de politie maakte niemand aanstalten de toegewijden te helpen.
Een toegewijde, Manasvī, holde naar de telefoon en belde dhr. Mahadevia op, die zich samen met zijn vriend Vinoda Gupta naar Hare Kṛṣṇa Land haastte om daar de politie de laatste protesterende toegewijde aan het haar te zien wegslepen. Ze had geprobeerd de deuren van het altaar te sluiten om de Beeldgedaanten te beschermen, maar drie politieagenten hadden haar weggeworsteld. Dhr. Mahadevia rende naar het huis van een sympathiserende bewoner, een zekere dhr. Acarya, en belde zijn broer, Chandra Mahadevia, een welgesteld zakenman die bevriend was met Bal Thakura, de leider van een van de invloedrijkste politieke partijen in Mumbai.
Chandra Mahadevia stelde Bal Thakura op de hoogte van de noodsituatie: op aandringen van een hindoe en in opdracht van een ambtenaar van de hindoegemeente werd er een hindoetempel van Śrī Viṣṇu gesloopt. Bal Ṭhākura nam op zijn beurt contact op met de gemeentecommissaris, die ontkende iets van de opdracht voor de sloop van de tempel te weten en belde meteen het betreffende wijkkantoor dat de sloopploeg eropuit had gestuurd. Vanuit het wijkkantoor werd er iemand naar de tempel gezonden om de sloop stop te zetten. De agent arriveerde rond twee uur ’s middags, net toen de slopers zich door de laatste pilaren heen hadden gewerkt en het dak boven de Beeldgedaanten aan het openbreken waren. De opdracht om de sloop stop te zetten werd gegeven aan de voorman, die zijn mannen liet ophouden.
Prabhupāda was in Kolkata op het moment van de aanval. Toen de toegewijden hem uiteindelijk telefonisch bereikten en het hele verhaal uit de doeken deden, gaf hij ze de opdracht de plaatselijke sympathisanten en steunende leden van iskcon te mobiliseren om tegen de aanval te protesteren door de zaak in de publiciteit te brengen. Ook zouden ze de verantwoordelijke personen aan de kaak moeten stellen. Het hele gebeuren zou weleens een heel goed wapen kunnen zijn tegen mevr. N. en haar handlangers.
Prabhupāda noemde de verschillende steunende leden van wie hij dacht dat ze zeker zouden willen helpen. Ten eerste was er dhr. Sada Jiwatlal. Als voorzitter van de Hindi Viswa Parishad zou hij zeker moeten helpen de zaak in de publiciteit te brengen, omdat zijn organisatie de hindoe-dharma verdedigde en juist dit soort zaken aanpakte. Dhr. Sethi zou ook moeten helpen om verder geweld te voorkomen. Dit voorval, zei Prabhupāda, was een onderdeel van Kṛṣṇa’s plan. De toegewijden hoefden niet bang te zijn.
De volgende morgen verscheen er een foto van de vernielde tempel op de voorpagina van de Free Press Journal met de kop “ONGEAUTORISEERDE TEMPEL GESLOOPT DOOR GEMEENTELIJKE AUTORITEITEN.”
De toegewijden begonnen de negatieve publiciteit te bestrijden. Dhr. Sada Jiwatlal stelde zijn kantoor volledig beschikbaar voor de verdediging van iskcon en de toegewijden en begon met een grote campagne. Ondanks de ongunstige propaganda waren veel Indiërs geschokt dat er geweld gebruikt was en de gemeenteraad veroordeelde unaniem degenen die verantwoordelijk waren voor de aanval op een hindoetempel. De toegewijden, die van zes uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds in het kantoor van Sada Jiwatlal werkten, belden kranten op, schreven brieven en circulaires en namen contact op met mogelijke sympathisanten.
Dhr. Vinoda Gupta, die lid was van de Jan-Sangh, een politieke partij die zich inzette voor het behoud van de hindoecultuur in India, sloot zich aan bij Kartikeya Mahadevia en de anderen om een ‘Red de tempel’-comité te vormen. Dhr. Gupta schreef zelf een pamflet, waarin hij verklaarde dat iskcon een bonafide hindoeorganisatie was. Girirāja zocht regeringsambtenaren op en probeerde hun steun te krijgen. Veel vooraanstaande burgers in Mumbai, die zich bewust waren van de authenticiteit van de Hare Kṛṣṇa-beweging, toonden sympathie en boden hun hulp aan.
Op deze manier hadden de plannen van mevr. N. en haar advocaten een averechtse werking. Ze hadden gedacht dat ze enkel te doen hadden met een handjevol jonge buitenlanders, maar al snel zagen ze dat ze tegenover veel van de invloedrijkste inwoners van Mumbai stonden.
Śrīla Prabhupāda voorspelde dat alles in het voordeel van de toegewijden zou uitpakken. Een paar dagen na het voorval schreef hij:
Het feit dat de gemeente onze tempel vernield heeft, heeft onze positie versterkt. Het vaste comité van de gemeente heeft de overhaaste actie van het gemeentebestuur veroordeeld en ermee ingestemd de tempel op hun kosten te herbouwen. Niet alleen dat, maar het gebouw zal daar blijven staan, totdat de rechtbank beslist heeft wie de eigenaar van het land is. Daarom moeten we de tempel onmiddellijk herbouwen. Er moet ook onmiddellijk een omheining van prikkeldraad om het braakliggende land gemaakt worden. En indien mogelijk, zou er recht voor de tempel een tijdelijke paṇḍāl gebouwd moeten worden om ons materiaal in op te slaan. Als jullie dit zo kunnen regelen, kan ik naar Mumbai komen en met de Bhagawat Parayana beginnen, die door zal gaan tot de beslissing van de rechtbank is gevallen.
De toegewijden begonnen de hele gang van zaken als Kṛṣṇa’s genade te zien, vooral omdat er nu zoveel steunende leden waardevolle diensten aan Prabhupāda en Kṛṣṇa verleenden. In het verleden had Prabhupāda bij veel steunende leden thuis verbleven en tegen hen en hun familieleden gepredikt. Door dit persoonlijk contact met Śrīla Prabhupāda waren ze volledig overtuigd geraakt van zijn oprechtheid en van de nobele doelstellingen van zijn beweging. Vrienden en leden zoals Bhagubhai Patel, Beharilal Khandelwala, Brijratan Mohatta, Dr. C. Bali en anderen hielpen niet alleen de hindoe-
dharma te beschermen, maar deden dit ook uit genegenheid en diep respect voor Prabhupāda.
dharma te beschermen, maar deden dit ook uit genegenheid en diep respect voor Prabhupāda.
Girirāja, die met Sada Jiwatlal samenwerkte, probeerde de gemeenteraad over te halen toestemming te geven voor de wederopbouw van het tempelgebouw. Maar ondertussen ontdekte hij dat mevr. N. diezelfde dag (een vrijdag) een verzoek had ingediend voor een gerechtelijk bevel om te voorkomen dat iskcon de tempel zou herbouwen. Rechter Nain zei tegen Girirāja dat hij niet van plan was het verzoek van mevr. N. onmiddellijk in te willigen en dat hij de zaak van de toegewijden de komende maandag zou horen. Dit betekende dat de toegewijden twee dagen hadden – van zaterdagmorgen tot maandagmorgen – om de tempel te herbouwen.
De toegewijden redeneerden dat, hoewel ze niet echt toestemming hadden om de tempel te herbouwen, er tot nu toe evenmin een wet was die ze tegen kon houden. Als rechter Nain tegen hen zou beslissen, zou het erg moeilijk zijn om alles opnieuw te bouwen. Ze besloten daarom van het weekend gebruik te maken. Een zekere meneer Lal, een voormalig aannemer, hielp hen om het materiaal bij elkaar te krijgen: stenen, cement en asbestplaten. Dhr. Sethi bood een ploeg arbeiders aan. Vrijdagavond om acht uur begonnen de metselaars met hun werk en ondanks de regen werkten ze de hele nacht door. Toen de rechter op maandagmorgen van de nieuwe tempel hoorde, verklaarde hij: “Wat gebouwd is, is gebouwd. Niemand kan de tempel vernietigen.”
Toen Prabhupāda dit nieuws hoorde, beschouwde hij het als een complete overwinning. De tempel was herbouwd en de publieke opinie was sterk ten gunste van iskcon gekeerd.
Māyāpur, 1 juni 1973
Hoewel het bouwwerk in māyāpur nog niet voltooid was, was Prabhupāda toch gekomen met het plan er te verblijven. Hij nam twee aan elkaar grenzende kamers op de eerste verdieping in gebruik: één als studeerkamer en één als slaapkamer. Ondertussen gingen de constructiewerkzaamheden in de tempelkamer en de andere delen van het gebouw door. Op de eerste dag dat Prabhupāda er was, verzamelden zich enorme zwarte wolken aan de hemel en stak er een storm op met sterke windstoten. Maar de storm duurde maar kort en de schade was gering.
Ik ben net in Māyāpur aangekomen en heb goede hoop dat ik mijn gezondheid en kracht in deze transcendentale sfeer terug zal krijgen. Ik geniet van elk moment dat ik hier doorbreng.
Elke avond kwam de tempel-pūjāri, Jananivāsa, naar Prabhupāda’s kamer met een aarden pot met brandende kolen en wierookkorrels. Hij wakkerde de wierook dan aan tot de kamer gevuld was met rook. Dit was om de insecten eruit te jagen, maar Prabhupāda beschouwde het ook als zuiverend.
Hoewel het gehamer van de arbeiders hem soms stoorde, vond hij de atmosfeer verder vredig. Er woonden maar een paar toegewijden. In Māyāpur wijdde Prabhupāda zich aan zijn vertaalwerk en sprak hij met gasten en de toegewijden die de leiding hadden over het project. Hij gaf zijn verlangens vooral te kennen aan Bhavānanda Mahārāja en Jayapatāka Mahārāja en voerde zijn wil via hen uit.
De toegewijden die met Prabhupāda in Māyāpur woonden, beschouwden zich als dienaren in Prabhupāda’s eigen huis. Natuurlijk behoorden alle tempels in iskcon Prabhupāda toe, maar in Māyāpur was dat besef extra sterk. Over het algemeen brachten de toegewijden in ieder centrum het geld om hun tempel te onderhouden zelf bijeen, maar voor Māyāpur had Prabhupāda dit persoonlijk op zich genomen. Hij was het Māyāpur Vṛndāvana Fonds begonnen, waarin hij giften van zijn leerlingen en de rente van obligaties en aandelendeposito’s stortte. Werd er geld misbruikt, energie verkeerd aangewend, of raakte het gebouw op een of andere manier beschadigd, dan werd Prabhupāda erg bezorgd. Nu hij persoonlijk aanwezig was, liep hij vaak rond: hij gaf dan gedetailleerde aanwijzingen en verlangde dat fouten hersteld werden. Het roze- en roestkleurige gebouw was als een enorm transcendentaal schip met Śrīla Prabhupāda als de kapitein die over de brede dekken liep en alle matrozen strikte orders gaf om alles keurig in orde te houden.
Prabhupāda voelde diepe genegenheid en dankbaarheid voor zijn leerlingen die hun leven aan het Māyāpur-project hadden gewijd. Op een avond riep hij Bhavānanda bij zich op zijn kamer en begon hem vragen te stellen over de toegewijden. Plotseling begon Prabhupāda te huilen. “Ik weet dat het moeilijk is voor jullie, jongens en meisjes uit het Westen”, zei hij. “Jullie zijn mijn missie zo toegewijd. Ik weet dat jullie niet eens genoeg prasādam kunnen krijgen. Als ik bedenk dat jullie hier zelfs geen melk kunnen krijgen, dat jullie je luxe leven hebben opgegeven om hier te komen en dat jullie niet klagen, dan ben ik jullie allemaal bijzonder dankbaar.”
Bhavānanda: De marmerwerkers woonden in een paar chātāi-huizen vlak naast het bouwterrein. Net buiten het gebouw stond een handpomp. Daar wasten we ons en daar haalden de werkers ook het water voor het cement. Een eindje verder waren er twee toiletten, een voor de mannen en een voor de vrouwen. Het waren gewoon twee gaten in de grond, ieder met een muur van chātāi eromheen. Als de stormen en de regens kwamen moesten we door de modder waden om bij de toiletten te komen. En het wemelde van de slangen. Het was heftig! Het was een bouwterrein. Niemand woont op een bouwterrein, behalve wij. Śrīla Prabhupāda liet ons daarheen verhuizen. Het was goed voor ons. Geen badkamers, niets – alleen maar open vloeren en cement.
De toegewijden verdroegen de ontberingen van het wonen op het bouwterrein maar klaagden soms toch. Maar voor Śrīla Prabhupāda was het nooit te moeilijk en hij moedigde de toegewijden aan: “Māyāpur is zo prachtig. Je kunt er enkel op lucht en water leven.”
Het omringende land bestond uit rijstvelden en om vanaf de ingang van het terrein naar het tempelgebouw te komen – een afstand van tweehonderd meter – moesten de toegewijden op de aarden richels lopen die het ene rijstveld van het andere scheidden. De keuken, een hut van jute en bamboe, stond vlakbij de ingang naar het terrein.
Omdat de energietoevoer vaak afgesloten was, moesten ze het veelal zonder elektriciteit stellen. ’s Avonds gebruikten ze petroleumlampen en Prabhupāda zei dat de lampen iedere dag uit elkaar gehaald moesten worden, zodat de pitten afgeknipt en het glas gewassen kon worden. “In de toekomst”, zei hij, “moeten jullie ricinusbonen kweken, de pitten pletten en die olie gebruiken om in de lampen te branden.”
Prabhupāda leerde de toegewijden hoe ze eenvoudige hutten moesten maken. Ook wilde hij dat ze een muur met een poort langs de voorkant van het terrein bouwden. Tegen de muur aan konden ze kleine kamers bouwen (barakken noemde hij ze), waarin ze konden wonen. Ze moesten ook kokospalmen en bananenbomen planten.
Přestože budova ještĕ nebyla dostavĕná, přijíždĕlo sem mnoho návštĕvníků, hlavnĕ proto, aby si pohovořili s Prabhupádou. Prabhupáda trpĕlivĕ vĕnoval každý den řadu hodin rozmluvám o vĕdomí Krišny s hosty, kteří se zajímali o hnutí anebo také přijíždĕli jen kvůli tomu, aby mohli mluvit o sobĕ a o své filosofii. Občas poznamenal, že ho nĕkterý návštĕvník připravil o čas, ale přesto žádné návštĕvy neodmítal. Jednou ho z Kalkaty přijel navštívit zámožný hind, pan Bridžratan Móhatta se svojí ženou, dcerou multimilionáře R. D. Birly. Šríla Prabhupáda se osobnĕ staral o to, aby se jeho hostům dostalo náležitého uvítání. Dohlédl na připravovaný jídelníček a poučil své žáky, jak mají pana Móhattu a jeho ženu obsloužit. Nabízení prasádam představovalo důležitou součást vaišnavské etikety a Šríla Prabhupáda stále kladl důraz na to, aby návštĕvníkům oddaní ihned nĕjaké prasádam nabízeli.
„Musíte být kdykoliv připraveni nabídnout hostům vodu, horká purí, smažený baklažán a sladkosti,“ poučoval je Prabhupáda. I když se nĕkteří hosté ostýchali, Prabhupáda trval na tom, aby ochutnali všechny chody. Paní Móhattová patřila do jedné z nejbohatších rodin v Indii, a přesto byla spokojená s prostým pohoštĕním, které jí Šríla Prabhupáda se svými žáky nabídl. Pokoj, který byl pro ni a jejího manžela připraven, nebyl dokončený – břidlicová podlaha nebyla vyleštĕná, kolem pokračovaly stavební práce a na spaní tu byla jen matrace na zemi a polštář – ale hosté i tak vypadali spokojenĕ a přijetí si pochvalovali.
* * *
Zelfs al was het gebouw nog niet af, toch kwamen er al veel gasten bij Prabhupāda op bezoek. Hij offerde iedere dag uren op om met hen over Kṛṣṇa-bewustzijn te spreken. De bezoekers stelden vragen over zijn beweging of soms kwamen ze alleen maar over zichzelf en hun eigen filosofie praten, Prabhupāda klaagde wel eens dat iemand zijn tijd had verknoeid, maar hij weerhield er nooit iemand van hem op te zoeken. Een rijk hindoe-echtpaar, dhr. Brijratan Mohatta en zijn vrouw, de dochter van de multimiljonair R. D. Birla, kwamen Prabhupāda opzoeken vanuit Kolkata. Śrīla Prabhupāda zorgde er persoonlijk voor dat zijn gasten goed werden ontvangen. Hij bekeek het menu en gaf zijn leerlingen aanwijzingen hoe ze dhr. Mohatta en zijn vrouw moesten serveren. Het serveren van prasādam was een belangrijk onderdeel van de vaiṣṇava-etiquette en Śrīla Prabhupāda benadrukte vaak dat de toegewijden alle gasten onmiddellijk prasādam moesten aanbieden.
“Je moet er altijd voor zorgen dat je water, hete purī’s, aubergine-bhaji (gefrituurde aubergine) en wat zoets kunt aanbieden”, zei Prabhupāda. Zelfs wanneer gasten er verlegen mee leken te zijn, drong Prabhupāda erop aan dat ze bleven eten. Hoewel mevr. Mohatta uit een van de rijkste families in India kwam, was ze tevreden met de eenvoudige gastvrijheid die Śrīla Prabhupāda en zijn leerlingen haar aanboden. De kamer waar zij en haar echtgenoot verbleven was niet eens klaar – de leistenen vloer was niet gepolijst en de bouwwerkzaamheden waren nog volop aan de gang – en de toegewijden konden hun alleen maar een matras op de vloer en een hoofdkussen aanbieden. Toch leken ze heel tevreden en dankbaar.
Bhavānanda: Śrīla Prabhupāda maakte ons in Māyāpur vertrouwd met de Indiase cultuur. In 1970 had hij me in Los Angeles eens gevraagd lakens aan elkaar te naaien om over het tapijt in zijn kamer te leggen. Toen was hij op zijn knieën vlak naast me op de vloer komen zitten en hebben we samen de kreukels in het laken gladgestreken.
n Māyāpur liet hij ons hetzelfde doen: we legden matrassen van het ene eind van de kamer naar het andere en we plaatsten kussens tegen de muur. “Nu leg je hier lakens overheen,” zei hij, “en die verwissel je iedere dag.” Als Bengaalse heren Śrīla Prabhupāda in zijn kamer kwamen opzoeken, zaten ze op deze matrassen en leunden met hun rug tegen de kussens.
Het zag er erg deftig uit. Hij was gewoon de mahant, de heer des huizes, de Ācārya. Prabhupāda haalde die oude aristocratische sfeer van het begin van deze eeuw weer naar boven. Hij was daarmee vertrouwd geraakt toen hij als kind met de familie Mullik omging. Deze beschaafde, traditionele cultuur was meer en meer aan het verdwijnen, omdat al deze rijke families geruïneerd waren.
Tijdens zijn bezoek onthulde Prabhupāda meer van zijn ideeën over de verdere ontwikkeling van het iskcon-project in Māyāpur. De toegewijden waren zich er al van bewust dat het een enorm plan was, dat miljoenen dollars zou gaan kosten. Ze hadden nu een gastenhuis, maar dat was nog maar het begin. In het totale plan zou dit ene gebouw bijna onbeduidend zijn. Prabhupāda had het over een kolossale tempel waarvan de koepel boven een transcendentale stad zou uitsteken. In deze Māyāpur Chandrodaya Mandir zou het grootste planetarium ter wereld opgesteld worden, dat het universum zou voorstellen zoals het in de Veda’s wordt beschreven.
Om zo’n project uit te voeren, wilde Prabhupāda zijn leerlingen opleiden in de vedische kunsten, die snel aan het uitsterven waren in Bengalen. Bhaktisiddhānta Sarasvatī was erg geïnteresseerd geweest in het gebruik van diorama’s om de līlā van Kṛṣṇa en Heer Caitanya uit te beelden en Prabhupāda wilde nu dat zijn leerlingen deze kunst onder de knie zouden krijgen door bij plaatselijke kunstenaars in de leer te gaan.
In juni arriveerden Baradrāja, Ādideva, Mūrti en Īśāna om opgeleid te worden in de kunst van het beelden maken. Omdat Prabhupāda ook wilde dat iemand zou leren mṛdaṅga’s te maken, kwam er iedere dag een pottenbakker om Īśāna te laten zien hoe hij de schalen van klei moest vormen en bakken. Prabhupāda liet de rieten hut waar hij gewoond had ombouwen tot een atelier en hij nodigde nog meer leerlingen uit om naar Māyāpur te komen.
Māyāpur is op zichzelf al fantastisch, omdat het de transcendentale geboorteplaats van Heer Kṛṣṇa is. Als we nu westerse talenten gebruiken om deze plaats te ontwikkelen, zal het zeker een unicum worden in de wereld.
Met de Māyāpur-stad, zei Prabhupāda, zouden alle verlangens van de voorgaande ācārya’s in vervulling gaan. Er zouden vijftigduizend mensen kunnen wonen en het zou de spirituele hoofdstad van de wereld worden. Met haar gigantische tempel in het centrum en aparte wijken voor brāhmaṇa’s, kṣatriya’s, vaiśya’s en śūdra’s zou deze stad model staan voor alle andere steden in de wereld. Er zou een dag komen waarop alle steden van de wereld vernietigd zouden zijn en de mensheid haar toevlucht zou nemen in steden die naar het voorbeeld van Māyāpur gebouwd waren. De ontwikkeling van het Māyāpur-project was het begin van een Kṛṣṇa-bewuste wereld. Op deze manier zou de invloed van Śrī Caitanya Mahāprabhu toenemen en Zijn voorspelling uitkomen: “In iedere stad en ieder dorp zal Mijn naam worden gechant.”
Prabhupāda zei dat Māyāpur uiteindelijk makkelijker te bereiken moest zijn, via een brug vanuit Navadvīpa, met motorboten over de Ganges vanaf Kolkata en vanuit alle windstreken door de lucht. In Bengalen waren miljoenen mensen van kinds af aan volgelingen van Heer Caitanya en ze zouden het Kṛṣṇa-bewustzijn herkennen en het aanvaarden als de zuivere vorm van hun eigen cultuur. Er bestond een gezegde: “Wat Bengalen doet, wordt door de rest van India gevolgd.” Als Bengalen dus gereformeerd en gezuiverd werd door het Kṛṣṇa-bewust voorbeeld van de Amerikaanse vaiṣṇava’s, dan zou heel India volgen. En wanneer heel India Kṛṣṇa-bewust werd, zou de hele wereld volgen. “Ik heb jullie het koninkrijk Gods gegeven”, zei Prabhupāda tegen zijn leiders in Māyāpur. “Aanvaard het, ontwikkel het en geniet ervan.”
Māyāpur is op zichzelf al fantastisch, omdat het de transcendentale geboorteplaats van Heer Kṛṣṇa is. Als we nu westerse talenten gebruiken om deze plaats te ontwikkelen, zal het zeker een unicum worden in de wereld.
Met de Māyāpur-stad, zei Prabhupāda, zouden alle verlangens van de voorgaande ācārya’s in vervulling gaan. Er zouden vijftigduizend mensen kunnen wonen en het zou de spirituele hoofdstad van de wereld worden. Met haar gigantische tempel in het centrum en aparte wijken voor brāhmaṇa’s, kṣatriya’s, vaiśya’s en śūdra’s zou deze stad model staan voor alle andere steden in de wereld. Er zou een dag komen waarop alle steden van de wereld vernietigd zouden zijn en de mensheid haar toevlucht zou nemen in steden die naar het voorbeeld van Māyāpur gebouwd waren. De ontwikkeling van het Māyāpur-project was het begin van een Kṛṣṇa-bewuste wereld. Op deze manier zou de invloed van Śrī Caitanya Mahāprabhu toenemen en Zijn voorspelling uitkomen: “In iedere stad en ieder dorp zal Mijn naam worden gechant.”
Prabhupāda zei dat Māyāpur uiteindelijk makkelijker te bereiken moest zijn, via een brug vanuit Navadvīpa, met motorboten over de Ganges vanaf Kolkata en vanuit alle windstreken door de lucht. In Bengalen waren miljoenen mensen van kinds af aan volgelingen van Heer Caitanya en ze zouden het Kṛṣṇa-bewustzijn herkennen en het aanvaarden als de zuivere vorm van hun eigen cultuur. Er bestond een gezegde: “Wat Bengalen doet, wordt door de rest van India gevolgd.” Als Bengalen dus gereformeerd en gezuiverd werd door het Kṛṣṇa-bewust voorbeeld van de Amerikaanse vaiṣṇava’s, dan zou heel India volgen. En wanneer heel India Kṛṣṇa-bewust werd, zou de hele wereld volgen. “Ik heb jullie het koninkrijk Gods gegeven”, zei Prabhupāda tegen zijn leiders in Māyāpur. “Aanvaard het, ontwikkel het en geniet ervan.”
27 juni 1973
Vanuit māyāpur reisde Śrīla Prabhupāda naar Kolkata. Hij schreef aan Tamāla Kṛṣṇa Goswami:
Śyāmasundara heeft me uitgenodigd naar Engeland te komen om daar een paar heel belangrijke mensen te ontmoeten in het nieuwe huis dat George ons gegeven heeft… Maar ik wil eerst de zaak in Mumbai definitief regelen, voordat ik naar Europa of Amerika terugkeer. Als er in Mumbai een plaats is waar ik een paar dagen kan verblijven, kan ik onmiddellijk komen en vandaar naar Londen vertrekken.
Prabhupāda bracht een paar dagen door in de tempel aan de Albert Road in Kolkata, waar hij zijn reisplan overdacht. Hij liet iedereen toe die hem wilde zien en zijn kamer zat vaak vol met plaatselijke Bengalezen en zijn eigen leerlingen, die dan op het witte laken voor hem zaten. ’s Avonds bracht hij vaak een uur bij iemand thuis door om het Kṛṣṇa-bewustzijn te prediken, ook al betekende het dat hij kilometers door de drukke stad moest rijden.
Ook Śrīla Prabhupāda’s zuster Bhavatāriṇī (onder de toegewijden beter bekend als Piśimā) bezocht regelmatig de tempel in Kolkata om haar geliefde broer te zien en om, zoals gewoonlijk, voor hem te koken. Maar op een dag kreeg Prabhupāda hevige maagpijn nadat hij haar kachaurī’s had gegeten. Hij sloot de deur van zijn kamer en ging naar bed. De toegewijden waren bezorgd. Toen zijn dienaar, Śrutakīrti, de kamer binnenkwam, vond hij hem kreunend in zijn bed.
“Śrīla Prabhupāda, wat is er aan de hand?”
“Mijn maag”, antwoordde Prabhupāda, “die kokosnoot-kachaurī was niet gaar.”
De krampen duurden de hele nacht. Toegewijden masseerden Prabhupāda voortdurend, vooral zijn maag. Bij iedere ademhaling kreunde hij. Piśimā stond erbij, maar Prabhupāda’s leerlingen waren bang dat ze misschien weer iets voor hem zou willen koken, ook al was hij zo ziek.
Prabhupāda vroeg of ze de foto van Śrī Nṛsiṁhadeva van het altaar konden halen en naast zijn bed konden zetten. Sommige toegewijden vreesden dat Prabhupāda op het punt stond te sterven. De volgende morgen, toen de pijn bleef aanhouden, riepen de toegewijden een kavirāja (ayurvedische arts) uit de buurt.
De oude kavirāja kwam en stelde vast dat Prabhupāda aan zware dysenterie leed. Hij liet medicijnen achter, maar die hielpen niet. Even later riep Prabhupāda Bhavānanda op zijn kamer en vroeg om gefrituurde purī’s met een beetje paṭala (een Indiase groente die op een kleine pompoen lijkt) en zout. Bhavānanda protesteerde dat zulk gefrituurd voedsel helemaal niet goed voor hem zou zijn. Prabhupāda antwoordde dat dit het geneesmiddel was dat zijn moeder hem in zijn kinderjaren gegeven had als hij aan dysenterie leed. Hij riep zijn zuster en vroeg haar in het Bengaals purī’s en paṭala klaar te maken. Een paar uur na deze maaltijd riep Prabhupāda Bhavānanda opnieuw bij zich. Hij voelde zich beter. “Mijn moeder had gelijk”, merkte hij op.
prabhupāda ontving een lang telegram van Śyāmasundara, waarin hij de predikmogelijkheden die hem in Londen te wachten stonden in geuren en kleuren afschilderde. Hij zou daar van het vliegveld afgehaald worden met een helikopter en dan naar de plaats van het belangrijkste evenement gevlogen worden – het grootste Ratha-yātrā-festival dat ooit in het Westen was gehouden. De parade zou langs Picadilly trekken en haar hoogtepunt vinden in een grote tent op Trafalgar Square.
“Je moet het ijzer smeden als het heet is”, zei Prabhupāda. “Dat is toch een bekend spreekwoord?” Als je dat doet, kun je ijzer buigen. In het Westen hebben de mensen er genoeg van. Daarom willen we ze spirituele verlichting geven.”
Prabhupāda had zijn leerlingen meteen overtuigd met zijn krachtige verklaringen. “Er zijn twee misleidende theorieën in het Westen,” vervolgde hij, “de ene is dat het leven voortkomt uit materie en de andere dat er geen leven is na de dood – pluk de dag. Ze zeggen dat alles materie is. Als deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn groeit, zullen de communisten in bedwang worden gehouden. De mensen zeggen naar eenheid te streven maar missen de intelligentie om in te zien hoe ze die eenheid kunnen bereiken. Ze hebben grote, ingewikkelde organisaties als de Volkenbond en de Verenigde Naties opgericht, maar die falen allemaal. Deze eenvoudige methode van Ratha-yātrā verspreidt zich echter over de hele wereld. Jagannātha betekent ‘Heer van het universum’. Heer Jagannātha is nu dankzij iskcon een internationale God. Daarom wil ik naar het Westen gaan om ze dit te geven.”
Hoewel Prabhupāda lichamelijk niet in staat leek om direct naar Londen te vliegen en volop te gaan prediken, gaven zijn leerlingen zich over en aanvaardden ze het als het zoveelste wonder van Kṛṣṇa.
Londen, 7 juli 1973
Parividha: Het was de dag van Ratha-yātrā. Toen ik Prabhupāda de tempel zag binnenkomen, leek hij niet erg sterk. Ik was echt verbaasd, maar ik begreep dat zijn kracht iets spiritueels was.
Dhruvanātha: We stonden aan het beginpunt van de optocht bij Marble Arch te wachten om Prabhupāda te ontvangen. Zijn vyāsāsana op de praalwagen van Heer Jagannātha was mooi versierd en iedereen verwachtte dat Prabhupāda er gewoon op zou gaan zitten en zo door de straten zou rijden, zoals hij dat bij de andere Ratha-yātrā’s ook altijd had gedaan. We waren daarom enorm verbaasd en blij dat Prabhupāda, toen hij aankwam, weigerde op de vyāsāsana te gaan zitten. Hij maakte ons duidelijk dat hij zou dansen en de optocht zou leiden.
Yogeśvara: Ze brachten een trap, zodat Prabhupāda op de kar kon komen en op zijn vyāsāsana kon gaan zitten. Maar hij wuifde hen weg en begon gewoon met de kar mee te lopen en te dansen.
Dhīraśānta: Ik had mijn enkel verstuikt en kon niet lopen, daarom zat ik op de kar. Daar kon ik Prabhupāda heel duidelijk zien. Revatīnandana Mahārāja chantte in de microfoon die op de kar stond, maar toen de optocht ongeveer vijftien minuten bezig was, zei Prabhupāda tegen de toegewijden dat ze Revatīnandana Mahārāja en de anderen moesten vragen naar beneden te komen om samen met hem op straat de kīrtana te leiden.
Revatīnandana: Toen Prabhupāda zijn vyāsāsana op de kar zag staan, zei hij: “Nee, ik ben gewoon een toegewijde. Ik loop in de optocht mee.” De kīrtana was fantastisch, geweldig. Haṁsadūta leidde. Daarna leidde ikzelf en toen Śyāmasundara – verschillende toegewijden wisselden elkaar af en leidden fantastische kīrtana’s. En Prabhupāda stond de hele tijd midden in de kīrtana met zijn karatāla’s. Hij danste maar en danste maar en sprong op en neer.
Rohiṇī-nandana: De kar reed nogal langzaam. Prabhupāda liep zo’n twintig of dertig meter voor de kar uit en leidde de optocht. Ondertussen werd er op de kar een kīrtana gehouden die door de geluidsinstallatie versterkt werd. Prabhupāda riep alle toegewijden naar beneden en verzamelde ze om zich heen. Iedereen chantte Hare Kṛṣṇa. Af en toe draaide hij zich om, stak beide armen heel majesteitelijk omhoog en zei: “Jaya Jagannātha!” Soms liepen we een beetje te ver vooruit en dan draaide hij zich om en wachtte op de kar. Soms danste hij en soms stond hij stil, met zijn armen opgeheven in de lucht.
Sāradīyā dāsī: Prabhupāda was aan het dansen, maar na een paar meter draaide hij zich om en keek omhoog naar de Beeldgedaanten, met zijn armen opgeheven. Dan danste hij even, mediterend op de Beeldgedaanten en daarna draaide hij zich weer om en ging verder. Zo ging het de hele weg. De toegewijden stonden in een kring om hem heen en hielden elkaars handen vast, om hem tegen de menigte te beschermen. Het was een fantastisch en transcendentaal gebeuren. Prabhupāda keek omhoog naar de Beeldgedaanten en alle toegewijden volgden hem op de voet.
Sudurjaya: Prabhupāda deed ons versteld staan. We wisten niet of hij nu ziek was of niet, zich zwak en duizelig voelde of niet. Soms zag hij er erg ziek uit en soms zag hij eruit als een jongen van achttien. We konden onze ogen niet geloven. Hij had zijn wandelstok in zijn hand, maar stak hem in de lucht als hij danste. Na een tijdje kwam Śyāmasundara naar me toe en zei: “Luister, Prabhupāda gaat het niet tot het einde volhouden; hij is erg ziek. Je moet met een auto volgen. Blijf op dertig seconden afstand, zodat we Prabhupāda onmiddellijk in de auto kunnen zetten.” Prabhupāda danste heel Parklane af en soms konden ze de karren niet snel genoeg trekken om hem bij te houden. Hij draaide zich om, hief zijn handen op en riep: “Haribol!” Dit deed hij een paar keer. Hij liep zo snel dat hij op de rest van de optocht moest wachten. De toegewijden dansten, het was prachtig weer en de menigte
was uitgelaten.
was uitgelaten.
Dhruvanātha: De voorbijgangers stonden als aan de grond genageld als ze Prabhupāda zagen. Iemand van die leeftijd die danste en in de lucht sprong als een jongeman, dat hadden ze nog nooit gezien! Prabhupāda keerde zich zo om de vijf minuten om, om naar Jagannātha te kijken. De toegewijden gingen dan opzij, zodat niemand hem in zijn zicht belemmerde en hij een volmaakt uitzicht op Jagannātha, Balarāma en Subhadrā had. Maar na een tijdje kwam de politie en gebaarde dat we niet steeds konden blijven stilstaan. We moesten zorgen dat de hele zaak op gang bleef, omdat er gevaarlijke verkeersopstoppingen ontstonden. De toegewijden juichten, chantten en dansten; het was een oorverdovend tumult.
Srutakīrti: Toen Prabhupāda aan het dansen was, kwamen er steeds maar agenten naar ons toe. Ze zochten naar de verantwoordelijke van de groep. Uiteindelijk kwamen ze bij mij en zeiden: “Je moet tegen jullie leider zeggen, dat hij moet gaan zitten. Hij veroorzaakt te veel opschudding. Iedereen wordt wild en we kunnen de menigte niet in bedwang houden.” Ik antwoordde: “Oké.” Maar ik zei niets tegen Prabhupāda.
Toen kwamen ze weer en zeiden: “Je moet hem zeggen dat hij gaat zitten.” Ik zei: “Oké” en tikte Prabhupāda op zijn schouder. Hij was de hele tijd in vervoering geweest; hij had steeds voor de kar gedanst en alle anderen aangespoord om te dansen. Hij gebaarde dan met zijn hand om de toegewijden aan te moedigen te blijven dansen. Hij hield de vaart erin. Ik zei: “Prabhupāda, de politie wil dat u gaat zitten. Ze zeggen dat u te veel opschudding veroorzaakt.” Prabhupāda keek me aan, draaide zich om en ging door met dansen. Hij negeerde het gewoon en ze konden er niets aan doen. Niets kon Prabhupāda ervan weerhouden te dansen en de politie gaf het op.
Parividha: Ik was de hele tijd Back to Godhead-tijdschriften aan het uitdelen onder de mensen die langs de weg stonden. Ik was doodop en had veel moeite de optocht bij te houden. Maar Prabhupāda danste maar als een jonge jongen. Ik stond versteld van zijn spirituele energie.
Dhruvanātha: Toen we op Picadilly Circus aankwamen, zette Prabhupāda de hele optocht stil. Het zag er zwart van de mensen. Prabhupāda liet de optocht ongeveer drie minuten lang stilhouden en bleef maar dansen en dansen met alle toegewijden om zich heen.
Rohiṇī-nandana: Toen we op Picadilly Circus aankwamen, begon Prabhupāda pas echt te dansen. Hij sprong heel hoog op en neer. De kar werd stilgezet. Het leek precies op de beschrijving in het Caitanya-caritāmṛta, hoe Heer Caitanya de Ratha-yātrā-optocht altijd leidde. De kar stond stil en Prabhupāda wachtte tot ze weer begon te rijden.
Yogeśvara: Toen we eindelijk op Trafalgar Square aankwamen en Prabhupāda de grote tent zag en de andere stalletjes, die de toegewijden hadden opgezet, hief hij zijn handen weer omhoog. Hij moet minstens een uur gelopen en gedanst hebben – de hele weg van Hyde Park naar Trafalgar Square.
Rohiṇī-nandana: Toen Prabhupāda op Trafalgar Square aankwam, ging hij meteen op een kleine vyāsāsana op het voetstuk van Nelson’s Column zitten om een lezing te geven over de heilige naam van Kṛṣṇa. Hoewel hij zo lang achter elkaar gechant en gedanst had, aarzelde hij niet om meteen een lezing te geven.
De volgende dag stonden er bijzonder positieve artikelen over het festival in de krant. Prabhupāda schreef aan een toegewijde in Los Angeles:
Je zult blij zijn te horen dat het Ratha-yātrā in Londen bijzonder goed is verlopen. De Daily Guardian heeft een foto van onze festivalkar op de voorpagina geplaatst. Ze schreven dat we het monument ter nagedachtenis aan Lord Nelson op Trafalgar Square concurrentie aandeden. Mijn gezondheid is goed, ik maak elke dag een wandeling en ik geef elke ochtend een lezing.
In een andere brief schreef Prabhupāda:
Ons festival hier is heel goed ontvangen en het hele gebeuren heeft me zo geïnspireerd dat ik in staat was de hele weg van Hyde Park naar Trafalgar Square te lopen en te dansen.
De toegewijden hadden veel bekende Engelsen uitgenodigd om Śrīla Prabhupāda te ontmoeten en velen zegden toe. De econoom Ernst Schumacher en ook de filosoof Sir Alfred J. Ayer beloofden langs te komen. Toen Śyāmasundara Prabhupāda vertelde dat Ayer erg bekend was, antwoordde Prabhupāda: “Wat is zijn filosofie?”
“Nou,” antwoordde Śyāmasundara, “hij gelooft niet in het bestaan van God.”
“Ik zal hem de bewijzen geven”, antwoordde Prabhupāda. “Ik zal hem vragen wat hij bedoelt met ‘het bestaan van God’. Ik zal hem vragen een lijst te maken met alle redenen waarom God niet zou bestaan.” Prabhupāda hield ervan filosofen te ontmoeten en ze dan ‘in een hoek te drijven en te verslaan.’
De historicus Arnold Toynbee was oud en invalide. Prabhupāda stemde ermee in hem thuis op te zoeken. Toynbee was geïnteresseerd in het leven na de dood en hij stelde Prabhupāda vragen over karma. De meeste mensen, zei hij, waren bang voor de dood. Prabhupāda was dat met hem eens en voegde eraan toe, dat volgens een bepaalde astroloog een van de onlangs overleden leiders van India als een hond teruggekomen was. “Ze zijn bang dat ze erop achteruit zullen gaan”, zei hij. Toen Toynbee vroeg of iemands karma ook veranderd kon worden, antwoordde Prabhupāda dat dat mogelijk was, maar alleen door bhakti, devotie voor God.
George Harrison benaderde Prabhupāda op de nederige manier van een toegewijde. Prabhupāda en George namen samen prasādam: samosā’s, halavā, groenten, zure room en purī’s. Terwijl ze van de prasādam genoten vertelde Prabhupāda dat er in Vṛndāvana bepaalde pāṇḍā’s (gidsen in de heilige plaatsen) waren die nogal eens te veel aten. Op een keer had er één zoveel gegeten dat hij bijna doodging, maar hij verzekerde zijn zoon: “Op z’n minst sterf ik van het eten en niet van de honger. Te sterven van de honger is eerloos.” Prabhupāda glimlachte terwijl hij met George sprak en betuigde hem zijn erkentelijkheid voor het feit dat hij de Manor geschonken had. “Heb je mijn kamer gezien?” vroeg Prabhupāda. “Eigenlijk is het jouw huis en mijn kamer.”
“Nee,” protesteerde George, die zich liever als een nederige leerling gedroeg, “het is Kṛṣṇa’s huis en uw kamer.”
Toen George Prabhupāda toevertrouwde dat hij door zijn belangstelling voor het Kṛṣṇa-bewustzijn vrienden verloor, zei Prabhupāda dat hij zich geen zorgen moest maken. Hij las George de passage voor uit de Gītā, waar Kṛṣṇa uitlegt dat Hij alleen maar gekend kan worden door devotionele dienst.
“In de toekomst”, zei George, “zal ISKCON zo groot worden dat er een soort bestuur nodig zal zijn.”
Prabhupāda: “Ik heb de wereld in twaalf zones verdeeld en voor elke zone een vertegenwoordiger aangesteld. Zolang ze zich aan de spirituele leefregels houden, zal Kṛṣṇa hen helpen.”
Voor hij vertrok, verzekerde George Prabhupāda dat hij hem zou helpen het aantal tempels in de wereld te doen groeien. Later merkte Prabhupāda op: “George krijgt innerlijke hoop van Kṛṣṇa.”
Via George Harrison had een andere beroemde popzanger en musicus, Donovan, het verlangen gekregen de vermaarde leider van de Hare Kṛṣṇa-beweging te ontmoeten. Donovan, in gezelschap van een bevriend musicus en hun twee vriendinnetjes in minirok, zat opgelaten voor Śrīla Prabhupāda. Er heerste een enigszins pijnlijke stilte. Prabhupāda sprak: “Er staat een vers in de Veda’s waarin muziek de hoogste vorm van onderwijs wordt genoemd.” En hij begon uit te leggen hoe een musicus Kṛṣṇa kon dienen. “Jullie zouden hetzelfde moeten doen als jullie vriend George”, zei Prabhupāda. “We kunnen de thema’s geven op basis waarvan jullie liedjes kunnen schrijven.” Prabhupāda zei dat alles, zelfs geld, in dienst van Kṛṣṇa gesteld kon worden.
“Maar geld is materieel”, onderbrak Donovans vriendin hem.
“Hoe weet jij wat materieel en wat spiritueel is?” vroeg Prabhupāda. Hij wendde zich tot Donovan: “Begrijp jij het?” Donovan antwoordde nederig dat hij dom was maar zijn best deed om het te begrijpen. Toen boog Donovans vriendin zich naar hem toe en fluisterde iets in zijn oor, waarop Donovan opstond en zei: “Zo, we moesten maar weer eens opstappen.” Prabhupāda drong erop aan dat ze in ieder geval eerst wat prasādam zouden nemen.
Zodra de gasten vertrokken waren, begonnen Prabhupāda en zijn leerlingen te lachen. Prabhupāda zei: “Ze dacht…” en hij liet zijn leerlingen de zin afmaken.
“Ja,” zei Yogeśvara, “ze dacht: als Kṛṣṇa hem krijgt, ben ik hem kwijt.”
Prabhupāda vond het zo fijn om tegen belangrijke gasten te prediken dat hij daar overal ter wereld mee door wilde gaan. “Waar ik vanaf nu ook maar kom,” schreef hij in een brief aan een leerling, “zou het de regel moeten zijn dat er belangrijke mensen worden uitgenodigd om met mij over onze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn te komen praten.”
In de Manor ging een maand voorbij en het zou nog enkele weken duren voor het Janmāṣṭamī was en de Beeldgedaanten op het altaar zouden worden geplaatst. Toen Bhagavān Prabhupāda vroeg een bezoek aan Parijs te brengen en daar op het altaar de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa te plaatsen, stemde Prabhupāda dan ook toe.
Parijs, 9 augustus 1973
De toegewijden hadden een officiële ontvangst op het stadhuis geregeld voor Śrīla Prabhupāda. In het bijzijn van de burgemeester en de raadsleden zei Prabhupāda dat als de regeringsleiders de burgers niet leerden Godsbewust te zijn, ze geen verantwoordelijke leiders waren. Een journalist die de volgende dag een verslag van dit gesprek in de krant schreef, verklaarde dat de swami zelfs Napoleon Bonaparte had bekritiseerd.
Bhagavān: We hadden net onze intrek genomen in de nieuwe tempel aan de Rue le Sueur nr. 4 in Parijs. We hadden Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa die meer dan een meter hoog waren. Prabhupāda liet Pradyumna de mantra’s chanten en de verschillende substanties – zoals melk, yoghurt en honing – over de Beeldgedaanten gieten, terwijl hij zelf vanaf zijn vyāsāsana toekeek en aanwijzingen gaf. Ik hielp mee en op een bepaald moment draaide ik me om en zag dat Prabhupāda vlak naast me stond; hij had de substanties zelf overgenomen en smeerde ze over het lotusachtige gezicht van Śrīmatī Rādhārāṇī. Nadat de Beeldgedaanten op het altaar waren geplaatst, kwam Śrīla Prabhupāda naar voren en offerde de ārati. Ik hielp hem door hem de te offeren artikelen aan te geven.
Na de plaatsingsceremonie gingen we naar boven, naar Śrīla Prabhupāda’s kamer, en vroegen hem vol spanning of hij zo vriendelijk wilde zijn de Beeldgedaanten een naam te geven. Hij leunde achterover en zei dat Ze Rādhā-Paris-īśvara zouden heten. Hij legde uit dat de Indiërs Engeland beschouwden als het land waar iemand goed onderricht kon krijgen en Parijs als de stad waar je heen moet gaan als je zinsbevrediging zocht. Hij begon te lachen en zei dat Kṛṣṇa naar Parijs was gekomen om wat gopī’s, wat Franse meisjes te krijgen, omdat er gezegd wordt dat de vrouwen in Parijs de mooiste gezichten van de wereld hebben. “Rādhārāṇī is zo mooi,” zei Prabhupāda, “een echte Parisienne. En Kṛṣṇa is hierheen gekomen om deze mooiste van alle gopī’s te zoeken. Daarom heet Hij Paris-īśvara.”
Terug in londen kreeg śrīla prabhupāda een dringend telefoontje uit Mumbai. Girirāja vroeg hem om de koop van het land in Juhu persoonlijk met mevr. N. te komen regelen. Girirāja had een nieuwe advocaat, een zekere dhr. Bakhil. Deze zei dat Prabhupāda persoonlijk aanwezig moest zijn, wilde er een regeling getroffen kunnen worden. Een andere advocaat dhr. Chandawal, had hen ook aangeraden Prabhupāda onmiddellijk naar Mumbai te laten komen. Daarom had Girirāja Prabhupāda opgebeld en hem gesmeekt de zaak met mevr. N. eens en voor altijd af te handelen. Prabhupāda stemde toe. Hij besloot tot Janmāṣṭamī in Londen te blijven en daarna terug te gaan naar Mumbai.
* * *
Mumbai, 15 september 1973
Mumbai, 15 september 1973
De dag na zijn aankomst had Prabhupāda een ontmoeting met de advocaten van mevr. N. en luisterde naar hun voorstellen. De situatie begon er hoopvol uit te zien, maar toch was de afloop nog onzeker. Mevr. N.’s houding was veranderd door de reacties van de mensen op haar pogingen de tempel af te breken. Als Prabhupāda het volledige verschuldigde bedrag van twaalf lakhs roepies voor het land in één keer zou betalen, had ze tegen haar advocaat gezegd, dan zou ze met de verkoop instemmen. Prabhupāda was bereidwillig, maar wilde het geld nog niet bijeenbrengen voordat hij zeker wist dat mevr. N. het serieus meende.
Een zekere meneer Asnani, een advocaat uit Mumbai die een steunend lid van iskcon was, had regelmatig ontmoetingen met mevr. N. en probeerde haar ervan te overtuigen met Prabhupāda mee te werken – een voorstel waar zelfs haar eigen advocaten het mee eens waren. Toch gingen er verschillende weken voorbij zonder dat er een ontmoeting tussen Śrīla Prabhupāda en mevr. N. plaatsvond. Eén keer zou Asnani mevr. N. ophalen voor een ontmoeting met Prabhupāda, maar toen had ze afgezegd omdat ze zich niet goed voelde. Elke dag opnieuw beloofde dhr. Asnani Prabhupāda: “Mevr. N. komt morgen.” Prabhupāda raakte ontmoedigd door het uitstel, en daarom lieten zijn secretarissen dhr. Asnani weten dat, hoewel ze wisten dat hij het goed bedoelde, ze meer geneigd waren hun andere advocaten de zaak te laten afhandelen. Maar dhr. Asnani vroeg nog achtenveertig uur om de zaak af te sluiten en de overdracht uit te voeren.
Mevr. N. was in haar tweede huis, waar ze net van haar ziekte hersteld was, toen dhr. Asnani haar bezocht. “Mataji,” smeekte hij haar, “mijn guru mahārāja vertrekt morgen. Als u vanavond niet komt, gaan de moeilijkheden met het land nog een jaar door.” Mevr. N. gaf gehoor aan zijn verzoek en rond negen uur ’s avonds kwamen zij en dhr. Asnani bij het huis van Bogilal Patel aan, waar Śrīla Prabhupāda een kīrtana en een Bhāgavatam-lezing zou houden. Prabhupāda was op het dak bezig zich klaar te maken voor de lezing, maar toen hij hoorde dat mevr. N. was aangekomen, kwam hij naar beneden. Ze spraken kort met elkaar, waarna Prabhupāda zich verontschuldigde en terug naar het dak ging om de lezing te geven.
Omstreeks middernacht keerde hij samen met zijn dienaar en zijn secretaris naar zijn kamer terug. Mevr. N. zat nog steeds te wachten. Ze barstte in tranen uit en boog zich aan Prabhupāda’s voeten neer. “Ik heb spijt van alles wat ik heb gedaan”, snikte ze. “Alstublieft, vergeef me.” Ze beloofde alles te doen wat Prabhupāda wilde.
Prabhupāda keek haar vol mededogen aan. “U bent net als mijn dochter”, zei hij. “Maakt u zich maar niet ongerust. Ik zal voor u zorgen. Ik zal overal voor zorgen voor de rest van uw leven.” Prabhupāda zei dat hij haar voorstel nog steeds aanvaardde: hij zou het nog verschuldigde bedrag van twaalf lakhs betalen, plus vijftigduizend roepies als vergoeding voor de vertraging.
Het was de eerste november, zeven uur ’s avonds. Śrīla Prabhupāda zat achter zijn bureau. Mevr. N. en haar advocaten, de griffier, dhr. Asnani, dhr. en mevr. Sethi en acht toegewijden waren aanwezig. De volle kamer werd steeds warmer en benauwder. Mevr. N. zat rechts naast Prabhupāda, terwijl de griffier de papieren klaarmaakte die getekend moesten worden. Śrīla Prabhupāda zag er ernstig uit. Het was doodstil in de kamer, op het geluid van ritselend papier en het krassen van de pen na. Het voorbereiden van de overdrachtspapieren nam meer dan twintig minuten in beslag. Prabhupāda betaalde mevr. N., die vervolgens de overdrachtspapieren tekende. Het land behoorde nu wettelijk toe aan ISKCON.
Girirāja Het was muisstil in de kamer tijdens het tekenen en iedereen voelde dat er iets heel gedenkwaardigs gebeurde – het was alsof twee grootmachten een verdrag aan het tekenen waren. Nadat mevr. N. de documenten had getekend, werden ze van hand tot hand doorgegeven. Mevr. N. begon te huilen. Tamāla Kṛṣṇa Goswami vroeg haar waarom ze huilde en ze antwoordde dat er juist die dag iemand was gekomen die het land voor veel meer lakhs wilde kopen dan wij. Maar toen we mevr. N. daar zo zagen, dachten we dat ze zich nu alle afgelopen gebeurtenissen wel moest herinneren, zoals het onrecht dat ze ons had aangedaan en de dood van haar echtgenoot. Het was erg intens; de culminatie van maanden van strijd. Hiermee was alles bereikt waar Prabhupāda, de toegewijden en zijn sympathisanten de afgelopen jaren van hadden gedroomd en waar ze zich zo intens voor hadden ingezet.
Śrīla Prabhupāda vroeg de toegewijden de kranten in te lichten en hij nodigde iedereen uit voor een feestmaaltijd in de hal voor zijn kamer. Er werden matten uitgerold in twee rijen en de toegewijden legden voor iedereen een bord van boombladeren neer. Daarna serveerden ze alle gasten prasādam.
Prabhupāda stond nog. “Laten we beginnen”, zei hij. Hij zag persoonlijk toe op het serveren. De toegewijden hadden enorm veel gerechten bereid: rijst, dāl, allerlei soorten pakora’s (zoals aardappel, bloemkool en aubergine), aardappel-sabjī, papads, burfï, bloemkool-sabjī, lāḍḍu’s, camcam (een lekkernij gemaakt van melk), vermicelli-khīr, halavā en limoenlimonade. Het was een feestelijke en blijde gebeurtenis.
Mevr. warrier (een huurder op Hare Kṛṣṇa Land) De toegewijden zeiden allemaal: “Jaya!” na het tekenen van het contract en ze waren erg gelukkig. Toen gaf Prabhupāda een lezing over het Mumbai-project. Hij vertelde de mensen hoe het eruit zou gaan zien – helemaal van marmer. Iemand vroeg hoe dat kon en Prabhupāda legde uit dat het zeker mogelijk was. Hij vertelde ons precies hoe hij zich het project voorstelde en iedereen was erg onder de indruk van de pakkende manier waarop hij alles beschreef. Hij sprak erover als zou het het achtste wereldwonder worden. Mensen zouden van heinde en verre komen om het te zien. Het zou een van de attracties van Mumbai worden. Prabhupāda legde het hele project uit zoals hij het in zijn hoofd had en toen zei hij dat het, als het eenmaal gebouwd was, nog mooier zou zijn dan we ons nu konden voorstellen. Het zou fantastisch worden!
Toen iedereen vertrokken was, keerde Prabhupāda met enkele toegewijden terug naar zijn kamer en ging achter zijn bureau zitten. Met zijn rug tegen de muur leunend, concludeerde hij: “Dat was een goed gevecht!”
Vṛndāvana, maart 1974
Srīla prabhupāda zat te peinzen over de bouw van zijn Kṛṣṇa-Balarāma Mandir. In april 1972 had hij zijn leerling Hans Keilman (nu Surabhi), de architect van het centrum in Mumbai, gevraagd tekeningen te maken, geïnspireerd door de Indiase Renaissance-architectuur. Prabhupāda vond de Govindajī-tempel, vlakbij de oorspronkelijke Govindajī-tempel van Rūpa Gosvāmī, erg mooi. Hij hield van de door vele bogen omgeven binnenplaats en van de trap aan de voorkant van het gebouw, die naar de darśana-ruimte van de Beeldgedaanten leidde. Hij wilde graag dat Surabhi enkele karakteristieken van die tempel in zijn ontwerp zou gebruiken. Geholpen door een architect uit Vṛndāvana maakte Surabhi de tekeningen en Prabhupāda keurde ze goed.
Dit zal de mooiste tempel in Vṛndāvana worden. Veel vooraanstaande Kṛṣṇa-bewuste inwoners van Delhi zullen graag gebruik maken van de mogelijkheid een weekend bij ons te komen logeren en ze zullen zich als in Vaikuṇṭha voelen. Jullie moeten iets wonderbaarlijks bouwen. Als jullie daar niet in slagen, is het een schande voor de Amerikanen. Zo’n project zal bijdragen tot de verbetering van de relatie tussen India en Amerika. Dit project hier in Vṛndāvana is zonder meer een van de belangrijkste in ISKCON.
Hoewel Guru Dāsa steeds via brieven contact met Prabhupāda had gehouden, had hij toch bepaalde belangrijke zaken in Vṛndāvana verwaarloosd. Hij had bijvoorbeeld nagelaten een put te graven en toestemming van de gemeente te vragen – dingen waar Prabhupāda hem regelmatig aan herinnerd had. In de zomer van 1972 schreef Prabhupāda:
Vanaf het begin heb ik gezegd dat ik gewoon een tempel gebouwd wilde hebben in Vṛndāvana zoals de Govindajī-tempel. En er zijn ondertussen zoveel brieven verstuurd, maar er is nog steeds geen tempel. Hoe dan ook, nu vind ik dat plan van Surabhi mooi.
In Vṛndāvana een tempel bouwen zou toch niet zo moeilijk moeten zijn, dacht Prabhupāda, en hij werd ongeduldig van al het oponthoud. Omdat hij niet wilde dat de toegewijden en de architecten het gebouw te duur zouden maken, vroeg hij hen zich aan de plannen te houden die hij had goedgekeurd; zelfs al zou de tempel een beetje goedkoper uitvallen dan oorspronkelijk was gepland. Hij wilde dat een bekwame leerling toezicht zou houden op het werk, zodat iskcon niet zou worden bedrogen.
In april 1972 had Prabhupāda al gezegd dat er in de Vṛndāvana-tempel Beeldgedaanten van Kṛṣṇa en Balarāma moesten komen. “Kṛṣṇa moet zwart zijn, Balarāma wit, en ze moeten in dezelfde mooie houding staan als achter op de Back to Godhead.” Hij wilde dat er buiten een bord werd neergezet met het opschrift: “Shri Krishna-Balaram-Mandir”.
Een van de redenen waarom Prabhupāda, Kṛṣṇa en Balarāma als de belangrijkste Beeldgedaanten had gekozen, was dat de meeste tempels in Vṛndāvana Rādhā-Kṛṣṇa-tempels waren, waardoor de tempel van iskcon uniek zou zijn. Een andere reden was dat het land van iskcon in Ramaṇa-reti lag, een gebied met veel bossen en zandvlakten waar Kṛṣṇa en Balarāma vijfduizend jaar geleden als kind van Hun speels vermaak genoten hadden. Het was passend om het spel van Kṛṣṇa en Balarāma in Ramaṇa-reti te gedenken en te vereren.
Hoewel er duizenden jaren voorbij waren gegaan sinds Kṛṣṇa’s verschijning in Vṛndāvana, heerste er nog steeds dezelfde sfeer en zag en klonk alles nog steeds hetzelfde. Pauwen renden over de zandvlakten of zaten op daken en in bomen. Het koeren en roepen van duiven en koekoeken en het geklap van de vleugels van groene papegaaien waren eeuwige geluiden in het bos van Vṛndāvana.
Met de bouw van een tempel voor Kṛṣṇa en Balarāma wilde Prabhupāda de vredige, transcendentale sfeer van Ramaṇa-reti op zoveel mogelijk mensen overbrengen; buitenlandse bezoekers, forensen uit Delhi en zijn eigen leerlingen. Hij had al een brief ontvangen van een belangrijk internationaal reisbureau, waarin hem werd verzocht gedetailleerde inlichtingen te verschaffen over de overnachtingsmogelijkheden voor toeristen in het iskcon-hotel, zodat ze het konden aandoen op hun spirituele ontdekkingsreizen door India. Er waren altijd mensen die naar India kwamen om de heilige plaatsen te bezoeken. Jammer genoeg waren de meeste van deze plaatsen niet geautoriseerd of werden ze platgelopen door bedriegers. Het centrum van iskcon zou daarom erg belangrijk zijn. Prabhupāda schreef:
Zet een Europees predikcentrum op en probeer alle toeristen en hippies, die in Vṛndāvana komen, voor Kṛṣṇa te winnen. Geef ze goede prasādam, laat ze chanten, de tempel schoonmaken en onze boeken lezen; geef ze alle gelegenheid om toegewijden te worden.
In 1972 had Prabhupāda Vṛndāvana bezocht tijdens Kārtika. Daarna was hij meer dan een jaar weggeweest en had hij alles per briefwisseling geregeld. Omdat de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn in alle delen van de wereld snel groeide, moest hij zoveel plaatsen bezoeken. Toch waren zijn drie belangrijkste projecten – Mumbai, Vṛndāvana en Māyāpur – de meest besproken onderwerpen in zijn correspondentie en in deze projecten had hij het meeste geld geïnvesteerd.
Op een dag vertrouwde Prabhupāda zijn dienaar tijdens de massage toe: “De meeste mensen van mijn leeftijd zijn gepensioneerd. Ik wil niet meer organiseren. Ik wil alleen nog maar schrijven.” Hij vroeg of er misschien een plaats op de wereld was, waar hij zes maanden heen kon gaan. Een plaats waar hij alleen kon zijn, waar niemand hem zou komen storen en waar hij zélfs geen post zou krijgen.
Prabhupāda’s dienaar stelde Teheran voor. Prabhupāda overwoog het, maar hij voelde zelf meer voor het idee om naar New Vrindaban te gaan. Hij sprak over Mohandas Gandhi, die ’s nachts niet eens kon slapen, omdat hij overal door mensen gevolgd werd, zelfs als hij incognito reisde.
Diezelfde dag kwam er een brief van Bhagavān uit Parijs. Hij nodigde Prabhupāda uit om een rondreis te maken langs de iskcon-centra in Europa. Deze uitnodiging gaf Prabhupāda onmiddellijk nieuwe energie. Hij zei dat hij zou gaan. “Maar”, protesteerde zijn dienaar, “vanmorgen wilde u nog weggaan om alleen te zijn!”
Prabhupāda lachte. “Dat zal voor mij niet mogelijk zijn in dit leven. Het is beter dat ik blijf reizen en op het slagveld sterf. Trouwens, is het voor een soldaat niet eervol om op het slagveld te sterven?”
Guru dāsa had alle iskcon-centra een brief gestuurd om de toegewijden uit te nodigen voor de opening van de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir in Vṛndāvana. Hij had steunende leden uit Mumbai en Kolkata aangeschreven en zelfs rijtuigen in bepaalde treinen voor ze gereserveerd. Prabhupāda van zijn kant, nodigde zijn leerlingen uit naar Vṛndāvana te komen voor Janmāṣṭamī. Toen hij in Los Angeles een lezing gaf voor honderden toegewijden had hij gezegd: “Ik nodig jullie allemaal uit naar Vṛndāvana te komen voor de opening van de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir.”
Prabhupāda had ook brieven naar zijn godsbroeders gestuurd. Toen een van hen beloofd had te komen, schreef Prabhupāda hem terug over de mogelijkheden om te logeren en stuurde hem een routebeschrijving van Kolkata naar Vṛndāvana.
Op 15 juli, slechts tien dagen voor hij in Vṛndāvana zou aankomen, schreef hij zijn sannyāsa-leerlingen bijna identieke brieven waarin hij ze vroeg te komen om de vele persoonlijke en zakelijke aangelegenheden op te lossen, die tijdens zijn drukke rondreis onbeslist waren gebleven.
Maar behalve Guru Dāsa dacht geen van de toegewijden in Vṛndāvana dat de tempel voor de geplande opening klaar zou zijn. Het werk vorderde langzaam, zoals gewoonlijk, en afgezien van de tempelzaal was het land nog steeds een bouwterrein. Er waren geen altaars en geen Beeldgedaanten. Tejiyas dacht dat Guru Dāsa zo bang was Prabhupāda niet tevreden te stellen, dat hij niet wilde toegeven dat de tempel niet klaar zou zijn. De datum was vastgesteld en Prabhupāda duldde geen uitvluchten. “Met Janmāṣṭamī moet het klaar zijn”, schreef hij. “Het mag beslist niet worden uitgesteld.” Guru Dāsa gaf toe dat de tempel niet volkomen af zou zijn tegen Janmāṣṭamī, maar hij redeneerde dat de openingsceremonie, zelfs als alles nog niet helemaal afgewerkt was, toch plaats kon vinden.
Omdat er geen vaste gbc-secretaris voor India was, ontving Prabhupāda geen nauwkeurige rapporten over de bouw. Een paar maanden daarvoor had Tamāla Kṛṣṇa Goswami zijn post als gbc-secretaris voor India opgegeven om in het Westen te gaan prediken. Er waren drie maanden voorbij gegaan voor Prabhupāda Karāndhara als vervanger had aangesteld, maar die was na een paar weken al afgetreden. Daarom was de versie van Guru Dāsa de enige die Prabhupāda te horen kreeg. Het einde van juli naderde en de toegewijden maakten zich klaar om naar Vṛndāvana te reizen – voor een fiasco.
Vṛndāvana, 4 augustus 1974
Toen prabhupāda’s auto het iskcon-terrein in Ramaṇa-reti opreed, begroette een groep toegewijden hem met een kīrtana en veel bloemen. Ongeveer vijfentwintig toegewijden van andere tempels, die zich al voor de viering van de grootse opening verzameld hadden, verdrongen zich samen met hun godsbroeders uit Vṛndāvana vol vreugde rond Prabhupāda. Er waren nog geen wandelpaden aangelegd en Prabhupāda liep tussen half-opgebouwde muren, langs hopen zand en stenen, in de richting van de tempelzaal. Zelfs hier was het gebrek aan versiering en afwerking overduidelijk. Overal lag puin. “Wat is dit?” vroeg Prabhupāda terwijl hij rondliep over het bouwterrein. “Er is hier niets. Waar is de tempel?” Jullie hadden gezegd dat de tempel af was!” Guru Dāsa, Surabhi, Guṇārṇava en de anderen die rechtstreeks verantwoordelijk waren, waren niet in staat te antwoorden. Ze trokken wit weg.
Prabhupāda was woedend. “Hoe kunnen jullie zoiets openen?”
De toegewijden die op bezoek waren echoden: “Het is niet klaar. Hoe kan hier nu een opening plaatsvinden?”
“Maar Prabhupāda,” waagde een toegewijde te zeggen, “er komen toegewijden van over de hele wereld.”
“Waarschuw ze onmiddellijk!” riep Prabhupāda uit. “De opening gaat niet door.”
Prabhupāda had de zeepbel uiteen doen spatten: de illusie dat ze voor de officiële opening klaar zouden zijn. Prabhupāda’s woede was angstaanjagend en de toegewijden rondom hem waren niet langer onbekommerd en blij.
“Jullie waren van plan deze tempel te openen?” schimpte Prabhupāda.
“Het altaar is klaar”, zei Harikeśa, die uit Japan was gekomen om de opening bij te wonen. “We kunnen de Beeldgedaanten op het altaar plaatsen en…”
“Jullie kunnen deze tempel niet openen!” schreeuwde Prabhupāda. “Deze tempel is niet af!”
Toen liep Prabhupāda zijn huis in, gevolgd door de leiders van het project en een paar anderen. De toegewijden die bij Prabhupāda uit de buurt konden blijven, terwijl hij in zo’n stemming was, voelden zich gespaard. Surabhi’s vrouw rende weg om tot Kṛṣṇa te bidden – bang als ze was voor Prabhupāda’s woede.
Toen Prabhupāda eenmaal op zijn kamer was nam zijn woede alleen nog maar toe. Hij schreeuwde tegen Guru Dāsa dat hij de zaak verkeerd had aangepakt. Hij schreeuwde tegen Surabhi. Hij schreeuwde tegen iedereen. Niemand waagde het suggesties te doen of zijn excuses aan te bieden. Ze konden niets anders doen dan wit wegtrekken en gedeprimeerd zijn. Plotseling vroeg Prabhupāda of de tempel toch niet geopend kon worden.
“Kunnen jullie op zijn minst de altaren klaar hebben?” Hij wendde zich tot Surabhi: “Dit is een belediging voor onze gemeenschap. Wat zullen de mensen wel niet denken? We hebben het overal aangekondigd.
“Eigenlijk weet niemand er iets van, Śrīla Prabhupāda”, antwoordde Surabhi angstig, bang dat hij een nieuwe uitbarsting zou losmaken.
“Oh?” Prabhupāda’s toon was enigszins veranderd. “Hebben jullie er geen ruchtbaarheid aan gegeven? Geen uitnodigingen?”
“Nog niet, Prabhupāda. Niet voor de mensen in Vṛndāvana. Ze verwachten niet dat de tempel geopend wordt, omdat iedereen die hier is geweest, kan zien dat het onmogelijk is. Ze weten dat we niet klaar zijn.”
“Dit is een farce”, zei Prabhupāda boos. “Het is een fiasco.” Diep teleurgesteld keek hij naar de mensen aan wie hij het Vṛndāvana-project toevertrouwd had. “We móeten openen. Hoe kunnen we de tempel op Janmāṣṭamī openen?”
“Śrīla Prabhupāda,” zei Surabhi, “de deuren zijn nog niet klaar. Ze zijn nog
steeds bezig het hout te snijden.” Prabhupāda vroeg Yamunā naar de Beeldgedaanten en ze legde uit dat Hun sieraden en toebehoren gekocht waren, maar dat de tronen nog niet klaar waren.
steeds bezig het hout te snijden.” Prabhupāda vroeg Yamunā naar de Beeldgedaanten en ze legde uit dat Hun sieraden en toebehoren gekocht waren, maar dat de tronen nog niet klaar waren.
“Wat denk jij?” vroeg hij haar.
“Ik ben totaal niet gekwalificeerd om te spreken,” zei Yamunā, “en hoewel ik geen recht van spreken heb, zie ik dat het praktisch onmogelijk is om de tempel te openen. Er is zelfs geen pūjāri.”
Verslagen besliste Prabhupāda: “Dan doen we het niet. Maar we hebben zoveel mensen uitgenodigd van over de hele wereld en ik was hier niet van op de hoogte gebracht. Nu moeten jullie samen maar met een voorstel komen. Wanneer kunnen we wél openen? Zouden we op Diwali kunnen openen?”
“Oktober, Śrīla Prabhupāda.”
“Wat dacht u van Bhaktisiddhānta Sarasvatī’s verschijningsdag?” stelde een toegewijde voor. “Dat is eind december.”
Prabhupāda was stil en keek ontevreden. Surabhi zei: “Het zal ons nog zes of zelfs zeven maanden kosten.” Toen koos Prabhupāda de dag van Rāma-navamī, in april: de opening zou dan samenvallen met de jaarlijkse bijeenkomst van toegewijden in Māyāpur en Vṛndāvana.
Dat Prabhupāda zo boos werd op zijn leerlingen kwam maar zelden voor. Het was de reactie die hun toekwam vanwege de fouten die ze maakten. Het was ook een manier om ze te onderrichten en op de proef te stellen. Maar dieper was Prabhupāda’s transcendentale ongeduld en frustratie omdat de devotionele dienst die hij Kṛṣṇa in Vṛndāvana wilde aanbieden nog steeds geen vorm had genomen. Hij wilde een prachtige tempel hebben voor de eer en glorie van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn, een tempel die het Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld kon vestigen. Het was een offer aan zijn spiritueel leraar en hij had het Kṛṣṇa beloofd. Maar de tempel was nog steeds niet af.
Prabhupāda moest de last van het falen van zijn leerlingen dragen. Ze waren zijn instrumenten in zijn dienst aan Kṛṣṇa. Als de instrumenten niet goed functioneerden, leed hij, net zoals het hele lichaam lijdt wanneer de armen en benen van iemand het laten afweten. Het falen van zijn leerlingen trof hem. Het deed hem verdriet dat ze er niet in geslaagd waren de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir met Janmāṣṭamī te openen.
Hoewel Prabhupāda’s boosheid transcendentaal was, was ze tegelijkertijd echt. Hij had niet gedaan alsof, alleen uit didactische overwegingen. Evenmin konden de toegewijden hun spiritueel leraar op een goedkope manier ‘opvrolijken’. Als Prabhupāda’s leerlingen hem naar behoren wilden bijstaan, moesten ze zijn transcendentale stemming begrijpen en hem overeenkomstig dienen. Prabhupāda verlangde praktische, concrete hulp van zijn leerlingen. Ze moesten niet denken dat ze hem op een sentimentele manier konden dienen; er moest hard gewerkt worden, want devotionele dienst was iets dynamisch. Prabhupāda verlangde dat zijn leerlingen hem hielpen bij zijn projecten om zijn guru mahārāja te dienen – projecten die, wanneer ze succesvol zouden zijn, het lijden in de wereld konden verlichten.
Beton was heel moeilijk te krijgen. Het was een constante zorg voor Surabhi, Guṇārṇava, Tejiyas en anderen: “Hoe komen we aan cement?” Het leek alsof er in heel India geen cement verkrijgbaar was, omdat ze maanden aan een stuk op toestemming van de regering moesten wachten om een levering te ontvangen. Sinds Prabhupāda’s aankomst voor de zogenaamde opening van de tempel, waren de toegewijden elke dag per bus en riksja naar Mathurā gereisd om te zien of er ergens cement verkrijgbaar was – ook al waren het maar een paar zakken.
Soms werden ze bedrogen. Een scheepslading van twintig zakken cement was vermengd met ander materiaal en toen ze het gebruikten voor het gieten van een pilaar, bleef het vier dagen lang zacht om ten slotte te verkruimelen. Toen er uiteindelijk voldoende cement aankwam om het werk te voltooien, waren de toegewijden ervan overtuigd dat het alleen maar had kunnen gebeuren omdat Prabhupāda aanwezig was.
Prabhupāda liet Guṇārṇava iedere zak cement die aankwam tellen. De lading werd vanaf acht uur ’s morgens tot half tien ’s avonds met vrachtwagens aangevoerd; bij iedere vrachtwagen waren vier koelies die de zware zakken op hun rug naar de voorraadschuur droegen. Guṇārṇava stond de hele dag buiten met een notitieblok en een pen in zijn hand, om de ontvangst van iedere zak te noteren. Śrīla Prabhupāda kwam een paar keer het huis uit en keek ernstig toe. ’s Avonds, toen ze klaar waren, riep hij Guṇārṇava binnen. “En, hoeveel zakken heb je geteld?” vroeg Prabhupāda. Guṇārṇava gaf hem het precieze aantal.
“Is alles nu achter slot en grendel?” vroeg Prabhupāda.
“Ja, Śrīla Prabhupāda.”
Prabhupāda sprak over het cement alsof hij het over een lading goud had.
In de maanden februari en maart van 1975 maakte Prabhupāda weer een uitgebreide rondreis. Deze keer nam hij de oostelijke route, via Tokyo en Hawaï naar Los Angeles. Tijdens de reis kreeg hij bericht dat Gouverneur Eddy de uitnodiging had aanvaard om op Rāma-navamī de opening van de tempel in Vṛndāvana bij te wonen. Ook ontving hij een bemoedigend verslag van Surabhi, die hem ervan verzekerde dat de opening van de tempel deze keer zeker door zou gaan. “Ik voel me aangemoedigd door het feit dat je verwacht alles op tijd af te hebben,” schreef Prabhupāda, “dat is wat ik wil.”
Daarna ging Prabhupāda naar Mexico City en naar Caracas. Hij reisde snel door en bracht een bezoek aan Miami, Atlanta, Dallas en New York – dit alles binnen een maand na zijn vertrek uit India. Van daar ging hij naar Londen, bracht een bezoek aan Teheran en keerde op 16 maart terug naar India. Dit was Prabhupāda’s achtste wereldreis in tien jaar.
Māyāpur, 23 maart 1975
Voor het festival dit jaar hadden zich bijna vijfhonderd toegewijden van over de hele wereld verzameld. Al hun aandacht was gericht op Prabhupāda, of hij nu een ochtendwandeling maakte in de nabijgelegen velden, de tempel van Rādhā-Mādhava binnenging, of lezingen gaf uit het Caitanya-caritāmṛta. Iedere morgen na de lezing wandelde hij om de tempelkamer heen, gevolgd door zijn leerlingen, die een enthousiaste kīrtana hielden. Hij liep dan naar een van de koperen bellen die aan beide kanten van het altaar hingen en luidde deze een paar keer door energiek aan het touw te trekken. Daarna liep hij met zijn wandelstok in de hand achter het altaar van de Beeldgedaanten langs en kwam aan de andere kant weer tevoorschijn om de andere bel te luiden.
Dicht om hem heen sprongen de toegewijden op en neer en zongen Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Met een brede glimlach van plezier ging Prabhupāda nog een keer de tempelzaal rond. Bij de eerste bel aangekomen luidde hij deze weer krachtig. Na zes vreugdevolle ommegangen verliet hij de tempel, terwijl de kīrtana door bleef razen. In het stralende licht van de ochtendzon liep hij daarna de brede trap naar zijn kamer op.
Prabhupāda zat opnieuw de jaarlijkse vergadering van zijn gbc-commissie voor en keurde persoonlijk al hun beslissingen goed of bracht er wijzigingen in aan. iskcon was inderdaad aan het groeien, maar zoals Prabhupāda tegen zijn vriend, de bejaarde Gopāla Ācārya uit Chennai, had gezegd: “Kṛṣṇa en Kṛṣṇa’s instelling zijn identiek. Als de toegewijden aan Kṛṣṇa’s instelling denken, zullen ze Kṛṣṇa niet vergeten.”
Door de toegewijden aan te moedigen aan de jaarlijkse pelgrimstocht naar India deel te nemen, versterkte Prabhupāda de spirituele basis van zijn transcendentale beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Toen hij zo gebeden en gestreden had voor zijn centra in India, was dit wat hij in gedachten had gehad: tempels in de heilige plaatsen waar al zijn toegewijden samen konden komen. Hij wilde al zijn volgelingen de zuiverende bescherming van Māyāpur en Vṛndāvana bieden, nu en in de toekomst. Beetje bij beetje namen zijn plannen vorm aan; de beweging van Heer Caitanya was er om de hele wereld te redden.
Vṛndāvana, 16 april 1975
Toen śrīla prabhupāda arriveerde om eindelijk de opening van de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir te leiden, was hij aangenaam verrast door de drie hoge koepels die boven de tempel uitrezen. De koepels waren allemaal gebouwd in de acht maanden sinds zijn laatste bezoek. Het vier verdiepingen tellende hotel was ook tijdens zijn afwezigheid gebouwd. Surabhi had nauw toezicht gehouden op de arbeiders die in ploegendienst hadden gewerkt om alles op tijd klaar te krijgen.
De hoge centrale koepel en de twee zijkoepels – er stond er één boven ieder altaar – waren schitterend. Hun elegante vorm leidde de geest naar hogere sferen en suggereerde een bestaan verheven boven de materiële wereld. De kracht en schoonheid van de koepels herinnerden eraan dat de Beeldgedaanten van de Allerhoogste eronder verbleven. Een tempel was bestemd om de mensen te verlichten en hun onwetendheid te verdrijven en de koepels getuigden van dit doel. Ze rezen boven het landschap van Vṛndāvana uit en verkondigden wijd en zijd de verering van Kṛṣṇa en Balarāma.
Iedere koepel was bekroond met een koperen kalaśa, die uit drie ballen bestond: symbolen voor de laagste, middelste en hoogste planeten, met helemaal bovenaan de Sudarśana cakra, de werpschijf van Śrī Viṣṇu. De Sudarśana cakra vertegenwoordigt Kṛṣṇa Zelf en enkel het zien van dit illustere symbool bovenop de Mandir, gaf de toegewijden een triomfantelijk en tevreden gevoel. Zelfs bezoekers konden niets anders doen dan er met eerbied naar kijken. Boven de Sudarśana cakra’s stonden koperen triomfvlaggen.
Terwijl Prabhupāda in de nieuwe tempel rondliep, keek hij voortdurend op naar de koepels. “Oh,” zei hij, “de koepels zijn heel mooi geworden. Wat vinden jullie ervan?” Hij wendde zich tot de toegewijden die hem vergezelden.
“Ze zijn fantastisch!” zei een toegewijde.
“Ja,” Prabhupāda glimlachte. “Iedereen praat erover hoe goed Surabhi alles heeft gedaan.” Prabhupāda wendde zich tot Surabhi, die het wekenlang met weinig slaap had moeten stellen. “Maar ik kan dat niet doen. Ik ben de enige die je kritiek geeft, omdat dat mijn taak is. Ik moet altijd kritiek hebben op mijn leerlingen.”
Niet minder dan zeshonderd toegewijden uit iskcon-centra van over de hele wereld waren naar Vṛndāvana gekomen voor de jaarlijkse pelgrimstocht. De plaatsing van de Beeldgedaanten op het altaar en de opening van de tempel zouden het hoogtepunt zijn. Er werd verwoed aan de laatste voorbereidingen gewerkt: schoonmaken, versieringen aanbrengen en koken. Er waren veel belangrijke steunende leden en gasten gekomen, die allemaal in een eigen kamer in het veertig kamers tellende hotel verbleven. Prabhupāda’s droom was eindelijk werkelijkheid geworden. Hij had waarschijnlijk de mooiste en weelderigste tempel in Vṛndāvana gebouwd – in ieder geval was het de tempel met de meest dynamische devotie en de sterkste predikdrang. Tegelijkertijd had hij een van de beste hotels van Vṛndāvana gebouwd voor bezoekers die in kṛṣṇa-bhakti waren geïnteresseerd.
Tijdens zijn wandeling over het terrein liep hij de verzonken binnenplaats op. De onberispelijk schone marmeren vloer schitterde in de zon. Dit was geen gehuurd pand meer zoals in Amerika, een gebouw dat eigenlijk voor een ander doel gebouwd was – het was een tempel, zoals de tempels in Vaikuṇṭha die in het Śrīmad-Bhāgavatam beschreven staan. “Het is de hemel op aarde”, zei Prabhupāda. “Ik geloof dat hiermee alle tempels in India overtroffen zijn.”
Prabhupāda stond glimlachend bij de tamāla-boom. die zijn eerbiedwaardige takken over een hoek van de binnenplaats uitstrekte. Hij vertelde hoe er op een gegeven moment sprake van was geweest dat die boom omgehakt zou worden, maar dat hij het persoonlijk had voorkomen. Tamāla-bomen zijn verbonden met Śrīmatī Rādhārāṇī’s speels vermaak en zijn bijzonder zeldzaam. In Vṛndāvana waren er waarschijnlijk maar drie: één hier, één in Seva-kuñja en één op de binnenplaats van de Rādhā-Dāmodara-tempel. Dat de tamāla-boom hier zo welig groeide, zei Prabhupāda, wees erop dat de toegewijden zuivere bhakti verrichtten.
Nadat hij zich ervan overtuigd had dat de tempel werkelijk klaar was, ging Prabhupāda zijn woning binnen, die precies tussen de tempel en het hotel in lag. Er was van alles te regelen en veel toegewijden van over de hele wereld wilden hem spreken.
Zo was er in Ramaṇa-reti, op een plaats waar vroeger geen tempel was, een toegewijde die de wens had: “Laat er een tempel en seva, devotionele dienst, zijn.” En wat eens een braakliggend terrein was geweest, was nu een pelgrimsoord. Zo krachtig is het verlangen van een zuivere toegewijde.