Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 5
Een tempel voor Kṛṣṇa (I)
Kolkata, maart 1971
Het was middernacht. śrīla prabhupāda zat op een kussen achter zijn lage bureau. Zijn kamer was de enige in het gebouw waar nog licht brandde. Alle toegewijden lagen in bed. Zijn dictafoon en een deel van het Śrīmad-Bhāgavatam met Bengaals commentaar lagen voor hem. Er stond een ingelijste foto van zijn spiritueel leraar, Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī, tussen twee vaasjes met rozen en asters. Over het tapijt voor zijn bureau lag een groot, wit laken, waarop een paar uur eerder toegewijden en gasten hadden gezeten.
Maar nu was hij alleen. Hoewel hij gewoonlijk tegen tien uur ging rusten, om drie of vier uur later weer op te staan en te gaan vertalen, had hij deze avond niet gerust. Ook zijn Bhāgavatam lag gesloten op tafel en zijn dictafoon was afgedekt.
Hij had twee discipelen, Tamāla Kṛṣṇa en Bali-mardana, erop uitgestuurd om een stuk land te kopen in Māyāpur. Maar na zes dagen waren ze nog steeds niet terug en ze hadden ook niets van zich laten horen. Hij had ze gezegd niet terug te komen voordat de transactie voltooid was, maar zes dagen zou meer dan genoeg geweest moeten zijn om alles af te handelen. Hij maakte zich ongerust en dacht voortdurend aan zijn twee discipelen.
Er stak een briesje op dat de geur van neembomen door het open raam naar binnen blies. De nacht begon koel te worden en Prabhupāda droeg een lichte cādar om zijn schouders. In gedachten verzonken leunde hij tegen het witte kussen. Hij besteedde maar weinig aandacht aan de vertrouwde omgeving.
Naast hem stond een stenen kan met drinkwater en op een klein houten voetstuk stond een tulasī-plant in een pot. De elektriciteit die het grootste gedeelte van de dag niet werkte, was nu aan en motten en andere insecten fladderden om de kale lamp boven zijn hoofd. Een hagedis patrouilleerde over het plafond en schoot af en toe naar het licht om een insect te vangen.
Waarom bleven Tamāla Kṛṣṇa en Bali-mardana zo lang weg? Eigenlijk wachtte Prabhupāda al veel langer dan zes dagen, hij probeerde al jaren land in Māyāpur te krijgen. Deze keer waren de vooruitzichten uitstekend geweest. Hij had Tamāla Kṛṣṇa en Bali-mardana duidelijk gezegd wat ze moesten doen en ze hadden nu terug moeten zijn. Het oponthoud zou moeilijkheden kunnen betekenen, of zelfs gevaar.
Waarom bleven Tamāla Kṛṣṇa en Bali-mardana zo lang weg? Eigenlijk wachtte Prabhupāda al veel langer dan zes dagen, hij probeerde al jaren land in Māyāpur te krijgen. Deze keer waren de vooruitzichten uitstekend geweest. Hij had Tamāla Kṛṣṇa en Bali-mardana duidelijk gezegd wat ze moesten doen en ze hadden nu terug moeten zijn. Het oponthoud zou moeilijkheden kunnen betekenen, of zelfs gevaar.
Het land dat ze wilden hebben, was een stuk grond van negen bighā (9.105 m2) aan Bhaktisiddhānta Road en het lag op ongeveer een kilometer van de geboorteplaats van Śrī Caitanya Mahāprabhu. De gebroeders Sek, mohammedaanse boeren die het stuk land in bezit hadden, vroegen er een exorbitant hoge prijs voor, maar een advocaat in Kolkata, die goed in Navadvīpa bekend was, had een redelijke prijs weten te bedingen: 14.500 roepies. Prabhupāda had iemand gemachtigd het geld van zijn bank in Krishnanagar op te nemen en Tamāla Kṛṣṇa en Bali-mardana waren naar Māyāpur vertrokken. Prabhupāda was zelf in Kolkata gebleven, hoewel hij vaak aan zijn leerlingen in Māyāpur dacht. Hun missie was erg belangrijk voor hem en hij zegende ze door voortdurend aan ze te denken.
Terwijl Prabhupāda daar zo in gedachten verzonken zat, waren er enkel de normale nachtgeluiden: muizen in de muren, een snurkende brahmacārī op de veranda en een nachtwaker die ergens zijn ronde deed.
Misschien waren de jongens wel bestolen. Voor hij ze erop uit had gestuurd, had hij Tamāla Kṛṣṇa laten zien hoe hij het geld in een geïmproviseerde stoffen geldriem om zijn middel moest dragen. Maar het was veel geld geweest en overvallen waren niet ongewoon in de omgeving van Navadvīpa. Of misschien waren ze door iets anders opgehouden. Soms verlangt de rechtbank bij onderhandelingen waar grote sommen geld mee gemoeid zijn, dat er een klerk aanwezig is die het serienummer van ieder uitgewisseld bankbiljet opneemt. Of misschien had de trein vertraging.
Plotseling hoorde Prabhupāda voetstappen op de trap. Iemand opende de buitendeur en liep nu over de veranda voor zijn kamer. Een zacht klopje op zijn deur…
“Ja, wie is daar?”
Tamāla Kṛṣṇa kwam binnen en bood Śrīla Prabhupāda onmiddellijk zijn eerbetuigingen aan.
“Zo, wat is het nieuws?” vroeg Prabhupāda gespannen.
Tamāla Kṛṣṇa keek triomfantelijk op: “Het land is van u!” Prabhupāda leunde met een zucht achterover. “Heel goed,” zei hij tevreden, “ga nu maar rusten.”
Londen, augustus 1971
Prabhupāda had de Indiase Hoge Commissaris voor het Verenigd Koninkrijk gevraagd India’s premier Indira Gandhi te verzoeken de ceremonie van het leggen van de eerste steen in Māyāpur bij te wonen. Hij had ervoor gezorgd dat al zijn gbc-secretarissen bij de ceremonie aanwezig zouden zijn en de toegewijden waren bezig veel vooraanstaande burgers van Kolkata uit te nodigen. In een brief aan zijn leerlingen in India had hij gezegd dat, als Indira Gandhi niet aanwezig kon zijn, ze minstens de gouverneur van Bengalen Sri S. S. Dhavan moesten zien te krijgen.
Ondertussen hield Prabhupāda in Londen besprekingen met verscheidene van zijn leerlingen die ervaring hadden op het gebied van architectuur en ontwerp. Hij wilde dat ze plannen maakten voor zijn Māyāpur-project. Nara-Nārāyaṇa had Ratha-yātrā.karren gebouwd en tempelinterieurs ontworpen, Raṇacora had architectuur gestudeerd en Bhavānanda was ontwerper van beroep geweest. Maar Prabhupāda zelf maakte de plannen voor de gebouwen. Daarna vroeg hij het groepje deskundigen om voor de schetsen en een maquette te zorgen. Hij zou onmiddellijk beginnen geld in te zamelen en te proberen in India steun voor het project te krijgen. Voor de toegewijden die Prabhupāda’s plannen hoorden, leek dit het meest ambitieuze iskcon-project dat ooit was ondernomen.
Tijdens zijn ochtendwandelingen in Russel Square Park wees Prabhupāda regelmatig naar gebouwen en vroeg hoe hoog ze waren. Uiteindelijk kondigde hij op een morgen aan dat de hoofdtempel in Māyāpur meer dan honderd meter hoog moest zijn! De overstromingen tijdens de moesson en de zanderige bodem in Māyāpur zouden de nodige problemen opleveren, zei hij, en het gebouw zou op een speciale fundering, een soort drijvend vlot, gebouwd moeten worden. Dit werd later door een bouwkundig ingenieur bevestigd.
Het eerste gebouw, zei Prabhupāda, zou een groot gastenverblijf met drie verdiepingen moeten worden. Zijn ontwerp sloot niet helemaal aan bij een bepaalde architectonische stroming, maar deed nog het meest denken aan de bouwstijl van Rajasthan. Hij wilde het in roze en roodbruin geschilderd hebben met veel bogen en een brede marmeren veranda op iedere verdieping, behalve op de begane grond. Het gebouw zou van oost naar west moeten lopen, zodat de zon er in de lengte overheen zou gaan en niet rechtstreeks op de brede voorgevel zou schijnen. De zuidenwind zou het gastenverblijf ’s zomers afkoelen. Het moest uitgerust worden met elektrische verlichting en ventilatie, moderne toiletten en douches en de kamers moesten gemeubileerd en ruim zijn.
Dit gastenverblijf moet zo snel mogelijk gebouwd worden, zei Prabhupāda. Daarna wilde hij slaapkamers voor 500 toegewijden, een grote prasādam-hal voor een paar duizend mensen, een keukencomplex en een gośālā (een stal voor de koeien die in de nabijgelegen velden zouden grazen). Te zijner tijd zou ISKCON aangrenzend land kunnen kopen en parken met bloementuinen, bomen en struiken, fonteinen, wandelpaden en prieeltjes kunnen aanleggen.
Het hoofdgebouw, de kolossale Māyāpur Chandrodaya Mandir, zou minstens honderd meter hoog worden en tientallen miljoenen dollars gaan kosten. Prabhupāda’s beschrijving deed zowel de architecten als de toegewijden versteld staan. Het klonk grootser dan het Capitool in de Verenigde Staten of de Sint Pieter in Rome. De centrale koepel van de tempel zou een driedimensionaal model van het universum bevatten. Maar het ontwerp zou gebaseerd zijn op de vedische beschrijving van het universum en zou niet alleen een voorstelling geven van de materiële maar ook de spirituele wereld.
Als je in de grote hal naar boven keek, zou je alle planeten zien zoals het Śrīmad-Bhāgavatam ze beschrijft: eerst de helse planeten, dan de middenplaneten – waaronder de aarde – daarna de hemelse planeten van de halfgoden en dan Brahmaloka, de hoogste planeet in de materiële wereld. Boven Brahmaloka zou je de woonplaats van Heer Śiva zien en daarboven de spirituele wereld, oftewel de brahmajyoti. Binnen de spirituele stralengloed van de brahmajyoti zou je de zelf-verlichtende Vaikuṇṭha-planeten kunnen bekijken, die door eeuwig bevrijde zielen bewoond worden. En verheven boven alles zou Kṛṣṇaloka zijn, de allerhoogste planeet waar God in Zijn oorspronkelijke eeuwige vorm met Zijn intiemste toegewijden van Zijn speels vermaak geniet. In de tempel zou ook een miniatuurpaleis ondergebracht worden, waarin de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa zouden verblijven, omgeven door verschillende soorten zijde en pilaren van zilver, goud en juwelen. De Māyāpur Chandrodaya Mandir en de stad Māyāpur zouden het wereldhoofdkwartier van iskcon worden.
Maar waarom een fantastisch architectonisch wonder als dit in zo’n afgelegen deel van de wereld? Het antwoord, legde Prabhupāda uit, was dat Māyāpur eigenlijk niet afgelegen was. Dat leek alleen maar zo vanuit een werelds perspectief. In de ogen van de materialisten leek wat werkelijk belangrijk was altijd onbeduidend. De ziel en het volgende leven leken ver weg en onbelangrijk, terwijl het lichaam en directe zinsbevrediging centraal leken te staan. Door in Māyāpur de Temple of Human Understanding te bouwen, wilde Śrīla Prabhupāda de aandacht van de materialistische wereld weer richten op wat werkelijk belangrijk is.
Iedere oprechte bezoeker van iskcon Māyāpur zou gecharmeerd zijn van de schoonheid van het project en zich in de spirituele wereld wanen. En de toegewijden die in Māyāpur woonden, zouden, door zich voortdurend bezig te houden met het zingen van de Hare Kṛṣṇa-mantra en het bespreken van de filosofie van het Kṛṣṇa-bewustzijn, in staat zijn iedere intelligente bezoeker ervan te overtuigen dat de leer van Heer Caitanya Mahāprabhu de hoogste waarheid is. De toegewijden zouden de filosofie van de Absolute Waarheid uitleggen, zodat elke bezoeker de authentieke spirituele werkelijkheid kon begrijpen, die verheven is boven sektarische religieuze dogma’s. Verder zouden de voortdurende Hare Kṛṣṇa-kīrtana en de vreugdevolle toegewijden die Kṛṣṇa op allerlei manieren dienden, de bezoekers laten zien dat bhakti-yoga de eenvoudigste en meest directe methode is om op de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods te mediteren. Tijdens zijn verblijf in de iskcon-stad Māyāpur zou iemand in korte tijd een toegewijde van de Heer worden en in extase beginnen te chanten en te dansen.
Śrīla Prabhupāda liet zien hoe de wereld gespiritualiseerd kon worden door materiële zaken via bhakti-yoga met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, te verbinden. En waarom zouden zulke spirituele prestaties de verrichtingen van de materialisten niet overtreffen?
Terug in india, reisde Śrīla Prabhupāda met zijn leerlingen rond om te prediken. Na een succesvol tiendaags paṇḍāl-festival in New Delhi – er hadden een paar honderdduizend mensen aan deelgenomen – besloot hij zijn leerlingen mee te nemen op een korte excursie naar Vṛndāvana. Zijn predikreizen hadden hem naar plaatsen als Amritsar, Surat, Indore, Gorakhpur, Allahabad en Benares gebracht, maar nog niet naar Vṛndāvana. Nu er zoveel leerlingen voor het festival in Delhi samengekomen waren, vond hij de tijd rijp om naar het nabijgelegen Vṛndāvana te reizen.
Toen Prabhupāda in Vṛndāvana aankwam, bracht een zekere G. L. Saraf hem onder in zijn huis, evenals zijn secretarissen en de vrouwen in de groep. De rest van de toegewijden verbleef in een dharmaśālā niet ver daar vandaan.
Prabhupāda was voor meer dan zomaar een pelgrimstocht naar Vṛndāvana gekomen; hij wilde proberen land voor iskcon te bemachtigen. Toen hij in 1967 vanuit Amerika naar Vṛndāvana was gegaan om te herstellen, had hij al geprobeerd een ‘American House’ op te richten. Hij wilde dat zijn leerlingen vertrouwd zouden raken met de vaiṣṇava-cultuur in de ideale atmosfeer van Vṛndāvana, zodat ze zich beter konden voorbereiden op het prediken van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Maar toen er na twee maanden nog steeds weinig vooruitzicht op zijn ‘American House’ was geweest, was hij weggegaan.
Deze keer was hij echter naar Vṛndāvana gekomen als de wereldambassadeur van die stad. Hij was beroemd omdat hij de heerlijkheden van Rādhā en Kṛṣṇa en Vṛndāvana in het Westen bekend maakte. Overal in India waren de mensen zich bewust van het succes van de Hare Kṛṣṇa-beweging, omdat Prabhupāda en zijn groep buitenlandse leerlingen van stad naar stad reisden en kīrtana’s hielden, lezingen gaven uit het Śrīmad-Bhāgavatam en verhalen vertelden over hoe het Kṛṣṇa-bewustzijn in het Westen ontvangen werd. Toen Prabhupāda dus met zijn veertig leerlingen in Vṛndāvana aankwam, verspreidde het nieuws zich als een lopend vuurtje door de stad.
Het land dat dhr. S. hun had aangeboden lag in Ramaṇa-reti. Prabhupāda merkte op dat de grond aan de rand van Vṛndāvana lag, aan de drukke Chatikara Road: een belangrijke hoofdweg die naar Vṛndāvana en vandaar naar Agra en de Taj Mahal liep. Het land grensde ook aan het parikrama-pad. dat jaarlijks door miljoenen pelgrims gevolgd werd wanneer ze om Vṛndāvana heen liepen om de tempels en de heilige plaatsen te bezoeken.
Ramaṇa-reti (letterlijk ‘bekoorlijk zand’) bestond hoofdzakelijk uit bos, met een paar āśrama’s en verlaten velden. Omdat Ramaṇa-reti bekend stond als een van de lievelingsplaatsen van Kṛṣṇa, waar Hij en Zijn broer Balarāma vijfduizend jaar geleden met Hun koeherdersvriendjes gespeeld hadden, stroomde het over van transcendentale liefde voor God, wat de speciale atmosfeer van Vṛndāvana is.
Hoewel verschillende ambtenaren van de gemeente terloops gezegd hadden dat de stad misschien land zou schenken, nam Prabhupāda het voorstel van dhr. S. serieuzer. S. legde uit dat hoewel andere sādhu’s al om het land gevraagd hadden, zijn vrouw en hij nog geen besluit hadden genomen. Ze wilden het aan een groep geven die er zo snel mogelijk een Rādhā-Kṛṣṇa tempel op zou bouwen. Toen Prabhupāda S. verzekerde dat hij dat zou doen, beloofde S. plechtig dat het land nu van Prabhupāda was.
Prabhupāda had al eerder zulke beloftes gehoord en vaak waren ze vals gebleken. Maar dit aanbod nam hij serieus en hij wees een aantal leerlingen aan om in Vṛndāvana te blijven en een contract met S. te sluiten.
Van 1965 tot 1970 had Śrīla Prabhupāda zich vooral op het verspreiden van Kṛṣṇa-bewustzijn in Amerika geconcentreerd. Zijn idee was geweest dat als de Amerikanen Kṛṣṇa-bewust zouden worden, de rest van de wereld zou volgen. Hoewel zijn predikwerk tot Engelstaligen was begonnen in India, hadden zo’n zestig jaar van eenzaam zwoegen hem ervan overtuigd dat de Indiërs of te veel in politiek opgingen, of te weinig afwisten van hun spiritueel erfgoed, of door armoede te zeer verlamd waren om het Kṛṣṇa-bewustzijn serieus te aanvaarden. Daarom was hij niet succesvol geweest.
Maar in de Verenigde Staten was het succes gekomen. Het was duidelijk dat Amerika het beste gebied was waar het Kṛṣṇa-bewustzijn voet aan de grond kon krijgen. Toch vond Prabhupāda het Westen weinig ontwikkeld en onbeschaafd. Als er ergens een spoor van beschaving was overgebleven, zei hij vaak, dan was het in India, het hart van de oorspronkelijke vedische cultuur.
Tegen 1970 was het door Prabhupāda’s uitgebreide reizen en predikactiviteiten duidelijk geworden dat hij van plan was de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn niet alleen in de Verenigde Staten te vestigen, maar over de hele wereld – en vooral in India. Ook al was het predikwerk in de Verenigde Staten even belangrijk voor hem als dat in India, toch ging het predikwerk in de Verenigde Staten ook goed zonder zijn voortdurende directe leiding. Wat hij was begonnen, konden zijn Amerikaanse leerlingen voortzetten. Maar in India kon Prabhupāda zijn leerlingen niet toestaan iskcon te leiden. Hij zag hoe gemakkelijk de Indiërs zijn leerlingen konden bedriegen. De helft van het werk van iskcon in India werd bedorven, zei hij, doordat zijn leerlingen bedrogen werden. Als ze een paṇḍāl-programma opzetten, kwam het er vaak op neer dat ze uiteindelijk het dubbele of het driedubbele van de normale prijs betaalden. De enige manier waarop iskcon zich in India zou kunnen ontwikkelen, zou onder Prabhupāda’s directe leiding zijn.
In 1970 was Prabhupāda in India met een kleine groep Amerikaanse leerlingen begonnen van plaats naar plaats te reizen als een voorbeeldig sannyāsī en op die manier had hij een uitgebreid nieuw gebied voor iskcon geopend. Nu wilde hij grote tempels bouwen in India, vooral in Vṛndāvana, in Māyāpur en in Mumbai. In 1967 had hij al geprobeerd in Vṛndāvana een American House voor zijn leerlingen op te zetten. Māyāpur, de geboorteplaats van Heer Caitanya, was bijzonder belangrijk, en Mumbai was de grootste stad van India, ‘de poort van India’. Zoals met de meeste van Prabhupāda’s grote plannen het geval was, konden zelfs zijn vertrouwelijkste leerlingen de omvang van zijn visie niet volledig begrijpen. Maar Prabhupāda wist wat hij wilde en hij wist dat alles van Kṛṣṇa afhing. Geleidelijk begon hij zijn plannen te ontplooien.
Mumbai, november 1971
Een jaar lang hadden de toegewijden in twee appartementen op de zevende verdieping van het Akash Ganga-gebouw in het hart van Mumbai gewoond. Maar Prabhupāda was er niet tevreden mee. Hij wilde een stuk land in Mumbai om op te bouwen en om uit te breiden. Hij was vastbesloten. In plaats van zijn ochtendwandelingen maakte hij nu lange ritten met de auto om verschillende delen van de stad te bekijken.
Omdat veel van de steunende leden van iskcon in het aristocratische Malabar Hill woonden, dachten Prabhupāda’s leerlingen dat dat een goede plaats voor een tempel zou zijn. Bij verschillende gelegenheden was Prabhupāda naar de top van Malabar Hill gereden. Hij had over verschillende landgoeden gelopen en bepaalde grote gebouwen als mogelijke tempels in overweging genomen. Maar om een of andere reden vond hij ze geen van alle acceptabel.
In november bood een zekere meneer N. iskcon twee hectare grond in Juhu te koop aan, op een afstand van enkele honderden meters van de kust van de Arabische Zee. Zodra Prabhupāda in de buurt van het land kwam, herinnerde hij zich dat hij het al eerder had gezien en overwogen.
De weken vlak voor zijn vertrek naar Amerika, in augustus 1965, had hij in de Scindia Colony gelogeerd. ’s Avonds ging hij dan naar Juhu, naar het huis van de eigenares van de Scindia Steamship Company, Sumati Murarji, om daar voor een groepje genodigden uit het Śrīmad-Bhāgavatam voor te lezen en uitleg te geven. Zo was hij indertijd verscheidene malen langs dit stuk land gekomen en toen al had hij gedacht dat het een ideale plaats voor een āśrama en een Rādhā-Kṛṣṇa-tempel zou zijn. Hoewel zijn aandacht er volkomen op gericht was geweest India te verlaten, had hij toch de mogelijkheid overwogen om hier een tempel te bouwen. Nu was hij weer in Juhu, op hetzelfde stuk land dat hem jaren geleden opgevallen was. Hij vatte het op als een teken van Kṛṣṇa.
Het land was overwoekerd met hoog gras en struikgewas en overal stonden kokospalmen. Achterop lagen een paar huisjes en de voorkant van het land grensde aan Juhu Road, de belangrijkste verkeersader naar Mumbai, dat vijfentwintig kilometer zuidelijker lag. Het was maar een klein eindje lopen naar het brede, uitgestrekte strand langs de Arabische Zee.
De ligging was goed. Vredig en toch niet afgelegen. Er stonden verschillende vijfsterrenhotels langs het nabijgelegen strand en projectontwikkelaars waren bezig nog meer flatgebouwen en hotels te bouwen. Toen Prabhupāda langs het strand liep, begon het idee om het land te kopen hem steeds meer te bevallen. Rijke mensen hadden hun vakantiehuizen aan het strand en iedere zondag kwamen hier duizenden inwoners van Mumbai van het strand genieten. Dagelijks maakten honderden mensen uit Juhu een wandeling langs de zee voordat ze naar hun werk gingen. En ook al was het strand zo drukbezocht, het was toch schoon. De zachte golven en de blauwe lucht waren uitnodigend. Het was niet alleen een ideale plaats voor een hotel, maar ook voor een Kṛṣṇa-bewust centrum.
Prabhupāda wilde het land in Juhu hebben en hoewel zijn leerlingen hem huizen in Malabar Hill bleven tonen, veranderde hij niet van gedachten. Zijn leerlingen wilden alles wat hij wilde, maar toch hadden ze er moeite mee enthousiasme op te brengen voor een stuk grond dat zo ver van de stad verwijderd was en waar geen woon- of tempelfaciliteiten beschikbaar waren. Dhr. N., de eigenaar, had een redelijke prijs voor de twee hectare land gevraagd en leek vriendelijk en oprecht. Toch waren er aan dit soort transacties risico’s verbonden en in dit geval was er zelfs alle reden om achterdochtig te zijn. Prabhupāda kwam via zijn advocaat te weten dat dhr. N. al eerder een overeenkomst had gesloten om hetzelfde land aan het bedrijf C. te verkopen, maar dat hij later het contract had verbroken. Het bedrijf C. had hem toen aangeklaagd wegens contractbreuk. Als het Hooggerechtshof in het voordeel van bedrijf C. zou besluiten, dan zou het land aan dit bedrijf worden toegekend. Toen Prabhupāda’s secretaris dhr. N. naar deze verwikkeling vroeg, verzekerde deze hem dat het bedrijf C. de rechtszaak niet kon winnen, maar dat iskcon in ieder geval een gedeelte van de betaling kon achterhouden tot de rechtszaak met het bedrijf C. achter de rug was.
Dhr. N. was een bekend figuur in Mumbai, waar hij vroeger de sheriff was geweest (een erefunctie bij de gerechtelijke politie). Nu was hij uitgever van een van de grootste Engelstalige dagbladen. Hij was rijk en had een aantal bezittingen in Juhu and Mumbai. Hij had ook veel invloed in Mumbai en was niet bepaald iemand om tegen te werken. Er was lef voor nodig om onder de huidige omstandigheden het land in Juhu te kopen.
Eind december had Prabhupāda een ontmoeting met N. en zijn vrouw. Hij sprak openlijk zijn waardering uit voor het land in Juhu, maar gaf tegelijkertijd toe dat hij erg weinig geld had. N. leek Prabhupāda echter te mogen en zei dat hij hem het stuk land wel wilde verkopen. Ze bereikten spoedig een mondelinge overeenkomst.
Prabhupāda en N. werden het eens over een aanbetaling van 200.000 roepies. Als iskcon de aanbetaling had gedaan, zouden ze onmiddellijk de overdrachtsakte tekenen. iskcon zou het resterende bedrag van 1.400.000 roepies later in termijnen betalen. Prabhupāda onderhandelde verder over de aanbetaling en bood aan 50.000 roepies nu te betalen en nog eens 50.000 roepies later, waarna het iskcon het land zou mogen betrekken. Zodra ze de overgebleven 100.000 roepies betaald hadden, zou de aanbetaling voldaan zijn en zou N. hun de akte overdragen. N. stemde ermee in.
Śrīla Prabhupāda was iemand die goed nadacht voor hij aan dit soort transacties begon. Hij zei altijd dat als een zakenman je voorhoudt: “Mijnheer, voor u maak ik geen winst”, je moet beseffen dat hij liegt. In de begintijd van iskcon, toen een zwendelaar in onroerend goed in New York zich als een welwillende vriend van de toegewijden had voorgedaan, was Prabhupāda achterdochtig geweest. Maar zijn leerlingen hadden zijn waarschuwingen in de wind geslagen en waren inderdaad door de man bedrogen. Ook nu was Prabhupāda achterdochtig, maar hij wilde het land in Juhu zo graag hebben dat hij bereid was het risico te nemen.
Terwijl de toegewijden over de hele wereld opgetogen waren toen ze hoorden dat Prabhupāda plannen had om een centrum in Mumbai te openen, stonden de toegewijden in Mumbai er met gemengde gevoelens tegenover. Een tempel bouwen in zo’n wildernis was niet eenvoudig en het viel ook niet mee om zich daar het vijfsterrenhotel voor te stellen waar Prabhupāda over sprak. De huizen achter op het land waren allemaal bewoond en volgens de Indiase wet konden de huurders er niet uitgezet worden. Als de toegewijden het land wilden betrekken, zouden ze er tijdelijke behuizing en misschien zelfs een tijdelijke tempel op moeten zetten. Bovendien was het land vergeven van de muggen en wemelde het er van de ratten. Juhu was een kleine, bijna geïsoleerde buurt, zonder rijke iskcon-donateurs. Hoewel Prabhupāda (en de grondspeculanten) voorspelde dat Juhu zou gaan groeien, was het op dat moment maar een dorp van ongeveer 2000 inwoners. Het leven in Juhu zou in schril contrast staan met het comfort dat ze in het Akash Ganga-gebouw in het centrum van Mumbai gewend waren.
Tamāla Kṛṣṇa legde Prabhupāda uit: “Wij zijn westerlingen. Zo kunnen we niet leven. We hebben deurknoppen en stromend water nodig.”
“Willen jullie dan niet gezuiverd worden?” had Prabhupāda gevraagd.
Dit antwoord drong diep door in het hart van de toegewijden. Ze begrepen dat Prabhupāda hun vroeg om soberder te worden en dat het uiteindelijk in hun eigen voordeel was. Ze begonnen de verhuizing naar Juhu als een fantastische spirituele uitdaging te zien in plaats van als een zware opgave. Het land in Juhu was belangrijk voor hun spiritueel leraar en het project was grootser en schitterender dan ze zich op dat moment konden voorstellen.
Hoewel prabhupāda nog steeds zelf alle belangrijke besluiten moest nemen, wilde hij dat de gbc-secretarissen de verantwoordelijkheid voor allerlei praktische zaken op zich zouden nemen. Hij vond het beter om zijn energie voor het schrijven en vertalen van boeken te gebruiken. “Als de gbc alles op de juiste manier doet,” zei hij tegen zijn secretaris Śyāmasundara, “dan wordt mijn geest niet belast en kan ik al mijn tijd gebruiken om meer boeken te vertalen. Ik kan jullie de Veda’s, de Upaniṣads, de Purāṇa’s, het Mahābhārata en het Rāmāyaṇa geven – zoveel. De goswami’s in onze lijn hebben zoveel boeken geschreven. Dit administratieve werk neemt te veel tijd in beslag. In plaats daarvan zou ik de filosofie kunnen bespreken. Maar mijn geest wordt dag en nacht belast. Zo verwaarloos ik mijn echte werk.”
Behalve dat hij de directe leiding over de projecten in India had, beantwoordde Prabhupāda elke dag ook een tiental brieven van toegewijden over de hele wereld. “Waarom blijven ze schrijven en stellen ze me zoveel vragen?” vroeg hij aan zijn secretaris.
“De toegewijden vragen het liever aan u zelf,” zei Śyāmasundara, “omdat hun gbc-secretarissen niet altijd het juiste antwoord weten.”
“Ze weten nu alles wat ze moeten weten”, zei Prabhupāda. “Ik heb jullie alles gegeven. En kennen ze het antwoord niet, dan kunnen ze het in mijn boeken vinden. Ik ben een oude man. Laat mij me op de filosofie toeleggen. De hele dag brieven lezen en zaken doen, de hele avond brieven ondertekenen – dat is niet goed. Ik wil bevrijd zijn van deze dingen. De gbc kan nu alles doen.”
Maar het was niet mogelijk. Zodra Prabhupāda voelde dat een van zijn toegewijden bedrogen werd, bemoeide hij zich er onmiddellijk zelf mee. En zijn leerlingen bleven hem schrijven over belangrijke zaken en besluiten. Hij ontmoedigde ze ook niet. Zijn verlangen zich terug te trekken en uitsluitend literair werk te doen bleef bestaan, maar het leek alleen maar een droom te zijn. Als hij wilde dat iskcon zich ontwikkelde, zou hij er voorlopig zelf bij betrokken moeten blijven.
Māyāpur, februari 1972
Prabhupāda had de eerste-steenleggingsceremonie in māyāpur uitgesteld tot Gaura-Pūrṇimā (de verschijningsdag van Heer Caitanya), op 29 februari 1972. Hij had de toegewijden gevraagd om een groot festival te organiseren. Ze zouden een paṇḍāl moeten opzetten en een gratis feestmaaltijd moeten klaarmaken voor alle gasten. Toegewijden van over de hele wereld zouden aanwezig zijn.
Ik wil dit feest dit jaar graag met al mijn leerlingen vieren… Het is een erg belangrijke dag en het zal een grote dienst zijn aan Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura en aan zijn zoon Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura. Organiseer dit programma daarom alsjeblieft.
Prabhupāda bezichtigde de accommodatie voor de toegewijden – ruime tenten van wit canvas, die verlicht waren met tl-lampen. Er was er één voor de mannen en één voor de vrouwen. Midden tussen de tenten stond een grote paṇḍāl met een kleine tent erachter, die dienst deed als keuken. De groep tenten werd omgeven door rijstvelden, waardoor de grond enigszins vochtig was. Bovendien wemelde het in de natte velden van de grote muskieten, die met zonsondergang tevoorschijn kwamen. De omstandigheden waren primitief, maar veel van de toegewijden hadden anderhalf jaar lang met Prabhupāda in India rondgereisd, waar ze soms op kale kamers in vieze dharmaśālā’s en soms in koude tenten hadden gelogeerd. Ze kwamen niet naar Māyāpur om comfortabel te leven, maar om Prabhupāda te dienen. In de toekomst zouden er, als resultaat van hun inspanningen, vele, vele toegewijden op een comfortabele manier in Māyāpur kunnen samenkomen in de ruime gebouwen die Prabhupāda in gedachten had.
Zich bewust dat de westerlingen niet gewend waren aan de soberheid van het leven in India, wilde Prabhupāda faciliteiten bieden, zodat zijn leerlingen zich op hun gemak voelden en zich tijdens hun verblijf in India op het spirituele leven konden richten zonder door allerlei ongemakken te worden afgeleid.
Prabhupāda verbleef in een eenvoudige hut met een oppervlakte van ongeveer vier vierkante meter. Dit soort hutten met een aarden vloer en een rieten dak was typerend voor Bengalen. Eén dunne wand scheidde de grote kamer van de kamers voor de dienaren. Aan de voorkant was een kleine veranda en aan de achterkant een tuin, waar Prabhupāda kon zitten en waar hij gemasseerd werd. Achter de hut stond een pomp om zich bij te wassen. Toen de toegewijden zich verontschuldigden voor het feit dat ze Prabhupāda zo’n nederig onderkomen aanboden, antwoordde hij dat hij van deze natuurlijke eenvoud hield. “Zelfs als jullie het grootste paleis voor me bouwden,” zei hij, “zou ik nog liever hier wonen.”
Hoewel hij zo eenvoudig leefde, had Prabhupāda grootse plannen voor een uitgebreid project in Māyāpur. De Beeldgedaanten van Rādhā-Mādhava waren nu in een tent op een altaar geplaatst, maar hij sprak al over een marmeren paleis. Ook had hij het over eersteklas voorzieningen voor gasten en toegewijden, maar op dat moment had hij hun nog maar weinig te bieden. Op zijn verzoek hadden de toegewijden een maquette gemaakt van het grote gebouw dat als eerste gepland was en er bestonden ook al tekeningen van de toekomstige Temple of Understanding. Hij wilde een hele stad bouwen, met aparte wijken voor de vier sociale geledingen van het varnāśrama-stelsel.
Het Gaura-Pūrṇimā-festival duurde vijf dagen. Er werd vierentwintig uur per dag kīrtana gehouden door groepjes toegewijden die elkaar om de twee uur afwisselden. Iedere morgen trok een grote menigte toegewijden er al chantend op uit om de heilige plaatsen in Navadvīpa te bezoeken: de neemboom waaronder Heer Caitanya geboren was, het huis van Śrīnivāsa Ācārya waar Heer Caitanya en Zijn metgezellen nachtelijke kīrtana’s gehouden hadden, de plaats waar de Kazi geprobeerd had de sankīrtana-optocht van Heer Caitanya tegen te houden, en de woning van Bhaktivinoda Ṭhākura. Vaak had Bhaktivinoda Ṭhākura voor dit huis gestaan, vertelde Prabhupāda, om over de Jalāṅgī uit te kijken naar de plaats waar ze nu de tempel wilden bouwen.
Gedurende de dag en vooral ’s avonds verzamelden de toegewijden zich onder de oranje-gestreepte paṇḍāl. Midden op het podium stonden Rādhā-Mādhava in een traditionele Bengaalse siṁhāsana van bewerkte bananenstengels, bedekt met kleurig folie en bloemenkransen. Prabhupāda liet zijn leerlingen het grootste deel van de openbare toespraken voor hun rekening nemen. Vooral Acyutānanda Swami gaf veel lezingen in het Bengaals.
Er kwamen en gingen honderden bezoekers in een gestade stroom en de toegewijden verspreidden nummers van Back to Godhead in het Bengaals, Engels en Hindi. ’s Avonds vertoonden ze dia’s of een film. Prabhupāda vond het vooral fijn om vanuit zijn raam te kijken hoe de toegewijden prasādam uitdeelden; er zaten dan honderden dorpelingen in lange rijen kicharī te eten van ronde bladeren die als bord dienst deden. “Ga hier altijd mee door”, zei Prabhupāda tegen zijn leerlingen. “Blijf altijd prasādam uitdelen.”
Zelfs zonder tempel was het predikwerk in Māyāpur al een groot succes. Andere nabijgelegen maṭha’s vierden ook Gaura-Pūrṇimā, meestal door weduwen uit Kolkata te ontvangen die tegen een vergoeding een paar dagen in de tempel logeerden om de heilige plaatsen van Navadvīpa te bezoeken. Maar Prabhupāda’s paṇḍāl-programma was het levendigst en trok ook de meeste bezoekers. De geboorteplaats van Heer Caitanya Mahāprabhu had geen betekenis als er niet werd gepredikt, zei Prabhupāda. Behalve in deze tijd van het jaar, werd Māyāpur maar door weinig mensen bezocht.
“Wat is er belangrijker,” vroeg Prabhupāda, “Heer Caitanya’s geboorteplaats of Zijn activiteiten? Het zijn Zijn activiteiten, Zijn karma. Die zijn belangrijker dan Zijn janma, Zijn geboorteplaats.” Heer Caitanya chantte Hare Kṛṣṇa en verspreidde liefde voor God onder alle mensen en dat zouden de toegewijden in Māyāpur ook moeten doen.
op de dag van gaura-pūrṇimā kwamen er tien sannyāsī-godsbroeders van Prabhupāda om samen met zijn leerlingen en honderden bezoekers aan de ceremoniële grondwijding en het leggen van de eerste steen deel te nemen. Prabhupāda was hoffelijk en vriendelijk tegen hen en hij was blij dat ze allemaal bij elkaar konden zijn om het wereldhoofdkwartier van de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn in te wijden.
Die dag initieerde Prabhupāda zes Bengaalse toegewijden en kende hij de sannyāsa-orde toe aan een jonge Amerikaanse leerling. Daarna kwamen zijn godsbroeders aan het woord, die stuk voor stuk hun waardering voor zijn werk in het Westen uitspraken.
Tenslotte verzamelden ze zich allemaal om een put van één meter doorsnede en met een diepte van vierenhalve meter. Ze hadden in overeenstemming met de heilige teksten bepaalde artikelen verzameld, die in de put gelegd moesten worden: vijf soorten bloemen, vijf soorten graan, vijf soorten bladeren, vijf soorten metaal, vijf soorten nectar, vijf verschillende kleuren, vijf soorten fruit en vijf soorten edelstenen. Prabhupāda’s godsbroeder Purī Mahārāja daalde via een ladder in de put af en zette een pot met kokosnoten en bananenbladeren en wat bloemen op het stenen altaar.
Vervolgens daalde Prabhupāda af in de put met een doos waarin een gouden Beeldgedaante met robijnen ogen van Ananta Śeṣa lag. Eerder die morgen had Prabhupāda de Beeldgedaante in alle vertrouwelijkheid aan een paar leerlingen laten zien. “Dit is Śrī Ananta,” had hij gezegd, “de slang waarop Śrī Viṣṇu rust. Hij zal de tempel op Zijn hoofd dragen.” Prabhupāda plaatste Ananta Śeṣa op het stenen altaar en klom de ladder weer op. Toen begon iedereen op uitnodiging van Prabhupāda met veel plezier offers van bloemen en geld in de put te gooien, gevolgd door handenvol aarde.
Na het vijfdaagse festival verliet Prabhupāda Māyāpur en ging naar Vṛndāvana waar hij van plan was nog zo’n ceremonie te houden. Het land in Māyāpur was nog steeds een kale vlakte en Prabhupāda spoorde zijn leerlingen aan door te gaan met geld inzamelen voor de bouw.
We zijn een prachtig plan aan het maken voor Māyāpur. Als jullie dit plan allemaal samen kunnen vormgeven, zal het iets unieks worden. Ik wil er een wereldcentrum voor spiritueel onderricht van maken. Er zullen studenten uit de hele wereld komen en we zullen een ommekeer teweegbrengen in de ideeën van de atheïstische en communistische dwazen, die zich voor filosofen uitgeven. Daarom moeten we ons verantwoordelijk voelen voor deze grote taak. Er mag geen moment zijn waarop we niet aan iskcon denken. Dat is mijn verzoek aan jullie allen.
Om de laatste formaliteiten voor de koop van het land in Ramaṇa-reti af te handelen, ontmoetten Prabhupāda en dhr. S. elkaar in de aanwezigheid van advocaten in de rechtbank van Mathurā. Prabhupāda zag het als Kṛṣṇa’s genade dat hij zo’n mooi stuk land in Vṛndāvana had kunnen kopen. In een brief aan zijn gbc-secretarissen in Amerika vroeg hij hun zoveel mogelijk mensen te sturen die konden helpen “met het oprichten van een eersteklas centrum om uit naam van Rūpa en Jīva Gosvāmī het spiritueel leven in Vṛndāvana te doen opbloeien.”
Prabhupāda zei tegen Kṣīrodakaśāyī, een van zijn Indiase leerlingen, dat er voor deze gelegenheid een enorme hoeveelheid prasādam moest worden klaargemaakt, zodat iedereen in Vṛndāvana uitgenodigd kon worden om deel te nemen aan de feestmaaltijd. Twee dagen later hield Prabhupāda de eerste-steenleggingsceremonie. Er waren honderd mensen aanwezig. Opnieuw daalde hij af in de ceremoniële put en plaatste er de Beeldgedaante van Ananta, op wiens hoofd de tempel zou rusten.
Die nacht werd het land aangevallen. Een oudere Indiase weduwe, die in de buurt voor een sādhu doorging, was erg kwaad geworden dat S. haar het land, waar ze een paar keer om had gevraagd, niet had gegeven. Die nacht stuurde ze er guṇḍā’s op uit om de fundering met de ceremoniële eerste steen te ontmantelen en de put te ontheiligen die juist die dag met bloemen en religieuze objecten was gevuld. De guṇḍā’s groeven het gat open, gooiden er vuilnis in en stalen het bord waarop de nieuwe eigenaar van het land bekend was gemaakt.
Prabhupāda was in zijn kamer in de Rādhā-Dāmodara-tempel toen hij hoorde wat er gebeurd was. Hij werd kwaad en zei tegen zijn leerlingen dat ze het contract aan de politie moesten laten zien. Die nacht bewaakten verscheidene politieagenten het land en toen de guṇḍā’s opnieuw kwamen, waarschuwde de politie hen dat ze, als ze nog een keer problemen veroorzaakten, gearresteerd zouden worden. En daarmee was de zaak afgedaan.
Prabhupāda had verschillende keren gezegd dat je, als je toegewijde wordt, je vanzelf veel vijanden krijgt. Dit incident overtuigde Prabhupāda er ook van dat ze zo snel mogelijk met de bouw van een tempel moesten beginnen. Op zijn minst zouden ze het land moeten omheinen, kleine hutjes moeten bouwen en er gaan wonen, terwijl ze zich op de bouw van de tempel voorbereidden.
Tejiyas: “Dit wordt de Kṛṣṇa-Balarāma-tempel”, zei Prabhupāda. We begrepen eigenlijk niet precies wat er gebeurde. We vonden het allemaal erg ver weg. Ramaṇa-reti was echt een rimboe. Het lag zo afgelegen en er liepen veel rovers rond. We dachten: “Als we hier een tempel neerzetten, zal er nooit iemand komen.” Maar Prabhupāda zei: “Waar Kṛṣṇa is, daar zal iedereen komen.
Prabhupāda’s secretaris Śyāmasundara schreef aan een godsbroeder over het nieuwe land in Vṛndāvana:
Eerder op de dag, vóór het ontbijt, heeft Prabhupāda de laatste regelingen getroffen voor de aankoop van het stuk land in Ramaṇa-reti, waar Kṛṣṇa zich met Zijn vrienden in het bos vermaakte, ongeveer tien minuten lopen van de Rādhā-Dāmodara-tempel. Prabhupāda heeft het land zelf opgemeten (met het touw van zijn muskietennet), erover onderhandeld, er plannen voor gemaakt, het contract ervoor opgesteld en ten slotte is hij naar de rechtbank in Mathurā gegaan, waar beide partijen het in een mum van tijd ondertekend hebben. Prabhupāda heeft me gevraagd je te verzoeken ONMIDDELLIJK MINSTENS VIJFTIG (50) MENSEN UIT AMERIKA NAAR INDIA TE STUREN!!! Eindelijk hebben we een degelijk programma in India: grote projecten in Māyāpur, Vṛndāvana en Mumbai. Al het land is gekocht en alles is geregeld – allemaal door Prabhupāda. Maar het probleem is dat we hier maar met een paar man zijn en voor de enorme opgave staan – veruit de grootste in onze gemeenschap – om deze drie projecten te realiseren. En geloof me, deze drie projecten zijn Prabhupāda meer dierbaar dan ieder ander project waar tot nu toe sprake van is geweest.
In de maand dat Prabhupāda uit Mumbai weg was (hij was op 10 februari vertrokken) werd de aanbetaling van vijftigduizend roepies gedaan, zoals afgesproken. Druppelsgewijs verhuisden de toegewijden van hun comfortabele flat in Mumbai naar een tent op het land in Juhu. ’s Nachts werden ze door ratten en muskieten in hun slaap gestoord. In hun pogingen het woekerende onkruid te verwijderen, kwamen ze lege drankflessen en overlopende rioleringen tegen. Zonder Prabhupāda’s persoonlijke aanwezigheid verzwakte hun vastberadenheid.
Maar toen kwam Brahmānanda Swami terug uit Kolkata, waar hij samen met Śrīla Prabhupāda was geweest. Prabhupāda had hem aangesteld als het hoofd van het Mumbai-project. Brahmānanda Swami borrelde over van inspiratie en gaf de toegewijden in Mumbai nieuw enthousiasme. Ze moesten het land schoonmaken en meteen een paṇḍāl oprichten. Brahmānanda had nog nooit eerder een paṇḍāl-programma georganiseerd. Hij huurde een aannemer in om een paar chātāi-huizen (van palmbladeren) voor de toegewijden te bouwen en een festivaltent op te zetten. Maar voor de bouw kon beginnen, moesten de toegewijden het land grondig schoonmaken.
Dhr. Sethi was een steunend lid van iskcon en hij woonde vlak naast de toegewijden. Hij was zo vriendelijk een werkploeg in te huren om al het onkruid en struikgewas op te ruimen. Verschillende vrienden uit Mumbai, ook steunende leden, kwamen meehelpen. N. bood zijn hulp aan door een van zijn assistenten te sturen om de arbeiders te organiseren. Ook de toegewijden werkten mee en bereidden zich tegelijkertijd voor op Prabhupāda’s terugkeer.
Śrī Śrī Rādhā-Rāsavihārī, de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa die Prabhupāda in 1971 in Mumbai op het altaar had geplaatst, arriveerden per taxi op Hare Kṛṣṇa Land. Tijdens de rit hadden Ze bij een paar toegewijden op schoot moeten liggen. Ze waren al eerder verhuisd, maar deze keer zouden Ze in een tent moeten verblijven. Toen Prabhupāda de opdracht had gegeven dat Rādhā-Rāsavihārī naar Juhu moesten verhuizen zodra de aanbetaling gedaan was, hadden sommige toegewijden hem gevraagd: “Waarom moeten de Beeldgedaanten verhuizen voordat de faciliteiten in orde zijn? Is het niet beter Ze te laten wachten tot de tempel klaar is?” “Zodra de Beeldgedaanten eenmaal op een stuk land op een altaar zijn geplaatst,” had Prabhupāda geantwoord, “zal niemand Ze meer weghalen.” Prabhupāda wist beter dan wie dan ook, hoe Rādhā-Rāsavihārī op de juiste manier vereerd moesten worden, maar het zeker stellen van het land was op dit moment het allerbelangrijkste. Hoe zou hij Rādhā-Rāsavihārī uiteindelijk een vorstelijke troon en een tempel kunnen aanbieden, redeneerde hij, als Zijzelf niet eerst hun recht als eigenaars verzekerden door Hare Kṛṣṇa Land als Hun verblijfplaats te aanvaarden? De komst van Rādhā-Rāsavihārī maakte het niet gemakkelijker voor de toegewijden, die nu met grote moeite de ochtend-pūjā moesten handhaven en in het armzalige keukentje zes offerandes per dag moesten bereiden. Rādhā-Rāsavihārī’s tent stond zelfs niet stevig en zwaaide heen en weer in de wind.
Śrīla Prabhupāda zag de komst van de Beeldgedaanten echter als een noodzakelijke transcendentale zet. Maar omdat hij Kṛṣṇa Zelf vroeg deze ongemakken te aanvaarden, bad hij: “Mijn lieve Heer, blijf alstublieft hier en ik beloof U dat ik een prachtige tempel voor U zal bouwen.”
Tegen de tijd dat Prabhupāda naar Mumbai terugkeerde, waren Rādhā-Rāsavihārī op het podium van de paṇḍāl op een altaar geplaatst. Het festival werd niet zo drukbezocht als het geval zou zijn geweest in het centrum van Mumbai. Per avond kwamen er ongeveer vijfhonderd mensen, maar Śrīla Prabhupāda was tevreden. Het festival werd nu op hun eigen terrein gehouden en dit was allemaal nog maar het begin.
Een paar dagen na zijn aankomst in Juhu was Prabhupāda klaar om de steenleggingsceremonie te houden – een tactiek om het land veilig te stellen. Maar het was meer dan een tactiek, want hij wilde ook zo snel mogelijk met de bouw van de tempel beginnen. Rādhā-Rāsavihārī hoorden niet in een tent te blijven staan, maar moesten beschermd worden door een siṁhāsana van teakhout en zilver, op een marmeren altaar. Ze moesten geflankeerd worden door Beeldgedaanten van de twee gopī’s, Lalitā en Viśākha, en Hun tempel moest marmeren koepels hebben van meer dan dertig meter hoog. Er zouden dagelijks duizenden mensen moeten komen om Hen te zien en respectvol prasādam te aanvaarden.
Op een morgen stonden de toegewijden Prabhupāda bij tijdens een eenvoudige steenleggingsceremonie. Ze hadden een diepe put gegraven en deze met stenen omringd. Prabhupāda daalde er in af en zette er de Beeldgedaante van Śeṣa neer. Daarna ging hij op een klein platform zitten. Tijdens de kīrtana sloeg hij op een koperen gong. De toegewijden kwamen één voor één naast hem staan en gooiden aarde in de put, terwijl er een dichte rook opsteeg van het offervuur.
Prabhupāda was van plan een uitgebreide wereldreis te maken naar Australië, Japan, Hawaï en de Verenigde Staten en misschien ook Mexico en Europa. Het zou wel eens een half jaar kunnen duren voor hij weer naar India terug zou keren en hij wilde dat in Mumbai alles rustig zou doorgaan zonder hem. Maar een paar dagen voor zijn vertrek hoorde hij van Brahmānanda Swami dat het predikwerk in Nairobi achteruitging, nu Brahmānanda daar niet aanwezig was. Prabhupāda liet hem naar zijn plichten in Afrika terugkeren.
Opnieuw moest Prabhupāda een leider voor Mumbai kiezen. Deze keer koos hij Girirāja, een jonge brahmacārī die zich onderscheiden had in het maken van steunende leden. Prabhupāda redeneerde dat Giriraja voor deze taak de aangewezen persoon was, zelfs al was hij jong en onervaren, omdat Girirāja expert was in het inzamelen van donaties en het maken van steunende leden – een essentiële vaardigheid voor een leider. Prabhupāda had bovendien zijn eenvoud en zijn devotie aan het project in Hare Kṛṣṇa Land opgemerkt.
Toen Prabhupāda in Mumbai verbleef, was er een jonge Nederlandse architect, Hans Keilman, naar de lezingen komen luisteren en steeds meer in het Kṛṣṇa-bewustzijn geïnteresseerd geraakt. Prabhupāda haalde Hans over toegewijde te worden en te helpen de Hare Kṛṣṇa-stad in Mumbai te bouwen. Onder Prabhupāda’s leiding begon Hans meteen ontwerpen te maken voor de gebouwen.
Prabhupāda zei dat Girirāja en de anderen vierenzestig lakhs roepies voor de bouw van de tempel moesten inzamelen. De toegewijden hadden geen idee hoe ze zelfs maar een fractie van die hoeveelheid geld bij elkaar moesten krijgen, maar Prabhupāda gaf ze een paar ideeën. Hij besprak met ze hoe je steun van invloedrijke mensen kon krijgen door ze het levenslange recht op het gebruik van een gastenkamer in een van de toekomstige gebouwen te verkopen. En zo waren er nog andere manieren.
Maar nu was het van het hoogste belang dat ze het land in handen zouden krijgen. Ze hadden dan wel bezit genomen van het land, maar voor ze konden gaan bouwen moesten ze de akte hebben. Omdat N. de akte nog niet had overhandigd, moest Girirāja er bij hem op aandringen zich aan de overeenkomst te houden en de akte onmiddellijk af te geven.
Prabhupāda had de buitengewone gave een spirituele visie in concrete realiteit om te zetten. Hij kon een deel van de materiële wereld in spirituele energie veranderen, zodat zelfs een gewoon mens de spirituele realiteit kon waarnemen. Hiervoor spande hij zich voortdurend in. Vaak aarzelt een transcendentalist om met de materie om te gaan, uit angst dat hij spiritueel zou kunnen verzwakken. De Veda’s gebieden de transcendentalist dan ook geld en materialistische personen uit de weg te gaan. Maar Prabhupāda, die de principes volgde die door Śrīla Rūpa Gosvāmī waren onderwezen, zag dat al het materiële in dienst van Kṛṣṇa gebruikt kon worden en op die manier zijn spirituele natuur terug kon krijgen. Een toegewijde beschouwt daarom niets als materieel en kan altijd in contact blijven met de spirituele energie, ook al lijkt hij binnen de materiële sfeer bezig te zijn.
In de vedische heilige teksten wordt de grote toegewijde Nārada Muni een cintāmaṇi – een toetssteen – genoemd, vanwege zijn gave om materialisten in toegewijden te veranderen. Net zoals een cintāmaṇi-steen ijzer in goud kan omzetten, zo kon Nārada een beestachtige jager tot een zuivere vaiṣṇava omvormen. Nārada wordt in de Veda’s verheerlijkt om zijn buitengewone prestaties in vervlogen tijden, maar Śrīla Prabhupāda was een even krachtige toetssteen in de huidige tijd. Steeds weer toonde hij dat hij door zijn simpele toepassing van het Kṛṣṇa-bewustzijn materialisten in volkomen onthechte, enthousiaste toegewijden van de Heer kon veranderen. En nu hij een aantal toegewijden uit māyā’s invloedssfeer had weggetrokken, wilde hij ze inzetten bij de taak een zo groot mogelijk deel van de materiële wereld op het spirituele niveau te brengen. Door zijn voortdurende leiding en aanwijzingen, probeerde hij steen en menselijke energie om te zetten in schitterende, spirituele tempels.
Hoewel ambitieuze materialisten de transcendentalisten soms verwijten niet productief te zijn, kon Prabhupāda daar door zijn constante ijver nooit van beschuldigd worden. Men beschuldigde hem er eerder van een kapitalist te zijn in het kleed van een sannyāsī. Maar zulke kritiek ontmoedigde Prabhupāda nooit; hij voerde de wensen van de voorgaande ācārya’s uit. Hij had deze conclusie al in zijn Śrīmad-Bhāgavatam geschreven, zelfs voordat hij in 1965 naar Amerika kwam:
Alle wijzen en toegewijden van de Heer hebben verklaard dat het beoefenen van kunst, wetenschap, filosofie, natuurkunde, scheikunde, psychologie en alle andere takken van kennis, helemaal en uitsluitend in dienst van de Heer moet gebeuren.
Prabhupāda wilde aanzienlijke delen van de materiële wereld veranderen in de spirituele wereld. Hij realiseerde zich dat hij een zware aanval tegen māyā lanceerde door te proberen een spirituele stad in Juhu te bouwen. In een paar maanden tijd waren er al zoveel moeilijkheden geweest. Maar er zouden er zeker nog meer komen; de strijd was nog maar net begonnen.
Prabhupāda verliet mumbai om vergezeld van een aantal toegewijden een predikreis rond de wereld te maken. Hij bezocht Singapore, Sydney, Melbourne, Auckland, Tokyo en Honolulu. Hij verbleef korte tijd in de tempel in Portland, Oregon, en vloog toen naar Parijs en Glasgow. Daarna keerde hij terug naar de Verenigde Staten, waar hij de boerderij in West-Virginia, New Vrindaban, bezocht. Na meer dan vijf maanden van intensief reizen, keerde hij terug naar zijn hoofdkwartier in de westerse wereld, Los Angeles.
Vanuit Los Angeles schreef hij de toegewijden in Mumbai. Hij verzekerde hen ervan dat Mumbai niet alleen een plaats vol problemen was, maar ook een bijzondere plaats waar een groots plan ten uitvoer gebracht zou worden. Het was het gevecht waard.
… ik ben nu heel benieuwd te horen of de overdrachtsakte getekend is en wat de inhoud is. Wees zo vriendelijk mij zo snel mogelijk een ondertekende kopie toe te sturen. Dit zal een grote opluchting voor me zijn. Zodra de overdrachtsakte getekend is, kunnen jullie meteen beginnen met bouwen. Ik kom binnenkort naar India, op zijn laatst in oktober, en ik hoop dan te zien dat de bouwprojecten in Mumbai, Māyāpur en Vṛndāvana in volle gang zijn. Het Mumbai-project is een van onze belangrijkste projecten in de wereld en ik verwacht van jou en de anderen daar in Mumbai dat het op een schitterende manier zal worden gerealiseerd.
Prabhupāda gaf zijn leiders in Mumbai herhaaldelijk de opdracht niet van de voorwaarden in de koopovereenkomst af te wijken. De toegewijden moesten N. dwingen zich aan de oorspronkelijke overeenkomst te houden.
Prabhupāda maakte zich zorgen over het feit dat hij nog niets van zijn advocaat dhr. D. had gehoord. Twee weken eerder had hij zowel N. als D. een telegram gestuurd waarin hij gevraagd had waarom alles zo lang duurde, maar hij had van geen van beiden antwoord ontvangen. Daarna had hij een andere advocaat in Mumbai, een vriend van de toegewijden, geschreven en hem gevraagd uit te zoeken wat de reden van het oponthoud was. Hij ontving een antwoord in Los Angeles: D. was niet langer zijn advocaat. Een paar dagen na dit schokkend bericht kreeg Prabhupāda een officiële brief van het kantoor van D., die het nieuws bevestigde.
Van al het recente nieuws uit Mumbai was dit het meest verontrustende. Prabhupāda begon in te zien hoe N. vanaf het begin een sluw complot tegen hem had gesmeed. Het was niet alleen een kwestie van traagheid of van bureaucratisch oponthoud geweest: D. en N. hadden onder één hoedje gespeeld. Het waren bedriegers. Nu werd het dus een echte strijd. iskcon zou naar de rechtbank moeten gaan om N. aan te klagen. Een rechtszaak kon onmogelijk vermeden worden. Maar Prabhupāda had nog steeds het idee dat hij wettelijk erg sterk stond.
Voordat hij Los Angeles verliet, zette hij op een rijtje welke stappen hij nu moest ondernemen. Hij schreef Girirāja dat hij een aankondiging in de krant moest plaatsen om het publiek ervan op de hoogte te stellen dat iskcon een overeenkomst met N. had voor de koop van het land in Juhu.
Hoewel Prabhupāda gbc-secretarissen had aangesteld om de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn in verschillende delen van de wereld te overzien, was hij in feite zelf de gbc-secretaris voor India. Waar hij ook was, hij bleef speciale aandacht aan deze projecten schenken. Hij was het volmaakte voorbeeld van een gbc-secretaris. Terwijl hij zich plichtsgetrouw bezig hield met praktische zaken, bleef hij altijd transcendentaal, volledig afhankelijk van Kṛṣṇa en altijd klaar om te prediken.
6 oktober
Tijdens een kort bezoek aan Berkeley plaatste Prabhupāda Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa op het altaar in de tempel en ontmoette een groep professoren van de universiteit van Californië. Maar de situatie in Mumbai liet hem niet los. Hij schreef aan Tamāla Kṛṣṇa Goswami:
De onderhandelingen in Mumbai zijn in de war gestuurd door het gekonkel van N. en D. Girirāja zit in moeilijkheden. Hij is een kind in dit soort wereldse onderhandelingen. Ga hem daarom onmiddellijk helpen… Maar je moet erop letten dat je het geld in de rechtbank betaalt en niet direct aan N. of aan zijn advocaat… Regel de zaken naar behoren of laten we anders naar de rechtbank gaan om iets tegen N. te ondernemen, burgerlijk ofwel strafrechtelijk.
Prabhupāda besloot ook Karāndhara, die hij als een deskundige op dat gebied beschouwde, naar Mumbai te sturen om te helpen. Hij wilde Śyāmasundara er ook heen sturen, maar die was naar Londen gegaan, omdat George Harrison de toegewijden een groot landgoed wilde schenken. Maar Prabhupāda vroeg Śyāmasundara om naar Mumbai te gaan zodra de transactie in Londen voltooid was. Hij was klaar voor de strijd. Hem konden ze niet bedriegen.
Op de terugweg naar india bezocht Prabhupāda opnieuw zijn centrum in Honolulu. En op 11 oktober ging hij voor het eerst naar Manilla, waar een kleine groep leerlingen predikprogramma’s voor hem had opgezet, zowel in de tempel als in Hotel Intercontinental.
In Manilla overdacht Prabhupāda zijn positie met betrekking tot het land in Juhu zorgvuldig en kwam tot de conclusie dat hij de strijd zou winnen. In een brief aan Girirāja zette hij de punten van zijn redenering op een rij.
1) Als koper hebben we aan alle voorwaarden voldaan.
2) N. heeft de zaak opzettelijk opgehouden met het doel ons te bedriegen, zoals hij in het verleden ook met anderen heeft gedaan.
3) Maar deze keer zal het hem niet lukken, want we hebben het land in handen en onze mūrti’s van Rādhā en Kṛṣṇa zijn daar op een altaar geplaatst.
4) Daarom moeten we direct naar de rechtbank gaan om hem te dwingen de overdrachtsakte onmiddellijk te overhandigen.
5) Ook als de rechtszaak lang gaat duren, kunnen onze bezigheden daar toch niet worden stopgezet.
6) Het is niet mogelijk een compromis met hem te sluiten zonder naar de rechtbank te gaan.
7) Ik denk dat we het bedrag van 14 lakhs wel in één keer kunnen opbrengen om deze schurk van het toneel af te werken.
8) Maar dit alles is niet mogelijk zonder naar de rechtbank te gaan, omdat we anders medeplichtig zijn aan het breken van de koopovereenkomst. Daarom moeten we naar het gerecht gaan voordat we een compromis sluiten.
Vṛndāvana, 17 oktober 1972
Prabhupāda was naar vṛndāvana gekomen om het Kārtika-seizoen te vieren (van 16 oktober tot 14 november). Hij was van plan iedere dag een lezing te geven bij de samādhi van Rūpa Gosvāmī, op de binnenplaats van de Rādhā-Dāmodara-tempel. Daar zou hij spreken uit de Nectar of Devotion [vertaald als Nektarzee van Zuivere Liefde, red.] zijn eigen vertaling van Rūpa Gosvāmī’s Bhakti-rasāmṛta-sindhu. Op zijn reis naar het Westen had Prabhupāda verschillende toegewijden uitgenodigd zich in Vṛndāvana bij hem te voegen tijdens Kārtika en er waren enkele tientallen toegewijden uit Amerika, Europa, India en andere delen van de wereld samengekomen om bij hem te zijn.
Hij maakte zich zorgen over zijn Vṛndāvana-project. Daarom was hij, in plaats van zich meteen naar Mumbai te haasten, eerst hier gekomen en had hij enkele van zijn bekwaamste leerlingen naar Mumbai gestuurd om de problemen in Mumbai aan te pakken. Nu wachtte hij als een generaal, die aan een ander front beziggehouden wordt, op nieuws van zijn luitenants in Mumbai. Hij betrok zijn twee kleine kamertjes in de Rādhā-Dāmodara-tempel, terwijl zijn leerlingen vlakbij verbleven in het vroegere paleis van de Mahārāja van Bharatpur, een oud gebouw aan de Yamunā.
Tamāla Kṛṣṇa Goswami, Śyāmasundara en Karāndhara arriveerden in Mumbai. De situatie was verslechterd, vertelde Girirāja hun meteen toen ze aankwamen. Toen N. de aankondiging in de krant had gezien, waarin publiekelijk bekend gemaakt werd dat iskcon een koopovereenkomst had gesloten voor het land in Juhu, was hij woedend geworden. Girirāja was met gevouwen handen naar hem toegegaan en had zich zelfs voor hem neergebogen, maar N. liet zich niet sussen. Hij was op al zijn beloften teruggekomen en had het contract verbroken onder het voorwendsel dat de toegewijden de akte niet binnen een termijn van zes maanden in hun bezit hadden gekregen. De aanbetaling van twee lakhs was nu van hem, had hij beweerd, en de toegewijden moesten het land onmiddellijk ontruimen.
N. had de watertoevoer naar Hare Kṛṣṇa Land afgesloten. Een paar dagen later was er bij de ingang naar het land een ongure persoon verschenen die iedere keer als er een toegewijde langskwam met een enorm kapmes zwaaide. Een vriend van N. liet bij het nabijgelegen Vile Parle-station een strooibiljet uitdelen dat de Amerikaanse Hare Kṛṣṇa-toegewijden schandalig gedrag toeschreef. Hoewel er al een paar toegewijden vertrokken waren en anderen erover dachten ook te vertrekken, waren er nog steeds ongeveer dertig toegewijden in Mumbai.
Het eerste wat hen te doen stond, zei Karāndhara, was een nieuwe advocaat zoeken. Hij ging naar de meest vooraanstaande advocaten in Mumbai en huurde een specialist in grondtransacties en -overdrachten in. Vervolgens hadden de toegewijden en hun advocaat een ontmoeting met N. in zijn kantoor. N. was koppig en werkte niet mee en de advocaat van iskcon uitte dreigementen. Een rechtszaak leek onvermijdelijk.
Tamāla Kṛṣṇa Goswami, Karāndhara, Bhavānanda en Śyāmasundara gingen samen in overleg. Hoe meer ze alles bespraken, hoe meer ze begonnen in te zien dat het hele Juhu-plan onmogelijk was. Zelfs zonder het bedrog van N. was het leven daar al heel moeilijk. De toegewijden en de Beeldgedaanten leefden in erbarmelijke omstandigheden. Het dak lekte en de cementen vloer brokkelde af. Het wemelde er van de ratten, vliegen, kakkerlakken, dorpshonden en muskieten – om nog niet te spreken van een giftige slang hier en daar. De toegewijden liepen aldoor tropische ziektes op, vooral malaria en hepatitis.
Hoewel de nieuwe advocaat van iskcon bereid was de zaak voor het gerecht te brengen, aarzelden de toegewijden. N. had gezegd dat zij – niet hij – fout waren, omdat ze geen toestemming hadden gekregen van de commissie voor liefdadigheidswerken. Ze zaten illegaal op zijn land. Hij dreigde dat hij ze zou aanklagen wegens het aanrichten van schade en hij leek zelfs op het punt te staan geweld te gebruiken. De leiders die Prabhupāda had aangesteld om de verwikkelingen in Juhu op te lossen, bekeken de zaak van alle kanten en besloten toen dat iskcon het land maar moest opgeven. Ze stelden gezamenlijk een brief op aan Śrīla Prabhupāda en lieten die door Śyāmasundara persoonlijk bij hem in Vṛndāvana bezorgen.
Śrīla Prabhupāda las de brief in zijn kamer in de Rādhā-Dāmodara-tempel. Hoewel alles zich honderden kilometers verderop afspeelde, gingen de ontwikkelingen in Mumbai hem zelfs hier in Vṛndāvana zeer ter harte. Hij haalde de kopie van de overeenkomst, die door N. getekend was, tevoorschijn. Toen riep hij zijn secretaris en dicteerde een brief aan zijn leiders in Mumbai.
Hij begon de brief als een advocaat en gaf systematisch, punt voor punt, antwoord. Een van de redenen die zijn leerlingen hadden gegeven om het land op te geven, was dat de commissie voor liefdadigheidswerken ze geen toestemming had gegeven. In dat geval, redeneerde Prabhupāda, moesten ze proberen het geld terug te krijgen en dan pas het land opgeven. Maar het leek erop dat de toestemming van de commissie voor liefdadigheidswerken vertraagd was, niet geweigerd – iets futiels dus. Hoewel N. beweerde dat ze die toestemming binnen zes maanden hadden moeten krijgen, wees Prabhupāda erop dat die tijdslimiet niet genoemd werd in de originele overeenkomst.
Een andere reden die de toegewijden hadden gegeven om het land op te geven, was dat ze er volgens N. niet in waren geslaagd de overdrachtsakte binnen zes maanden te verkrijgen, zoals in de oorspronkelijke verkoopovereenkomst was vastgelegd. Prabhupāda antwoordde dat het volgens de clausule in kwestie “onze keuze is om het contract binnen zes maanden te herroepen, niet die van de verkoper.” Maar het belangrijkste was dat N. binnen de termijn van zes maanden cheques ter waarde van één lakh roepies als betaling had aanvaard en dat daarmee de verkoopovereenkomst voltooid was.
… hij heeft de overdracht aanvaard en we willen deze niet tenietdoen. Integendeel, we zullen de zaak meteen afsluiten, afgelopen, uit. Hij probeert dit met foefjes te vermijden. Hij heeft jullie overdonderd en jullie zijn een beetje bang voor hem. Hij heeft jullie zelfs wijs gemaakt dat hij wettelijk sterker staat dan wij, zodat jullie hem geld geven. Maar dat is bedriegerij. We zullen hem geen cent meer geven. Betaal hem niets meer. Dien eerst een aanklacht tegen hem in… Waarom geven jullie zo makkelijk op en laten jullie je door hem intimideren? We staan heel, heel sterk.
Zelfs als N. met geweld dreigde, was dat geen reden om het land te verlaten. De toegewijden waren legaal op het land en moesten politiebescherming vragen.
Daarom zeg ik dat jullie dit soort zaken niet zo goed weten aan te pakken, omdat jullie te timide zijn. Nu mogen jullie doen wat je wilt. Er moet onmiddellijk een aanklacht ingediend worden, maar dat doen jullie niet omdat hij jullie overdondert. Hij uit dreigementen en heeft een grote mond, maar jullie zijn zo dom om hem te geloven en te doen wat hij zegt. Ik doe dat niet.
Prabhupāda’s uiteindelijk advies was dat de toegewijden naar de rechter moesten gaan en zeggen: ‘‘We hebben N. geld gegeven, en nu dreigt hij ons met geweld weg te jagen.” Ze moesten niet bang zijn.
Prabhupāda wilde graag zo gauw mogelijk met de bouw op het land in Ramaṇa-reti beginnen en het nieuws uit Mumbai kon hem daar niet van afhouden. Elke dag liet hij de toegewijden een sankīrtana-optocht houden van de Rādhā-Dāmodara-tempel naar het land in Ramaṇa-reti. Hij ging ook af en toe zelf naar het terrein kijken. Er was nog steeds niets meer te zien dan wat grashutten, een afrastering van prikkeldraad en een kleine voorraad bouwmaterialen. Subala, de toegewijde die de leiding over de constructie had, was langzaam en onwillig, en Prabhupāda liet Tamāla Kṛṣṇa Goswami uit Mumbai komen om de leiding over te nemen. Op een morgen bezocht Subala Prabhupāda op het dak van de Rādhā-Dāmodara-tempel. “Prabhupāda,” zei hij, “ik heb zo veel problemen. Ik heb geen tijd om te lezen, ik kan mijn ronden niet behoorlijk chanten en ik kan niet aan Kṛṣṇa denken. Ik denk er altijd maar aan hoe die aannemer ons bedriegt, of aan het tekenen van cheques voor werk en materiaal. Het is gewoon te veel. Ik heb zoveel aan mijn hoofd, dat ik Kṛṣṇa helemaal vergeet.”
“Denk je dat Arjuna, toen hij op het slagveld van Kurukṣetra was, alleen maar op Kṛṣṇa mediteerde?” vroeg Prabhupāda. “Dacht je dat Arjuna in een yogatrance zat, terwijl Kṛṣṇa op het slagveld aan het werk was? Nee, hij vocht. Hij doodde voor Kṛṣṇa. Hij dacht aan alle soldaten die hij moest doden voor Kṛṣṇa.
“Als je aan het chequeboek denkt, aan de arbeiders, of aan de aannemers, dan denk je net als Arjuna. Dit is dienst aan Kṛṣṇa. Je hoeft je geen zorgen te maken of je wel direct aan Kṛṣṇa kan denken. Arjuna zat niet in trance voor Kṛṣṇa op Zijn gedaante te mediteren. Hij was bezig Kṛṣṇa te dienen. Hetzelfde geldt voor jou: je moet je inzetten om je dienst aan Kṛṣṇa uit te voeren. Je leven is helemaal gevuld met dienst aan Kṛṣṇa en dat is heel goed.”
Prabhupāda liet iedere leerling zoveel mogelijk een bepaalde dienst doen die mentaal en lichamelijk het beste bij die persoon paste. Maar iedereen moest iets voor Kṛṣṇa doen. Prabhupāda wilde een tempel bouwen in Vṛndāvana en ieder die hem hielp, of hij nu opgeleid was of niet, of hij er nu aanleg voor had of niet – ieder die hem hulp bood – zou hem en daarom Kṛṣṇa heel dierbaar worden.
Over de hele wereld waren de toegewijden druk bezig om iskcon-projecten te ontwikkelen. Hun bron van inkomsten was de snelgroeiende verkoop van Prabhupāda’s boeken en tot op zekere hoogte, hun wierookbedrijf Spiritual Sky. Prabhupāda had nog geen definitieve plannen voor zijn Vṛndāvana-project maar hij besloot het geld voor materiaal en arbeid bij elkaar te brengen, door uit zijn boekenfonds te putten en donaties van toegewijden te aanvaarden. Op een dag ging hij naar het bouwterrein en vroeg een toegewijde een beetje cement te mengen en daarmee legde hij eigenhandig het eerste cement voor de fundering.
Hyderabad, 11 november 1972
Prabhupāda was naar hyderabad gekomen voor een paṇḍāl-programma. Grote menigten woonden zijn lezingen bij en waar hij ook kwam, zelfs als hij in of uit zijn auto stapte, omringden mensen hem om zijn lotusvoeten aan te raken. Hoewel Hyderabad door langdurige droogte geteisterd was geweest, begon het een paar dagen na Prabhupāda’s aankomst te regenen. In de krant werd gesuggereerd dat de enthousiaste harināma-kīrtana van Prabhupāda en zijn toegewijden de droogte moest hebben beëindigd. Prabhupāda was het daarmee eens.
Ook had hij een ontmoeting met N., die vanuit Mumbai naar Hyderabad gekomen was. Śyāmasundara had een vriendschappelijke relatie met N. omdat deze dol was op zijn drie jaar oude dochtertje Sarasvatī. Śyāmasundara was dus naar N. gegaan en had hem overreed om met Prabhupāda te spreken. Maar omdat hij bang was dat Prabhupāda misschien mystieke krachten zou gebruiken om hem over te halen iets tegen zijn wil te doen, bracht N. een guru mee, in de veronderstelling dat deze Prabhupāda’s kracht zou kunnen neutraliseren.
N., zijn guru en Śyāmasundara kwamen samen naar het huis van Panilal Prithi, waar Prabhupāda verbleef. Prabhupāda ontving zijn gasten en converseerde informeel met ze tijdens prasādam, tot hij gaapte en de guru van N. zei: “Oh, Swami, u zal wel erg moe zijn. We zullen u nu niet storen. U moet eerst wat gaan rusten, dan kunnen we later wel praten.”
“O ja,” antwoordde Prabhupāda, “ik ben erg moe.”
N. en zijn guru verontschuldigden zich dus en trokken zich terug in de aangrenzende kamer.
Na een paar minuten riep Prabhupāda Tamāla Kṛṣṇa Goswami bij zich. “Wanneer iemand je vraagt of jij moe bent,” zei Prabhupāda, “betekent dat dat hij moe is. Als je de andere kamer ingaat, zul je zien dat ze allebei slapen.” Hij gaf Tamāla Kṛṣṇa de opdracht om N. voorzichtig wakker te maken zonder zijn guru te storen en hem binnen te brengen.
Tamāla Kṛṣṇa liep op zijn tenen de kamer in en zag dat N. en zijn guru inderdaad allebei lagen te slapen. Hij ging naar N. toe, raakte zijn arm aan en zei zachtjes: “Meneer N., meneer N., wordt wakker. Prabhupāda zou u graag willen spreken. Kom snel.” N. ging gehoorzaam mee naar Prabhupāda’s kamer en vergat zijn guru-vriend. Prabhupāda sprak twee uur lang met N. en uiteindelijk slaagden ze erin een nieuwe verkoopovereenkomst op te stellen. Tamāla Kṛṣṇa en Śyāmasundara, die in een andere kamer zaten te werken, stelden de documenten op en typten ze uit, terwijl Prabhupāda en N. de laatste wettelijke punten regelden. Daarna tekende N. de overeenkomst, terwijl zijn guru-vriend nog steeds vast lag te slapen.
Prabhupáda rozmlouval s panem N. dvĕ hodiny a na závĕr diskuse vypracovali novou kupní smlouvu. Tamál Krišna a Šjámasundar ve vedlejší místnosti sestavili a na stroji sepsali potřebné dokumenty a Prabhupáda s panem N. dohodli definitivní právní znĕní. Pak pan N. podepsal dohodu, zatímco jeho přítel guru dál tvrdĕ spal.
Later op de dag bekende Tamāla Kṛṣṇa aan Prabhupāda: “Ik ben zo verstoord door deze affaire dat ik mijn ronden niet goed kan chanten.”
“Dat is normaal”, antwoordde Prabhupāda. “Dat heb ik ook weleens als ik ergens door verstoord ben.”
“Maar ik kan zien dat ik toch spirituele vooruitgang maak”, gaf Tamāla Kṛṣṇa toe.
Prabhupāda knikte.
“Vroeger probeerde ik altijd om moeilijke situaties te vermijden,” zei Tamāla Kṛṣṇa, “maar nu begin ik in te zien dat ik ze niet uit de weg moet gaan.”
“Ja,” zei Prabhupāda, “we moeten ze verwelkomen. Ze geven ons de kans meer vooruitgang te maken.”
Śyāmasundara en Tamāla Kṛṣṇa Goswami vlogen die middag met N. terug naar Mumbai. Volgens de nieuwe voorwaarden zou iskcon N. vijf lakhs roepies betalen als overheidsbelasting en in ruil daarvoor zou N. de akte overdragen. Maar er was ook een nieuwe termijn gesteld – drie weken – en de toegewijden zouden moeten opschieten. Prabhupāda zou spoedig zelf naar Mumbai komen om de zaak eens en voor altijd af te handelen.
Mumbai, 25 november 1972
Hoewel prabhupāda naar mumbai was gekomen in de hoop de transactie af te ronden, hield N. de zaak nog steeds tegen, ondanks de nieuwe overeenkomst. Het was overduidelijk dat het rekken van tijd eenvoudig deel uitmaakte van zijn plan om iskcon op te lichten. Śrīla Prabhupāda wachtte verscheidene dagen in Mumbai en vertrok uiteindelijk om een paṇḍāl-programma in Ahmedabad bij te wonen. Hij gaf zijn leerlingen de opdracht om de akte op basis van de nieuwe voorwaarden te krijgen of anders de oorspronkelijke twee lakhs roepies, die als aanbetaling gedaan waren, terug te nemen.
Maar toen Śrīla Prabhupāda weg was, begonnen Śyāmasundara, Tamāla Kṛṣṇa Goswami en de anderen erover te praten hoe, zelfs als ze op een dag de akte voor het land in Juhu zouden krijgen, het praktisch onmogelijk zou zijn om Hare Kṛṣṇa Land zo op te bouwen als Prabhupāda zich dat voorstelde. Het land hebben was één ding, redeneerde Śyāmasundara, maar daarna zouden ze nog een grote tempel en een hotel in deze rimboe moeten bouwen! Dat zou gewoon nooit lukken. Ondertussen ging Prabhupāda vanuit Ahmedabad door met de strijd om Mumbai en verzocht hij N. en D. naar Ahmedabad te komen om een regeling te treffen. Ze weigerden.
In Mumbai hoorden de toegewijden van hun advocaten dat, als ze hun oorspronkelijke aanbetaling terugwilden evenals het geld dat ze hadden gestort als aanbetaling voor de vijf lakhs belasting, ze onmiddellijk de nieuwe overeenkomst ongedaan moesten maken. Ze waren in de war en hun tijd raakte op.
Jednoho rána přijela z Bombaje do Ahmadábádu jedna z Prabhupádových žaček, Višákhá déví dásí. Prabhupáda si ji nechal zavolat a vyzval ji, aby se okamžitĕ vrátila do Bombaje s naléhavou zprávou. Obával se, aby jeho zástupci v Bombaji neudĕlali chybné rozhodnutí a od pozemku neustoupili. Višákhá déví dásí jim proto mĕla vyřídit, že nesmĕjí zrušit smlouvu s panem N. za žádných okolností. „Po pravdĕ řečeno, není to úkol vhodný pro ženu, ale všichni ostatní jsou vytíženi pandálovým programem nebo s námi nejsou ještĕ dost dlouho, aby mohli takový úkol provést.“
Op een morgen kwam een van Prabhupāda’s leerlingen, Viśākha Devī Dāsī, vanuit Mumbai in Ahmedabad aan. Prabhupāda riep haar en vroeg haar onmiddellijk naar Mumbai terug te gaan met een boodschap. Bezorgd dat zijn leiders in Mumbai de verkeerde beslissing zouden nemen en het land zouden opgeven, gaf hij haar de opdracht hen op het hart te drukken dat ze in geen geval de overeenkomst met N. ongedaan moesten maken. “Eigenlijk”, zei hij, “is dit geen vrouwenwerk, maar alle anderen hier zijn ofwel bezig in de paṇḍāl, ofwel nog niet lang genoeg bij ons om deze taak op zich te kunnen nemen.”
Viśākha nam de eerstvolgende trein vanuit Ahmedabad en arriveerde de volgende morgen in Mumbai. Maar wat Prabhupāda had gevreesd, was al gebeurd: de toegewijden hadden de verkoopovereenkomst ongedaan gemaakt. Ze waren ervan overtuigd dat het kopen van het land een misstap zou zijn. Hun advocaten waren het met hen eens en hadden de toegewijden duidelijk gemaakt dat als ze hun geld terugwilden, ze de overeenkomst onmiddellijk ongedaan moesten maken. Toen de toegewijden Prabhupāda’s boodschap uit Ahmedabad hoorden, heerste er alom verwarring. Nu hadden ze geen juridische positie meer en evenmin recht op het land. En ze hadden Prabhupāda’s plannen in de war gestuurd! Girirāja belde Prabhupāda in Ahmedabad op om hem te vertellen wat er was gebeurd.
“Met Bhaktivedanta Swami”, zei Prabhupāda toen hij de telefoon opnam. Girirāja zei dat er uit Ahmedabad een toegewijde was gekomen met een boodschap. “Ja, ja,” zei Prabhupāda, “wat wil je zeggen?” Uiteindelijk gooide Girirāja eruit dat ze de verkoopovereenkomst ongedaan gemaakt hadden. Prabhupāda was stil. Toen zei hij met een stem waarin zowel woede als berusting doorklonken: “Dan is alles afgelopen.”
“Met Bhaktivedanta Swami”, zei Prabhupāda toen hij de telefoon opnam. Girirāja zei dat er uit Ahmedabad een toegewijde was gekomen met een boodschap. “Ja, ja,” zei Prabhupāda, “wat wil je zeggen?” Uiteindelijk gooide Girirāja eruit dat ze de verkoopovereenkomst ongedaan gemaakt hadden. Prabhupāda was stil. Toen zei hij met een stem waarin zowel woede als berusting doorklonken: “Dan is alles afgelopen.”