Default View
Dual Language

Hoofdstuk 4

In alle steden en dorpen

Nadat swamiji een paar weken in san francisco had doorgebracht, ging hij naar Los Angeles, waar een groepje leerlingen een tempel had geopend in een middenstandsbuurt waar vooral mensen met een Afrikaanse en Mexicaanse achtergrond woonden. De winkelruimte was kaal en lag nogal afgelegen. Swamiji bleef er twee maanden, gaf lezingen, hield kīrtana’s en schonk zijn leerlingen kracht en inspiratie. Hoewel een gezoem in zijn hoofd het hem moeilijk maakte om te werken, vond hij het warme klimaat en de zon aangenaam en ging hij door met het vertalen van het Śrīmad-Bhāgavatam.
Een paar maanden na zijn vertrek uit Los Angeles, bracht Swamiji in mei voor het eerst een bezoek aan zijn iskcon-centrum in Boston. Ook daar hadden zich een paar leerlingen in een kleine winkelruimte gevestigd. Het was op zijn kamer in Boston dat Swamiji op een dag de naam “Prabhupāda” accepteerde. Terwijl zijn secretaris opschreef wat hij dicteerde, zei Prabhupāda dat het toevoegsel “ji” een derderangs aanspreekterm was.
“Waarom noemen we u dan Swamiji? Hoe moeten we u dan noemen?”
“Een spiritueel leraar”, antwoordde Swamiji, “wordt gewoonlijk aangesproken met namen als Gurudeva, Viṣṇupāda of Prabhupāda.”
“Mogen we u Prabhupāda noemen?”
“Ja.”
In het begin voelden sommige toegewijden er weinig voor om het hun zo dierbare “Swamiji”, dat voor hen een soort koosnaam was geworden, op te geven. “Ik heb gehoord dat we de naam ‘Swamiji’ niet meer mogen gebruiken”, zei een van de jongens tijdens een ochtendwandeling.
“Wie heeft dat gezegd?” reageerde Prabhupāda snel.
“Ze vertelden dat u gezegd had, dat dat derderangs was en dat we het niet meer mochten gebruiken.”
“Dat heb ik nooit gezegd.”
“We mogen het dus wel gebruiken?”
“Ja hoor.”
Maar het “Swamiji” raakte al gauw in onbruik. De toegewijden namen zelfs een verklaring op in Back to Godhead:
PRABHUPĀDA
Het woord ‘Prabhupāda’ wordt in vedische kringen gebruikt om de grootste eerbied tot uitdrukking te brengen en heeft betrekking op een groot heilige, zelfs onder heiligen. Eigenlijk heeft het woord twee betekenissen. Ten eerste: iemand aan wiens voeten (pāda) veel prabhu’s zitten (prabhu betekent ‘meester’; leerlingen van een guru gebruiken deze titel om elkaar aan te spreken). De tweede betekenis is: iemand die je altijd kunt vinden aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa (de allergrootste meester). In de opeenvolging van discipelen – waardoor het Kṛṣṇa-bewustzijn aan de mensheid wordt overgebracht– zijn er een aantal personen geweest die spiritueel zo belangrijk waren, dat ze Prabhupāda konden worden genoemd.
Śrīla Rūpa Gosvāmī Prabhupāda heeft de wil van zijn meester, Śrī Caitanya Mahāprabhu, uitgevoerd. Daarom worden hij en zijn mede-Goswami’s Prabhupāda genoemd. Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Goswami Ṭhākura heeft de wil van Śrīla Bhaktivinoda Ṭhākura uitgevoerd. Dit is de reden waarom ook hij Prabhupāda wordt genoemd. Onze spiritueel leraar, Oṁ Viṣṇupāda 108 Śrī Śrīmad Bhaktivedanta Swami Mahārāja, heeft op dezelfde manier het verlangen van Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Goswami Prabhupāda vervuld door de boodschap van liefde voor Kṛṣṇa naar de westerse wereld te brengen. Vandaar dat de nederige dienaren van Zijne Goddelijke Genade uit de verschillende centra van de sankīrtana-beweging in het voetspoor van Śrīla Rūpa Gosvāmī Prabhupāda treden en er de voorkeur aan geven hun spiritueel leraar met Prabhupāda aan te spreken. En hij is zo goed geweest dit te aanvaarden.
Montreal, augustus 1968
Srīla prabhupāda zat op zijn kamer met een paar leerlingen te praten. “Zo Annapūrṇā, heb je al wat nieuws?” vroeg hij. Annapūrṇā was een jong Engels meisje. Een paar maanden geleden had haar vader vanuit Engeland geschreven, dat hij misschien een huis ter beschikking had, als er een paar toegewijden naar Engeland zouden komen.
“Ja”, antwoordde ze.
“Zo, hoe staat het ermee?” Ze was terughoudend. “Was die brief van je vader bemoedigend?”
“Ja, hij moedigt me aan. Maar hij zegt dat hij niet voor een huis kan zorgen, als we daar komen.”
Prabhupāda zag er teleurgesteld uit. “Dat geeft niet. We laten het aan Kṛṣṇa over. Als we prediken, moeten we met gevouwen handen gaan staan voor degene die we benaderen en in alle nederigheid vragen: Meneer, mevrouw, word alstublieft Kṛṣṇa-bewust.”
“Prabhupāda?” Pradyumna nam het woord. “Ik ben een boek aan het lezen van die grote atheïstische swami.”
“Hmm?”
“Achterin dat boek staan wat brieven en die heb ik zo eens doorgekeken…”
“Met boeken van atheïstische swami’s hebben we niets te maken”, zei Prabhupāda.
“Maar ik heb niet zozeer naar zijn filosofie gekeken”, legde Pradyumna uit. “Ik heb alleen naar de technieken gekeken die hij heeft gebruikt toen hij in Amerika was en naar Europa wilde gaan. Een rijke weldoener heeft toen zes weken lang door Frankrijk, Engeland, Duitsland, Zwitserland en Nederland gereisd en overal lezingen voor hem georganiseerd. Zo heeft die swami bijna zijn hele tournee kunnen doen. Hij had gewoon een paar invloedrijke mensen die alles regelden. De lezingen waren al geregeld en de gemeenschap…”
“Kun jij ook zoiets regelen?” vroeg Prabhupāda.
“Ik geloof dat er in Londen een Koninklijke Aziatische Vereniging is. Ik dacht dat Ṭhākura Bhaktivinoda daar lid van was.”
“Maar waar zitten Ṭhākura Bhaktivinoda’s geestverwanten dan?” vroeg Prabhupāda.
“Nou,” zei Pradyumna weer, “misschien zijn er nog een paar mensen waarmee u zou kunnen corresponderen. Misschien willen zij u wel steunen.”
“Wordt er in dat boek van die swami iets over Kṛṣṇa gezegd?” vroeg Prabhupāda.
“Nee.”
Prabhupāda dacht even na. In Engeland zou hij geen verblijfplaats hebben. Pradyumna kon dan wel praten over invloedrijke mensen die vooruitreisden om alles te regelen, maar waar waren die mensen? Hier had hij alleen een verlegen meisje dat nauwelijks haar mond open durfde te doen, van wie de vader niet wilde helpen en Pradyumna, die in een boek van een atheïstische swami aan het lezen was en het over een Koninklijke Aziatische Vereniging had – niets concreets dus. Toch had Prabhupāda plannen. Hij had Mukunda en Śyāmasundara gevraagd naar Londen te gaan om daar te proberen een iskcon-centrum te openen. Ze hadden ermee ingestemd en zouden binnen enkele dagen vanuit San Francisco aankomen in Montreal.
Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī, Prabhupāda’s eigen spiritueel leraar, had al pogingen gedaan om het Kṛṣṇa-bewustzijn in Europa te verspreiden. In de jaren dertig had hij zijn meest ervaren sannyāsī’s naar Londen gestuurd, maar ze waren onverrichterzake teruggekeerd. Het was onmogelijk de mleccha’s het Kṛṣṇa-bewustzijn bij te brengen, hadden ze geklaagd. Europeanen konden niet eens lang genoeg stilzitten om naar de vaiṣṇava-filosofie te luisteren.
Toch had Śrīla Prabhupāda er vertrouwen in dat het zijn leerlingen wél zou lukken iskcon-centra in Europa te vestigen, net zoals ze dat in Noord-Amerika hadden gedaan. Een dergelijk succes zou Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī ongetwijfeld enorm veel plezier doen. Prabhupāda vertelde het verhaal van een man die een kalebas op straat zag liggen en die meenam. Even later raapte hij ook nog een stok en een metalen draad op. Op zichzelf waren die drie delen waardeloos, maar door de kalebas, de stok en de draad aan elkaar te bevestigen, had de man een vīṇā gemaakt en speelde prachtige muziek. Op dezelfde manier had Prabhupāda, toen hij naar het Westen kwam, hier en daar wat verstoten jongeren opgepikt. Zelf was hij ook verstoten door de mensen in New York. Maar door Kṛṣṇa’s genade was deze combinatie een succes geworden. Als zijn leerlingen oprecht bleven en zich aan zijn instructies hielden, zouden ze succesvol zijn in Europa.
Mukunda en Janakī, śyāmasundara en mālatī (met hun dochtertje Sarasvatī) en Guru Dāsa en Yamunā – kwamen aan in Montreal. Ze zagen ernaar uit om naar Londen te gaan. Deze drie echtparen hadden de tempel in San Francisco geopend en hadden daar heel nauw contact met Śrīla Prabhupāda gehad. Ze hadden Prabhupāda geholpen de hippies van Haight-Ashbury te laten zien wat kīrtana, prasādam en Ratha-yātrā was. Nu wilden ze hem graag helpen bij het prediken van het Kṛṣṇa-bewustzijn in Londen.
Prabhupāda vroeg de drie echtparen een week of twee bij hem in Montreal te blijven, zodat hij hun kon leren hoe goede kīrtana’s te houden. Het chanten van Hare Kṛṣṇa was geen theatervoorstelling, maar een daad van devotie. Alleen zuivere toegewijden – niet professionele musici – konden het op de juiste manier doen. Maar als Prabhupāda’s leerlingen bekwame zangers konden worden, zouden de mensen in Londen het Kṛṣṇa-bewustzijn misschien beter weten te waarderen.
Zelfs toen hij in india was om te herstellen, had Prabhupāda voortdurend plannen gemaakt om terug te keren naar Amerika en zijn beweging voort te zetten. Hij had ingezien dat de Indiërs, net als de Amerikanen, over het algemeen alleen in zinsbevrediging waren geïnteresseerd. Maar veel Amerikaanse jongeren, die ontdekt hadden dat de rijkdom van hun familie lang niet zaligmakend was, waren niet van plan hun leven te slijten in wolkenkrabbers of in het bedrijf van hun vader. Prabhupāda had in New York en San Francisco gezien hoe duizenden jongeren op zoek waren naar een alternatief voor het materialisme. Hun frustratie maakte ze rijp voor spirituele kennis.
De toegewijden, zelf nog steeds nieuwelingen, wisten nog niet wat spiritueel leven was en in de meeste gevallen wisten ze ook maar weinig van het materiële leven. Maar omdat ze het Kṛṣṇa-bewustzijn serieus namen, had Prabhupāda er vertrouwen in dat hun tekortkomingen hun spirituele vooruitgang niet zouden belemmeren. Hoewel ze van nature mooi waren, waren westerse jongeren nu vies en ontevreden; hun schoonheid was bedekt geraakt. Maar, zei Prabhupāda, door het chanten van Hare Kṛṣṇa zouden ze weer opleven, net zoals de moesson het land van Vṛndāvana weer fris en groen maakt. En zoals de pauwen in Vṛndāvana soms uitbundig dansen, zo waren nu ook de toegewijden, die hun materiële banden van zich af hadden geworpen, vol vreugde aan het dansen en de heilige namen aan het chanten. Toen een journalist Prabhupāda vroeg of zijn leerlingen hippies waren, antwoordde Prabhupāda: “Nee, we zijn geen hippies, we zijn happies.”
Śrīla Prabhupāda was meer dan een gastspreker of een officiële raadgever; hij was een spirituele vader voor zijn leerlingen. Ze aanvaardden hem als hun werkelijke vader en omringden hem met meer devotie en liefde dan zijn eigen gezin ooit had gedaan. Deze jonge Amerikaanse jongens en meisjes – “de bloem van hun land”, noemde Prabhupāda ze – hadden de zegen van Heer Caitanya ontvangen en waren die zegen nu aan het verspreiden onder hun landgenoten. Prabhupāda zei dat het de taak van zijn Amerikaanse leerlingen was om hun land te redden. Hij zou ze vertellen hoe ze dat moesten doen, maar zij moesten het verwezenlijken.
Śrīla Prabhupāda hield van zijn leerlingen en zij hielden van hem. Het was uit liefde dat hij hun de grootste schat gaf en het was ook uit liefde dat ze zich aan zijn instructies hielden. Dit was de essentie van spiritueel leven. Op basis van deze liefde zou de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn groeien. Het kwam niet als een verrassing dat sommige leerlingen in hun vroegere materialistische gewoonten terugvielen. Maar Prabhupāda was op zoek naar díe oprechte zielen die zouden blijven. Dat was waar het werkelijk om ging, zei hij. Eén maan is meer waard dan vele sterren; zelfs als maar een paar oprechte mensen zich volledig zouden inzetten, zouden ze al fantastische dingen kunnen bereiken. Zij die oprecht en intelligent waren, zouden blijven en Heer Caitanya zou hun de kracht geven Zijn verlangen te vervullen om overal liefde voor Kṛṣṇa te verspreiden. Zo zou het leven van de toegewijden volmaakt worden. Eigenlijk voelden veel toegewijden dat dit al plaatsvond. Het Kṛṣṇa-bewustzijn werkte, omdat ze het op een oprechte manier beoefenden en omdat Prabhupāda met veel geduld voor het zaadje van devotie zorgde dat hij in hun hart had geplant.
New York, 9 april, 1969
Prabhupāda reisde naar new york, de geboorteplaats van zijn gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn, waar de beweging al bijna drie jaar bestond. Het centrum liep goed en zijn boeken werden verspreid, maar Prabhupāda moest de toegewijden nog steeds bezoeken om ze kracht en inspiratie te geven. Ze hadden nu zeven maanden doorgewerkt zonder zijn persoonlijke bemoeienis, maar zijn bezoeken waren van levensbelang. Er ging niets boven het intieme samenzijn in zijn kamer en de warmte van zijn persoonlijke aanwezigheid. Naast de oude groep waren er nu ook veel nieuwe leerlingen bijgekomen.
Prabhupāda’s appartement op 26 Second Avenue puilde uit van de toegewijden. “Er was een verslaggever die me een interview afnam”, vertelde Prabhupāda. “Daarna schreef hij in zijn artikel: ‘De swami is een kleine man, maar zijn boodschap is groot.’ Dat is waar. Ik ben klein. Maar de boodschap – die is niet klein.”
Brahmānanda liet Prabhupāda een wereldbol zien waarop alle iskcon-centra stonden aangegeven. “Nu is er ook een in Noord-Carolina”, zei Brahmā­nanda.
“Dat is dan vijftien!” zei Prabhupāda. Hij glimlachte en keek van de ene toegewijde naar de andere. “Ik wil dat jullie allemaal een centrum beginnen. Wat is het probleem? Neem een mṛdaṅga, dan sluit iemand die karatāla’s wil spelen zich wel bij je aan. Toen ik hier kwam, waren Brahmānanda en Acyutānanda aan het dansen. En als mensen eenmaal de smaak van het chanten te pakken hebben, zullen er honderden naar jullie winkel komen om te genieten van het chanten en het dansen.”
“Ook meisjes?” vroeg Rukmiṇī.
“Dat kan geen kwaad”, zei Prabhupāda, “Kṛṣṇa maakt geen onderscheid tussen het vrouwelijk en het mannelijk uiterlijk. Ik bedoel, het vrouwelijk lichaam is zwakker, maar spiritueel gezien is het lichaam van geen enkel belang. In afwezigheid van Heer Nityānanda predikte zijn vrouw Jāhnavī Devī ook. Eerst moet je de filosofie begrijpen. Je moet vragen kunnen beantwoorden. Kṛṣṇa zal je de nodige intelligentie geven. Ook ik was er niet op voorbereid om al deze vragen te beantwoorden, maar Kṛṣṇa geeft de nodige intelligentie.”
Na acht dagen in New York ging Prabhupāda naar Buffalo. Rūpanuga gaf daar aan de Rijksuniversiteit een erkende cursus in Kṛṣṇa-yoga, waar ongeveer zestig studenten aan deelnamen, die met behulp van een kralensnoer regelmatig de Hare Kṛṣṇa-mantra chantten. Prabhupāda bleef er een paar dagen om lezingen te geven en leerlingen te initiëren. Daarna ging hij naar Boston voor meer initiaties en enkele huwelijken.
New Vrindaban, 21 mei 1969
Samen met kīrtanānanda swami en Hayagrīva, reisde Prabhupāda naar New Vrindaban, het landelijk project in de heuvels van West-Virginia. Toen de auto in de tuin van de buurman vlakbij de ingang naar het project kwam vast te zitten, besloot Prabhupāda de laatste drie kilometer over de modderige weg naar de boerderij te lopen. Maar de weg hield al snel op en Prabhupāda en zijn twee gidsen namen nu een bospad door het dichte woud.
De bomen stonden nog niet helemaal in blad en het zonlicht scheen door de takken op een tapijt van schitterende paarse flox. Prabhupāda liep snel voor Kīrtanānanda Swami en Hayagrīva uit, die zich moesten haasten om hem bij te houden. Een kronkelend beekje kruiste herhaaldelijk het pad en Prabhupāda stak het over door van de ene steen op de andere te stappen. “Je zou deze weg goed met een ossenwagen kunnen begaan”, merkte hij op. Het bos was als een oerwoud, precies zoals hij had verwacht en gehoopt.
Een jaar lang had Prabhupāda met Kīrtanānanda Swami en Hayagrīva over New Vrindaban gecorrespondeerd en in die brieven waren de richtlijnen vastgelegd voor een Kṛṣṇa-bewust leven op het platteland. Prabhupāda had gezegd dat hij wilde dat de gemeenschap zou worden gebaseerd op vedische idealen: eenvoudig leven gebaseerd op het houden van koeien en het bewerken van het land. De toegewijden zouden deze ideeën geleidelijk moeten uitwerken; daar zou tijd overheen gaan. Maar vanaf het begin zou het motto moeten zijn: “eenvoudig leven en verheven denken.” Omdat de gemeenschap zich volkomen afzijdig van de stad zou houden, zou het in het begin misschien ongemakkelijk en sober lijken. Maar het leven zou er vredig zijn, zonder alle zorgen die het kunstmatige stadsleven – dat gebaseerd is op hard werken om de zintuigen te bevredigen – met zich meebrengt. Het belangrijkste was dat de toegewijden Kṛṣṇa zouden dienen en Zijn namen zouden chanten.
Prabhupāda sprak maar weinig. Hij liep het pad af alsof hij thuis was. Ze stopten bij het beekje en Prabhupāda ging op een deken zitten die Kīrtanānanda Swami en Hayagrīva voor hem op het gras uitspreidden. “We stoppen even voor Kīrtanānanda,” zei Prabhupāda, “hij is moe.” Ze dronken wat water uit het beekje, rustten even en gingen toen weer verder.
Toen de weg een bocht maakte, zag Prabhupāda een open plek op de bergkam die voor hen lag. Onder aan de berg stond een klein huisje met een schuur. Dit, legde Hayagrīva uit, waren de enige twee gebouwtjes op de 500 hectare grond van New Vrindaban. Omdat hier geen voertuigen kwamen waren de paden overwoekerd met hoog gras. Dicht bij het oude huis spreidde een wilg zijn takken uit. De nederzetting was een toonbeeld van ongestoord
primitief leven.
Prabhupāda hield van het eenvoudige leven in New Vrindaban. En hoe eenvoudig de dingen die ze hem aanboden ook waren, hij aanvaardde ze met genoegen. Ze gaven hem pap van in melk gekookte versgemalen tarwe en hij vond het heerlijk. Toen hij zag dat de aarden vloer van de keuken met een laag koeienmest bedekt was, knikte hij goedkeurend en zei dat het net als in een Indiaas dorpje was.
Prabhupāda hield ook van zijn zolderkamer, die recht boven de tempelkamer lag. Hij haalde de kleine Rādhā-Kṛṣṇa-Beeldgedaanten tevoorschijn die hij de laatste anderhalve maand steeds mee op reis had genomen en liet zijn dienaar Devananda op een klein tafeltje aan één kant van de kamer een provisorisch altaar maken. Nadat hij zijn twee koffers als bureau had opgesteld en op een van de kisten een foto van zijn spiritueel leraar had gezet, ging Prabhupāda weer onmiddellijk over op zijn dagelijkse schema.
Hij liet zich elke morgen buiten masseren en baadde zich daarna met warm water in een geïmproviseerde douchecel buiten. Dan maakte Kīrtanānanda Swami Prabhupāda’s lunch klaar, die uit rijst, dāl en capātī’s bestond, samen met wat wilde spinazie die ze in de buurt hadden geplukt. De zomer daarvoor hadden Kīrtanānanda Swami en Hayagrīva bramen geplukt en ingemaakt, die ze nu als bramenchutney aan Prabhupāda serveerden. De capātī’s waren van versgemalen tarwe gemaakt en alles werd boven een houtvuur gekookt. Prabhupāda zei dat je het beste kon koken op een vuur van gedroogde koemest; daarna kwam hout, dan gas en als laatste elektriciteit.
Prabhupāda bracht een groot gedeelte van de dag buiten door onder een dadelpruimenboom die ongeveer dertig meter van het huis af stond. Daar zat hij dan te lezen aan een laag tafeltje dat een van de jongens had gemaakt. Vaak keek hij van zijn boek op en staarde over de diepe vallei naar de bergkam in de verte, waar het bos de lucht raakte.
Laat in de middag kwamen de toegewijden bij Prabhupāda onder de dadelpruimenboom zitten. Ze bleven daar dan tot na zonsondergang met hem praten. Ze zagen het feit dat Prabhupāda zo met hen leefde als een praktisch bewijs van het belang van New Vrindaban. Als hij, de grootste toegewijde, tevreden kon zijn om zo eenvoudig te leven en Hare Kṛṣṇa te chanten in dit afgelegen woud, dan zouden zij zijn voorbeeld moeten volgen.
Toen hij New Vrindaban met Vṛndāvana in India vergeleek, zei Prabhupāda dat New Vrindaban in bepaalde opzichten beter was, omdat Vṛndāvana in India wemelde van de materialistische mensen. Vijfhonderd jaar geleden hadden de goswami-volgelingen van Heer Caitanya de plaatsen van Kṛṣṇa’s activiteiten van vermaak in Vṛndāvana blootgelegd en sinds die tijd hadden er alleen zuivere toegewijden gewoond. Maar de laatste jaren was Vṛndāvana een oord van materialisten en impersonalisten geworden. In New Vrindaban zouden echter alleen maar mensen toegelaten mogen worden die zich werkelijk serieus op het spiritueel leven wilden toeleggen. “In de vedische samenleving”, zei Prabhupāda, “was iedereen tevreden om in een dorpje aan de rivier te leven, fabrieken waren niet nodig.” Prabhupāda wilde dat de hele wereld op deze vedische manier zou gaan leven; New Vrindaban zou hiervoor model kunnen staan.
New Vrindaban had geen telefoon en om de post te halen moesten ze drie kilometer lopen. Wat dat betreft, zei Prabhupāda, leek New Vrindaban op Vṛndāvana in India – in beide Vṛndāvana’s ontbrak het aan moderne gemakken. Maar dit ‘probleem’ paste goed binnen de vaiṣṇava-filosofie, die stelt dat de moderne gemakken de moeite die je moet doen om ze te krijgen, niet waard zijn. Een toegewijde aanvaardt wat de natuur hem schenkt en besteedt zijn tijd en energie aan het spiritueel leven.
V Novém Vrindávanu mĕli jen jednu černobílou krávu, která se jmenovala Kálija. Prabhupáda pil sklenku jejího mléka ráno, v poledne a večer. „Tak dobré mléko jsem nepil již šedesát pĕt let,“ říkal a předpovĕdĕl, že v Novém Vrindávanu bude jednou tolik krav, až mléko prýštící z jejich plných vemen rozbahní pastviny. Ačkoliv lidé na Západĕ ve své zaslepenosti nechápali, že zabíjení krav je hřích vyvolávající nepříznivé karmické reakce, Nový Vrindávan mĕl ukázat svĕtu společenské, mravní a ekonomické výhody spojené s ochranou krav a využíváním jejich mléka, místo toho, aby se zabíjely na maso.
Šríla Prabhupáda chtĕl, aby oddaní stavĕli v Novém Vrindávanu chatky. Přál si, aby takových příbytků bylo hodnĕ, i když zpočátku budou primitivní, a načrtl oddaným plán jednoduché stavby z pálené hlíny. Přál si také založit školu vycházející z vĕdomí Krišny, a venkov, jak řekl, je pro takovou školu nejlepší místo. „Mĕsto je stvořené človĕkem a příroda Bohem,“ citoval volnĕ anglického básníka Cowpera. Žáci se mĕli učit číst, psát a počítat a zároveň z nich mĕli vyrůstat čistí oddaní. Ve svých hrách by mĕli napodobovat zábavy Krišny a Jeho přátel, pasáčků krav – tak, jak probíhají v duchovním svĕtĕ. Ženy v Novém Vrindávanu mĕly pečovat o dĕti, uklízet chrám, vařit pro Božstva a stloukat máslo.
Šríla Prabhupáda mĕl pro Nový Vrindávan mnoho plánů, avšak předkládal jen základní myšlenky s nĕkolika málo praktickými detaily. „Rozviň vše, jak sám uznáš za vhodné,“ povĕřil Kírtanánandu Svámího. Chtĕl vybudovat védskou komunitu, jejíž členové by si pĕstovali vlastní potravu a vyrábĕli nezbytné životní potřeby. Pokud se oddaní v Novém Vrindávanu nestanou sobĕstačnými, řekl, pak je zbytečné, aby zabírali tak velký kus zemĕ.
Ještĕ před svou návštĕvou Nového Vrindávanu požádal Prabhupáda Kírtanánandu Svámího a Hajagrívu, aby na pozemku naplánovali výstavbu sedmi chrámů. Tĕchto sedm chrámů mĕlo být pojmenováno po hlavních chrámech starého Vrindávanu v Indii: Madan-móhan, Góvindadží, Gópínáth, Rádhá-Dámódar, Rádhá-raman, Šjámasundar a Rádhá-Gókulánanda. Prabhupáda slíbil, že osobnĕ zajistí Božstva Rádhy a Krišny pro každý chrám.
Nadešel čas, aby Prabhupáda z Nového Vrindávanu odejel – dopisy z Londýna, Los Angeles a San Franciska naléhaly, aby se vydal na cesty. V den jeho odjezdu mu oddaní žertem tvrdili, že ho nepustí. Kírtanánanda Svámí šel dokonce tak daleko, že prohlásil, že mu zatarasí cestu. Ale Prabhupáda ho napomenul: „To duchovnímu učiteli nemůžeš udĕlat.“
et was onvermijdelijk dat Prabhupāda New Vrindaban weer zou verlaten; brieven uit Londen, Los Angeles en San Francisco dwongen hem weer op reis te gaan. Op de dag van zijn vertrek plaagden de toegewijden hem en zeiden dat hij niet weg kon gaan. Kīrtanānanda Swami ging zelfs zo ver dat hij dreigde hem de weg te versperren. Maar Prabhupāda wees hem terecht: “Zo mag je de spiritueel leraar niet behandelen.”
Samen met Kīrtanānanda Swami en de andere toegewijden liep Prabhupāda het bospad af. De bossen waren groen en de zomerlucht was heet en vochtig. Prabhupāda sprak niet veel. Hij was hierheen gekomen om zijn leerlingen aan te moedigen en hij voelde zichzelf ook hoopvol. Het leven hier in New Vrindaban was zoals Kṛṣṇa had geleefd: heel eenvoudig en gebaseerd op het land en de koeien. Nu waren er maar een paar toegewijden, maar als Kṛṣṇa het wilde zouden er zeker meer komen.
Prabhupāda en Kīrtanānanda Swami liepen naast elkaar. Ze spraken weinig, maar hadden een diepe onderlinge verstandhouding. Prabhupāda had hem niet veel gedetailleerde aanwijzingen gegeven: een paar woorden als ze samen buiten zaten of aan het wandelen waren, een enkel gebaar of een uitdrukking van plezier of ongenoegen op zijn gezicht. Maar Kīrtanānanda had daaruit op kunnen maken dat het project zijn spiritueel leraar erg dierbaar was en dat het ook hém heel dierbaar zou moeten worden.
Aan het eind van de drie kilometer lange wandeling stond Prabhupāda, omringd door zijn volgelingen, naast de wagen die hem naar het vliegveld in Pittsburgh zou brengen, vanwaar hij naar Los Angeles zou vliegen. Zijn koffers, die met paard en wagen vervoerd waren, werden in de bagageruimte van de auto geladen. Prabhupāda ging op de achterbank zitten. Onder luid geroep van “Hare Kṛṣṇa” en “Prabhupāda” reed de auto de snelweg op. Prabhupāda nam zijn japa-kralen en ging door met het chanten van Hare Kṛṣṇa.
* * *
Prabhupāda had regelmatig nieuws ontvangen van zijn zes leerlingen in Londen. De drie paren hadden maar weinig geld en woonden verspreid over de stad. Prabhupāda’s brieven waren hun voornaamste bron van inspiratie. Ze lazen zijn aanwijzingen steeds opnieuw en droomden ervan dat hij ze op een dag in Londen zou komen bezoeken. Hoewel de drie echtparen het Kṛṣṇa-bewustzijn in San Francisco erg fijn gevonden hadden, werd de situatie in Engeland steeds problematischer. Als buitenlanders mochten ze geen geld verdienen en bovendien kenden ze bijna niemand. Ondanks het feit dat ze niet samen konden wonen, probeerden ze sterk te blijven en hun Kṛṣṇa-bewustzijn te handhaven.
In het midden van een winter vol strijd namen de zaken gelukkig een andere wending voor de toegewijden in Londen: ze ontmoetten George Harrison van The Beatles. De toegewijden hadden er al lang over nagedacht hoe ze The Beatles ertoe zouden kunnen bewegen Hare Kṛṣṇa te chanten. Ze hadden een keer een appeltaart met Hare Kṛṣṇa erop bij de Apple Records Studio laten afgeven. Een andere keer hadden ze een wandelende opwindbare appel gestuurd met de Hare Kṛṣṇa-mantra erop gedrukt. Ze hadden zelfs een bandje met een van hun kīrtana’s opgestuurd, dat Apple Records met een standaardbrief had teruggestuurd. Daarom leek het Kṛṣṇa’s buitengewone regeling te zijn, toen Śyāmasundara plotseling een van de meest gewilde beroemdheden van de wereld ontmoette: George Harrison. Śyāmasundara zat met zijn geschoren hoofd en een Indiaas gewaad aan in een drukke wachtkamer van Apple Records, in de hoop dat hij een paar woorden zou kunnen wisselen met iemand die op een of andere manier iets met The Beatles te maken had. Toen kwam George Harrison, die net een bespreking had gehad, de trap af. Hij zag Śyāmasundara meteen toen hij de kamer binnenkwam. Hij liep op hem toe, ging naast hem zitten en zei: “Waar hebben jullie gezeten? De laatste paar jaar heb ik steeds geprobeerd mensen van de Hare Kṛṣṇa-beweging te ontmoeten.” Śyāmasundara en George bleven wel een uur samen zitten praten, terwijl iedereen om hen heen op en neer liep. ‘‘Ik heb echt geprobeerd met jullie in contact te komen”, zei George. “Waarom kom je morgen niet bij me thuis?”

De volgende dag ging Śyāmasundara bij George lunchen, waar hij ook de andere Beatles, Ringo Starr, John Lennon en Paul McCartney ontmoette. Ze hadden allemaal vragen, maar vooral George was bijzonder geïnteresseerd.
George: Ik had die Hare Kṛṣṇa-elpee, waarop Śrīla Prabhupāda samen met de toegewijden Hare Kṛṣṇa zingt, al minstens twee jaar. Toen die plaat uitkwam, had ik hem nog diezelfde week. Ik stond er voor open. Dan trek je dat soort dingen gewoon aan. Ik luisterde er heel vaak naar, vooral samen met John. Toen John en ik aan het zeilen waren tussen de Griekse eilanden, hebben we dagen achtereen Hare Kṛṣṇa gechant onder begeleiding van ukeleles. Ik chantte de Hare Kṛṣṇa-mantra dus al lang voordat ik Śyāmasundara, Guru Dāsa en Mukunda ontmoette. Ik vond het gewoon fijn de Hare Kṛṣṇa-mantra te horen en naar die plaat te luisteren.
Prabhupāda kende ik ook al een beetje, want ik had alle toelichtingen op de hoes van dat album gelezen. Omdat ik in India was geweest, wist ik uit hun manier van kleden en hun geschoren hoofden waar de toegewijden vandaan kwamen. Ik had ze ook in New York en in Los Angeles gezien. Omdat ik zoveel boeken gelezen had en naar yogī’s op zoek was geweest, zag ik de toegewijden anders dan de meeste mensen. Nee, ik wist wat daar gebeurde en dat het niet zo eenvoudig was, omdat ze veel strengere regels volgden dan andere groepen – ze namen zelfs geen koffie, chocola of thee.
Śyāmasundara bleef George regelmatig opzoeken en ze werden al snel vrienden. George, die op een mantra gemediteerd had die hij van Maharishi Mahesh Yogi had gekregen, hoorde voor het eerst over bhakti-yoga en de vedische filosofie. Hij sprak openhartig met Śyāmasundara, Guru Dāsa en Mukunda over zijn spirituele speurtocht en zijn realisaties over karma.
George: Een yogī die ik India ontmoette, zei me: “Jij hebt echt veel geluk. Je bent jong, beroemd, rijk en gezond, maar tegelijkertijd is dat niet genoeg voor je. Je wilt meer weten.” De meeste mensen bereiken niet eens dat punt waarop ze zich realiseren dat er iets aan de andere kant van de muur is. Ze proberen alleen maar bovenop die muur te komen, zodat ze goed kunnen eten, in een mooi huis kunnen wonen en comfortabel kunnen leven en zo. Maar ik heb het geluk dat ik al die dingen al ervaren heb en in heb gezien dat het leven méér inhoudt.
Toen George in 1967 een bezoek aan Haight-Ashbury had gebracht, was hij zich schuldig gaan voelen over zijn rol in het propageren van de lsd-cultuur. Hij had gedacht dat de hippies van Haight-Ashbury mensen vol creativiteit waren, maar toen hij ze daar zag, volledig stoned, smerig en hopeloos – een West-Amerikaans verlengstuk van de Bowery – voelde hij zich er medeverantwoordelijk voor. Hij besloot zijn invloed te gebruiken door liedjes te schrijven en te zingen die over meer dan alleen drugs en seks gingen. Ook raakte hij steeds meer geïnteresseerd in de Indiase spiritualiteit, wat hij, volgens hem, aan het karma van zijn vorige levens te danken had.
George: Ik voel me thuis bij Kṛṣṇa. Ik denk dat dat iets is dat van een vorig leven is blijven hangen. Het was toentertijd alsof er een deur voor me openging. Het was net een legpuzzel; ik had al die kleine stukjes nodig om een volledig beeld te krijgen. En dat gebeurde toen de toegewijden en Swami Bhaktivedanta kwamen, toen een toegewijde me een boek gaf en toen ik naar die elpee luisterde. Langzaam vielen alle stukjes op hun plaats.
Dit is onder andere de reden waarom ik gehoor gaf aan Śyāma­sundara en Guru Dāsa, toen die pas in Londen waren. Laten we eerlijk zijn, als het erop aankomt dan hoor ik liever bij deze mensen dan bij die daar. Zo is het nou eenmaal. Ik hoor liever bij de toegewijden dan bij de fatsoenlijke mensen, de zogenaamde heiligen.
George bood aan de toegewijden te helpen een gebouw in Londen te krijgen en hij maakte plannen met Śyāmasundara om een Hare Kṛṣṇa-plaat op te nemen. Maar Śyāmasundara oefende nooit enige druk op hem uit.
Toen Prabhupāda over George hoorde, nam hij de mogelijkheid dat George het Kṛṣṇa-bewustzijn misschien wel volledig zou aanvaarden serieus in overweging. Hieruit trok Prabhupāda de volgende logische conclusie: hij stelde zich een wereldwijde bewustzijnsrevolutie voor, aangevoerd door de Kṛṣṇa-bewuste Beatles.
Uit jullie brief valt op te maken dat Mr. George Harrison sympathiek tegenover onze beweging staat. Als Kṛṣṇa werkelijk tevreden over hem is, zal hij ons kunnen helpen de sankīrtana-beweging over de hele wereld te verspreiden. Op de een of andere manier zijn The Beatles in Europa en Amerika in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. Als Mr. Harrison zich aangetrokken voelt tot onze sankīrtana-beweging en als hij de leiding op zich wil nemen bij het opzetten van een enorme sankīrtana-groep met The Beatles en onze iskcon-jongens, dan zullen we de wereld, die op het moment zo gekweld wordt door de onderhandse manoeuvres van de politici, zeker kunnen veranderen.
De toegewijden in Londen waren erg gelukkig met hun vriendschap met George, vooral omdat Prabhupāda binnenkort naar Londen zou komen. Nu wilde een wereldberoemde persoonlijkheid met hun spiritueel leraar kennismaken. Prabhupāda zou tevreden zijn en het zou hun ook kunnen helpen het predikwerk in Londen tot een succes te maken.
George begon zijn devotie aan Śrī Kṛṣṇa in zijn liedjes tot uiting te brengen. Hij las Prabhupāda’s Bhagavad-gītā zoals ze is en kon de superioriteit van het persoonlijke aspect van God boven het onpersoonlijke waarderen. Guru Dāsa toonde George het vers in de Gītā, waar Kṛṣṇa zegt dat Hij de basis van het onpersoonlijke Brahman is. George vond de ideeën van het Kṛṣṇa-bewustzijn mooi, maar aarzelde om zich uitsluitend aan Prabhupāda en Kṛṣṇa te wijden. Daarom zorgden te toegewijden ervoor dat ze hem niet zouden verstoren.
Op 11 januari schreef Śrīla Prabhupāda weer een brief aan de toegewijden in Londen, waarin hij nog meer ideeën naar voren bracht over hoe George Kṛṣṇa het beste zou kunnen dienen.
Ik ben zo blij dat Mr. Harrison liedjes schrijft zoals Lord whom we so long ignored. Hij is erg diepzinnig. Als we elkaar ontmoeten, zal ik hem ideeën geven over de gevoelens die we ervaren als we gescheiden zijn van Kṛṣṇa. Zulke liedjes zullen heel aantrekkelijk zijn. Het publiek heeft behoefte aan dit soort liedjes en als ze gebracht worden door aardige musici zoals The Beatles, zal het zeker een groot succes worden.
Later zou George een paar van deze liedjes opnemen. Zijn My Sweet Lord stond in Amerika twee maanden lang nummer 1 en zijn elpee Living in the Material World, waar er een miljoen van zijn verkocht, stond vijf weken lang bovenaan de hitlijsten.
Prabhupāda waarschuwde de toegewijden om zich niet zomaar van George’s hulp afhankelijk te stellen, maar om zelf ook naar een gebouw te blijven zoeken. Maar George wilde graag helpen en opnieuw stelde hij de toegewijden voor een album op te nemen. De toegewijden in Londen hadden lang gehoopt dat The Beatles ooit een album zouden maken waarop ze Hare Kṛṣṇa zouden chanten; dan zou de mantra zeker wereldberoemd worden. George voelde voor het idee, maar hij had liever dat de toegewijden zelf zongen en dat hij het op het Apple-label zou uitbrengen. “Jullie moeten het geld verdienen in plaats van wij”, zei hij. “Laten we een plaat gaan maken.”
De toegewijden gingen dus met George mee naar huis om een chant-sessie te houden. George dubde zijn gitaar in en een paar weken later kwamen de toegewijden terug om naar de bandopname te luisteren. George was bereid om een sessie in zijn studio te proberen. Ze spraken af dat ze George en zijn vriend Billy Preston – ook een musicus – bij de Trident Studio’s in de St. Anne’s Alley zouden ontmoeten. De sessie nam enige uren in beslag en de opname klonk goed. George en Śyāmasundara spraken een datum af waarop de definitieve opname zou worden gemaakt.
Op de dag van de opname verzamelden zich ongeveer een dozijn toegewijden – waaronder enkele pas geworven Engelsen – bij de emi-studio’s aan Abbey Road. Toen de eerste toegewijden in de Mercedes van George arriveerden, begon een groep tieners Hare Kṛṣṇa te zingen op de melodie die door de rockmusical Hair alom bekend geworden was. Terwijl Yamunā vaiṣṇava-tilaka op het voorhoofd van de technici aanbracht, begon Mālatī de picknickmandjes met prasādam uit te pakken en hingen enkele andere toegewijden plaatjes van Kṛṣṇa op en staken wierook aan. De studio was ge-Kṛṣṇa-izeerd.
De opnamesessie begon, met Paul McCartney en zijn vrouw Linda achter het controlepaneel. Iedereen werkte snel en in ongeveer een uur was kant A van de 45-toeren single gemaakt. George speelde orgel en Mukunda mṛdaṅga. Yamunā zong voor, met Śyāmasundara op de achtergrond, en de andere stemmen versmolten tot een koor. En om alles goed te laten verlopen, concentreerden ze zich allemaal op Prabhupāda en baden om spirituele kracht.
Bij de vierde opname ging alles gesmeerd, met Mālatī die aan het einde spontaan op een koperen gong sloeg. Daarna namen ze de andere kant van de plaat op: gebeden aan Śrīla Prabhupāda, Heer Caitanya en de zes Goswami’s. Na afloop dubde George de basgitaar en wat andere stemmen in. De toegewijden, de technici – kortom iedereen – was er tevreden over. “Dit wordt groots”, beloofde George.
Terwijl de plaat geproduceerd werd, keerden de toegewijden terug naar hun gewone bezigheden; ze woonden nog steeds apart. Prabhupāda kondigde aan dat hij begin september zou komen. Hij zou naar Hamburg gaan en daarna naar Londen komen, zei hij, zelfs al was er geen tempel. Maar op wonderbaarlijke wijze begon alles net twee maanden voor Prabhupāda’s komst voor elkaar te komen.
Guru Dāsa ontmoette een makelaar die aan Bury Place, vlakbij het British Museum, een herenhuis te huur had. De toegewijden konden er meteen intrekken. Ideaal gelegen, 41 pond per week en meteen te betrekken – het was fantastisch. Mukunda schreef Prabhupāda en vroeg hem geld voor de aanbetaling. Śyāmasundara kreeg op postpapier van Apple Corporation Ltd. een brief van George, waarin hij verklaarde dat Apple garant zou staan voor de betalingen, als de toegewijden in gebreke zouden blijven. Binnen een week hadden de toegewijden een herenhuis met vijf verdiepingen in het centrum van Londen.
Maar toen de toegewijden hun nieuwe centrum aan Bury Place wilden betrekken, kregen ze van de gemeenteambtenaren te horen dat ze niet de juiste woonvergunning hadden. Deze bureaucratie kon nog wel weken, zelfs maanden gaan duren. Opnieuw zaten de toegewijden zonder ruimte om samen te wonen en samen Kṛṣṇa te vereren. Maar Śyāmasundara begon met de bouw van een tempelkamer van Californische sequoia, erop vertrouwend dat alles wel goed zou komen.
John Lennon stelde Śyāmasundara voor dat de toegewijden bij hem op Tittenhurst, zijn nieuwe landgoed vlakbij Ascot, konden komen wonen. Er moest het een en ander gerenoveerd worden en als de toegewijden zouden helpen, kon hij ze onderdak verschaffen. “Kan onze guru daar ook verblijven?” vroeg Śyāmasundara. Dat vond John geen bezwaar en zo namen de toegewijden hun intrek in de voormalige bediendenvertrekken van John’s landgoed.
Slechts enkele weken voor Prabhupāda’s komst, kwam de plaat Hare Kṛṣṇa-mantra uit. Apple Records organiseerde een promotie en bracht verslaggevers en persfotografen in een veelkleurige bus naar een blauw-met-wit paviljoen waar de toegewijden en George hen te woord stonden.
De eerste dag werden er 70.000 platen verkocht. Een paar weken later traden de toegewijden op in een populaire tv-show, Top of the Pops en zongen “hun lied”.
Het landgoed van John Lennon, dat vroeger aan de familie Cadbury behoord had, bestond uit 30 ha. bos en gazon, een groot landhuis en vele kleinere gebouwtjes. John en zijn vrouw Yoko woonden in het landhuis. De vertrekken voor de bedienden, waar Prabhupāda en de toegewijden zouden gaan wonen, bestonden uit vier appartementen in een smal, vrijstaand gebouw, vlakbij het landhuis. Ongeveer vijftien toegewijden trokken er in en ze reserveerden een appartement voor Prabhupāda en zijn dienaar. Dit was niet de eerste keer dat de Lennons de toegewijden te gast hadden. Een paar maanden eerder, in mei, had een aantal toegewijden met John en Yoko Hare Kṛṣṇa gechant in hun suite in het Queen Elisabeth Hotel in Montreal.
John wilde dat de toegewijden de houten muren en vloeren in het grote huis eruit zouden slopen en ze zouden vervangen door nieuwe muren en tegelvloeren van zwart en wit marmer. Terwijl ze een begin maakten met deze renovatie, begon Īśāna – die pas uit Canada aangekomen was – met een paar helpers de oude concerthal in een tempel te veranderen, compleet met een vyāsāsana voor Prabhupāda. De toegewijden werkten dag en nacht aan Prabhupāda’s vertrekken, zijn vyāsāsana en de tempelkamer. Ze werkten met zoveel energie, dat John en Yoko konden zien dat de toegewijden echt van hun spiritueel leraar hielden. Toen de toegewijden een cassette aan het maken waren om naar Śrīla Prabhupāda in Duitsland te sturen, vroeg Īśāna aan John of hij nog iets tegen hun guru wilde zeggen. John glimlachte en zei, dat hij het geheim wel wilde kennen waarmee Prabhupāda zijn volgelingen zo toegewijd kreeg.
Het podium was klaar. Nu was het tijd voor de hoofdpersoon om op te komen. De zuivere toegewijde van Kṛṣṇa kwam eindelijk naar Engeland. Voor de zes toegewijden die het baanbrekende werk voor het Kṛṣṇa-bewustzijn in Londen hadden gedaan, was het een langdurige strijd geweest. Maar nu leek het erop dat al hun dromen, die eens onmogelijk hadden geleken, vervuld zouden worden. Ze hadden woonruimte voor Prabhupāda gevonden en een tempel in het centrum van Londen bemachtigd. Dit was Kṛṣṇa’s genade.
11 september 1969
Met medewerking van apple records en Lufthansa, hadden de toegewijden een speciale ontvangst voor Prabhupāda voorbereid op Heathrow Airport in Londen. Zodra Prabhupāda de trap van het vliegtuig afkwam, werd hij naar een auto geleid en naar een vip-lounge gereden, zonder dat hij zich aan de gewone formaliteiten hoefde te onderwerpen. Toen Prabhupāda uit de wagen stapte, holden de toegewijden de aankomsthal uit en brachten hun eerbetuigingen op het natte trottoir, terwijl Prabhupāda glimlachend op hen neerkeek. De toegewijden stonden op, veegden de natte steentjes van hun dhotī’s en sārī’s en omringden Prabhupāda dolgelukkig, toen hij de lounge in liep.
De verslaggevers kwamen naar voren: “Wat vindt u van deze ontvangst?”
Prabhupāda: ''Ik ben persoonlijk niet zo dol op ontvangsten. Ik wil weten hoe de mensen deze beweging ontvangen. Dat interesseert me.''
Toegewijden eenstemmig: ''Haribol!''
Verslaggever: ''Is dit een speciale ontvangst voor u, of iets wat u iedere dag meemaakt?''
Prabhupāda: ''Overal waar ik ga, heb ik mijn leerlingen. Op het ogenblik zijn er in het Westen ongeveer twintig centra, vooral in Amerika. De Amerikaanse jongeren zijn erg enthousiast. In Los Angeles en San Francisco vond ik de ontvangst ook heel erg goed. Tijdens het Ratha-yātrā-festival waren er ongeveer 10.000 jongens en meisjes die me over een afstand van tien kilometer hebben gevolgd.''
Toegewijden: ''Haribol!''
Verslaggever van de sun: ''Wat probeert u te onderwijzen, meneer?''
Prabhupāda: ''Ik probeer jullie datgene te leren wat jullie vergeten zijn.''
Toegewijden (lachend): ''Haribol! Hare Kṛṣṇa!''
Verslaggever van de sun: ''En dat is?''
Prabhupāda: ''Dat is God. Sommigen van jullie zeggen dat er geen God is. Anderen beweren dat God dood is. En weer anderen zeggen dat God onpersoonlijk of leeg is. Dat is allemaal dwaasheid. Ik wil alle dwaze mensen leren dat God bestaat. Dat is mijn missie. Welke dwaas er ook op mijn weg komt – ik zal bewijzen dat God bestaat. Dat houdt mijn beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn in. We dagen de atheïsten uit: dit is God. Zoals we hier nu tegenover elkaar zitten, zo kunt u ook tegenover God staan, als u oprecht en serieus bent. Dat is mogelijk. Jammer genoeg proberen jullie God te vergeten. Daarom lijden jullie zoveel in het leven. Ik predik alleen maar zodat jullie Kṛṣṇa-bewust en gelukkig zullen worden. Laat je niet leiden door onzinnige opwellingen van māyā, of illusie.''
De verslaggevers stelden vragen over Billy Graham, de landing op de maan, de oorlog in Ierland en de verblijfplaats van Prabhupāda’s vrouw en kinderen. Ze vroegen hem te poseren en klikten erop los met hun camera’s. Ze bedankten hem en gingen weg.
Prabhupāda ging de hal uit, waar een glanzend witte Rolls Royce op hem stond te wachten; een hoffelijk gebaar van John Lennon. Prabhupāda ging in kleermakerszit op de achterbank zitten. De limousine was uitgerust met donker glas en een overdadig interieur, zelfs met een televisie. De toegewijden waren zo opgewonden dat niemand eraan gedacht had om met Prabhupāda mee te gaan. De chauffeur voerde hem dus alleen weg naar Tittenhurst. Prabhupāda was stil, behalve dan dat hij af en toe hoorbaar zat te chanten, terwijl de chauffeur langs de slingerende wegen van het vliegveld naar Tittenhurst reed.
Hij was in Engeland. Zijn vader, Gour Mohan, had nooit gewild dat hij naar Engeland zou gaan. Op een keer had een oom Gour Mohan aangeraden zijn zoon naar Engeland te sturen om er rechten te studeren. Maar Gour Mohan had geweigerd: als zijn zoon daarheen zou gaan, zouden de vleeseters, de drinkers en vrouwenjagers hem kunnen beïnvloeden. Nu, zeventig jaar later, was Prabhupāda toch in Londen – niet om door Engelsen beïnvloed te worden, maar om hén te beïnvloeden. Hij was gekomen om ze datgene te leren wat ze vergeten waren.
En door Kṛṣṇa’s speciale zorg had hij een goed begin gemaakt. Toen hij alleen en zonder een cent in New York had moeten wonen, was dat Kṛṣṇa’s genade geweest. En nu kwam hij Engeland binnen in een Rolls Royce-met-chauffeur; hij zag ook dat als Kṛṣṇa’s genade en bleef volkomen geconcentreerd op zijn doel, het uitvoeren van de opdracht van zijn spiritueel leraar ongeacht welke omstandigheden hem nog te wachten stonden.
Prabhupāda kwam vóór zijn leerlingen in Tittenhurst aan. Maar de toegewijden die in het landhuis achtergebleven waren, ontvingen hem vol vreugde en brachten hem naar zijn kamer op de eerste verdieping. De kleine kamer was koud en vochtig; er stond een lage tafel die als bureau dienst kon doen en het tapijt bestond uit stukken vloerkleed die uit de andere kamers waren gehaald. De aangrenzende kamer was nog kleiner. Prabhupāda ging achter zijn bureau zitten. “Waar is iedereen?” vroeg hij. Toen hij achterover leunde en uit het raam keek, zag hij dat het juist begon te regenen.
Toen george, john en yoko langskwamen nadat Prabhupāda geluncht had, nodigde Śyāmasundara hen uit boven te komen om Prabhupāda te ontmoeten. George keek naar John en vroeg: “Heb je zin om naar boven gaan?” De bebaarde en gebrilde heer van Tittenhurst, die zijn haar tot op zijn schouders droeg, knikte van ja. Yoko was ook nieuwsgierig, dus gingen ze allemaal naar Prabhupāda’s kleine kamertje.
Prabhupāda glimlachte minzaam vanachter zijn bureau en verzocht zijn gasten binnen te komen en te gaan zitten. Hier waren dan twee van de beroemdste mensen in Engeland en Kṛṣṇa wilde dat hij met ze sprak. Prabhupāda deed zijn krans af, gaf hem aan Śyāmasundara en gebaarde dat hij hem George om moest hangen.
“Dank u wel”, zei George. “Hare Kṛṣṇa.”
Prabhupāda glimlachte: “Dit is Kṛṣṇa’s zegen.”
“Hare Kṛṣṇa”, antwoordde George opnieuw.
“Ja,” zei Prabhupāda, “er staat een vers in de Bhagavad-gītā: yad yad ācarati śreṣṭhas, tad tad evetaro janaḥ / sa yat pramāṇaṁ kurute, lokas tad anuvartate. Het idee is dat alles wat door invloedrijke personen aanvaard wordt, door de gewone mensen wordt gevolgd. Yad yad ācarati śreṣṭhaḥ. Śreṣṭhaḥ betekent ‘invloedrijke personen’. Ācarati betekent ‘handelen’. Wat invloedrijke mensen doen, wordt over het algemeen door het volk gevolgd. Als een invloedrijk iemand zegt dat iets goed is, dan is het in orde – de anderen zullen het dan ook aanvaarden. Door de genade van God, Kṛṣṇa, zijn jullie invloedrijk geworden. Duizenden jonge mensen volgen jullie. Ze mogen jullie graag. Als jullie ze dus iets geven dat werkelijk goed is, kan het aangezicht van de wereld veranderen.”
Hoewel George en John ongeveer even oud waren als de meeste van Prabhupāda’s leerlingen, beschouwde Prabhupāda hen als śreṣṭha’s, gerespecteerde leiders. “Jullie willen ook graag vrede in de wereld brengen”, vervolgde Prabhupāda. “Ik heb af en toe uitspraken van jullie gelezen. Dat is jullie verlangen. Iedereen wil dat. Iedere heilige persoon zou het verlangen moeten hebben vrede in de wereld te brengen. Maar we moeten weten hoe.” Hij legde de ‘vredesformule’ uit, zoals die in de Bhagavad-gītā staat: alleen zij die de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods erkennen als de eigenaar van alles, als het doel van alle offers en als ieders vriend, zijn in staat werkelijke vrede te vinden.
Daarna zei Prabhupāda directer tegen de twee Beatles, waarop hij eerder al had gezinspeeld: ze zouden zich het Kṛṣṇa-bewustzijn eigen moeten maken en helpen het over de hele wereld te verspreiden. “Ik vraag jullie op zijn minst je best te doen om deze filosofie te begrijpen”, zei hij. “Als jullie denken dat het goed is, volg het dan. Jullie zijn bereid de wereld iets te geven, dus waarom proberen jullie dit niet. Hebben jullie onze boeken gelezen? Deze Bhagavad-gītā zoals ze is?
John: ''Ik heb gedeeltes van de Bhagavad-gītā gelezen. Ik weet niet welke versie het was. Er zijn zoveel verschillende vertalingen.''
Prabhupāda: ''Er zijn inderdaad verschillende vertalingen Daarom heb ik deze uitgave gegeven, de Bhagavad-gītā zoals ze is.
Prabhupāda legde uit dat de materiële wereld een oord van ellende is. De natuur is wreed. In Amerika werd president Kennedy als de fortuinlijkste en gelukkigste man beschouwd en hij werd over de hele wereld vereerd. “Maar binnen één seconde” – Prabhupāda knipte luid met zijn vingers – “was het afgelopen met hem. Tijdelijk. Wat is zijn positie nu? Waar is hij? Als het levend wezen eeuwig is, waar is hij dan heengegaan? Wat is hij aan het doen? Is hij gelukkig of is hij ongelukkig? Is hij geboren in Amerika of in China? Niemand kan het zeggen. Maar het is een feit dat hij, als levend wezen, eeuwig is. Hij bestaat.
Prabhupāda legde de zielsverhuizing uit. En weer vroeg hij: “Probeer het te begrijpen en als het goed is, volg het dan. Jullie zoeken iets goeds. Is mijn voorstel onredelijk?” De twee Beatles keken elkaar aan, maar gaven geen antwoord. Prabhupāda lachte geamuseerd. “Jullie zijn intelligente jongens, probeer het te begrijpen.”
Prabhupāda vroeg zijn gasten welke filosofie ze volgden.
“Volgen?” vroeg John.
“Wij volgen niets,” zei Yoko, “we leven gewoon.”
“We hebben gemediteerd”, zei George. “Of liever gezegd, ik mediteer; mantrameditatie.”
Ze begonnen vragen te stellen – dezelfde vragen die Prabhupāda al zo vaak had gehoord. Nadat ze Prabhupāda’s uitleg van Brahman, de alomtegenwoordige spirituele energie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, hadden gehoord, twijfelde Yoko eraan of Brahman wel in staat was zuiver te blijven en vroeg ze zich af of het niet met de tijd achteruit zou gaan. Prabhupāda zei dat ze eerst een serieuze studente moest worden voor ze echt spirituele wijsheid zou kunnen begrijpen.
John en Yoko, die overtuigde eclectici waren, hadden moeite met het aanvaarden van Prabhupāda’s concept van de vedische autoriteit.
John: ''We moeten blijven ziften, net als met zand, om te zien wie de beste oplossing heeft.''
Prabhupāda: ''Nee, je moet één ding proberen te begrijpen. Waarom nemen deze mensen – als ze Kṛṣṇa niet als de allerhoogste autoriteit aanvaarden – waarom nemen ze Kṛṣṇa’s boek dan en vertalen ze het?''
George: ''Ik zeg niet dat Kṛṣṇa de Allerhoogste niet is. Dat geloof ik wel. Er is een misverstand over de Engelse vertaling van de Gītā uit het Sanskriet. Ik zei dat er veel versies zijn en ik geloof dat we dachten dat u wilde zeggen dat uw vertaling de echte was en de andere vertalingen niet. Maar we hadden niet echt een misverstand wat de identiteit van Kṛṣṇa betreft.''
Prabhupāda: ''Dat is al goed. Als jullie geloven dat Kṛṣṇa de Allerhoogste is, als dat jullie versie is, dan zul je nu moeten kijken wie zich het meest aan Kṛṣṇa heeft overgegeven. Deze mensen lopen 24 uur per dag Kṛṣṇa te chanten. En iemand anders, die nooit het woord ‘Kṛṣṇa’ op zijn lippen heeft, hoe kan die nu een toegewijde van Kṛṣṇa worden? Hoe kan iemand die de naam van Kṛṣṇa zelf niet eens uitspreekt een vertegenwoordiger van Kṛṣṇa worden? Als Kṛṣṇa de autoriteit is – en dat is aanvaard – dan zijn zij die zich rechtstreeks aan Kṛṣṇa hebben gewijd ook autoriteiten.''
Na een gesprek van meer dan een uur deelde Prabhupāda wat prasādam uit. Als deze śreṣṭha’s zich voor het Kṛṣṇa-bewustzijn zouden gaan interesseren, zou dit goed zijn voor hen en ook voor vele anderen. Hij had zijn plicht gedaan en hun de kans gegeven. Het was Kṛṣṇa’s boodschap en het was nu aan hen of ze haar wilden aanvaarden of niet.
John zei dat hij iets te doen had en excuseerde zich. Toen iedereen wegging, draaide Yoko, terwijl ze de trap afliep, zich om naar John en zei: “Kijk eens hoe eenvoudig hij leeft. Zou jij zo kunnen leven?”
De toegewijden hadden regelmatig contact met John en Yoko. Hoewel John oorspronkelijk in een zakelijk relatie geïnteresseerd was, mocht hij de toegewijden graag. Maar zijn vrienden raadden hem aan zich niet met de swami en zijn groep in te laten. Dus hield hij zich afzijdig.
Iśāna dāsa: ''Ik was in de keuken aan het werk en John zat achter de piano. De piano stond in de keuken, een grote piano zonder vernis. Zo zat hij daar dus en speelde Hare Kṛṣṇa. Hij was echt een groot musicus en hij kon Hare Kṛṣṇa spelen in iedere muziekstijl die je maar kon bedenken – blues, klassiek rock-en-roll, wat dan ook. Hij kon op elk gewenst moment van de ene stijl op de andere overgaan, terwijl hij alsmaar Hare Kṛṣṇa bleef zingen. Het was zo natuurlijk voor hem, dat je kon zien dat hij een muzikaal genie was. Zo hield hij me bezig en het was duidelijk dat hij er echt plezier in had. Hoe dan ook, toen hij zo met veel kracht en enthousiasme piano zat te spelen en Hare Kṛṣṇa chantte, verscheen zijn vrouw, Yoko Ono, in de deur in een nachthemd van heb ik jou daar en zei met een klaaglijk stemmetje: “Alsjeblieft John, ik heb verschrikkelijke hoofdpijn. Kan je daar niet mee ophouden en met me mee naar boven komen?”''
George was anders. Hij voelde zich tot Prabhupāda aangetrokken. Toen een van de toegewijden hem vroeg waarom hij de enige van The Beatles was die interesse toonde, had George geantwoord: “Dat is mijn karma. Die spirituele kant hoort bij mijn sterrenbeeld.”
George Harrison: ''Prabhupāda zag er precies zo uit als ik me had voorgesteld. Ik had de eerste ontmoeting met hem met een soort gemengd gevoel van angst en ontzag tegemoet gezien. Dat is wat ik later, toen ik hem vaker ontmoet had, zo fijn vond – ik voelde dat hij gewoon meer een vriend was. Ik voelde me ontspannen. Het was veel beter dan de eerste keer, want toen had ik niet begrepen wat hij zei en ik wist niet of ik misschien niet te materialistisch was om zelfs alleen maar bij hem te zijn. Maar later raakte ik wat meer ontspannen en voelde ik me veel meer op mijn gemak bij hem. Hij was erg hartelijk tegenover mij. Hij praatte niet anders tegen mij dan tegen de anderen. Hij sprak gewoon altijd over Kṛṣṇa en het deed er niet toe wie erbij was. Wanneer je hem ook zag, hij was altijd hetzelfde. Het was niet dat hij je de ene keer vertelde Hare Kṛṣṇa te chanten en de volgende keer zei: “O nee, ik heb me vergist.” Hij was altijd hetzelfde.''
Het was elke keer fijn om hem te zien. Soms ging ik onverwachts langs, dan was ik eigenlijk helemaal niet van plan te komen, maar voelde ik me er min of meer toe verplicht, en iedere keer dat ik bij hem vandaan kwam, voelde ik me zo goed. Ik was me ervan bewust dat hij in mij als persoon geïnteresseerd was. Het was altijd heel prettig.
George voelde zich aangetrokken tot Kṛṣṇa en hij vond het fijn om te chanten. Zelfs voordat hij Śrīla Prabhupāda ontmoette, had hij al wat over Kṛṣṇa geleerd van Maharishi Mahesh Yogi, van de autobiografie van Paramahansa Yogananda en van zijn reizen naar India. Maar vooral Prabhupāda’s onderricht had hem ervan doordrongen dat Kṛṣṇa de Absolute Waarheid is, de oorzaak van alles.
George: ''Prabhupāda hielp me begrijpen dat we Kṛṣṇa op vele manieren kunnen benaderen. Via prasādam bijvoorbeeld. Ik vind prasādam heel belangrijk, zelfs al is het maar een foefje. Zoals ze weleens zeggen: de liefde van de man gaat door de maag. Zelfs spiritueel gezien gaat dat op. Er is niets beters dan wanneer je hebt gedanst en gezongen, of gewoon hebt zitten praten, en er dan opeens iemand wat te eten voor je brengt. Dat is dan als een zegen. En wanneer je dan leert hoe je Hem moet aanraken, hoe je Hem moet proeven; dat is gewoon erg belangrijk.''
Kṛṣṇa is niet beperkt. En het feit alleen al dat Prabhupāda er was en al die informatie gaf, ontroerde me. De geest is nu eenmaal koppig, maar het is allemaal Kṛṣṇa. Dat is alles wat je moet weten – dat alles Kṛṣṇa is. Ook deze wereld is Zijn energie, Zijn materiële energie, de universele vorm. En in Prabhupāda’s boeken staan die afbeeldingen, die laten zien dat Kṛṣṇa overal aanwezig is; in het hart van een hond, van een koe en van een mens.
Prabhupāda onderwees misschien nog een hoger aspect, maar wat ik steeds beter leerde begrijpen, was dat Kṛṣṇa overal en in alles aanwezig is. Prabhupāda legde verschillende manieren uit om Kṛṣṇa te realiseren en hij leerde me een meditatie waarmee je Kṛṣṇa overal als een persoon kan zien. Ik bedoel, er is niets dat niet Kṛṣṇa is.
Prabhupāda zag George als een “goede jongen” en een toegewijde van Kṛṣṇa. Volgens het Bhāgavatam kan iemand – ongeacht zijn materiële positie – geen goede kwaliteiten bezitten als hij een atheïst is en nooit de heilige namen van God uitspreekt. Er waren in India genoeg swami’s en yogī’s en zelfs enkelen die zichzelf als vaiṣṇava’s beschouwden, die geen vertrouwen hadden in of belang hechtten aan de heilige namen van Kṛṣṇa. Maar George vond het fijn om Hare Kṛṣṇa te chanten en hij had de heilige naam in zijn liedjes gebruikt, die over de hele wereld verschrikkelijk populair waren. Hij diende Kṛṣṇa dus door zijn muziek en dat maakte het hele verschil.
Mr. George Harrison lijkt een erg intelligente jongen en door Kṛṣṇa’s genade is het lot hem ook gunstig gezind. De eerste dag is hij me samen met John Lennon komen opzoeken en hebben we twee uur gesproken. Hij wilde nog verder met me praten, maar nu is hij naar zijn zieke moeder in Liverpool gegaan.
Prabhupāda zag George ook als een rijk man en Heer Caitanya had de toegewijden in de onthechte levensstaat nadrukkelijk verboden om zich te mengen onder wereldse mensen. Maar tegelijkertijd had Heer Caitanya ook onderwezen dat een toegewijde elke gunstige gelegenheid om het Kṛṣṇa-bewustzijn te verspreiden moest benutten.
Als deze jongen met onze beweging samenwerkt, zal dit een goede stimulans zijn, want uiteindelijk is hij een welgesteld man. In het spiritueel leven moet voorzichtig worden omgegaan met welgestelde mensen. Soms komen we door onze predikactiviteiten met hen in aanraking, maar daarnaast heeft Śrī Caitanya Mahāprabhu Kṛṣṇa-bewuste mensen ook streng verboden om zich onder hen te begeven. Maar Rūpa Gosvāmī leert ons dat we van iedere gunstige gelegenheid gebruik moeten maken voor het verspreiden van het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Prabhupāda ging voorzichtig om met George, maar hij moedigde hem aan Kṛṣṇa’s namen te chanten, prasādam te eten en al zijn werk aan Kṛṣṇa op te dragen.
George: Prabhupāda heeft me eigenlijk nooit echt gevraagd op te houden met wat ik aan het doen was. Ik hoorde dat hij soms tegen de toegewijden zei dat ik zo een betere toegewijde was, vanwege mijn liedjes en de andere dingen die ik deed. Hij heeft dat nooit direct tegen mij gezegd, maar dat hoorde ik altijd van anderen. En wat ik erg gewaardeerd heb, was dat ik niet het gevoel had dat ik me volledig hoefde aan te sluiten. Ik geloof dat dat het bedorven zou hebben, als hij me steeds aan mijn hoofd had gezeurd: ‘‘Waarom geef je niet alles op en ga je niet ergens in een tempel wonen?” Maar hij gaf me nooit het gevoel dat ik anders was, dat ik er niet bijhoorde. Zo was hij nooit.
Ik ben een toegewijde in burger. Zo zie ik mezelf. Ik ken veel mensen en hielp de beweging waar en wanneer ik kon. Dat zou iedereen doen die een beetje fatsoen heeft; je probeert elkaar gewoon zoveel mogelijk te helpen.
Hij was altijd tevreden over me, omdat alles wat ik deed de Kṛṣṇa-tempel hielp, ook al was het indirect. Alles wat ik op spiritueel gebied deed, of het nu via mijn liedjes was of iets anders, het stelde hem tevreden. Hij was gewoon altijd vriendelijk. Hij was ook voortdurend aan het chanten. Dat zei hij ook vaak tegen mij – dat ik altijd moest blijven chanten, of in elk geval zoveel mogelijk. Ik geloof dat wanneer je dat eenmaal doet, je je pas realiseert hoe goed het chanten voor je is.
Er zijn guru’s die rondreizen en beweren dat ze ‘het’ zijn, maar Prabhupāda zei altijd: “Ik ben een dienaar van de dienaar van de dienaar van Kṛṣṇa.” En zo is het ook, weet je. Hij zei nooit: “Ik ben de grootste”, of “Ik ben God”, en zo. Hij zag alles in de context van het dienen en dat vond ik heel mooi. Ik geloof dat dat een kenmerk is van het spiri­tuele; hoe meer je weet, hoe meer je eigenlijk inziet dat je de dienaar bent. En hoe minder iemand weet, hoe meer hij ervan overtuigd is dat hij een geschenk van God aan de mensheid is.
Hoewel hij dus duidelijk een heel krachtige persoon was, spiritueel bijzonder ver gevorderd, behield hij altijd die nederigheid. Ik denk dat dat een van de belangrijkste dingen is. Tenslotte leer je meer van hoe iemand leeft en wat hij doet, dan van wat hij zegt.
Prabhupāda en zijn mensen en John en Yoko met hun vrienden vormden een vreemde combinatie. Twee dagen na Prabhupāda’s aankomst op Tittenhurst waren John en Yoko naar Canada gevlogen om met de Plastic Ono Band in het Varsity Stadium van Toronto op te treden. In oktober hadden ze Wedding Album opgenomen en nu waren ze aan een film, Rock-and-Roll Circus, begonnen en had John Cold Turkey opgenomen. Hoewel John van nature verlegen was, was hij tegenover de toegewijden die in het grote huis werkten altijd heel hartelijk en behulpzaam. Hij had de toegewijden uitgenodigd permanent op Tittenhurst en de boerderij te blijven wonen. Alles wat hij had, zei hij, zou hij met ze delen. Maar na verloop van tijd verhuisden Prabhupāda en zijn leerlingen toch. De gesprekken die ze met John hadden gevoerd, inspireerden hem tot het schrijven van een lied: Instant Karma.
Prabhupāda’s vertrekken waren nog niet helemaal klaar en de verbouwingen aan de tempel maakten Bury Place 7 lawaaierig en druk. Toch besloot Prabhupāda erin te trekken. “Ik ben er niet aan gehecht om in een comfortabel appartement te wonen,” zei hij, “maar ik ben eraan gehecht met toegewijden te leven.” Hij betrok de tempel in een tijd dat er weinig platen verkocht werden en de toegewijden verplicht waren hun boodschappen van dag tot dag te doen, afhankelijk van het geld dat ze hadden. Maar omdat Prabhupāda bij hen woonde en toezicht hield op hun werk, waren ze tevreden.
Op een dag belde er een zekere Mr. Doyal, de voorzitter van een grote Londense hindoegemeenschap. Hij had gehoord dat de toegewijden Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa wilden hebben en verklaarde dat hij hun de zijne wilde schenken. Toen Prabhupāda het nieuws hoorde, zond hij Tamāla Kṛṣṇa, Mukunda en Śyāmasundara naar het huis van Mr. Doyal om de Beeldgedaanten te gaan bekijken. Rādhā en Kṛṣṇa waren van wit marmer en ongeveer één meter hoog. Nog nooit eerder hadden de toegewijden zulke grote Beeldgedaanten gezien. Ze boden meteen hun eerbetuigingen aan. Toen ze weer terug in de tempel waren en Prabhupāda over hun bezoek vertelden, zei hij: “Breng me er onmiddellijk heen!”
Śrīla Prabhupāda arriveerde met Śyāmasundara en Tamāla Kṛṣṇa in een bestelwagen voor het huis van Mr. Doyal. Mr. Doyal bracht hen naar de woonkamer waar de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa onder een doek op een tafel in de hoek stonden. Tamāla Kṛṣṇa wilde ze meteen onthullen, maar Prabhupāda hield hem tegen: “Nee, laat maar.” Prabhupāda praatte met Mr. Doyal en vroeg hem naar zijn werk en uit welk deel van India hij kwam en hij maakte kennis met zijn gezin. Prabhupāda en zijn gastheer babbelden, terwijl de toegewijden luisterden. “Swamiji,” zei Mr. Doyal uiteindelijk, “ik wil u mijn Beeldgedaanten laten zien.” “Ja,” antwoordde Prabhupāda, “ik zal ze straks bekijken.”
Prabhupāda begon over zijn beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn te spreken, maar na een tijdje verzocht Mr. Doyal hem opnieuw: “Alstublieft, kijkt u eens naar deze Beeldgedaanten.” Tegelijk liep hij naar Rādhā en Kṛṣṇa toe en onthulde Ze.
“O ja”, zei Prabhupāda, terwijl hij zijn handen vol respect vouwde. Mr. Doyal legde uit dat hij de Beeldgedaanten uit India had laten komen voor eigen gebruik, maar dat er tijdens het vervoer een klein stukje van Rādhārāṇī’s vinger afgeschilferd was. Volgens de hindoetraditie konden de Beeldgedaanten daarom niet op het altaar worden geplaatst.
“Tamāla Kṛṣṇa,” zei Prabhupāda, “kijk eens hoe zwaar deze Beeldgedaanten zijn.”
Tamāla Kṛṣṇa plaatste één hand onder Rādhārāṇī’s voetstuk en de andere om haar schouders en tilde Haar op. “Niet zó zwaar”, zei hij.
“Śyāmasundara,” zei Prabhupāda, “kijk eens hoe zwaar Kṛṣṇa is.” Eigenlijk waren de Beeldgedaanten veel te zwaar om door één persoon gedragen te worden, maar de toegewijden begrepen Prabhupāda’s bedoeling.
“Gaat wel”, zei Śyāmasundara, terwijl hij Kṛṣṇa een paar centimeter van de tafel af tilde.
“Ja,” zei Prabhupāda beslist, “ik denk dat ze goed zijn. Laten we ze meenemen. We hebben een bestelwagen bij ons.” En plotseling vertrok Prabhupāda en zijn leerlingen, die Rādhā en Kṛṣṇa voorzichtig meedroegen, volgden hem. Prabhupāda bedankte Mr. Doyal.
“Maar Swamiji! Swamiji!” protesteerde Mr. Doyal, die niet voorbereid was op zo’n plotselinge aftocht. “Alstublieft, we zullen ze laten brengen. Onze vereniging zal ze brengen.” Maar Prabhupāda was de deur al uit en ging zijn jongens voor naar de bestelwagen.
“Alstublieft, wacht”, drong Mr. Doyal aan. “We moeten ze eerst repareren, daarna kunt u ze meenemen.”
“Maakt u zich geen zorgen,” zei Prabhupāda, “we hebben een beeldhouwer, die daar wel voor zal zorgen.”
Terwijl Prabhupāda Mr. Doyal geruststelde, gaf hij zijn leerlingen aanwijzingen hoe ze de Beeldgedaanten in de auto moesten plaatsen. Hij opende de deur van de bestelwagen, Śyāmasundara en Tamāla Kṛṣṇa kropen langzaam naar binnen en zetten Rādhā en Kṛṣṇa voorzichtig neer. Tamāla Kṛṣṇa bleef op zijn knieën in de laadruimte zitten om de Beeldgedaanten vast te houden, terwijl Śyāmasundara op de bestuurdersstoel plaatsnam.
“Rijden”, zei Prabhupāda. En weg waren ze, terwijl Prabhupāda vanuit het raam naar Mr. Doyal glimlachte, die met zijn hele familie op het trottoir stond.
Syāmasundara had nog maar een klein eindje gereden, toen Prabhupāda hem vroeg te stoppen. Hij ging achterstevoren in zijn stoel zitten en begon gebeden te reciteren: govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi… Hij keek lange tijd naar Kṛṣṇa, die wit was met een lichte blauwachtige glans en naar de prachtige witte Rādhārāṇī die naast Hem stond. “Kṛṣṇa is zo goed”, zei hij, “Hij is zomaar verschenen.” Daarna liet hij Śyāmasundara langzaam naar de tempel terugrijden.
Prabhupāda zag angstvallig toe hoe zijn leerlingen de Beeldgedaanten naar de eerste verdieping droegen. De toegewijden waren verbaasd en verrukt Prabhupāda in zo’n opgetogen stemming te zien terwijl hij Rādhā en Kṛṣṇa naar Hun tempel bracht. Hij liet Rādhā en Kṛṣṇa in een met een gordijn afgeschermd gedeelte van zijn eigen kamer zetten en ging toen aan zijn bureau zitten.
Śyāmasundara had het grootste deel van het altaar af. Hij had vier zware, houten pilaren van bijna twee meter hoog neergezet; op de achterste twee kwam de marmeren plaat waar de Beeldgedaanten van Jagannātha, Baladeva en Subhadrā op zouden staan en de voorste twee zouden het grote roodfluwelen baldakijn boven Rādhā en Kṛṣṇa ondersteunen. Śyāmasundara had de pilaren – hij noemde ze olifant-pilaren – wel op hun plaats gezet, maar de avond voor Hun plaatsing op het altaar stortte hij van uitputting in, zonder dat hij de gelegenheid had gehad om ze stevig vast te schroeven.
Op de dag van de opening stroomden een heleboel gasten – vooral Indiërs – die via pamfletjes en advertenties uitgenodigd waren, de tempel binnen. Apple Records had voor een professionele bloemist gezorgd, die de tempelzaal met bloemstukjes had opgesierd. Er was een televisieploeg van de BBC aanwezig om de ceremonie te filmen. Terwijl de meeste toegewijden kīrtana hielden, was Prabhupāda achter het gordijn aan de andere kant van de tempelzaal bezig met het baden van Rādhā en Kṛṣṇa.
Het plan was Rādhā en Kṛṣṇa na het baden op het altaar te plaatsen en dat Yamunā Ze dan zou aankleden. Daarna zou het gordijn opengaan, zodat alle gasten Śrī Śrī Rādhā en Kṛṣṇa op het altaar konden zien. Prabhupāda zou dan een lezing geven, waarna iedereen voor het feestmaal was uitgenodigd. Maar door Śyāmasundara’s onoplettendheid leidde Hun plaatsing op het altaar bijna tot een ramp.
Prabhupāda was klaar met het baden van Rādhā en Kṛṣṇa en Ze waren op het marmeren altaar geplaatst, toen de olifant-pilaren plotseling begonnen te wankelen. Het baldakijn boven Rādhā en Kṛṣṇa zakte langzaam in elkaar. Prabhupāda, die het gevaar zag, sprong op het altaar en greep bliksemsnel de zware pilaren vast. Met grote kracht hield hij ze op hun plaats. “Haal dit hier weg!” riep hij. Prabhupāda beschermde Rādhā en Kṛṣṇa met zijn armen, terwijl de jongens eerst het baldakijn verwijderden en daarna met veel moeite de pilaren één voor één wegdroegen. Rādhā en Kṛṣṇa bleven ongedeerd.
Terwijl Prabhupāda achter het gordijn bezig was Rādhā en Kṛṣṇa te redden, wachtten aan de andere kant van het gordijn gasten en verslaggevers vol ongeduld tot de Beeldgedaanten onthuld zouden worden. Nietsvermoedend zagen de gasten eerst een paar jongens met grote pilaren en een baldakijn achter het gordijn vandaan komen. In de veronderstelling dat dit bij de ceremonie hoorde, filmde de cameraploeg van de bbc alles.
De toegewijden bij Prabhupāda achter het gordijn waren verbijsterd. Maar dit was niet het juiste moment voor verontschuldigingen of waarderende woorden. Yamunā kleedde Rādhā en Kṛṣṇa aan, terwijl Prabhupāda haar aanspoorde. Toen eindelijk alles klaar was, opende Prabhupāda het grote gordijn en onthulde de bevallige vormen van Rādhārāṇī en Kṛṣṇa aan de tempel vol gasten. Een toegewijde offerde ārati. Prabhupāda, die een saffraankleurige cādar droeg en een krans van anjers om had, stond aan de kant. Als hun aanbidder en beschermer, keek hij vol eerbied naar Rādhā en Kṛṣṇa.
Dit moment was de bekroning van maandenlange inspanning. Eigenlijk waren er jaren van voorbereiding aan deze grote gebeurtenis voorafgegaan. Al honderd jaar geleden had Bhaktivinoda Ṭhākura verlangend uitgekeken naar de dag waarop het Kṛṣṇa-bewustzijn naar Engeland zou komen en dit was ook Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī’s wens geweest. De opening van een authentieke tempel van Rādhā en Kṛṣṇa in Londen, waar het Kṛṣṇa-bewustzijn gepredikt werd, was een historische gebeurtenis voor het Vaiṣṇavisme. Prabhupāda had verschillende godsbroeders in India uitgenodigingen gestuurd. Natuurlijk kon geen van hen komen, maar op zijn minst zouden ze blij moeten zijn geweest dat Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī’s droom eindelijk was uitgekomen.
Prabhupāda was drieënzeventig. Hij had in drie jaar tijd eenentwintig tempels geopend. Onlangs had hij enkele leerlingen opgedragen een bestuursorgaan voor iskcon te vormen, dat hem het beheer uit handen zou nemen, waardoor hij zich zich volledig op het schrijven van Kṛṣṇa-bewuste literatuur kon concentreren. Als deze boeken over de hele wereld verspreid zouden worden – bij de mensen thuis, op scholen en op universiteiten – zou iedereen daar baat bij hebben. In dit soort literatuur zou hij blijven voortleven. Hoeveel tijd hem nog restte in deze wereld wist hij niet, zei hij, maar hij wilde doorgaan zijn guru te dienen en te proberen hem leven na leven tevreden te stellen.
Ondanks Prabhupāda’s verlangen zich terug te trekken uit het actieve werk en zich helemaal te wijden aan het schrijven van boeken, was hij toch weer hier om in een nieuwe tempel Beeldgedaanten op het altaar te plaatsen en Ze tegen de onachtzaamheid van zijn leerlingen te beschermen. Als hij niet aanwezig geweest was, zou de viering op een ramp zijn uitgelopen. Zijn leerlingen waren oprecht en werkten hard, maar toch hadden ze zijn persoonlijke leiding nog nodig.
De expansie van iskcon was nog maar net op gang. Prabhupāda wilde niet zomaar een paar tempels openen, maar minstens 108. Zijn wereldreizen en het drukken van zijn boeken waren net begonnen en ook het aantal leerlingen zou ongetwijfeld toenemen. Zijn beweging zou meer aanzien krijgen en daarmee zou ook de tegenwerking van atheïsten groter worden. Het Kṛṣṇa-bewustzijn groeide en Prabhupāda stond aan het front. “Alles om me heen ziet er rooskleurig uit”, zei hij. “Dat is Kṛṣṇa’s grootsheid.” Hij zag zichzelf als dienaar van zijn spiritueel leraar; de rooskleurige toekomst lag in Kṛṣṇa’s handen.
Op de dag dat Prabhupāda Londen zou verlaten, deelde hij enkele persoonlijke bezittingen uit aan zijn leerlingen, zoals truien en sjaals. Daarna ging hij alleen de tempelkamer binnen om Rādhā en Kṛṣṇa te zien. Hij legde zich languit neer en bracht lange tijd zijn eerbetuigingen. Daarna stond hij op en keek naar Ze.
Yamunā: ''Prabhupāda keek met zoveel devotie naar de Beeldgedaanten. Hij hield van die Beeldgedaanten. Hij sprak over Hun buitengewone schoonheid en hoe Ze elkaar aanvulden – hoe Rādhārāṇī er soms mooier uitzag dan Kṛṣṇa, maar hoe Kṛṣṇa met Zijn maanachtige gezicht en Zijn glanzende ogen dan weer de aandacht trok. Prabhupāda zag me en zei terloops: “Als je in de praktijk brengt wat ik je heb geleerd en mijn aanwijzingen over het vereren van de Beeldgedaanten opvolgt, en als je de boeken leest die we gedrukt hebben, dan is dat voor jou voldoende om terug te keren naar God. Je hoeft niets nieuws te leren. Praktiseer gewoon wat ik je geleerd heb en je leven zal volmaakt zijn.” Daarna ging hij weg – zomaar weg.''
Van londen keerde Prabhupāda terug naar Amerika, waar hij zo’n zeven maanden in zijn centra doorbracht, vooral in Los Angeles. Eind juli onthulde hij zijn plannen voor de oprichting van een bestuursorgaan voor iskcon. Op 28 juli 1970 dicteerde hij daarom het volgende:
Ik, ondergetekende, A. C. Bhaktivedanta Swami, leerling van Oṁ Viṣṇupāda Paramahāṁsa 108 Śrī Śrīmad Bhaktisiddhānta Sarasvatī Goswami Mahārāja Prabhupāda, ben op 18 september 1965 naar de Verenigde Staten gekomen met als doel een beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn op te richten. Gedurende één jaar had ik geen onderdak. Ik heb in vele delen van dit land rondgereisd. Toen, in juli 1966, richtte ik deze gemeenschap op onder de naam Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn (iskcon). Geleidelijk aan is de gemeenschap gegroeid en zijn er steeds nieuwe afdelingen geopend. Op dit moment hebben we vierendertig afdelingen (34), waarvan ik een lijst bijgesloten heb. Omdat de omvang van onze activiteiten is uitgebreid, stel ik voor om een bestuurscollege op te richten (hierna te noemen het Hoogste Bestuurscollege [Eng. gbc – Governing Body Commission]). Ik word oud (75 jaar) en kan daarom elk moment van het toneel verdwijnen. Daarom ben ik van mening dat het nodig is dat ik mijn leerlingen onderricht hoe ze de hele organisatie moeten besturen. Ze leiden alle individuele centra, die bestuurd worden door een president, een secretaris en een penningmeester, en naar mijn mening doen ze dat goed. Maar we willen nog verdere verbeteringen aanbrengen in het tempelbestuur, het propageren van het Kṛṣṇa-bewustzijn, de verspreiding van boeken en andere literatuur, het openen van nieuwe centra en het opleiden van toegewijden tot het gewenste niveau.
Daarna noemde Prabhupāda de twaalf personen die de gbc zouden vormen en schreef:
Deze personen worden nu beschouwd als mijn rechtstreekse vertegenwoordigers. Zolang ik in leven ben, zullen ze optreden als mijn secretarissen en plaatselijke vertegenwoordigers en na mijn overlijden zullen ze executeurs-testamentair worden.
De volgende dag stelde Prabhupāda nog een belangrijke verklaring op, waarin hij een aantal van zijn leerlingen benoemde tot beheerders van zijn Bhaktivedanta Book Trust.
Het geld op de rekening van de Bhaktivedanta Book Trust zal gebruikt worden voor het publiceren van mijn boeken en voor het oprichten van tempels over de hele wereld, vooral in Māyāpura, in Vṛndāvana en Jagannātha Purī.
Hoewel het Prabhupāda’s bedoeling was dat de gbc toezicht zou hebben op de activiteiten van iskcon, schiep hij geen starre structuur. Hij schreef aan Karāndhara, een van de gbc-leden:
Iedere tempel moet onafhankelijk blijven en zelf in zijn onderhoud voorzien. Dat is vanaf het allereerste begin mijn bedoeling geweest. Zodra er bureaucratie komt, zal alles bedorven zijn. Er moet altijd individuele inzet, werk, verantwoordelijkheid en competitiegeest blijven; niet dat er één overheerst en de anderen onderhoudt en dat zij niets anders doen dan van je bedelen. Nee. Het doet er niet toe of het problemen geeft om alle centra te laten registreren. Ieder centrum vraagt een belastingcertificaat aan en wordt een afzonderlijke instelling in iedere staat. Dit zal onze mensen leren hoe ze zulke dingen moeten aanpakken en zo zullen ze verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid ontwikkelen.
Kolkata, augustus 1970
Voor het eerst in drie jaar keerde Prabhupāda terug naar India – naar Kolkata, zijn geboorteplaats. Hoewel het laat was en de reis lang had geduurd, was Prabhupāda gelukkig toen hij de trap van het vliegtuig afliep. Acyutānanda en Jayapatāka, zijn enige Amerikaanse leerlingen in India, stonden op het vliegveld op hem te wachten. Toen ze hem dichterbij zagen komen in zijn saffraankleurige gewaad, bogen ze voor hem neer. Prabhupāda glimlachte en omhelsde hen.
Er heerste politieke onrust in Kolkata. Een groep communistische terroristen, de Naxalieten, maakten de stad onveilig; ze hadden vooraanstaande zakenmensen vermoord en bedreigden het leven van vele anderen. Veel welgestelde industriëlen van Marwari verlieten de stad en gingen naar Delhi en Mumbai. Behalve de terroristen waren ook de Bengaalse studenten opstandig. De meeste van Prabhupāda’s bezoekers waren oudere mensen uit West-Bengalen en ze maakten zich ernstig zorgen over het geweld en de onrust. Hun enige bescherming, zei Prabhupāda, was Kṛṣṇa.
De mensen hier zijn enorm verstoord. Ze verwachten allemaal van mij dat ik iets doe om de situatie op te lossen, maar ik raad ze alleen maar aan Hare Kṛṣṇa te chanten, omdat dit transcendentale geluid de enige remedie is tegen alle materiële kwalen.
Prabhupāda vond het onnodig om een speciaal programma op te stellen voor de sociale problemen in Kolkata. Het chanten van Hare Kṛṣṇa was “het enige wondermiddel voor alle materiële kwalen.” De vraag was hoe hij zijn Amerikaanse leerlingen het beste kon inzetten om dit wondermiddel aan de Indiërs te geven. Prabhupāda was met een groep van tien toegewijden gekomen en hij had zijn leiders in het Westen gevraagd binnen een maand nog twintig mensen te sturen. Hij had een grote hoeveelheid boeken en tijdschriften besteld bij Dai Nippon Printing Company in Japan en zijn sannyāsī’s gingen dagelijks de straat op om kīrtana te houden.
De sankīrtana-groep kreeg goede reacties. Kaalgeschoren westerlingen, met śikhā’s, vaiṣṇava-tilaka en saffraankleurige gewaden, die op karatāla’s en mṛdaṅga’s speelden, met hart en ziel Hare Kṛṣṇa chantten en sanskrietverzen uit de Bhagavad-gītā citeerden om Heer Kṛṣṇa’s positie als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods te bevestigen, waren voor de Bengalezen een sensatie. Honderden mensen verzamelden zich om naar hen te kijken. Prabhupāda wist dat zijn leerlingen zo’n grote aantrekkingskracht zouden hebben – iedereen zou ze willen zien. Daarom noemde hij ze liefdevol zijn “dansende witte olifanten.”
Dezelfde toegewijden die ervan waren gaan houden in de straten van San Francisco, Los Angeles en New York Hare Kṛṣṇa te chanten, trokken er nu op uit in een uitputtende hitte, zoals ze in Amerika nog nooit hadden meegemaakt, en chantten iedere dag een paar uur lang op Dalhousie Square. De menigte verdrong zich om hen te zien; sommigen lachten of bespotten hen, maar de meeste Bengalezen keken vol verbazing toe.
Prabhupāda dacht dat wanneer de Indiërs zagen dat jonge westerlingen de principes van het Kṛṣṇa-bewustzijn aanvaardden, dit hun vertrouwen in hun eigen cultuur zou versterken. Hij legde zijn leerlingen uit hoe vroeger, in de tijd van Mahārāja Yudhiṣṭhira, heel India Kṛṣṇa-bewust was geweest. Maar de laatste duizend jaar had India onder het juk van buitenlandse overheersers geleefd, eerst onder de Mughals en daarna onder de Engelsen, en als gevolg daarvan hadden de intelligentsia en – zij het in mindere mate – het gewone volk het respect voor hun eigen cultuur verloren. Nu streefden ze de materialistische doeleinden van het Westen na en vonden dat productiever en praktischer dan religie, dat alleen iets sentimenteels was.
Zoals Prabhupāda zich goed bewust was, zouden westerlingen die als onthechte vaiṣṇava’s leefden, de gedachten en harten van de Indiërs kunnen veranderen en hen helpen het vertrouwen in hun eigen verloren cultuur te hervinden. Maar dit was geen kwestie van materiële tactiek, maar van spirituele kracht. Prabhupāda benadrukte dat de toegewijden zuiver moesten zijn in al hun handelingen: zuiverheid zou hun kracht zijn.
Ze hadden ongeveer tien dagen lang op Dalhousie Square en langs Chowringee gechant, toen Prabhupāda besloot ermee op te houden. Hoewel kīrtana op straat een uitstekende manier van prediken was, zei hij, was het in India niet de effectiefste methode. Er waren veel professionele kīrtana-groepen in Bengalen en Prabhupāda wilde niet dat zijn leerlingen zo werden gezien – als beroepsartiesten of bedelaars. Hij wilde dat ze op een manier zouden prediken die ze dichter bij de intelligentere, gerespecteerde Indiërs zou brengen, en hij ontvouwde zijn nieuwe plan.
Hij noemde het ‘steunend lidmaatschap’. Zijn leerlingen zouden Indiërs die iskcon wilden steunen en ermee verbonden wilden zijn, uitnodigen om lid te worden. Een contributie van 1.111 roepies zou hun recht geven op vele voordelen; ze zouden al Śrīla Prabhupāda’s boeken krijgen en gratis in alle iskcon-centra over de hele wereld mogen verblijven.
Toen hij op een avond bij iemand thuis een lezing gaf voor een groep welgestelde mensen, startte Prabhupāda zijn steunend lidmaatschapsprogramma. Na de lezing nodigde hij zijn publiek uit steunend lid van iskcon te worden en verschillende handelaren uit Kolkata tekenden meteen.
B. L. Jaju: Ik was werkelijk overweldigd door Prabhupāda’s eenvoud. Hij vertelde me hoe hij met zijn dagelijkse zaken bezig was geweest, toen zijn guru hem had verteld dat Caitanya Mahāprabhu vierhonderd jaar geleden voorspeld had dat Hare Rāma, Hare Kṛṣṇa over de hele wereld gechant zou worden. Hij zei dat dat de taak was, die zijn spiritueel leraar hem gegeven had en dat hij daarom naar Amerika was gegaan – om die taak te volbrengen.
Hij was helemaal niet snobistisch. Hij was de eenvoud zelve. Hij sprak gewoon met me als mijn broer. Hij vertelde me hoe hij naar de Verenigde Staten was gegaan, hoe hij daar was begonnen en hoe hij plannen had om het Kṛṣṇa-bewustzijn geleidelijk over de hele wereld te verspreiden.
Toen ik zag hoe zijn leerlingen hun leven hadden veranderd, begon ik te denken: “Waarom ik niet? Ik zou op mijn bescheiden manier ook iets moeten doen, zonder me zorgen te maken over wat andere mensen doen.” Ik was me ervan bewust dat hij op een subtiele manier mijn leven aan het veranderen was. Mijn vrouw, en zelfs mijn zoon, waren werkelijk verbaasd toen ze zagen dat deze blanke mensen – van wie we nooit gedacht hadden dat ze Kṛṣṇa-bewust konden worden – zo waren veranderd. Daarom vonden we dat ook wij moesten proberen de filosofie van de Gītā beter na te leven.
Prabhupāda ging door met het houden van programma’s bij mensen thuis en bleef ook gasten op zijn kamer ontvangen. Op een dag kwam er een zekere Mr. Dandharia bij Prabhupāda op bezoek en had het over de sādhu samāj die binnenkort in Mumbai gehouden zou worden, een samenkomst van de belangrijkste sādhu’s van India. Deze samenkomst zou op Chowpatti Beach plaatsvinden en beloofde iets opzienbarends te worden. Mr. Dandharia verzocht Prabhupāda de vergadering bij te wonen en Prabhupāda stemde ermee in.
Mumbai, oktober 1970
Het zand van chowpatti beach was fijn en schoon. Er waren duizenden mensen gekomen om de sādhu samāj bij te wonen. De sādhu’s, onder wie Prabhupāda en zijn volgelingen, zaten op het podium. De avond viel. De lucht boven de Arabische Zee was bewolkt en er stond een aangenaam briesje.
Er waren al twee lezingen over de Māyāvāda-filosofie geweest en nu was het Prabhupāda’s beurt om te spreken – de laatste spreker op het programma van die avond. Het publiek wilde hem graag horen; de resultaten die hij in het Westen had geboekt, hadden grote nieuwsgierigheid gewekt, vooral nu zijn toegewijden dagelijks, in de straten van Mumbai chantten. Prabhupāda’s leerlingen, die zich tijdens de voorgaande twee uur verveeld en soms geërgerd hadden, konden nauwelijks langer wachten tot Prabhupāda zou gaan spreken. Maar in plaats van zich tot het publiek te richten, wendde Prabhupāda zich tot zijn leerlingen en zei: “Begin maar te chanten.” Zodra de toegewijden met de kīrtana begonnen, stond de kleine Sarasvatī, Śyāmasundara’s dochtertje, op en begon te dansen. De andere toegewijden volgden haar voorbeeld. Toen de kīrtana verlevendigd werd met mṛdaṅga’s en karatāla’s, leek het alsof het dansen en chanten van de toegewijden een aantal sādhu’s op het podium stoorde; ze stonden één voor één op en gingen weg. Maar het publiek reageerde enthousiast; veel mensen stonden op en begonnen mee te klappen. Na vijf minuten sprongen de toegewijden spontaan in het zand en liepen al chantend naar het publiek toe. Duizenden mensen kwamen overeind en begonnen met de toegewijden te dansen, heen en weer wiegend op de maat.
Sommige Indiërs waren niet in staat zich te beheersen en begonnen van geluk te huilen, overweldigd door de oprechte kṛṣṇa-bhakti van deze buitenlanders. Nog nooit eerder was er zoiets gebeurd. Politieagenten en journalisten namen deel aan het chanten en het dansen. Het publiek op Chowpatti Beach werd overspoeld door de golven van de Hare Kṛṣṇa-kīrtana waarmee Prabhupāda en zijn leerlingen overduidelijk de kracht van Heer Caitanya’s sankīrtana-beweging tentoonspreidden.
Na ongeveer tien minuten stopte de kīrtana. Maar de menigte was zo opgewonden, dat er vijftien minuten verstreken voor alle mensen naar hun zitplaats waren teruggekeerd en het programma door kon gaan. De toegewijden hadden het podium verlaten en waren op de grond gaan zitten, zodat Prabhupāda alleen op het podium achterbleef. Prabhupāda’s stem echode over de luidsprekers:
Dames en heren, men heeft mij verzocht in het Hindi te spreken, maar ik ben niet meer gewend om in het Hindi te spreken. Daarom heeft het bestuur van deze samenkomst me toestemming gegeven om in het Engels te spreken. Ik hoop dat u me kunt volgen, maar we zijn hier in Mumbai en de meeste mensen zullen wel Engels verstaan. Het probleem, zoals Zijne Heiligheid Swami Akhandanandaji zei, is hoe we iedereen ertoe kunnen brengen goede gewoontes, sad-ācāra te ontwikkelen. U zult het, denk ik, met me eens zijn dat dit tijdperk, Kali-yuga. wemelt van de fouten.
Prabhupāda legde verder uit dat de kracht van Heer Caitanya’s beweging ieders hart kon zuiveren. Hij verwees naar twee grote misdadigers die Heer Caitanya bevrijd had, Jagāi en Mādhāi.
Nu bevrijden we een massa Jagāi’s en Mādhāi’s. Daarom moeten we, als we vrede willen, als we op het niveau van sad-ācāra willen leven, het chanten van de hari-nāma mahā-mantra over de hele wereld verspreiden. En de praktijk heeft het aangetoond. De Amerikaanse en Europese vaiṣṇava’s, die hierheen zijn gekomen en die de Hare Kṛṣṇa-mantra hebben gechant, aten vroeger rundvlees, dronken alcohol en hielden zich bezig met vrije seks en allerlei gokspelen. Maar omdat ze zich bij deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn hebben aangesloten, hebben ze die afgrijselijke dingen opgegeven. Sad-ācāra is vanzelf gekomen. Ze drinken zelfs geen thee, ze drinken zelfs geen koffie, ze roken zelfs niet, iets wat volgens mij hier in India heel zeldzaam is. Maar zij hebben het opgegeven. Waarom? Omdat ze zich nu concentreren op het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Na vijf minuten hield Prabhupāda op met praten:
Ik geloof niet dat ik veel hoef te zeggen. U kunt zien wat het resultaat van het Kṛṣṇa-bewustzijn is. Het is niet iets kunst-­matigs. Het is in iedereen aanwezig. Ik heb geen magie gebruikt. Dit Kṛṣṇa-bewustzijn is gewoon in ieder van ons aanwezig. We hoeven het alleen maar tot leven te brengen.
Het publiek reageerde met gejuich en luid applaus. Prabhupāda had, met meer kracht en welbespraaktheid dan de langdradige māyāvādī’s, de essentie van spiritueel leven laten zien – het vreugdevolle chanten van de heilige namen. En hij had het directe resultaat getoond in de vorm van zijn Amerikaanse leerlingen.
Die week waren Prabhupāda en zijn leerlingen het onderwerp van gesprek in Mumbai en ze ontvingen veel uitnodigingen om overal in de stad te komen spreken en kīrtana te houden. De Times Weekly wijdde een groot deel van zijn artikel over de sādhu samāj aan de gedenkwaardige aanwezigheid van Śrīla Prabhupāda en zijn leerlingen.
Een groep van twintig Amerikanen, leden van de Hare Kṛṣṇa delegatie, nam het podium over. De lucht vulde zich met het geroffel van mṛdaṅga’s, het gerinkel van karatāla’s en de muziek van de mahā-mantra. Terwijl ze heen en weer wiegden en hun plukjes haar in de wind wuifden, chantten ze Hare Kṛṣṇa…
Een grijzende verslaggever, die ik altijd als bijzonder onsentimenteel beschouwd heb, zei met een door emotie verstikte stem tegen mij: “Beseft u wat er gebeurt? Binnenkort zal het hindoeïsme het Westen veroveren. De Hare Kṛṣṇa-beweging zal alle verliezen die we door de eeuwen heen door de christelijke missionarissen geleden hebben, weer goedmaken.”
Surat, 17 december 1970
Een droom was werkelijkheid geworden. Duizenden mensen stonden in een dikke haag langs de straat als de toegewijden Hare Kṛṣṇa chantend en karatāla’s en mṛdaṅga’s spelend, langskwamen. Er stonden toeschouwers op de daken en mensen verdrongen zich achter de ramen en in deuropeningen. Anderen sloten zich bij de optocht aan. De politie hield het verkeer op de kruispunten tegen, zodat alleen de kīrtana-processie erdoor kon. De onverharde weg, die aangeveegd en met water besprenkeld was, was versierd met tekeningen van rijstmeel die gunstige vedische symbolen voorstelden. Groene, pas omgehakte bananenbomen versierden beide kanten van de weg. Hoog in de lucht vormden sārī’s, die als vaandels over de straat gespannen waren, een felgekleurd baldakijn boven de kīrtana-groep.
Mr. Bhagubhai Jariwala, Prabhupāda’s gastheer in Surat, had de routes die de optocht zou volgen, in de plaatselijke kranten laten zetten. Iedere dag hielden de toegewijden een kīrtana-processie door een ander deel van de stad. Een twintigtal van Prabhupāda’s leerlingen leidde de dagelijkse optocht en duizenden Indiërs chantten mee, juichten en verdrongen zich om de kīrtana-groep te kunnen zien, terwijl vrouwen bloemblaadjes vanaf de daken strooiden.
Vaak moest de optocht stilhouden, omdat er hele families naar voren kwamen om de toegewijden bloemenkransen om te hangen. Soms ontvingen de toegewijden zoveel kransen, dat hun blije gezichten nauwelijks meer zichtbaar waren en dan deelden ze ze uit aan mensen in de menigte. Nog nooit tevoren waren de toegewijden zo ontvangen.
“Het is een stad vol toegewijden”, zei Prabhupāda. Hij vergeleek de mensen van Surat met droog gras dat vlam vat. Ze waren van nature Kṛṣṇa-bewust, maar de komst van Śrīla Prabhupāda en zijn sankīrtana-groep was als een toorts geweest, die de hele stad in lichterlaaie had gezet.
Toen tienduizenden mensen om 7 uur ’s morgens naar de aangewezen buurt samenstroomden, leek het alsof de hele bevolking van Surat uitliep. Mannen, vrouwen, arbeiders, handelaren, jongeren, oude mensen en kinderen – iedereen scheen deel te nemen. Ze wachtten in de overvolle straten en gebouwen op de kīrtana-groep en als de toegewijden er aankwamen, werd iedereen vrolijk.
Prabhupāda woonde maar een paar ochtendoptochten bij; hij bleef meestal in zijn vertrekken in het huis van Mr. Jariwala. Iedere morgen, als de toegewijden op het punt stonden te vertrekken, kwam Prabhupāda naar buiten op zijn balkon op de eerste verdieping. Hoewel het ’s ochtends koud was en veel toegewijden ziek waren, verzachtte de aanblik van Prabhupāda, die hun vanaf zijn balkon zijn zegen gaf, hun moeilijkheden. Prabhupāda zwaaide en de toegewijden begaven zich al chantend op weg, de straat uit.
De toegewijden hadden niets anders dan mṛdaṅga’s en karatāla’s; geen vlaggen, geen fanfare, geen ratha (kar) – alleen maar een enthousiaste kīrtana-
groep. Er was geen officiële paṇḍāl, geen sādhu samāj – alleen een hele stad vol kṛṣṇa-bhakta’s, die enthousiast op de Amerikaanse chanters wachtten.
Vereerd te worden vanwege het feit dat ze Hare Kṛṣṇa chantten, was precies het tegenovergestelde van wat de toegewijden in het Westen hadden ervaren. In Hamburg, Chicago, New York, Londen en Los Angeles waren de toegewijden beledigd, bedreigd met arrestatie, aangevallen of genegeerd. Natuurlijk, de mensen hadden hen soms ook getolereerd of zelfs gewaardeerd, maar nooit geëerd.
Na enige dagen van kīrtana-optochten, sloot de burgemeester van Surat, Mr. Vaikuntha Sastri, alle scholen en kondigde een feestdag voor de hele stad af. Iedereen was nu vrij om de genade van Heer Caitanya te vieren en Hare Kṛṣṇa te chanten. Door de hele stad werden er borden geplaatst waarop in het Gujarati stond “Welkom aan de Amerikaanse en Europese toegewijden van Kṛṣṇa” en “Welkom aan de leden van de Hare Kṛṣṇa-beweging.”
Prabhupāda had in surat bereikt wat hij wilde. Hij had hun de heilige naam aangeboden en de mensen hadden deze met beide handen aangepakt. Hoewel de inwoners van Surat niet bereid waren hun leven radicaal te veranderen en als iskcon-toegewijden te gaan leven, waardeerden ze het feit dat Prabhupāda westerlingen tot toegewijden van Heer Kṛṣṇa had gemaakt, dat hij de zuivere boodschap van de heilige teksten onderwees en dat hij Hare Kṛṣṇa chantte. Ze hadden gehoor gegeven aan Prabhupāda, niet vanwege een dogma of een ritueel, maar omdat ze het belang van spiritueel leven inzagen en Prabhupāda en iskcon als authentiek erkenden. Wat Prabhupāda’s leerlingen betreft: het bezoek aan Surat had hen een glimp doen opvangen van hoe de wereld eruit zou zien als iedereen een toegewijde was.
Het nieuwe iskcon-hoofdkwartier in mumbai was een vierkamerflat op de zevende verdieping van het Akash Ganges-gebouw. De huur bedroeg bijna drieduizend roepies per maand en de toegewijden hadden geen vast inkomen. Maar omdat het gebouw heel centraal en in een goede buurt gelegen was, had Prabhupāda het risico genomen. Zo’n hoofdkwartier was een noodzakelijke basis voor het predikwerk dat hij in Mumbai wilde verrichten. Zijn volgende predikprogramma zou een groots paṇḍāl-programma van elf dagen zijn. “Als je gaat jagen,” zei Prabhupāda, “kun je het beste op een neushoorn jagen. Op die manier zullen de mensen, als je niet slaagt, alleen maar zeggen: ‘O, dat was toch onmogelijk.’ Maar als je slaagt, zal iedereen verrast zijn. Iedereen zal verbaasd staan.”
Terwijl Prabhupāda zijn plannen voor een enorm paṇḍāl-festival onthulde, werden de toegewijden zich er intens van bewust dat Prabhupāda’s inspiratie de motivatie voor al hun predikwerk was. Zonder hem zouden ze zich nooit aan zoiets stoutmoedigs en ambitieus hebben gewaagd als een reusachtig paṇḍāl-festival in Mumbai. Vaak werden “de Amerikaanse en Europese leerlingen” samen met hem aangekondigd, alsof ze even belangrijk waren. Maar de toegewijden zagen zichzelf enkel als dwaze dienaren die probeerden de ware zuivere toegewijde van de Heer te helpen. Hoewel Prabhupāda alle eer aan zijn leerlingen gaf, wisten ze dat Prabhupāda Kṛṣṇa’s bekrachtigde vertegenwoordiger was. Hij was hun meester en hij vormde hun persoonlijke band met Kṛṣṇa. Met zijn woorden en zijn daden legde hij een volledig transcendentale kracht aan de dag. Omdat Kṛṣṇa onbegrensd was, had Śrīla Prabhupāda, die Kṛṣṇa’s dierbare vriend was, het recht om namens Kṛṣṇa onbeperkte diensten te verlangen. In dienst van Kṛṣṇa was geen enkel plan onmogelijk. ‘Onmogelijk’, zei Prabhupāda, was een woord in het woordenboek van een dwaas.
Maar toen Prabhupāda zijn plannen voor het paṇḍāl-festival ontvouwde, begonnen de toegewijden toch te twijfelen: hoe zouden ze ooit het geld bij elkaar krijgen? Hoe moesten ze zo’n enorme tent opzetten? Waar haalden ze zo’n grote hoeveelheid voedsel vandaan? En wie moest dat koken? Prabhupāda scheen hun twijfels amusant te vinden. “Jullie zijn allemaal Amerikanen”, zei hij. “Wat heeft het voor nut om Amerikaan te zijn, als je niet iets wonderbaarlijks kunt doen?”
“Een paṇḍāl in Mumbai”, zei Prabhupāda, “is de volmaakte gelegenheid om Amerikaans vernuft met Indiase spiritualiteit te combineren.” Hij gaf het voorbeeld van de blinde en de lamme. Hoewel ze elk afzonderlijk hulpeloos zijn, kunnen de twee door samen te werken heel wat bereiken – de blinde man draagt de lamme man op zijn schouders en de lamme geeft aanwijzingen. Amerika was blind vanwege zijn materialisme en het feit dat niemand iets van God afwist, en India was lam door de buitenlandse invasies, de armoede en de verkeerde interpretaties van de vedische kennis. Amerika had de technologische kennis en de welvaart en India had de spirituele kennis. Het was de taak van de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn de twee krachten te bundelen en de wereld te verbeteren. Het paṇḍāl-festival in Mumbai zou een manier zijn om dit in de praktijk te brengen.
Prabhupāda verdeelde het werk: hij stelde Śyāmasundara aan om het programma bekendheid te geven, Tamāla Kṛṣṇa zou de paṇḍāl opzetten, Girirāja moest het geld inzamelen en Madhudviṣa zou de programma’s op het podium uitstippelen. Śyāmasundara, die Prabhupāda’s idee van ‘het jagen op de neushoorn’ te pakken had gekregen, organiseerde een enorme publiciteitscampagne. Gigantische posters en over de straat gehangen spandoeken kondigden aan: “Śrī Śrīmad A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda spreekt in het Engels over de wetenschap van God. Zijn Amerikaanse en Europese bhakta’s delen prasādam uit en zingen bhajans – Hare Kṛṣṇa-festival op Cross Maidan – 25 maart tot 4 april.”
Girirāja: Śrīla Prabhupāda veroverde Mumbai stormenderhand. De hele stad was opgewonden over het Hare Kṛṣṇa-festival. Op alle belangrijke kruispunten van Mumbai hadden we spandoeken opgehangen. Alle muren hingen vol posters en we hadden reusachtige advertenties in de kranten laten zetten met een prachtige foto van Śrīla Prabhupāda en de woorden: Lezingen over Bhagavad-dharma: Een Hare Kṛṣṇa-festival. Śrī Śrīmad A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda, wereldprediker van de bhakti-yoga.
Iedere dag kwam er meer vaart in en iedere dag gebeurde er wel iets nieuws. Op de laatste twee dagen voor het festival werd er bij het Victoria-station, het drukste kruispunt in het centrum van Mumbai, een enorm aanplakbord neergezet. Toen wist iedereen al zoveel over het festival, waar het gehouden zou worden enzo, dat er op dit bord in reusachtige letters enkel “Hare Kṛṣṇa” stond. Iedereen wist het toen al, dus die twee reusachtige woorden, Hare Kṛṣṇa, waren genoeg.
Śyāmasundara had ook voor een grote heliumballon gezorgd, die aan een heel lang touw op het Cross Maidan-terrein was bevestigd. Die ballon zweefde gewoon boven de stad en er zat een wimpel aan waarop stond: Hare Kṛṣṇa-festival. Het was echte Amerikaanse vindingrijkheid, flair en dynamiek.
Het moment waarop Prabhupāda ’s avonds in de paṇḍāl verscheen, was altijd het hoogtepunt. Dan ging hij op zijn vyāsāsana zitten en kwam kleine Sarasvatī naar voren om hem een bloemenkrans om te hangen, terwijl het publiek juichte. Hij wachtte tot de menigte stil zou worden, wat nooit gebeurde. Daarom begon hij dan maar gewoon te spreken. Zijn stem weerklonk luid over de geluids­installatie. Zijn eerste lezing was getiteld: “De moderne beschaving is een mislukking en de enige hoop is Kṛṣṇa-bewustzijn.”
Girirāja: Prabhupāda predikte heel krachtig tegen de inwoners van Mumbai. Iedere avond zat de paṇḍāl tot aan de nok toe vol met minstens twintigduizend mensen. Śrīla Prabhupāda predikte heel direct en legde de nadruk op het volgen van de religieuze principes. Hij wist dat deze mensen, ondanks het feit dat ze hindoes waren, die regels niet volgden. Prabhupāda sprak zo krachtig, dat wat hij zei voor veel mensen in het publiek moeilijk te aanvaarden was.
Ik dacht toen dat als Prabhupāda zijn publiek had willen vleien of bereid was geweest wat water bij de wijn te doen, hij miljoenen volgelingen had kunnen krijgen. Maar omdat hij onverschrokken en zo sterk predikte, zonder compromissen te sluiten, voelde een hoop mensen zich onprettig. Het was een uitdaging voor hun zinsbevrediging en hun gevoelens.
Het is een feit dat de mensen dolenthousiast over Prabhupāda en iskcon waren. Op een avond lieten we dia’s zien van het Ratha-yātrā in San Francisco en het publiek werd gewoon wild. Voor tienduizend mensen kondigde Prabhupāda aan dat we in Mumbai een Jagannātha-Ratha-yātrā zouden houden en iedereen begon te juichen en te applaudisseren.
Het paṇḍāl-festival was iedere dag weer een succes. De meest vooraanstaande inwoners van Mumbai kwamen en waren onder de indruk. Zakenlui in witte overhemden en hun keurige vrouwen begonnen mee te chanten. Voor honderdduizenden inwoners van Mumbai was het eenvoudig genoeg om naar Cross Maidan te komen en ’s avonds het paṇḍāl-programma mee te maken. Sommigen kwamen om naar de lezing te luisteren en stelden diepgaande vragen over devotionele dienst. Anderen kwamen meer om de Beeldgedaante te zien, prasādam te nemen of naar de kīrtana te luisteren. In ieder geval waren A. C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda en de Hare Kṛṣṇa-toegewijden een verfrissende aanwinst voor het stadsleven. Het was de grootste openbare gebeurtenis in Mumbai.
Op een avond leidde Prabhupāda een vedische huwelijksceremonie voor een publiek van duizenden mensen. Het huwelijk werd gesloten tussen Vegavān uit Zweden en Padmavatī Dāsī uit Australië. Het hele publiek was van hen gecharmeerd; zij met haar bewerkte rode sārī en Indiase juwelen – waaronder een neusring – en hij met zijn witte dhotī en kurtā en zijn gladgeschoren hoofd. Ook werden er zes brahmacārī ’s geïnitieerd.
Girirāja: Het publiek was onder de indruk. Om te beginnen waren ze al verbaasd buitenlandse toegewijden, buitenlandse sādhu’s, te zien. Om dan bovendien nog te zien hoe ze geïnitieerd werden en zelfs trouwden ten overstaan van tienduizend mensen, was helemaal overweldigend. Tijdens de huwelijksceremonie vertelde Śrīla Prabhupāda dat zij uit Australië kwam en hij uit Zweden. “Dit is werkelijk de Verenigde Naties”, zei hij, en iedereen begon hard te applaudisseren.
Mei 1971
Srīla prabhupāda bereidde zich voor op een uitgebreide wereldreis. Hoewel zijn route nog niet vaststond, was hij van plan om een paar maanden wijd en zijd rond te reizen, daarna door de Verenigde Staten te trekken, Londen te bezoeken en dan naar India terug te keren. Hij had leerlingen naar Australië en Maleisië gestuurd en hij wilde ze opzoeken. Ook wilde hij naar Moskou gaan; hij wachtte op een schriftelijke toestemming van de Sovjetregering. Zoals hij zijn beweging in Amerika verspreid had – door belangrijke steden te bezoeken, er te prediken en er daarna een paar trouwe leerlingen achter te laten om de zaak voort te zetten – breidde hij nu zijn gebied over de hele wereld uit.
Sydney, 9 mei 1971
De toegewijden in sydney waren niet voorbereid op Prabhupāda’s komst. Een telegram had hun meegedeeld dat hij zou komen, maar in een tweede telegram stond: “Prabhupāda komt nog niet.” Toen kwam er een derde telegram, dat had aangekondigd dat Bali-mardana, de Australische secretaris van de gbc, zou komen. En toen er in een vierde telegram alleen maar: “Arriveert” had gestaan, met de datum en het vluchtnummer, had iedereen aangenomen dat dit op Bali-mardana sloeg en niet op Prabhupāda. De toegewijden hadden een kleine bloemenkrans meegenomen en waren naar het vliegveld gegaan. Toen de deuren bij de douane opengingen en Prabhupāda naar buiten kwam, waren ze met stomheid geslagen.
Met een wit diplomatenkoffertje in zijn linkerhand, een wandelstok in zijn rechterhand en een cādar om zijn schouders kwam Prabhupāda de aankomsthal binnen. Verslaggevers, die gekomen waren om Bali-mardana te interviewen, kwamen enthousiast naar voren. Een van hen vroeg waarom Śrīla Prabhupāda naar Australië was gekomen.
Prabhupāda antwoordde rustig dat hij overal rondreisde, net zoals een vertegenwoordiger overal heen reist. Een vertegenwoordiger zoekt klanten waar hij ze maar kan vinden en Prabhupāda reisde rond op zoek naar mensen die intelligent genoeg waren om zijn boodschap te aanvaarden. “Waarom zou ik Australië overslaan”, zei hij. “De regeringen hebben grenzen gemaakt: ‘Dit is Australië’, maar wij zien alles als het land van Kṛṣṇa.”
Prabhupāda zag dat deze toegewijden maar weinig van het Kṛṣṇa-bewustzijn afwisten. De twee leerlingen die oorspronkelijk naar Australië waren gekomen, Upendra en Bali-mardana, hadden het centrum geopend en waren weggegaan en kwamen maar af en toe terug. Zo kwam het dat er nu een tempel was vol onervaren toegewijden, die praktisch aan hun lot waren overgelaten. Omdat geen van de toegewijden in Sydney goed lezingen kon geven, hadden de dagelijkse voordrachten bestaan uit het voorlezen van Prabhupāda’s verkorte Bhagavad-gītā zoals ze is, het enige boek dat ze hadden. Maar hun sterke vertrouwen in Prabhupāda compenseerde hun gebrek aan onderricht. Ze zagen hem als een zuivere toegewijde die rechtstreeks in contact stond met God. Zijn boeken aanvaardden ze als de waarheid en Kṛṣṇa als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Maar er waren veel praktische dingen die ze niet wisten, zoals hoe ze moesten koken, hoe ze lezingen moesten geven en hoe de Beeldgedaanten vereerd dienden te worden. Ze wisten dat Prabhupāda wilde dat ze in het openbaar Hare Kṛṣṇa chantten Back to Godhead tijdschriften uitdeelden aan de inwoners van Sydney en dat deden ze dan ook dagelijks. Ondanks het feit dat ze regelmatig gearresteerd werden, bleven ze doorgaan met hun sankīrtana. Oprechtheid bezaten ze zeker. Ze hadden alleen te weinig onderricht gehad.
Vaibhavī devī dāsī: Prabhupāda plaatste de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa op het altaar en initieerde nieuwe leerlingen op een en dezelfde dag. Eerst hield hij de initiaties. Hij initieerde iedereen die in de tempel was – zelfs een jongen die zich pas die week aangesloten had en de week daarvoor met het Kṛṣṇa-bewustzijn in aanraking was gekomen . En ook mensen die niet in de tempel woonden; gewoonweg iedereen die aanwezig was en die op een of andere manier wat devotionele dienst deed. Hij wilde dat het Kṛṣṇa-bewustzijn in Australië van de grond zou komen en daarom initieerde hij iedereen. Sommigen gaf hij eerste en tweede initiatie tegelijk, omdat er, nu de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa op het altaar waren geplaatst, ook enkele brahmanen moesten zijn.
Maar we wisten helemaal niets. We waren er niet klaar voor. Het altaar was niet af. Prabhupāda legde me uit dat we bloemenkransen voor de Beeldgedaanten moesten rijgen. Ik ben toen naar allerlei winkels gerend om bloemen en garen te kopen.
Hetzelfde met de brahmanendraad. Er waren geen brahmanen­draden. Prabhupāda gaf de mannen gewoonlijk een draad bij hun tweede initiatie, maar niemand wist precies hoe dat zat. Ik moest me dus haasten om ook wat draad te kopen. En terwijl Prabhupāda al mensen aan het initiëren was, zat ik daar brahmanendraden te maken. Bali-mardana had de zijne afgedaan, zodat ik die als voorbeeld kon gebruiken.
Ik had er vijf gemaakt toen ik zelf aan de beurt was. Na de ceremonie mocht ik naar Prabhupāda’s kamer gaan om van hem de Gāyatrī-mantra te ontvangen. Daarna zeiden de toegewijden: “Nu ben je een brahmaan, dus moet je ook een brahmanendraad hebben.” Ze vonden dat ik er een voor mezelf moest maken. Maar ik heb het niet gedaan, omdat iemand me later vertelde dat een vrouw er geen behoort te dragen. We wisten gewoon niet veel.
* * *

Prabhupāda stond met gevouwen handen voor de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa, die hij net op het altaar geplaatst had en Rādhā-Gopīnātha had genoemd. Hoewel hij nog geen volle week in Sydney had doorgebracht, ging hij weg. Hij wist dat de toegewijden hier niet het vereiste niveau bereikt hadden om Rādhā en Kṛṣṇa te kunnen vereren. En hij wist dat hij een risico nam door de verering van de Rādhā en Kṛṣṇa aan onervaren leerlingen toe te vertrouwen. Maar als ācārya en als de vertegenwoordiger van Heer Caitanya moest hij het Kṛṣṇa-bewustzijn overal planten waar het maar wortel kon schieten. De wereld had het hard nodig. Als zijn leerlingen de methoden aanhielden die hij ze gegeven had – chanten, luisteren en het volgen van bepaalde leefregels – wist hij dat ze snel zouden worden gezuiverd.
Hoewel iemand in het materiële leven eerst een heel goede jurist moet worden voordat hij op de stoel van de rechter mag gaan zitten, zo had Prabhupāda uitgelegd, mag een oprechte toegewijde in Kṛṣṇa-bewustzijn eerst “op de stoel gaan zitten” – een brahmaan worden – en wordt hij pas later door de genade van de heilige naam en de spiritueel leraar, echt gekwalificeerd. Maar de toegewijden in Sydney waren uitzonderlijk onvolwassen en dit bracht Prabhupāda ertoe een bijzonder verzoek aan Rādhā-Gopīnātha te richten: “Nu laat ik U achter in de handen van de mleccha’s. Ik kan niet voor Uw verering instaan. Ik bid U om deze jongens en meisjes te leiden en hun de intelligentie te geven om U op de juiste manier te vereren.”
Moskou, juni 1971
Prabhupāda, zijn secretaris en zijn dienaar passeerden de Russische douane gemakkelijk en snel. Een toeristengids van de regering bracht ze in een limousine naar het Hotel National, dat vlakbij het Rode Plein, Lenins graf en het Kremlin lag. Het hotel was duur maar kaal. Prabhupāda vond zijn kamer armoedig en krap; er was nauwelijks genoeg ruimte voor een bed en twee stoelen. De kamer van Śyāmasundara en Aravinda was ver weg en Prabhupāda besloot daarom dat Aravinda de kamer met hem moest delen, waardoor die nog voller werd.
Aravinda legde de beheerder van het hotel uit dat ze niet mee konden eten, maar dat ze hun eigen maaltijden klaar zouden willen maken. Eerst wilde de man er niets van weten, maar uiteindelijk gaf hij ze toestemming het keukentje van de werkster te gebruiken.
Nu dat probleem opgelost was, was de volgende moeilijkheid hoe ze aan voedsel moesten komen. Prabhupāda stuurde Śyāmasundara erop uit. Deze vond een zuivelwinkel aan de overkant van de straat, maar kwam terug zonder groente, rijst of fruit. De tweede keer bleef hij bijna de hele dag weg en kwam tenslotte met maar een paar kolen terug. De volgende dag ging hij opnieuw op zoek naar rijst. Toen Śyāmasundara na een paar uur inderdaad met rijst terugkwam, zag Prabhupāda dat deze van een slechte Noord-Koreaanse soort was, erg hard. Prabhupāda vroeg om fruit, maar Śyāmasundara moest kilometers ver door de stad liften voor een handjevol rode kersen. Waar Śyāmasundara ook heen ging, overal moest hij in lange rijen staan om iets te kunnen kopen. Gewoonlijk merkte iemand in de rij gelukkig dat hij een toerist was en bracht hem dan naar voren. Hij moest alles met bonnen kopen.
Prabhupāda hield zich aan zijn dagelijks schema. Hij stond vóór zonsopgang op om te vertalen en ging in de vroege morgen naar buiten om een wandeling door de verlaten straten van Moskou te maken. Gehuld in een saffraankleurige cādar, stapte hij stevig door in de frisse ochtendlucht, terwijl Śyāmasundara soms voor hem uit holde om foto’s van hem te maken.
Wanneer ze Lenins graf passeerden, stond er altijd al een rij mensen te wachten. “Kijk nu eens,” merkte Prabhupāda op een morgen op, “dat is hun God. De mensen begrijpen het verschil tussen lichaam en ziel niet. Ze aanvaarden het lichaam als de werkelijke persoon.”
Prabhupāda waardeerde het dat er zo weinig verkeer was – er reden een paar karretjes en fietsen, maar de meeste mensen gingen te voet. Terwijl hij tussen de oude versierde gebouwen liep, zag hij dat oudere vrouwen de brede straten aan het schoonspuiten waren – een goede gewoonte, vond hij. De Russen leken een veel geregelder leven te leiden dan de Amerikanen. Deze eenvoudige, sobere mensen, die nog niet bedorven waren door het in het Westen zo wijdverbreide hedonisme, waren rijp voor het Kṛṣṇa-bewustzijn. Maar omdat ze elke spirituele steun misten, zagen ze er somber uit.
Maandenlang was prabhupāda al van plan geweest om Moskou te bezoeken. Naast zijn verlangen om onder het Russische volk te prediken, hoopte hij op een ontmoeting met een Russische professor in de Indologie, G. G. Kotovsky. Professor Kotovsky was het hoofd van de faculteit voor Indiase en Zuid-Aziatische Studies aan de Academie voor Wetenschappen van de ussr in Moskou en Śrīla Prabhupāda had een jaar lang met hem gecorrespondeerd.
Śyāmasundara regelde een ontmoeting tussen hen. Het toeristenbureau zorgde voor een auto en een gids en zo reden ze de stad uit, op weg naar het kantoor van Professor Kotovsky, dat zich in een oud wit gebouw op het terrein van de academie bevond.
Toen Prabhupāda aankwam, stond de Russische professor op van zijn rommelige bureau en heette Prabhupāda welkom. Professor Kotovsky was van middelbare leeftijd en droeg een grijs pak. Maar hij leek een beetje terughoudend, voorzichtiger dan in zijn brieven. Toen Śyāmasundara zei dat Prabhupāda heel graag wat lezingen voor geïnteresseerde wetenschappers aan de academie zou willen geven, wees Professor Kotovsky dat botweg van de hand – het zou nooit worden toegestaan. Prabhupāda was teleurgesteld.
Maar het volgende ogenblik scheen Prabhupāda weer onaangedaan en begon hij op zijn nederige, beleefde manier te spreken. Śyāmasundara zette de bandrecorder aan. De professor keek er argwanend naar, maar maakte geen bezwaar.
Prabhupāda: Een paar dagen geleden las ik in de krant, Moscow News, een artikel over een communistisch congres. Daarin werd gezegd dat de voorzitter van het congres verklaard had dat ‘Rusland bereid was ervaringen van anderen te gebruiken om te verbeteren.’ Ik denk dat het vedische concept van socialisme of communisme het huidige idee van het communisme veel zou kunnen verbeteren.
Prof. Kotovsky luisterde aandachtig en beleefd, terwijl zijn buitenlandse bezoeker uitlegde hoe de gṛhastha in de vedische cultuur voor iedereen in zijn huis zorgde – zelfs voor de hagedissen – en hoe hij, voor hij ging eten, even de straat opliep en luid iedereen die honger had, uitnodigde om wat te komen eten. “Zo”, legde Prabhupāda uit, “zijn er zoveel goede ideeën over het socialistische aspect van het communisme. Ik hoopte daarom dat deze ideeën misschien ook onder de aandacht van enkele van uw collega’s gebracht zouden kunnen worden. Daarom had ik zo graag een lezing willen geven.”
Prof. Kotovsky stelde hem een aantal vragen. Prabhupāda verwelkomde dit, ook al was hij zich ervan bewust dat de professor de ideologie van het Sovjet-socialisme vertegenwoordigde. Hij beschouwde de professor niet zozeer als een academicus, maar meer als een marionet van het Russische universiteitssysteem. Zoals een politieke macht zijn tegenstander probeert te begrijpen, onderzocht deze professor de Indiase cultuur, zodat zijn regering die beter met haar eigen ideologie zou kunnen doordringen. Prabhupāda herkende de visie van de communistische partij in de professors ogenschijnlijke interesse in de vedische cultuur. Het was een visie die lijnrecht tegenover de vedische filosofie stond. Desondanks ging Prabhupāda op tactvolle manier verder met het presenteren van het Kṛṣṇa-bewustzijn in overeenstemming met de paramparā. Hij probeerde Professor Kotovsky op basis van de heilige teksten en door logica te overtuigen. Het ontbrak de moderne samenleving vooral aan inzicht in het doel van het menselijk leven, legde Prabhupāda uit. “Ze weten niets over het volgende leven”, zei hij. “Er is geen enkel wetenschappelijk departement of geen enkele faculteit die bestudeert wat er gebeurt wanneer dit lichaam sterft.”
Professor Kotovsky maakte bezwaar – beleefd, maar absoluut. “Swamiji,” zei hij, “als het lichaam sterft, sterft de eigenaar ook.” Prabhupāda wist genoeg. De geleerde professor die aan het hoofd stond van de faculteit voor Indiase Studies aan de Sovjet Academie, werd betrapt op een klassiek moment van onwetendheid. Zijn ideeën over wie hij was, waren niet veel geavanceerder dan die van een dier.
Na drie dagen leek Prabhupāda’s missie in Moskou al beëindigd. Zijn ontmoeting met Professor Kotovsky was nu achter de rug. Wat bleef er nog over? De regering zou niets anders toestaan. Ze hadden hem niet toegestaan boeken mee naar binnen te brengen en nu was hem ook de gelegenheid ontnomen om in het openbaar te spreken. Buitenlanders mochten niet met de Russen spreken. Hij kon nergens heen, behalve dan met een begeleide rondrit. Zonder vooruitzichten om te prediken bleef hij maar in zijn krappe kamertje. Daar liet hij zich masseren en waste hij zich, daar aanvaardde hij het voedsel dat Śyāmasundara bij elkaar gescharreld had, daar dicteerde hij een paar brieven, chantte Hare Kṛṣṇa en vertaalde het Śrīmad-Bhāgavatam.
Prabhupāda ging mee met een autobus vol toeristen op een begeleide tour door Moskou. Hij zag oudere Russen naar de kerk gaan, waar gewapende wachten voor de deur stonden en hij veronderstelde dat die daar de wacht hielden om de jongere generatie ervan te weerhouden de dienst bij te wonen. Maar hij had er gauw genoeg van en de gids bestelde een taxi voor hem en gaf de chauffeur de opdracht hem naar Hotel National terug te brengen.
Śyāmasundara bracht gewoonlijk het grootste gedeelte van de dag door met het zoeken naar verse levensmiddelen. Toen hij hoorde dat er op een bepaalde markt aan de andere kant van de stad verse sinaasappels verkrijgbaar waren, ging hij erop af. Met zijn geschoren hoofd en zijn witte dhotī en kurtā trok hij de aandacht van iedereen die hij tegenkwam. En op de terugweg, toen het al donker was, werd hij aangesproken door geüniformeerde mannen met een rode band om de arm. In de veronderstelling dat hij een of andere opstandeling was, grepen ze hem vast, klemden zijn armen achter zijn rug en schreeuwden tegen hem in het Russisch. Śyāmasundara ving het woord dakumyent (document, identiteitsbewijs) op. Hij antwoordde: “Dakumyent, hotel! hotel!” Toen ze zich realiseerden dat Śyāmasundara een toerist was, lieten de politieagenten hem gaan. Hij ging terug naar het hotel en vertelde Prabhupāda wat er gebeurd was. “Zonder het Kṛṣṇa-bewustzijn is er geen hoop voor Rusland”, zei Prabhupāda.
Op een keer stond Śyāmasundara in de rij voor de zuivelwinkel toen een man achter hem over yoga begon: “Ik wil echt graag met je praten”, zei de man en hij gaf Śyāmasundara zijn naam en adres en een tijdstip waarop ze elkaar veilig konden ontmoeten. Toen Śyāmasundara dit aan Prabhupāda vertelde, zei deze: “Dat is een politieagent. Ga er niet heen.”
Toen hij een keer aan het raam stond, zag Prabhupāda een militaire parade langstrekken – troepen, tanks, artillerie en raketten defileerden door de straten en over het Rode Plein. Door zich altijd op de oorlog voor te bereiden, zei hij, hielden de Russische leiders het volk gemotiveerd en op deze manier konden ze een revolutie vermijden. Hij vergeleek de oorlogszuchtige Russen met de asura’s (demonen) uit de oude vedische verhalen in het Śrīmad-Bhāgavatam.
Op een dag slenterden twee jonge mannen, de zoon van een Indiase diplomaat en een jonge Moskoviet, in de buurt van het Rode Plein rond, toen ze ineens iets verbazingwekkends zagen. Vanuit de gewone stroom voetgangers naderde een lange jongeman met een geschoren hoofd, een lange roodachtige paardenstaart en een loshangend wit gewaad. Het was Śyāmasundara. De zoon van de diplomaat, die Śyāmasundara’s kleding herkende, hield hem aan. Śyāmasundara glimlachte: “Hare Kṛṣṇa, broeder”, zei hij. En hij begon een gesprek met de Indiër, die Nārāyaṇa heette. De Rus, Ivan, kende een beetje Engels en probeerde de conversatie zo goed mogelijk te volgen. Het gesprek werd al gauw serieus.
“Waarom gaan jullie niet mee naar boven om kennis te maken met mijn spiritueel leraar?” vroeg Śyāmasundara. De jongens waren vereerd en gingen meteen met Śyāmasundara mee naar het hotel. Toen ze binnen kwamen, zat Prabhupāda met een stralende glimlach op zijn bed, terwijl Aravinda zijn voeten masseerde. Śyāmasundara ging de kamer in en bood Śrīla Prabhupāda zijn eerbetuigingen aan. Ivan was volkomen gefascineerd.
“Kom”, zei Prabhupāda, en ze gingen met z’n drieën aan zijn voeten zitten. Eerst wendde Prabhupāda zich tot Nārāyaṇa en vroeg hem hoe hij heette en wat zijn vader deed. Nārāyaṇa vond Prabhupāda aardig en bood aan hem verse groenten te brengen. Zijn vader, die een hoge post bij de Indiase ambassade bekleedde, liet per vliegtuig groenten uit India overkomen.
Ivan was nog meer geïnteresseerd dan zijn Indiase vriend en Prabhupāda begon hem de filosofie van het Kṛṣṇa-bewustzijn uit te leggen, waarbij Nārāyaṇa als tolk optrad. Ivan stelde zijn vragen met eerbied en ontzag en Prabhupāda beantwoordde ze allemaal. Zo bracht hij hem in één keer zoveel basisinformatie over het Kṛṣṇa-bewustzijn bij als maar mogelijk was. Prabhupāda legde hem het verschil uit tussen lichaam en ziel en beschreef de eeuwige relatie van de ziel met Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Hij sprak over de Bhagavad-gītā, over zijn vele tempels over de hele wereld en over zijn leerlingen.
Prabhupāda vertelde dat hij graag in Rusland wilde prediken, waar het Kṛṣṇa-bewustzijn volgens hem goed zou aanslaan, omdat de mensen er open van geest waren en onbedorven door zinsbevrediging. Hij wilde via bibliotheken of leeszalen, of hoe dan ook, Kṛṣṇa-bewuste literatuur in Rusland introduceren. De Kṛṣṇa-bewuste filosofie, zei hij, moest aan de intelligentste mensen van Rusland onderwezen worden. Maar vanwege de beperkingen die door de regering opgelegd werden, zou het op een onopvallende manier moeten gebeuren. Toegewijden zouden niet op straat kunnen zingen en dansen maar ze zouden zachtjes bij iemand thuis samen kunnen chanten. Toen begon Prabhupāda heel zachtjes te zingen en leidde hij de jongens in een kīrtana.
Ivan aanvaardde het Kṛṣṇa-bewustzijn zoals iemand eet die lang honger heeft geleden. Maar na een paar uur moesten hij en zijn vriend gaan. Ze zouden de volgende dag weer terugkomen.
Śyāmasundara spendeerde regelmatig tijd met Ivan en Nārāyaṇa. Ivan, die oosterse filosofie studeerde, was erg intelligent en wilde weten wat er in de buitenwereld gebeurde. Hij was dol op The Beatles en Prabhupāda vertelde hem over zijn ontmoetingen met George Harrison en John Lennon. Ivan en Śyāmasundara hadden lange gesprekken over de ambities van jonge mensen buiten Rusland, en Śyāmasundara legde hem uit hoe het Kṛṣṇa-bewustzijn de grondslag van alle spirituele paden was. Śyāmasundara leerde hem ook de basisprincipes van bhakti-yoga, zoals het chanten van de voorgeschreven zestien ronden Hare Kṛṣṇa-mantra per dag, en gaf hem zijn eigen Bhagavad-gītā zoals ze is.
Prabhupāda liet Ivan zien hoe hij capatï’s en rijst klaar moest maken en vroeg hem geen vlees meer te eten. Blij aanvaardde Ivan het chanten, de nieuwe manier van eten – alles. Ivan werd zo opgeleid dat hij, na Prabhupāda’s vertrek, alleen verder zou kunnen gaan. Hij zou zichzelf kunnen voelen veranderen en vooruit zien gaan in het spiritueel leven en na enige tijd zou hij geïnitieerd kunnen worden. Ivan beloofde dat hij zijn vrienden over het Kṛṣṇa-bewustzijn zou vertellen. Prabhupāda had nog maar twee dagen in Moskou en daarin leerde hij hem zoveel hij kon. In het enthousiasme en de belangstelling van deze jonge Rus had Prabhupāda het ware doel van zijn bezoek aan Rusland gevonden.
Prabhupāda gaf de analogie dat de kok bij het koken van rijst maar één korreltje hoeft te proberen om te weten of de hele pan gaar is. Op dezelfde manier kon Prabhupāda, door met deze ene Russische jongeman te praten, vaststellen dat de Russen niet tevreden waren in hun zogenaamd ideale Marxistische land. Net als Ivan zouden miljoenen andere Russen ontvankelijk zijn voor het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Prabhupáda rád uvádĕl přirovnání o kuchaři, kterému stačí při vaření rýže ochutnat jediné zrnko, aby zjistil, zda je uvařený celý hrnec. Podobnĕ mohl Prabhupáda z rozhovoru s tímto mladíkem usoudit, že ruský lid není ve své takzvanĕ ideální marxistické zemi spokojený. Stejnĕ jako byl Ivan otevřený vĕdomí Krišny, budou tuto filosofii přijímat i milióny dalších Rusů.
Cāṇakya Paṇḍita, de vedische filosoof, zegt dat één bloeiende bloem een heel bos kan aromatiseren en dat daarentegen één enkele brandende boom het hele bos in de as kan leggen. Vanuit het marxistische standpunt gezien was Ivan het vuur dat het Kṛṣṇa-bewustzijn onder de anderen zou verspreiden en zo de communistische ideologie zou ondermijnen. En vanuit Prabhupāda’s standpunt gezien was hij de geurige bloem die zijn aroma aan vele anderen zou schenken. Prabhupāda’s bezoek aan Rusland was geen onopgemerkt intermezzo geweest, maar was een gelegenheid geworden om het zaad van het Kṛṣṇa-bewustzijn te planten in een armoedig land.
Śrīla Prabhupāda had de beweging van Heer Caitanya naar weer een ander land gebracht. Het was Caitanya Mahāprabhu Zelf geweest die voorspeld had dat de sankīrtana-beweging in iedere stad en in ieder dorp zou komen, maar die voorspelling was honderden jaren lang onvervuld gebleven. Maar Prabhupāda had in de paar jaar sinds hij in 1965 voor het eerst naar Amerika was gekomen, steeds opnieuw Heer Caitanya’s boodschap van de ene onwaarschijnlijke plaats naar de andere gebracht. En van al deze plaatsen was dit misschien wel de onwaarschijnlijkste. Tijdens een kort, door de regering gecontroleerd bezoek, had hij het zaad van het Kṛṣṇa-bewustzijn in de Sovjet-Unie geplant. Hij was als een naald en iedereen die met hem verbonden was, was als de draad die volgde.
Professor Kotovsky had opgemerkt dat Prabhupāda’s verblijf in een ouderwets hotel wel niet erg interessant zou zijn. Maar Prabhupāda stond boven Moskou of welke andere plaats ook ter wereld; dat was iets wat Professor Kotovsky niet wist. Hij was hier naartoe gekomen en Kṛṣṇa had hem een oprechte ziel gestuurd om de gift van het Kṛṣṇa-bewustzijn te ontvangen. Dit was niet gebeurd door sluwe spionage tegen de Sovjet-regering, maar door de aanwezigheid van Kṛṣṇa’s zuivere toegewijde en zijn natuurlijke verlangen Hem tevreden te stellen door te prediken. In antwoord op Prabhupāda’s zuivere verlangen had Kṛṣṇa hem één jongen gestuurd en van die ene jongen zou dit verlangen zich naar anderen verspreiden. Er was niets, zelfs geen IJzeren Gordijn, wat het Kṛṣṇa-bewustzijn kon tegenhouden. Het was de natuurlijke functie van de ziel om Kṛṣṇa te dienen, en Kṛṣṇa was altijd bereid om de zuivere verlangens van Zijn toegewijden te vervullen.
Nairobi, september 1971
Prabhupāda wilde onder de Afrikanen prediken. In Kenya leefden de Indiërs en de Afrikanen volkomen gescheiden. Maar omdat een Kṛṣṇa-bewust persoon geen onderscheid maakt op basis van het lichaam, zei Prabhupāda dat de Indiërs de plicht hadden hun spiritueel erfgoed met de Afrikanen te delen.
Prabhupāda drukte zijn gbc-vertegenwoordiger in Afrika – Brahmānanda Swami – met zorg op het hart, dat het zijn eerste plicht was om het Kṛṣṇa-bewustzijn aan de Afrikanen te geven. Vanwege zijn slechte ervaringen in Turkije en Pakistan had Brahmānanda geaarzeld om in Nairobi publieke kīrtana’s te houden. Bovendien spraken de Afrikanen overwegend Swahili, cultureel gesproken waren ze anders en gewoonlijk waren ze te arm om boeken te kopen. Brahmānanda wist daarom niet hoe hij ze moest bereiken. Het was voor hem eenvoudig en natuurlijk geweest om zich tot de Indiërs te richten. Maar Prabhupāda wilde dat hij zich op de Afrikanen zou concentreren. “Het is een Afrikaans land”, zei hij eenvoudig. “Zij zijn de eigenaars van dit land. We moeten tegen hen prediken.”
Net zoals bij al het andere in het Kṛṣṇa-bewustzijn, liet Prabhupāda ook hier zien hoe dit moest gebeuren. Hij kreeg toestemming een Rādhā-Kṛṣṇa-tempel in een overwegend Afrikaanse wijk in het centrum te gebruiken. De tempel had een zaal met brede deuren die op een drukke straat uitkwamen. Op Prabhupāda’s verzoek hielden de toegewijden er kīrtana met de deuren open. Binnen vijf minuten begon de zaal vol te lopen met mensen. Het was een armoedige wijk en de mensen die binnenkwamen waren slecht gekleed en vaak vies. Maar ze waren nieuwsgierig en sloten zich lachend, klappend en dansend bij de kīrtana aan.
Brahmānanda Swami verliet de zaal en ging naar het nabijgelegen huis waar Prabhupāda verbleef. “De zaal is vol met mensen,” zei Brahmānanda, “maar het is niet nodig dat u komt. We kunnen zelf het programma voortzetten.”
“Nee,” zei Prabhupāda, “ik moet gaan.”
Brahmānanda probeerde hem van gedachten te doen veranderen.
“Ik moet gaan”, herhaalde Prabhupāda. “Breng je me?”
Toen Brahmānanda met Śrīla Prabhupāda aankwam, was de zaal nog voller dan daarvoor. Prabhupāda, in zijn zijden saffraankleurige gewaad, leek bijna licht uit te stralen toen hij de armoedige, slecht verlichte ruimte binnenging. De menigte week uit elkaar om een pad voor hem vrij te maken, terwijl ze hem nieuwsgierig bekeken. Prabhupāda liep het podium op en leidde een kīrtana. Daarna sprak hij de mensen toe. Hoewel het Swahili sprekende publiek niet in staat was Prabhupāda’s lezing te volgen, toonden de mensen toch respect. En de kīrtana vonden ze prachtig.
Enkele leden van de Indiase gemeenschap hadden zich zorgen gemaakt over het feit dat Prabhupāda hun zaal voor de Afrikanen zou openstellen en sommigen van hen waren aanwezig om te zien wat er zou gebeuren. Maar toen ze zagen hoe barmhartig Prabhupāda de zaak aanpakte, waren ze onder de indruk. Zo’n schijnbaar eenvoudig programma had de spirituele kracht om culturele grenzen uit te wissen.
Prabhupāda drong er bij Brahmānanda Swami op aan om in deze richting door te gaan: zijn missie in Afrika was het Kṛṣṇa-bewustzijn onder de Afrikanen te verspreiden. En het programma mocht eenvoudig zijn: prasādam uitdelen, gratis boeken verspreiden en Hare Kṛṣṇa chanten met trommels en karatāla’s. Maar het Kṛṣṇa-bewustzijn moest niet een zoveelste religieuze hindoevereniging in Nairobi worden. De hindoes zouden moeten deelnemen door geld te schenken, maar Brahmānanda Swami zou onder de Afrikanen moeten prediken en daar nieuwe toegewijden moeten maken.
Toen enkele zwarte Amerikaanse leerlingen zich in Nairobi bij Prabhupāda voegden, zei Prabhupāda tegen hen: “Vierhonderd jaar geleden zijn jullie voorouders hier als slaven vandaan gehaald. Maar kijk nu eens hoe jullie als meesters zijn teruggekeerd!”
Prabhupāda organiseerde ook de eerste openlucht-kīrtana in Nairobi. De toegewijden gingen naar de grootste boom in het Kamakunji Park – een historische locatie sinds Kenia’s onafhankelijkheid. Toen ze onder die boom stonden te chanten, kwam er een grote menigte om hen heen staan en veel mensen begonnen mee te zingen. Sommigen dansten zelfs, een soort Afrikaanse schuifeldans. Een jongeman kwam naar voren en bood aan Brahmānanda’s lezing in het Swahili te vertalen. De toegewijden deelden zoete bundi uit waarvan de mensen echt genoten. Het hele gebeuren was een groot succes.
Brahmānanda haastte zich terug naar Prabhupāda en bracht verslag uit van de fantastische kīrtana in het park. Brahmānanda voelde zich net als in 1966, toen hij Prabhupāda verslag had uitgebracht van het succes van de eerste kīrtana in het Washington Square Park in New York. Door het goede voorbeeld te geven en door druk op Brahmānanda Swami uit te oefenen, had Prabhupāda binnen enkele dagen de nadruk van het predikwerk in Afrika van de Indiërs naar de Afrikanen verlegd.
Op de avond dat Prabhupāda een lezing aan de universiteit van Nairobi gaf, vulden tweeduizend studenten het auditorium, terwijl er nog honderden buiten stonden en via de deuren en de ramen een glimp van het gebeuren probeerden op te vangen. Eerst liet Prabhupāda Bhūta-bhāvana, een zwarte Amerikaanse leerling, een korte inleiding geven. Bhūta-bhāvana had enkele zinnen in het Swahili geleerd: “Harambay”, begon hij, wat betekent: “Welkom broeders, laten we samenwerken.”
Daarna sprak Prabhupāda:

''De hele wereld doet niets dan hunkeren en klagen. Jullie Afri­kanen hunkeren er op dit moment naar om als de Europeanen en de Amerikanen te zijn. Maar de Europeanen klagen omdat ze hun imperium zijn kwijtgeraakt. Zo is de ene groep aan het hunkeren naar wat ze nog niet hebben en de andere groep aan het klagen over wat ze niet meer hebben … ''
''We zijn naar deze Afrikaanse landen gekomen om alle intelligente Afrikanen uit te nodigen om te proberen deze filosofie te begrijpen en aan anderen door te geven. Jullie willen jezelf ontwikkelen; ontwikkel jezelf dan op een gezonde manier. Probeer niet de Amerikanen en de Europeanen, die als honden en katten leven, te imiteren. Zo’n beschaving houdt geen stand. De atoombom is er al. Zodra de volgende oorlog uitbreekt, zal dat het einde zijn van de wolkenkrabbers en al de rest. Probeer de dingen vanuit het ware standpunt te bekijken en zie het menselijk bestaan zoals het werkelijk is. Dat is de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn. We verzoeken u alleen maar te proberen deze filosofie te begrijpen. Dank u wel.''
Het publiek begon luid te applaudisseren en gaf Prabhupāda een staande ovatie. Deze reactie bewees nogmaals dat Kṛṣṇa’s boodschap tot het hart sprak; ze was voor iedereen, ongeacht de politieke, geografische of sociale achtergrond. Toen Prabhupāda in Nairobi was geland, had hij op de luchthaven een verslaggever ervan verzekerd dat hij onder de Afrikanen zou gaan prediken. En nu was hij dat aan het doen. Hij gaf de Afrikanen dezelfde boodschap en dezelfde methode van devotionele dienst als hij de Amerikanen gegeven had. De aspiraties van de Amerikanen en van de Afrikanen konden alleen maar in het Kṛṣṇa-bewustzijn verwezenlijkt worden. Het Kṛṣṇa-bewustzijn zou overal werken waar er serieuze en intelligente personen naar voren kwamen om het te helpen verspreiden.
In Nairobi had Prabhupāda erg actief gepredikt. Hij had de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn in een nieuw land gevestigd en hij had Brahmānanda Swami laten zien hoe hij het Kṛṣṇa bewustzijn over het hele continent moest verspreiden. Śyāmasundara, die zijn gbc-godsbroeders op de hoogte hield van Prabhupāda’s verbazingwekkende activiteiten, schreef hun:
Het is hier allemaal bliksemsnel gegaan. Śrīla Prabhupāda heeft alweer een uitgebreid nieuw werkterrein geopend. De mensen verdringen zich uit nieuwsgierigheid en stellen serieuze vragen… Nadat hij tot laat in de nacht gepredikt had, vroeg Prabhupāda iets te eten. “Zie je, ik heb honger”, merkte hij op. “Houd me aan het praten – dat is mijn leven. Laat me nooit ophouden met praten…”