Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 3
Alleen hij kon hen leiden
San Francisco, 16 januari 1967
Toen over de luidsprekers werd omgeroepen dat united airlines vlucht 21 uit New York spoedig zou landen, dromden de ongeveer vijftig hippies in de aankomsthal zich vol verwachting samen. Even leken ze een beetje onzeker; ze wisten tenslotte niet wat ze moesten verwachten, hoe de swami zou zijn.
Roger Segal: We waren een nogal gemêleerd gezelschap, zelfs voor het vliegveld van San Francisco. Mukunda droeg een Merlijn de Magiër-mantel met een motief van felgekleurde blokken, Sam had een Marokkaanse schapenwollen jas met een capuchon aan – hij rook zelfs als een schaap – en ik droeg een soort blauwe, zelfgemaakte Japanse samoeraimantel met kleine witte stippen. Overal zag je lange kralensnoeren, broeken van bokkenvel, laarzen, legerjacks, mensen met ronde zonnebrilletjes op, San Francisco op zijn gekst.
Er waren maar een paar mensen in het gezelschap die Swamiji kenden: Mukunda en zijn vrouw Janakī, Ravīndra-svarūpa en Rāya Rāma, allen uit New York. Allen Ginsberg was er ook. (Een paar dagen eerder had Allen tot de leiders behoord van de ‘Human Be-In’ in het Golden Gate Park, waar meer dan tweehonderdduizend mensen samengekomen waren, “Een samenkomen van alle stammen… een vreugdevolle toverplechtigheid met vredesdans.”)
Swamiji zou het fijn vinden, herinnerde Mukunda iedereen er nog eens aan, als ze allemaal Hare Kṛṣṇa zouden chanten als hij de hal inkwam. Ze waren al vertrouwd met de Hare Kṛṣṇa-mantra. Ze hadden allemaal wel over het chanten van de swami in het park in New York gehoord, of hadden het artikel over Swamiji en het chanten gelezen in het plaatselijk alternatief blad The Oracle. Eerder die dag waren ze in Golden Gate Park bijeengekomen – de meesten omdat ze een uitnodiging van Mukunda hadden gekregen – en hadden daar meer dan een uur lang samen gechant, voordat ze in een caravaan van auto’s naar het vliegveld waren gereden. Velen van hen hadden, ook op verzoek van Mukunda, wierook en bloemen meegebracht.
Toen de zojuist gearriveerde passagiers de hal van de luchthaven binnenkwamen en de helling opliepen, keken ze vol verbazing naar het ontvangstcomité van bloemen dragende chanters. Maar de chanters keken langs deze gewone, vermoeid uitziende reizigers heen en zochten naar de bijzondere persoon die ook met dit vliegtuig meegekomen moest zijn. Opeens zagen ze Swamiji aan komen lopen; hij had een goudkleurige teint en was gekleed in een helder saffraankleurig gewaad.
Hij had het chanten al gehoord voordat hij de hal binnen was gekomen en er was een glimlach op zijn gezicht verschenen. Hij was blij en verrast. Hij liet zijn blik over de gezichten glijden, maar kende er maar enkele van. Toch stonden hier vijftig mensen om hem te verwelkomen. En ze chantten Hare Kṛṣṇa zonder dat hij ook maar één woord had gezegd!
De groep hippies had aan beide kanten van de nauwe gang waar Swamiji doorheen zou komen, een rij gevormd. Toen hij tussen zijn nieuwe bewonderaars doorliep, strekten vele handen zich uit om hem bloemen en wierook aan te bieden. Hij glimlachte en nam de giften in ontvangst, terwijl Raṇacora toekeek. Allen Ginsberg kwam naar voren met een grote bos bloemen en Bhaktivedanta Swami nam deze gracieus aan. Toen begon hij de geschenken terug te geven aan alle hippies die hun handen uitstaken. Hij liep verder door de aankomsthal met de groep chantende jonge mensen om hem heen.
Bij de bagageband bleef hij staan en nam iedereen nog eens goed op. Door zijn handen met de palmen naar boven omhoog te brengen, gaf hij aan dat ze harder moesten zingen. Opnieuw begon het gezelschap luid te zingen en de swami chantte mee en klapte zachtjes in zijn handen. Hij bracht zijn armen sierlijk boven zijn hoofd en begon te dansen, waarbij hij steeds de ene voet voor de andere zette en zijn lichaam heen en weer bewoog.
Het ontvangstcomité bleef rond de swami staan tot hij zijn bagage had gekregen. Dit riep bij het luchthavenpersoneel en de passagiers gevoelens op die varieerden van ergernis tot vermaak en onweerstaanbare vreugde. Daarna ging de groep met hem mee naar buiten het zonlicht in. Er stond een auto voor hem klaar, een zwarte Cadillac Fleetwood uit 1949. Swamiji ging samen met Mukunda en Allen Ginsberg achterin zitten. Tot op het moment dat de auto wegreed, bleef Swamiji glimlachend bloemen uitdelen aan al diegenen die hem, op de dag dat hij het Kṛṣṇa-bewustzijn naar West-Amerika had gebracht, waren komen verwelkomen.
De Cadillac was van Harvey Cohen, die Swamiji bijna een jaar daarvoor zijn zolderetage in de Bowery had aangeboden. Harvey zat achter het stuur, maar door zijn chauffeurspet (uit een winkel van het Leger des Heils), zijn zwart pak en zijn baard, herkende Swamiji hem niet.
“Waar is Harvey?’
“Hij zit achter het stuur”, zei Mukunda.
“O, ben jij dat? Ik herkende je niet.”
Harvey glimlachte. “Welkom in San Francisco, Swamiji.”
Bhaktivedanta Swami was blij dat hij namens zijn spiritueel leraar Bhaktisiddhānta Sarasvatī en Heer Caitanya weer in een andere grote westerse stad was. Hoe verder je naar het Westen gaat, had Heer Caitanya gezegd, hoe materialistischer de mensen er zijn. Toch had Heer Caitanya ook voorspeld dat het Kṛṣṇa-bewustzijn zich over de hele wereld zou verspreiden, Swamiji’s godsbroeders hadden zich vaak afgevraagd wat deze voorspelling, dat de naam van Kṛṣṇa ooit in elke stad en in elk dorp gezongen zou worden, kon betekenen. Misschien moest dit vers symbolisch worden opgevat, zeiden ze. Wat kon het anders betekenen: Kṛṣṇa in elke stad? Maar Bhaktivedanta Swami had diep vertrouwen in de woorden van Heer Caitanya en de opdracht van zijn spiritueel leraar. Hij was nog maar net aangekomen in San Francisco, een stad die zo westelijk lag als het maar kon, en er waren nu al mensen aan het chanten. Ze hadden hem enthousiast ontvangen met bloemen en een kīrtana. En de wereld was vol met zulke steden.
De tempel die Mukunda samen met zijn vrienden bemachtigd had, lag aan Frederick Street in de wijk Haight-Ashbury. Net zoals de tempel aan 26 Second Avenue in New York, was het een kleine winkelruimte met een etalage aan de straatkant. Boven de etalage hing een bord waarop SRI SRI RADHA-KRISHNA TEMPEL stond. Mukunda en zijn vrienden hadden ook een driekamerappartement voor Swamiji gehuurd op de tweede verdieping van het aangrenzende gebouw. Het was een kleine, uitgeleefde etage die op straat uitkeek.
Gevolgd door verschillende auto’s vol toegewijden en nieuwsgierige zoekers kwam Swamiji aan op Frederick Street 518 en ging de winkel binnen, die alleen versierd was met een paar Zuid-Indiase kleden aan de wand. Hij ging op een kussen zitten, leidde een kīrtana en begon te spreken. Hij nodigde iedereen uit Kṛṣṇa-bewust te worden.
Na zijn lezing verliet hij de winkel, ging het aangrenzende gebouw binnen en liep de twee trappen op naar zijn appartement. Toen hij zijn appartement op nummer 32 binnenging, werd hij niet alleen gevolgd door zijn toegewijden en bewonderaars, maar ook door verslaggevers van de belangrijkste nieuwsbladen van San Francisco, The Chronicle en The Examiner. Terwijl een paar toegewijden de lunch voor hem klaarmaakten, pakte Raṇacora zijn koffer uit. Ondertussen praatte Swamiji met de verslaggevers die op de vloer zaten en aantekeningen op hun blocnotes maakten.
Verslaggever: Beneden zei u dat u iedereen uitnodigde om Kṛṣṇa-bewust te worden. Geldt dat ook voor de hippies en de beatniks van Haight-Ashbury?
Swamiji: Ja, voor iedereen, ook voor u, of iemand nu een lsd-verslaafde is of een hippie of iets anders. Maar als iemand de opleiding eenmaal volgt, zal hij veranderen.
Verslaggever: Wat moet iemand doen om lid te worden van uw beweging?
Swamiji: Er zijn vier vereisten. Ik sta mijn leerlingen niet toe dat ze er vriendinnen op na houden. Ik verbied alle soorten bedwelmende of stimulerende middelen, inclusief koffie, thee en sigaretten. Ook het eten van vlees is verboden en leerlingen mogen niet deelnemen aan gokspelen.
Verslaggever: Hebben deze ‘gij zult niet’-geboden ook betrekking op het gebruik van lsd, marihuana en andere verdovende middelen?
Swamiji: Ik beschouw lsd als een bedwelmend middel. Ik sta geen van mijn leerlingen toe dat, of welk ander verdovend middel ook, te gebruiken. Ik leer mijn leerlingen ’s morgens vroeg op te staan en een douche te nemen en drie keer per dag een gebedsbijeenkomst bij te wonen. We zijn voor soberheid. Dit is de wetenschap van God.
Hoewel Bhaktivedanta Swami gemerkt had dat verslaggevers over het algemeen zijn filosofie niet in hun artikels gebruikten, nam hij de gelegenheid te baat om het Kṛṣṇa-bewustzijn te prediken. Als de verslaggevers niet dieper op de filosofie wilden ingaan, dan wilden zijn volgelingen dat wel. “De grote fout in de moderne samenleving”, vervolgde Swamiji, “is dat de mensen beslag leggen op andermans eigendom alsof het hun eigen bezit is. Dit veroorzaakt een onnatuurlijke verstoring. God is de uiteindelijke eigenaar van alle dingen in het universum. Als de mensen weten dat God de uiteindelijke eigenaar is, de beste vriend van alle levende wezens en degene voor wie alle offers bestemd zijn, dan zal er vrede zijn.”
Nadat de verslaggevers vertrokken waren, bleef Swamiji de jonge mensen in zijn kamer toespreken. Mukunda, die haar en baard had laten groeien, maar om zijn nek het snoer met de rode kralen droeg dat Swamiji hem bij zijn initiatie had gegeven, stelde hem aan een paar van zijn vrienden voor. Hij legde uit dat ze allemaal bij elkaar woonden en dat ze Swamiji wilden helpen het Kṛṣṇa-bewustzijn aan de jonge mensen van San Francisco te presenteren. Janakī vroeg Swamiji hoe hij het vliegen had ervaren. Hij zei dat het plezierig was geweest, afgezien van wat druk op zijn oren. “De huizen leken wel lucifersdoosjes”, zei hij en met zijn duim en wijsvinger gaf hij de maat van een lucifersdoosje aan.
Hij ging met zijn rug tegen de muur zitten en deed de bloemenkransen af die hij die dag gekregen had, totdat er alleen nog maar een kettinkje – niets bijzonders, een goedkoop ding met een belletje eraan, om zijn nek was blijven hangen. Hij pakte het snoer vast, keek hoe het gemaakt was en speelde er een tijdje mee. “Dit is iets speciaals,” zei hij opkijkend, “omdat het met devotie is gemaakt.” Hij bleef maar naar het kettinkje kijken, alsof het krijgen ervan een van de belangrijkste gebeurtenissen van de dag was geweest.
Toen Swamiji’s lunch binnengebracht werd, gaf hij er iedereen iets van. Daarna vroeg Raṇacora alle aanwezigen, op een doeltreffende maar tactloze manier, om te vertrekken, zodat de swami wat tijd zou krijgen om te eten en te rusten.
Buiten zijn appartement en beneden in de winkel, was Swamiji het onderwerp van gesprek. Niemand voelde zich teleurgesteld. Alles wat Mukunda over hem verteld had, was waar. Ze hadden er vooral van genoten hoe hij gesproken had over hoe je alles vanuit het perspectief van Kṛṣṇa moest bekijken.
Die avond was Swamiji’s aankomst op tv te zien tijdens het nieuws van elf uur en de volgende dag stond het in de kranten. Het verhaal van The Examiner was op de tweede pagina geplaatst – Swami nodigt de hippies uit – met een foto van de tempel vol volgelingen en een paar opnamen van een heel ernstige Swamiji. Mukunda las het artikel op verzoek van Swamiji hardop voor.
In de grootste krant van San Francisco, The Chronicle, stond ook een artikel: Swami in hippieland. Heilige man opent S.F. tempel. Het artikel begon met:
Een heilige uit India, die door zijn vriend en beat-dichter Allen Ginsberg als een van de meer conservatieve leiders van zijn geloof wordt omschreven, probeerde gisteren in het centrum van het hippiedomein van San Francisco zijn evangelie-achtige boodschap uit te dragen.
Swamiji maakte er bezwaar tegen conservatief genoemd te worden. Hij was verontwaardigd: “Conservatief? Hoezo?”
“Ten opzichte van seks en drugs”, opperde Mukunda.
“Natuurlijk zijn we in die zin conservatief”, zei Swamiji. “Dat betekent gewoon dat we de śāstra volgen. We kunnen niet van de Bhagavad-gītā afwijken. Maar we zijn beslist niet conservatief. Caitanya Mahāprabhu Zelf was zo strikt dat Hij zelfs geen enkele vrouw aankeek, maar wij nemen iedereen in deze beweging op, zonder te letten op geslacht, kaste, positie enzovoort. Iedereen is welkom om Hare Kṛṣṇa te komen chanten. Dit is de mildheid van Caitanya Mahāprabhu, zijn vrijgevigheid. Nee, we zijn niet conservatief.”
Bhaktivedanta Swami stond op van zijn bed en deed het licht aan. Het was één uur ’s nachts. Er was geen wekker afgelopen en er was niemand gekomen om hem te wekken; hij was uit zichzelf opgestaan. Het was koud en stil in zijn appartement. Hij sloeg zijn cādar om zijn schouders en ging rustig aan zijn geïmproviseerde bureau zitten (een koffer waar manuscripten in zaten) en chantte heel geconcentreerd de Hare Kṛṣṇa-mantra op zijn meditatiekralen.
Na een uur gechant te hebben, begon Bhaktivedanta Swami aan zijn vertaalwerk. Hoewel er twee jaar voorbij waren gegaan sinds hij zijn laatste boek had gepubliceerd (het derde en laatste deel van het eerste canto van het Śrīmad-Bhāgavatam), was hij elke dag blijven werken, soms aan zijn vertaling en commentaar op het tweede canto, maar meestal aan de Bhagavad-gītā. Tijdens de jaren veertig had hij in India de hele Bhagavad-gītā vertaald en becommentarieerd, maar het enige exemplaar dat hij ervan had, was op mysterieuze wijze verdwenen. In 1965 was hij, toen hij een paar maanden in Amerika was, opnieuw begonnen. Hij had de inleiding op zijn kamer in Seventy-second Street in New York geschreven. En nu zat zijn koffer vol met duizenden pagina’s manuscript: de volledige Bhagavad-gītā. Als zijn New Yorkse leerling, Hayagrīva, die vroeger docent Engels aan de universiteit was geweest, de tekst zou kunnen corrigeren en als een paar andere leerlingen het werk gepubliceerd zouden kunnen krijgen, dan zou dat een hele belangrijke prestatie zijn.
Maar het scheen moeilijk te zijn om in Amerika boeken te publiceren, moeilijker dan in India. Hoewel hij in India alleen geweest was, had hij het klaargespeeld in drie jaar tijd drie delen te laten verschijnen. Hier in Amerika had hij veel volgelingen; maar veel volgelingen hebben bracht ook veel meer verantwoordelijkheden met zich mee. En tot nu toe leek niemand van zijn volgelingen serieus van plan te zijn te gaan typen, de tekst te corrigeren of over de drukkosten te gaan onderhandelen. Hoewel de vooruitzichten om zijn Bhagavad-gītā uit te brengen nogal onzeker waren, was Bhaktivedanta Swami toch begonnen met de vertaling van een ander boek: het belangrijkste vaiṣṇava-boek over het leven en de leer van Heer Caitanya.
Swamiji zette zijn leesbril op, opende zijn boeken en zette de dictafoon aan. Hij bestudeerde de teksten in het Bengaals en Sanskriet, pakte de microfoon op, knipte de schakelaar op record, waarbij een rood lampje ging branden, en begon te spreken: “Terwijl de Heer zo, al chantend en dansend verder ging…” (hij sprak de zinnen in kleine gedeeltes in, zette de schakelaar uit, pauzeerde even en ging dan weer verder met dicteren) “werd Hij door duizenden mensen gevolgd… sommigen van hen lachten, anderen dansten… en weer anderen zongen… Sommige mensen lieten zich ook op de grond vallen om hun eerbetuigingen te brengen aan de Heer.” Terwijl hij zo de tekst insprak en af en toe pauzeerde, waarbij hij de schakelaar steeds aan en uit knipte, zat hij rechtop en schudde en knikte soms zachtjes met zijn hoofd, terwijl hij de woorden liet komen. Soms boog hij zich dicht over zijn boeken om ze zorgvuldig door zijn leesbril heen te bestuderen.
Zo zat Swamiji een uur lang te werken. Het gebouw was donker en stil, op het licht van Swamiji’s lamp, het geluid van zijn stem en het geklik en het gezoem van de dictafoon na. Hij droeg een verschoten perzikkleurige coltrui onder zijn grijze wollen cādar en omdat hij pas was opgestaan, was zijn saffraankleurige dhotī gekreukeld. Zonder dat hij zijn gezicht gewassen had of naar het toilet was geweest, zat hij daar en ging helemaal op in zijn werk. Tijdens deze spaarzame uren waren de straat en de Rādhā-Kṛṣṇa-tempel tenminste stil.
Deze situatie – hoe hij ’s nachts in een rustige omgeving met zijn transcendentale literaire werk bezig was – verschilde niet zo veel van hoe hij de vroege ochtenduren in de Rādhā-Dāmodara-tempel in Vṛndāvana, India, had doorgebracht. Hij had daar natuurlijk geen dictafoon gehad, maar had er wel op dezelfde uren en met dezelfde tekst gewerkt: het Caitanya-caritāmṛta. Hij was ooit begonnen het werk vers voor vers te vertalen en er een commentaar bij te schrijven. Bij een andere gelegenheid had hij korte verhandelingen over de tekst geschreven. En nu, net aangekomen in deze uithoek van de wereld, zo ver verwijderd van het toneel van Heer Caitanya’s activiteiten, begon hij aan een nieuwe Engelse versie van het Caitanya-caritāmṛta. Hij noemde het boek Teachings of Lord Caitanya.
Hij deed datgene wat voor hem een noodzakelijke routine was geworden in zijn leven: vroeg opstaan om de paramparā-boodschap van het Kṛṣṇa-bewustzijn op te schrijven. Alle andere overwegingen terzijde schuivend en zonder op de huidige omstandigheden te letten, ging hij dan helemaal op in de tijdloze boodschap van transcendentale kennis. Dit was zijn belangrijkste dienst aan Bhaktisiddhānta Sarasvatī. De gedachte nog meer boeken te produceren en ze overal te verspreiden, gaf hem kracht om elke nacht op te staan en te gaan vertalen.
Bhaktivedanta Swami werkte tot de zon opkwam. Dan stopte hij en maakte zich klaar om naar beneden, naar de tempel te gaan voor de ochtendbijeenkomst.
Bhaktivedanta Swami werkte tot de zon opkwam. Dan stopte hij en maakte zich klaar om naar beneden, naar de tempel te gaan voor de ochtendbijeenkomst.
Hoewel sommige van zijn leerlingen in New York daar bezwaar tegen hadden gemaakt, stond Swamiji nog steeds op het programma van de Mantra-Rock Dance in de Avalon Ballroom. Het was niet juist, hadden ze gezegd, dat de toegewijden daar in San Francisco van hun spiritueel leraar verlangden naar zo’n gelegenheid te gaan. Dat betekende immers elektrische gitaren, dreunende drums, wilde lichtshows en honderden gedrogeerde hippies. Hoe zou zijn zuivere boodschap daar nu gehoord kunnen worden?
Maar Mukunda en anderen hadden in San Francisco maandenlang aan de Mantra-Rock Dance gewerkt. Het evenement zou zeker duizenden jongeren trekken en de Rādhā-Kṛṣṇa-tempel van San Francisco zou er duizenden dollars mee verdienen. Dus hoewel Swamiji in New York nog tegen zijn leerlingen had gezegd dat hij niet zeker wist of hij wel zou gaan, probeerde hij nu op geen enkele manier het enthousiasme van zijn volgelingen in San Francisco te temperen.
Sam Speerstra, een vriend van Mukunda, die de Mantra-Rock mee hielp organiseren, legde Hayagrīva, die net uit New York was aangekomen, het idee uit: “Er is een hele nieuwe school van San Francisco-muziek aan het opkomen. The Grateful Dead hebben hun eerste plaat al gemaakt. Hun aanbod om aan deze avond mee te doen, levert ons enorm veel publiciteit op, net nu we die nodig hebben.”
“Maar Swamiji zegt dat zelfs Ravi Shankar māyā is”, zei Hayagrīva.
“Nou, het is allemaal al geregeld”, verzekerde Sam hem. “Alle bands zullen het podium opkomen en Allen Ginsberg zal Swamiji aan San Francisco voorstellen. Swamiji zal wat zeggen en Hare Kṛṣṇa chanten en dan zullen de bands met hem mee gaan spelen. Daarna gaat hij weg. We verwachten ongeveer vierduizend mensen.”
Bhaktivedanta Swami wist dat hij geen water bij de wijn zou doen. Hij zou erheen gaan, chanten en weer weggaan. Het belangrijkste was het chanten van Hare Kṛṣṇa te verspreiden. Als duizenden jongeren die bijeen waren gekomen om naar rockmuziek te luisteren de namen van God konden horen en chanten, wat kon daar dan verkeerd aan zijn? Als prediker was Bhaktivedanta Swami bereid overal naartoe te gaan om het Kṛṣṇa-bewustzijn te verspreiden. Omdat het chanten van Hare Kṛṣṇa absoluut was, kon iedereen die de namen van Kṛṣṇa hoorde of chantte, overal en in welke omstandigheden dan ook, ervoor behoed worden in een volgend leven naar lagere levensvormen terug te vallen. Deze jonge hippies wilden iets spiritueels, maar wisten niet waar ze het moesten zoeken. Ze waren in de war en hielden hallucinaties voor spirituele visioenen. Maar ze zochten het echte spirituele leven, net zoals vele jongeren op de Lower East Side. Bhaktivedanta Swami besloot dat hij zou gaan; zijn leerlingen wilden dat hij dit zou doen en hij was hun dienaar en de dienaar van Heer Caitanya.
Mukunda, Sam en Harvey Cohen hadden al een ontmoeting gehad met rock-ondernemer Chet Helms. Hij had ermee ingestemd dat ze zijn Avalon Ballroom zouden gebruiken, en dat, als ze de bands zover kregen om te komen, alles wat boven de onkosten voor de groepen, de veiligheidsmaatregelen en enkele andere onvermijdelijke uitgaven uitging, als winst naar de Rādhā-Kṛṣṇa-tempel zou gaan. Mukunda en Sam waren toen de muziekgroepen gaan bellen, waarvan de meeste leden in de Bay Area woonden. En stuk voor stuk hadden de opwindende nieuwe rockbands van San Francisco – The Grateful Dead, Moby Grape, Big Brother and the Holding Company, Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service – ermee ingestemd om met Bhaktivedanta Swami op te treden voor een minimumvergoeding van $250 per groep. Ook Allen Ginsberg had toegezegd te komen. Iedereen deed mee.
Op de avond van de Mantra-Rock Dance stonden er mensen in de rij voor een kaartje van $2,50 tot aan het eind van de straat en zelfs de hoek om. Het zou druk worden; de zaal was uitverkocht en de meeste ‘verlichte geesten’ uit de buurt zouden aanwezig zijn. Toen lsd-pionier Timothy Leary arriveerde, kreeg hij een speciale plaats op het podium. Swami Kriyananda kwam ook en hij had een tamboerijn bij zich. Er was ook een man met een hoge hoed en een zijden sjerp waarop SAN FRANCISCO stond, die beweerde dat hij de burgemeester was. Mukunda hield aan de deur een net geklede jongeman tegen die geen kaartje had. Maar iemand tikte hem op de schouder: “Laat hem binnen, ’t Is oké. Het is Owsley.” Mukunda verontschuldigde zich en stond Augustus Owsley Stanley II, een volksheld die beroemd was om zijn synthetische bereiding van lsd, toe zonder kaartje naar binnen te gaan.
Bijna alle concertgangers waren gekleed in felgekleurde of ongebruikelijke kostuums: inheems-Amerikaanse gewaden, Mexicaanse poncho’s, Indiase kūrta’s, ‘God’s eyes’, veren en kralen. Sommige hippies hadden hun eigen fluiten, luiten, kalebassen, trommels, ratels, hoorns en gitaren meegebracht. Ook de Hell’s Angels met hun vieze haren, spijkerbroeken, laarzen en spijkerjasjes maakten hun entree, vergezeld van hun vrouwen. Met een sigaret in hun mond, hun ijzeren kettingen, Duitse helmen en de opvallende emblemen op hun kleding – alles, behalve hun motorfietsen, die ze buiten moesten laten.
De toegewijden begonnen op het podium met een kīrtana om zich vast op te warmen en dansten daarbij op de manier die Prabhupāda hun had laten zien. Wierook kringelde van het podium en vanuit de hoeken van de grote balzaal omhoog. En hoewel de meeste toehoorders high waren van de drugs, was de sfeer rustig; ze waren gekomen om iets spiritueels te ervaren. Het chanten was heel melodieus en een paar muzikanten speelden al op hun eigen instrumenten mee. De lichtshow begon, stroboscopen flitsten aan en uit, gekleurde ballen stuiterden heen en weer op de maat van de muziek en grote, bewegende kleurige bubbels gleden over de vloer, de muren en het plafond.
Iets na achten kwam Moby Grape het podium op. Met zware, elektrische gitaren en twee drummers zetten ze hun eerste nummer in. De balzaal trilde van het geluid uit de grote luidsprekers en het publiek betoonde juichend zijn bijval.
Rond half tien verliet Swamiji zijn appartement in Frederick Street en ging achterin Harvey’s Cadillac zitten. Hij was gekleed in zijn gebruikelijke saffraankleurige gewaad en om zijn nek droeg hij een bloemenkrans van gardenia’s die de auto met hun zoete geur vulden. Op weg naar de Avalon praatte hij over de noodzaak om meer centra te openen.
Om tien uur liep Swamiji de trappen van de Avalon op, gevolgd door Kīrtanānanda en Raṇacora. Toen hij de balzaal binnenkwam, bliezen de toegewijden op schelphoorns en begon er iemand op een trom te roffelen. De menigte week uiteen en maakte een pad vrij van de ingang tot het podium. Met zijn hoofd hoog, leek Swamiji wel voorbij te zweven, toen hij dwars door de balzaal naar het podium liep.
Plotseling veranderde de lichtshow. Beelden van Kṛṣṇa verschenen op de muur: Kṛṣṇa en Arjuna samen op Arjuna’s strijdwagen; Kṛṣṇa terwijl Hij boter aan het eten is; Kṛṣṇa die de wervelwind-demon aan zich onderwerpt; Kṛṣṇa die op Zijn fluit speelt. Toen Swamiji door het publiek liep, stond iedereen op om te applaudisseren en hem toe te juichen. Hij klom de trappen op en ging rustig op een kussen zitten dat voor hem klaargelegd was. Het publiek werd stil.
Swamiji keek naar Allen Ginsberg en zei: “Misschien kun jij iets over de mantra zeggen.”
Allen begon te vertellen wat hij van de Hare Kṛṣṇa-mantra wist en wat voor ervaringen hij ermee had gehad. Hij vertelde hoe Bhaktivedanta Swami een tempel geopend had in een winkelruimte op Second Avenue en hoe hij in Tompkins Square Park Hare Kṛṣṇa had gechant. En hij nodigde iedereen uit naar de tempel in Frederick Street te komen. “Vooral de vroege ochtend-kīrtana’s kan ik aanbevelen”, zei hij, “voor degenen die, als de lsd bijna uitgewerkt is, hun bewustzijn weer in evenwicht willen brengen, om opnieuw het gewone leven binnen te kunnen gaan.”
Swamiji nam het woord en vertelde in het kort de geschiedenis van de mantra. Toen keek hij weer naar Allen: “Je kunt nu gaan chanten.”
Allen ging achter zijn harmonium zitten en begon in de microfoon Hare Kṛṣṇa te zingen op de melodie die hij in India geleerd had. Geleidelijk aan vielen steeds meer mensen uit het publiek in. Terwijl de kīrtana door bleef gaan en het publiek steeds enthousiaster werd, kwamen de muzikanten van de verschillende bands het podium op om mee te spelen. Raṇacora, die redelijk goed kon drummen, begon op Moby Grape’s drums te spelen en alle toegewijden en een grote groep hippies kwamen het podium op. De kleurige olievlekken pulseerden en de ballen sprongen heen en weer op het ritme van de mantra die nu op de muur geprojecteerd werd: Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Het chanten breidde zich over de hele zaal uit en sommige hippies stonden op, pakten elkaars handen vast en begonnen te dansen.
Allen Ginsberg: We zongen de hele avond Hare Kṛṣṇa. Het was gewoon geweldig, iedereen kon meedoen. Het was een piek in het spirituele enthousiasme op Haight-Ashbury. Het was de eerste keer dat er in San Francisco een muzikale happening plaatsvond waar iedereen aan mee kon doen. Iedereen kon zingen en dansen in plaats van te kijken en te luisteren hoe anderen zongen en dansten.
Janakī: De mensen wisten niet waarvoor ze aan het chanten waren. Maar om zoveel mensen te zien chanten – zelfs al waren de meeste van hen onder invloed van drugs, deed Swamiji plezier. Hij vond het prachtig de mensen te zien chanten.
Hayagrīva: Omdat ik vlak voor de bands stond, kon ik bijna niets horen. Maar boven alles uit ving ik toch het chanten van Hare Kṛṣṇa op, dat steeds in sterkte toenam. Op de muur achter in de zaal werd een reusachtige afbeelding geprojecteerd van Kṛṣṇa met een fluit in Zijn handen en een gouden helm met een pauwenveer op.
Toen ging Swamiji staan, hief zijn armen op en begon te dansen. Hij gebaarde dat iedereen mee moest doen. Degenen die nog steeds zaten, stonden nu ook op en begonnen te dansen, te chanten en zachtjes heen en weer te wiegen, net als Swamiji.
Roger Segal: De balzaal leek wel een graanveld van menselijke halmen die in de wind bewogen. Er heerste een heel vredige sfeer, in tegenstelling tot de kolkende atmosfeer die normaal in de Avalon Ballroom hing. Het chanten van Hare Kṛṣṇa duurde meer dan een uur en op het eind was iedereen aan het springen en het roepen, zelfs aan het huilen en het schreeuwen.
Iemand zette een microfoon voor Swamiji neer en zijn stem weerklonk luid door het krachtige geluidssysteem. Het tempo versnelde. Swamiji transpireerde hevig. Kīrtanānanda drong erop aan dat de kīrtana zou stoppen. Hij zei dat Swamiji hier te oud voor was; het kon nadelige gevolgen hebben. Maar het chanten bleef maar doorgaan, sneller en sneller, totdat de woorden van de mantra tenslotte niet meer te onderscheiden waren in versterkte muziek en het koor van duizenden stemmen.
Toen hield het plotseling op. Het enige wat je nog hoorde was het luide gezoem van de versterkers en de stem van Swamiji. Krachtig weerklonken zijn eerbetuigingen aan zijn spiritueel leraar: “Oṁ viṣṇu-pāda paramahaṁsa parivrājakācārya aṣṭottara-śata śrī śrīmad bhaktisiddhānta sarasvatī gosvāmī prabhupāda kī jaya! … Alle eer aan de verzamelde toegewijden!”
Swamiji liep door de dichte rook en de menigte heen het podium af en ging naar beneden via de trap aan de voorkant, op de voet gevolgd door Kīrtanānanda en Raṇacora. Allen kondigde de volgende rockgroep aan.
Terwijl Swamiji de balzaal uitliep en het enthousiaste publiek achter zich liet, zei hij: “Dit is geen plaats voor een brahmacārī.”
Sommige van bhaktivedanta swami’s serieuzere volgelingen in San Francisco hadden het idee dat bepaalde mensen die geïnitieerd wilden worden, niet werkelijk van plan waren zich te houden aan de levenslange verplichtingen, die een leerling ten opzichte van zijn guru heeft. “Swamiji,” zeiden ze, “er zijn mensen bij die alleen maar komen om geïnitieerd te worden. We hebben die mensen nog nooit eerder gezien en we zullen ze ook nooit meer zien.” Swamiji antwoordde dat dat het risico was dat hij moest nemen. Op een dag legde hij in een lezing in de tempel uit dat, hoewel de reacties op de zonden die een leerling in het verleden had begaan bij de initiatie tenietgedaan werden, de spiritueel leraar verantwoordelijk voor de leerling bleef totdat deze uit de materiële wereld bevrijd was. Daarom, zei hij, waarschuwde Heer Caitanya, dat een guru niet te veel leerlingen moest aannemen.
Op een avond in de tempel stak een grote, bebaarde kerel zijn hand op en vroeg aan Swamiji: “Kan ik geïnitieerd worden?”
Enkele toegewijden ergerden zich eraan dat de jongen die vraag zo brutaal en in het openbaar stelde, maar Swamiji reageerde heel rustig. “Ja, dat kan,” antwoordde hij, “maar dan moet je eerst twee vragen beantwoorden. Wie is Kṛṣṇa?”
De jongen dacht een ogenblik na en zei: “Kṛṣṇa is God.”
“Ja”, antwoordde Swamiji. “En wie ben jij?”
Opnieuw dacht de jongen even na en antwoordde: “Ik ben de dienaar van God.”
“Heel goed”, zei Swamiji toen. “Ja, je kunt morgen geïnitieerd worden.”
“Heel goed”, zei Swamiji toen. “Ja, je kunt morgen geïnitieerd worden.”
Bhaktivedanta Swami wist dat het voor zijn westerse leerlingen moeilijk zou zijn om in Kṛṣṇa-bewustzijn te blijven en het uiteindelijke doel, zuivere devotionele dienst, te bereiken. Hun hele leven lang hadden ze de slechtste gewoontes opgedaan en ondanks het feit dat ze zich christenen noemden en filosofisch op zoek waren, wisten de meesten van hen niets van de wetenschap van God. Ze wisten niet eens dat vrije seks en het eten van vlees verkeerd waren, hoewel ze het wel accepteerden als hij het hun vertelde. En ze chantten Hare Kṛṣṇa zonder schroom. Hoe kon hij hen dan weigeren?
Of ze in staat zouden zijn om ondanks de altijd aanwezige verleidingen van māyā Kṛṣṇa-bewust te blijven, zou de tijd natuurlijk leren. Sommigen zouden wegvallen – dat was de menselijke neiging. Maar anderen zouden blijven. Degenen die zijn instructies om Hare Kṛṣṇa te chanten en zondige activiteiten te vermijden, oprecht zouden volgen, zouden succesvol zijn. Swamiji verduidelijkte dit met een voorbeeld: iemand kan zeggen dat het voedsel dat vandaag vers is, binnen een paar dagen bedorven zal zijn als het niet op tijd gebruikt wordt. Maar, om nu te zeggen dat het in de toekomst niet op tijd gebruikt zal worden en daarom zal bederven, is niet meer dan een gissing. In de toekomst zou wie dan ook ten val kunnen komen, maar Bhaktivedanta beschouwde het als zijn verantwoordelijkheid zijn leerlingen nu in Kṛṣṇa’s dienst te verbinden. En hij gaf hun de methodes die, alleen als ze werden gevolgd, hen ervoor zouden behoeden ooit nog terug te vallen.
Nog afgezien van de vedische maatstaven, waren de toegewijden in San Francisco niet erg strikt volgens de maatstaven van Swamiji’s leerlingen in New York. Sommigen bleven donuts kopen en aten voedsel zonder het eerst aan Kṛṣṇa te offeren. Ze aten ook verboden zaken, zoals chocola en ijs uit de winkel. Bepaalde mensen hadden zelfs de gewoonte om na de kīrtana net buiten de tempeldeur even een sigaret te gaan roken. En sommigen lieten zich initiëren zonder precies te weten waartoe ze zich hadden verplicht.
Kīrtanānanda: In San Francisco was de stemming heel wat losser. De toegewijden gingen graag naar het koffiehuis op de hoek om koffie te drinken en donuts te eten. Maar Swamiji vond het fijn dat er zoveel mensen kwamen. En hij had het programma in de Avalon Ballroom heel goed gevonden. Toch waren er duidelijk twee partijen: degenen die de regels en bepalingen strikt volgden en de nadruk legden op zuiverheid en degenen die het niet zo nauw namen met de regels, maar het Kṛṣṇa-bewustzijn zoveel mogelijk wilden verspreiden. Swamiji was zo grootmoedig beide groepen te omhelzen.
De ochtend- en avond-kīrtana’s hadden de Rādhā-Kṛṣṇa-tempel al populair gemaakt in Haight-Ashbury. Maar toen de toegewijden dagelijks een gratis lunch begonnen te serveren, werd de tempel echt een onderdeel van de gemeenschap. Swamiji zei tegen zijn leerlingen dat ze gewoon prasādam moesten koken en uitdelen – dat was het enige waar ze zich overdag mee bezig moesten houden. ’s Ochtends kookten ze en om twaalf uur gaven ze iedereen die kwam, te eten – soms wel 150 tot 200 hippies van de straten van Haight-Ashbury.
Vóór de ochtend-kīrtana zetten de meisjes havermout op het vuur en tegen het ontbijt zat de hele kamer vol met hippies waarvan de meesten de hele nacht op waren geweest. De havermoutpap was voor sommigen het eerste vaste voedsel in dagen.
Maar het belangrijkste was de lunch. Mālatī deed de boodschappen en probeerde zoveel mogelijk donaties te krijgen in de vorm van volkorenmeel, kikkererwtenmeel, spliterwten en rijst. Verder nam ze alle groenten mee die goedkoop of gratis waren: aardappels, wortels, rapen en bieten. De koks maakten dan elke dag voor tweehonderd mensen gekruide aardappelpuree, capātī’s met boter, spliterwten-dāl en groente. Het lunchprogramma was mogelijk doordat veel winkeliers bereid waren bij te dragen aan een erkend goed doel: de hippies te eten geven.
Haršarání: Obĕdy zdarma přitahovaly spoustu hippies, kteří se potřebovali najíst. Bylo vidĕt, že mají opravdu hlad. A pak sem docházeli ještĕ jiní lidé, kteří spolupracovali s chrámem, i když nebyli zasvĕceni. Přehrávali jsme tam na gramofonu desku, kterou natočil Svámídží se svými žáky v New Yorku. Vládla tam velice pĕkná rodinná atmosféra.
Harṣarāṇī: Het lunchprogramma trok veel van het Hippy Hill-publiek aan, dat duidelijk voor het eten kwam. Ze hadden echt honger. Daarnaast kwamen er ook andere mensen die meehielpen in de tempel maar niet geïnitieerd waren. Tijdens de maaltijd draaiden we de plaat die Swamiji in New York met zijn leerlingen had gemaakt. Er hing een fijne, bijna huiselijke sfeer.
Haridāsa: Sommige mensen aten ook buiten, voor de deur, maar het meeste eten werd binnen geserveerd. Het was verbazingwekkend. De mensen stonden allemaal op een kluitje en we zetten ze dan in rijen van muur tot muur. Veel van hen kwamen alleen maar om te eten en gingen dan weer weg. Andere winkels in Haight-Asbury verkochten van alles, van kralen tot rock-lp’s, maar onze winkel was anders, omdat wij niets verkochten – wij gaven het weg.
Haridāsa: Sommige mensen aten ook buiten, voor de deur, maar het meeste eten werd binnen geserveerd. Het was verbazingwekkend. De mensen stonden allemaal op een kluitje en we zetten ze dan in rijen van muur tot muur. Veel van hen kwamen alleen maar om te eten en gingen dan weer weg. Andere winkels in Haight-Asbury verkochten van alles, van kralen tot rock-lp’s, maar onze winkel was anders, omdat wij niets verkochten – wij gaven het weg.
En iedereen was welkom bij ons. We werden een soort toevluchtsoord – weg van het rumoer en de waanzin van het hele gebeuren. In die zin was het dus een ziekenhuis en ik denk dat er veel mensen mee geholpen waren en er misschien zelfs door gered zijn. Ik bedoel niet alleen hun ziel – maar ook hun geest en hun lichaam, want ze konden gewoon niet verwerken wat er buiten op straat allemaal gebeurde. We hielpen mensen die een overdosis aan drugs hadden genomen en anderen die helemaal de kluts kwijt waren en op zoek waren naar wat troost; ze kwamen zo’n beetje de tempel binnen wankelen.
Sommigen bleven en werden toegewijden en anderen namen alleen maar prasādam en gingen dan weer. Er gebeurde iedere dag wel iets ongewoons en Swamiji was er getuige van en raakte erbij betrokken. Het lunchprogramma was immers zijn idee.
De mensen die wat meer belangstelling hadden en vragen wilden stellen – de zoekers – zochten Swamiji op in zijn kamer. Vele van hen waren helemaal overstuur door de oorlog in Vietnam of door allerlei andere dingen – moeilijkheden met de wet, nare ervaringen met drugs, ruzie op school of thuis.
Er was veel publieke onrust over de enorme toevloed van jongeren in San Francisco. Het creëerde bijna onhoudbare sociale problemen. De politie en de maatschappelijk werkers waren bezorgd over de gezondheid van de jongeren en de armzalige omstandigheden waarin ze leefden, vooral in Haight-Ashbury. Ook vreesden sommigen dat de hippies alles zouden overnemen. Daarom waren de autoriteiten blij met de diensten die de tempel van Swami Bhaktivedanta verleende. En toen de leden van het stadsbestuur in Haight-Ashbury besloten een raad te vormen om de crisis aan te pakken, vroegen ze Swami Bhaktivedanta eraan deel te nemen.
Michael Bowen: Bhaktivedanta had een verbazingwekkend vermogen om mensen door middel van devotie van de drugs af te helpen, vooral mensen die aan de speed of aan de heroïne waren, of die totaal ‘opgebrand’ waren door de lsd – al dat soort gevallen.
Haridāsa: De politie reed vroeg in de ochtend met patrouillewagens door het park en pakte weggelopen tieners op die daar lagen te slapen. Ze brachten ze allemaal bij elkaar en probeerden ze dan terug naar huis te sturen.
De hippies hadden alle hulp nodig die ze maar konden krijgen en dat wisten ze. En de Rādhā-Kṛṣṇa-tempel was beslist een soort spiritueel toevluchtsoord. Dat voelden ze gewoon. Ze waren op de vlucht, woonden op straat, konden nergens naartoe, nergens waar ze uit konden rusten en waar de mensen hen geen kwaad zouden doen. Veel jongeren vielen letterlijk de tempel binnen. Ik denk dat er veel levens mee gered zijn; er zouden waarschijnlijk veel meer incidenten geweest zijn als Hare Kṛṣṇa er niet was geweest. Het was alsof we een tempel geopend hadden op een slagveld. ‘Dit was de moeilijkste plaats om zoiets te doen, maar het was ook de plaats waar het het meest nodig was. Hoewel de swami nooit met dergelijke dingen te maken had gehad, bereikte hij met het chanten wonderbaarlijke resultaten. Het chanten was geweldig. Het werkte.
Zoals Allen Ginsberg vijfduizend hippies in de Avalon had voorgehouden, bewezen de vroege ochtend-kīrtana’s in de tempel een belangrijke dienst aan de gemeenschap, omdat ze uitermate behulpzaam waren voor degenen wier lsd-trip begon uit te werken en die hun ‘bewustzijn in evenwicht wilden brengen om de gewone werkelijkheid weer binnen te gaan’. Soms kwam Allen ’s ochtends zelf langs met mensen met wie hij de hele nacht was opgebleven. Maar af en toe kwamen degenen die weer terug wilden keren tot de werkelijkheid midden in de nacht stuurloos binnenvliegen om een noodlanding te maken.
Op een keer werden de jongens die in de winkelruimte sliepen om twee uur ’s nachts gewekt door gebonk op de deur, geschreeuw en zwaailichten van de politie. Toen ze de deur openmaakten, viel er een jonge hippie met wilde rode haren en een baard naar binnen, die riep: “Oh, Kṛṣṇa, Kṛṣṇa! Help me! Oh, laat ze me niet te pakken krijgen. Oh, in godsnaam, help!”
Een politieagent stak zijn hoofd om de hoek van de deur en glimlachte: “We besloten om hem maar hiernaartoe te brengen,” zei hij, “want we dachten dat jullie hem misschien wel zouden kunnen helpen.”
“Ik voel me niet op m’n gemak in dit lichaam!” schreeuwde de jongen terwijl de politieagent de deur dicht deed. De jongen begon als een dolleman te chanten en werd helemaal wit. Van angst begon hij hevig te transpireren. De rest van de vroege ochtend waren Swamiji’s jongens bezig hem te troosten en samen met hem te chanten, tot de swami naar beneden kwam voor de kīrtana en de lezing.
Vaak stuurden de toegewijden mensen naar Swamiji met hun problemen. Ze stonden bijna iedereen toe Swamiji te bezoeken en zijn kostbare tijd in beslag te nemen. Toen Ravīndra-svarūpa een keer door San Francisco liep, ontmoette hij een man die beweerde dat hij mensen van Mars in zijn tent had gezien toen hij in Vietnam gelegerd was. De man, die net uit een legerziekenhuis ontslagen was, zei dat de marsmannetjes met hem hadden gepraat. Ravīndra-svarūpa vertelde hem toen over Swamiji’s boek Reis naar andere planeten, waarin het idee dat er op andere planeten leven zou zijn, bevestigd werd. En hij opperde dat de swami hem waarschijnlijk wel meer over de mensen van Mars zou kunnen vertellen. Zodoende kwam de man de swami in zijn appartement opzoeken. “Jazeker,” zei Swamiji, “marsmannetjes bestaan.”
Geleidelijk aan begonnen Swamiji’s volgelingen wat meer rekening met hun spiritueel leraar te houden en gingen ze hem beschermen tegen mensen van wie ze dachten dat ze misschien ongewenst waren. Een van deze ongewenste personen was Konijn, misschien wel de vuilste hippie van Haight-Ashbury. Zijn haar zat altijd in de war, was smerig en zat vol luizen. Zijn kleren waren vies en versleten en zijn met vuil besmeurde lichaam stonk. Hij wilde de swami beslist spreken, maar de toegewijden weigerden, omdat ze Swamiji’s kamer niet met de smerige, stinkende aanwezigheid van Konijn wilden bevuilen. Maar op een avond na de lezing, stond Konijn buiten de tempeldeur te wachten. Toen Swamiji naderbij kwam, vroeg hij: “Mag ik mee naar boven om u te spreken?” Swamiji vond het goed.
Wat uitdagers betreft, bijna elke avond kwam er wel iemand om met Swamiji te redetwisten. Er kwam ook regelmatig een man die zijn argumenten uit een handboek voor filosofie haalde, waaruit hij hardop voorlas. Swamiji versloeg hem dan en de man ging daarop weer naar huis om een ander argument voor te bereiden en kwam de volgende dag weer terug met zijn boek. Op een avond keek Swamiji de man, nadat die hem zijn uitdaging had voorgelegd, alleen maar aan, zonder de moeite te nemen hem te antwoorden. Swamiji’s stilzwijgen betekende een nieuwe nederlaag voor de man, die opstond en verdween.
Ook Israël was, net als Konijn, een bekende figuur in Haight-Ashbury. Hij had een lange paardenstaart en speelde tijdens de kīrtana vaak trompet. Na een van Swamiji’s avondlezingen zei Israël uitdagend: “Dit chanten kan dan wel fijn zijn, maar hoe helpt het de wereld? Hoe wordt de mensheid er beter van?”
Swamiji antwoordde: “Ben jij dan geen deel van de wereld? Als jij het fijn vindt, waarom zouden anderen het dan niet fijn vinden? Chant dus maar zo hard je kunt.” Een man met een snor, die achter in de kamer stond, vroeg: “Bent u de guru van Allen Ginsberg?” Veel toegewijden wisten dat dit een geladen vraag was en dat het moeilijk was er ja of nee op te antwoorden.
Swamiji antwoordde: “Ik ben niemands guru. Ik ben ieders dienaar.’’ Dankzij Swamiji’s antwoord werd de hele woordenwisseling voor de toegewijden transcendentaal. Swamiji had niet alleen een slim antwoord gegeven, maar hij had dat gedaan met een diepgaande, natuurlijke nederigheid.
Op een morgen was er een koppel bij de lezing. De vrouw had een kind op haar arm en de man droeg een rugzak. Toen er vragen gesteld konden worden, vroeg de man: “Maar hoe zit het met mijn geest?” Swamiji gaf hem filosofische antwoorden, maar de man bleef steeds maar herhalen: “Hoe zit het met mijn geest? Hoe zit het met mijn geest?”
Met een smekende blik vol medelijden zei Swamiji: “Ik heb geen ander medicijn. Chant alsjeblieft Hare Kṛṣṇa. Een andere uitleg heb ik niet. Ik heb geen ander antwoord.”
Maar de man bleef maar doorgaan over zijn geest. Uiteindelijk kwam een van de vrouwelijke toegewijden tussenbeide en zei: “Doe toch wat hij zegt. Probeer het gewoon eens.” En Swamiji pakte zijn karatāla’s op en begon met de kīrtana.
Op een avond, tijdens de lezing, stormde een jongen de tempel binnen en riep dat er op Haight Street een rel dreigde uit te breken. De swami moest onmiddellijk komen om de menigte toe te spreken en iedereen te kalmeren. Mukunda legde uit dat Swamiji er niet per se naartoe hoefde te gaan; anderen konden wel helpen. De jongen bleef Swamiji maar aanstaren alsof hij een ultimatum wilde stellen: als Swamiji niet onmiddellijk meekwam, zou er een rel uitbreken en dat zou dan Swamiji’s schuld zijn. Swamiji deed alsof hij bereid was te doen wat de jongen wilde: “Ja, ik kom eraan.” Maar niemand ging er heen en er brak ook geen rel uit.
Meestal was er tijdens de kīrtana minstens één danser die op een narcistische, egocentrische manier bezig was en soms zelfs wulps begon te doen, tot het zo ver ging dat Swamiji de persoon moest vragen op te houden. Op een avond, toen Swamiji nog boven was, begon een meisje in minirok zich tijdens de kīrtana in allerlei bochten te draaien en te wringen. Een van de toegewijden ging naar boven en vertelde het aan Swamiji. Hij antwoordde: “Dat is niet erg. Laat haar die energie maar voor Kṛṣṇa gebruiken. Ik kom zo naar beneden en zal dan zelf eens kijken wat er aan de hand is.” Toen Swamiji kwam en een kīrtana startte, begon het meisje, dat erg mager was, opnieuw te kronkelen en te draaien. Swamiji deed zijn ogen open en zag haar; hij fronste en keek even naar een paar van zijn leerlingen om zijn misnoegen te laten blijken. Een van de vrouwen nam het meisje apart en ging samen met haar naar buiten. Een paar minuten later was het meisje weer terug. Ze had nu een lange broek aan en danste niet meer zo uitbundig.
Swamiji zat op het podium en gaf een lezing voor een volle tempel, toen een dik meisje, dat op de vensterbank zat, plotseling opstond en naar hem begon te schreeuwen. “Blijf je daar zomaar zitten?” gilde ze. “Wat ga je nu doen? Kom op! Zeg je helemaal niets? Wat ga je doen? Wie ben je eigenlijk?” Haar uitval kwam zo onverwacht en haar woorden waren zo heftig dat niemand in de tempel reageerde. Swamiji bleef heel rustig zitten en werd niet boos. Hij leek gekwetst. Alleen de toegewijden die het dichtst bij hem zaten, hoorden hem zachtjes, alsof hij in zichzelf praatte, zeggen: “Dit is de diepste duisternis.”
Toen Swamiji op een andere avond een lezing aan het geven was, kwam er een jongen naar voren en ging naast hem op het podium zitten. De jongen keek naar het publiek en onderbrak Swamiji: “Nu zou ik wel eens iets willen zeggen.”
Swamiji zei beleefd: “Wacht tot de lezing afgelopen is. Dan kunnen er vragen gesteld worden.” De jongen wachtte een paar minuten, terwijl hij op de verhoging bleef zitten. Swamiji ging verder met de lezing. Maar weer onderbrak de jongen hem: “Ik moet iets zeggen. En ik wil nu zeggen wat ik te zeggen heb.” De toegewijden in het publiek keken verbaasd op. Ze dachten dat Swamiji de zaak wel zou regelen en wilden geen opschudding, veroorzaken. Niemand deed iets. Ze bleven gewoon zitten, terwijl de jongen onsamenhangend begon te praten. Toen pakte Swamiji zijn karatāla’s. “Goed, laten we nu een kīrtana houden.” De jongen bleef de hele kīrtana door op dezelfde plaats zitten en keek verdwaasd, soms zelfs dreigend naar Swamiji. Na een half uur stopte de kīrtana.
Zoals hij gewend was, sneed Swamiji een appel in stukjes. Toen legde hij het aardappelschilmesje en een stukje appel in zijn rechterhand en strekte zijn hand uit naar de jongen. De jongen keek naar Swamiji en toen naar het stukje appel en het mes. Het werd stil in de kamer. Swamiji zat onbeweeglijk en keek met een vage glimlach naar de jongen. Na een lang, gespannen ogenblik stak de jongen zijn hand uit. Een zucht van verlichting ging door het publiek toen de jongen het stukje appel uit Swamiji’s open hand nam.
Haridāsa: Ik keek altijd hoe Swamiji die dingen aanpakte. Het was niet zo gemakkelijk. In mijn ogen werden zijn vermogens en zijn begrip hier pas echt op de proef gesteld – hoe om te gaan met deze mensen zonder ze te vervreemden, tegen zich in het harnas te jagen of ze zo op te winden dat ze nog meer problemen zouden veroorzaken. Hij wist hun energie zo te richten dat ze voor ze het wisten gekalmeerd waren, net zoals iemand een baby zachtjes op zijn rugje klopt om hem te doen ophouden met huilen. Swamiji kon dat met zijn woorden, met de intonatie van zijn stem, met het geduld waarmee hij ze een tijdje liet doorgaan, ze het zelf liet oplossen of ze soms zelfs gewoon liet uitrazen. Ik denk dat hij besefte dat de toegewijden niet gewoon maar konden zeggen: “Luister eens, in de tempel is dat soort gedrag niet toegestaan.” Het was een delicate situatie.
Regelmatig kwam er wel iemand binnen die beweerde dat hij God was. Dat inzicht of die hallucinatie kwam dan van de drugs die ze namen. Ze wilden de schijnwerpers op hén gericht hebben. Ze wilden dat er naar hen geluisterd werd, en je kon voelen dat zulke mensen vanbinnen boos waren op de swami. Soms praatten ze een tijdje heel geïnspireerd en poëtisch, maar lang hielden ze dat nooit vol. Dan begonnen ze brabbeltaal uit te slaan. Maar de swami was niet iemand die koste wat het kost de lieve vrede zou bewaren. Hij was niet van plan ze naar hun mond te praten. Hij zei dan: “Wat bedoel je? Als jij God bent, moet je alwetend zijn. Je moet de eigenschappen van God hebben. Ben jij alwetend en almachtig?” En dan somde hij alle kenmerken op die iemand moet bezitten om een avatāra te zijn, om God te zijn. Hij bewees dan op een logische manier dat die persoon ongelijk had. Hij had hogere kennis en legde hun gewoon uit: “Als jij God bent, zou je dit moeten kunnen. Bezit je deze macht?”
Soms vatten mensen dat als een uitdaging op en probeerden ze een verbale strijd met de swami aan te gaan. De aandacht van het publiek richtte zich dan op het storende individu, degene die zichzelf in het middelpunt wilde plaatsen. Soms was het heel moeilijk. Ik zat daar dan en vroeg me af: “Hoe zal hij deze vent nu weer aanpakken? Deze is toch wel heel lastig.” Maar Swamiji was niet gemakkelijk te verslaan. Zelfs als hij de persoon in kwestie niet kon overtuigen, overtuigde hij de andere mensen in de groep, zodat de energie in de kamer veranderde en de persoon vanzelf kalmeerde. Swamiji won het publiek voor zich door hen te laten zien dat deze persoon niet wist waar hij het over had. En zo iemand voelde de vibraties van de kamer dan veranderen; hij voelde dat het publiek niet langer naar zijn relaas luisterde of erin geloofde en dan hield hij verder zijn mond.
Často nĕkdo prohlašoval: „Já jsem Bůh,“ protože tihle lidé mĕli vize nebo halucinace způsobené drogami. Chtĕli se stát středem pozornosti. Chtĕli, aby je nĕkdo poslouchal, anebo z nich človĕk cítil hnĕv, namířený proti Svámímu. Nĕkdy mluvili vznosnĕ a poeticky, ale po chvíli se jejich proslov zmĕnil v blábol. A Svámí nebyl z tĕch, kteří lidi jenom uklidňují. Nehodlal je rozmazlovat, nýbrž mířil přímo k jádru vĕci: „Co tím myslíš? Jestliže jsi Bůh, pak musíš být vševĕdoucí. Musíš mít Boží atributy. Jsi všudypřítomný, jsi všemocný?“ Vyjmenoval pak všechny vlastnosti, které by musel človĕk mít, aby byl avatár, aby byl Bůh. Logicky dokázal, že se dotyčný mýlí. Protože jeho znalosti byly na vyšší úrovni, dokázal to vysvĕtlit racionálnĕ: „Jestliže jsi Bůh, dokážeš to? Máš takovou moc?“
Swamiji nam dus de steun van het publiek weg, in plaats van de persoon zelf weg te sturen. Hij deed dit zonder iemand de mond te snoeren, met veel intelligentie en heel veel mededogen. Toen ik hem dit soort dingen zag doen, realiseerde ik me dat hij een groot leraar en een heel bijzonder mens was. Hij was zo fijngevoelig dat hij niemand fysiek of emotioneel kwetste, zodat wanneer die persoon ging zitten en zijn mond hield, hij zich niet vernederd of boos voelde. De swami was hem gewoon te slim af geweest.
“Om half zeven gaan we een wandeling maken”, zei Swamiji op een morgen. “Jullie mogen me naar het park rijden.”
Verschillende toegewijden gingen met hem mee naar Stone Lake in het Golden Gate Park. Ze kenden het park goed en namen Swamiji mee op een schilderachtige wandeling rond het meer, langs bospaden en over een brug over een kleine rivier. Ze hoopten dat de schoonheid van de natuur hem zou bevallen.
Alles waar Swamiji naar keek, zag hij door de ogen van de heilige teksten en zijn opmerkingen over de gewoonste dingen zaten vol met transcendentale aanwijzingen. Onder het lopen dacht hij hardop na. “Degenen die God willen zien, moeten eerst de kwaliteiten ontwikkelen die nodig zijn om God te kunnen zien. Ze moeten gezuiverd worden. Net zoals de zon nu bedekt wordt door die wolk. Ze zeggen: ‘Oh, de zon schijnt niet…’ maar de zon is er wel. Alleen zijn onze ogen bedekt.”
De jongens gingen de swami voor naar de meest pittoreske plaatsen. Ze kwamen zwanen tegen die over het meer gleden. “Het Śrīmad-Bhāgavatam” zei de swami, “vergelijkt toegewijden met zwanen en literatuur over Śrī Kṛṣṇa met prachtige, heldere meren.” De niet-toegewijden, zei hij, waren net als kraaien die zich aangetrokken voelden tot het afval van wereldse onderwerpen. Toen ze over een grindpad liepen, hield hij stil en trok hun aandacht: “Kijk eens naar al die kiezelstenen. Zoveel kiezelstenen als hier liggen, zoveel levende wezens zijn er.”
De toegewijden brachten Swamiji naar een vallei vol grote rododendronstruiken die overladen waren met roze en witte bloemen. Het deed hun veel plezier hun spiritueel leraar de mooiste plekjes van het park te tonen en ze voelden zich bevoorrecht dat ze Kṛṣṇa door de ogen van de swami mochten zien.
De volgende morgen, toen Swamiji weer naar het park wilde, gingen er meer toegewijden met hem mee; van de anderen hadden ze over Swamiji’s speciale stemming tijdens de wandeling gehoord. De jongens stonden klaar om hem langs nieuwe paden rond het meer te leiden. Maar zonder aan te kondigen dat de plannen veranderd waren, bleef hij het pad langs het meer op en neer lopen.
Swamiji hield stil onder een grote boom en wees naar wat vogelpoep op de grond. “Wat betekent dat?” vroeg hij. Hij wendde zich tot een nieuwe jongen die naast hem stond. Swamiji’s gezicht stond ernstig. De jongen bloosde. “Ik… uh… ik weet niet wat het betekent.” Swamiji bleef nadenkend staan en wachtte op een verklaring. De toegewijden kwamen om hem heen staan. De jongen keek aandachtig naar de vogelpoep. Hij dacht dat Swamiji misschien van hem verwachtte dat hij in het patroon van de vogelpoep een verborgen betekenis zou ontcijferen, net zoals sommige mensen de toekomst kunnen lezen uit theeblaadjes. Hij vond dat hij iets moest zeggen: “Het zijn de… uh… uitwerpselen, het is de ontlasting van… uh… vogels.” Swamiji glimlachte en wendde zich tot de anderen voor een antwoord. Iedereen zweeg.
“Het betekent”, zei Swamiji, “dat deze vogels meer dan twee weken in dezelfde boom hebben gewoond.” Hij lachte. “Zelfs vogels zijn gehecht aan hun huis.”
Toen ze langs de hofjes kwamen waar sjoelbakken stonden en oude mannen zaten te dammen, hield Swamiji stil en wendde zich tot de jongens. “Kijk,” zei hij, “de oude mensen in dit land weten niet wat ze moeten doen. Daarom zitten ze net als kinderen te spelen en verspillen ze hun laatste dagen die eigenlijk bedoeld zijn om hun Kṛṣṇa-bewustzijn te ontwikkelen. Hun kinderen zijn volwassen en het huis uit. Dit is daarom een geschikte tijd om zich toe te leggen op het spiritueel leven. Maar nee hoor, ze nemen een kat of een hond in huis en in plaats van God te dienen, dienen ze hun hond. Dit is heel droevig. Maar ze willen niet luisteren. Hun weg staat al vast. Daarom spreken we tot de jongeren die nog op zoek zijn.”
Toen Swamiji en de jongens voorbij een glooiend grasveld kwamen, legden de jongens uit dat dit de beroemde hippieheuvel was. In de vroege ochtend waren de zacht glooiende heuvel en de grote stille weide die omzoomd werd door eucalyptusbomen en eiken, stil en verlaten. Maar over een paar uur zouden hier honderden hippies samenkomen om in het gras te liggen luieren, vrienden te ontmoeten en high te worden. Swamiji zei dat de jongens hierheen moesten komen om kīrtana’s te houden.
Het chanten sloeg aan en trok veel meer mensen dan de eerste kīrtana’s in het Tompkins Square Park in New York. Soms kwam Swamiji zelf naar het park om samen met zijn leerlingen te chanten. Op een zondag kwam hij er plotseling aanlopen. Hij ging zitten en begon op de mṛdaṅga te spelen en met luide stem te zingen. De toegewijden waren verrast en in de wolken.
Swamiji stond in het middelpunt van de belangstelling. Zijn leeftijd alleen al en zijn kleding maakten dat hij in het oog sprong. De andere mensen in het park waren merendeels jongeren en gingen gekleed in spijkerbroeken of in allerlei hippiekledij. Swamiji was zeventig en heel apart in zijn saffraankleurige gewaden. En de manier waarop de toegewijden allemaal gejuicht hadden en voor hem hadden gebogen en nu zo liefdevol naar hem keken, maakte dat de toeschouwers hem nieuwsgierig en met respect opnamen. Zodra hij was gaan zitten, waren er een paar kleine kinderen om hem heen komen staan. Hij had naar hen geglimlacht en zijn vaardige mṛdaṅga-spel had hen geboeid en geamuseerd.
Govinda dāsī: Met Swamiji’s komst was er een meesterschap en een gezag over de kīrtana gekomen die er daarvoor niet was. We waren niet langer een stel jonge mensen uit San Francisco die Hare Kṛṣṇa stonden te chanten. Nu hadden we ineens historische diepgang en betekenis. Nu was de kīrtana geloofwaardiger geworden. Alleen al zijn aanwezigheid maakte het chanten tot iets ouds en historisch. Als Swamiji kwam, kwam de hele lijn van spiritueel leraren met hem mee.
Na een uur lang gechant te hebben, stopte Swamiji de kīrtana en sprak de menigte toe: “Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Dit is wat we zingen en we moeten begrijpen dat deze geluidsvibratie transcendentaal is. En omdat het een transcendentale vibratie is, spreekt dit iedereen aan, zonder dat we zelfs de taal van het geluid hoeven te begrijpen. Dat is de schoonheid ervan. Zelfs kinderen reageren erop…”
Toen Swamiji vijf minuten gesproken had, begon hij opnieuw met de kīrtana. Een paar jonge mensen pakten elkaar bij de hand, vormden een kring en begonnen voor Swamiji in de rondte te dansen. Toen omringden ze hem en dansten ze hand in hand om hem heen. Het scheen hem veel plezier te doen de kring mensen om zich heen te zien dansen en ze Hare Kṛṣṇa te horen chanten. Hoewel het enthousiasme van deze hippies vaak wild en zinnelijk was, werd de sfeer door het chanten van Hare Kṛṣṇa sereen. Het belangrijkste voor Swamiji was dat het chanten steeds door bleef gaan. Gekleed in zijn saffraankleurige kleren, die in het steeds flauwer wordend licht van de namiddagzon heel subtiel van kleur leken te veranderen, keek hij op een vriendelijke, vaderlijke manier toe. Hij legde geen enkele beperking op, maar nodigde iedereen gewoon uit Hare Kṛṣṇa te chanten.
Op een dag kwam Mālatī gehaast Swamiji’s appartement binnen. Ze pakte een klein voorwerp uit haar boodschappentas en zette het op Swamiji’s bureau, zodat hij het kon bekijken. “Wat is dit, Swamiji?”
Bhaktivedanta Swami boog zich voorover en zag een houten poppetje met een plat hoofd, een zwart, lachend gezicht en grote ronde ogen. Het figuurtje was ongeveer een vinger lang en had korte, dikke naar voren gestrekte armen en een eenvoudige, groen met geel gekleurde romp. De voeten waren niet te zien.
Onmiddellijk vouwde Swamiji zijn handen, boog zijn hoofd en betuigde het figuurtje eer.
“Je hebt Śrī Jagannātha, de Heer van het universum, meegebracht”, zei hij met een stralende glimlach. “Dit is Kṛṣṇa. Heel erg bedankt.” Swamiji straalde van plezier en Mālatī en de anderen waren verbaasd dat ze het geluk hadden Swamiji zo blij te zien. Swamiji legde uit dat dit Heer Jagannātha was, een Beeldgedaante van Kṛṣṇa die al duizenden jaren lang over heel India vereerd werd. Jagannātha, zei hij, wordt samen met twee andere Beeldgedaanten vereerd: namelijk met Zijn broer Balarāma en Zijn zuster Subhadrā.
Opgewonden bevestigde Mālatī dat er nog andere soortgelijke figuurtjes waren bij de importwinkel waar ze de kleine Jagannātha gevonden had. Swamiji zei dat ze terug moest gaan om die ook te kopen. Mālatī vertelde het aan haar man Śyāmasundara en samen haastten ze zich terug en kochten ze de andere twee figuurtjes.
Bhaktivedanta Swami plaatste de glimlachende Jagannātha met het zwarte gezicht rechts. In het midden plaatste hij de kleinste figuur, Subhadrā, die een rode, lachende mond had en een rechthoekige, zwart met geel gekleurde romp. De derde figuur, Balarāma, met een wit rond hoofd, rood omrande ogen en een blijde rode lach, had net als Jagannātha naar voren gestrekte armen en een blauw met geel gekleurd voetstuk. Swamiji zette Hem naast Subhadrā. Toen Swamiji alle drie de beeldjes zo op zijn bureau bekeek, vroeg hij of er iemand iets van beeldhouwen af wist. Śyāmasundara zei dat hij houtsnijder was, waarop Swamiji hem vroeg om drie één meter hoge beelden te snijden met deze kleine Jagannātha, Balarāma en Subhadrā als voorbeeld.
“Meer dan tweeduizend jaar geleden”, vertelde Bhaktivedanta Swami, “was er een koning die Indradyumna heette. Mahārāja Indradyumna was een toegewijde van Kṛṣṇa en hij wilde een beeld van de Heer hebben zoals Hij verschenen was toen Hij samen met Zijn broer en Zijn zuster tijdens een zonsverduistering op strijdwagens naar het heilige veld van Kurukṣetra getrokken was. Toen de koning een beroemd kunstenaar van de hemelse planeten, Viśvakarmā, verzocht de beelden te maken, stemde Viśvakarmā erin toe, op voorwaarde dat niemand hem bij zijn werk zou storen. De koning wachtte lange tijd, terwijl Viśvakarmā achter gesloten deuren werkte. Maar op een dag kon de koning het wachten niet langer uithouden en brak hij de deur open om te zien hoe het werk vorderde. Viśvakarmā, die zijn woord nakwam, verdween en liet de onafgemaakte vormen van de drie Beeldgedaanten achter. Niettemin was de koning zo ingenomen met de prachtige vormen van Kṛṣṇa, Balarāma en Subhadrā, dat hij besloot Ze te vereren zoals Ze waren. Hij plaatste de beelden op het altaar in een tempel en begon Ze met veel pracht en praal te vereren.”
“Sinds die tijd”, vervolgde Bhaktivedanta Swami, “werd Heer Jagannātha door heel India vereerd, vooral in de provincie Orissa, waar in de stad Purī een grote tempel van Heer Jagannātha staat. Elk jaar komen er tijdens het reusachtige Ratha-yātrā-festival miljoenen pelgrims uit heel India naar Purī om Heer Jagannātha, Balarāma en Subhadrā te zien, wanneer Ze op drie enorme wagens in een optocht worden voortgetrokken. Heer Caitanya, die de laatste achttien jaar van zijn leven in Jagannātha Purī doorbracht, danste en chantte elk jaar tijdens het Ratha-yātrā-festival in extase voor de Beeldgedaante van Heer Jagannātha.”
Swamiji zag de verschijning van Heer Jagannātha in San Francisco als de wil van Kṛṣṇa. Hij zei dat de toegewijden zich moesten voorbereiden om Heer Jagannātha op gepaste wijze te ontvangen en te vereren. Als Śyāmasundara erin zou slagen de beelden te snijden, zou hij ze persoonlijk op het altaar in de tempel plaatsen. De toegewijden zouden dan kunnen beginnen de Beeldgedaanten te vereren. San Francisco, stelde hij voor, kon voortaan Nieuw Jagannātha Purī heten. Hij chantte: jagannātha-svāmī nayana-patha-gāmī bhavatu me. “Dit is een mantra voor Heer Jagannātha”, legde hij uit. “Jagannātha betekent ‘Heer van het universum.’ O Heer van het universum, wees zo vriendelijk om aan mij te verschijnen. Het is een heel gunstig teken dat Hij besloten heeft hier te verschijnen.”
Śyāmasundara kocht drie grote blokken loofhout. Swamiji maakte een schets en wees op een aantal details. Met behulp van de kleine beeldjes berekende Śyāmasundara de nieuwe afmetingen. Daarna begon hij op het balkon van zijn appartement met het houtsnijwerk. Intussen kochten de toegewijden alle overgebleven Jagannātha-beeldjes bij de importwinkel. Het werd mode om een Jagannātha, aan een eenvoudige ketting vastgelijmd, om je nek te dragen. Omdat Heer Jagannātha heel mild en genadig was voor de meest gevallenen, legde Swamiji uit, zouden de toegewijden spoedig in staat zijn Hem in hun tempel te vereren. Het vereren van de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa vereiste heel hoge, strikte normen waaraan de toegewijden nu nog niet konden voldoen. Maar Heer Jagannātha was zo genadig, dat Hij op een eenvoudige manier vereerd kon worden (vooral door Hare Kṛṣṇa te chanten), zelfs als de toegewijden nog niet zo ver gevorderd waren. Naarmate de toegewijden meer vooruitgang maakten in hun spiritueel leven, zou Swamiji hen geleidelijk aan steeds meer van de gedetailleerde praktijken leren om de Beeldgedaanten te vereren en bovendien zou hij hen bekend maken met de theologische achtergrond waarop ze waren gebaseerd.
De avond dat de beelden op het altaar geplaatst zouden worden, zat de kamer stampvol met toegewijden en hippies. Er heerste een eerbiedige en feestelijke stemming. Het was een bijzondere gebeurtenis. De zojuist voltooide Beeldgedaanten stonden op een roodhouten plank onder een geel baldakijn. Hun door spots fel verlichte gezichten trokken ieders aandacht. Ze droegen geen kleren of sieraden, maar ze waren schitterend zwart, rood, wit, groen, geel en blauw geschilderd. Ze lachten. Swamiji keek op naar hun hoge altaar.
Toen begon Swamiji met Hun plaatsing op het altaar. Alles wat voor het spiritueel leven nodig was, was er nu: een tempel, toegewijden, boeken, Beeldgedaanten en prasādam. Hij wilde dat deze jonge mensen er hun voordeel mee zouden doen. Waarom zouden ze als dieren blijven leven en over spiritueel leven blijven denken als een vaag zoeken naar “iets”? Ze konden beter gebruik maken van Kṛṣṇa’s genade en op die manier succes en geluk vinden. En hiertoe was Swamiji hun onvermoeibare dienaar.
Swamiji: ''Hayagrīva? Kom eens hier.''
Deze moet aangestoken worden,” zei Swamiji, “en als de kīrtana begint, moet je voor de Beeldgedaante gaan staan en zó doen.” (Swamiji bewoog zijn handen in een cirkel voor de Beeldgedaante.) “Zie je?''
Hayagrīva: ''Ja, ja.''
Swamiji: ''Dit doe je tijdens de kīrtana. En als je moe bent, kan je het door een andere toegewijde laten overnemen. En als die moe is, moet hij het weer aan een ander doorgeven – net zolang als de kīrtana duurt. Je kunt nu meteen beginnen. Snap je het? Goed. Jij begint, en als je moe bent geef je het door aan een ander.''
Swamiji gaf Hayagrīva vanaf zijn zitplaats aanwijzingen en wenkte hem hoe hij met de brandende kaars naar de Beeldgedaante toe moest gaan. Een paar meisjes giechelden van de spanning. “Ga recht voor de Beeldgedaante staan”, zei Swamiji. “Goed. Begin nu maar met de kīrtana.”
Swamiji begon karatāla’s te spelen en de Hare Kṛṣṇa-mantra te zingen op de bekende melodie die hij in Amerika geïntroduceerd had. “Recht ervoor”, riep hij en gebaarde naar Hayagrīva dat hij rechter voor de Beeldgedaanten moest gaan staan. De toegewijden en de bezoekers gingen staan en begonnen met hun armen omhoog te dansen, terwijl ze hun lichamen ritmisch heen en weer bewogen, hun blik gericht op de stralende, persoonlijke vormen van de Beeldgedaanten. Er begonnen gekleurde lampen die in het baldakijn waren aangebracht, te flitsen waardoor er afwisselend blauw, rood en geel licht op de buitengewone ogen van Heer Jagannātha, Subhadrā en Balarāma viel. Mukunda, die voor het licht gezorgd had, lachte en keek naar Swamiji om te zien of die het goedkeurde. Swamiji knikte en ging door energiek Hare Kṛṣṇa te zingen.
Zoals gewoonlijk duurde de kīrtana ongeveer een uur. De jonge hippies waren enthousiast aan het zingen en het dansen. Sommigen hadden Swamiji begrepen, toen hij had gesproken over het richten van de geest op de persoonlijke vorm van de Allerhoogste Heer en toen omhoog had gekeken naar de Beeldgedaanten en had gezegd: “Hier is Kṛṣṇa.” Anderen hadden dat niet begrepen, maar vonden het gewoon fantastisch en zalig om Hare Kṛṣṇa te zingen en naar de breed lachende, grootogige Beeldgedaanten te kijken, die tussen de bloemen en de omhoog kringelende wierook op het altaar stonden.
Bhaktivedanta Swami keek met genoegen toe hoe de één na de ander naar voren kwam om de kaars voor Heer Jagannātha te offeren. Dit was een eenvoudige methode om de Beeldgedaante op het altaar te plaatsen. In de grote tempels in India werd de Beeldgedaante met ingewikkelde en nauwkeurige rituelen op het altaar geplaatst waar duurbetaalde priesters een aantal dagen lang ononderbroken mee bezig waren. Maar in San Francisco waren geen gekwalificeerde brāhmaṇa-priesters te vinden en het zou ook onmogelijk zijn om aan de vele andere eisen te voldoen.
De kastebewuste brāhmaṇa’s in India zouden het zeker als ketterij beschouwen, als niet-hindoes Heer Jagannātha zouden aanraken en Zijn erediensten zouden verzorgen. Behalve Swamiji zou het niemand van de aanwezigen zelfs maar toegestaan zijn de tempel in Jagannātha Purī te betreden. De blanke mens, de niet-Indiër, mocht Heer Jagannātha maar één keer in het jaar zien: wanneer Hij tijdens het Ratha-yātrā-festival op Zijn wagen in de optocht reed. Maar deze beperkingen waren sociale gebruiken en geen schriftelijke verboden. Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī had ingevoerd dat iedereen de Beeldgedaante kon vereren en geïnitieerd kon worden, ongeacht kaste, ras of nationaliteit. En Bhaktivinoda Ṭhākura, de vader van Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī, had naar de dag verlangd dat de westerlingen samen met hun Indiase broeders Hare Kṛṣṇa zouden chanten.
Bhaktivedanta Swami was hier gekomen, om de verlangens van zijn spiritueel leraar en het visioen van Bhaktivinoda Ṭhākura in vervulling te doen gaan. Als de westerlingen nu echte vaiṣṇava’s moesten worden, moesten ze ook de Beeldgedaante kunnen vereren. Anders zou het moeilijk voor hen zijn om gezuiverd te worden. Bhaktivedanta Swami vertrouwde op de leiding van zijn spiritueel leraar en op de heilige teksten. Hij was ervan overtuigd dat Heer Jagannātha vooral de gevallenen genadig was. Hij bad dat de Heer van het universum niet beledigd zou zijn door de manier waarop Hij in Nieuw Jagannātha Purī was ontvangen.
Toen de kīrtana afgelopen was, vroeg Swamiji Haridāsa hem de kaars te brengen. Swamiji liet zijn handen over de vlam gaan en raakte toen zijn voorhoofd aan. “Ja,” zei hij, “laat het iedereen zien. Niemand uitgezonderd. Laat ze geven wat ze kunnen missen. Hier, hou de kaars zo vast en laat het iedereen zien.” Hij liet Haridāsa iedereen in de kamer de kaars voorhouden, zodat alle aanwezigen met hun handen de vlam en daarna hun voorhoofd konden aanraken, zoals hij hen dat had voorgedaan. Terwijl Haridāsa van de één naar de ander ging, lieten een paar toegewijden wat geld op de schotel vallen. Anderen volgden hun voorbeeld.
Swamiji ging verder met zijn uitleg: “Het Bhāgavatam heeft ons aanbevolen te luisteren, te chanten, te mediteren en te vereren. Met het ritueel dat we zojuist bij de komst van Jagannātha Swami voltrokken hebben, is dit nu echt een tempel geworden. Zo gaat een eredienst dus in zijn werk; ārati wordt dit genoemd. Deze ārati zal aan het eind van de kīrtana plaatsvinden. En daarna nemen we de warmte van de vlam en geven we een kleine bijdrage voor de eredienst. Door deze eenvoudige methode te volgen, kunnen we ons bewustworden van de Absolute Waarheid.
“Ik wil alle toegewijden nog om iets verzoeken: neem elke keer als je naar de tempel komt, een stuk fruit en een bloem mee. Als je meer fruit of bloemen mee kunt brengen, is dat heel goed. Maar als je dat niet kunt, is het toch niet zo duur om een stuk fruit en een bloem mee te brengen. En dan offer je die aan de Beeldgedaante. Ik verzoek jullie dus om, als jullie naar de tempel komen, iets mee te brengen. Het geeft niet wat voor fruit het is. Het hoeft niet duur te zijn. Alle vruchten zijn goed. Wat je je maar kunt veroorloven – een vrucht en een bloem.”
Hij pauzeerde even en keek de kamer rond: “Jullie kunnen nu prasādam serveren.”
De bezoekers zaten in rijen op de vloer en de toegewijden begonnen prasādam te serveren. Ze boden Swamiji het eerste bord aan. Ze hadden de gerechten klaargemaakt die Swamiji hun persoonlijk in zijn keuken had leren bereiden: samosā’s, halavā, purī’s, rijst, verschillende soorten groente, vruchtenchutney, zoetigheid – kortom alle zondagsspecialiteiten. De bezoekers waren dol op de prasādam en aten zoveel ze maar konden. Terwijl de toegewijden – vooral de vakkundige vrouwen – steeds de borden bijvulden, genoten de gasten van de heerlijke maaltijd en de gezellige sfeer. Nadat Swamiji alle gerechten had geproefd, keek hij met opgetrokken wenkbrauwen op en zei: “Erg lekker! Alle eer aan de koks!”
door de aanwezigheid van heer jagannātha werd de tempel steeds fraaier. De toegewijden maakten dagelijks bloemenkransen voor Hem. Jadurānī’s schilderijen van Heer Viṣṇu kwamen aan uit New York en Govinda Dāsī had een groot portret van Swamiji geschilderd, dat nu naast zijn zitplaats hing. Ook hingen de toegewijden Indiase prenten van Kṛṣṇa aan de muur. De knipperende spots maakten dat Heer Jagannātha’s ogen leken te trillen en dat de kleuren op Zijn lichaam leken te bewegen en te springen. Hij werd dan ook een speciale attractie in het psychedelische Haight-Ashbury.
Zoals Swamiji had verzocht, begonnen de toegewijden en de gasten offerandes mee te brengen naar het altaar van Heer Jagannātha. Sommige hippies lieten alles wat ze konden missen achter: een tarweaar, een half brood, een doos zoutjes, een toffee, maar ook kaarsen, bloemen en fruit. Toen ze hoorden dat je, voordat je iets voor jezelf ging gebruiken, het eerst aan God moest offeren, brachten sommige hippies hun nieuwe kleren mee om deze met een gebed aan Heer Jagannātha te offeren. Deze hippies volgden Heer Jagannātha’s instructies weliswaar niet op, maar ze wilden Zijn zegen.
De toegewijden voerden elke avond de ārati-ceremonie precies uit zoals ze het van Swamiji hadden geleerd en offerden Heer Jagannātha om de beurt een kaars. Toen de toegewijden vroegen of ze nog iets aan de ceremonie mochten toevoegen, zei Swamiji dat ze ook wierook konden offeren. Hij zei dat de verering van de Beeldgedaante nog veel meer details kende, genoeg om de toegewijden vierentwintig uur per dag bezig te houden, maar dat ze flauw zouden vallen als hij hun alles ineens zou vertellen.
Tijdens een vertrouwelijk gesprek met een van zijn leerlingen op zijn kamer zei Swamiji, dat hij er tijdens de kīrtana in de tempel vaak aan dacht hoe Heer Caitanya voor Heer Jagannātha had gedanst. Hij vertelde hoe Heer Caitanya naar Purī was gegaan en in zo’n extase voor Heer Jagannātha had gedanst, dat Hij niet in staat was geweest meer uit te brengen dan “Jag-Jag.” Heer Caitanya had bij Zichzelf gedacht: “Kṛṣṇa, ik heb Je al zo lang willen zien. En nu zie ik Je dan eindelijk.”
Toen Heer Caitanya in Purī woonde, kwamen er vaak wel vijfhonderd mensen hem bezoeken en elke avond was er dan een enorme kīrtana met vier groepen, elk met vier mṛdaṅga-spelers en acht karatāla-spelers. “Eén groep aan deze kant, één groep aan die kant”, legde Swamiji uit. “Eén groep achteraan en één groep vooraan. En Caitanya Mahāprabhu in het midden. Iedereen danste en chantte, ‘Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa…’ Zo ging het iedere avond zolang Hij in Jagannātha Purī was.”
Toen Heer Caitanya in Purī woonde, kwamen er vaak wel vijfhonderd mensen hem bezoeken en elke avond was er dan een enorme kīrtana met vier groepen, elk met vier mṛdaṅga-spelers en acht karatāla-spelers. “Eén groep aan deze kant, één groep aan die kant”, legde Swamiji uit. “Eén groep achteraan en één groep vooraan. En Caitanya Mahāprabhu in het midden. Iedereen danste en chantte, ‘Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa…’ Zo ging het iedere avond zolang Hij in Jagannātha Purī was.”
De toegewijden begrepen dat er tussen hen en Swamiji een groot verschil was. Hij was nooit een hippie geweest. Hij hoorde niet thuis te midden van de lsd-begoocheling, de psychedelische posters, de rock-musici, het hippiejargon en de straatbewoners van Haight-Ashbury. Ze wisten dat hij anders was, hoewel ze dat soms wel vergaten. Hij bracht elke dag zoveel tijd met hen door – hij at met hen, maakte grapjes met hen en rekende op hen. Maar soms werden ze eraan herinnerd dat hij anders was. Wanneer ze met hem in de tempel voor Heer Jagannātha aan het chanten waren, dacht hij – anders dan zij – aan de kīrtana’s van Heer Caitanya voor Heer Jagannātha in Purī. Toen Heer Caitanya Jagannātha zag, had Hij Kṛṣṇa gezien en Zijn liefde voor Kṛṣṇa was zo groot geweest dat Hij er gek van geworden was. Swamiji’s gedachten over deze dingen waren heel wat dieper dan zijn leerlingen in de verste verte konden beseffen – en toch bleef hij bij hen als hun dierbare vriend en spiritueel leider. Hij was hun dienaar, die hen leerde bidden zoals hij dat zelf deed: “O Heer van het universum, wees zo vriendelijk aan mij te verschijnen.”
Met zijn bovenkleed los om zijn schouders geslagen, stond Swamiji een ogenblik bij de open deur van de auto en keek nog eens om naar de toegewijden en de in een tempel veranderde winkel. Het was niet langer zomaar een winkelruimte, maar het was iets waardigs geworden: Nieuw Jagannātha Purī. Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī had hem gevraagd hier te komen. Zouden zijn godsbroeders zich kunnen voorstellen hoe krankzinnig deze Amerikaanse hippies waren? Ze hallucineerden van de drugs en schreeuwden dat ze God waren. Zoveel jongens en meisjes die ongelukkig en gek waren ondanks hun welstand en hun opvoeding. Maar nu vonden er een aantal, met behulp van het Kṛṣṇa-bewustzijn, de weg naar het geluk.
De dag dat hij was aangekomen, had een verslaggever hem gevraagd waarom hij naar Haight-Ashbury was gekomen “Omdat de huur er laag is”, had hij geantwoord. Hij wilde de beweging van Heer Caitanya verspreiden. Waarom zou hij anders in zo’n uitgewoond winkeltje getrokken zijn naast een Chinese wasserij en de Diggers Free Store? De verslaggevers hadden hem gevraagd of hij de hippies en de zwervers ook uitnodigde om Kṛṣṇa-bewust te worden. “Jawel,” had hij gezegd, “iedereen.” Maar hij had geweten dat als mensen zich eenmaal bij hem aangesloten, ze zouden veranderen.
De toegewijden vormden nu een familie. Als ze zijn instructies zouden volgen, zouden ze sterk blijven. Als ze oprecht waren, zou Kṛṣṇa hen helpen. Heer Jagannātha was aanwezig en de toegewijden moesten Hem trouw vereren. Ze zouden gezuiverd worden door Hare Kṛṣṇa te chanten en de opdrachten van hun spiritueel leraar uit te voeren.
Swamiji stapte in de auto. Enkele van zijn leerlingen reden met hem mee naar het vliegveld, de rest van de toegewijden volgde in een paar auto’s.
Op het vliegveld huilden de toegewijden. Maar Swamiji verzekerde hen dat hij terug zou komen als ze een Ratha-yātrā-festival zouden houden. “Jullie moeten een optocht door de hoofdstraat organiseren”, zei hij. “Maak er iets moois van, zodat er veel mensen komen kijken. In Jagannātha Purī wordt er ieder jaar zo’n optocht gehouden. Dan mag de Beeldgedaante de tempel verlaten.”
Hij wist dat hij terug zou moeten komen om te zorgen voor de tere plantjes van devotie die hij in hun hart geplant had. Hoe kon hij anders verwachten dat deze nieuw-bekeerden het zouden overleven in deze oceaan van materiële verlangens die Haight-Ashbury heette? Hij beloofde hen herhaaldelijk dat hij zou terugkomen. Hij drukte hen op het hart goed samen te werken – Mukunda, Śyāmasundara, Guru Dāsa, Jayānanda, Subala, Gaurasundara, Hayagrīva, Haridāsa en de meisjes.
Het was pas twee en een halve maand geleden dat hij hier op dit vliegveld aangekomen was en verwelkomd was door een menigte chantende jonge mensen. Velen daarvan waren nu zijn leerlingen, hoewel ze zich nog maar nauwelijks bewust waren van hun spirituele identiteit en zich met moeite aan hun geloften konden houden. Toch voelde hij geen wroeging bij de gedachte dat hij hen ging verlaten. Hij wist dat sommigen van hen misschien zouden wegvallen, maar hij kon immers niet altijd bij hen blijven. Zijn tijd was beperkt.
Bhaktivedanta Swami, de vader van twee kleine groepjes nieuwelingen, verliet de ene groep en zette koers naar het oosten, waar de andere groep in een vreugdevolle stemming op hem wachtte.
New York, mei 1967
Niemand had voorzien dat Swamiji’s gezondheid het zou begeven. En als er al waarschuwingen waren geweest, dan had niemand er acht op geslagen. Toen hij zijn toegewijden in San Francisco verliet om zich bij zijn toegewijden in New York te voegen, had niemand doorgegeven dat Swamiji het kalmer aan moest gaan doen. Na een vliegreis van vijf en een half uur zei hij dat zijn oren verstopt waren, maar verder leek hij wel in orde. Hij rustte niet, maar ging meteen na de feestelijke ontvangst op het vliegveld door naar de winkel aan 26 Second Avenue om er drie uur lang een lezing te geven en te chanten. Zijn leerlingen in New York vonden hem stralend en beminnelijk en door zijn aanwezigheid, zijn blikken en zijn woorden, nam hun Kṛṣṇa-bewustzijn toe. Voor hen was zijn gevorderde leeftijd – hij was nu bijna tweeënzeventig – niets anders dan een van zijn vele transcendentale kanten. Hij was hun kracht, maar ze dachten er nooit aan eens met zijn kracht rekening te houden.
Er waren wel tekenen dat hij voorzichtig moest zijn met zijn gezondheid. Hij had problemen gehad tijdens de opnamen voor een tv-show. Op de terugweg naar de tempel had Swamiji gezegd dat de tv-lampen hem zoveel pijn in zijn hoofd hadden bezorgd dat hij op een gegeven moment getwijfeld had of hij wel in staat zou zijn door te gaan.
Toen merkte Rūpanuga, die tijdens een van de lezingen dicht bij hem zat, op een dag dat Swamiji’s hand beefde tijdens het spreken. En Kīrtanānanda was er enige maanden geleden bij geweest toen, de ochtend nadat ze een plaat gemaakt hadden, Swamiji lang was blijven slapen en geklaagd had dat zijn hart oversloeg en dat hij zich niet kon bewegen. “Als ik ooit ernstig ziek word,” had hij tegen Kīrtanānanda gezegd, “haal er dan geen arts bij. Breng me niet naar het ziekenhuis. Geef me alleen mijn gebedskralen en chant Hare Kṛṣṇa.”
Svámídžího žáci si netroufali svého učitele omezovat, zkusil to pouze jednou Kírtanánanda. V Avalonském sále, když Svámídží tančil a skákal, až se z nĕho pot jen lil, trval Kírtanánanda na tom, aby kírtan ukončili. Ale ostatní ho odbyli s tím, že je paranoidní.
Swamiji’s leerlingen voelden er weinig voor hem in te tomen. Kīrtanānanda had het een keer geprobeerd. Toen Swamiji in de Avalon had gedanst en gesprongen en het zweet in straaltjes van hem af was gelopen, had Kīrtanānanda erop gestaan dat de kīrtana ophield. Maar de anderen hadden hem paranoïde genoemd.
Bovendien hield Swamiji er niet van beperkt te worden. En wie waren zij om hem te beteugelen? Hij was de gevolmachtigde vertegenwoordiger van Kṛṣṇa die in staat was alle moeilijkheden te overwinnen. Hij was een zuivere toegewijde. Hij kon alles. Had hij niet vaak beschreven dat een zuivere toegewijde boven materiële pijn staat?
Swamiji had de zieke grootmoeder van een van zijn leerlingen een brief geschreven om haar te troosten. Maar de toegewijden meenden dat, hoewel Swamiji iemands oude grootmoeder misschien goede raad kon geven, hem zoiets nooit zou overkomen. Natuurlijk noemde hij zichzelf een oude man, maar dat was meestal in lezingen, om aan te tonen dat ouderdom onvermijdelijk is.
De toegewijden hadden het idee dat Swamiji’s gezondheid goed was. Zijn ogen straalden door de spirituele emoties die hij onderging, zijn huidskleur was gelijkmatig en goudkleurig en als hij lachte, straalde de gezondheid en het welzijn van hem af. Swamiji nam vaak een koude douche, maakte ’s morgens vroeg wandelingen in de buurt van de Lower East Side, speelde mṛdaṅga en at goed. Zelfs als zijn leerlingen hem hadden willen afremmen, hadden ze niet geweten hoe.
Maar in de laatste week van mei begon Swamiji zich uitgeput te voelen. Hij had het over hartkloppingen. In de hoop dat de symptomen binnen een paar dagen zouden verdwijnen, stelde Kīrtanānanda hem voor rust te nemen en geen bezoekers te ontvangen. Maar zijn toestand verergerde.
Maar in de laatste week van mei begon Swamiji zich uitgeput te voelen. Hij had het over hartkloppingen. In de hoop dat de symptomen binnen een paar dagen zouden verdwijnen, stelde Kīrtanānanda hem voor rust te nemen en geen bezoekers te ontvangen. Maar zijn toestand verergerde.
Kīrtanānanda: Swamiji begon erover te klagen dat zijn linkerarm niet goed functioneerde. En toen begon hij zenuwtrekkingen te krijgen in de linkerkant van zijn lichaam, vooral in zijn linkerarm. Hij leek op een mysterieuze manier, inwendig of psychologisch, pijn te lijden.
Acyutānanda: Het was op een zondag, twee dagen voor Memorial Day. We hadden in een zaal ergens in de stad een uitgebreid programma georganiseerd. Ik ging naar boven om Swamiji te halen, want alle toegewijden waren klaar om te vertrekken. Ik trof Swamiji liggend aan. Zijn gezicht was bleek. Hij zei: “Voel mijn hart eens.” En ik voelde zijn hart onregelmatig kloppen.
Sešel jsem dolů, ale nechtĕl jsem všechny vydĕsit a vyvolávat paniku. Zašel jsem za Kírtanánandou a tiše jsem mu řekl: „Svámímu nĕjak divnĕ buší srdce.“ A okamžitĕ jsme oba letĕli nahoru. Svámídží řekl: „Stačí, když mĕ budete masírovat.“ Ukázal mi, jak to mám dĕlat, a já jsem mu masíroval hrudník. Pak řekl: „Ostatní mohou odejít a Ačjutánanda ať tady zůstane. Kdyby se nĕco dĕlo, může vás zavolat.“
Ik ging naar beneden, maar wilde niet iedereen alarmeren en in paniek brengen. Ik ging naar Kīrtanānanda en zei zachtjes: “De swami heeft, geloof ik, lichte hartkloppingen.” Onmiddellijk vlogen we samen weer terug naar boven. Swamiji zei: “Masseer me hier wat.” Ik wreef dus over zijn borst en hij liet me zien hoe ik moest masseren. Hij zei: “Laat de anderen maar gaan. Acyutānanda kan hier blijven. Als er iets gebeurt, kan hij jullie wel roepen.”
De anderen gingen dus weg om dat programma te doen en ik wachtte. Hij riep me een of tweemaal binnen. Dan moest ik snel over zijn borst wrijven. Daarna sloeg hij zijn ogen op en kwam er weer wat kleur op zijn gezicht. Ik staarde hem met open mond aan en vroeg me af wat ik moest doen. Hij keek op naar mij en zei: “Waarom zit je daar niets te doen? Chant Hare Kṛṣṇa.” ’s Avonds kreeg hij opnieuw hartkloppingen, dus ging ik in de kamer naast de zijne slapen. En laat in de nacht riep hij me weer binnen om hem te masseren.
De anderen gingen dus weg om dat programma te doen en ik wachtte. Hij riep me een of tweemaal binnen. Dan moest ik snel over zijn borst wrijven. Daarna sloeg hij zijn ogen op en kwam er weer wat kleur op zijn gezicht. Ik staarde hem met open mond aan en vroeg me af wat ik moest doen. Hij keek op naar mij en zei: “Waarom zit je daar niets te doen? Chant Hare Kṛṣṇa.” ’s Avonds kreeg hij opnieuw hartkloppingen, dus ging ik in de kamer naast de zijne slapen. En laat in de nacht riep hij me weer binnen om hem te masseren.
Kīrtanānanda: Het was dinsdagmiddag, Memorial Day, en ik zat bij Swamiji op zijn kamer. Er was beneden een kīrtana bezig toen de zenuwtrekkingen opnieuw begonnen. Het gezicht van de swami verstrakte. Zijn ogen begonnen te rollen. Toen wierp hij zich ineens naar achteren. Ik ving hem in mijn armen op. “Hare Kṛṣṇa”, hijgde hij. En toen hield alles op. Ik dacht dat hij zijn laatste adem uitgeblazen had, maar hij begon weer te ademen en te chanten. Maar hij kreeg de controle over zijn lichaam niet terug.
Brahmānanda: Ik was er ook bij. We konden maar niet begrijpen wat er met Swamiji aan de hand was. Hij kon niet rechtop zitten, hij kreunde en niemand wist wat er gaande was. Wij – Kīrtanānanda en ikzelf – verzorgden hem en probeerden van alles en nog wat. Ik moest een steun voor hem gaan kopen.
De linkerkant van Swamiji’s lichaam was verlamd. Hij vroeg of ze op de muur voor hem een foto van zijn spiritueel leraar wilden ophangen. Toen de toegewijden in de voorkamer van zijn bovenwoning kwamen, vroeg Swamiji hun Hare Kṛṣṇa te chanten. Daarna verzocht hij ze te bidden tot Kṛṣṇa, in Zijn vorm van Nṛsiṁhadeva.
Satsvarūpa: Swamiji zei dat we het volgende gebed tot Heer Nṛsiṁha moesten richten: “Mijn meester heeft zijn werk nog niet voltooid.” We mochten om beurten bij hem komen en verschillende delen van zijn lichaam masseren. Toen stuurde hij ons naar beneden om de hele avond door kīrtana te houden.
V průbĕhu noci Svámídžího bolelo srdce a další den zůstával jeho stav i nadále kritický. Mluvil jen slabým hlasem a byl příliš vyčerpaný na to, aby vedl nĕjaké rozhovory. K lékařům nemĕl žádnou důvĕru a diagnózu si stanovil sám: srdeční záchvat zasáhl část jeho mozku, a následkem toho mu ochrnula levá strana tĕla. Řekl, že se to dá léčit masážemi.
Brahmānanda: De volgende dag moesten we een ambulance laten komen. Het ziekenhuis Beth Israël had geen ambulance beschikbaar, dus belde ik een privé-ambulance. We hadden al met het ziekenhuis geregeld dat Swamiji die ochtend om negen uur zou komen. Maar de ambulance kwam pas tegen de middag. Swamiji was de hele tijd aan het kreunen. Toen de ambulance eindelijk kwam, bleken het afschuwelijke kerels te zijn. Ze behandelden Swamiji alsof hij een zak met kleren was. Achteraf dacht ik dat het beter zou zijn geweest als we hem met een taxi hadden gebracht.
In Beth Israël namen de artsen, of vaker nog hun assistenten, Swamiji bloed af, gaven hem injecties en onderzochten hem. Hun diagnose stond nog niet vast; ze wilden nog wat meer proeven doen. Toen kwam er plotseling een arts naar binnen die aankondigde dat ze van plan waren een ruggenmergpunctie te doen. Swamiji was te zwak om de voor- en nadelen van een ruggenmergpunctie te kunnen bespreken. Hij had zichzelf aan de zorg van zijn leerlingen en van Kṛṣṇa toevertrouwd.
De arts wilde niet belemmerd worden. Hij legde uit waarom een ruggenmergpunctie noodzakelijk was, maar hij vroeg niet wat wij ervan vonden, of wij ermee instemden. Iedereen – behalve Kīrtanānanda, die erop stond te blijven – moest de kamer verlaten toen de dokter een punctie van het ruggenmerg deed. Noch Swamiji, die er te zwak voor was, noch zijn jongens, die niet precies wisten hoe ze namens hem moesten handelen, verzetten zich tegen de arts. De toegewijden liepen achter elkaar Swamiji’s kamer uit, terwijl de arts de grootste, verschrikkelijkste injectienaald klaarmaakte die ze ooit hadden gezien.
Toen ze weer binnen mochten komen, vroeg een leerling voorzichtig: “Deed het pijn?” Swamiji, wiens goudkleurige lichaam in witte ziekenhuiskleren gehuld tussen de witte lakens lag, ging een beetje verliggen en zei: “We zijn tolerant.”
Rūpanuga: In het begin was het heel moeilijk voor me toen Swamiji in het ziekenhuis lag. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik had niet zo veel ervaring met dit soort noodtoestanden. Ik wist niet hoe ik Swamiji van dienst kon zijn. Het was een angstaanjagende ervaring.
Swamiji’s leven stond op het spel en zijn leerlingen wisten niet wat ze moesten doen om hem te redden. Hij lag in bed alsof hij aan hun genade was overgeleverd, maar het ziekenhuispersoneel beschouwde hem als hun eigendom – een oude man met hartklachten, iemand om te onderzoeken. Moesten ze een eeg toestaan? Wat was een eeg eigenlijk? Zou hij geopereerd moeten worden? Een operatie! Swamiji had gezegd dat ze hem niet eens naar het ziekenhuis mochten brengen. Alles wat hij gezegd had, was: “Geef me massage” en “Chant Hare Kṛṣṇa.”
Op 5 juni ontving Swamiji een hartelijke brief uit San Francisco die door al zijn leerlingen daar ondertekend was. Nadat hij gelezen had dat ze de hele nacht hadden gechant en voor zijn herstel gebeden hadden, dicteerde hij een kort antwoord.
Beste jongens en meisjes,
Ik ben jullie heel erg dankbaar dat jullie tot Kṛṣṇa voor mijn leven hebben gebeden. Dankzij jullie oprecht en intens gebed heeft Kṛṣṇa mij in leven gehouden. Ik zou dinsdag zeker gestorven zijn, maar omdat jullie zo oprecht gebeden hebben, ben ik gespaard gebleven. Nu ben ik langzaam aan het herstellen en word ik geleidelijk aan weer de oude. Nu heb ik weer hoop jullie terug te zien en Hare Kṛṣṇa met jullie te chanten. Ik ben erg blij te horen dat jullie steeds meer vooruitgang maken en ik hoop dat jullie geen problemen zullen ondervinden bij het begrijpen van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Mijn zegen vergezelt jullie overal. Ga vol vertrouwen door met het chanten van Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare.
Swamiji wilde zo gauw mogelijk weg uit het ziekenhuis. Hij wilde al een paar dagen weg. “Al wat ze doen, is met naalden prikken”, klaagde hij. En elke dag kwam zijn gemeenschap dieper in de schuld te zitten. De toegewijden hadden in Long Branch, in New Jersey, een klein huis aan zee gehuurd, waar Swamiji naartoe kon om te herstellen. Ze besloten dat Kīrtanānanda voor Swamiji zou koken. Gaurasundara en zijn vrouw Govinda Dāsī zouden uit San Francisco komen om te helpen en het huishouden te doen. Maar de arts vond dat Swamiji moest blijven, zodat hij nog een eeg kon doen en hem wat langer in observatie kon houden.
Op een dag waren Brahmānanda en Gargamuni bij Swamiji op bezoek, toen de arts binnenkwam en aankondigde dat Swamiji naar beneden moest voor een röntgenfoto.
“Geen naald?” vroeg Swamiji.
“Nee,” antwoordde de arts, “maakt u zich maar geen zorgen.”
“Nee,” antwoordde de arts, “maakt u zich maar geen zorgen.”
Toen de zuster een bed op wielen naar binnen bracht, zei Swamiji dat hij wilde dat Gargamuni het zou duwen. Hij ging er met gekruiste benen op zitten en stopte zijn hand in zijn gebedszakje. Gargamuni reed met hem de verpleegster achterna, de deur uit, de gang door en de lift in. Ze gingen naar beneden naar de tweede verdieping en reden hem een kamer binnen. De verpleegster liet hen alleen. Gargamuni voelde dat Swamiji niet op zijn gemak was. Hij was zelf ook zenuwachtig. Het was zo vreemd om hier met zijn spiritueel leraar te zijn. Toen kwam er een andere verpleegster binnen met een injectiespuit. “Het is tijd om de swami een kleine injectie te geven.” “Nee.” Swamiji schudde zijn hoofd.
“Het spijt me,” zei Gargamuni botweg, “we doen het niet.” De verpleegster was geërgerd, maar glimlachte: “Het doet geen pijn.”
“Breng me terug”, beval Swamiji Gargamuni. Toen de verpleegster bleef aandringen, deed Gargamuni een gewaagde zet – zoals wel vaker – en ging tussen de verpleegster en zijn spiritueel leraar staan.
‘Desnoods sla ik erop’, dacht Gargamuni. “Ik laat het niet toe”, zei hij. Hij reed het bed de kamer uit en liet de verpleegster alleen achter.
Gargamuni was verdwaald. Hij was ergens op de tweede of de derde verdieping en zag alleen maar gangen en deuren. En Swamiji’s kamer was op de vijfde verdieping. Omdat hij niet wist welke kant hij op moest, reed hij zomaar wat door de gangen met Swamiji die met gekruiste benen zat te chanten op zijn kralen.
Enkele ogenblikken nadat Gargamuni ontsnapt was, liep Brahmānanda de röntgenafdeling in. De verpleegster en de assistent beklaagden zich bij hem over wat er was gebeurd.
Brahmānanda: Ze beschouwden het als diefstal. Swamiji was hun eigendom. Zolang hij in het ziekenhuis was, was hij van hen en konden ze met hem doen wat ze wilden. Gargamuni had Swamiji van hen gestolen.
Gargamuni kwam bij de lift. Hij had er moeite mee het bed te besturen en botste er in zijn haast mee tegen de muur. Hij was vergeten op welke verdieping Swamiji ook alweer lag. Hij wist alleen dat hij Swamiji, die hier weg wilde, moest beschermen.
Toen Gargamuni eindelijk Swamiji’s kamer bereikte, stond er een assistent die hem boos toesprak. “U kunt zeggen wat u wilt”, zei Gargamuni. “Hij wil geen injecties of proeven meer; we willen weg.” Brahmānanda kwam binnen, kalmeerde zijn jongere broer en hielp Swamiji terug in bed.
Swamiji herhaalde dat hij weg wilde. Toen de dokter binnenkwam, ging Swamiji rechtop zitten en zei heel beslist: “Dokter, ik voel me goed. Ik kan nu gaan.” En hij gaf de arts een hand om hem te laten zien dat hij helemaal gezond was. De arts grinnikte. Hij zei dat Swamiji wel wat aangesterkt was, maar dat hij toch nog een paar dagen zou moeten blijven. Hij was beslist nog niet buiten gevaar. Hij moest onder zorgvuldig medisch toezicht blijven. Ze moesten nogmaals een eeg maken.
Swamiji had nog steeds pijn rondom zijn hart maar vertelde de artsen dat zijn jongens een huisje aan zee voor hem hadden gehuurd waar hij kon uitrusten. Dat was heel goed, zei de dokter, maar hij kon zijn patiënt nog niet laten gaan.
Maar Swamiji had zijn besluit genomen. Brahmānanda en Gargamuni huurden een auto. Ze raapten Swamiji’s spullen bijeen en hielpen hem zich aan te kleden. Toen ze hem zijn kamer uitleidden en het ziekenhuispersoneel zag dat de jongens de oude man werkelijk meenamen, probeerden een paar artsen en verpleegsters hen tegen te houden. Brahmānanda zei dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. Swamiji was hen heel dierbaar en ze zouden goed voor hem zorgen. Hij zou regelmatig gemasseerd worden, meer dan genoeg rusten en ze zouden hem de door de artsen voorgeschreven medicijnen geven. Na een rustperiode aan de kust, kon hij terugkomen voor een onderzoek.
Brahmānanda: Toen hadden de artsen er genoeg van. Ze dreigden: “Deze man gaat sterven.” Ze maakten ons echt bang. Ze zeiden: “Als deze man sterft, is het jullie schuld.” Zelfs terwijl we wegliepen, hoorden we ze nog zeggen: “Deze man is ten dode opgeschreven.” Het was afschuwelijk.
Ze verlieten het ziekenhuis op acht juni om tien uur ’s morgens. Swamiji wilde nog even langs de tempel voor ze naar het huis in Long Branch toe zouden gaan. Beverig ging hij de winkel binnen. Daar liep hij naar de portretten van zijn spiritueel leraar, Bhaktisiddhānta Sarasvatī en diens vader, Bhaktivinoda Ṭhākura. Voor de eerste keer zagen Swamiji’s leerlingen hem volledig op de grond uitgestrekt zijn eerbetuigingen aanbieden. Terwijl hij zo zijn eerbetuigingen gaf aan zijn guru mahārāja, boden zijn leerlingen ook hun eerbetuigingen aan en voelden ze hun devotie toenemen.
Het bungalowtje stond in een rustige buitenwijk. Het was maar een korte wandeling van het strand verwijderd. De achtertuin was omheind met bomen en struiken en overal stonden geurende rozen. Maar het weer was er vaak winderig en de lucht was grauw en Swamiji sprak erover om naar India te gaan, maar niet alleen voor zijn gezondheid. Hij had Kīrtanānanda en Gaurasundara verteld dat hij in Vṛndāvana een ‘American House’ wilde opzetten. Daar zouden zijn leerlingen dan de vedische cultuur kunnen bestuderen en opgeleid kunnen worden om over de hele wereld te gaan prediken. Hij zei ook dat hij een paar leerlingen – Kīrtanānanda, Brahmānanda en Hayagrīva – tot sannyāsī ’s wilde maken en dat hij dat ook in India wilde doen. Maar zijn echte werk lag in Amerika – als hij gewoon zijn gezondheid weer terug kon krijgen. Maar waar bleef de zon?
In India was er zon genoeg en daar kon hij een ayurvedische behandeling krijgen. Maar zijn plannen veranderden van dag tot dag – San Francisco, Montreal, India, New York. Hij vroeg Kīrtanānanda de toegewijden in San Francisco te laten weten dat als ze een Ratha-yātrā-feest hielden, hij zeker zou komen.
Eind juni keerde swamiji terug naar 26 Second Avenue en ging naar het ziekenhuis voor controle. De arts was verbaasd dat Swamiji zo snel hersteld was en had er geen bezwaar tegen dat hij naar San Francisco zou vliegen. Omdat hij naar de zon verlangde en zijn volgelingen graag wilde helpen bij het organiseren van het eerste Ratha-yātrā, liet Swamiji voor zichzelf en Kīrtanānanda een vliegreis naar San Francisco, Nieuw Jagannātha Purī, boeken.
Op het vliegveld van San Francisco begroetten de toegewijden hem met bloemen en een kīrtana. Swamiji lachte, maar sprak weinig. Deze keer was het anders. Hij liep meteen door, steunend op een wandelstok.
Jayānanda stond buiten met zijn stationwagen te wachten. Hij zou Swamiji naar het huis rijden dat ze voor hem gehuurd hadden in het noorden van de stad, in Stinson Beach. Maar eerst, zei Swamiji, wilde hij de Rādhā–Kṛṣṇa-tempel van San Francisco bezoeken. Jayānanda reed naar Frederick Street 518. Swami stapte uit en ging de kleine tempel binnen, die helemaal vol zat met wachtende toegewijden en gasten. Hij boog voor de glimlachende Beeldgedaanten van Jagannātha. Zonder een woord te zeggen, verliet hij de tempel en ging weer terug naar de auto. Ze vertrokken naar Stinson Beach.
De weg door de rotsen langs de kust was zo steil en bochtig dat Swamiji er misselijk van werd. Zelfs toen hij op de achterbank ging liggen en Jayānanda langzamer liet rijden, hielp dat niet veel. Kīrtanānanda realiseerde zich dat het voor Swamiji te moeilijk zou zijn om vanuit Stinson Beach de tempel in San Francisco te bezoeken. Maar misschien was het juist wel goed, dan zou hij alle tijd hebben om te herstellen.
Op 8 juli, toen Swamiji twee dagen in Stinson Beach was, kwamen Śyāmasundara en Mukunda vanuit San Francisco op bezoek. De volgende dag zou het Ratha-yātrā gehouden worden en Śyāmasundara en Mukunda vertelden Swamiji alles over de voorbereidingen voor het festival. Natuurlijk was het hele festival Swamiji’s idee geweest en de toegewijden in San Francisco wilden alles precies doen zoals hij het had gevraagd.
Het idee voor het festival was voor het eerst bij Swamiji opgekomen toen hij een keer had staan kijken uit het raam van zijn kamer in Frederick Street. Daar beneden had hij vrachtwagens met open laadbakken voorbij zien rijden, wat hem op het idee had gebracht om de Beeldgedaanten van Jagannātha achter op zo’n vrachtwagen te zetten en zo een Ratha-yātrā-festival in Amerikaanse stijl te houden. Hij had zelfs een tekening gemaakt van een truck met vier pilaren en een baldakijn achterop, versierd met vlaggen, bellen en bloemenslingers. Hij had Śyāmasundara bij zich geroepen: “Maak zo’n wagen voor mij voor Ratha-yātrā.” Nu stond de wagen kant en klaar voor de tempel in Frederic Street te wachten. Het was een gele gehuurde Hertz, compleet met anderhalve meter hoge pilaren en een piramidevormig stoffen baldakijn.
Terwijl hij met Swamiji op het strand zat, vertelde Mukunda hoe alle toegewijden vol enthousiasme aan het werk waren en hoe de hippies in Haight-Ashbury al praatten over de Jagannātha-optocht, die de volgende dag plaats zou vinden. De toegewijden hadden geprobeerd toestemming te krijgen om de optocht door het Golden Gate Park te laten lopen, maar de politie had alleen maar toestemming gegeven om van Frederick Street in de richting van de zee te rijden. Mukunda vertelde dat ze van plan waren Jagannātha aan de rechterkant van de truck onder het baldakijn te plaatsen, Subhadrā aan de achterkant en Balarāma aan de linkerkant en hij wilde van Swamiji weten of dat goed was. Eigenlijk, zei Swamiji, hoorden de Beeldgedaanten elk op een aparte wagen gezet te worden, die dan door de menigte aan touwen door de straten getrokken wordt. Misschien zou dat ooit in de komende jaren kunnen gebeuren.
“Maak er iets moois van”, raadde hij hen aan. “En rijd vooral niet te snel.” De toegewijden moesten de truck langzaam door de straten naar het strand rijden en er moest voortdurend kīrtana worden gehouden.
Mukunda en Śyāmasundara waren vol lof over hun godsbroeder Jayānanda: hij was heel San Francisco afgereden om giften in de vorm van fruit en bloemen op te halen, hij had mensen bij elkaar gezocht om de wagen te helpen versieren, hij had de geluidsinstallatie op de truck geïnstalleerd en posters verspreid in de winkels. Hij leek onvermoeibaar en zijn enthousiasme inspireerde alle anderen. De vrouwen waren de hele dag bezig geweest om capātī’s te maken, waarvan er duizenden aan de mensen op straat uitgedeeld zouden worden. De toegewijden hadden gezorgd voor honderden “Ratha Yātrā-festivalballonnen met Hare Krishna erop” om op straat op te laten wanneer de optocht begon.
Toen de toegewijden vroegen wat ze nog meer moesten doen, antwoordde Swamiji dat dit alles was – een optocht, het uitdelen van prasādam en kīrtana. De mensen moesten de kans krijgen Heer Jagannātha te zien en Hare Kṛṣṇa te chanten. Tijdens de hele optocht moest er voor de wagen gezongen en gedanst worden. “Maar doe alles goed”, zei Swamiji. “Doe het zo goed als jullie kunnen, dan zal Heer Jagannātha tevreden zijn.”
De volgende dag zat Swamiji ’s middags rustig in de woonkamer op zijn gebedskralen te chanten, terwijl Kīrtanānanda in de keuken een feestmaal aan het bereiden was. Opeens hoorde Swamiji het bekende gerinkel van cimbalen. Hij sperde zijn ogen wijd open van vreugde. Toen hij naar buiten keek, zag hij de Ratha-yātrā-truck, met Heer Jagannātha, Subhadrā en Balarāma erop en een groot aantal toegewijden en hippies eromheen, die allemaal stonden te popelen om hem te zien. Hij ging naar buiten om ze te begroeten en liet de Beeldgedaanten naar binnen brengen en op de piano zetten. Daarna stroomden de toegewijden en de gasten binnen, tot de grote huiskamer helemaal vol was. Glimlachend omhelsde Swamiji sommige mannen, terwijl anderen hem hun eerbetuigingen brachten. Een paar toegewijden gingen de keuken in om Kīrtanānanda te helpen het grote feestmaal te serveren dat hij bereid had. Anderen brachten verslag uit van het succes van het Ratha-yātrā-festival.
Het was prachtig! Het was fantastisch! Het was een geweldige dag geweest, zeiden ze. En Swamiji luisterde, geroerd door de beschrijvingen die zijn leerlingen van het festival gaven. Er waren veel hippies met de optocht meegelopen. Mukunda, Haridāsa, Hayagrīva en enkele vrouwen hadden op de wagen meegereden en de instrumenten, ook het harmonium van Yamunā, waren allemaal versterkt weergegeven. Iedereen op straat vond het mooi. De escorte van motorpolitie had geprobeerd de toegewijden tot spoed aan te zetten, maar er liepen zoveel mensen voor de wagen, dat de optocht wel langzaam moest gaan; en dat had Swamiji ook gevraagd. Subala had de hele tijd wild gedanst en Jayānanda sprong maar op en neer terwijl hij karatāla’s speelde. Een paar meisjes hadden vanaf de vrachtwagen capātī’s en stukjes sinaasappel, appel en banaan uitgedeeld en anderen hadden bloemen naar de mensen gegooid. Iedereen had het prachtig gevonden.
Subala vertelde hoe ze, na het festival, in hun met bloemen bedekte en met een baldakijn versierde vrachtwagen – waar behalve de Beeldgedaanten van Jagannātha, Subhadrā en Balarāma ook nog eens dertig toegewijden op zaten – de snelweg opgereden waren. Dit moest beslist het ongebruikelijkste voertuig zijn geweest dat er ooit over de weg naar Stinson Beach gereden had!
Nadat alle bezoekers vertrokken waren, bleven de Beeldgedaanten in het huis bij Swamiji en zijn dienaren. Swamiji was tevreden dat zijn leerlingen een geslaagd Ratha-yātrā-festival gehouden hadden. Ze waren misschien niet ervaren, maar wel oprecht. Dit eerste Amerikaanse Ratha-yātrā zou Bhaktisiddhānta Sarasvatī en Bhaktivinoda Ṭhākura zeker bevallen zijn.
De hele wereld ging gebukt onder zorgen, legde Swamiji zijn leerlingen uit die ’s avonds in zijn kamer bijeengekomen waren. Alleen in de spirituele wereld waren er geen zorgen. Bevrijd worden van alle zorgen en terugkeren naar de spirituele wereld was het doel van het Kṛṣṇa-bewustzijn. En festivals zoals Ratha-yātrā maakten de mensen Kṛṣṇa-bewust. Swamiji zat vol met ideeën voor festivals. Als hij er het geld en de mankracht voor had, zou hij elke dag wel een festival kunnen houden. Het Kṛṣṇa-bewustzijn was onbegrensd. Dit geslaagde Ratha-yātrā-festival was opnieuw een bewijs dat het Kṛṣṇa-bewustzijn goed ontvangen werd in het Westen.
Swamiji had het er nog steeds over dat hij naar India wilde gaan. Eigenlijk had hij zijn besluit al genomen; de vraag was alleen nog wanneer hij zou gaan en of hij de westelijke route (over Japan) of de oostelijke route (over New York) zou nemen. De grijze lucht en het onverwacht slechte zomerweer in Stinson Beach, waren hem erg tegengevallen. Zijn gezondheid was nog steeds zwak. Hij sprak zelfs over doodgaan. Het maakte niet uit of hij nu in Amerika of in Vṛndāvana zou sterven, zei hij. Als een vaiṣṇava sterft in Vṛndāvana, het land waar Kṛṣṇa verschenen is, zal hij zeker naar Kṛṣṇa in de spirituele wereld gaan. Maar toen Heer Caitanya op reis was buiten Vṛndāvana had Zijn toegewijde Advaita Hem verzekerd: “Overal waar U bent, is Vṛndāvana.” Wie altijd opging in gedachten aan Kṛṣṇa was ook in Vṛndāvana. Als hij dus – waar ter wereld ook – heenging tijdens het prediken van het Kṛṣṇa-bewustzijn, zou hij zeker het eeuwige Vṛndāvana in de spirituele wereld bereiken.
Ondanks dat wilde Swamiji naar Vṛndāvana. Het was gewoon de beste plaats om te sterven, of om weer op krachten te komen. Bovendien had hij het plan zijn leerlingen mee te nemen naar Vṛndāvana, om ze daar bepaalde dingen te leren. Swamiji had Kīrtanānanda, Hayagrīva en anderen beloofd dat hij hun de heilige plaatsen van Kṛṣṇa’s speels vermaak zou laten zien. Met het bouwfonds van de tempel van New York zou hij in Vṛndāvana zijn American House opzetten.
De meeste toegewijden moesten in San Francisco blijven, maar ze hoopten allemaal op een kans om Swamiji in Stinson Beach te bezoeken. Van de weinige toegewijden die het uit eerste hand wisten, hoorden ze dat Swamiji plannen had om naar India te vertrekken en dat hij misschien nooit meer terug zou keren. Dat was pijnlijk om te horen. Hij was dankzij Kṛṣṇa’s genade aan de dood ontsnapt. Toen was hij weer bij hen in San Francisco teruggekeerd, maar was toch niet in staat geweest om bij hen te blijven, zoals hij dat vroeger had gedaan. En nu maakte hij plannen om, misschien voor altijd, naar India te gaan. Al deze gebeurtenissen maakten hun bezorgdheid en hun liefde voor hem enkel sterker.
De meeste toegewijden moesten in San Francisco blijven, maar ze hoopten allemaal op een kans om Swamiji in Stinson Beach te bezoeken. Van de weinige toegewijden die het uit eerste hand wisten, hoorden ze dat Swamiji plannen had om naar India te vertrekken en dat hij misschien nooit meer terug zou keren. Dat was pijnlijk om te horen. Hij was dankzij Kṛṣṇa’s genade aan de dood ontsnapt. Toen was hij weer bij hen in San Francisco teruggekeerd, maar was toch niet in staat geweest om bij hen te blijven, zoals hij dat vroeger had gedaan. En nu maakte hij plannen om, misschien voor altijd, naar India te gaan. Al deze gebeurtenissen maakten hun bezorgdheid en hun liefde voor hem enkel sterker.
Mukunda: Ik zat alleen bij Swamiji op zijn kamer en hij was heel ernstig en stil. Zijn ogen waren gesloten. Toen begonnen er opeens tranen uit zijn ogen te vloeien. Met gesmoorde stem zei hij: “Mijn spiritueel leraar was geen gewoon spiritueel leraar.” Na een moment van stilte veegde hij de tranen van zijn wangen en zei hij met een nog meer verstikte stem: “Hij heeft me gered.” Op dat moment begon ik te begrijpen wat een ‘spiritueel leraar’ was en liet ik alle overwegingen varen om Swamiji ooit te vervangen.
Twee dagen later zei Swamiji dat hij niemand van zijn godsbroeders zou vragen hier te komen om voor zijn leerlingen te zorgen. Hij zei: “Als die persoon ook maar één woord anders zegt dan ik, zal er grote verwarring onder jullie ontstaan.” Eigenlijk, zei hij, was het idee een belediging van de spiritueel leraar.
Swamiji vertelde Kīrtanānanda dat hij nu definitief besloten had om zo spoedig mogelijk naar India te gaan, via New York. Kīrtanānanda pakte Swamiji’s spullen in en reed hem naar San Francisco om in de tempel te overnachten. De volgende morgen zouden ze vertrekken.
Die avond was het koortsachtig druk in de tempel en in Swamiji’s appartement. Er waren veel toegewijden en gasten die Swamiji wilden spreken en een heleboel mensen wilden geïnitieerd worden. Hoewel Kīrtanānanda Swamiji aanraadde zich niet te veel in te spannen door naar beneden te gaan voor het avondprogramma, stond hij erop om er tenminste tijdens de kīrtana te zijn.
Toen hij de tempel binnenkwam, stopten de toegewijden onmiddellijk met hun kīrtana en lieten zich op de vloer vallen om hem hun eer te betuigen. Er viel een stilte. Ze bezagen hem nu met nieuw respect. Misschien was dit wel de laatste keer dat ze hem zouden zien. Hun ogen lieten hem niet los tijdens de kīrtana terwijl hij karatāla’s speelde en voor de laatste keer met hen zong. De niet-geïnitieerden wilden hem nu als hun spiritueel leraar aanvaarden – vanavond nog, voordat het te laat was. Swamiji vroeg om de microfoon. Niemand had verwacht dat hij zou gaan spreken. Kīrtanānanda, de enige die hem ervan had kunnen weerhouden, zei niets en zat net als de anderen, onderdanig en vol verwachting voor hem. Swamiji sprak met zachte stem over zijn missie. In opdracht van zijn spiritueel leraar had hij de beweging van Heer Caitanya naar Amerika gebracht en Kṛṣṇa was zo vriendelijk geweest hem zoveel oprechte zielen te sturen. “Ik heb een paar kinderen in India, uit de tijd dat ik een gezin had,” zei hij, “maar jullie zijn mijn echte kinderen. Nu ga ik een tijdje naar India toe.”
“Ik ben een oude man,” vervolgde hij, “ik kan ieder moment sterven. Maar gaan jullie allemaal alsjeblieft door met deze sankīrtana-beweging. Jullie moeten nederig en verdraagzaam worden. Heer Caitanya zegt dat je zo nederig moet zijn als een grassprietje en verdraagzamer dan een boom. Jullie moeten enthousiast en geduldig zijn om verder te gaan met het verspreiden van dit Kṛṣṇa-bewustzijn.”
Hij zat heel stil en bleef ernstig tegen hen spreken. Hij vroeg hen bij elkaar te blijven en de beweging uit te breiden, zowel voor hun eigen welzijn als voor dat van anderen. Hij zei dat ze gewoon alles wat ze geleerd hadden, moesten herhalen.
Misschien realiseerden ze zich nu voor het eerst dat ze deel uitmaakten van een beweging die een missie uit te dragen had. Ze waren niet zomaar bij elkaar voor het plezier en de goede vibraties; hun liefde voor Swamiji en Kṛṣṇa bracht bepaalde verantwoordelijkheden met zich mee.
Swamiji vertelde Kīrtanānanda dat hij nu definitief besloten had om zo spoedig mogelijk naar India te gaan, via New York. Kīrtanānanda pakte Swamiji’s spullen in en reed hem naar San Francisco om in de tempel te overnachten. De volgende morgen zouden ze vertrekken.
Die avond was het koortsachtig druk in de tempel en in Swamiji’s appartement. Er waren veel toegewijden en gasten die Swamiji wilden spreken en een heleboel mensen wilden geïnitieerd worden. Hoewel Kīrtanānanda Swamiji aanraadde zich niet te veel in te spannen door naar beneden te gaan voor het avondprogramma, stond hij erop om er tenminste tijdens de kīrtana te zijn.
Toen hij de tempel binnenkwam, stopten de toegewijden onmiddellijk met hun kīrtana en lieten zich op de vloer vallen om hem hun eer te betuigen. Er viel een stilte. Ze bezagen hem nu met nieuw respect. Misschien was dit wel de laatste keer dat ze hem zouden zien. Hun ogen lieten hem niet los tijdens de kīrtana terwijl hij karatāla’s speelde en voor de laatste keer met hen zong. De niet-geïnitieerden wilden hem nu als hun spiritueel leraar aanvaarden – vanavond nog, voordat het te laat was. Swamiji vroeg om de microfoon. Niemand had verwacht dat hij zou gaan spreken. Kīrtanānanda, de enige die hem ervan had kunnen weerhouden, zei niets en zat net als de anderen, onderdanig en vol verwachting voor hem. Swamiji sprak met zachte stem over zijn missie. In opdracht van zijn spiritueel leraar had hij de beweging van Heer Caitanya naar Amerika gebracht en Kṛṣṇa was zo vriendelijk geweest hem zoveel oprechte zielen te sturen. “Ik heb een paar kinderen in India, uit de tijd dat ik een gezin had,” zei hij, “maar jullie zijn mijn echte kinderen. Nu ga ik een tijdje naar India toe.”
“Ik ben een oude man,” vervolgde hij, “ik kan ieder moment sterven. Maar gaan jullie allemaal alsjeblieft door met deze sankīrtana-beweging. Jullie moeten nederig en verdraagzaam worden. Heer Caitanya zegt dat je zo nederig moet zijn als een grassprietje en verdraagzamer dan een boom. Jullie moeten enthousiast en geduldig zijn om verder te gaan met het verspreiden van dit Kṛṣṇa-bewustzijn.”
Hij zat heel stil en bleef ernstig tegen hen spreken. Hij vroeg hen bij elkaar te blijven en de beweging uit te breiden, zowel voor hun eigen welzijn als voor dat van anderen. Hij zei dat ze gewoon alles wat ze geleerd hadden, moesten herhalen.
Misschien realiseerden ze zich nu voor het eerst dat ze deel uitmaakten van een beweging die een missie uit te dragen had. Ze waren niet zomaar bij elkaar voor het plezier en de goede vibraties; hun liefde voor Swamiji en Kṛṣṇa bracht bepaalde verantwoordelijkheden met zich mee.
In new york hadden de toegewijden nauwelijks tijd om bedroefd te zijn. Kīrtanānanda had Śrī Krishna Pandit per telegram laten weten dat Bhaktivedanta Swami op 24 juli om 7:30 uur ’s morgens in Delhi aan zou komen en dat hij Swamiji’s vertrekken in de Chippiwada-tempel klaar moest maken. In het telegram stond ook dat Swamiji van plan was in Delhi een dokter te raadplegen en vervolgens naar Vṛndāvana te gaan. Hij verlangde ernaar om terug te keren naar Vṛndāvana.
De toegewijden hadden Satsvarūpa gevraagd zich over te laten plaatsen naar de overheidsdienst in Boston en daar een centrum voor Kṛṣṇa-bewustzijn te beginnen. Rūpanuga hadden ze gevraagd om naar Buffalo te gaan. Toen Satsvarūpa en Rūpanuga Swamiji benaderden om zijn mening hierover te horen, bleek hij heel enthousiast over het idee te zijn. Subala kon in Santa Fe een centrum openen, zei hij, en Dayananda in Los Angeles. “De Hare Kṛṣṇa-mantra is als een groot kanon”, merkte hij op. “Schiet dit kanon af, zodat iedereen het kan horen. Dit zal alle māyā verdrijven.”
De toegewijden wilden vragen: “Maar wat gebeurt er als u niet terugkomt?” Ze waren bang. En wat als Kṛṣṇa Swamiji nu in Vṛndāvana zou houden? En wat als Swamiji nooit meer terug zou komen? Hoe zouden ze het dan tegen māyā kunnen opnemen? Maar Swamiji had hen er al van verzekerd dat wat hij hun aan Kṛṣṇa-bewustzijn gegeven had, voldoende was, zelfs al zou hij nooit meer terugkomen.
Een half uur voor hij naar het vliegveld moest, zat Swamiji nog op zijn kamer op het kralensnoer van een meisje te chanten dat gevraagd had of ze geïnitieerd kon worden. Daarna verliet hij zijn appartement en ging, zoals hij zo vaak had gedaan, naar beneden, stak het binnenplaatsje over en liep de tempel binnen.
Hij zat op het oude tapijt en sprak rustig en persoonlijk. “Ik vertrek, maar mijn guru mahārāja en Bhaktivinoda zijn hier.” Hij keek naar de schilderijen van zijn spiritueel leraar en van Bhaktivinoda Ṭhākura. “Ik heb hun gevraagd zo vriendelijk te zijn om voor jullie allen, mijn spirituele kinderen, te zorgen. De grootvader zorgt altijd veel beter voor zijn kinderen dan de vader. Wees dus niet bang. Er is geen sprake van gescheidenheid. De geluidsvibratie zorgt dat we bij elkaar zijn, hoewel het stoffelijk lichaam er misschien niet is. Wat kan ons dit stoffelijk lichaam schelen? Ga gewoon door met het chanten van Hare Kṛṣṇa en dan zullen we allemaal samen blijven. Jullie chanten hier en ik chant daar. Het geluid zal de hele planeet rondgaan.”
Een paar toegewijden gingen met Swamiji mee de taxi in – Brahmānanda voorin naast de chauffeur, Rāya Rāma en Kīrtanānanda achterin naast hun spiritueel leraar. “Als Kīrtanānanda Vṛndāvana ziet,” zei Swamiji, “zal hij niet kunnen begrijpen hoe ik die plaats ooit heb kunnen verlaten om hier naar toe te komen. Het is er zo fijn. Daar zijn geen auto’s zoals hier die zoef! zoef! voorbijrazen en stinken. Daar is alleen Hare Kṛṣṇa. Iedereen is er altijd aan het chanten. Duizenden en nog eens duizenden tempels. Ik zal het je laten zien, Kīrtanānanda. We zullen daar overal rondlopen en ik zal je alles laten zien.”
Brahmānanda begon te huilen en Swamiji klopte hem op de rug. “Ik begrijp dat je me zult missen”, zei hij. “Ik mis mijn guru mahārāja ook. Ik denk dat Kṛṣṇa dit zo wil. Ook jij kunt naar India komen om getraind te worden en dan zullen we deze beweging over de hele wereld verspreiden. Rāya Rāma – jij gaat naar Engeland. Brahmānanda – wil je naar Japan of naar Rusland? Wat je maar wilt.”
De toegewijden gingen allemaal de wachtkamer van Air India binnen, vlakbij een drukke bar. Swamiji droeg een trui met zijn cādar netjes opgevouwen over zijn schouder. Hij ging in een stoel zitten en zijn leerlingen gingen zo dicht mogelijk bij hem aan zijn voeten zitten. Hij had een paraplu bij zich, precies zoals toen hij voor het eerst alleen naar New York was gekomen, bijna twee jaar geleden. Hoewel hij uitgeput was, glimlachte hij.
Swamiji merkte een muurschildering op met Indiase vrouwen die grote potten op hun hoofd droegen en riep Himāvatī, die onlangs met haar echtgenoot Haṁsadūta naar het iskcon-centrum in Montreal was gegaan. “Himāvatī, zou je graag naar India willen om te leren hoe je een waterpot kan dragen zoals de Indiase vrouwen dat doen?”
“O ja”, zei ze. “Heel graag.”
“Ja,” zei Swamiji, “op een dag gaan we er allemaal heen.” Kīrtanānanda had een draagbare grammofoon op batterijen en twee platen met de Hare Kṛṣṇa-mantra bij zich. Swamiji vroeg: “Kīrtanānanda, waarom draai je de plaat niet? Ze zullen ervan genieten.” Kīrtanānanda zette het apparaat aan. Het geluid was zwak, maar trok toch de aandacht van de mensen aan de bar. “Zet maar wat harder”, zei Swamiji en Kīrtanānanda zette de muziek luider, terwijl Swamiji met zijn hoofd op de maat meeknikte.
Al gauw begonnen de toegewijden met de plaat mee te neuriën en daarna zachtjes mee te zingen, totdat ze uiteindelijk luidkeels aan het zingen waren. Sommige toegewijden begonnen te huilen.
Toen het ogenblik aangebroken was om aan boord van het vliegtuig te gaan, omhelsde Swamiji al zijn mannen. Ze stonden op een rij en gingen om de beurt naar hem toe om hem te omhelzen. Een paar vrouwen gaf hij een vriendelijk tikje op hun hoofd.
Samen met Kīrtanānanda – die een kaal hoofd had en een zwart wollen pak droeg dat daar helemaal niet bij paste – liep Swamiji langzaam naar de ingang. Toen hij uit het gezicht verdween, renden de toegewijden naar het terras om het vliegtuig te zien vertrekken. Daar beneden liepen Swamiji en Kīrtanānanda, op weg naar het vliegtuig. De toegewijden vergaten alle decorum en begonnen te roepen. Swamiji draaide zich om en wuifde. Hij liep de verplaatsbare trap op, draaide zich bovenaan nog eens om en stak zijn armen omhoog. Toen ging hij het vliegtuig binnen. De toegewijden stonden wild te chanten terwijl de trappen weggehaald werden, de deur gesloten werd en de motoren van het vliegtuig begonnen te draaien. Ze stonden dicht tegen het hek gedrukt, maar toen de straaluitlaat hun heet in het gezicht sloeg, trokken ze zich terug. Met donderend lawaai taxiede het Air India-vliegtuig met knipperende lichten naar de startbaan. De toegewijden bleven Hare Kṛṣṇa chanten, totdat het vliegtuig van de grond ging, een stip in de lucht werd en uiteindelijk uit het gezicht verdween.
Brahmānanda begon te huilen en Swamiji klopte hem op de rug. “Ik begrijp dat je me zult missen”, zei hij. “Ik mis mijn guru mahārāja ook. Ik denk dat Kṛṣṇa dit zo wil. Ook jij kunt naar India komen om getraind te worden en dan zullen we deze beweging over de hele wereld verspreiden. Rāya Rāma – jij gaat naar Engeland. Brahmānanda – wil je naar Japan of naar Rusland? Wat je maar wilt.”
De toegewijden gingen allemaal de wachtkamer van Air India binnen, vlakbij een drukke bar. Swamiji droeg een trui met zijn cādar netjes opgevouwen over zijn schouder. Hij ging in een stoel zitten en zijn leerlingen gingen zo dicht mogelijk bij hem aan zijn voeten zitten. Hij had een paraplu bij zich, precies zoals toen hij voor het eerst alleen naar New York was gekomen, bijna twee jaar geleden. Hoewel hij uitgeput was, glimlachte hij.
Swamiji merkte een muurschildering op met Indiase vrouwen die grote potten op hun hoofd droegen en riep Himāvatī, die onlangs met haar echtgenoot Haṁsadūta naar het iskcon-centrum in Montreal was gegaan. “Himāvatī, zou je graag naar India willen om te leren hoe je een waterpot kan dragen zoals de Indiase vrouwen dat doen?”
“O ja”, zei ze. “Heel graag.”
“Ja,” zei Swamiji, “op een dag gaan we er allemaal heen.” Kīrtanānanda had een draagbare grammofoon op batterijen en twee platen met de Hare Kṛṣṇa-mantra bij zich. Swamiji vroeg: “Kīrtanānanda, waarom draai je de plaat niet? Ze zullen ervan genieten.” Kīrtanānanda zette het apparaat aan. Het geluid was zwak, maar trok toch de aandacht van de mensen aan de bar. “Zet maar wat harder”, zei Swamiji en Kīrtanānanda zette de muziek luider, terwijl Swamiji met zijn hoofd op de maat meeknikte.
Al gauw begonnen de toegewijden met de plaat mee te neuriën en daarna zachtjes mee te zingen, totdat ze uiteindelijk luidkeels aan het zingen waren. Sommige toegewijden begonnen te huilen.
Toen het ogenblik aangebroken was om aan boord van het vliegtuig te gaan, omhelsde Swamiji al zijn mannen. Ze stonden op een rij en gingen om de beurt naar hem toe om hem te omhelzen. Een paar vrouwen gaf hij een vriendelijk tikje op hun hoofd.
Samen met Kīrtanānanda – die een kaal hoofd had en een zwart wollen pak droeg dat daar helemaal niet bij paste – liep Swamiji langzaam naar de ingang. Toen hij uit het gezicht verdween, renden de toegewijden naar het terras om het vliegtuig te zien vertrekken. Daar beneden liepen Swamiji en Kīrtanānanda, op weg naar het vliegtuig. De toegewijden vergaten alle decorum en begonnen te roepen. Swamiji draaide zich om en wuifde. Hij liep de verplaatsbare trap op, draaide zich bovenaan nog eens om en stak zijn armen omhoog. Toen ging hij het vliegtuig binnen. De toegewijden stonden wild te chanten terwijl de trappen weggehaald werden, de deur gesloten werd en de motoren van het vliegtuig begonnen te draaien. Ze stonden dicht tegen het hek gedrukt, maar toen de straaluitlaat hun heet in het gezicht sloeg, trokken ze zich terug. Met donderend lawaai taxiede het Air India-vliegtuig met knipperende lichten naar de startbaan. De toegewijden bleven Hare Kṛṣṇa chanten, totdat het vliegtuig van de grond ging, een stip in de lucht werd en uiteindelijk uit het gezicht verdween.
New Delhi, 25 juli 1967
De muur van hitte die hun tegemoet kwam, deed Swamiji goed. Hier was hij voor gekomen. In het luchthavengebouw brachten hoog aangebrachte ventilatoren wat verkoeling in de drukkende atmosfeer. Swamiji en Kīrtanānanda stonden in de langzaam vooruitschuifelende rijen waar geüniformeerde beambten de paspoorten controleerden en andere douaneformaliteiten afhandelden, zonder dat er computers en andere westerse snufjes aan te pas kwamen. Net voorbij de loketten voor immigratie en douane, stonden mensen die op aankomende passagiers aan het wachten waren, te wuiven en te roepen voordat ze herenigd werden met hun vrienden en familieleden.
Nadat Swamiji en Kīrtanānanda hun bagage hadden teruggekregen en de douane waren gepasseerd, stonden ze buiten de luchthaven op de stoep. Swamiji had zijn sweater uitgetrokken, maar Kīrtanānanda stond nog met zijn zwarte wollen pak aan en baadde in het zweet. Het was twee uur ’s nachts. Overal om hen heen omhelsden passagiers hun geliefden, die hen soms zelfs bloemenslingers omhingen en hen auto’s of taxi’s in hielpen. Maar voor Swamiji was er niemand. Dit was wel iets heel anders dan de tranenrijke taferelen op het vliegveld waar Swamiji afscheid had genomen van zijn leerlingen. In plaats van omringd te worden door liefhebbende leerlingen, werd hij nu bestormd door taxichauffeurs en kruiers die tegen betaling zijn bagage wilden dragen. In het Hindi vroeg Swamiji een van de chauffeurs hen naar Chippiwada in het oude gedeelte van Delhi te brengen. De chauffeur zette hun bagage in de kofferruimte en Swamiji en zijn leerling gingen achterin zitten.
De kleine taxi reed door straten die Swamiji goed kende. ’s Nachts was er weinig verkeer – af en toe een taxi of een motorriksja. De straten waren grotendeels leeg en stil, de winkels gesloten. Hier en daar lag een mens of een koe te slapen.
In deze stad had Bhaktivedanta Swami nog maar enkele jaren geleden zijn Back to Godhead-tijdschriften verkocht, donaties ingezameld en zijn Śrīmad-Bhāgavatams laten drukken. In die tijd was hij alleen geweest, bijna zonder geld of vaste verblijfplaats. Toch was hij gelukkig geweest, omdat hij volkomen afhankelijk was van Kṛṣṇa.
Hij had jarenlang zijn best gedaan om het Kṛṣṇa-bewustzijn in India te verspreiden, maar de Indiase leiders verwierpen de vedische cultuur en imiteerden liever het Westen. En de Indiërs, die in naam nog steeds de vedische cultuur volgden, waren vaak ten prooi gevallen aan leraren die alles door elkaar haalden en Kṛṣṇa niet als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods aanvaardden. Daarom had Bhaktivedanta Swami zich verplicht gevoeld uit India te vertrekken en de vedische cultuur naar het Westen over te brengen. Hij had zich strikt aan de visie van zijn voorgaande spiritueel leraar gehouden, en zoals bleek, had hij het bij het juiste eind had gehad: het Westen was een vruchtbare bodem voor het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Toen de taxi door Oud Delhi reed en Chawri Bazaar naderde, zag Bhaktivedanta Swami de drukkerijtjes en papierwinkels. Nu was alles dicht en zonder het gebruikelijke drukke verkeer van door mensen voortgetrokken karren lagen de straten er verlaten bij. Een paar mannen sliepen boven op hun karren. Over een paar uur zouden ze zich bij een put in de straat wassen en weer de hele dag hun karren trekken. Toen Bhaktivedanta Swami toezicht had gehouden op de publicaties van de eerste delen van het Śrīmad-Bhāgavatam, was hij elke dag door deze straten gelopen, had hij er papier gekocht en proefdrukken bij de drukker opgehaald om deze later gecorrigeerd terug te brengen.
Van Chawri Bazaar liepen er wegen naar de nauwe straatjes van Chippiwada, die met metalen paaltjes voor auto’s en riksja’s afgesloten waren. De chauffeur zette de taxi stil in een lege straat en draaide zich om, om zijn geld in ontvangst te nemen. Swamiji nam veertig roepies uit zijn portefeuille (dezelfde veertig roepies die hij in 1965 op de boot naar Amerika bij zich had gehad.) De chauffeur pakte al het geld aan en zei dat het precies de prijs was. Swamiji protesteerde; het tarief zou niet eens half zo hoog moeten zijn! Ze ruzieden luid heen en weer in het Hindi. De chauffeur had het geld al in zijn zak gestoken en weigerde wisselgeld te geven. Swamiji wist dat een politieagent op dit uur van de dag heel moeilijk te vinden zou zijn. Hoewel het niets minder dan diefstal was, liet Swamiji de man ten slotte gaan. Swamiji en Kīrtanānanda pakten hun bagage op en gingen het laatste stukje naar de Rādhā-Kṛṣṇa-tempel te voet.
De tempel was dicht. Ze bonsden hard op de deur en Swamiji riep Sri Krishna Pandit’s naam, totdat er een man kwam die Bhaktivedanta Swami herkende en ze binnen liet. De man ging hen voor naar boven en maakte de deur van Swamiji’s kamer open. Swamiji deed het licht aan.
De kamer was kaal en stoffig en de lamp die aan het plafond hing, gaf fel licht waardoor er diepe schaduwen vielen. Op de vloer stond de één meter hoge koepel, die aanduidde dat het altaar en de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa daar recht onder waren. (De koepel behoedde iedereen ervoor per ongeluk over de Beeldgedaanten te lopen, wat als een overtreding gold.) De kast lag vol met gedrukte pagina’s van het Śrīmad-Bhāgavatam, stofomslagen voor het Śrīmad-Bhāgavatam en formulieren voor toekomstige leden van de League of Devotees. Alles was nog precies zoals Bhaktivedanta Swami het had achtergelaten.
“Dit is de kamer waar ik het Śrīmad-Bhāgavatam heb vertaald”, vertelde Swamiji Kīrtanānanda. “Hier sliep ik. En hier stonden mijn fornuis en mijn typemachine. Ik sliep en typte en kookte en typte en sliep en typte.” Kīrtanānanda was geschokt toen hij bedacht hoe Swamiji hier op zo’n armzalig, nederig kamertje had gewoond. Het was er niet eens schoon.
Hoewel Kīrtanānanda zich niet erg op zijn gemak voelde in zijn pak en zich afvroeg wanneer hij het kon uittrekken, speelde hij het toch klaar om een dun matras voor Swamiji te pakken te krijgen. Er kwamen twee ayurvedische artsen. Ze waren het er allebei over eens dat de problemen van Swamiji’s hart kwamen, maar dat het gevaar nu geweken was. Ze gaven hem medicijnen en raadden hem aan volgens een bepaald schema te eten, te rusten en te werken. Sri Krishna Pandit kwam langs om te praten en Swamiji vertelde hem over het succes dat hij in Amerika had en over alle jonge toegewijden in New York en San Francisco. Hij draaide zijn plaat voor Sri Krishna Pandit en dit trok een hele groep nieuwsgierigen uit de andere kamers van de tempel.
* * *
Nadat hij zes dagen in Delhi was geweest, reisde Swamiji op 1 augustus naar Vṛndāvana. Daar betrok hij weer zijn oude kamers bij de Rādhā-Dāmodara-tempel. Toen hij er nog maar een dag was en zijn gezondheid er nauwelijks op vooruit was gegaan, begon hij al plannen te maken om terug te keren naar Amerika. “Ik denk voortdurend aan jullie”, schreef hij de toegewijden, die hij toesprak als zijn dierbare leerlingen.
In Delhi had Swamiji een brief van Brahmānanda ontvangen waarin stond dat de Macmillan Company serieuze belangstelling toonde om zijn Bhagavad-gītā uit te brengen. Nu schreef Swamiji Brahmānanda vanuit Vṛndāvana dat hij namens hem onmiddellijk een contract moest tekenen. Swamiji had overwogen of hij particulier in Japan of India zou laten drukken of op Macmillan zou wachten. Het prestige en de financiële voordelen die het drukken bij Macmillan met zich meebracht, interesseerden hem minder dan het feit dat hij het boek zo snel mogelijk uit wilde brengen.
Kīrtanānanda, die zelf lusteloos en moe was door de hitte, masseerde Swamiji en zorgde voor hem. Hoewel Swamiji nog steeds heel zwak was, kwamen er steeds nieuwe en ambitieuze ideeën voor zijn jeugdige beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn bij hem op. Hij dacht soms hardop na over de delen van het Śrīmad-Bhāgavatam die klaar lagen om gepubliceerd te worden – als Macmillan ze maar aan zou nemen en de jongens alles zonder hem konden regelen. Er was zoveel te doen! Hij wilde in oktober terugkeren, zodat hij weer overal persoonlijk toezicht op kon houden.
Op janmāṣṭamī, 28 augustus, gaf Swamiji Kīrtanānanda met een ceremonie in de Rādhā-Dāmodara-tempel de orde van sannyāsa. Zo werd Kīrtanānanda de eerste leerling van Swamiji die sannyāsa kreeg: Kīrtanānanda Swami. Meestal wordt sannyāsa pas gegeven aan mannen van boven de vijftig. Maar Swamiji was bereid het zijn jonge leerling nu al te geven, omdat hij heel graag leerlingen wilde die al hun energie konden wijden aan reizen en prediken: de traditionele plichten van een sannyāsī. Zulke sannyāsī’s waren hard nodig om de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn sterk te maken en uit te breiden. Bij Kīrtanānanda’s initiatie waren honderden gasten aanwezig, die waren gekomen om de verschijningsdag van Śrī Kṛṣṇa te vieren, en velen kwamen de nieuwe sannyāsī gelukwensen. Iemand zei dat hij op Heer Caitanya leek. Swamiji schreef:
Hij zal binnenkort naar de Verenigde Staten terugkeren om met nog meer energie en succes te gaan prediken. Intussen zal ik proberen deze ‘blanke sannyāsī ’ in te zetten bij het werven van leden in India.
Begin september kwam Acyutānanda in Vṛndāvana aan om bij Swamiji te kunnen zijn. Het meest fantastische aan Swamiji in Vṛndāvana vond Acyutānanda zijn sobere manier van leven. Hoewel Swamiji in New York eenvoudige gewaden had gedragen, was hij toch altijd koninklijk geweest: de guru. Maar hier leefde hij eenvoudig en nederig. Toen hij een keer op de veranda buiten zijn kamer ging zitten om zijn handen te wassen, raakte zijn lichaam meteen bedekt met vliegen. Kīrtanānanda en Acyutānanda hadden altijd last van de vliegen – maar Swamiji zag ze nauwelijks en waste rustig zijn handen.
Kīrtanānanda en Acyutānanda waren het erover eens dat Swamiji niet zomaar een van de vele bābājī’s uit Vṛndāvana was. Niemand was zoals hij. Gaurachand Goswami, de eigenaar van de Rādhā-Dāmodara-tempel, leek in elk geval niet op Swamiji. Hij droeg een bril met dikke glazen en kon nauwelijks iets zien. Toen Kīrtanānanda en Acyutānanda een keer naar de Beeldgedaanten in de tempel waren gaan kijken, had Gaurachand Goswami hun met luide stem gevraagd: “Nou, hoe vinden jullie ze? Welke vinden jullie het mooist?”
“Ik vind ze allemaal mooi”, zei Acyutānanda.
“Ik vind die grote daar aan het eind het mooist”, zei de priester, terwijl hij nonchalant naar de Beeldgedaante van Kṛṣṇa wees. “Hij lijkt een beetje op generaal Choudry.” De jongens keken elkaar aan – wat was dit voor een vent? Ze gingen terug naar Swamiji om hem uitleg te vragen.
“Dat zijn kaste-goswami’s”, legde Swamiji uit. De oorspronkelijke Goswami’s, zoals Jīva Gosvāmī, die de Rādhā–Dāmodara-tempel had gesticht, hadden getrouwde mannen aangesteld om de Beeldgedaanten te vereren. En deze kaste-goswami’s waren afstammelingen van die eerste pūjāri’s. Swamiji legde uit dat de kaste-goswami’s de eigenaars van de tempels waren en dat ze de tempels onderhielden en de verering van de Beeldgedaanten regelden als een soort handel om hun gezin te onderhouden. Verscheidene jaren geleden had elk van de Beeldgedaanten die nu op het altaar stond, Zijn eigen tempel, land, inkomen en priesters gehad. Maar om financiële redenen hadden de Goswami’s Hun eigen-dommen verkocht, de verering versoberd en de Beeldgedaanten allemaal bij elkaar gezet.
Er waren nog veel meer interessante personages: de oude weduwe Sarajini, met haar kale hoofd, haar śikhā en haar vereelte, blote voeten, die op een kamertje bij de poort van de tempel sliep en Swamiji’s kleren waste en zijn keuken veegde; Pancudas Goswami, de zoon van de eigenaar van de tempel, die altijd pān liep te kauwen en met slaperige ogen in een zijden dhotī met een rood geborduurde zoom rondstapte; de donkere, oude bābājī die elke avond kwam, voortdurend lachte en sandelhoutpasta voor Swamiji maakte; de plaatselijke kruidendokter, Vanamali Kavirāja, die met een brede glimlach op zijn gezicht spreekuur hield vanachter zijn bureau in een piepklein kamertje, dat van de vloer tot het plafond met flesjes gevuld was; en een beroemde paṇḍita die Swamiji kwam bezoeken en een tulasī-ketting met gouden schakels en diamanten ringen droeg. Al deze mensen waren toegewijden, inwoners van het heilige Vṛndāvana. Maar niemand was zoals Swamiji.
Kīrtanānanda Swami was zelfs enigszins ontgoocheld dat er niemand anders in Vṛndāvana was als Swamiji. Hier was iedereen Indiër en toegewijde, maar Swamiji was nog steeds uniek. Niemand was zo eenvoudig, zo ernstig, zo goed in staat om tot de waarheid door te dringen, zo hartverwarmend of zo volledig aan Kṛṣṇa gehecht als hij. Niemand anders kon hen leiden.
* * *
Door de regelmatige behandelingen, de massages, de rust en de hitte van Vṛndāvana, voelde Swamiji dat hij beter werd. Half september dacht hij dat hij voor negentig procent klaar was om terug te keren naar de Verenigde Staten. Hij voorspelde dat hij er tegen het eind van oktober wel weer zou zijn. Samen met Kīrtanānanda en Acyutānanda verliet hij Vṛndāvana en keerde terug naar de Chippiwada-tempel in Delhi.
We moeten onze boeken laten drukken; we hebben veel tijd verspeeld met het drukklaar maken en met het zoeken van een geschikte uitgever. Toen ik alleen was, zijn er drie delen gepubliceerd, maar de afgelopen twee jaar heb ik geen enkel deel meer kunnen uitbrengen. Dat is een grote nederlaag. Als ik de hulp krijg van een paar oprechte zielen zoals jij en we voor meer publicaties kunnen zorgen, zal onze missie een geweldig succes worden. Ik ben bereid om onder een boom te gaan zitten met een enkele oprechte ziel; zo zal ik van alle ziektes worden bevrijd.
* * *
Nu ze eenmaal wisten dat Swamiji spoedig terug zou komen, begonnen beide groepen toegewijden in Amerika hem nog heviger te smeken om naar hun stad te komen. Op 4 november schreef Swamiji aan Mukunda: “Je zegt dat mijn afwezigheid nu sterker dan ooit gevoeld wordt, welnu, ik voel me klaar om onmiddellijk te komen.” En aan Mukunda ’s vrouw, Janakī, schreef hij: “Iedere minuut denk ik aan jullie en omdat jullie mij gevraagd hebben naar San Francisco te komen als ik uit India terugkeer, zal ik proberen mijn belofte na te komen. Ik denk erover rechtstreeks naar San Francisco te gaan.” Onderaan deze brief aan Mukunda en Janakī had Acyutānanda een paar opmerkingen over Swamiji’s gezondheid geschreven: “Swamiji ziet er gezond uit en leeft en werkt regelmatig, maar zijn polsslag is over het algemeen te snel. Gisteravond was zijn polsslag 95 – zelfs voor hem ongewoon snel, want normaal schommelt hij tussen de 83 en de 86.”
Swamiji besloot niet langer te wachten, hoewel hij, als hij zou wachten, misschien een permanente verblijfsvergunning voor de Verenigde Staten kon krijgen. “Ik wil terug naar jullie land, waar de lucht en het water goed is”, zei hij op een dag tegen Acyutānanda. “Elke dag krijgen we brieven dat de toegewijden me daar nodig hebben. Ik dacht dat ze tijdens mijn afwezigheid misschien achteruit zouden gaan en dat heeft me zelfs doen twijfelen of ik wel naar India zou komen. Maar nu zie ik dat het groeit. Het is nodig dat ik erheen ga om leiding te geven aan de expansie. Ik wil dus weer terug.”
Gewoon om er zeker van te zijn dat Swamiji eerst naar San Francisco zou komen, stuurde Mukunda hem het volgende telegram: “SWAMIJI, BRAHMĀNANDA EN IK ZIJN HET ERMEE EENS DAT U ONMIDDELLIJK KOMT. STUUR BERICHT OVER DE EXACTE AANKOMSTDATUM. MUKUNDA.”
Swamiji was van plan via Tokio te reizen met de bedoeling daar een dag te blijven “om te kijken of ze daar misschien een centrum konden beginnen.” In Tokio zou hij Mukunda per telefoon laten weten hoe laat hij in San Francisco zou aankomen. Maar er gingen drie weken voorbij, voordat Swamiji zijn P-formulier ontving – een document van de Bank van India dat iedere Indiase burger nodig heeft om naar het buitenland te kunnen reizen.
Intussen kreeg hij goed nieuws uit New York. De belangstelling die de Macmillan Company voor de Bhagavad-gītā had getoond, was serieus gebleken: het contract was opgemaakt. Swamiji was heel tevreden over Brahmānanda en schreef hem op 11 november een brief waarin hij zijn ideeën uiteenzette over het verspreiden van Kṛṣṇa-bewuste literatuur.
Als we de boeken hebben, kunnen we onze religie vanuit één punt, zoals New York of San Francisco, over de hele wereld verspreiden. Daarom moeten we Back to Godhead blijven drukken en het tijdschrift steeds mooier maken en steeds meer vedische literatuur uitbrengen, zoals het Śrīmad-Bhāgavatam, het Caitanya-caritāmṛta, enz. …
Swamiji’s gedachten richtten zich meer en meer op het predikwerk dat hem in Amerika wachtte. Hij somde op wat hij tot dusver had gedaan, wat hij nog zou doen en hoe hij dat zou aanpakken. Toen de dag van zijn vertrek tenslotte aanbrak was, gaf hij nog wat laatste instructies aan Acyutānanda, die in India zou blijven om daar het Kṛṣṇa-bewustzijn te prediken.
“Bid tot Heer Kṛṣṇa, dat ik naar Amerika kan gaan”, verzocht hij Acyutānanda.
“Hoe kan ik dat doen? Het betekent dat u me achterlaat.”
Nee, we zullen altijd samen zijn, zolang je mijn onderricht niet vergeet. Als je predikt, zul je sterk worden en zul je deze filosofie in het juiste licht gaan zien. Wanneer we ophouden met prediken, komt alles tot stilstand en verliezen we onze levenskracht. Hier in India denken de mensen dat ze alles weten, maar ze hebben het mis. Horen over Kṛṣṇa kent geen beperkingen. God is onbegrensd. Niemand kan dus zeggen: ‘Ik weet alles over God.’ Mensen die zeggen dat ze alles over God weten, weten niets. Wees niet bang, iedereen zal je waarderen.”
De passagiers en de bemanning van het vliegtuig zagen Swamiji gewoon als een oudere Indiase man in een saffraankleurig gewaad. De stewardessen wisten eerst niet zeker of hij Engels zou verstaan, maar toen hij hen om fruit vroeg, merkten ze dat hij een ontwikkeld en vriendelijk persoon was. Hij was rustig en zat urenlang met zijn bril op in een oud boek uit de Indiase heilige literatuur te lezen. Of hij prevelde een gebed terwijl hij de gebedskralen door zijn vingers liet glijden, die hij in een stoffen zakje bij zich droeg. Soms trok hij een deken over zich heen en rustte wat.
Niemand wist wat hij deed, of nam de moeite ernaar te vragen. Ze wisten niet dat er in San Francisco een groep jonge mensen vol verlangen op hem wachtte, of dat de Macmillan Company in New York zijn Engelse vertaling van de Bhagavad-gītā wilde publiceren, of dat hij in twee landen tempels had en van plan was de beweging over de hele wereld uit te breiden. Geduldig zat hij daar en chantte; hij mediteerde op Kṛṣṇa, terwijl de uren voorbijgleden.
Het vliegtuig landde in San Francisco. Met honderden andere passagiers begaf Swamiji zich langzaam naar de uitgang. Zelfs voordat hij het luchthavengebouw bereikte, zag hij door een glazen wand achter in de lange verbindingstunnel al een paar toegewijden lachen en wuiven. Zodra hij in het luchthavengebouw was, liep hij naar het glas. Zijn leerlingen lieten zich op hun knieën vallen. Toen ze hun hoofd weer optilden, glimlachte hij en liep de gang verder door, terwijl ze naast hem meeliepen. Alleen de glazen wand scheidde hen nog. Toen hij de trap afliep naar het immigratiebureau en de douane, verdwenen ze uit zijn zicht.
Iedereen vond dat Swamiji er geweldig goed uit zag, gebruind na vijf maanden in India, jonger en levendiger. Hij glimlachte en stak zijn armen triomfantelijk omhoog. Sommige toegewijden huilden van vreugde.
Terwijl Swamiji in de rij stond voor de douane, kon hij de kīrtana van de toegewijden horen, want de glazen wanden dempten het geluid maar gedeeltelijk. De douanebeambten negeerden het chanten, hoewel het niet moeilijk was om verband te leggen tussen de in saffraan geklede passagier en de blijde chanters.
Swamiji keek af en toe even naar zijn chantende leerlingen. Hij had maar één koffer om op de tafel voor de controleur te zetten. Deze onderzocht de inhoud systematisch: katoenen sārī’s voor de meisjes, zijden bloemenslingers voor de Jagannātha-Beeldgedaanten, karatāla’s, saffraankleurige dhotī’s en kurtā’s, een rasp voor kokosnoten en flesjes met ayurvedische medicijnen.
“Wat zijn dat?” vroeg de beambte argwanend. De flesjes zagen er vreemd uit en hij riep er een andere controleur bij – oponthoud. Swamiji’s leerlingen raakten in beroering door de kleingeestigheid van de douanebeambten, die in Swamiji’s bezittingen snuffelden en nu de flesjes (stevig met kurkjes afgesloten) openmaakten, eraan roken en de inhoud ervan controleerden. De beambten leken tevreden. Swamiji probeerde zijn koffer dicht te maken, maar kreeg geen beweging in de ritssluiting – nog meer oponthoud. De toegewijden, die nog steeds vol verwachting stonden te chanten, keken toe hoe hij, geholpen door een man die achter hem stond, zijn koffer uiteindelijk toch dicht kreeg.
Hij liep naar de glazen deuren. De toegewijden begonnen als gekken te chanten. Toen hij de hal binnenkwam, blies een toegewijde op een schelphoorn, wat luid weergalmde. Ze hingen hem bloemenslingers om en iedereen drong naar voren om hem bloemen te geven. Hij verscheen in hun midden als een geliefde vader die de omhelzingen van zijn liefhebbende kinderen in ontvangst neemt en beantwoordt.