Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 2
Het prille begin
De nieuwe buurt waarin bhaktivedanta swami terecht was gekomen, was niet zo verlopen als de nabijgelegen Bowery, hoewel ze ook tamelijk eigenaardig was. Recht tegenover zijn winkel gaapte een rij grafstenen hem aan vanuit de sombere, schaars verlichte etalage van Weitzner Brothers and Papper Memorials. Links van de Weitzner Brothers was Sam’s Luncheonette. Naast Sam’s Luncheonette stond een oud gebouw met vier verdiepingen, waarop de letters A.I.R. stonden, daarnaast Ben J. Horowitz Monuments (nog meer grafstenen) en ten slotte de begrafenisonderneming Schwartz. In het volgende blok stak op nummer 43 een verschoten canvas luifel uit over het trottoir: Provenzano Lanza Funeral Home. Dan was er nog Cosmos Parcels (importeurs) en een paar blokken verder naar het noorden het opvallende zwart-witte uithangbord van het Village East Theater.
Een blok verder, aan dezelfde kant van de straat als de winkel, stond de kerk van de Geboorte van Christus – een oud gebouw met drie verdiepingen dat pas blauw geverfd was. Op het dak stond een goudkleurig kruis.
Second Avenue was een hoofdverkeersader voor Oost-Manhattan en het stoplicht op de kruising van Houston en Second Avenue pompte een stroom bestelwagens, taxi’s en personenauto’s langs de deur van Bhaktivedanta Swami. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zoemden er auto’s voorbij, gevolgd door het geluid van remmen, het gespannen wachten, bumper aan bumper, hevig getoeter, dan het knarsen van versnellingen, het grommen en op gang komen van de motoren en dan weer het voorbij zoemen. Het verkeer maakte krankzinnig veel lawaai.
Op 26 Second Avenue waren er eigenlijk twee winkels. De winkel rechts was een doe-het-zelfwasserette en die links was een cadeauwinkel geweest, die nu leeg stond. Beide winkels hadden nauwe ingangen, grote etalageruiten en saaie kleuren. Onder het bord waar Matchless Gifts op stond was het winkelraam, waarachter een paar weken tevoren nog lucifersdoosjes met foto’s van filmsterren uit de jaren dertig en veertig te bewonderen waren geweest. Het bord “Matchless Gifts” was het enige wat nog aan het onlangs opgeheven nostalgische cadeauwinkeltje herinnerde. Onder het winkelraam was een stenen trap naar de kelder en de ketelruimte die door een paar ijzeren deuren aan het zicht onttrokken werd. Het brede trottoir was in de afgelopen jaren op verschillende tijden in gedeelten gelegd, met tegels van diverse vormen en maten. Bepaalde delen vertoonden scheuren of kuilen, en een fijn gruis van minuscule, glinsterende glasscherfjes had zich in de scheuren en verzakkingen verzameld. Een dofzwarte brandkraan stond aan de stoeprand. Midden tussen de ingangen naar elk van de twee winkels was de hoofdingang naar nummer 26. Deze deur kwam uit op een hal met brievenbussen en intercoms aan de muren. Er was ook een afgesloten deur waarachter de gang lag die naar de trappen en het binnenplaatsje leidde.
Links van de etalage was de voordeur: een donkere, houten lijst met daarin een glaspaneel over de volle hoogte. De deur kwam uit in de lange, nauwe winkel, die nu helemaal leeg was. Als je binnenkwam, begon net rechts van de deur een brede vensterbank onder de etalageruit die precies de juiste hoogte had om als zitplaats te dienen. Helemaal achter in de kale, groezelige kamer waren twee getraliede vensters met vuile ramen die op de binnenplaats uitkeken. Aan de linkerkant van het linkse raam was een kleine gootsteen die aan de buitenkant van een piepklein toilet was vastgemaakt, waarvan de deur naar de voorkant van de winkel gericht was. Een deur in de linkermuur van de winkel stond in verbinding met de gang die op de binnenplaats uitkwam.
De binnenplaats was geplaveid met regelmatig gevormde betontegels en omzoomd door heesters en hoge bomen. Er stond een picknicktafel, een cementen vogelbadje en een vogelhuisje op een paal, en meer naar het midden van de binnenplaats waren twee perken met heesters. Hoge muren aan de noord- en zuidkant en huizen aan de voor- en achterkant bakenden de ruimte af. Het stukje lucht erboven was een verademing.
Op de eerste verdieping van het gebouw aan de achterkant van 26 Second Avenue, met uitzicht op de binnenplaats, was het vertrek waar Bhaktivedanta Swami nu zou gaan wonen, werken en vereren. Met behulp van de jongens uit de Bowery had hij zijn nieuwe woonruimte schoongemaakt en er zijn intrek genomen. In de achterkamer – zijn kantoor – had hij tegen een van de muren een dun kussen geplaatst in een hoes met een olifantenprint en vóór het kussen had hij zijn kale, metalen koffer gezet, die nu als bureau dienst deed. De typemachine had hij op het bureau gezet, met aan beide kanten zijn papieren en zijn boeken. Dit werd zijn werkplek. De in een saffraankleurige doek verpakte manuscripten, zijn verzameling Śrīmad-Bhāgavatams en zijn weinige persoonlijke bezittingen, legde hij in de kast tegenover zijn bureau. Aan de muur boven zijn zitplaats hing hij een Indiase kalenderplaat van Heer Kṛṣṇa (een jonge Kṛṣṇa, spelend op Zijn fluit met een koe vlak achter Hem; Heer Kṛṣṇa stond op de planeet aarde die onder Zijn voeten op een kleine heuvel leek). In de muur zaten twee ramen en ’s ochtends viel het zonlicht, dat door de brandtrap gefilterd werd, in kleine vlekjes op de vloer.
De andere kamer was leeg, op een fraaie koffietafel na, die als Bhaktivedanta Swami’s altaar zou gaan dienen. Hierop plaatste hij een ingelijste prent van Heer Caitanya en Zijn metgezellen. Aan de muur hing hij een Indiaas kalenderplaatje van de vierarmige Heer Viṣṇu en Ananta Śeṣa, de hemelse slang. En net als op de zolder in de Bowery spande hij een waslijn.
Beide kamers waren opnieuw geverfd en hadden schone hardhouten parketvloeren. De badkamer was schoon en praktisch en de nauwe, ingerichte keuken ook. Soms stond Bhaktivedanta Swami bij het keukenraam naar buiten te staren, over de muur van de binnenplaats heen. Hij was hier komen wonen zonder te weten of hij de huur voor de volgende maand wel zou kunnen betalen.
Een paar jaar voordat Bhaktivedanta Swami hier aankwam, waren er in de Lower East Side een nieuw soort achterbuurtbewoners verschenen. Hoewel er veel sociologische en culturele analyses van dit verschijnsel gemaakt zijn, blijft het uiteindelijk onverklaarbaar waarom ze zo plotseling opdoken – als een grote zwerm vogels die neerstrijkt of als dieren die opeens met z’n allen uit instinct verhuizen – en waarom ze na een paar jaar weer verdwenen.
In het begin waren de nieuwkomers hoofdzakelijk jonge kunstenaars, musici en intellectuelen geweest, zoals het hippe volkje uit de Bowery-dagen van Bhaktivedanta Swami. Daarna kwamen de kleinburgerlijke drop-outs. Omdat er meer woonruimte beschikbaar was en de huren lager waren dan in het nabijgelegen Greenwich Village, kwam iedereen naar de Lower East Side, dat door de makelaars East Village werd genoemd. Velen kwamen zelfs zonder een woonruimte te hebben gevonden en kampeerden in de portalen van de huizen. Aangetrokken door de lage huren en het vooruitzicht op Boheemse vrijheid, trokken deze jonge drop-outs – de voorlopers van een nationale jongerenbeweging die spoedig in de media bekend zou worden als ‘hippies’ – naar de sloppen van de Lower East Side om heel concreet te protesteren tegen het gegoede materialistische leven in Amerika.
Alsof ze op een instinctieve oproep reageerden, sloten jonge, van huis weggelopen tieners zich bij de oudere hippies aan. Na de weglopers kwamen de politie, de raadgevers, de sociaal- en welzijnswerkers, de jeugdhotels en de drugsadviescentra. Op St. Mark’s Place ontstond een nieuwe, hippe handel met ‘head shops’, poster- en platenwinkels, kunstgalerijen en boekenwinkels die van alles verkochten, van sigarettenvloeitjes tot hippe kleren en psychedelische verlichting.
De hippies kwamen naar de Lower East Side in de volle overtuiging dat dit de plaats was waar ze moesten zijn, precies zoals de immigranten vóór hen. In vroegere tijden was de haven van New York voor de Europese immigranten wanneer ze eindelijk hun eerste blik konden werpen op de silhouetten van Manhattan en het Vrijheidsbeeld– de toegangspoort tot een land van rijkdom en nieuwe kansen. Nu, in 1966, kwam de Amerikaanse jeugd met haar eigen verlangens in drommen naar New York en verlustigde zich in het visioen van hun pas ontdekte mystieke land: de krotten van de Lower East Side.
Dat ging niet zo goed samen, de hippies aan één kant en de Puerto Ricanen, Polen en Oekraïners aan de andere. De gevestigde etnische groeperingen namen aanstoot aan de nieuwkomers die niet echt in krotten hoefden te wonen, terwijl zij dat wel moesten. Eigenlijk stamden veel van de jonge nieuwkomers af van immigrantenfamilies die generaties lang hadden gezwoegd om zich tot de Amerikaanse middenstand op te werken. Niettemin was de trek van de jeugd naar de Lower East Side even echt als de immigratie van de Puerto Ricanen, de Polen of de Oekraïners geweest was, hoewel zij natuurlijk andere motieven hadden.
De hippies hadden zich afgekeerd van het kleinburgerlijk materialisme van hun ouders, van het lege geluk van de tv en van de reclame – de voorbijgaande doelstellingen van de Amerikaanse burgerij. Ze waren gedesillusioneerd door ouders, leraren, geestelijken, publieke leiders en de media, ontevreden met het Amerikaanse beleid in Vietnam en bekoord door politiek-radicale ideologieën. Deze schilderden Amerika af als een wrede, zelfzuchtige, alles uitbuitende gigant die zich nu zou moeten verbeteren of anders zou moeten sterven. En ze waren op zoek naar werkelijke liefde, werkelijke vrede, een werkelijk bestaan en een werkelijk spiritueel bewustzijn.
In de zomer waarin Bhaktivedanta Swami op 26 Second Avenue kwam wonen, was de eerste stroom van het grote jeugdverzet van de jaren zestig al in de Lower East Side aangekomen. Hier waren ze vrij – vrij om in eenvoudige armoede te leven en zichzelf uit te drukken door middel van kunst, muziek, drugs en seks. De zoektocht naar het spirituele was het onderwerp van gesprek. lsd en marihuana waren de sleutels die toegang verschaften tot nieuwe dimensies in het bewustzijn. Oosterse culturen en religies waren in de mode. Door middel van drugs, yoga, broederschap of gewoon door vrij te zijn, zouden ze op de een of andere manier verlichting bereiken. Iedereen werd geacht ruim van geest te zijn en zijn eigen kosmische filosofie te ontwikkelen, gebaseerd op persoonlijke ervaringen, bewustzijnsverruiming door middel van drugs en een mengeling van wat hij hier en daar gelezen had. Ook al leek hun leven misschien doelloos, ze hadden tenminste besloten niet langer mee te doen aan een zinloos spel, waarin de speler zijn ziel verkoopt voor materiële zaken en zo een systeem steunt dat al lang verrot is.
Zo liepen in 1966 duizenden jonge mensen door de straten van de Lower East Side, niet zomaar bedwelmd of verward (hoewel dat vaak wel zo was), maar op zoek naar antwoorden op de grote levensvragen. Ze keerden hierbij de ‘gevestigde orde’ en het vertrouwde leven, zoals dat door miljoenen ‘respectabele’ Amerikanen werd nagestreefd, volledig de rug toe.
Bhaktivedanta Swami was verbaasd dat een welvaartsland als Amerika zoveel ontevreden jongelui kon voortbrengen. Natuurlijk was dit een verder bewijs dat materieel welzijn, het kenmerk van de Amerikaanse levensstijl, mensen niet gelukkig kon maken. Bhaktivedanta Swami zag de onvrede om hem heen niet in termen van de onmiddellijke sociale, politieke, economische en culturele oorzaken. Toestanden in achterbuurten of opstandigheid onder de jeugd waren op zich niet zo belangrijk. Het waren enkel symptomen van een universeel onbehagen waarvoor de enige medicijn het Kṛṣṇa-bewustzijn was. Hij voelde met ieders ellende mee, maar zag er tegelijkertijd de universele oplos-
Bhaktivedanta Swami had geen studie gemaakt van de jeugdbeweging in Amerika voordat hij naar de Lower East Side verhuisde. Hij had zelfs nooit speciale plannen gemaakt om hier midden tussen zoveel jonge mensen terecht te komen. Maar in de tien maanden sinds hij uit Kolkata vertrokken was, was hij door de omstandigheden of, zoals hij het zag, ‘door Kṛṣṇa’s wil’, gedwongen geweest van de ene plaats naar de andere te verhuizen. In opdracht van zijn spiritueel leraar was hij naar Amerika gegaan en door Kṛṣṇa’s wil was hij in de Lower East Side terechtgekomen. Zijn boodschap was dezelfde als in de Bowery, in uptown New York, of zelfs in India. Hij was vast overtuigd van de opdracht van zijn spiritueel leraar en van de vedische zienswijze; een visie die niet beïnvloed zou worden door de radicale veranderingen van de jaren zestig. Maar als zou blijken dat deze jonge mensen, door een paar veranderingen in het Amerikaanse culturele klimaat, bijzonder ontvankelijk voor hem waren, dan was dat welkom. En ook dat was dan de wil van Kṛṣṇa.
Eigenlijk was dit door de onheilspellende invloed van het Kali-tijdperk historisch gezien de slechtste tijd voor spirituele groei, hippierevolutie of niet. En Bhaktivedanta Swami probeerde de vedische cultuur nu in vreemdere bodem over te planten dan welke spiritueel leraar vóór hem ooit had gedaan. Hij verwachtte dus niet anders dan dat zijn werk buitengewoon moeilijk zou zijn. Toch begonnen er nu in dit erg ongunstige tijdperk, vlak voordat Bhaktivedanta Swami in de Lower East Side zou aankomen, golven van ontevredenheid en opstand tegen de cultuur van het Kali-yuga in de Amerikaanse samenleving op te komen. Daardoor overspoelde een golf van jonge mensen de straten van de Lower East Side in New York op zoek naar iets beters dan het vertrouwde leven. Ze keken uit naar alternatieven en zochten naar spirituele vervulling. Deze jonge mensen, die gebroken hadden met hun stereotype materialistische achtergrond en nu in de Lower East Side bij elkaar kwamen, waren er door het toeval of het lot toe bestemd om de kīrtana’s van Bhaktivedanta Swami in de kleine winkelruimte bij te wonen en spirituele begeleiding van hem te ontvangen.
De komst van Bhaktivedanta Swami ging bijna onopgemerkt voorbij. De buren zeiden dat iemand de geschenkenwinkel naast de wasserij had overgenomen. Er hing nu een vreemd schilderij in de etalage, waarvan niemand wist wat het voorstelde. Ze wisten niet wat de Bhagavad-gītā was en de weinigen die het wél wisten, dachten: “Misschien een winkel met boeken over yoga of zoiets.” De Puerto Ricanen uit de buurt keken soms in de etalage naar het schilderij dat Harvey Cohen van Heer Caitanya en Zijn zingende en dansende metgezellen had gemaakt en liepen dan gewoon weer door. De bedrijfsleider van het Mobil tankstation naast de winkel kon het helemaal niet schelen wie er in getrokken was. De grafsteenverkopers en begrafenisondernemers aan de overkant van de straat liet het ook al volkomen koud. En voor de bestuurders van de talloze auto’s en vrachtwagens die langskwamen, bestonden de swami en zijn centrum niet eens. Maar er liepen ook jonge mensen in de buurt rond die geïntrigeerd raakten door het schilderij en die naar de etalage toeliepen om het briefje dat er hing te lezen. Sommigen van hen hadden zelfs van de Bhagavad-gītā gehoord, hoewel het schilderij van Heer Caitanya en de dansers er niet bij leek te passen. Een paar dachten dat ze misschien eens naar de lezingen van Bhaktivedanta Swami moesten gaan om er wat meer over te weten te komen.
Op een morgen in juli was Howard Wheeler van zijn appartement in Mott Street op weg naar een vriend van hem op Fifth Street. Het was daar stil en hij hoopte er wat rust te vinden. Hij liep Mott Street uit in de richting van Houston Street, sloeg rechtsaf en begon in oostelijke richting door de Bowery te lopen, langs het voortrazende verkeer en de strompelende zwervers, de kant van Second Avenue op.
Howard: Toen ik de Bowery uitkwam, zag ik net voor Second Avenue, Swamiji monter over het trottoir wandelen, met opgeheven hoofd en zijn hand in zijn kralenzakje. Hij zag eruit als een beroemde acteur uit een heel bekende film. Hij zag er leeftijdsloos uit. Hij droeg het traditionele saffraankleurige gewaad van een sannyāsī en eigenaardige, witte puntschoenen. Zoals hij door Houston Street liep, leek hij op de geest uit Aladins lamp.
Howard was zesentwintig. Hij was lang en fors gebouwd, had lang, donker haar, een weelderige baard en droeg een bril met een zwart montuur. Hij doceerde Engels aan de rijksuniversiteit van Ohio. Eigenlijk was hij net terug van een reis naar India, waar hij naar een echte guru op zoek was geweest.
Bhaktivedanta Swami zag Howard en ze bleven allebei tegelijk stilstaan. Howard vroeg het eerste wat er bij hem opkwam: “Komt u uit India?” Bhaktivedanta Swami glimlachte: “O ja, en jij?”
Howard: Ik zei dat ik niet uit India kwam, maar er wel net geweest was en dat ik heel veel interesse had in zijn land en in de filosofie van het hindoeïsme. Hij vertelde me dat hij uit Kolkata kwam en nu bijna tien maanden in New York woonde. Zijn ogen waren helder en hartelijk als die van een kind. En zelfs te midden van het vrachtverkeer dat brullend door Houston Street reed, ging er een rust van hem uit die diep geworteld was in iets wat zich ver boven de geweldige wereldstad bevond die rondom ons raasde.
Howard kwam die dag niet meer bij zijn vriend. Hij ging terug naar zijn eigen flat in Mott Street, naar Keith en Wally, zijn kamergenoten, en vertelde hun en iedereen die hij kende over de guru die op onverklaarbare wijze in hun midden verschenen was. Hij vertelde hoe hij met de swami had staan praten en hoe de swami verteld had dat hij vlakbij op Second Avenue woonde, waar hij lezingen wilde gaan geven.
Toho dne už Howard ke svému příteli nedorazil. Vrátil se zpátky do bytu na Mottovu ulici za svými spolubydlícími, Keithem a Wallym, aby jim i všem známým sdĕlil tu novinu o guruovi, který se tak záhadnĕ zjevil přímo mezi nimi. Líčil jim, jak se se Svámím bavili na ulici a jak se Svámí zmínil o svém příbytku na Druhé avenue, kde plánoval pravidelné přednášky.
Howard: Ik liep samen met hem de hoek om. Hij wees naar een klein huis met een winkel, dat tussen First en Second Street naast een Mobil-benzinestation gelegen was. Het was een curiositeitenwinkel geweest en iemand had de tekst Matchless Gifts boven de etalage geschilderd. Op dat moment realiseerde ik me niet hoe profetisch die woorden eigenlijk waren. ‘‘Is dit een goede buurt?” vroeg hij aan mij. Ik zei dat ik dacht van wel. Ik had geen idee wat hij te bieden had in zijn ‘lezingen’, maar ik wist dat al mijn vrienden blij zouden zijn dat er een Indiase swami in de buurt was komen wonen.
Het nieuws dat de swami verhuisd was, ging als een lopend vuurtje rond. Het was voor Carl Yeargens en sommige anderen nu niet zo gemakkelijk om vanuit de Bowery en Chinatown hierheen te komen – ze hadden andere dingen te doen. Maar Roy Dubois, een vijfentwintigjarige schrijver van stripverhalen, had de swami ook op de Bowery bezocht en toen hij hoorde dat de swami verhuisd was, wilde hij wel eens langskomen. James Greene en Bill Epstein waren de swami niet vergeten en wilden ook komen.
Via het restaurant de Paradox kwamen er nog steeds nieuwe mensen. Anderen, zoals Stephen Guarino, kwamen omdat ze het briefje gezien hadden dat de swami voor het raam had gehangen. Steve was zesentwintig en werkte als maatschappelijk werker bij de sociale dienst. Toen hij op een dag tijdens zijn lunchpauze naar huis liep van zijn kantoor op de hoek van Fifth Street en Second Avenue, zag ook hij het briefje dat de swami achter het raam had geplakt. Hij had een paperback Gītā gelezen en nam zich voor zijn lezing bij te wonen. Ook Howard had die dag de korte aankondiging voor het raam gezien, toen hij met de swami voor de winkel stond:
Lezingen over de Bhagavad-gītā
A. C. Bhaktivedanta Swami
Maandag, woensdag en vrijdag
van 19:00 tot 21:00 uur
A. C. Bhaktivedanta Swami
Maandag, woensdag en vrijdag
van 19:00 tot 21:00 uur
“Breng je je vrienden mee?” had Prabhupāda hem gevraagd.
“Ja”, had Howard beloofd. “Maandagavond.”
Het was een warme zomeravond. De voordeur en de ramen achter in de winkelruimte stonden wijd open. Een groep jonge mensen, waarvan verscheidenen gekleed waren in zwarte spijkerbroeken en traditionele sporthemden met vale, brede strepen, hadden hun versleten gymschoenen bij de voordeur laten staan en zaten nu op de grond. De meesten kwamen uit de Lower East Side en geen van hen had er veel moeite voor moeten doen om hier te komen. De kamer was kaal – geen schilderijen, geen meubels, geen tapijt, zelfs nog geen stoel. Er lagen alleen een paar rieten matten en in het midden van de kamer hing een gloeilamp aan het plafond. Het was zeven uur en er waren ongeveer twaalf mensen toen Bhaktivedanta Swami via de zijdeur binnenkwam.
Hij droeg geen overhemd en de saffraankleurige doek die om zijn bovenlichaam gedrapeerd was, liet zijn armen en een gedeelte van zijn borst vrij. Zijn gelaatskleur was goudbruin en met zijn geschoren hoofd, zijn lange oorlellen en de ernstige uitdrukking op zijn gezicht, leek hij in hun ogen wel op plaatjes van de mediterende Boeddha. Hij was oud, maar toch recht van postuur en hij zag er fris en stralend uit. Zijn voorhoofd was gesierd met het geelachtige teken van klei dat de vaiṣṇava’s kenmerkt. Bhaktivedanta Swami herkende de lange Howard met zijn baard en glimlachte. “Heb je je vrienden meegebracht?”
“Ja”, antwoorde Howard met zijn luide, resonerende stem.
“Ah, heel goed.”
Bhaktivedanta Swami stapte uit zijn witte schoenen en ging op een dunne mat zitten. Vervolgens keek hij naar de aanwezige mensen en beduidde dat ze allemaal mochten gaan zitten. Hij deelde een aantal koperen cimbalen uit en gaf kort het ritme aan: een… twee… drie. Toen begon hij te spelen – een opzienbarend, rinkelend geluid. Hij begon te zingen: Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Nu was het de beurt van het publiek. “Zing”, zei hij tegen hen. Sommigen kenden het al en geleidelijk aan vielen anderen bij en na een paar keer zong iedereen mee.
De meeste van de aanwezige jonge mannen en vrouwen waren op een gegeven moment op de psychedelische toer gegaan, op zoek naar een nieuwe wereld van verruimd bewustzijn. Stoutmoedig en roekeloos waren ze de stormachtige en verboden wereld van lsd, peyote en magische paddenstoelen binnengegaan. Ze hadden alle waarschuwingen in de wind geslagen, alles op het spel gezet en het gewoon gedaan. Toch school er verdienste in hun moed en hun gretigheid om de extra dimensies van het zelf te ontdekken en verder te gaan dan het gewone bestaan, ook al wisten ze niet wat ze zouden vinden en of ze ooit nog zouden kunnen terugkeren naar het gemak van het vertrouwde leven.
Toch waren ze, welke waarheid ze ook gevonden mochten hebben, nog steeds niet voldaan. En welke werelden deze jonge, psychedelische reizigers ook ontdekt hadden, steeds waren ze gedwongen geweest weer terug te keren naar de Lower East Side. Nu probeerden ze de Hare Kṛṣṇa-mantra.
Toen de kīrtana begon met de cimbalen en de diepe stem van de swami voelden ze onmiddellijk dat er iets geweldigs ging gebeuren. Dit was weer een gelegenheid om te ‘trippen’ en gewillig lieten ze zich met de stroom meedrijven. Ze gaven zich er helemaal aan over en verkenden de grenzen van de kīrtana. De meesten hadden al een verband gelegd tussen de mantra en de mystieke Upaniṣads en de Gītā, die hen met mysterieuze woorden hadden toegesproken: “Eeuwige ziel… De illusie ontstijgen.” Maar wat deze Indiase mantra ook is, laat maar komen, dachten ze. Laat zijn golven ons maar optillen en ver weg voeren. Laten we het maar proberen en zien wat voor uitwerking het heeft. Het geeft niet wat het ons gaat kosten. Het zingen leek eenvoudig en natuurlijk genoeg. Het was fijn en het kon geen kwaad. Op zijn eigen manier was het ‘te gek’.
Terwijl Bhaktivedanta Swami in innerlijke extase aan het zingen was, bekeek hij zijn bonte groep. Hij was nu aan het doorbreken in een nieuw land. Terwijl de handcimbalen rinkelden, klonk het zingen van de Hare Kṛṣṇa-mantra steeds luider en vulde de avond. Sommige buren ergerden zich. Puerto Ricaanse kinderen verschenen in de deur en bij het raam en keken betoverd toe. De schemering viel.
Het was exotisch, maar toch kon iedereen zien dat de swami een oud gebed zong ter ere van God. Dit was geen rock of jazz. Hij was een heilige, een swami, die in het openbaar zijn godsdienst beleed. Maar het was een vreemde combinatie: een oude Indiase swami die samen met een winkel vol jonge, Amerikaanse hippies een eeuwenoude mantra chantte.
Bhaktivedanta Swami bleef doorzingen met zijn geschoren hoofd hoog opgeheven en zijn lichaam lichtelijk trillend van emotie. Vol vertrouwen leidde hij het zingen van de mantra in zuivere devotie en zij zongen op hun beurt. Er verschenen nog meer voorbijgangers voor de etalage en in de deuropening. Sommigen joelden, maar het chanten overstemde hen. Bij het geluid van de kīrtana, klonk zelfs het claxonneren van de auto’s maar als een flauw staccato. Het razen van de auto’s en het gedreun van de vrachtwagens bleef doorgaan, maar nu ver weg; je merkte het niet meer.
De groep zat bijeen in het zwakke licht van een enkele lamp in de kale kamer en volgde hun leider in het zingen. Wat begon als een flauw, aarzelend koor, zwol geleidelijk op tot een bijna harmonieuze samenzang. Ze bleven zo hard ze konden in hun handen klappen en zingen in de hoop zo het geheim ervan te ontdekken. Deze swami gaf niet zomaar een demonstratie van vijf minuten. Op dit moment was hij hun leider, hun gids in een onbekend gebied. De enige keer dat Howard en Keith in Kolkata een kīrtana hadden meegemaakt, waren ze buitenstaanders gebleven. Het zingen was niet hetzelfde als nu, nu ze in de Lower East Side door een echte swami werden geleid.
In hun hart hadden ze het psychedelische verlangen om Gods gezicht te zien, fantasieën en visioenen van de hindoeleer en het vermoeden dat ‘Het’ allemaal onpersoonlijk licht was. Op de Bowery had Bhaktivedanta Swami met een gelijksoortige groep te maken gehad en hij wist dat deze groep de mantra door gebrek aan eerbied en kennis niet op de juiste manier ervaarde. Maar hij liet hen op hun eigen manier chanten. Te zijner tijd zouden ze zich vanzelf onderwerpen aan dit spirituele geluid en zouden ze gezuiverd en verlicht worden en in extase raken bij het chanten en horen van Hare Kṛṣṇa.
Hij stopte de kīrtana. Het chanten had de wereld teruggedrongen, maar nu drong de Lower East Side zich weer op. De kinderen bij de deur begonnen te praten en te lachen. Het geraas van auto’s en vrachtwagens was weer te horen. En vanuit een appartement vlakbij schreeuwde iemand dat het stil moest zijn. Het was nu iets over half acht. Er was een half uur voorbijgegaan.
Zijn lezing ging over heel fundamentele zaken, maar was (voor de rusteloze jeugd) toch te filosofisch. Sommigen konden er niet tegen en waren zo onbeleefd om bij het horen van de eerste woorden van de swami op te staan, bij de voordeur hun schoenen aan te trekken en de straat weer op te gaan. Anderen waren al weggegaan, zodra ze zagen dat het zingen voorbij was. Toch was dit de beste groep die hij tot nu toe had gehad. Er waren een paar van zijn oude Bowery groep aanwezig. De jongens van Mott Street waren er en ze waren specifiek op zoek naar een guru. Veel mensen in deze groep hadden de Bhagavad-gītā al gelezen en ze waren niet te trots om toe te geven dat ze er niet veel van begrepen hadden.
Het was een hete en lawaaierige juli-avond. De kinderen hadden zomervakantie en bleven tot het donker op straat spelen. Vlakbij blafte een grote hond – woef! woef! woef! – constant denderde er verkeer door de straat en vlak bij het raam waren kleine meisjes aan het gillen. Dit alles maakte het lesgeven moeilijk. Toch wilde hij, ondanks het lawaai van de kinderen, het verkeer en de honden, dat de deur openbleef. Als hij dicht was, vroeg hij: “Waarom is de deur dicht? Misschien willen er nog mensen binnenkomen.” Onverstoorbaar ging hij verder, citeerde het Sanskriet, hield de aandacht van zijn publiek gevangen en onthulde zijn dringende boodschap, terwijl de eindeloze kakafonie wedijverde met elk woord dat hij zei …
“Woef! Woef! Woef!”
“Iiiiiiiiik! Jaaaaaaaaa!” Gillende meisjes verstoorden de rust in het hele blok. In de verte schreeuwde een man uit het raam: “Maak dat jullie wegkomen! Schiet op!”
Bhaktivedanta Swami: ''Vraag eens of ze niet zoveel lawaai willen maken.''
roy (een van de jongens in de tempel) Die man is de kinderen nu aan het wegjagen.
Bhaktivedanta Swami: ''Ja, die kinderen zijn erg storend. Vraag of ze…''
Roy: Ja, dat doet… die man is ze net aan het wegjagen.
Bhaktivedanta Swami: ''Ze maken te veel lawaai.''
Roy: ''Ja, hij jaagt ze nu weg.''
De man jaagde de kinderen weg, maar ze zouden vast weer terugkomen. Je kon kinderen nu eenmaal niet zomaar van de straat afjagen – ze woonden er nu eenmaal. En die grote hond bleef maar blaffen. En wie kon de auto’s laten ophouden? Die waren er altijd. Bhaktivedanta Swami gebruikte de auto’s om een voorbeeld te geven. Wanneer een auto op Second Avenue even binnen ons gezichtsveld komt, denken we natuurlijk niet dat hij, voordat we hem zagen, niet bestond of dat hij ophoudt te bestaan zodra hij uit ons gezichtsveld verdwenen is. Op dezelfde manier betekent het niet dat wanneer Kṛṣṇa van deze planeet naar een andere gaat, Hij niet langer bestaat, hoewel dat wel zo mag lijken. Eigenlijk is Hij alleen maar uit ons gezichtsveld verdwenen. Kṛṣṇa en Zijn incarnaties verschijnen en verdwijnen voortdurend op ontelbare planeten in de talloze universums van de materiële schepping.
Een nooit aflatende stroom auto’s raasde en denderde door elk woord dat Bhaktivedanta Swami zei. Als hij de deur uitstapte, stond hij aan de oever van een rivier van koolmonoxide, asfalt en ontelbare auto’s. Hij was van ver gekomen, van de oevers van zijn Yamunā in Vṛndāvana, waar door de eeuwen heen grote heiligen en wijzen bijeen waren gekomen om het Kṛṣṇa-bewustzijn te bespreken. Maar zijn toehoorders woonden hier, in deze omgeving, dus was hij hier naartoe gekomen om de tijdloze boodschap uit te spreken langs de voortsnellende verkeersstroom van Second Avenue.
Nog steeds legde hij de nadruk op hetzelfde punt: wat je ook doet in Kṛṣṇa-bewustzijn, hoe onbeduidend het ook mag zijn, het zal je eeuwig ten goede komen. Toch spoorde hij nu, meer dan in Noord of op de Bowery, zijn toehoorders aan het Kṛṣṇa-bewustzijn volledig te aanvaarden en toegewijden te worden. Hij verzekerde hen…
“Het doet er niet toe wat iemand vroeger gedaan heeft, wat voor zonden hij allemaal heeft begaan. Misschien is iemand in het begin niet volmaakt, maar als hij bezig is met devotionele dienst zal hij worden gezuiverd.”
Ineens kwam er fluitend en lallend een zwerver van de Bowery binnen. De toehoorders bleven zitten, niet wetend wat ze ervan moesten denken.
Dronkaard: ''Hoe is ’t ermee? Ik ben zo terug. Ik heb nog iets anders meegebracht.''
Bhaktivedanta Swami: ''Stoor niet zo. Ga zitten. We zijn serieus aan het praten.''
Dronkaard: ''Ik zal het daar neerzetten. In een kerk? Goed dan. Ik ben zo terug.''
De man had wit haar, een korte, grijze baard en droeg vieze kleren. De hele tempel rook naar hem. Dan liep hij plotseling weer slingerend naar buiten en was verdwenen. Bhaktivedanta Swami grinnikte zachtjes en ging meteen weer verder met zijn lezing.
Maar na vijf minuten kwam de oude zwerver weer terug en kondigde zijn entree aan: “Hoe is ’t ermee?” Hij had iets bij zich. Hij manoeuvreerde zich door de groep en liep recht naar de achterkant van de tempel, waar de swami zat. Hij deed de deur van het toilet open, zette er twee rollen toiletpapier neer, deed de deur weer dicht en draaide zich om naar de gootsteen. Hij zette er een paar keukenrollen bovenop en nog twee rollen toiletpapier en wat keukenrollen eronder. Daarna ging hij weer rechtstaan en draaide zich om naar de swami en het publiek. De swami keek hem aan en vroeg: “Wat heeft dit te betekenen?” De zwerver was stil; hij had zijn werk gedaan. De swami begon te lachen, terwijl hij zijn bezoeker, die nu naar de deur toeliep, bedankte: “Dank u wel. Heel hartelijk bedankt.” De zwerver ging naar buiten. “Kijk”, Bhaktivedanta richtte zich nu tot zijn groep. “De neiging om van dienst te zijn is natuurlijk. Jullie hebben het zelf gezien. Hij was niet helemaal in orde, maar toch dacht hij bij zichzelf: ‘Hier is iets te doen. Laat ik die mensen een dienst bewijzen.’ Het ging bijna vanzelf. Het is gewoon iets natuurlijks.”
De jonge mensen in de groep keken elkaar eens aan. Dit was werkelijk ‘te gek’ – eerst het zingen met de koperen cimbalen, de swami die eruit zag als Boeddha en over Kṛṣṇa sprak en zong, en toen dat gekke voorval met die zwerver. Maar de swami bleef er kalm onder, hij was echt cool, zoals hij daar op de vloer zat, alsof hij nergens bang voor was, en zoals hij gewoon zijn filosofie over de ziel uitlegde en zei dat ze heiligen moesten worden en dat zelfs die oude dronkenlap een heilige kon worden!
Bijna een uur later blafte de hond nog steeds en waren de kinderen nog steeds aan het krijsen. De swami beantwoordde enkele vragen en begon weer een kīrtana. En opnieuw maakte de Lower East Side plaats voor een andere wereld. Het zingen begon: de koperen cimbalen, de stem van Bhaktivedanta Swami die de melodie aangaf en het publiek dat op zijn beurt zong. Zo ging het een half uur door en hield toen op.
Bijna een uur later blafte de hond nog steeds en waren de kinderen nog steeds aan het krijsen. De swami beantwoordde enkele vragen en begon weer een kīrtana. En opnieuw maakte de Lower East Side plaats voor een andere wereld. Het zingen begon: de koperen cimbalen, de stem van Bhaktivedanta Swami die de melodie aangaf en het publiek dat op zijn beurt zong. Zo ging het een half uur door en hield toen op.
De leden van de groep kauwden in stilte op kleine stukjes appel. Ze keken toe hoe de swami opstond, in zijn schoenen stapte en door de zijdeur verdween.
“We zullen onze gemeenschap ISKCON noemen.” Bhaktivedanta Swami had speels gelachen, toen hij met dit acroniem voor de dag was gekomen.
Die lente was hij, toen hij nog op de Bowery woonde, begonnen met de voorbereidingen om een erkende stichting op te richten. Maar zelfs vóór de zaak juridisch rond was, had hij het steeds over zijn Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn gehad en zo was deze naam ook verschenen in brieven naar India en in The Village Voice. Een vriend had een naam gesuggereerd die de westerlingen wat vertrouwder in de oren zou klinken, Internationale Gemeenschap voor Godsbewustzijn. Maar ‘God’ was een vage term, terwijl ‘Kṛṣṇa’ exact en wetenschappelijk was; ‘Godsbewustzijn’ was spiritueel zwakker, minder persoonlijk. En als westerlingen niet wisten dat Kṛṣṇa God was, dan zou de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn het hun wel vertellen, door Zijn glorie “In alle steden en dorpen” te verspreiden.
‘Kṛṣṇa-bewustzijn’ was Bhaktivedanta Swami’s eigen vertaling van een uitdrukking uit Śrīla Rūpa Gosvāmī’s Padyāvali uit de zestiende eeuw. Kṛṣṇa-bhakti-rasa-bhāvita: “Volledig opgaan in de zoete smaak van het verrichten van devotionele dienst aan Kṛṣṇa.” De doeleinden die genoemd worden in de statuten van iskcon onthullen Bhaktivedanta Swami’s manier van denken. Het betrof zeven punten, dezelfde die hij in 1954 in Jhansi, India, had opgesteld in de Prospectus for the League of Devotees. Die poging was mislukt, maar zijn doelstellingen waren onveranderd gebleven.
Zeven doelstellingen van de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn:
(a) Het systematisch overdragen van spirituele kennis onder brede lagen van de bevolking en het onderrichten van alle mensen in de technieken van het spiritueel leven, met als doel de aantasting van de levenswaarden tegen te gaan en tot werkelijke eenheid en vrede in de wereld te komen;
(b) Het bevorderen van het bewustzijn van Kṛṣṇa, zoals het geopenbaard is in de Bhagavad-gītā en het Śrīmad-Bhāgavatam;
(c) Het dichter bij elkaar brengen en dichter bij Krishna brengen van alle leden van de iskcon-gemeenschap, zodat het gedachtegoed dat elke ziel deel uitmaakt van de Godheid (Kṛṣṇa) zich kan ontwikkelen onder de leden van iskcon en onder de hele mensheid;
(d) Het onderwijzen en aanmoedigen van de sankīrtana-beweging, het gezamenlijk zingen van de heilige naam van God, zoals dit in de leringen van Heer Caitanya Mahāprabhu wordt geopenbaard;
(e) Het oprichten van een heilige plaats van transcendentale activiteiten gewijd aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods voor iskcon-leden en heel de samenleving;
(f) De leden dichter bij elkaar brengen om hen een eenvoudigere en meer natuurlijke levenswijze bij te brengen;
(g) Publicatie van tijdschriften, boeken en andere teksten ter verwezenlijking van de bovengenoemde doelstellingen.
Ongeacht wat de medeoprichters van iskcon van de doelstellingen van de gemeenschap dachten, zag Bhaktivedanta Swami ze als op handen zijnde werkelijkheden. Zoals de metroconducteur die Bhaktivedanta Swami in 1965 ontmoette op een bankje in een park in Manhattan, opmerkte: “Hij leek te weten dat hij tempels vol met toegewijden zou krijgen. ‘Er zijn tempels en boeken,’ zei hij. ‘Ze zijn er al, maar we zijn er door de tijd nog van gescheiden.’ “
Natuurlijk had geen van zijn vroege volgelingen, die de statuten van ISKCON hadden ondertekend, een idee van de vorm die de droom van de swami op korte termijn zou aannemen. Toch waren deze zeven doelstellingen niet gewoon bedoeld als theïstische retoriek, bedacht om een paar regeringsambtenaren van de staat New York te overtuigen. Bhaktivedanta Swami was van plan elk onderdeel van het handvest te verwezenlijken.
Door de aanwezigheid van de swami, zijn lezingen en de kīrtana’s, was iedereen de winkel al ‘de tempel’ gaan noemen. Maar toch was het nog steeds niets meer dan een kale, behoorlijk vieze winkel. De ingeving om de boel een beetje op te knappen kwam van de jongens van Mott Street.
Howard, Keith en Wally maakten een plan om de swami te verrassen als hij ’s avonds naar de kīrtana zou komen. Wally haalde de gordijnen uit hun appartement, bracht ze naar de wasserette (waar het water donkerbruin werd van het vuil dat eraf kwam) en verfde ze purper. Het appartement in Mott Street was versierd met posters, schilderijen en grote zijden wandkleden die Howard en Keith uit India hadden meegebracht. De jongens zochten al hun schilderijen, wandtapijten, wierookbranders en ander toebehoren bijeen en brachten alles, samen met de purperen gordijnen, naar de winkel waar ze een hele dag werkten om alles te versieren.
Ze timmerden een houten podium voor de swami om op te zitten en legden er een oude fluwelen doek overheen. Achter het podium, tegen de achtermuur tussen de twee ramen die op de binnenplaats uitkeken, hingen ze de purperen gordijnen op, met aan iedere kant daarvan nog een oranje gordijn. Tegen een van deze oranje gordijnen, precies boven de zitplaats van de swami bevestigden ze een groot, origineel schilderij van Rādhā en Kṛṣṇa, dat op een rond doek geschilderd was door een zekere James Greene. Bhaktivedanta Swami had James opgedragen dit te doen en hem de stofomslag van zijn Śrīmad-Bhāgavatam, waar een primitieve Indiase tekening op stond, als voorbeeld gegeven. De figuren van Rādhā en Kṛṣṇa waren een beetje abstract, maar de critici van de Lower East Side die de winkel regelmatig bezochten, prezen het werk en zeiden dat het een geweldige prestatie was.
Keith en Howard hadden er niet zoveel vertrouwen in dat de swami hun schilderijen en prenten uit India zou goedkeuren, dus hingen ze die dicht bij de straatkant van de tempel, een beetje weg van de plaats waar de swami zat. Een van deze prenten was in India heel bekend en stelde Hanumān voor die vliegend een berg naar Heer Rāmacandra droeg. De jongens hadden er geen flauw idee van wat voor wezen Hanumān was. Ze dachten dat hij misschien een kat was, vanwege de vorm van zijn bovenlip. Dan was er nog de afbeelding van een mannelijk persoon met zes armen. Twee ervan, die groenachtig geschilderd waren, hielden een pijl en boog vast. Een tweede paar, blauwachtig van kleur, hield een fluit vast. En het derde paar, goudkleurig geschilderd, hield een stok en een kom vast.
Tegen de avond hadden ze de verhoging om op te zitten overtrokken, de gordijnen opgehangen, de zijden wanddoeken en de prenten aan de muur geprikt en de schilderijen opgehangen en waren ze bezig het podium met bloemen en kaarsen te versieren. Iemand bracht een kussen voor de swami en een ander, een verschoten kussen van een gestoffeerde stoel, als rugsteun.
Als aanvulling op de huisraad uit Mott Street nam Robert Nelson, een vriend van de swami uit Noord, een van zijn grootvaders oosterse tapijten mee uit zijn garage en bracht het met de metro naar 26 Second Avenue. Zelfs Raphaël en Don, twee hippies die alleen geïnteresseerd leken te zijn in gratis eten en een slaapplaats, hielpen bij het versieren.
Het geheim was goed bewaard gebleven en de jongens waren benieuwd hoe de swami zou reageren. Die avond, toen hij naar binnen liep om de kīrtana te beginnen, zag hij de nieuw ingerichte tempel (er brandde zelfs wierook) en trok van tevredenheid zijn wenkbrauwen op: “Jullie maken vooruitgang”, zei hij terwijl hij met een brede glimlach de kamer rondkeek. “Ja,” voegde hij eraan toe, “dit is Kṛṣṇa-bewustzijn.” Zijn plotselinge blije stemming was als een beloning voor hun ijverige inspanningen. Toen stapte hij het podium op – de jongens hielden hun adem in en hoopten dat het zou houden – en ging zitten terwijl hij naar de toegewijden en de versieringen om zich heen keek.
Ze hadden hem plezier gedaan. Maar nu kreeg zijn gezicht een buitengewoon ernstige uitdrukking en hoewel ze natuurlijk wisten dat hij dezelfde Swamiji was, bleef hun gegrinnik hun in de keel steken en maakten de blijde blikken die ze elkaar toewierpen plaats voor onzekerheid en nervositeit. Bij het zien van Swamiji’s ernst leek hun vreugde van enkele ogenblikken geleden opeens kinderachtig. Zoals een wolk de zon heel snel als een donkere schaduw kan bedekken, zo liet de swami zijn stemming van vrolijk naar ernstig omslaan en ze besloten spontaan om even ernstig en nuchter te worden. Hij pakte de karatāla’s op en lachte nog eens stralend uit waardering en hun harten straalden terug.
De tempel was nog steeds een heel kleine winkel, met veel verborgen en niet-verborgen kakkerlakken, een schuin aflopende vloer en armzalige verlichting. Maar omdat veel van de versieringen uit India kwamen, hing er nu een authentieke sfeer, vooral wanneer de swami op het podium zat. Nu bevonden bezoekers die binnenkwamen zich plotseling in een Indiaas tempeltje.
Bhaktivedanta Swami keek naar zijn groepje volgelingen. Hij was ontroerd door het feit dat ze hem een ereplaats hadden aangeboden en door hun pogingen om Kṛṣṇa’s winkel wat beter in te richten. Het was niet nieuw voor hem een toegewijde iets aan Kṛṣṇa te zien offeren. Maar dit was wel nieuw. Er was een bhakti-zaadje aan het groeien in New York en natuurlijk was hij, als de tuinman van deze tere loot, geroerd door Kṛṣṇa’s genade. Terwijl hij een blik wierp op de afbeeldingen aan de muur zei hij: “Morgen zal ik de afbeeldingen komen bekijken en jullie vertellen welke goed zijn.”
De volgende dag kwam Bhaktivedanta Swami naar beneden om de nieuwe kunstwerken aan de muur te keuren. Er was een ingelijst waterverfschilderij waarop een man een drum bespeelde, terwijl een meisje erbij danste. “Deze is goed”, zei hij. Maar van een ander schilderij van een vrouw, dat wat wereldser was, zei hij: “Nee, dit schilderij is niet zo goed.” Hij liep naar de achterkant van de tempel, terwijl Howard, Keith en Wally hem ongerust volgden. Toen hij bij het schilderij van de persoon met de zes armen kwam, zei hij: “Oh, deze is heel mooi.”
“Wie is dat?” vroeg Wally.
“Dat is Heer Caitanya”, antwoordde Swamiji.
“Waarom heeft hij zes armen?”
“Omdat Hij liet zien dat Hij zowel Rāma als Kṛṣṇa was. Dit zijn de armen van Rāma en dit zijn de armen van Kṛṣṇa.”
“Wat betekenen die andere twee armen?” vroeg Keith.
“Dat zijn de armen van een sannyāsī.”
Hij liep naar het volgende schilderij. “Deze is ook heel mooi.”
“Wie is het?” vroeg Howard.
“Dit is Hanumān.”
“Is hij een kat?”
“Nee,” antwoordde de swami, “een aap.”
Hanumān wordt in het Rāmāyaṇa verheerlijkt als de heldhaftige, trouwe dienaar van Heer Rāmacandra. Miljoenen Indiërs vereren Heer Rāma en Zijn dienaar Hanumān en hun heldendaden worden het hele jaar door uitgebeeld in theaters, bioscopen, tempels en kunst. Het feit dat ze niet wisten wie Hanumān was, maakte de jongens uit Mott Street niet minder onwetend dan de oude dametjes in Noord, die allemaal voor zich uit hadden gestaard toen Bhaktivedanta Swami gevraagd had of een van hen ooit een afbeelding van Kṛṣṇa had gezien. De mystici van de Lower East Side konden Hanumān niet eens van een kat onderscheiden en uit hun hasjiesj-versie van India hadden ze een afbeelding van Heer Caitanya Mahāprabhu meegebracht zonder ook maar te weten wie Hij was. Toch was er een belangrijk verschil tussen deze jongens en de dames van Noord: de jongens dienden Swamiji en chantten Hare Kṛṣṇa. Ze hadden afgerekend met het materiële leven en het arbeidsethos van de middenstand. Swamiji’s belofte van een hoger bewustzijn – Kṛṣṇa-bewustzijn – had hun hart beroerd, en in zijn persoonlijke nabijheid voelden ze iets verhevens. Net zoals de zwerver van de Bowery, die tijdens een lezing van Bhaktivedanta Swami toiletpapier was komen brengen, hadden de jongens van de Lower East Side ze soms niet allemaal op een rijtje. Maar toch, in Bhaktivedanta Swami’s ogen, gaf Kṛṣṇa hen leiding van binnenuit. Bhaktivedanta Swami wist dat ze in positieve zin zouden veranderen door te chanten en over Kṛṣṇa te horen.
De maand augustus van de zomer van 1966 kondigde zich aan en Bhaktivedanta Swami genoot nog steeds een goede gezondheid. Dit waren gelukkige dagen voor hem. De New Yorkers klaagden over de zomerse hittegolven, maar voor iemand die gewend was aan temperaturen van meer dan 40 graden Celsius, zoals gemeten in de snikhete zomers van Vṛndāvana, bracht dit geen ongemakken met zich mee. “Het is net India”, zei hij. Hij liep zonder shirt rond en voelde zich duidelijk helemaal in zijn element. Hij had gedacht dat hij in Amerika alleen gekookte aardappels zou kunnen eten omdat er niets anders dan vlees te krijgen zou zijn, maar hij kon hier gewoon dezelfde rijst, dāl en chapati’s klaarmaken en in dezelfde drie-lagige pan koken als in India. Sinds hij naar Second Avenue was verhuisd, had hij ook regelmatig aan het Śrīmad-Bhāgavatam kunnen werken. En nu had Kṛṣṇa hem deze oprechte, jonge mensen gebracht. Ze kookten en typten voor hem, kwamen regelmatig naar hem luisteren, chantten Hare Kṛṣṇa en vroegen om meer.
Bhaktivedanta Swami was nog steeds een eenzame prediker, vrij om te blijven of te vertrekken. Hij schreef zijn boeken in een eigen vertrouwelijke relatie met Kṛṣṇa, volkomen onafhankelijk van de jongens in de winkel. Maar nu had hij de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn als zijn spiritueel kind aangenomen. De weetgierige jongelui waarvan sommigen al meer dan een maand lang regelmatig chantten, waren spiritueel gezien nog maar struikelende kleuters en hij voelde zich geroepen hen te begeleiden. Ze begonnen hem als hun spiritueel leraar te beschouwen en ze vertrouwden erop dat hij hen het spiritueel leven binnen zou leiden. Hoewel ze niet in staat waren zich meteen aan de verschillende regels te houden waaraan de brāhmaṇa’s en vaiṣṇava’s in India zich hielden, had hij goede hoop. Volgens Rūpa Gosvāmī was het belangrijkste beginsel, dat we ‘op de een of andere manier’ Kṛṣṇa-bewust moeten worden. De mensen moesten beginnen met het chanten van Hare Kṛṣṇa en devotionele dienst gaan verrichten. Ze konden alles wat ze maar bezaten, gebruiken bij het dienen van Kṛṣṇa. En Bhaktivedanta Swami voerde dit basisprincipe van het Kṛṣṇa-bewustzijn verder door dan in de geschiedenis van het Vaiṣṇavisme ooit was gebeurd.
Hoewel hij de jongens liet koken en typen, werkte Bhaktivedanta Swami er zelf niet minder hard om. In realiteit was het zo dat voor elke oprechte ziel die naar voren kwam en om devotionele dienst vroeg, er honderd andere waren die niet wilden dienen maar hem kwamen uitdagen. Prabhupāda sprak met hen en verdedigde Kṛṣṇa tegen hun Māyāvāda-filosofie, soms schreeuwend en met zijn vuisten zwaaiend. Ook zo diende hij Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura. Hij was niet naar Amerika gekomen om met pensioen te gaan. Elke dag opnieuw kwam er wel weer een bevestiging dat zijn werk en zijn volgelingen en ook zijn belagers alleen maar zouden toenemen.
Hoeveel hij zou kunnen doen, lag in Kṛṣṇa’s hand. “Ik ben een oude man”, zei hij. “Ik zou ieder moment kunnen heengaan.” Maar als hij nu heenging, zou het Kṛṣṇa-bewustzijn zeker ook verdwijnen, want de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn bestond enkel uit hem. Hij was het die het chanten leidde, terwijl zijn hoofd heen en weer bewoog met kleine, extatische bewegingen, hij die het binnenplaatsje overstak op weg naar de tempel of naar zijn kamer, hij die glimlachend uur na uur over de filosofie zat te discussiëren – hij alleen was de drager en instandhouder van de zwakke, tere, beheerste atmosfeer van het Kṛṣṇa-bewustzijn in de Lower East Side van New York.
In de achterkamer van zijn woning was Prabhupāda meestal alleen, vooral vroeg in de ochtend – tussen twee en vier – wanneer er bijna niemand anders wakker was. In deze vroege uren was het stil op zijn kamer en werkte hij alleen in de vertrouwelijke sfeer van zijn relatie met Kṛṣṇa. Hij zat op de vloer achter zijn kofferbureau en vereerde Kṛṣṇa door de vertalingen en commentaren van zijn Śrīmad-Bhāgavatam te typen.
Maar dezelfde achterkamer werd ook voor bijeenkomsten gebruikt en iedereen die bij de swami aanklopte kon binnenkomen voor een persoonlijk gesprek. Prabhupāda schoof dan een beetje van zijn typemachine af en nam alle tijd om te praten, te luisteren, vragen te beantwoorden en soms om te debatteren of grapjes te maken. Een bezoeker kon soms een half uur lang met hem alleen zijn voordat er iemand anders aanklopte en Swamiji de nieuwkomer uitnodigde bij hen te komen zitten. Er kwamen gasten bij en anderen gingen weg, maar Swamiji bleef en sprak.
Over het algemeen waren de bezoeken formeel – zijn gasten kwamen met filosofische vragen en hij beantwoordde ze, ongeveer zoals na een lezing in de tempel. Maar vooral op dinsdag-, donderdag-, zaterdag- en zondagavond, als er geen avondlezing in de tempel was, gaf hij al zijn tijd aan de jongens die zijn serieuze volgelingen begonnen te worden. Vaak kwamen ze dan met persoonlijke vragen: Hoe was het toen hij in New York aankwam? En in India? Had hij daar ook volgelingen? Waren zijn familieleden toegewijden van Kṛṣṇa? Wat voor iemand was zijn spiritueel leraar? En dan praatte hij op een andere manier – zachter, vertrouwelijker en vol humor.
Op een avond vertelde hij hoe hij zijn spiritueel leraar had ontmoet. Ook vertelde hij hun over zijn jeugd in India en hoe hij zijn eigen farmaceutisch bedrijf was begonnen en ook hoe hij in 1959 huis en haard had verlaten om sannyāsa te nemen. De jongens waren geïnteresseerd, maar hadden zo weinig weet van de dingen waar de swami over sprak, dat wanneer hij woorden als mṛdaṅga of sannyāsa gebruikte, ze hem moesten vragen wat het betekende. Maar ook andere onderwerpen kwamen aan bod, zoals Indiase specerijen, Indiase drums en zelfs Indiase vrouwen. En over alles waarover hij sprak, liet hij uiteindelijk het licht van de śāstra, de heilige teksten, schijnen. Zulke gesprekken vonden niet sporadisch plaats; hij was ieder uur van de dag klaar voor een gesprek, zolang er maar een belangstellend oor was.
Om 12 uur ’s middags werd de voorkamer van Swamiji’s appartement de eetkamer en ’s avonds de plaats waar de eredienst gehouden werd. Swamiji hield de kamer schoon en leeg; de koffietafel die eenzaam tegen de muur stond tussen de twee ramen die op de binnenplaats uitkeken, was het enige meubilair. Elke dag kwamen er nu zo’n twaalf mensen bij hem lunchen. De maaltijd werd klaargemaakt door Keith, die de hele morgen in de keuken stond.
In het begin had Keith alleen voor de swami gekookt. Hij was de kunst meester geworden van het koken van dāl, rijst en sabjī in de drie-lagige pan van de swami en gewoonlijk was er ook genoeg geweest voor een of twee gasten. Maar al spoedig waren er meer gasten gekomen en Swamiji had Keith gevraagd om méér te koken (de kleine drie-lagige pan werd weggezet), totdat hij voor een dozijn hongerige mensen aan het koken was. De kostgangers, Raphaël en Don, mochten dan weinig interesse hebben voor wat de swami te vertellen had, ze kwamen wel elke dag precies op tijd voor prasādam, gewoonlijk vergezeld van één of twee vrienden. Steve kwam altijd langs vanuit zijn werk bij de sociale dienst. De groep uit Mott Street was er geheid. En er waren nog wat anderen.
De keuken stond vol met gangbare, Indiase specerijen: verse chilipepertjes, verse gember, komijnzaad, geelwortel en asafoetida. Keith leerde de basisvaardigheden in koken en gaf ze door aan zijn vriend Chuck, die zijn assistent werd. Er stonden vaak een paar jongens in de deur van het smalle keukentje naar Keith te kijken, terwijl de ene pannenkoekachtige capātī na de andere als een voetbal opzwol boven de open vlam en dan op de dampende stapel terechtkwam.
Als de fijne bhasmatirijst gaarkookte tot een vochtig, vlokkig wit geheel en de sabjī stond te sudderen, bereikte het koken van de lunch zijn hoogtepunt met de chaunce. Keith maakte de chaunce precies zoals de swami hem dat had laten zien. Hij zette een metalen kop, half gevuld met geklaarde boter, op het vuur en deed er dan komijnzaad in. Als de zaadjes bijna zwart waren, deed hij er chilipepertjes bij en wanneer die zwart werden, begon er een verstikkende rook uit de kop te komen. Nu was de chaunce klaar. Met zijn keukentang pakte Keith de kop op, terwijl het borrelende en knetterende mengsel rookte als een tovenaarsbrouwsel, en bracht het naar de rand van de pan met kokendhete dāl. Hij lichtte het goed sluitende deksel een eindje op, liet met een snelle beweging van zijn pols de kokendhete chaunce in de dāl vallen en zette het deksel direct terug op de pan… PAUW! De botsing van de chaunce en de dāl veroorzaakte een ontploffing die met gejuich vanuit de deuropening werd begroet. Nu was het koken gedaan. Op een keer was de explosie zo hevig dat het deksel van de pan met een luide knal tegen het plafond vloog en de rondspattende dāl kleine brandwonden aan Keith’s hand veroorzaakte. Sommige buren klaagden over de scherpe, doordringende geuren. Maar de toegewijden vonden het heerlijk.
Als de lunch klaar was, waste Swamiji zijn handen en mond in de badkamer en kwam naar de voorkamer. Hij liep altijd op blote voeten die er zacht en rozig uitzagen, en zijn saffraankleurige dhotī reikte tot aan zijn enkels. Dan ging hij met de jongens om hem heen bij de koffietafel staan, waarop de foto van Heer Caitanya en Zijn metgezellen stond. Keith bracht een groot dienblad met stapels capātī’s binnen en zette deze met de pannen met rijst, dāl en sabjī op de vloer voor de tafel. Swamiji reciteerde dan een Bengaals gebed om het voedsel aan de Heer te offeren en alle aanwezigen deden mee door op hun knieën, met hun hoofd naar de vloer, te buigen en het Bengaalse gebed zo goed mogelijk, woord voor woord, na te zeggen. De stoom en de mengeling van aroma’s kringelden voor het schilderij van Heer Caitanya omhoog als een wierookoffer.
Swamiji zat altijd bij zijn vrienden en at dezelfde prasādam als zij en bovendien ook nog een banaan en een metalen kom vol hete melk. Hij sneed de banaan in stukjes door hem langs de rand van de kom naar beneden te drukken, zodat de plakjes direct in de hete melk vielen.
Het algemene bevel van Bhaktivedanta Swami dat iedereen zoveel mogelijk prasādam moest eten, schiep een ontspannen huiselijke sfeer. Niemand mocht er maar gewoon bij zitten, of af en toe beleefd op een hapje knabbelen. Ze aten met een enthousiasme waar Swamiji bijna op stónd. Als hij iemand niet met smaak zag eten, riep hij die persoon bij zijn naam en protesteerde met een glimlach: “Waarom eet je niet? Neem toch prasādam.” En dan lachte hij. “Toen ik op de boot op weg naar jullie land was,” zei hij, “dacht ik: Hoe zullen de Amerikanen ooit zover komen dat ze dit voedsel gaan eten?” En terwijl de jongens hun borden naar voren schoven, schepte Keith voor de tweede keer op – meer rijst, dāl, capātī’s en sabjī.
Het was tenslotte spiritueel voedsel. Je moest veel eten; je zou erdoor gezuiverd worden. Het zou je van māyā bevrijden. Bovendien was het gezond, heerlijk en lekker pikant. Dit was beter dan Amerikaans eten. Het was net als het chanten: ‘te gek.’ Je werd high als je dit at.
Volgens Indiaas gebruik aten ze met hun rechterhand. Keith en Howard kenden dit al en hadden zelfs al gelijksoortige gerechten geproefd, maar, zo vertelden ze de swami en een hele kamer vol gelovigen, in India was het eten nooit zo lekker geweest als hier.
Eén jongen, Stanley, was nog heel jong en Swamiji hield hem onder het eten steeds in de gaten, bijna als een zorgzame vader. Stanley’s moeder was Swamiji komen opzoeken en had gezegd dat ze haar zoon alleen zou toestaan in het klooster te wonen als Swamiji persoonlijk voor hem zou zorgen. Swamiji stemde hiermee in. Hij moedigde de jongen ijverig aan, totdat Stanley langzamerhand zo’n grote eetlust ontwikkelde dat hij tien capātī’s achter elkaar op kon (en er nog meer genomen zou hebben als Swamiji hem niet gezegd had te stoppen). Maar afgezien van het feit dat Stanley maar tien capātī’s mocht eten, was het altijd van: “Neem toch nog wat.” Als Swamiji klaar was met eten, stond hij op en ging de kamer uit. Keith trommelde dan een paar vrijwilligers bijeen om hem te helpen met opruimen en de anderen gingen weg.
Nu en dan kookte Swamiji ’s zondags zelf een feestmaaltijd met Indiase specialiteiten.
Steve: Swamiji kookte de prasādam persoonlijk en serveerde ons boven in zijn voorkamer. We zaten in rijen naast elkaar en ik herinner me dat hij tussen de rijen jongens op en neer liep op zijn blote voeten, om ons met een lepel uit de verschillende pannen op te scheppen. Hij vroeg dan wat we wilden – wilden we hier soms meer van? En hij schepte ons met plezier op. Dit waren geen gewone gerechten, maar zoetigheden en hartige hapjes – zoals zoete rijst en kacaurī’s – met een heel bijzondere smaak. Zelfs als we allemaal een bord vol hadden gehad, kwam hij weer terug en vroeg ons om nog wat meer te nemen.
Op een keer kwam hij naar me toe en vroeg waar ik nog wat van wilde hebben – wilde ik soms nog wat zoete rijst? En ik, met de misvattingen die ik toen over het spiritueel leven had, dacht dat ik mezelf moest ontzeggen wat ik het lekkerst vond, dus vroeg ik nog wat gewone rijst. Maar zelfs die ‘gewone’ rijst was mooie gele rijst met gebakken kaasballetjes.
Op vrije avonden was het stil in Swamiji’s appartement. Hij bleef dan de hele avond alleen om aan de vertaling van het Śrīmad-Bhāgavatam te werken, of hij zat in een ontspannen sfeer tot tien uur met enkel een of twee gasten te praten. Maar op de avonden dat er bijeenkomsten werden gehouden – maandag, woensdag en vrijdag – was er in elke kamer van zijn appartement wel iets te doen. Dan was hij niet meer alleen. Zijn nieuwe volgelingen hielpen hem en ze deelden zijn animo om de mensen Hare Kṛṣṇa te laten chanten en ze met het Kṛṣṇa-bewustzijn te laten kennismaken.
Op maandag-, woensdag- en vrijdagavond was er een kīrtana. Sommige toegewijden waren dan al beneden om gasten te ontvangen en ze wat uitleg te geven over de swami en het chanten. Maar zonder de swami kon er niet worden begonnen. Niemand wist hoe hij de trom moest bespelen en niemand haalde het in zijn hoofd om het mantra-zingen te leiden zonder Swamiji. Pas als hij om zeven uur binnenkwam, konden ze beginnen.
Net uit de douche en gekleed in zijn schone, met de hand geweven Indiase kleding, zijn armen en lichaam gesierd met de op pijlen lijkende vaiṣṇava symbolen, verliet Swamiji zijn appartement en ging naar beneden voor een nieuwe, extatische gelegenheid om Kṛṣṇa te verheerlijken. Het kleine tempeltje zat propvol wilde, niet-brahmaanse, oprechte, jonge Amerikanen.
Keith stond, als altijd, de lunch klaar te maken in de keuken, maar vandaag was Swamiji bij het fornuis komen staan om zijn leerling te zien koken. Keith keek even op van zijn bezigheden: “Swamiji, zou ik uw discipel kunnen worden?”
“Jazeker”, antwoordde Swamiji. “Waarom niet? Je zult Kṛṣṇa Dāsa heten.”
In deze eenvoudige woordenwisseling vroeg iemand Swamiji voor het eerst of hij zijn discipel kon worden en accepteerde Swamiji voor het eerst iemand als zijn discipel. Maar er kwam meer bij kijken. Swamiji kondigde aan dat hij binnenkort een initiatieceremonie zou houden.
“Wat betekent initiatie, Swamiji?” vroeg een van de jongens, en Swamiji antwoordde: “Dat zal ik jullie later vertellen.”
Eerst moesten ze meditatiekralen hebben. Keith ging naar Tandy’s Leather Company en kocht grote houten kralen en een koord om ze aan te rijgen. Het was veel beter, zei Swamiji, om tijdens het chanten op kralen te tellen – een snoer met 108 kralen om precies te zijn. Op deze manier werd de tastzin aan het werk gezet en kon men, net als de vaiṣṇava’s in India, tellen hoeveel keer men de mantra had gechant. Sommige toegewijden in India hadden een snoer met meer dan duizend kralen, vertelde hij, en chantten steeds weer opnieuw alle kralen af. Hij leerde de jongens hoe ze een dubbele knoop tussen elk van de 108 kralen moesten leggen. Het aantal 108 had een speciale betekenis: er waren 108 Upaniṣads en ook 108 vooraanstaande gopī ’s, de voornaamste toegewijden van Heer Kṛṣṇa.
De ingewijden moesten geloften afleggen, zei hij, en een van die geloften was, dat ze elke dag een voorgeschreven aantal ronden op de kralen moesten chanten. Zo’n twaalf jongens kwamen in aanmerking, maar er was geen strikt selectiesysteem; wie wilde, kon worden geïnitieerd.
De ingewijden moesten geloften afleggen, zei hij, en een van die geloften was, dat ze elke dag een voorgeschreven aantal ronden op de kralen moesten chanten. Zo’n twaalf jongens kwamen in aanmerking, maar er was geen strikt selectiesysteem; wie wilde, kon worden geïnitieerd.
Steve: Hoewel ik alles al deed wat de swami aanraadde, had ik het gevoel dat initiatie zware verplichtingen met zich mee zou brengen. En met mijn resterende verlangens om volkomen onafhankelijk te blijven, aarzelde ik om me te laten initiëren.
Swamiji’s vrienden keken op verschillende manieren naar de initiatie. Sommigen zagen het als iets heel serieus en anderen vatten het meer op als een feestje of een ‘happening’. Terwijl ze op de binnenplaats hun kralen aan het rijgen waren, hadden Wally en Howard een paar dagen vóór de ceremonie het volgende gesprek.
Wally: ''Het is maar een formaliteit. Je aanvaardt Swamiji als je spiritueel leraar.''
Howard: ''Wat houdt dat in?''
Wally: ''Dat weet niemand precies. In India is het iets heel normaals. Wil je hem niet als je spiritueel leraar hebben?''
Howard: ''Ik weet het niet. Hij lijkt me wel een goed spiritueel leraar – wat dat dan ook mag zijn. Ik bedoel, ik voel heel veel voor hem en voor zijn leer, dus ik denk dat hij op een bepaalde manier al mijn spiritueel leraar is. Ik begrijp gewoon niet wat het aan de situatie zal veranderen.''
Wally: ''Ik ook niet. Ik denk dat er niets verandert. Het is maar een formaliteit.''
Op 8 september was het Janmāṣṭamī, de dag dat Heer Kṛṣṇa verscheen. Een jaar terug, had Bhaktivedanta Swami Kṛṣṇa’s verjaardag op zee gevierd aan boord van de Jaladuta, toen ze net uit Colombo vertrokken waren. Nu, precies één jaar later, had hij een kleine groep Hare Kṛṣṇa-chanters. Hij riep ze allemaal bijeen en liet ze een dag lang chanten, de boeken lezen, vasten en ten slotte van een feestmaaltijd genieten. De volgende dag zou er een initiatieceremonie plaatsvinden.
Om zes uur kwam de swami naar beneden en stond hij op het punt om als altijd met zijn ochtendlezing te beginnen, toen een van de jongens vroeg of hij niet uit zijn eigen manuscript wilde voorlezen. Swamiji leek in verlegenheid gebracht te zijn, maar het deed hem toch duidelijk plezier dat ze hem vroegen om uit zijn eigen commentaar op de Bhagavad-gītā voor te lezen. Meestal las hij een vers voor uit Dr. Radhakrishnans Oxford-editie van de Gītā. Hoewel in het commentaar op de verzen de filosofie van het impersonalisme naar voren werd gebracht, waren de vertalingen volgens Swamiji voor negentig procent accuraat. Maar die morgen stuurde hij Roy naar boven om zijn manuscript te halen en een uur lang las hij uit de getypte tekst voor.
Er golden speciale regels bij het vieren van Janmāṣṭamī: er mocht niet gegeten worden en de hele dag hoorde doorgebracht te worden met chanten, lezen en praten over het Kṛṣṇa-bewustzijn. Als iemand te zwak werd, dan lag er fruit in de keuken, zei hij. Maar het was beter om te vasten tot de feestmaaltijd om middernacht, net als de toegewijden in India. Hij zei dat in India miljoenen mensen – hindoes, moslims of van welk geloof dan ook – de verjaardag van Heer Kṛṣṇa vierden. In elke tempel vonden festiviteiten plaats ter ere van Kṛṣṇa’s activiteiten.
“En nu”, zei hij, “zal ik jullie vertellen wat er wordt bedoeld met initiatie. Initiatie betekent dat de spiritueel leraar de student accepteert en ermee akkoord gaat hem te begeleiden, en dat de leerling de spiritueel leraar accepteert en ermee akkoord gaat hem als God te vereren.” Hij pauzeerde even. Het was muisstil. “Zijn er vragen?” Omdat er geen vragen waren, stond hij op en verliet de kamer.
De toegewijden waren met stomheid geslagen. Wat hadden ze hem net horen zeggen? Wekenlang had hij benadrukt, dat wanneer iemand beweert dat hij God is, hij als een hond beschouwd moet worden.
“Nou snap ik er helemaal niets meer van”, zei Wally.
“Niemand snapt er nog iets van”, zei Howard. “Wat Swamiji zei, sloeg in als een bom.”
Ze dachten aan Keith. Die was verstandig. Misschien moesten ze hem raadplegen. Maar hij lag in het ziekenhuis. Terwijl ze zo met elkaar aan het praten waren, raakten ze steeds meer de kluts kwijt. Swamiji’s opmerking had hen helemaal in de war gebracht. Uiteindelijk besloot Wally om naar het ziekenhuis te gaan om Keith op te zoeken.
Deze luisterde naar het hele verhaal. Hij hoorde hoe Swamiji tegen ze gezegd had dat ze moesten vasten en hoe hij had voorgelezen uit zijn manuscript en daarna had aangekondigd dat hij nu zou uitleggen wat initiatie betekende. Daarop was iedereen, een en al oor, naar voren gebogen… en Swamiji had een opmerking gemaakt die insloeg als een bom: “De leerling accepteert de spiritueel leraar en gaat ermee akkoord hem als God te vereren. Zijn er nog vragen?” Daarna was Swamiji de kamer uitgelopen. “Ik weet niet of ik nu wel geïnitieerd wil worden”, bekende Wally. “We moeten hem als God vereren.”
“Nou, eigenlijk doe je dat al, door alles te accepteren wat hij je vertelt”, antwoordde Keith, en hij stelde voor dat ze er met Swamiji over zouden praten… vóór de initiatie.
Wally ging terug naar de tempel. Hij overlegde even met Howard en samen gingen ze naar boven om met Swamiji te spreken.
“Betekent wat u ons vanmorgen vertelde,” vroeg Howard, “dat we verondersteld worden de spiritueel leraar als God te aanvaarden?”
“Het betekent dat we aan hem dezelfde eerbied verschuldigd zijn als aan God, omdat hij de vertegenwoordiger van God is.”
“Hij is dus niet God?”
“Nee, God is God. De spiritueel leraar is Zijn vertegenwoordiger. Daarom is hij even goed als God, omdat hij God aan de oprechte leerling kan geven. Is dat duidelijk?” Het was duidelijk.
“Nee, God is God. De spiritueel leraar is Zijn vertegenwoordiger. Daarom is hij even goed als God, omdat hij God aan de oprechte leerling kan geven. Is dat duidelijk?” Het was duidelijk.
De meeste van de toekomstige ingewijden brachten die dag verscheidene uren door met het rijgen van hun glimmend rode houten kralen. Ze maakten het ene eind van de draad vast aan een tralie voor het raam of aan een radiator en schoven zo elke keer een kraal aan de draad, terwijl ze per kraal één keer de Hare Kṛṣṇa-mantra chantten. Tussen de kralen legden ze een stevige knoop. Het was devotionele dienst – chanten en meditatiekralen rijgen voor de initiatie. Iedere keer dat ze een kraal vastknoopten, leek een gewichtige gebeurtenis.
Swamiji had hen verteld dat toegewijden in India minstens vierenzestig ronden per dag chantten. Als je bij elk van de 108 kralen éénmaal de Hare Kṛṣṇa-mantra zei, had je één ronde gechant. Zijn spiritueel leraar had gezegd dat iedereen die geen vierenzestig ronden per dag chantte, gevallen was.
Swamiji had hen verteld dat toegewijden in India minstens vierenzestig ronden per dag chantten. Als je bij elk van de 108 kralen éénmaal de Hare Kṛṣṇa-mantra zei, had je één ronde gechant. Zijn spiritueel leraar had gezegd dat iedereen die geen vierenzestig ronden per dag chantte, gevallen was.
Eerst dachten sommige jongens dat ze ook vierenzestig ronden moesten chanten. Ze waren helemaal van streek: dat zou de hele dag duren! Hoe kon je naar je werk gaan als je vierenzestig ronden moest chanten? Hoe kon je überhaupt vierenzestig ronden chanten? Toen merkte iemand op dat Swamiji hem gezegd had dat een minimum van tweeëndertig ronden voldoende was voor het Westen. Wally zei dat hij Swamiji vijfentwintig had horen zeggen – maar zelfs dat leek hun onmogelijk. Toen kwam Swamiji met het absolute minimum: zestien ronden per dag, zonder ook maar één keer over te slaan. Iedereen die geïnitieerd werd, moest dit beloven.
Het rijgen van de kralen, het chanten, het lezen en het dutten duurde tot elf uur ’s avonds. Eindelijk werd iedereen uitgenodigd naar boven te komen, naar Swamiji’s kamer. Toen ze achter elkaar over het binnenplaatsje liepen, hadden ze het gevoel dat de sfeer ongewoon kalm was. Zelfs op Houston Street, aan de andere kant van de muur, was het rustig. Er stond geen maan.
Terwijl zijn volgelingen op de vloer tevreden zaten te eten van papieren borden, vertelde Swamiji verhalen over de geboorte van Heer Kṛṣṇa. Kṛṣṇa was vijfduizend jaar geleden op deze avond verschenen. Hij was om middernacht geboren als de zoon van Vasudeva en Devakī in de gevangenis van koning Kaṁsa. Zijn vader, Vasudeva, had Hem onmiddellijk meegenomen naar Vṛndāvana, waar hij werd opgevoed als de zoon van de koeherder Nanda Mahārāja.
Swamiji sprak ook over de noodzaak gezuiverd te worden als je spirituele vooruitgang wilde maken. “Het is niet voldoende om alleen maar heilige woorden te chanten”, zei hij. “We moeten zowel vanbinnen als vanbuiten zuiver zijn. Het chanten in gezuiverde staat maakt dat we spiritueel vooruitgaan. Een levend wezen wordt onzuiver omdat het materieel plezier wil. Maar het onzuivere kan gezuiverd worden door Kṛṣṇa te volgen, door al het werk aan Kṛṣṇa op te dragen. Mensen die pas met het Kṛṣṇa-bewustzijn bezig zijn, hebben de neiging om na enige tijd hun inspanningen te laten verslappen, maar om spirituele vooruitgang te maken, moet je deze verleiding weerstaan en je inzet en devotie voortdurend vergroten.”
Swamiji sprak ook over de noodzaak gezuiverd te worden als je spirituele vooruitgang wilde maken. “Het is niet voldoende om alleen maar heilige woorden te chanten”, zei hij. “We moeten zowel vanbinnen als vanbuiten zuiver zijn. Het chanten in gezuiverde staat maakt dat we spiritueel vooruitgaan. Een levend wezen wordt onzuiver omdat het materieel plezier wil. Maar het onzuivere kan gezuiverd worden door Kṛṣṇa te volgen, door al het werk aan Kṛṣṇa op te dragen. Mensen die pas met het Kṛṣṇa-bewustzijn bezig zijn, hebben de neiging om na enige tijd hun inspanningen te laten verslappen, maar om spirituele vooruitgang te maken, moet je deze verleiding weerstaan en je inzet en devotie voortdurend vergroten.”
Michael Grant Pas: één dag vóór de ceremonie hoorde ik over de initiatie. Omdat ik druk met mijn muziek bezig was geweest, had ik de tempel een tijd niet bezocht. Toen liep ik door Second Avenue met een van de toekomstige ingewijden en hij vertelde me dat er zoiets als een initiatieceremonie zou worden gehouden. Ik vroeg wat dat betekende en hij zei: “Alles wat ik ervan weet, is dat het betekent dat je de spiritueel leraar als God aanvaardt.’’ Dit was een grote verrassing voor mij en ik wist eigenlijk niet hoe ik het moest opvatten. Maar ik nam het niet helemaal serieus en de terloopse manier waarop hij het tegen me zei, maakte dat het niet zo erg belangrijk leek. Hij vroeg me terloops of ik er ook aan mee zou doen en ik antwoordde op dezelfde nonchalante manier: “Nou ik denk van wel. Waarom niet? Ik kan het allicht proberen.”
Joan, Mike’s vriendin, dacht dat ze geen gehoorzame discipel zou kunnen zijn en het idee geïnitieerd te worden, joeg haar schrik aan. Ze vond de swami aardig en ze vond het vooral prettig met hem te koken. Mike overtuigde haar – hij deed het toch, dus zou ze eigenlijk met hem mee moeten doen.
Carl Yeargens wist iets over initiatie omdat hij veel oosterse filosofie gelezen had en hij was er zich meer dan de anderen van bewust hoe serieus een dergelijke verbintenis was. Het verbaasde hem toen hij hoorde dat Swamiji initiatie zou geven en hij was er voorzichtig mee. Hij wist dat initiatie betekende dat we geen ongeoorloofde seksuele betrekkingen meer konden onderhouden, geen verdovende middelen konden gebruiken of vlees konden eten en dat een geïnitieerd leerling de verantwoordelijkheid droeg om de leer aan anderen over te dragen. Carl voelde zich al minder betrokken sinds de swami naar Second Avenue was verhuisd, maar besloot toch om de ceremonie bij te wonen.
Bill Epstein had nooit beweerd dat hij een serieuze leerling was. Een initiatieceremonie houden was gewoon een onderdeel van de ‘scene’ bij de swami en het stond je vrij om het al dan niet serieus op te nemen. Hij vond dat je best geïnitieerd kon worden als je niet serieus was. Hij wilde het wel proberen.
James Greene dacht dat hij niet zuiver genoeg was om geïnitieerd te worden: “Wie ben ik dat ik zo maar initiatie kan krijgen?” Maar Swamiji had hem gevraagd iets langs te komen brengen. “Ik kwam binnen en iedereen ging er gewoon van uit dat ik geïnitieerd zou worden. Toen dacht ik: ‘Waarom ook niet?’
Stanley was nog steeds bij de swami en zijn volgelingen. Hij vroeg zijn moeder of hij geïnitieerd mocht worden en ze zei dat het goed was.
Steve wilde er nog even over nadenken.
Keith lag in het ziekenhuis.
Bruce was pas een week of twee geleden gekomen en voor hem was het te vroeg.
Chuck had een weekje vakantie genomen van het gereguleerde spirituele leven in de tempel en hij wist dus niets van de initiatie af.
Niemand werd gevraagd om zijn hoofd te scheren, of zelfs maar zijn haar te laten knippen of andere kleren aan te trekken. Niemand gaf Swamiji de traditionele guru-dakṣiṇā die een leerling verondersteld wordt zijn meester aan te bieden om te laten zien hoe zeer hij zich aan hem verplicht voelt. Er was zelfs bijna niemand om hem te helpen en dus moest Swamij het grootste deel van het koken en van de andere voorbereidingen voor de initiatie op zich nemen. Hij was zich volkomen bewust van de mentaliteit van zijn jongens en hij probeerde niemand iets op te leggen. Sommige ingewijden wisten pas nadat ze geïnitieerd waren – toen pas vroegen ze er naar – dat de vier regels ‘geen vlees, geen vrije seks, geen verdovende middelen en geen gokspelen’, voor alle leerlingen verplicht waren. Swamiji reageerde met: “Ik ben erg blij dat jullie me dat eindelijk komen vragen.”
Het moest een echte vedische offerande worden met een ceremonieel vuur daar in de voorkamer van Swamiji’s appartement. In het midden van de kamer was de offerplaats, een verhoging van stenen, die tien centimeter hoog, zestig centimeter lang en zestig centimeter breed was en bedekt met aarde. De aarde kwam van het binnenplaatsje en de stenen uit een leegstaand gebouw in de buurt. Naast deze verhoging stond een pot met geklaarde boter en eromheen lagen sesamzaadjes, hele gerstekorrels, vijf verschillende kleuren poederverf en een voorraad aanmaakhout. De elf mensen die ingewijd zouden worden, zaten op hun knieën naast elkaar rond de offerplaats en namen het grootste deel van de overgebleven ruimte in de voorkamer in beslag. De gasten stonden in de gang en keken nieuwsgierig door de open deur. Voor iedereen, behalve de swami, was dit allemaal nieuw en vreemd en elk onderdeel van de ceremonie vond op zijn aanwijzingen plaats. Toen een paar jongens het niet klaarspeelden vaiṣṇava-tilaka op hun voorhoofd aan te brengen, haalde Swamiji geduldig zijn vinger over hun voorhoofd en bracht er een keurig, smal ‘V’-teken op aan.
Hij zat voor de aarden verhoging en keek naar zijn groepje volgelingen. Ze zagen er niet veel anders uit dan alle andere jonge hippies van de Lower East Side, die waren samengekomen voor een of andere ‘happening’ – of het nu een spirituele, culturele, of muzikale was. Sommigen onder hen waren er alleen maar om een nieuwe ‘scene’ uit te proberen. Anderen waren de swami met hart en ziel toegewijd. Maar ze waren stuk voor stuk nieuwsgierig. Hij had hen verzocht tijdens de ceremonie zachtjes de Hare Kṛṣṇa-mantra te chanten. En het chanten was nu een onafgebroken gegons geworden dat zijn mysterieuze gebaren als opperpriester van de vedische rites begeleidde.
Hij begon met het aansteken van twaalf wierookstokjes. Vervolgens voerde hij een reinigingsritueel met water uit. Hij nam een lepeltje in zijn linkerhand, deed er drie druppels water uit een bekertje mee in zijn rechterhand en nipte ervan. Deze handeling herhaalde hij drie keer. De vierde keer dronk hij niet van het water, maar wierp het op de vloer achter zich. Toen liet hij de lepel en het bekertje rondgaan bij de ingewijden, die moesten nadoen wat ze gezien hadden. Als iemand het water in de verkeerde hand deed of er op de verkeerde manier van nipte, corrigeerde Swamiji hem geduldig.
“Nu”, zei hij, “moeten jullie me nazeggen.” Hij liet hen woord voor woord een vedische reinigingsmantra herhalen:
oṁ apavitraḥ pavitro vā
sarvāvasthāṁ gato ’pi vā
yaḥ smaret puṇḍarīkākṣaṁ
sa bahyābhyantaraḥ śuciḥ
śrī-viṣṇuḥ śrī-viṣṇuḥ śrī-viṣṇuḥ
sarvāvasthāṁ gato ’pi vā
yaḥ smaret puṇḍarīkākṣaṁ
sa bahyābhyantaraḥ śuciḥ
śrī-viṣṇuḥ śrī-viṣṇuḥ śrī-viṣṇuḥ
De ingewijden deden stotterend hun best de woorden net zo uit te spreken als hij dat deed, hoewel ze ze nog nooit eerder hadden gehoord. Toen gaf hij de vertaling: “Of iemand nu gezuiverd of ongezuiverd is, of zelfs alles heeft meegemaakt wat er maar mee te maken valt; hij die zich de lotus-ogige Allerhoogste Persoonlijkheid Gods herinnert, is zowel inwendig als uitwendig gereinigd.” Hij nipte driemaal van het water en het gegons van de Hare Kṛṣṇa-mantra vulde de kamer, terwijl het bekertje door de ingewijden doorgegeven werd tot het weer bij hem terugkwam. Drie keer herhaalde hij het chanten van de mantra: oṁ apavitraḥ… Toen stak hij zijn hand op en nadat het gegons van het chanten langzaam wegstierf, begon hij met zijn lezing.
Na de lezing vroeg Swamiji de toegewijden om hem een voor een hun meditatiesnoer te brengen en begon hij erop te chanten: Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Iedereen chantte mee. Als hij een snoer af had, riep hij de eigenaar ervan bij zich en hield hij de kralen omhoog om te laten zien hoe je erop moest chanten. Vervolgens kondigde hij de spirituele naam van de ingewijde aan en dan kreeg de leerling de kralen weer terug. Deze boog zijn hoofd naar de vloer en reciteerde de volgende mantra:
nama oṁ viṣṇu-pādāya kṛṣṇa-preṣṭhāya bhū-tale
śrīmate bhaktivedānta-svāmin iti nāmine
śrīmate bhaktivedānta-svāmin iti nāmine
“Ik buig mij eerbiedig neer voor Śrī Śrīmad A. C. Bhaktivedanta Swami, die heel geliefd is door Heer Kṛṣṇa, omdat hij zijn toevlucht heeft genomen bij Zijn lotusvoeten.”
Er waren elf ingewijden en dus ook elf kralensnoeren, en het chanten duurde meer dan een uur. Swamiji gaf iedereen een snoer met nekkralen die, zei hij, net zoiets waren als de halsband van een hond; zo kon je zien dat de toegewijde een hond van Kṛṣṇa was.
Toen Wally zijn kralensnoer en zijn nieuwe naam (Umāpati) had gekregen, ging hij weer terug naar zijn plaats naast Howard en zei: “Dat was fantastisch. Het is geweldig om je kralensnoer te krijgen.” Ieder op hun beurt ontvingen de toegewijden hun kralen en hun spirituele naam. Howard werd Hayagrīva, Wally werd Umāpati, Bill werd Ravīndra-svarūpa, Carl werd Karlāpati, James werd Jagannātha, Mike werd Mukunda, Joan werd Janakī, Roy werd Rāya Rāma en Stanley werd Stryadhīśa. Een andere Stanley, een jongen uit Brooklyn en Janis, een studente uit Montreal, die allebei een nogal oppervlakkige relatie met de swami hadden, waren er die avond ook en ontvingen samen met de anderen initiatie – ze kregen de namen Satyavrata en Janārdana.
Toen begon Swamiji met het vuuroffer door gekleurde poederverf te strooien over de met aarde bedekte verhoging voor hem. Met volle aandacht keken de aanwezigen naar elk mysterieus gebaar dat hij maakte; hoe hij de twijgjes en houtsplinters oppakte, ze in de geklaarde boter doopte, ze in een kaarsvlam aanstak en zo in het midden van de verhoging een vuurtje aanlegde. Hij mengde sesamzaadjes, gerst en geklaarde boter in een kom en liet het mengsel rondgaan.
Toen begon Swamiji met het vuuroffer door gekleurde poederverf te strooien over de met aarde bedekte verhoging voor hem. Met volle aandacht keken de aanwezigen naar elk mysterieus gebaar dat hij maakte; hoe hij de twijgjes en houtsplinters oppakte, ze in de geklaarde boter doopte, ze in een kaarsvlam aanstak en zo in het midden van de verhoging een vuurtje aanlegde. Hij mengde sesamzaadjes, gerst en geklaarde boter in een kom en liet het mengsel rondgaan.
Elke nieuwe leerling nam een handvol van het mengsel om in het vuur te offeren. Toen begon hij sanskrietgebeden op te zeggen en vroeg hij iedereen ze te herhalen; elk gebed eindigde met het in beurtzang driemaal chanten van het woord svāhā. En bij svāhā moesten de toegewijden wat van het sesam-gerstmengsel in het vuur gooien. Swamiji ging maar door met boter op het vuur te gieten, er hout op te leggen en meer gebeden op te zeggen, totdat het vuur hoog oplaaide. De gebeden bleven maar komen en de boter bleef maar stromen. Het vuur werd steeds groter en de kamer steeds warmer.
Na vijftien tot twintig minuten, vroeg Swamiji elk van de ingewijden een banaan in het vuur te leggen. Toen de elf bananen op een hoop in het vuur lagen, begonnen de vlammen uit te doven en werd de rook steeds dikker. Een paar ingewijden stonden op en renden hoestend naar de andere kamer en de gasten trokken zich op de gang terug. Maar Swamiji ging door met de rest van de boter en de zaadjes op het vuur te gieten. “Dit soort rook is niet storend”, zei hij. “Andere rook is storend, maar dit soort rook niet.” Hoewel ieders ogen geïrriteerd waren en traanden, vroeg hij of ze de ramen dicht wilden laten. De meeste rook bleef zo in het appartement en de buren klaagden niet.
Swamiji lachte breeduit, stond op van zijn zitplaats voor het offervuur – de vlammende tong van Viṣṇu – en begon in zijn handen te klappen en Hare Kṛṣṇa te chanten. De ene voet voor de andere zettend en met zijn lichaam heen en weer wiegend, begon hij te dansen voor het vuur. Zijn leerlingen begonnen mee te zingen en te dansen, en de rook trok langzaam op. Hij liet elke discipel met zijn kralensnoer de voeten van Heer Caitanya op de foto van de Pañca-tattva op tafel aanraken en gaf ten slotte toestemming om de ramen te openen. Toen de ceremonie voorbij was en de rook uit het appartement wegtrok, zei Swamiji lachend: “Er hing zoveel rook dat ik dacht dat we de brandweer moesten roepen.”
Swamiji was gelukkig. Hij regelde dat er aan alle toegewijden en gasten prasādam werd uitgedeeld. Het vuur, de gebeden de geloften en het feit dat iedereen Hare Kṛṣṇa chantte, hadden alle tezamen een gunstige atmosfeer gecreëerd. Er zat vooruitgang in. Er waren nu geïnitieerde toegewijden in de westerse wereld. Uiteindelijk gingen de meeste leerlingen naar huis, zodat hun spiritueel leraar na de ceremonie alles alleen moest opruimen.
Drie dagen later sloot Swamiji het eerste huwelijk tussen twee leerlingen – Mukunda en Janakī – met een soortgelijke ceremonie. Hij was heel tevreden. Hij had nu enkele van de belangrijkste punten van het Kṛṣṇa-bewustzijn kunnen introduceren. Hij had leerlingen geïnitieerd, hij had ze in de echt verbonden en hij had het publiek onthaald op kṛṣṇa-prasādam. “Als ik er de middelen voor had,” zei hij tegen zijn volgelingen, “zou ik elke dag zo’n groot feest als dit kunnen houden.”
* * *
* * *
Op rādhāṣṭamī, de verschijningsdag van Śrīmatī Rādhārāṇī, de eeuwige metgezellin van Heer Kṛṣṇa, hield Swamiji zijn tweede initiatieceremonie. Keith werd Kīrtanānanda, Steve werd Satsvarūpa, Bruce werd Brahmānanda en Chuck werd Acyutānanda. Het werd weer zo’n feestelijke dag met een offervuur in Swamiji’s voorkamer en een uitgebreide feestmaaltijd.
Allen Ginsberg woonde dicht in de buurt, op East Tenth Street. Op een dag vond hij bij de post een eigenaardige uitnodiging:
Chant de transcendentale geluidsvibratie:
Hare Krishna, Hare Krishna, Krishna Krishna, Hare Hare
Hare Rama, Hare Rama, Rama Rama, Hare Hare
Dit chanten zal het stof op de spiegel
van de geest doen verdwijnen.
Hare Krishna, Hare Krishna, Krishna Krishna, Hare Hare
Hare Rama, Hare Rama, Rama Rama, Hare Hare
Dit chanten zal het stof op de spiegel
van de geest doen verdwijnen.
Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn.
Dagelijkse samenkomsten om 7 uur ’s ochtends en op
maandag, woensdag en vrijdag om 7 uur ’s avonds.
We nodigen u vriendelijk uit te komen
en uw vrienden mee te brengen.
Dagelijkse samenkomsten om 7 uur ’s ochtends en op
maandag, woensdag en vrijdag om 7 uur ’s avonds.
We nodigen u vriendelijk uit te komen
en uw vrienden mee te brengen.
Swamiji had de jongens gevraagd de folder in de buurt te verspreiden.
Op een avond, kort nadat hij de uitnodiging had ontvangen, kwamen Allen Ginsberg en zijn kamergenoot, Peter Orlovsky, in een Volkswagenbusje naar de tempel. Allen was een paar jaar tevoren al door de Hare Kṛṣṇa-mantra geboeid geraakt toen hij die voor het eerst had gehoord op het Kumbha-melā-festival in Allahabad, India. Sindsdien had hij de mantra vaak gechant. De toegewijden waren onder de indruk, toen ze de wereldberoemde schrijver van Howl, die een belangrijke figuur was in de beat-generatie, hun bescheiden tempel zagen binnenkomen. Zijn pleidooi voor vrije seks, marihuana en lsd, de bewering dat hij door drugs spirituele visioenen kreeg, zijn politieke ideeën, zijn verkenning van krankzinnigheid, oproer en naaktheid en zijn pogingen gelijkgestemde zielen in harmonie bij elkaar te brengen – deze hadden alle veel invloed op de geest van de Amerikaanse jongeren, vooral de jongeren van de Lower East Side. Hoewel hij zich volgens de normen van de middenklasse schandalig en verward gedroeg, genoot hij op zijn eigen manier een wereldse bekendheid, meer dan alle andere bezoekers van de tempel.
Allen en Peter waren voor de kīrtana gekomen, maar het was nog geen tijd – Swamiji was nog niet beneden. Ze boden de toegewijden een nieuw harmonium aan. “Voor de kīrtana’s,” zei Allen, “een klein geschenk.” Allen stond in de ingang van de winkel met Hayagrīva te praten en vertelde hem, hoe hij over de hele wereld Hare Kṛṣṇa had gechant – bij vredesmarsen, bij voordrachten van gedichten, bij een optocht in Praag en op een bijeenkomst van schrijvers in Moskou. “Wereldse kīrtana,” zei Allen, “maar niettemin Hare Kṛṣṇa.”
Toen kwam de swami binnen. Allen en Peter gingen tussen de anderen zitten en deden mee met de kīrtana. Allen speelde harmonium.
Swamiji reageerde hierop door met zijn hoofd te knikken en zijn handen bijeen te brengen. Na de kīrtana praatten ze even met elkaar. Daarna keerde Swamiji weer terug naar zijn appartement. Allen zei tegen Hayagrīva dat hij nog eens langs wilde komen om wat meer met de swami te praten en Hayagrīva nodigde hem daarom uit de volgende dag rond twaalf uur te komen om prasādam met hen te nemen. “Vind je Swamiji niet een beetje esoterisch voor New York?” vroeg Allen.
Hayagrīva dacht een ogenblik na. “Misschien”, antwoordde hij. Toen vroeg Hayagrīva Allen om Swamiji te helpen omdat zijn visum binnenkort zou verlopen. Hij was het land binnengekomen met een visum voor twee maanden en had zijn visum steeds opnieuw twee maanden laten verlengen. Dit was een jaar lang zo doorgegaan, maar de laatste keer dat hij verlenging had aangevraagd, was die hem geweigerd. “We hebben een immigratieadvocaat nodig”, zei Hayagrīva. “Daar zal ik geld voor geven”, verzekerde Allen hem.
De volgende morgen kwam Allen Ginsberg langs met een cheque en nog een harmonium. Boven bij Swamiji, bracht hij zijn melodie om Hare Kṛṣṇa te chanten ten gehore en daarna praatten ze wat.
Allen: Ik voelde me een beetje verlegen bij hem, want ik wist niet waar hij vandaan kwam. Ik had dat harmonium dat ik wilde geven, en wat geld meegebracht. Ik vond het geweldig dat hij hier was om over de Hare Kṛṣṇa-mantra te vertellen – dat zou mijn zingen op een bepaalde manier ook rechtvaardigen. Ik wist wat ik deed, maar ik had geen enkele theologische achtergrond om er verder iets over te kunnen vertellen, en hier was iemand die dat wél kon. Ik vond dat dus absoluut geweldig. Nu kon ik overal Hare Kṛṣṇa zingen en als iemand wilde weten wat het was, kon ik ze gewoon naar Swami Bhaktivedanta sturen voor een uitleg. Wanneer iemand de technische details en de hele geschiedenis van de mantra wilde weten, kon ik ze naar hem toe sturen.
Hij vertelde me over zijn eigen leraar en over Caitanya en over de lijn van spiritueel leraren. Hij wist zoveel. Hij vertelde me ook over de vertalingen waar hij aan werkte. Het leek wel alsof hij daar altijd zat, dag na dag, nacht na nacht. Ik geloof dat er een of twee mensen waren die hem hielpen.
Swamiji was heel vriendelijk tegen Allen. Hij citeerde een vers uit de Bhagavad-gītā waar Kṛṣṇa zegt dat hoe een groot man ook handelt, anderen zijn voorbeeld volgen. En hij verzocht Allen om zo vaak hij maar kon Hare Kṛṣṇa te zingen, zodat anderen zijn voorbeeld zouden volgen. Hij vertelde hoe Heer Caitanya de eerste burgerlijke ongehoorzaamheidsbeweging in India geleid had, door een sankīrtana-protestmars tegen een moslimheerser te organiseren. Allen was gefascineerd. Hij genoot ervan om met de swami te spreken.
Allen: Er ging een bepaald soort beminnelijkheid van hem uit; een speciale zachtheid, die voortkwam uit zijn volledige onzelfzuchtige devotie. Dat was belangrijker dan onze uiteenlopende opvattingen. Dat was ook wat hem zo overtuigend maakte, ongeacht mijn intellectuele vragen of twijfels, of de cynische opvattingen die uit mijn ego voortkwamen. Door zijn devotie ging er een bekoring van hem uit die al onze meningsverschillen tenietdeed. Zelfs al was ik het niet altijd met hem eens, toch vond ik het fijn om bij hem te zijn.
* * *
Swamiji leefde midden in de drugscultuur, in een buurt waar de jongeren bijna wanhopig probeerden hun bewustzijn te verruimen, of het nu met drugs was of met iets anders – wat er maar beschikbaar was. Swamiji verzekerde hen ervan dat ze de hogere stadia van bewustzijn waarnaar ze streefden gemakkelijk konden bereiken door Hare Kṛṣṇa te chanten. Het was onvermijdelijk dat hij bij zijn uitleg van het Kṛṣṇa-bewustzijn naar de drugs zou verwijzen, al was het alleen maar om aan te tonen dat de twee paden in tegengestelde richtingen leidden. Hij had al te maken gehad met Indiase sādhu’s die gañjā en hasjiesj rookten met het excuus dat het hielp bij hun meditatie. En voordat hij uit India wegging, waren de hippietoeristen al een bekend straatbeeld geworden in Delhi. De hippies hielden van India, vanwege de mystieke cultuur en het gemak waarmee je aan drugs kon komen. Ze ontmoetten er hun Indiase bondgenoten, die hen ervan verzekerden dat het gebruik van hasjiesj spiritueel was. Daarna keerden ze terug naar Amerika om er al hun misvattingen over de Indiase spirituele cultuur te verkondigen.
Het was een nieuwe manier van leven geworden. De ‘headshops’ uit de buurt verkochten alle mogelijke drugsparafernalia. Marihuana, lsd, peyote, cocaïne en zelfs heroïne en barbituraten konden zonder al te veel problemen op straat en in de parken gekocht worden. Alternatieve tijdschriften brachten verslag uit van de nieuwste ontwikkelingen in de drugswereld, publiceerden een stripverhaal waarin een zekere Kapitein High de hoofdpersoon was en plaatsten kruiswoordpuzzels die alleen door doorgewinterde junkies konden worden opgelost.
Swamiji moest ze bijbrengen dat het Kṛṣṇa-bewustzijn ver boven de zo vereerde lsd-trip verheven was. “Denken jullie dat het gebruik van lsd extase en een hoger bewustzijn kan voortbrengen?” vroeg hij op een keer aan de toehoorders in de tempel. “Stel je dan maar eens een kamer vol lsd voor. Dat is Kṛṣṇa-bewustzijn.” Er kwamen regelmatig mensen binnen die aan Swamiji’s leerlingen vroegen: “Worden jullie hier high van?” En de toegewijden antwoordden dan: “O ja, door alleen maar te chanten kun je high worden. Probeer het zelf maar!”
De bekendste experimenten met lsd werden in die tijd waarschijnlijk gedaan door Timothy Leary en Richard Alpert, twee leraren aan de faculteit psychologie van de universiteit van Harvard. Ze bestudeerden de effecten van het gebruik van drugs en publiceerden hun bevindingen in wetenschappelijke tijdschriften. Ze propageerden lsd als een middel tot zelfontplooiing en zelfrealisatie. Toen hij door Harvard ontslagen was, werd Timothy Leary de nationale lsd-apostel en gaf enige tijd later leiding aan een lsd-commune in Millbrook, in New York.
Toen de leden van de Millbrook-commune hoorden over de swami op de Lower East Side, die zijn volgelingen een mantra leerde die je high maakte, begonnen ze de tempel te bezoeken. Op een avond kwam er een groep van ongeveer tien hippies van Millbrook naar Swamiji’s kīrtana. Ze zongen allemaal mee (niet zozeer om Kṛṣṇa te vereren, maar eerder om te zien wat voor een high het zou teweegbrengen).
Na de lezing vroeg een leider van de Millbrook-groep over drugs. Prabhupāda antwoordde dat drugs niet noodzakelijk waren voor spiritueel leven, dat ze nooit spiritueel bewustzijn konden voortbrengen en dat alle door drugs veroorzaakte religieuze visioenen alleen maar hallucinaties waren. Bewustwording van God was niet zo gemakkelijk en goedkoop dat het enkel door roken of het nemen van een pil bereikt kon worden. Hij legde uit dat het chanten van Hare Kṛṣṇa een reinigingsproces was dat ons zuivere bewustzijn zou onthullen. Drugsgebruik zou het alleen nog maar meer verbergen en onze zelfrealisatie belemmeren.
Maar heeft u ooit lsd genomen? Nu werd de vraag een uitdaging.
“Nee”, antwoordde Swamiji. “Ik heb dat soort dingen nog nooit gebruikt, zelfs geen sigaretten of thee.”
“Als u het niet heeft gebruikt, hoe kunt u dan zeggen wat het is?” De Millbrookers keken glimlachend om zich heen. Een paar begonnen zelfs te lachen en met hun vingers the knippen, denkende dat Swamiji nu schaakmat stond.
“Ik heb het niet gebruikt”, antwoordde Swamiji statig vanaf zijn podium. “Maar mijn leerlingen hebben al deze dingen vaak gebruikt – marihuana, lsd, maar ze hebben ze allemaal opgegeven. Je kunt het van hen horen. Hayagrīva, jij kunt dat vertellen.” En Hayagrīva ging rechtop zitten en sprak met erg luide stem.
“Het maakt niet uit hoe high je wordt op lsd, uiteindelijk bereik je een hoogtepunt waarna je weer naar beneden moet komen. Het is als een raket in de ruimte (hij gaf een van Swamiji’s gebruikelijke voorbeelden). Je ruimteschip kan dagenlang duizenden kilometers door de ruimte reizen, steeds verder verwijderd van de aarde, maar het kan niet door blijven reizen. Uiteindelijk zal het moeten landen. Met lsd ervaren we dat we omhooggaan, maar we zullen altijd weer moeten dalen. Dat is geen spiritueel bewustzijn. Wanneer je werkelijk spiritueel bewustzijn of Kṛṣṇa-bewustzijn bereikt, blijf je high. Omdat je naar Kṛṣṇa gaat, zul je nooit meer hoeven neerdalen. Je kunt eeuwig high blijven.
Swamiji zat in zijn achterkamer met Hayagrīva en Umāpati en een paar andere discipelen. De avondlezing was net afgelopen en de bezoekers van Millbrook waren vertrokken. “Kṛṣṇa-bewustzijn is zo fijn, Swamiji,” zei Umāpati, “Je gaat hoger en hoger en je hoeft nooit meer naar beneden te komen.”
Swamiji glimlachte. “Ja, zo is het.”
“Nooit meer neerdalen,” zei Umāpati lachend, waarop de anderen ook in lachen uitbarstten. Sommigen klapten in hun handen en herhaalden: “Nooit meer neerdalen.”
Dit gesprek inspireerde Hayagrīva en Umāpati om een nieuwe folder te maken:
BLIJF EEUWIG HIGH!
Nooit meer neerdalen
Beoefen Kṛṣṇa-bewustzijn
Rozšiřuj své vĕdomí zpíváním
Verruim je bewustzijn door de beoefening van de TRANSCENDENTALE GELUIDSVIBRATIE
HARE KRISHNA HARE KRISHNA KRISHNA KRISHNA HARE HARE
HARE RAMA HARE RAMA RAMA RAMA HARE HARE
HARE RAMA HARE RAMA RAMA RAMA HARE HARE
De folder bleef het Kṛṣṇa-bewustzijn verheerlijken als beter dan alle andere ‘highs’. Er werden zinnen gebruikt als “laat je nooit meer neerhalen” en “wees erbij,” en het waarschuwde voor “het gebruik van kunstmatige middelen om zelfrealisatie en een verruimd bewustzijn te krijgen.” Iemand maakte bezwaar dat het teveel tot de hippiementaliteit sprak, maar Swamiji zei dat het goed was.vĕty jako „Zahoď všechny bolehlavy“ a „Odvaž se“ a brojil proti „používání umĕlých způsobů seberealizace a rozšiřování vĕdomí“. Kdosi namítl, že letáček zní „příliš hipísácky“, ale Svámídží řekl, že to nevadí.
Oktober 1966
Tompkins Square park was het park van de Lower East Side. Aan de zuidkant grensde het aan Seventh Street, met zijn drie of vier verdiepingen hoge vervallen flatgebouwen. Aan de noordkant was Tenth Street, met nog meer van dezelfde flatgebouwen, zij het in iets betere conditie, en ook het oude, gebouwtje waarin de Tompkins Square-afdeling van de Openbare Bibliotheek van New York zat. Aan Avenue B, de oostgrens van het park, stond de kerk van St. Brigid, gebouwd in 1848, toen de buurt nog volledig Iers was. De kerk met bijbehorende school en pastorie besloeg nog steeds het grootste deel van het blok. Avenue A, aan de westkant van het park, werd geflankeerd door oude snoepwinkeltjes, die kranten, tijdschriften, sigaretten en milkshakes verkochten. Ook waren er enkele cafés, verschillende kruidenierswinkels en een paar Slavische restaurants, gespecialiseerd in goedkope groentebouillon, die zowel Oekraïners als hippies op zoek naar iets voedzaams aantrokken.
In het viereneenhalve hectare grote park stonden veel hoge bomen, maar minstens de helft van het park was bestraat. De paden werden omzoomd door anderhalve meter hoge smeedijzeren hekken, die het gras beschermden. Door de hekken en de vele wandelpaden en ingangen leek het park op een labyrint.
Het was een warme zondag en het park was vol met mensen. Bijna alle banken langs de wandelpaden waren bezet. Er waren oude mensen, de meesten Oekraïners, ondanks het warme weer gekleed in ouderwetse kostuums en truien, die in groepjes samen zaten te praten. Ook waren er veel kinderen in het park, meest Puerto Ricanen en zwarte mensen, maar ook blonde, taaie achterbuurtkinderen, die rondraceten op hun fietsen of met een bal of een frisbee speelden. De basketbal- en handbalvelden werden hoofdzakelijk bezet door tieners. En zoals altijd waren er een heleboel los rondrennende honden.
Een marmeren miniatuurprieeltje (vier pilaren met een dak met daaronder een drinkwaterfonteintje) was een overblijfsel van vergane tijden – 1891, volgens de inscriptie. De vier kanten droegen de woorden HOOP, GELOOF, LIEFDADIGHEID en GEMATIGDHEID. Maar iemand had het hele bouwwerk bespoten met grove tekeningen en onleesbare namen en initialen in zwarte verf. Vandaag hadden enkele conga- en bongospelers een bank bezet, en het hele park pulseerde op hun veeleisende ritmes.
En ook de hippies waren er, anders dan alle anderen. De bebaarde, Boheemse mannen met hun langharige, jonge vriendinnen, gekleed in blauwe spijkerbroeken, waren nog steeds een ongewoon beeld. Zelfs in de smeltkroes van de Lower East Side zorgde hun aanwezigheid voor spanning. Ze waren afkomstig van kleinburgerlijke families en waren dus niet uit bittere financiële nood gedwongen om in achterbuurten te wonen. Dit zorgde voor conflicten in hun omgang met de kansarme immigranten. En de bekende neiging van de hippies tot psychedelische drugs, hun afkeer van familie en rijkdom en hun avant-garde levenswijze, zorgden ervoor dat ze vaak bespot werden door de buren. Maar de hippies wilden gewoon hun eigen ding doen en hun eigen revolutie van liefde en vrede beginnen. Daarom werden ze meestal getolereerd, hoewel niet gewaardeerd.
Er waren verschillende groepen jonge hippies in Tompkins Square Park. Er waren vrienden die samen op dezelfde school hadden gezeten, die samen dezelfde drugs gebruikten en die het eens waren over een bepaalde filosofie gebaseerd op kunst, literatuur, politiek of metafysica. Er waren geliefden. Er waren groepen die samen rondhingen voor onverklaarbare redenen, behalve het gemeenschappelijk doel om hun eigen ding te doen. En er waren anderen die een kluizenaarsbestaan leidden – een eenling zat op een bankje de effecten van cocaïne te analyseren, kijkend naar de ritselende bladeren van de bomen en de blauwe hemel boven de appartementenblokken en dan weer naar het vuilnis aan zijn voeten. Hij volgde hulpeloos zijn geest van angst naar verlichting, van afkeer naar hallucinatie, en steeds verder, tot de invloed van de drugs begon af te nemen en hij weer een gewone vreemdeling werd. Soms zaten ze de hele nacht ‘spaced-out’ in het park, tot ze zich uiteindelijk bij het eerste ochtendlicht op de banken uitstrekten om te slapen.
Vooral op zondag kwamen de hippies naar het park. In ieder geval gingen ze door het park op weg naar St. Mark’s Place in Greenwich Village, of de Lexington Avenue metro op Astor Place, of de ind metro op Houston en Second Street, of om een bus richting noord te nemen op First Avenue, een bus richting zuid op Second of een bus naar de andere kant van de stad op Ninth. Of ze gingen naar het park om hun appartement uit te zijn en samen in de openlucht te zitten, om opnieuw high te worden of om door het labyrint aan wandelpaden te lopen.
Maar wat voor interesses of motivaties de hippies ook hadden, de Lower East Side was een essentieel onderdeel van de mystiek. Het was niet enkel een vieze achterbuurt; het was de beste plaats op de wereld om bewustzijnsexperimenten te doen. Ook al waren er de vuiligheid, de dreiging van geweld en de krappe behuizing in de vervallen flatgebouwen, de Lower East Side was nog steeds de voorloper in de geestverruimingsrevolutie. Tenzij je daar woonde en psychedelica of marihuana gebruikte, of op zijn minst intellectueel op zoek was naar een vrije persoonlijke religie, was je niet verlicht en nam je niet deel aan de meest vooruitstrevende evolutie van het menselijk bewustzijn. En het was deze zoektocht – een streven voorbij het saaie bestaan van de gewone, materialistische, ‘conventionele’ Amerikaan – die eenheid bracht in de anders zo eclectische verzameling hippies op de Lower East Side.
Het was in dit chaotische schouwspel dat Swamiji en zijn volgelingen hun intrede deden en gingen zitten om een kīrtana te houden. Drie of vier toegewijden waren vooruitgelopen om een open ruimte in het park te kiezen, waar ze een Oosters tapijt, dat Robert Nelson had gegeven, hadden neergelegd, erop waren gaan zitten en waren begonnen met het spelen van karatāla’s en het zingen van Hare Kṛṣṇa. Onmiddellijk kwamen een paar van de jongens op hun fiets aanrijden, stopten aan de rand van het tapijt en stonden daar met hun fiets tussen hun benen oneerbiedig te staren. Andere passanten verzamelden zich om te luisteren.
Ondertussen liep Swamiji, vergezeld door zes discipelen, de acht blokken van de tempel naar het park. Brahmānanda droeg het harmonium en Swamiji’s trommel. Kīrtanānanda, die op verzoek van de Swami zijn hoofd had geschoren en gekleed ging in een kanariegeel loshangend gewaad, veroorzaakte een extra sensatie. Chauffeurs stopten om beter te kunnen zien, terwijl hun passagiers zich vooroverboogden en met open mond naar de buitensporige kleding en het geschoren hoofd keken. Wanneer de groep langs een winkel liep, porden de klanten elkaar en wezen naar het schouwspel. Mensen stonden voor de ramen van hun appartement om de swami en zijn groep te kunnen zien, alsof er een optocht langskwam. Vooral de stoere Puerto Ricanen konden zich niet weerhouden en reageerden met een honend, “Hé Boeddha! “Hé, je bent vergeten je pyjama uit te trekken!” Ze schreeuwden schril alsof ze de Indiase oorlogskreten imiteerden die ze hadden gehoord in Hollywood westerns.
Een van de hekelaars riep: “Hé Arabieren”, en begon te dansen op een manier waarvan hij dacht dat het Oosters was. Niemand op straat wist iets van Kṛṣṇa-bewustzijn of zelfs van de hindoecultuur en -gebruiken. Voor hen waren Swami’s volgelingen maar een stel gekke, uitsloverige hippies. Maar ze wisten niet wat ze van de Swami moesten denken. Hij was anders. Toch waren ze achterdochtig. Sommigen, zoals Irving Halpern, die al heel lang in de Lower East Side woonde, droegen deze vreemdeling, die ‘duidelijk een bijzonder waardige persoon was op een vredevolle missie’, een warm hart toe.
Irving Halpern: Veel mensen hadden buitenzinnige ideeën over wat een swami was. Alsof ze plotseling overal mensen zagen die op kleine spijkerbedden gingen liggen en allerlei andere bespottelijke noties. Maar toen verscheen deze beleefde, vredige, beminnelijke en duidelijk welmenende man te midden van al die vijandigheid.
“Hippies!”
“Wat zijn het, communisten?”
Terwijl de jongeren spotten, schudden de ouderen hun hoofd of staarden, koud en onbegrijpend. De wandeling naar het park werd getekend door scheldwoorden, schunnige grappen en spanning, maar geen geweld.
De etnische buren gingen ervan uit dat Swamiji en zijn volgelingen in hun excentrieke kleding de straat op waren gegaan als grap, enkel om de boel op zijn kop te zetten en vreemde blikken en gejoel uit te lokken. Ze vonden dat hun reacties normaal waren voor normale, respectabele Amerikaanse achterbuurtbewoners.
Het was dus nogal een avontuur voordat de groep zelfs maar het park bereikt had. Maar Swamiji trok zich nergens wat van aan. “Wat zeggen ze?” vroeg hij een paar keer en Brahmānanda legde het hem uit. Swamiji hield zijn hoofd onder het lopen op een bepaalde manier hoog, met zijn kin omhoog. Hierdoor zag hij er aristocratisch en vastberaden uit. Zijn kijk op dingen was spiritueel, hij zag iedereen als een spirituele ziel en Kṛṣṇa als de bestuurder van alles. Maar afgezien daarvan, zelfs vanuit een werelds oogpunt, was hij niet bang voor de helse taferelen van de stad. Hij was tenslotte een ervaren ‘Kolkata man’.
De kīrtana was zo’n tien minuten aan de gang toen Swamiji arriveerde. Hij stapte uit zijn witte rubberen slippers, net alsof hij in zijn eigen tempel was, en ging op het tapijt zitten bij zijn volgelingen, die gestopt waren met zingen en naar hem keken. Hij droeg een roze trui en een khādī-omslagdoek om zijn schouders. Hij glimlachte. Terwijl hij naar zijn groep keek, gaf hij het ritme aan door te tellen, één…twee…drie. Toen begon hij luid in zijn handen te klappen terwijl hij doorging met tellen, “Eén…twee…drie.” De karatāla’s volgden, eerst met de verkeerde maat, maar hij bleef het ritme klappen en uiteindelijk hadden ze het te pakken. Ze klapten in hun handen en sloegen hardhandig met de cymbalen op een langzame, regelmatige maat.
Hij begon gebeden te zingen die verder niemand kende. Vande ’haṁ śrī-guroḥ śrī-yuta-pada-kamalaṁ śrī-gurūn vaiṣṇavāṁś ca. Zijn stem was melodieus, net als het harmonium, vol met de nuances van de Bengaalse melodie. Zittend op het tapijt onder een grote eikenboom zong hij de mysterieuze sanskrietgebeden. Geen van zijn volgelingen kenden een andere mantra dan Hare Kṛṣṇa, maar ze kenden Swamiji. En ze volgden het ritme en luisterden aandachtig terwijl de vrachtwagens voorbij denderden en de conga’s in de verte pulseerden.
Terwijl hij zong – śrī-rūpaṁ sāgrajātaṁ – kwamen de honden snuffelen, stonden de kinderen te staren en wezen een paar spotters met hun vinger: “Hé, wie is die priester, man?” Maar zijn stem was een toevluchtsoord boven de conflicterende dualiteiten. Zijn jongens bleven de cymbalen bespelen terwijl hij alleen zong: śrī-rādhā-kṛṣṇa-padan.
Svámídží opĕvoval ve svých modlitbách čistou milostnou lásku Šrímatí Rádhárání ke Krišnovi, miláčkovi gópí. Každé slovo, předávané po staletí důvĕrnými Krišnovými společníky, bylo prosyceno hlubokým transcendentálním významem, kterému rozumĕl jen on sám. Saha-gana-lalitā-śrī-viśākhānvitāṁś ca. Oddaní vzrušenĕ naslouchali, i když se zároveň nemohli dočkat, až začne zpívat Hare Krišna.
Swamiji zong gebeden ter verering van Śrīmatī Rādhārāṇī’s zuivere amoureuze liefde voor Kṛṣṇa, de geliefde van de gopī’s. Ieder woord, dat al honderden jaren door de intieme metgezellen van Kṛṣṇa werd doorgegeven, was doordrenkt met een diepe, transcendentale betekenis die alleen hij begreep. Saha-gaṇa-lalitā-śrī-viśākhānvitāṁś ca. Ze wachtten tot hij met Hare Kṛṣṇa begon, hoewel het spannend genoeg was om hem te horen zingen.
Er kwamen meer mensen, precies wat Swamiji wilde. Hij wilde dat ze met hem zongen en dansten en nu wilden zijn volgelingen dat ook. Ze wilden bij hem zijn. Het leek alsof ze dit eeuwig zouden doen – met Swamiji ergens gaan zitten en zingen. Hij zou altijd bij ze zijn en zingen.
Toen begon hij met de mantra: Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Ze antwoordden in eerste instantie te zacht en te rommelig, maar hij zong het opnieuw voor, correct en triomfantelijk. Opnieuw zongen ze hem na, nu met meer vertrouwen, terwijl ze de karatāla’s lieten klinken en in hun handen klapten – één… twee… drie, één… twee… drie. Opnieuw zong hij alleen en ze luisterden gespannen naar ieder woord, terwijl ze klapten en met de cymbalen sloegen en ze naar hem keken en hij terugkeek vanuit zijn innerlijke concentratie – zijn wijsheid der jaren, zijn bhakti. En uit liefde voor Swamiji braken ze los van hun omgeving en verenigden zich met hem als een chantende gemeenschap. Swamiji speelde op zijn kleine trommel. Met de riem in zijn linkerhand en de trommel tegen zijn lichaam geklemd, speelde hij ingewikkelde mṛdaṅga-ritmes met zijn rechterhand.
Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Na een half uur ging hij nog steeds krachtig door, de mantra herhalend, ze met zich meedragend terwijl steeds meer belangstellende toeschouwers bleven staan kijken. Een paar hippies gingen op de rand van het tapijt zitten, kopieerden de gekruiste zithouding, luisterden, klapten, probeerden het gezang uit en de kleine innerlijke kring van Prabhupāda en zijn volgelingen groeide naarmate meer mensen zich aansloten.
Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Na een half uur ging hij nog steeds krachtig door, de mantra herhalend, ze met zich meedragend terwijl steeds meer belangstellende toeschouwers bleven staan kijken. Een paar hippies gingen op de rand van het tapijt zitten, kopieerden de gekruiste zithouding, luisterden, klapten, probeerden het gezang uit en de kleine innerlijke kring van Prabhupāda en zijn volgelingen groeide naarmate meer mensen zich aansloten.
En zoals altijd trok zijn kīrtana muzikanten aan..
Irving Halpern: Ik maak fluiten en ik bespeel zelfgemaakte muziekinstrumenten. Toen de Swami kwam, ging ik naar hem toe en begon te spelen en hij verwelkomde me. Iedere keer als er een nieuwe muzikant bij kwam en zijn eerste noot speelde, strekte hij zijn armen uit. Het was alsof hij het podium op was gelopen en het New York Philharmonisch Orkest was gaan leiden. Ik bedoel, er was dit gebaar dat iedere muzikant kent. Je weet gewoon dat iemand wil dat je met hem meespeelt en blij is dat je meespeelt. En deze eenvoudige muzikantencommunicatie beheerste hij en ik ging erin mee. Het maakte me gelukkig.
Er hingen altijd solo muzikanten rond in het park en toen ze hoorden dat ze welkom waren om mee te spelen met het zingen van de Swami, begonnen ze een voor een langs te komen. Een saxofoonspeler kwam omdat er zo’n sterk ritme was om mee te spelen. Anderen, als Irving Halpern, zagen het als iets spiritueels met goede vibraties. Toen de muzikanten zich aansloten, werden er meer passanten aangetrokken tot de kīrtana. Swamiji had zowel de voorzang als het antwoord gezongen en veel van de nieuwkomers begonnen nu ook mee te zingen met de voorzang, zodat er een constant koor aan het zingen was. Gedurende de middag groeide de menigte tot meer dan honderd, waaronder een dozijn muzikanten die probeerden om de Swami te volgen met hun conga’s en bongo’s, bamboefluiten, metalen fluiten, mondharmonica’s, houten en metalen castagnetten, tamboerijnen en gitaren.
Hij was opvallend om te zien. Zijn wenkbrauwen waren gefronst door de inspanning van het luide zingen en zijn gelaatstrekken waren sterk. De bloedvaten in zijn slaap waren duidelijk zichtbaar en zijn kaak stak uit terwijl hij zijn “Hare Kṛṣṇa! Hare Kṛṣṇa!” zong voor iedereen. Hoewel zijn manier van doen aangenaam was, was zijn chanten intensief, soms gespannen – hij was een en al concentratie.
Dit was niet een of andere yoga-retraite of een stille vredeswake, maar een zuivere chant-bijeenkomst die Bhaktivedanta Swami zelf had georganiseerd. Het was een nieuwe golf, iets waar iedereen aan mee moest doen. Het publiek scheen het te accepteren. Het werd zelfs zo populair dat de ijsverkoper zijn kar dichtbij zette om meer te verkopen. Een groepje blonde vijf- of zesjarige jochies hing rond in de buurt van Prabhupāda en een jong Pools jongetje stond maar te staren. Iemand was wierook aan het branden op een gloeiend stuk steenkool in een metalen zeef en de zoete rook walmde rond de muzikanten en de zangers.
Swamiji gebaarde naar zijn discipelen die opstonden en begonnen te dansen. De lange, magere Stryadhīśa, zijn broekzakken vol met de ‘Blijf Eeuwig High’-folders, begon te dansen met opgeheven armen. Naast hem danste Acyutānanda, in een zwarte coltrui, het chantsnoer met grote kralen om zijn nek en zijn lange, wilde bos met krullend, bijna gekroesd haar. Toen stond Brahmānanda op en hij en Acyutānanda stonden tegenover elkaar, armen omhoog zoals op het schilderij van Heer Caitanya’s kīrtana. De fotografen onder de omstanders kwamen naar voren. De jongens dansten, hun gewicht verplaatsend van de linker- naar de rechtervoet in een reeks engelachtige poses, met hun rode chantkralen om hun nek. Ze deden ‘de Swami-pas.’
Brahmánanda: Toen ik was opgestaan, dacht ik dat ik moest blijven staan zolang Swamiji op zijn drum speelde. Ik dacht dat het een overtreding zou zijn om te gaan zitten terwijl hij nog speelde. Dus ik bleef een uur dansen.
Swamiji toonde zijn goedkeuring door een typisch Indiase hoofdbeweging en hief zijn armen op om meer dansers uit te nodigen. Meer discipelen begonnen te dansen en zelfs een paar hippies stonden op om het te proberen. Swamiji wilde dat iedereen zong en danste in sankīrtana. De dans was een kalme zwaaiende beweging terwijl de blote voeten op het kleed heen en weer stapten en de armen omhoog geheven waren met de vingers uitgestrekt naar de lucht boven het herfstgebladerte. Hier en daar waren er chanters in het publiek die hun eigen privé-extases ervaarden: een meisje met gesloten ogen en spelend op vingercymbalen bewoog tijdens het zingen dromerig haar hoofd heen en weer. Een Poolse vrouw met een heel oud, verweerd gezicht en een sjaal om haar hoofd staarde sceptisch naar het meisje. Kleine groepjes oude vrouwen in omslagdoeken en sommigen met zonnebrillen stonden her en der tussen de omstanders geanimeerd te praten en te wijzen naar de bezienswaardigheden in de kīrtana. Alleen Kīrtanānanda droeg een dhotī, waarin hij eruitzag als een jongere versie van Prabhupāda. De milde herfstzon baadde de groep in een gouden gloed met lange, koele schaduwen.
Het harmonium speelde een constante dreun en een jongen in een legerjas speelde geïmproviseerde atonale creaties op een houten blokfluit. Maar het geheel van alle klanken van de verschillende muziekinstrumenten vermengde zich en Swamiji’s stem steeg uit boven het geheel aan klanken van ieder akkoord. En zo ging het een paar uur door. Prabhupāda hield zijn hoofd hoog en zijn schouders recht, hoewel hij aan het eind van een mantraregel soms zijn schouders ophaalde voordat hij met de volgende regel begon. Zijn discipelen bleven dicht bij hem, zittend op hetzelfde kleed, de religieuze extase zichtbaar in hun ogen. Uiteindelijk stopte hij.
Hij stond onmiddellijk op en ze wisten dat hij ging spreken. Het was vier uur en de warme herfstzon scheen nog steeds. De sfeer was rustig en het publiek aandachtig en sympathiek door de concentratie op de mantra. Hij begon met iedereen te bedanken voor hun deelname aan de kīrtana. “Het chanten van Hare Kṛṣṇa”, zei hij, “was vijfhonderd jaar geleden geïntroduceerd in West-Bengalen door Caitanya Mahāprabhu. Hare betekent ‘O energie van de Heer,’ Kṛṣṇa is de Heer en Rāma is ook een naam van de Allerhoogste Heer, die ‘de hoogste vreugde’ betekent.” Zijn leerlingen zaten aan zijn voeten te luisteren. Rāya Rāma keek met halfgesloten ogen door de vingers van zijn opgehouden hand tegen de zon in naar Swamiji en Kīrtanānanda luisterde met schuin gehouden hoofd, als een vogel die naar grondgeluiden luistert.
Swamiji stond rechtop bij de grote eik, elegant in zijn saffraankleurig gewaad, met zijn handen losjes gevouwen voor zich in een gepaste sprekershouding. De boom achter hem leek daar volmaakt geplaatst te zijn en het zonlicht bespikkelde de dikke stam met bladvormige schaduwen. Achter hem, aan de andere kant van een groepje bomen, was de kerktoren van St. Brigids. Rechts van hem stond een klein, dik vrouwtje van middelbare leeftijd in een jurk en met een kapsel dat al vijfentwintig jaar uit de mode was in Amerika. Rechts van hem stond een brutaal uitziend hippiemeisje in een strakke spijkerbroek. En naast haar stond een jonge zwarte man in een zwarte trui, met zijn armen over elkaar. Daarnaast was er een jonge vader met een baby, daarnaast een bebaarde straat-sādhu met een scheiding in het midden van zijn haar. Naast hem stonden twee gewone mannen uit de middenklasse, hun haar netjes kortgeknipt, met hun jonge vrouwelijke metgezellen. Veel van de omstanders werden afgeleid, ook al stonden ze dichtbij, en keken her en der.
Swamiji legde uit dat er drie niveaus waren – sensueel, mentaal en intellectueel – en dat het spiritueel niveau daarboven verheven is. Het chanten van Hare Kṛṣṇa is op het spirituele niveau en is het beste proces om ons eeuwige, gelukzalige bewustzijn te doen herleven. Hij nodigde iedereen uit om de bijeenkomsten in Second Avenue nummer 26 bij te wonen en beëindigde zijn korte toespraak met: “Dank jullie wel. Zing alstublieft met ons mee.” Daarna ging hij zitten, pakte zijn drum en begon opnieuw met de kīrtana.
Als het riskant was voor een zeventigjarige man om op een drum te slaan en heel hard te zingen, dan nam hij dat risico voor Kṛṣṇa. Het was te goed om te stoppen. Hij was helemaal uit Vṛndāvana gekomen, had de Kṛṣṇa-loze yogavereniging overleefd en had de hele winter in onbekendheid gewacht. Amerika had honderden jaren gewacht zonder ooit het chanten van Hare Kṛṣṇa te hebben gehoord. Thoreau en Emerson hadden Engelse vertalingen van de Gītā en de Purāṇa’s bestudeerd en gewaardeerd, maar dit had geen enkele ‘Hare Kṛṣṇa’ voortgebracht. En ook Vivekananda’s bekende toespraak namens het hindoeïsme tijdens het wereldparlement van religies te Chicago in 1893 had niet geresulteerd in een kīrtana. Nu hij dus eindelijk kṛṣṇa-bhakti op gang had gekregen, stromend als de Ganges naar de zee, kon deze niet meer worden gestopt. In zijn hart voelde hij de oneindige wil van Heer Caitanya om de gevallen zielen te verlossen.
Hij wist dat dit het verlangen was van Heer Caitanya Mahāprabhu en van zijn eigen spiritueel leraar, ook al zouden de kastenbewuste brāhmaṇa’s in India afkeuren dat hij omging met zulke onaanraakbaren als deze drugsverslaafde Amerikaanse vleeseters en hun vriendinnetjes. Maar Swamiji legde uit dat hij volledig in overeenstemming met de heilige teksten handelde. Het Bhāgavatam had duidelijk gezegd dat het Kṛṣṇa-bewustzijn aan alle volken moest worden gegeven. Iedereen was een spirituele ziel en kon ondanks de soort geboorte die hij had genomen tot een hoger spiritueel platform gebracht worden door het chanten van de heilige naam. Het maakte niet uit wat voor zondige dingen ze deden, deze mensen waren de volmaakte kandidaten voor het Kṛṣṇa-bewustzijn. Tompkins Square Park was Kṛṣṇa’s plan; het was ook een onderdeel van de wereld en deze mensen waren leden van het menselijk ras. En het chanten van Hare Kṛṣṇa was het dharma voor dit tijdperk.
Toen swamiji terugkwam in de tempel, trof hij een massa mensen uit het park aan op de stoep voor zijn deur – jonge mensen, die wachtten tot hij de deur van Matchless Gifts opende. Ze wilden meer leren over het dansen, het chanten en de oude swami met zijn discipelen, die in het park zo’n prachtig spektakel hadden verzorgd. Ze vulden de tempel. Buiten, op de stoep, hingen de verlegen of minder overtuigden voor de deur of het raam rond, rokend, wachtend en door het raam turend om de schilderijen aan de muur te kunnen zien. Swamiji kwam binnen, liep rechtstreeks naar zijn verhoging en ging zitten voor de grootste groep die ooit zijn tempel had bezocht. Hij sprak nog meer over het Kṛṣṇa-bewustzijn en de woorden kwamen even natuurlijk als zijn ademhaling. Hij haalde de sanskrietbronnen aan die hun ervaringen in het park verklaarden. Zoals ze vandaag hadden gechant, legde hij uit, zo zou iedereen altijd moeten chanten.
Het was laat toen hij eindelijk in zijn appartement terugkeerde. Een van de jongens bracht hem een kop warme melk en iemand merkte op dat ze iedere week in het park zouden moeten chanten. “Iedere dag”, antwoordde Swami. Hoewel er nog zo’n zes mensen aanwezig waren, ging hij op zijn dunne mat liggen. Hij sprak nog een paar minuten en toen begon zijn stem af te dwalen en werden zijn zinnen onsamenhangend. Hij leek weg te doezelen. Het was tien uur. Ze slopen op hun tenen naar buiten en sloten zachtjes de deur.
Hare Kṛṣṇa begon populair te worden met regelmatige kīrtana’s in de parken en krantenberichten – Hayagrīva noemde het de ‘Hare Kṛṣṇa-explosie’. De hippies van de Lower East Side beschouwden het chanten als ‘een van de gaafste dingen,’ en dat Swami’s discipelen geen lsd gebruikten, schaadde hun populariteit niet. De toegewijden werden gezien als engelachtig mensen, die het vredige chanten aan anderen gaven en gratis eten en een overnachtingsplek boden. Je kon bij hen gratis het meest interessante vegetarische eten krijgen (als je op het juiste moment kwam). En in de tempel stonden er op de boekenplank bij de deur boeken uit India.
In de clubs speelden plaatselijke musici de melodie die ze hadden opgepikt van de Swami als hij in het park en in de tempel aan het zingen was. De Lower East Side, een buurt vol artiesten en musici, was nu ook de buurt van de Hare Kṛṣṇa.
De avond-kīrtana’s waren altijd drukbezocht. Iedere avond was de tempel zo vol dat er geen ruimte meer was om te zitten. Er was veel interesse in de groepszang en de muziek, maar na de kīrtana, wanneer het tijd was voor de lezing, begonnen mensen te vertrekken. Vaak ging de helft van het publiek weg vóór het begin van de lezing en soms gingen mensen weg tijdens de lezing.
Op een avond bracht Alan Ginsberg Ed Sanders en Tuli Kupferberg van The Fugs mee naar de bijeenkomst. The Fugs was een plaatselijke band die bekend was geworden om zijn obscene teksten. Onder de populaire nummers van Ed Sanders waren Slum Goddess of the Lower East Side, Group Grope en I Can’t Get High. Ed had een woeste bos rood haar en een felrode baard en speelde gitaar tijdens de kīrtana. De toegewijden waren blij met hun bekende gasten.
Die avond besloot Śrīla Prabhupāda te spreken over de illusie van seksueel genot. “Seksueel genot bindt ons leven na leven aan deze materiële wereld”, zei hij, en hij haalde, zoals hij dat wel vaker deed, een vers aan van Yamunācārya: “Sinds ik Kṛṣṇa-bewust ben geworden, vertrekt mijn gezicht wanneer ik denk aan seks met een vrouw en spuug ik bij die gedachte.” The Fugs kwamen niet meer terug.
Negatieve uitlatingen over seksueel genot was zeker geen strategische zet voor iemand die volgelingen wilde maken onder de hippies van Lower East Side. Maar het kwam nooit bij Bhaktivedanta Swami op om zijn boodschap aan te passen. Sterker nog: toen Umāpati had geopperd dat Amerikanen het niet leuk vinden om te horen dat seks uitsluitend bedoeld is voor het krijgen van kinderen, had Bhaktivedanta Swami geantwoord: “Ik kan de filosofie niet veranderen om de Amerikanen tevreden te stellen.”
“Hoe zit het met seks”, had ISKCON’s advocaat Steve Goldsmith, die helemaal achter in de drukke tempel zat, op een avond gevraagd.
“We horen alleen een seksuele relatie te hebben met onze eigen vrouw,” antwoordde Swamiji, “en ook dat is beperkt. Seks is voor het verwekken van Kṛṣṇa-bewuste kinderen. Mijn spiritueel leraar zei vroeger dat hij voor het verwekken van Kṛṣṇa-bewuste kinderen bereid was om honderd keer seks te hebben. Maar in dit tijdperk is dat natuurlijk erg moeilijk, daarom bleef hij een brahmacārī.”
“Maar de seksdrang is erg sterk, “daagde Steve Goldsmith uit. “Wat een man voor een vrouw voelt, kan niet worden genegeerd.”
“Daarom is er in iedere cultuur het huwelijk”, antwoordde Śrīla Prabhupāda. “Je kunt trouwen en vredig samenleven met een vrouw, maar de vrouw hoort niet gebruikt te worden als een middel voor zinsbevrediging. Seks moet beperkt worden tot één keer per maand en uitsluitend voor het verwekken van kinderen.”
Hayagrīva, die vlak naast Swamiji zat, naast de grote, hangende gong, zei plotseling: “Maar één keer per maand?” Schertsend voegde hij er luid aan toe: “Dan is het beter om het hele gedoe maar te vergeten!”
“Ja! Dat is het! Heel goed, jongen.” Swamiji lachte en de anderen lachten met hem mee. “Het beste is om er gewoon niet aan te denken en Hare Kṛṣṇa te chanten.” Hij hield zijn handen voor zich alsof hij op een kralensnoer aan het chanten was. “Op die manier blijft je zoveel ellende bespaard. Seks is als jeuk; wanneer je krabt, wordt het erger. We moeten de jeuk gewoon verdragen en Kṛṣṇa vragen ons te helpen. Het is niet gemakkelijk, want seks is het hoogste genot in de materiële wereld en ook de sterkste keten.”
Maar Steve Goldsmith schudde zijn hoofd. Swamiji keek hem glimlachend aan: “Heb je er een probleem mee?”
“Het is dat… wel, het is bewezen dat het onderdrukken van de seksuele drang gevaarlijk is. De theorie is dat we oorlogen hebben omdat…”
“Mensen vlees eten”, onderbrak Prabhupāda hem. Zolang de mensen vlees eten, zal er oorlog zijn. En als iemand vlees eet, zal hij ook zeker vrije seks hebben.”
Steven Goldsmith was een invloedrijke vriend en een donateur van ISKCON. Maar Prabhupāda paste de filosofie niet aan om de Amerikanen tevreden te stellen.
Het was 11 uur ’s avonds en er was maar één lamp aan in Swamiji’s appartement – in het keukentje. Swamiji was nog steeds wakker en leerde Kīrtanānanda en Brahmānanda koken, want de volgende dag (zondag) zou hij een feest houden voor het publiek. Kīrtanānanda had voorgesteld het een ‘Love Feast’ te noemen en Swamiji had de naam aangenomen, hoewel het in het begin wel vreemd klonk hem ‘Love Feast’ te horen zeggen. De toegewijden hadden posters opgehangen in de buurt en hadden een bordje voor het raam van de tempel gezet, en Swamiji had gezegd dat hij genoeg zou koken voor minstens vijftig mensen. Hij zei dat de ‘Love Feasts’ een belangrijk onderdeel van iskcon zouden moeten worden. Zoals hij vaak had uitgelegd, wordt voedsel dat aan Kṛṣṇa is geofferd spiritueel, en wie prasādam eet, ontvangt daardoor enorm veel spiritueel voordeel. Prasādam betekent ‘genade’
Swamiji zorgde ervoor dat elk van de elf gerechten volmaakt was bereid en zijn discipelen droegen ze één voor één in pannen naar de voorkamer en zetten ze voor de foto van Heer Caitanya. Er was halavā, dāl, twee sabjī’s, een luxe rijst, purī’s, samosā’s, zoete rijst, appelchutney en gulābjāmuns of zoete ballen: ISKCON-kogels. Swamiji had een heleboel tijd besteed aan het langzaam op een lage vlam frituren van deze zoete ballen, totdat ze stevig en goudbruin waren geworden. Daarna had hij ze één voor één met een schuimspaan uit de geklaarde boter gehaald en ze in suikersiroop gelegd om te weken. Hij wist dat deze gouden, in geklaarde boter gefrituurde melkballen de favoriete prasādam-traktatie was van zijn discipelen. Hij noemde ze ‘iskcon-kogels’ omdat het wapens waren in de oorlog tegen māyā. Hij stond zelfs toe dat er een pot met deze kogels, drijvend in hun siroop, in de voorkamer stond, zodat zijn discipelen ze op ieder moment van de dag konden pakken zonder om toestemming te hoeven vragen. Ze konden er zo veel nemen als ze wilden.
De eerste paar ‘Love Feasts’ trokken niet zo heel veel mensen, maar de toegewijden waren zo enthousiast over de feest-prasādam dat ze geen teleurstelling toonden over het gebrek aan gasten. Ze waren bereid alles op te eten.
Satsvarúpa: Er was iets dat ‘brāhmaṇa-spaghetti’ werd genoemd. Het was vermicelli van rijstmeel, gekookt in ghee en geweekt in suikerwater. En er waren halavā, puṣpānna-rijst met gefrituurde kaasballen, samosā’s, gespleten mung-bonen, gefrituurd tot knapperige balletjes en gemengd met zout en specerijen, purī’s en gulābjāmuns. En alles was ‘sappig’ – dat was het woord dat Hayagrīva gebruikte. “Ja,” zei hij dan op een komische manier, “alles was erg sappig.”
Het eten van het feest was een intense ervaring. We hoorden de hele week onze zintuigen te bedwingen, strikte regels te volgen en de tong te beheersen. Het feest was een soort beloning. Swamiji en Kṛṣṇa gaven ons een voorproefje van de volle spirituele extase, ook al waren we nog maar beginners en nog steeds in de materiële wereld. Voordat ik aan mijn volle bord begon, bad ik: “Alstublieft, laat me in Kṛṣṇa-bewustzijn blijven, want het is zo fijn en ik ben zo gevallen. Laat me Swamiji dienen en laat me nu van dit feest genieten in transcendentale vreugde.” En dan begon ik te eten en ging van de ene smaaksensatie naar de andere – de heerlijke rijst, de favoriete groente, het brood en, natuurlijk tot het laatst bewaard, de gulābjāmun. En de hele tijd dacht ik: “Ik kan nog een tweede portie krijgen, of zelfs een derde als ik dat wil.” We hielden de grote pannen in het oog, vol vertrouwen dat er zo veel was als we wilden. Het was een tijd van hernieuwde devotie. We aten met overduidelijk genot en zinsbevrediging. Eten was heel belangrijk.
Langzamerhand kwamen er meer mensen. De feestmaaltijden waren gratis en ze stonden erom bekend overheerlijk te zijn. Het waren meestal de plaatselijke hippies die kwamen, maar soms kwamen er ook meer gegoede New Yorkers die iets nieuws wilden proberen, of zelfs ouders van een van de toegewijden. Wanneer de tempel vol was, namen de gasten hun met prasādam overladen papieren borden mee naar de binnenplaats en gingen onder de brandtrap of aan de picknicktafel zitten, of gewoon op de grond. Als hun bord leeg was kwamen ze terug naar de tempel voor meer. De toegewijden stonden achter de pannen met prasādam en de gasten kwamen langs voor een tweede portie. De andere huurders waren niet erg blij bij het zien van de binnenplaats vol blije gasten en de toegewijden probeerden hen te kalmeren met borden vol prasādam. Hoewel Swamiji niet naar de tempel kwam, nam hij wel een bord mee naar zijn kamer en hoorde vol vreugde hoe succesvol zijn nieuwe programma was.
Op een keer aten de toegewijden zo gretig dat het erop leek dat ze alles zouden opeten voordat alle gasten waren geserveerd. Kīrtanānanda moest ze berispen om hun zelfzuchtige houding. Geleidelijk aan begonnen ze te begrijpen dat het zondagsfeest er niet enkel was voor hun plezier, maar om mensen aan te trekken tot het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Bhaktivedanta Swami was begonnen met het Back to Godhead-tijdschrift in India. Hoewel hij sinds de jaren dertig artikelen had geschreven, was het in 1944, in Kolkata, dat hij in zijn eentje het tijdschrift had opgericht, als antwoord op het verzoek van zijn spiritueel leraar dat hij Kṛṣṇa-bewustzijn in het Engels zou prediken. Via zijn farmaceutisch bedrijf had hij met heel veel moeite de benodigde maandelijkse drukkosten van vierhonderd roepies kunnen vergaren. Al het schrijven, redigeren, publiceren, financieren en zelfs het verspreiden van iedere uitgave deed hij zelf. In die vroege jaren was Back to Godhead Bhaktivedanta Swami’s belangrijkste literaire werk en predikmissie geweest. Hij had zich voorgesteld hoe het tijdschrift in grote oplage verspreid zou worden en hij had plannen gemaakt voor het propageren van Heer Caitanya’s boodschap over de hele wereld. Hij had een lijst gemaakt van de belangrijkste landen en het aantal Back to Godhead-tijdschriften dat hij naar ieder ervan wilde sturen. Hij ging op zoek naar donaties om dat project te financieren, maar hulp was moeilijk te vinden. Uiteindelijk richtte hij zijn energie in 1959 op het schrijven en uitgeven van het Śrīmad-Bhāgavatam. Nu wilde hij echter Back to Godhead weer tot leven brengen. Maar dit keer was hij niet alleen; dit keer zou hij de verantwoordelijkheid aan zijn discipelen overdragen.
Een van Swamiji’s discipelen, Gargamuni, had gehoord dat er een golfclub in Queens was die zijn kleine A. B. Dick-stencilmachine probeerde te verkopen. Swamiji was geïnteresseerd en hij, Kīrtanānanda en Gargamuni reden naar Queens in een geleende bestelbus om de machine te bekijken. Ze was oud, maar in goede conditie. De clubmanager wilde er $250 voor hebben. Swamiji onderzocht de machine nauwkeurig en sprak met de manager over zijn spirituele missie. De manager vertelde hem dat ze een tweede machine hadden en dat geen van beide gebruikt werd. Dus bood Swamiji $250 voor beide machines. De golfclub had ze niet echt nodig en dit zou Swamiji enorm helpen bij het drukken van zijn belangrijke spirituele boodschap waar de hele mensheid beter van zou worden. De man stemde toe. Swamiji liet Gargamuni en Kīrtanānanda beide machines in de bestelbus laden. iskcon had zijn eerste drukpers.
Bhaktivedanta Swami droeg de redactie van Back to Godhead over aan Hayagrīva en Rāya Rāma. Zo veel jaren had hij Back to Godhead aanvaard als een persoonlijke dienst aan zijn spiritueel leraar, maar nu zou hij jonge mensen, zoals Hayagrīva, de universiteitsdocent Engels, en Rāya Rāma, de professionele schrijver, de verantwoordelijkheid voor Back to Godhead op zich laten nemen, als hun dienst aan hun spiritueel leraar. In korte tijd hadden Hayagrīva en Rāya Rāma het eerste nummer samengesteld en waren ze klaar voor de
Het was een vrije avond, zonder openbare kīrtana en lezing, en Swamiji was boven in zijn kamer bezig met het vertalen van het Śrīmad-Bhāgavatam. Beneden was het kopiëren van het eerste nummer al een paar uur aan de gang. Rāya Rāma had de stencils getypt en stond tijdens het kopiëren nerveus bij de machine de kwaliteit van iedere pagina te bekijken, terwijl hij over zijn baard streek en “Hmmmm” mompelde. Nu was het tijd om de pagina’s samen te voegen en vast te nieten. De stencils waren goed genoeg geweest voor honderd kopieën. Nu lagen er dus stapels van honderd kopieën van ieder van de achtentwintig pagina’s plus de voor- en achterpagina op een rij, op twee van de ongelakte banken die Raphael die zomer had gemaakt. Een paar toegewijden vormden een soort lopende band door langs de stapels te lopen en de bladen op volgorde op elkaar te leggen, waarna ze het stapeltje pagina’s aan Gargamuni gaven die, terwijl hij zijn lange haar uit zijn ogen bleef vegen, elk tijdschrift in elkaar niette met een nietmachine en nietjes die Brahmānanda had meegenomen van zijn werk bij de onderwijsraad. Zelfs Hayagrīva, die zich meestal niet als vrijwilliger opwierp voor ondergeschikte taken, hielp mee.
Plotseling ging de zijdeur open en tot hun verbazing zagen ze Swamiji naar hen kijken, waarna hij de kamer binnenkwam. Hij was nog nooit naar beneden gekomen op een vrije avond. Ze voelden een onverwachte vlaag van emoties voor hem en vielen op hun knieën en bogen hun hoofd naar de grond. “Nee, nee”, zei hij en hief zijn hand op om ze tegen te houden terwijl sommigen nog steeds neergebogen waren en anderen al opstonden. “Ga gewoon door met wat jullie aan het doen waren.” Toen ze allemaal stonden en hij daar zo bij ze stond, wisten ze niet wat ze moesten doen. Het was duidelijk dat hij naar beneden was gekomen om te zien hoe ze zijn Back to Godhead-tijdschrift produceerden, dus werkten ze in stilte zo efficiënt mogelijk door. Prabhupāda liep langs de rijen pagina’s, met zijn hand en pols sierlijk uitgestrekt buiten de plooien van zijn omslagdoek, terwijl hij een stapel pagina’s aanraakte en daarna een voltooid tijdschrift. “De iskcon-drukpers”, zei hij.
Jagannātha had de voorpagina ontworpen en daarvoor een pentekening van Rādhā en Kṛṣṇa gebruikt, die leek op zijn schilderij in de tempel. Het was een eenvoudige tekening in het midden van een patroon van concentrische cirkels. De eerste pagina begon met hetzelfde motto dat Prabhupāda jarenlang had gebruikt op zijn Back to Godhead: God is licht, onwetendheid is duisternis. Waar God is, is geen duisternis.
Prabhupāda’s eerste en belangrijkste opdracht aan zijn redacteuren was geweest dat ze het tijdschrift regelmatig moesten uitbrengen – iedere maand. Zelfs als ze niet wisten hoe ze alle exemplaren moesten verkopen, of zelfs als het tijdschrift maar uit twee pagina’s bestond, moesten ze zich aan die standaard houden.
Hij riep Hayagrīva naar zijn kamer en gaf hem een van zijn driedelige Śrīmad-Bhāgavatam-sets cadeau. Op de eerste pagina van ieder van de drie boeken had hij geschreven: Voor Śrīmān Hayagrīva Dāsa Brahmacārī met mijn zegen, A. C. Bhaktivedanta Swami. Hayagrīva was dankbaar en zei dat hij niet in staat was geweest om ze te betalen. “Dat is goed”, zei Prabhupāda. “Doe je best om de Back to Godhead te produceren en het net zo dik en bekend te maken als Time Magazine.
Prabhupāda wilde dat al zijn discipelen eraan meewerkten. “Wees niet zo duf”, zei hij. “Schrijf iets.” Hij wilde Back to Godhead aan zijn discipelen geven, zodat ze konden prediken. Brahmānanda en Gargamuni gingen er die eerste avond op hun fietsen op uit en bezochten alle headshops op de Lower East Side helemaal tot 14th Street in het noorden en tot West Village in het westen, totdat ze alle honderd exemplaren hadden verkocht. Dit was een enorme vooruitgang in het predikwerk. Nu konden al zijn studenten meedoen – typen, redigeren, schrijven, samenvoegen, verkopen. Natuurlijk was het zijn predikwerk, maar hij was niet langer alleen.
Niet lang na hun huwelijk vertrokken Mukunda en Janakī naar de westkust. Mukunda had Swamiji gezegd dat hij naar India wilde gaan om Indiase muziek te studeren, maar na een paar weken in het zuiden van Oregon was hij in San Francisco terechtgekomen. Nu had hij een beter idee. Hij wilde iets huren en Swamiji uitnodigen om zijn Hare Kṛṣṇa-beweging in de Haight-Ashbury buurt te beginnen, net zoals hij dat in de Lower East Side had gedaan. Hij zei dat de mogelijkheden voor Kṛṣṇa-bewustzijn daar heel goed waren.
Soms, tijdens de avondbijeenkomsten in zijn kamer, vroeg Swamiji of Mukunda hem al kon ontvangen aan de Westkust. Maandenlang was naar de Westkust gaan een van Swamiji’s alternatieven geweest. Maar toen kwam er tijdens de eerste week van januari 1967 een brief van Mukunda: hij had een winkelruimte gehuurd in het centrum van Haight-Ashbury, in Frederick Street. “We zijn het nu aan het verbouwen tot een tempel”, schreef hij. En Swamiji kondigde aan: “Ik ga er meteen naartoe.”
Mukunda schreef over de ‘samenkomst van de stammen’ in San Francisco’s Haight Ashbury: duizenden hippies die vanuit het hele land naar de buurt migreerden waar Mukunda een winkelruimte huurde. Het was een jeugdrenaissance die veel groter was dan wat er in New York gebeurde. Mukunda was bezig een ‘Mantra-Rock Dance’ te organiseren met bekende bands, om geld in te zamelen voor de nieuwe tempel. En Swami Bhaktivedanta en het chanten van Hare Kṛṣṇa zouden de belangrijkste attractie zijn!
Hoewel Mukunda een vliegticket had meegestuurd met zijn brief, weigerden sommige volgelingen van Swamiji te aanvaarden dat Swamiji het ook werkelijk zou gebruiken. Degenen die wisten dat ze niet weg konden uit New York begonnen kritiek te uiten op het plan dat Swamiji naar San Francisco zou gaan. Ze dachten dat de mensen aan de Westkust niet goed voor Swamiji konden zorgen. En Swamiji die met rockmuzikanten zou verschijnen? De mensen daar leken niet voldoende respect voor hem te hebben. Hoe dan ook was er geen geschikte tempel. Er was geen drukpers, geen Back to Godhead-tijdschrift. Waarom zou Swamiji New York verlaten om zo’n evenement met vreemden bij te wonen in Californië? Hoe kon hij hen achterlaten in New York? Hoe kon hun spiritueel leven doorgaan zonder hem?
Verlegen uitten een of twee van hen indirect hun gevoelens tegenover Swamiji, bijna alsof ze probeerden hem terecht te wijzen omdat hij erover dacht hen te verlaten. Ze lieten zelfs doorschemeren dat het niet goed zou aflopen als hij weg zou gaan, zowel in San Francisco, als in New York. Maar ze zagen dat hij er redelijk veel vertrouwen in had en vastbesloten was. Hij behoorde niet tot New York; hij behoorde Kṛṣṇa toe. En hij moest gaan waar Kṛṣṇa wilde dat hij predikte. Hij was volledig onthecht, enthousiast om te reizen en het chanten van Hare Kṛṣṇa te verspreiden.
Brahmánanda: Maar we waren geschokt dat hij wegging. Ik had nooit gedacht dat het Kṛṣṇa-bewustzijn verder zou reiken dan de Lower East Side, of zelfs New York. Ik dacht dat dit het was en dat het zo voor altijd zou blijven.
Tijdens de laatste dagen van de tweede week van januari werden de vluchtreserveringen gemaakt en begonnen de toegewijden Swamiji’s manuscripten in koffers te pakken. Raṇacora, een nieuwe toegewijde, die de toegewijden had ontmoet in Tompkins Square Park, had genoeg geld verzameld voor een vliegticket en de toegewijden besloten dat hij Swamiji moest vergezellen als zijn persoonlijke assistent. Swamiji legde uit dat hij maar een paar weken weg zou zijn en dat hij wilde dat alle programma’s bleven doorgaan tijdens zijn afwezigheid.
Hij wachtte in zijn kamer tot de jongens een auto hadden geregeld om hem naar het vliegveld te brengen. Het was een grijze, koude dag en er siste stoom in de verwarmingsradiatoren. Hij zou maar één koffer meenemen – hoofdzakelijk kleren en een paar boeken. Hij keek nog even in de kast om te zien of zijn manuscripten goed waren opgeborgen. Kīrtanānanda zou zijn appartement verzorgen. Hij ging aan zijn bureau zitten, waaraan hij gedurende meer dan zes maanden zoveel uren had doorgebracht met het werk aan zijn Bhagavad-gītā en Śrīmad-Bhāgavatam en waar hij met zoveel gasten en volgelingen had gesproken. Maar vandaag zou hij niet met vrienden praten of een manuscript uittypen; hij bracht de laatste paar minuten alleen door in afwachting van zijn vertrek.
Dit was zijn tweede winter in New York. Hij had een beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn opgericht. Een paar oprechte jongens en meisjes hadden zich aangesloten. Ze waren al goed bekend op de Lower East Side – veel vermeldingen in kranten. En dit was nog maar het begin.
Hiervoor had hij Vṛndāvana verlaten. In het begin was het niet zeker of hij langer dan twee maanden in Amerika zou blijven. In Butler had hij zijn boeken gepresenteerd. Maar in New York zag hij hoe Dr. Mishra de zaken had geregeld en hoe de māyāvādī’s een groot gebouw hadden. Ze namen geld aan, maar verspreidden niet eens de werkelijke boodschap van de Gītā. Toch waren de Amerikanen op zoek.
Deze maanden in Amerika waren moeilijk geweest. Zijn godsbroeders hadden geen interesse getoond om hem te helpen, hoewel dit was wat hun guru mahārāja, Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura, wilde, en wat Heer Caitanya wilde. Maar omdat het Heer Caitanya’s wens was, zouden Zijn zegeningen zeker komen, en zo zou het gebeuren.
Dit was een goede plek, 26 Second Avenue. Hier was hij begonnen en de jongens zouden doorgaan. Een paar doneerden hun salaris. Het was een begin.
Bhaktivedanta Swami keek op zijn horloge. Hij trok zijn wollen winterjas aan en zijn hoed en schoenen, stak zijn rechterhand in zijn kralenzak en ging door met chanten. Hij liep het appartement uit en stak de binnenplaats over, die nu bevroren en stil was, met volledig kale bomen. Toen verliet hij de tempel.
Hij vertrok, terwijl Brahmānanda, Rūpanuga en Satsvarūpa nog op hun werk waren. Er was zelfs geen afscheidsceremonie of een afscheidswoord.