Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 1
Eenzame strijd
Kolkata, 13 augustus 1965
De jaladuta is een vrachtboot van de scindia steam navigation Company, die ook een passagiershut heeft. Tijdens de reis van Kolkata naar New York, in augustus en september 1965, werd de hut gebruikt door Śrī Abhay Charanaravinda Bhaktivedanta Swami. Volgens de lijst was hij negenenzestig jaar oud en aan boord genomen met “een vrijkaartje, inclusief maaltijden.”
De Jaladuta, die onder bevel stond van kapitein Arun Pandia, wiens vrouw ook aan boord was, vertrok op vrijdag 13 augustus om 9 uur ’s morgens. In zijn dagboek noteerde Bhaktivedanta Swami: “Dankzij Heer Kṛṣṇa, die Sumati Morarji geïnspireerd heeft om al deze regelingen te treffen, is de hut heel comfortabel. Ik voel me helemaal op mijn gemak.” Maar op de veertiende schreef hij: “Zeeziekte, duizeligheid, overgeven – de Baai van Bengalen. Zware regen. Nog zieker.”
Op de negentiende, toen het schip in Colombo, Ceylon (het tegenwoordige Śrī Lanka) aankwam, kon Bhaktivedanta Swami een beetje bijkomen van zijn zeeziekte. De kapitein nam hem mee aan wal om met de auto een tochtje door Colombo te maken. Daarna zette het schip haar reis voort naar Cochin aan de westkust van India. Janmāṣṭamī, de verschijningsdag van Heer Kṛṣṇa, viel dat jaar op de twintigste augustus. Bhaktivedanta Swami maakte van de gelegenheid gebruik om een toespraak over de filosofie van Heer Kṛṣṇa voor de bemanning te houden en deelde prasādam uit die hij zelf had klaargemaakt.
Zijn zeventigste verjaardag op 21 augustus ging onopgemerkt voorbij. Diezelfde dag arriveerde het schip in Cochin waar Bhaktivedanta Swami’s koffers met de delen van het Śrīmad-Bhāgavatam, die vanuit Mumbai verstuurd waren, aan boord werden gebracht.
De drieëntwintigste was het schip op weg naar de Rode Zee, waar Bhaktivedanta Swami veel moeilijkheden ondervond. In zijn dagboek noteerde hij: “Regen, zeeziekte, duizeligheid, hoofdpijn, geen eetlust, overgeven.” In twee dagen tijd kreeg hij twee keer een hartaanval. Hij verdroeg de moeilijkheden door op het doel van zijn missie te mediteren, maar hij dacht dat hij na twee van zulke zware aanvallen een derde zeker niet zou overleven.
De nacht na de tweede dag had hij een droom. Heer Kṛṣṇa in Zijn vele gedaanten, roeide een boot en zei tegen Bhaktivedanta Swami dat hij niet bang hoefde te zijn en met Hem mee moest komen. Nu was Bhaktivedanta Swami er zeker van dat Heer Kṛṣṇa hem zou beschermen. De zware aanvallen deden zich niet meer voor.
Op 1 september voer de Jaladuta het Suez-kanaal binnen en de tweede september legde het schip aan in Port Said. Samen met de kapitein bezocht Bhaktivedanta Swami de stad. Tegen de zesde was hij weer een beetje hersteld van zijn ziekte en at hij voor het eerst weer regelmatig van de kicharī en de purī’s die hij zelf klaarmaakte. In zijn dagboek vermeldde hij dat hij beetje bij beetje weer op krachten kwam:
Vrijdag, 10 september
Vrijdag, 10 september
Vandaag vaart het schip heel kalm. Ik voel me nu beter. Maar ik mis Śrī Vṛndāvana en mijn Śrī Govinda, Gopīnātha en Rādhā–Dāmodara. De enige troost is Śrī Caitanya-caritāmṛta waarin ik de nectar proef van Heer Caitanya’s līlā (activiteiten van vermaak). Ik ben alleen uit Bharatabhumi (India) weggegaan om de opdracht van Śrī Bhaktisiddhānta Sarasvatī uit te voeren, overeenkomstig het verlangen van Heer Caitanya. Hoewel ik niet gekwalificeerd ben, heb ik dit risico genomen om de opdracht van Zijne Goddelijke Genade uit te voeren. Zo ver van Vṛndāvana ben ik volledig van hun genade afhankelijk.
De oceaanreis van 1965 verliep kalm voor de Jaladuta. Volgens kapitein Pandia was het de rustigste overtocht die hij in zijn hele loopbaan had meegemaakt. Bhaktivedanta Swami zei dat het Kṛṣṇa’s genade was en mevrouw Pandia vroeg hem zelfs om weer met hen mee terug te gaan, zodat ze misschien net zo’n kalme terugreis zouden hebben. Bhaktivedanta Swami schreef in zijn dagboek: “Als de Atlantische Oceaan haar ware gelaat had getoond, had ik het misschien niet gehaald. Maar Heer Kṛṣṇa heeft het schip onder Zijn hoede genomen.”
Na een reis van vijfendertig dagen, kwam de Jaladuta op 17 september 1965, om half zes ’s morgens, op Bostons Commonwealth-pier aan. Het schip zou korte tijd in Boston blijven voordat het zou doorvaren naar New York.
In Boston moest Bhaktivedanta Swami zich bij de douane en de Amerikaanse immigratiedienst melden. Volgens zijn visum mocht hij twee maanden blijven en een ambtenaar zette er een stempel op met de verwachte datum van vertrek. Kapitein Pandia nodigde Bhaktivedanta Swami uit met hem mee de stad in te gaan, waar hij wat boodschappen wilde doen. Ze liepen een voetgangersbrug over en kwamen in een drukke wijk met oude kerken, warenhuizen, kantoorgebouwen, bars, goedkope boekenwinkels, nachtclubs en restaurants. Bhaktivedanta Swami bekeek de stad vluchtig, maar het belangrijkste van zijn korte verblijf in Boston, afgezien van het feit dat hij nu voet had gezet in Amerika, was dat hij aan de Commonwealth-pier een Bengaals gedicht schreef met de titel Mārkine Bhāgavata-dharma (het onderwijzen van het Kṛṣṇa-bewustzijn in Amerika). Hier volgen een paar verzen die hij die dag aan boord van het schip schreef:
Mijn lieve Heer Kṛṣṇa, U bent zo vriendelijk voor deze nutteloze ziel, maar ik weet niet waarom U me hier gebracht hebt. Nu kunt U met me doen wat U maar wilt.
Maar ik denk dat U hier iets voor me te doen hebt. Waarom zou U me anders naar deze verschrikkelijke plaats brengen?
Het grootste deel van de bevolking hier verkeert in de hoedanigheden onwetendheid en hartstocht. Ze gaan helemaal op in het materiële leven en denken dat ze heel gelukkig en tevreden zijn. Daarom hebben ze geen oor voor de transcendentale boodschap van Vāsudeva (Kṛṣṇa). Ik weet niet of ze ooit in staat zullen zijn het te begrijpen.
Maar door Uw grondeloze genade is alles mogelijk, want U bent de volmaaktste mysticus.
Hoe zullen ze de zoete smaak van devotionele dienst kunnen begrijpen? O Heer, ik bid enkel om Uw genade, zodat ik in staat zal zijn hen van Uw boodschap te overtuigen.
Alle levende wezens zijn door Uw wil onder de invloed gekomen van deze illusionerende energie en daarom kunnen ze, als U dat wilt, ook bevrijd worden uit de greep van deze illusie.
Mijn wens is dat U ze bevrijdt. Want alleen als U wilt dat ze bevrijd worden, zullen ze in staat zijn Uw boodschap te begrijpen…]
Hoe kan ik hen deze boodschap van het Kṛṣṇa-bewustzijn laten begrijpen? Ik ben heel onfortuinlijk, ongekwalificeerd en de meest gevallene. Daarom wend ik mij tot U voor Uw zegen, zodat ik ze kan overtuigen, want zelf ben ik daartoe niet bij machte.
Op de een of andere manier, o Heer, hebt U me hierheen gebracht om over U te spreken. Nu is het helemaal aan U, mijn Heer, mij te laten slagen of te laten mislukken, zoals U het wilt.
O spiritueel leraar van alle werelden! Ik kan Uw boodschap alleen maar herhalen. Als U het dus wilt, kunt U mij zo doen spreken dat ze het kunnen begrijpen.
Alleen door Uw grondeloze genade zullen mijn woorden zuiver worden. Ik ben er zeker van dat als deze transcendentale boodschap tot hun hart doordringt, ze grote vreugde zullen ervaren en zo bevrijd zullen raken van alle ellende.
O Heer, ik ben enkel een marionet in Uw handen. Als U me dus hier gebracht hebt om me te laten dansen, laat me dan dansen, laat me dansen, O Heer, laat me dansen zoals U wilt.
Devotie heb ik niet en kennis evenmin, maar ik heb een diep vertrouwen in de heilige naam Kṛṣṇa. Ik heb de naam Bhaktivedanta gekregen en nu kunt U, als U wilt, ervoor zorgen dat ik die naam werkelijk eer aan doe.
Ondertekend – de onfortuinlijkste, onbeduidende bedelaar,
A. C. Bhaktivedanta swami,
Aan boord van het schip Jaladuta,
Commonwealth-pier, Boston,
Massachusetts, V.S. 18 september 1965
A. C. Bhaktivedanta swami,
Aan boord van het schip Jaladuta,
Commonwealth-pier, Boston,
Massachusetts, V.S. 18 september 1965
Op 19 september voer de Jaladuta de haven van New York binnen en legde aan bij een van de pieren van Brooklyn, dicht bij Seventeenth Street. Bhaktivedanta Swami zag de ontzagwekkende contouren van Manhattan, het Empire State Building en, zoals miljoenen toeristen en immigranten vóór hem, het Vrijheidsbeeld.
Bhaktivedanta Swami was gekleed als een inwoner van Vṛndāvana. Hij droeg kaṇṭhi-mālā (nekkralen), een eenvoudige katoenen dhotī, een japa-mālā (meditatiesnoer) en een oude cādar (omslagdoek). Hij had een goudbruine gelaatskleur, een geschoren hoofd op de śikhā na en zijn voorhoofd was gesierd met de witachtige vaiṣṇava-tilaka. Hij droeg witte rubberen slippers met puntneuzen, wat niet ongewoon is voor sādhu’s in India. Maar wie in New York had ooit iemand gezien, of zelfs maar gedroomd van iemand, die er uitzag als deze vaiṣṇava? Waarschijnlijk was hij de eerste sannyāsī in New York die geen compromissen had gesloten wat betreft zijn kleding. Natuurlijk zijn de New Yorkers er wel aan gewend om niet te veel aandacht te schenken aan alles wat er aan nieuws of vreemds binnenkomt.
Bhaktivedanta Swami was alleen. Hij had ergens in Pennsylvania een begunstiger, de heer Agarwal. Er zou zeker iemand aanwezig zijn om hem te begroeten. Toen hij van het schip de pier opliep, wist hij niet goed wat te doen. “Ik wist niet of ik rechts- of linksaf moest gaan.” Hij ging door de douane en ontmoette al gauw een vertegenwoordiger van Traveler’s Aid, die door de familie Agarwal was gestuurd.
Bhaktivedanta Swami had maar veertig roepies op zak, wat hij zelf “goed voor een paar uurtjes New York” noemde en nog eens twintig dollar die hij gekregen had door drie delen van het Bhāgavatam aan kapitein Pandia te verkopen. Zo ging hij, met zijn paraplu en zijn koffer in de hand en nog steeds bijgestaan door een vertegenwoordiger van Traveler’s Aid, op weg naar het bij de haven gelegen busstation om de reis naar Butler te regelen.
Bhaktivedanta Swami kwam om vier uur ’s morgens bij de familie Agarwal in Butler aan. Gopal liet hem op de bank slapen. De flat waarin Gopal Agarwal met zijn Amerikaanse vrouw Sally en hun twee kleine kinderen woonden, bestond uit een kleine woonkamer, een eetkamer, een keukentje en boven twee slaapkamers en een badkamer. In de paar jaar dat ze nu in Butler verbleven, waren ze er behoorlijk ingeburgerd geraakt. Omdat er zo weinig ruimte in hun flat was, besloten ze dat het beter zou zijn als de swami een kamer in het ymca-hotel zou nemen en hen overdag zou komen bezoeken. Het werkelijke probleem was natuurlijk niet de woonruimte, maar hijzelf. Hoe zou hij in de sfeer van Butler passen?
Sally: We zaten in een nogal intellectuele kring en iedereen was door hem gefascineerd. Ze wisten nauwelijks wat ze hem moesten vragen. Ze wisten er niet genoeg van af. Het leek wel of hij uit een droom of een boek was gestapt. Wie verwacht er nu een swami tegen te komen in iemands woonkamer in Butler? Het was gewoon geweldig. Midden tussen gewone Amerikaanse burgers! Mijn ouders kwamen van ver om hem te ontmoeten. We kenden veel mensen in Pittsburgh en ook die kwamen omdat het zo buitengewoon was om hem hier te hebben. Maar eigenlijk zagen ze hem alleen maar als een curiositeit.
Hij had een typemachine bij zich, een van zijn weinige bezittingen, en een paraplu. Dat was een van de dingen die opzien baarden, dat hij altijd een paraplu bij zich had. Het was een beetje fris en hij was kalend, dus had hij altijd die hoed op die iemand voor hem gemaakt had – net een badmuts.
Hij was sensationeel. En hij was zo briljant dat wanneer hij iemand voor de tweede keer zag, hij meteen wist wie het was – hij herinnerde het zich. Of als hij bij ons mensen had ontmoet en ze daarna in een auto zag rijden, dan wist hij hun naam nog. Dan wuifde hij en zei hun naam. Hij was een briljant mens. Iedereen vond hem aardig. Ze verbaasden zich erover dat hij zo intelligent was. Ze waren vooral ingenomen met de manier waarop hij zich hun namen herinnerde. En zijn geestige manier van doen. Hij zag er altijd zo serieus uit, maar hij was heel geestig en charmant.
Nooit heb ik een gemakkelijker gast gehad dan hij, want als ik geen tijd voor hem had, chantte hij en dan wist ik dat hij volmaakt gelukkig was. Als ik niet met hem kon praten, chantte hij. Hij was zo gemakkelijk omdat ik wist dat hij zich nooit verveelde. Ik voelde nooit een bepaalde druk of spanning door zijn aanwezigheid. Hij was zo makkelijk dat wanneer ik voor de kinderen moest zorgen, hij gewoon ging chanten. Het was geweldig. Wanneer ik dingen moest doen, was hij gewoon tevreden aan het chanten. Hij was een heel goede gast. Als er mensen kwamen, zaten ze altijd te roken, maar dan zei hij: “Let niet op mij, maak je geen zorgen.” Omdat hij wist dat wij anders waren. Ik rookte niet in zijn aanwezigheid. Ik wist dat ik beter niet kon roken als Gopal’s vader er was en beschouwde hem een beetje hetzelfde. Hij bezorgde niemand last.
Nooit heb ik een gemakkelijker gast gehad dan hij, want als ik geen tijd voor hem had, chantte hij en dan wist ik dat hij volmaakt gelukkig was. Als ik niet met hem kon praten, chantte hij. Hij was zo gemakkelijk omdat ik wist dat hij zich nooit verveelde. Ik voelde nooit een bepaalde druk of spanning door zijn aanwezigheid. Hij was zo makkelijk dat wanneer ik voor de kinderen moest zorgen, hij gewoon ging chanten. Het was geweldig. Wanneer ik dingen moest doen, was hij gewoon tevreden aan het chanten. Hij was een heel goede gast. Als er mensen kwamen, zaten ze altijd te roken, maar dan zei hij: “Let niet op mij, maak je geen zorgen.” Omdat hij wist dat wij anders waren. Ik rookte niet in zijn aanwezigheid. Ik wist dat ik beter niet kon roken als Gopal’s vader er was en beschouwde hem een beetje hetzelfde. Hij bezorgde niemand last.
Op 22 september verscheen er een artikel in de Butler Eagle: Toegewijde van hindoecultus verklaart in vloeiend Engels zijn missie in het Westen. Er was een fotograaf naar de flat van de Agarwals gekomen om een foto van Bhaktivedanta Swami te maken, terwijl die in de huiskamer stond met een opengeslagen deel van het Śrīmad-Bhāgavatam in zijn handen. Het onderschrift luidde, Vertegenwoordiger van Bhakti-yoga. Het artikel begon zo:
Een lichtbruine man, in een verbleekt oranje gewaad en witte badslippers, stapte gisteren uit een klein autootje en ging het ymca-hotel van Butler binnen om er een bijeenkomst bij te wonen. Het is A. C. Bhaktivedanta Swamiji uit India. De swami heeft een boodschap voor de mensen in het Westen.
Het artikel betitelde het Śrīmad-Bhāgavatam als “bijbelse literatuur” en Bhaktivedanta Swami als “de wijze leraar.” Het ging verder met:
Mijn missie is het godsbewustzijn van de mensen weer tot leven te wekken”, zegt Swamiji. “God is de Vader van alle levende wezens, in al hun duizenden verschillende vormen”, zo legt hij uit. “Met het menselijk leven heeft de evolutie haar toppunt bereikt. Als we de boodschap missen, gaan we weer terug om het hele proces opnieuw te ondergaan”, gelooft hij… Bhaktivedanta Swami leeft als een monnik en staat niet toe dat een vrouw zijn voedsel aanraakt. Tijdens een zeereis van zes weken en in de flat van de familie Agarwal in Butler maakt hij zijn eigen maaltijden klaar in een koperen pan met verschillende verdiepingen. Daarin stoomt hij rijst en groenten en maakt hij tegelijkertijd ‘brood’. Hij leeft strikt vegetarisch en mag alleen melk drinken, “het wondervoedsel voor baby’s en oude mensen”, merkte hij op… Als de Amerikanen meer aandacht aan hun spiritueel leven zouden schenken, zouden ze veel gelukkiger zijn, zegt hij.
Sally: Bij het koken gebruikte hij altijd maar één brander. De pan onderaan zorgde voor de stoom. Op de bodem deed hij dāl en dat zorgde voor de stoom waarmee hij een heleboel andere groenten gaar kookte. Ongeveer een week lang kookte hij elke dag die enorme maaltijd. Die was rond half twaalf klaar en Gopal kwam altijd rond twaalf uur thuis om te eten. Ik gaf Gopal dan een boterham en dan ging hij weer terug naar zijn werk. Maar het kostte me niet veel tijd om me te realiseren dat wij het eten dat de swami kookte ook lekker zouden vinden. Dus ging hij dat middagmaal voor ons allemaal klaarmaken. En we vonden het heerlijk.
We hadden er plezier in hem te laten zien wat we van Amerika wisten. En het waren dingen die hij nog nooit had gezien. Het was zo leuk om hem mee te nemen naar de supermarkt. Hij vond het prachtig om een pakje okra of bevroren bonen open te maken en dat hij ze dan niet schoon hoefde te maken en te snijden en zo. Elke dag keek hij in de diepvries en pakte alles wat hij nodig had. Het was een plezier om hem bezig te zien. Hij zat op de bank terwijl ik aan het stofzuigen was en ook dat vond hij interessant. We hebben er heel lang over zitten praten. Hij had overal interesse in.
Elke dag maakte hij dus dat grote feestmaal klaar en het was allemaal heel plezierig. We genoten er echt van. Ik hielp hem alles te snijden, hij deed de kruiden erbij en we lachten veel. Hij was een bijzonder fijn mens, bijzonder fijn. Ik voelde me echt een soort dochter voor hem, zelfs in zo’n korte tijd. Alsof hij mijn schoonvader was; ik had echt het gevoel dat hij dicht bij me stond. Hij genoot overal van. Ik vond hem aardig. Ik vond hem geweldig.
Onze zoon Brij was zes of zeven maanden oud toen de swami kwam – en Indiërs zijn dol op jongens. De swami hield van Brij. Hij was erbij toen Brij voor het eerst ging staan. De eerste keer dat Brij erin slaagde om rechtop te staan, stond de swami op en klapte in zijn handen. Het moest gevierd worden. Een andere keer zat onze baby op de schoenen van de swami te kauwen. Ik dacht: “Oh, die schoenen. Ze zijn heel India door geweest en nu zit mijn zoon erop te kauwen…” U weet hoe moeders zijn.
Bijna elke avond zat hij in de achtertuin van de buurman. Soms gingen we bij hem zitten of anders bleven we in de woonkamer. Op een keer zei ons dochtertje Pamela iets grappigs. Ze was toen pas drie jaar. Ik bracht haar naar de zondagsschool en daar leerde ze over Jezus. Wanneer ze Swamiji dan zag met zijn gewaden en alles, noemde ze hem swami Jezus. En toen het voor het eerst tot ons doordrong wat ze hem noemde, lachte de swami en zei: “En een klein kind zal hen leiden.” Het was zo grappig.
Bhaktivedanta Swami sprak tot verschillende groeperingen in de gemeente, waaronder de Lions Club. Hij gaf ook een lezing op de ymca en op het Sint Fidelis Seminar College in Herman, Pennsylvania. Bij de Agarwals thuis sprak hij ook regelmatig met bezoekers. Hij vond de vooruitzichten om in Amerika te prediken erg goed, maar had het gevoel dat hij hulp vanuit India nodig had.
Na een maand Butler was de helft van zijn tijd in Amerika verstreken. Daarom besloot hij, voor zijn tijd om was, naar New York te gaan om daar te prediken. Maar eerst wilde hij naar Philadelphia, waar hij een professor in het Sanskriet, een zekere Dr. Norman Brown, zou ontmoeten op de universiteit van Pennsylvania.
Als sannyāsī was Bhaktivedanta Swami eraan gewend om geen vaste woonplek te hebben. Als rondtrekkende prediker vond hij het niet erg om het rustige leven in de ymca van Butler achter zich te laten. En hij had geen gehechtheid aan de huiselijke sfeer waar hij kookte en met Sally Agarwal praatte over stofzuigers, diepvriesvoedsel en Amerikaanse gewoonten.
Toch was zijn verblijf in Butler leerzaam geweest. Hij had van heel dichtbij kunnen ervaren hoe het leven in Amerika was, en zijn vertrouwen was versterkt dat hij in goede gezondheid verkeerde en dat hij zijn boodschap zou kunnen overbrengen. Hij was blij dat hij in Amerika de benodigde ingrediënten voor zijn vegetarische Indiase dieet kon vinden en dat de mensen zijn Engels konden begrijpen. Hij had geleerd dat terloopse, eenmalige lezingen maar beperkte waarde hadden en dat, hoewel er enige tegenstand van de gevestigde religies te verwachten was, mensen individueel veel belangstelling hadden voor wat hij te zeggen had.
Op 18 oktober vertrok hij uit Butler om via Philadelphia naar New York te gaan.
Sally: Na een maand hield ik werkelijk van de swami. Ik voelde dat ik hem een beetje moest beschermen. Hij wilde naar Philadelphia. Maar ik kon het me niet voorstellen – dat zei ik hem ook – ik kon het me absoluut niet voorstellen dat hij twee dagen naar Philadelphia zou gaan. Hij zou er een lezing geven en van daaruit naar New York gaan. Maar hij kende niemand in New York. Als hij in Philadelphia geen succes zou hebben, zou hij gewoon naar New York gaan en daar had hij niemand. Ik kon het me gewoon niet voorstellen. Ik werd er ziek van.
Ik herinner me de nacht dat hij zou vertrekken, om ongeveer twee uur ’s morgens. Ik heb daar gezeten terwijl hij wachtte totdat Gopal hem naar Pittsburgh bracht om hem op de bus te zetten. Gopal had een handjevol wisselgeld en ik herinner me dat hij de swami uitlegde hoe hij het geld in de gleuf moest doen, zodat hij op het busstation een douche kon nemen – want hij moest een paar keer per dag een douche nemen. Gopal legde hem dus uit hoe hij dat kon doen en hij vertelde hem over de automaten in New York. Hij zei wat hij kon eten en wat hij niet moest eten en gaf hem de munten in een sok. Dat was alles wat hij had toen hij bij ons wegging.
Bhaktivedanta Swami kende niemand in New York, maar hij had een contactpersoon: Dr. Ramamurti Mishra. Hij had Dr. Mishra vanuit Butler geschreven en er een aanbevelingsbrief van een vriend in Mumbai bijgedaan. Ook had hij Dr. Mishra opgebeld en deze had gezegd dat Bhaktivedanta Swami welkom was bij hem in New York.
Toen hij in New York aankwam, werd hij bij het busstation door een leerling van Dr. Mishra opgewacht, die hem direct naar een Indiaas festival in de stad bracht. Daar maakte Bhaktivedanta Swami kennis met Dr. Mishra en ook met Ravi Shankar en zijn broer, de danser Udai Shankar. Daarna ging Bhaktivedanta Swami met Dr. Mishra mee naar zijn flat op de Riverside Drive 33, aan de rivier de Hudson. De flat lag op de veertiende verdieping en had grote ramen die uitzicht gaven op de rivier. Dr. Mishra bood Bhaktivedanta Swami een eigen kamer aan. Hij was een theatraal, opzichtig persoon die met zijn ogen flitste en sterk gesticuleerde. Hij gebruikte vaak woorden als ‘prachtig’ en ‘geweldig’. Zo’n kunstig gepolijste uitvoering van wat een guru eigenlijk moet zijn, werd in New York wel een ‘swami van de grote stad’ genoemd. Hoewel hij een sannyāsī was, droeg hij geen traditionele saffraankleurige dhotī en kurtā, maar een getailleerd Nehru-jasje met een witte broek. Hij was donker van gelaatskleur, in tegenstelling tot Bhaktivedanta Swami’s goudkleurige teint, en hij had dik, zwart haar. Met zijn vierenveertig jaar was hij jong genoeg om een zoon van Bhaktivedanta Swami te zijn. Dr. Mishra had veel gezondheidsproblemen en Bhaktivedanta’s komst bleek het volmaakte medicijn voor hem te zijn.
Ramamurti Mishra: Zijne Heiligheid Prabhupāda Bhaktivedanta Goswamiji overlaadde me echt met liefde. Hij was werkelijk een incarnatie van liefde. Mijn lichaam was een skelet geworden, maar hij bracht me weer tot leven met zijn kookkunst en vooral met zijn liefde en devotie voor Heer Kṛṣṇa. Wat koken aangaat was ik erg lui, maar hij zorgde overal voor.
Dr. Mishra waardeerde het dat Bhaktivedanta Swami – die met de precisie van een scheikundige kookte – veel gerechten bereidde en een goede eetlust had.
Ramamurti Mishra: Hij gaf me geen gewoon brood – hij gaf me prasādam. Het was leven, en hij heeft mijn leven gered. Toen hij kwam, was ik er niet zeker van of ik wel in leven zou blijven, maar zijn gewoonte om het eten op tijd op tafel te zetten, of ik nu honger had of niet – dat vond ik heel fijn. Hij stond op en zei dan: “Goed, hier is bhāgavata-prasādam” en dan zei ik “Oké”.
Soms besprak Bhaktivedanta Swami het doel van zijn bezoek aan Amerika met Dr. Mishra. Dan praatte hij over de droom van zijn spiritueel leraar om het Kṛṣṇa-bewustzijn naar het Westen te brengen. Hij vroeg Dr. Mishra hem te helpen, maar Dr. Mishra wees dan altijd op zijn eigen lessen waar hij het al heel druk mee had, en op zijn plannen om het land spoedig te verlaten. Na een paar weken, toen het te lastig werd om Bhaktivedanta Swami op zijn flat te laten logeren, bracht Dr. Mishra hem over naar zijn haṭha-yoga-studio op de vijfde verdieping van West Seventy-second Street 100, vlakbij Central Park. De grote ruimte bevond zich midden in het gebouw. Er was een kantoor en een aangrenzende aparte kamer waar Bhaktivedanta Swami verbleef. Er waren geen ramen.
Filosofisch was Dr. Mishra het helemaal niet eens met Bhaktivedanta Swami. Hij beschouwde het onpersoonlijk aspect van de Absolute Waarheid (Brahman) als het allerhoogste, terwijl Bhaktivedanta Swami de nadruk legde op de superioriteit van het persoonlijke aspect (Bhagavān), in lijn met de vedische theïstische filosofie, die stelt dat de realisatie van de Absolute Waarheid als Persoon de meest volledige is.
De Bhagavad-gītā zegt dat het onpersoonlijke Brahman ondergeschikt is aan Bhagavān en een emanatie van Hem is, zoals de zonneschijn een emanatie van de zon is. Deze conclusie was onderwezen door de belangrijkste traditionele ācārya’s van het oude India, zoals Rāmānuja en Madhva. Dr. Mishra daarentegen volgde Śaṅkara, die onderwees dat het onpersoonlijk aspect van de Absolute Waarheid het hoogste is en dat de Godspersoon uiteindelijk een illusie is. Terwijl de theïstische filosofie van Bhaktivedanta Swami het individuele spirituele zelf (ātmā) als een eeuwige dienaar van het allerhoogste spirituele wezen (Bhagavān) beschouwde, aanvaardde Dr. Mishra het spirituele zelf niet als een individu. Zijn idee was eerder dat, omdat ieder persoon identiek is aan God – het Allerhoogste Brahman – het onnodig is God buiten zichzelf te vereren. In Dr. Mishra’s woorden: “Alles is één.”
Bhaktivedanta Swami daagde hem uit: Als ieder van ons werkelijk de Allerhoogste is, waarom lijdt en worstelt deze ‘Allerhoogste’ dan in de materiële wereld? Dr. Mishra bracht hier tegenin dat de Allerhoogste enkel tijdelijk door illusie bedekt is en dat we door middel van haṭha-yoga en meditatie verlicht konden raken en dan zouden begrijpen dat ‘alles de Allerhoogste is’. Bhaktivedanta Swami ging daar dan weer tegenin: als de Allerhoogste bedekt kon raken door illusie, zou de illusie groter zijn dan God, groter dan de Allerhoogste.
Bhaktivedanta Swami beschouwde Dr. Mishra een māyāvādī, omdat hij aanvaardde dat māyā, illusie, groter is dan de Absolute Waarheid. Wat Bhaktivedanta Swami betrof, was de onpersoonlijke filosofie niet alleen onaangenaam, maar ook een belediging aan het adres van de Godspersoon.
Als bedelmonnik was Bhaktivedanta Swami tijdelijk afhankelijk van de goede wil van zijn māyāvādī-kennis met wie hij regelmatig at en sprak en van wie hij onderdak kreeg. Maar het was wel een groot ongemak! Hij was naar Amerika gekomen om zuiver en krachtig over Kṛṣṇa te spreken, maar nu werden hem beperkingen opgelegd. In Butler was hij beperkt geweest door de burgerlijke gevoeligheden van het echtpaar bij wie hij te gast was en nu kon hij om andere redenen niet vrijuit spreken. Hij werd vriendelijk behandeld, maar tegelijkertijd als een bedreiging gezien. Dr. Mishra kon niet toestaan dat zijn studenten zouden horen dat Heer Kṛṣṇa als de enige Allerhoogste Persoonlijkheid Gods vereerd werd.
Op 8 november schreef Bhaktivedanta Swami een brief aan zijn godsbroeder Tīrtha Mahārāja, die voorzitter was geworden van de Gauḍīya Maṭha. Hij herinnerde hem eraan dat hun spiritueel leraar, Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī, er hevig naar verlangd had in de westerse landen predikcentra te openen. Śrīla Bhaktisiddhānta had dit verscheidene keren geprobeerd door sannyāsī ’s naar Engeland en andere Europese landen te sturen, maar, merkte Bhaktivedanta Swami op, ‘zonder tastbaar resultaat’. Bhaktivedanta Swami wees erop, dat bepaalde māyāvādī-groepen wel gebouwen hadden, maar dat ze niet veel aanhangers kregen. Maar hij had met Swami Nikhilananda van de Ramakrishna Missie gepraat en die had gezegd dat de Amerikanen zich volgens hem wel aangetrokken zouden voelen tot bhakti-yoga.
Als de leiders van de Gauḍīya Maṭha ervoor zouden voelen om een eigen afdeling in New York te openen, dan zou Bhaktivedanta Swami bereid zijn de leiding ervan op zich te nemen. Maar zonder eigen gebouw, liet hij hun weten, zou het onmogelijk zijn in de stad een missiepost op te zetten. Bhaktivedanta Swami schreef dat ze centra konden openen in steden door het hele land, als zijn godsbroeders wilden meewerken. Hij herhaalde verschillende malen dat andere groeperingen, hoewel ze niet de onvervalste spirituele filosofie van India uitdroegen, toch veel gebouwen kochten. Maar de Gauḍīya Maṭha had niets.
Drie weken later kreeg Bhaktivedanta Swami antwoord van Tīrtha Mahārāja. Bhaktivedanta Swami had geschreven dat hij hoopvol gestemd was en plannen had om in Amerika te blijven. Maar hij had erop aangedrongen dat zijn godsbroeders hem hun vertrouwen zouden schenken en ook wat tastbare hulp zouden bieden. Maar zijn godsbroeders werkten niet met elkaar samen. Ieder van hen wilde liever zijn eigen centrum in stand houden dan met de anderen samen te werken om de leer van Heer Caitanya over de hele wereld te verspreiden. Hoe zouden ze Bhaktivedanta’s visie dan kunnen delen om samen een centrum in New York te openen? Ze zouden het zien als zijn persoonlijke project. Hoewel hij weinig kans van slagen had, deed hij toch een beroep op hun zendingsgeest en herinnerde hen aan het verlangen van hun spiritueel leraar, Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura. Hun guru mahārāja wilde dat het Kṛṣṇa-bewustzijn in het Westen verspreid zou worden. Maar toen Bhaktivedanta Swami eindelijk Tīrtha Mahārāja’s antwoord kreeg, bleek het niet positief te zijn. Zijn godsbroeder had er niets op tegen dat hij iets in New York probeerde op te zetten, maar zei in beleefde termen dat het kapitaal van de Gauḍīya Maṭha niet voor zoiets kon worden gebruikt.
Op zijn eenzame zwerftochten door Manhattan maakte Bhaktivedanta Swami kennis met een aantal mensen uit de buurt. Zo was er een zekere Ruben, een Turkse Jood, die als conducteur bij de metro werkte. Ruben zag Bhaktivedanta Swami op een bankje in het park zitten en omdat hij een sociaal mens en een wereldreiziger was, ging hij naast de heilige man uit India zitten om met hem te praten.
Ruben: Hij scheen te weten dat hij tempels vol met toegewijden zou krijgen. Hij keek voor zich uit en zei dan: “Ik ben geen arme man, ik ben rijk. Er zijn tempels en boeken, ze bestaan; ze zijn er al, maar we zijn er door de tijd nog van gescheiden.” Hij zei altijd ‘wij’ en sprak over zijn spiritueel leraar die hem had gezonden. Hij kende hier toen niemand, maar hij zei: “Ik ben nooit alleen.” Hij maakte een eenzame indruk op me. Daarom beschouwde ik hem als een heilige, zoals Elia, die ook altijd alleen was. Ik geloof niet dat hij volgelingen had.
De maand november ging voorbij, december kwam en Bhaktivedanta Swami, die ondertussen zijn visum had verlengd, bleef.
Op 30 januari werd de Oostkust geteisterd door hevige, verblindende sneeuwstormen. Er viel bijna een halve meter sneeuw en er werden windsnelheden van 80 km per uur gemeten. De gemeente New York bood warme kamers en maaltijden aan voor mensen die in huizen zonder verwarming leefden. Het Kennedy-vliegveld werd gesloten en ook de spoorlijnen en de wegen die naar de stad leidden, waren afgesloten. Vanwege de sneeuw werd voor de tweede maal binnen acht dagen de noodtoestand afgekondigd.
Op 30 januari werd de Oostkust geteisterd door hevige, verblindende sneeuwstormen. Er viel bijna een halve meter sneeuw en er werden windsnelheden van 80 km per uur gemeten. De gemeente New York bood warme kamers en maaltijden aan voor mensen die in huizen zonder verwarming leefden. Het Kennedy-vliegveld werd gesloten en ook de spoorlijnen en de wegen die naar de stad leidden, waren afgesloten. Vanwege de sneeuw werd voor de tweede maal binnen acht dagen de noodtoestand afgekondigd.
Als eenzame enkeling kon Bhaktivedanta Swami niets doen aan de noodtoestand of aan de internationale oorlogen waarover hij in de kranten las. Hij zag dit louter als symptomen van het Kali-tijdperk. Er zou altijd ellende blijven bestaan in de materiële wereld. Maar als hij Rādhā en Kṛṣṇa naar New York zou kunnen brengen… Niets was onmogelijk voor de Allerhoogste Heer. Zelfs midden in het Kali-yuga kon een gouden tijdperk beginnen en konden de mensen bevrijd worden. Als de Amerikanen het Kṛṣṇa-bewustzijn aannamen, zou de hele wereld volgen. Bhaktivedanta Swami bezag alles door de ogen van de heilige teksten en zette door, ondanks de sneeuwstormen, op zoek naar steun voor zijn roeping om het Kṛṣṇa-bewustzijn te verspreiden.
Kijken we van op een afstand naar hem, een nietige figuur die tussen vele andere nietige figuurtjes door de straten van Manhattan loopt, een vreemdeling zonder vast inkomen, dan zien we alleen de buitenkant van Bhaktivedanta Swami. Hoewel dit beslist geen gemakkelijke dagen waren, bleef Bhaktivedanta Swami gericht op het transcendentale. Hij leefde niet in Manhattan-bewustzijn, maar stelde zich volledig afhankelijk van Kṛṣṇa. Net zoals hij, toen hij op de Jaladuta door hartaanvallen getroffen werd, de ‘nectar’ van het leven uit het lezen van het Caitanya-caritāmṛta had geput.
Hij was al succesvol. Natuurlijk wilde hij Rādhā en Kṛṣṇa een tempel in New York geven, maar zijn succes was dat hij zelfs in de winter van 1965–66 in New York aan Kṛṣṇa kon denken, of de wereld hem nu erkende of niet. Er ging geen dag voorbij dat hij niet aan Kṛṣṇa’s boek, het Śrīmad-Bhāgavatam, werkte. Er ging geen dag voorbij dat hij geen voedsel aan Kṛṣṇa offerde en niet over de filosofie van Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā sprak.
Heer Kṛṣṇa zegt in de Bhagavad-gītā: “Voor diegene die Mij overal ziet en alles in Mij ziet, ben ik nooit verloren en hij is nooit verloren voor Mij.” En Kṛṣṇa verzekert Zijn zuivere toegewijde: “Mijn toegewijde zal nooit verloren gaan.” Hier heeft Bhaktivedanta Swami geen moment aan getwijfeld. De enige vraag was of de Amerikanen de zuivere toegewijde in hun midden zouden opmerken. Tot nu toe leek het of niemand hem serieus nam.
Op 15 februari verhuisde Bhaktivedanta Swami van Dr. Mishra’s yogastudio naar een eigen kamer twee verdiepingen lager in hetzelfde gebouw, op nr. 307. Volgens Dr. Mishra verhuisde hij om ruimte voor zichzelf te hebben, onafhankelijk van de Mishra yogavereniging.
Maar kamer 307 was eigenlijk nooit bedoeld als woonruimte, āśrama of leslokaal. Het was maar een klein, smal kantoor zonder meubilair of telefoon. In de deur zat matglas zoals je wel meer ziet in oude kantoren en boven de deur zat ook een raampje. Bhaktivedanta Swami spreidde zijn dekens uit op de vloer voor zijn metalen koffer, die nu dienst moest doen als een geïmproviseerd bureau om aan te schrijven. Hij sliep op de grond. Hier kon hij niet koken en zelfs geen douche nemen, dus moest hij elke dag naar Dr. Mishra’s flat lopen.
Toen Bhaktivedanta Swami op kamer 501 in Dr. Mishra’s yoga-āśrama woonde, betaalde Dr. Mishra alles voor hem. Maar nu was hij op zichzelf aangewezen en ging alles wat hij verdiende door de verkoop van zijn boeken, op aan zijn dagelijks onderhoud en aan de huur van tweeënzeventig dollar per maand. Hij merkte dat een potje chilipoeder bij de West End-supermarkt negentig cent kostte; dat was tien keer zoveel als wat hij in India betaalde. Hij had geen vast inkomen, meer onkosten en minder comfort. Maar nu had hij tenminste zijn eigen ruimte. Nu kon hij prediken zoals hij wilde.
Hij was naar Amerika gekomen om over Kṛṣṇa te spreken en had van het begin af aan de gelegenheid gevonden om dat ook te doen, of het nu was tijdens een informeel samenzijn in de huiskamer van de Agarwals, op een formele bijeenkomst van de Butlerse Lions Club, tijdens de les Sanskriet van Dr. Norman Brown of bij de yogavereniging van Dr. Mishra. Maar hij hechtte niet veel waarde aan het geven van lezingen als de mensen die kwamen hem maar één keer zouden horen. Dat was ook de belangrijkste reden waarom hij een eigen gebouw wilde hebben in New York: zodat de mensen de gelegenheid zouden hebben om regelmatig te komen, Hare Kṛṣṇa te chanten, in zijn gezelschap prasādam te nemen en hem te horen spreken over de Bhagavad-gītā en het Śrīmad-Bhāgavatam.
Door van de yogastudio naar het kantoortje beneden te verhuizen, kreeg Bhaktivedanta Swami wat hij zocht – zijn eigen ruimte – maar die ruimte kon met de beste wil van de wereld geen tempel worden genoemd. Zijn naam stond op de deur en ieder die hem zocht, zou hem daar kunnen vinden. Maar wie zou daar nu naartoe komen? Een tempel moest de mensen tot Kṛṣṇa aantrekken door zijn schoonheid en weelde, maar kamer 307 was precies het tegenovergestelde: armoe troef. Zelfs iemand die belangstelling voor spirituele zaken had, zou het ongemakkelijk vinden om op de kale vloer te zitten in een kamer die de vorm had van een treinwagon.
Een van Dr. Mishra’s studenten had hem een bandrecorder geschonken en Bhaktivedanta Swami nam een paar van zijn eenzame bhajana’s op, waarbij hij zichzelf met handcymbalen begeleidde. Ook nam hij een lange filosofische verhandeling op: Inleiding tot de Gitopanisad. “Zelfs als er niemand komt,” had Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī hem gezegd, “kun je tegen de vier muren over Kṛṣṇa spreken.” Maar omdat hij nu, dankzij Kṛṣṇa’s regeling, vrij was om zijn boodschap over te brengen, besloot hij om drie avonden in de week (maandag, woensdag en vrijdag) een lezing te houden voor wie er maar zou komen.
Zijn eerste toehoorders waren vooral mensen die over hem gehoord hadden of hem in Dr. Mishra’s yoga-studio hadden ontmoet. En ondanks de armzaligheid van zijn kamer, werden de bijeenkomsten een bron van nieuw leven voor hem.
Zijn eerste toehoorders waren vooral mensen die over hem gehoord hadden of hem in Dr. Mishra’s yoga-studio hadden ontmoet. En ondanks de armzaligheid van zijn kamer, werden de bijeenkomsten een bron van nieuw leven voor hem.
De Paradox, east seventh street 64 in de Lower East Side, was een restaurant gebaseerd op de filosofie van Georges Ohsawa, waar macrobiotische maaltijden werden geserveerd. Het lag half onder de grond en er stonden kleine tafeltjes in een door kaarsen verlichte ruimte. Het eten was goed en niet duur. Je kon gratis zoveel thee drinken als je maar wilde. Behalve restaurant was de Paradox ook een centrum voor spirituele en culturele aangelegenheden, een ontmoetingsplaats die deed denken aan bepaalde cafés in Greenwich Village of in het Parijs van de jaren twintig. Je kon er de hele dag zitten zonder iets te gebruiken en niemand zou er iets van zeggen. De mensen in de Paradox waren een mystiek volkje dat zich interesseerde voor oosterse filosofieën. Toen het nieuws over de nieuwe swami bij Dr. Mishra eenmaal de Paradox had bereikt, verspreidde het zich als een lopend vuurtje.
Harvey Cohen, een freelance kunstschilder, en Bill Epstein, die bij de Paradox werkte, waren vrienden. Toen Harvey een paar keer bij Bhaktivedanta Swami in Dr. Mishra’s yogastudio was geweest, kwam hij bij de Paradox langs en vertelde Bill en zijn andere vrienden alles over de nieuwe swami.
Bill Epstein was een krachtige, romantisch aangelegde persoon met lang, golvend zwart haar en een baard. Hij zag er goed uit en bruiste van energie. Hij had de rol op zich genomen om de mensen in het restaurant op de hoogte te houden van het spirituele nieuws in de stad. Toen hij eenmaal interesse had opgevat voor de nieuwe swami, maakte hij hem steeds het onderwerp van gesprek.
De nieuwe groep van de Paradox was jong en hip, in tegenstelling tot de oudere, meer conservatieve mensen die tot dan toe Bhaktivedanta Swami’s lezingen bezocht hadden. In die dagen was het nog iets heel ongewoons om een jonge man met lang haar en een baard te zien, en toen zulke mensen naar de bijeenkomsten van de swami aan de West Side begonnen te komen, raakten enkele van de oudere mensen verontrust. Zoals een van hen opmerkte: “Swami Bhaktivedanta begon een ander soort mensen aan te trekken. Ze kwamen uit de Bowery of uit van die zolderkamertjes. Ze hadden rare hoeden op en grijze dekens om zich heen en ze jaagden mij schrik aan.”
David Allen, een eenentwintig jaar oude zoeker uit de Paradox, was net optimistisch naar de stad verhuisd, aangetrokken door wat hij gelezen had over experimenten met drugs. Hij beschouwde de oudere groep die naar de lezingen van de swami kwam luisteren als “een stel pietluttige oude dametjes van de West Side.”
David: We stonden toen nog niet bekend als hippies, maar voor de mensen die zich het eerst tot hem aangetrokken hadden gevoeld, waren we een vreemd stelletje. Ze konden zich maar moeilijk bij ons op hun gemak voelen. Ik denk dat de meeste Indiase leermeesters in die tijd oudere volgelingen hadden en dat soms welgestelde weduwen voor hun inkomsten zorgden. Maar Swamiji richtte zich onmiddellijk tot de jongere, armere groep. Toen begonnen Bill Epstein en anderen erover te praten dat het voor de swami beter zou zijn als hij naar het zuidelijk deel van de stad kwam, de Lower East Side. Eigenlijk gebeurde alles daar en op de een of andere manier niet in het noorden. De mensen in Zuid hadden hem echt nodig. Zuid was goed en was er rijp voor. Het bruiste er van leven en er gebeurde van alles.
Iemand brak in in kamer 307 toen Bhaktivedanta Swami er niet was en stal zijn typemachine en zijn bandrecorder. Toen Bhaktivedanta Swami thuiskwam, vertelde de conciërge hem van de diefstal: een inbreker had het raampje boven de deur kapotgeslagen, was naar binnen geklommen, had de waardevolle zaken meegenomen en was toen gevlucht. Al luisterend, raakte Bhaktivedanta Swami ervan overtuigd dat de conciërge zelf de dader was. Hij kon het natuurlijk niet bewijzen en moest het verlies teleurgesteld aanvaarden.
Bhaktivedanta Swami voelde er niets meer voor om in kamer 307 te blijven wonen. Van vrienden had hij een andere typemachine en een andere bandrecorder gekregen, maar wat zou de conciërge ervan weerhouden ze weer te stelen? Harvey Cohen en Bill Epstein hadden hem aangeraden zich in Zuid te vestigen en hadden hem ervan verzekerd dat hij onder de jongelui daar een meer geïnteresseerd gevolg zou vinden. Het was een aantrekkelijk voorstel.
Harvey zou van New York naar Californië verhuizen en bood de swami zijn zolderverdieping in de Bowery aan. Die zou hij dan moeten delen met David Allen. Bhaktivedanta Swami nam het aanbod aan.
Terwijl hij zich klaarmaakte om Seventy-second Street te verlaten, kwam een kennis van hem, een elektricien die in het gebouw werkte, langs om de swami te waarschuwen. De Bowery was geen plaats voor een heer, protesteerde hij. Het was de meest verdorven plek ter wereld. De spullen van de swami mochten dan uit kamer 307 zijn gestolen, maar naar de Bowery verhuizen was geen oplossing. Maar Bhaktivedanta Swami liet zich niet afschrikken.
Bhaktivedanta Swami woonde in de bowery en zat onder een karig lampje, terwijl in hetzelfde huizenblok ook honderden zwervers onder evenzoveel kale lampen zaten. Net als de zwervers had hij geen vast inkomen en ook zijn verblijfplaats was nauwelijks vast te noemen, maar zijn bewustzijn was heel anders. Hij was het Śrīmad-Bhāgavatam in het Engels aan het vertalen en sprak de wereld toe door middel van zijn Bhaktivedanta-commentaren. Het was zijn plicht het Kṛṣṇa-bewustzijn te verspreiden, of hij nu op de veertiende verdieping van een flatgebouw aan de Riverside Drive of in een hoekje van een zolderkamer in de Bowery zat. Dit was waar de mensheid het meest behoefte aan had. Hij ging door met vertalen en zijn ideaal van een Kṛṣṇa-tempel in New York bleef hem helder voor ogen staan. Omdat zijn bewustzijn helemaal opging in Kṛṣṇa’s universele boodschap, was hij voor bescherming niet afhankelijk van zijn omgeving. Voor hem had thuis zijn niets te maken met stenen en hout, maar alles met in alle omstandigheden je toevlucht bij Kṛṣṇa zoeken. Zoals Bhaktivedanta Swami tegen zijn vrienden in Noord had gezegd: “Ik ben overal thuis”, terwijl zonder Kṛṣṇa’s bescherming de hele wereld een onherbergzaam oord zou zijn.
Het nieuws dat de swami naar een kamer in de Bowery verhuisd was, verspreidde zich vooral via restaurant de Paradox. ’s Avonds begonnen er mensen langs te komen om met hem te chanten. Vooral de kīrtana’s waren populair in de Bowery, omdat de swami’s nieuwe bezoekers veelal plaatselijke musici en artiesten waren die meer oren hadden naar transcendentale muziek dan naar filosofie. Elke morgen gaf hij les over het Śrīmad-Bhāgavatam. Deze lessen werden bijgewoond door David Allen, een zekere Robert Nelson en andere jongens en af en toe gaf hij ook kookles aan ieder die interesse had. Hij was meestal beschikbaar voor persoonlijke gesprekken met geïnteresseerde bezoekers of met zijn nieuwe kamergenoot.
Net als in Noord, hield Bhaktivedanta Swami op maandag-, woensdag- en vrijdagavond bijeenkomsten. Voor de meeste van zijn oude bekenden was de zolderetage nogal ver uit de buurt en dan nog wel in de Bowery. De voordeur van het huis was regelmatig geblokkeerd door slapende zwervers en bezoekers moesten vaak over een half dozijn daklozen heen stappen voor ze de vier trappen konden beklimmen. Maar het was iets nieuws: je kon er samen met een groep hippe mensen de swami een kīrtana zien leiden. De kamer was spaarzaam verlicht en Bhaktivedanta Swami brandde wierook. Je zag er veel bezoekers komen en gaan.
Bijna alle vrienden die Bhaktivedanta Swami in de Bowery had, waren musici of vrienden van musici. Voor hen was muziek alles. Muziek, drugs, vrouwen en spirituele meditatie. Doordat Bhaktivedanta Swami’s presentatie van de Hare Kṛṣṇa-mantra zowel muzikaal als meditatief was, raakten ze er vanzelf in geïnteresseerd.
Voor de mensen in de Bowery was geluid spiritualiteit en spiritualiteit geluid, en versmolten muziek en meditatie tot één geheel. Maar voor Bhaktivedanta Swami was muziek zonder de naam van God geen meditatie: het was zinsbevrediging of op zijn hoogst een soort gestileerde meditatie op het onpersoonlijke. Toch was hij blij dat de musici kwamen meespelen in zijn kīrtana’s, naar hem luisterden en in beurtzang meezongen. Sommigen, die de hele nacht ergens op hun instrumenten hadden zitten spelen, kwamen ’s morgens langs om samen met de swami te zingen. Hij ontmoedigde hun interesse in geluid niet; hij gaf hun juist geluid. In de Veda’s wordt gezegd dat geluid het eerste element van de materiële schepping is, dat God de bron van het geluid is en dat God bovendien eeuwig een persoon is. Bhaktivedanta Swami’s bedoeling was vooral om de mensen Gods persoonlijke, transcendentale naam te laten zingen. Of ze het nu zagen als jazz, folk, rock of Indiase meditatie maakte geen verschil. Als ze maar Hare Kṛṣṇa begonnen te chanten.
Hoewel de buurt waar Bhaktivedanta Swami woonde en wandelde een slechte naam had, werd hij zelden lastig gevallen. Vaak lagen er een paar Bowery-zwervers slapend of bewusteloos voor zijn deur en moest hij over ze heen stappen. Soms liep een dronkaard die gewoon niet in staat was recht te lopen, tegen hem op, mompelde een zwerver iets onverstaanbaars tegen hem of lachte iemand om hem. Maar de zwervers die wat nuchterder waren, stonden op en maakten beleefde gebaren om de swami in of uit zijn deur te laten. Als ze dan de weg vrijmaakten, liep hij tussen hen door en betuigde zijn erkentelijkheid voor hun goede manieren.
Natuurlijk wisten de mensen in de Bowery en anderen die hem zagen lopen, weinig van de kleine, oudere Indiase sādhu in zijn saffraankleurig gewaad, met een paraplu onder zijn arm en een bruine kruidenierszak in zijn hand.
De ontmoeting tussen het mystieke Oosten en het praktische Westen wordt zichtbaar in het zonderlinge contrast tussen A. C. Bhaktivedanta Swami en zijn Amerikaanse leerlingen. De swami, een ontwikkeld man van in de zeventig, die een voortreffelijke opleiding heeft genoten, is hier voor een jaar om zijn evangelie van vrede, goede wil en vroomheid te prediken en, meer praktisch, om geld bijeen te krijgen voor zijn Amerikaanse kerk… Net zoals zijn leer is de swami verstandig en direct. Het belangrijkste punt van zijn leer is dat de mensheid dichter bij God kan komen door Zijn heilige naam te reciteren.
Ondanks het feit dat de swami naar Amerika is gekomen om de wortel van het goddeloze materialisme op te sporen – een ziekte die, naar zijn zeggen, ook India al in haar greep heeft – is hij een realistisch mens. “Als er ergens op de wereld geld is om een tempel te bouwen, is het hier wel.” De swami wil in Amerika een internationale beweging voor Krishna-bewustzijn oprichten, die voor iedereen – ook voor vrouwen – opengesteld zal zijn.
Het artikel was geschreven door een zekere Howard Smith. Hij had voor het eerst over de swami gehoord toen een kennis hem had opgebeld en over de interessante heilige man uit India had verteld die op een zolderkamer in de Bowery woonde. “Ga erheen wanneer je wilt”, had Howard’s kennis gezegd. “Hij is er altijd. Ik denk dat het je wel zal boeien. Ik geloof dat hij op het punt staat een belangrijke religieuze beweging te beginnen.”
Článek napsal reportér jménem Howard Smith. O Svámím se doslechl od jednoho známého, který se mu v telefonickém hovoru zmínil o zajímavém svatém muži z Indie, žijícím v podkroví na Bowery. „Můžeš tam zajít kdykoliv,“ řekl mu. „Je pořád doma. Myslím, že se ti bude líbit. Řekl bych, že se právĕ chystá založit jedno z nejvĕtších náboženských hnutí.“
Howard Smith: Ik ging er dus heen, liep naar boven en kwam op zo’n hele excentrieke kunstenaarszolder. Achter in de zolder zag ik een gordijn van Indiase madras en ik besloot om eens in die hoek te gaan kijken. Ik keek naar binnen en daar zat Bhaktivedanta Swami, met gekruiste benen, in een saffraankleurig gewaad, met tekens op zijn voorhoofd en neus en met zijn hand in een zakje met gebedskralen. Hij zag er erg authentiek uit, maar tegelijkertijd erg toegankelijk. Ik zei: “Hallo”, en hij keek op. “Swami Bhaktivedanta?” vroeg ik. En hij zei: “Ja.” “Ik ben Howard Smith”, zei ik.
Toen gingen we zitten praten en ik vond hem meteen erg aardig. Ik bedoel, ik had al veel andere swami’s ontmoet en ze stonden me niet zo erg aan. En ik vind het niet eerlijk om ze allemaal over één kam te scheren en te zeggen: “Al die swami’s uit India.” Hij was erg eenvoudig en dat vond ik, geloof ik, het goede aan hem. Hij stelde me niet alleen op mijn gemak maar kwam ook erg open en eerlijk over. Hij vroeg bijvoorbeeld mijn advies over bepaalde zaken. Hij was helemaal nieuw in het land.
Ik dacht dat zijn ideeën een goede kans hadden om aan te slaan, omdat hij zo’n praktische indruk maakte. Hij liep niet met zijn hoofd in de wolken. Zijn woorden waren niet gehuld in mystiek. Ik denk wel dat zijn ziel zich daarop richtte, maar niet zijn gewone conversatie.
Toen zei hij dat verschillende mensen hem verteld hadden dat het heel goed was om in de Voice genoemd te worden en dat hij zo het soort mensen zou bereiken dat misschien al neigde tot, of belangstelling had voor wat hij predikte. En ik zei dat ik dacht hij gelijk had. Hij vroeg of ik ook boeken gelezen had over India of iets afwist van de Indiase cultuur en ik zei: “Nee, niet echt.” We praatten nog wat en hij vertelde me over zijn boeken, die hij al in India had vertaald. Hij gaf ze me en zei: ‘Mocht je meer achtergrondinformatie willen hebben, lees dan deze boeken eens.”
Het was me duidelijk dat ik niet met een of andere figuur zat te praten die zojuist besloten had dat hij God had gezien en de mensen daarover wilde vertellen. Hij leek me een ontwikkeld mens, eigenlijk veel meer dan ikzelf. En ik mocht hem graag om zijn bescheidenheid. Ik vond het gewoon een fijne man.
Hij legde me alles uit wat ik wilde weten – wat zijn kleding betekende, het teken op zijn voorhoofd, het zakje met gebedskralen. En zijn uitleg stond me wel aan. Het was allemaal heel praktisch. Toen had hij het over tempels over de hele wereld en zei: ‘‘We hebben nog een lange weg te gaan, maar ik ben heel geduldig.”
Bhaktivedanta Swami had goede hoop op wat het artikel in de Voice, “zijn Amerikaanse kerk” had genoemd. Er zat leven in zijn lezingen en in de kīrtana’s en hij begon eindelijk een klein maar stabiel groepje volgelingen te krijgen. Maar vanuit India hoefde hij niets te verwachten. Hij had regelmatig gecorrespondeerd met Sumati Morarji, zijn godsbroeders en de Indiase regering, maar hun antwoorden waren niet erg bemoedigend geweest.
Als het Kṛṣṇa-bewustzijn ooit succesvol zou worden in Amerika, zou het zonder hulp van de Indiase regering of van Indiase financiers moeten zijn. Kṛṣṇa had duidelijk een ander plan voor Bhaktivedanta Swami. Hij zou al zijn energie moeten stoppen in de jonge mannen en vrouwen die naar hem toe kwamen op zijn zolder in de Bowery. Hij schreef Sumati Morarji:
Ik ben nu aan het proberen om een vereniging op te richten van plaatselijke vrienden en bewonderaars, onder de naam Internationale Beweging voor Krishna-bewustzijn n.v.
Van al zijn vrienden en bewonderaars, gaf Bhaktivedanta Swami zijn kamergenoot, David Allen, de meeste persoonlijke aandacht en training. Hij wilde David een speciale kans geven om de eerste echte vaiṣṇava van Amerika te worden. Uiteindelijk zou Bhaktivedanta Swami naar India terugkeren en dan zou hij David Allen meenemen naar Vṛndāvana. Hij zou hem laten zien hoe Kṛṣṇa in de tempel vereerd werd en hem opleiden om in de toekomst in het Westen te prediken.
“Ik ben heel blij te kunnen zeggen”, zei Bhaktivedanta Swami op een avond tijdens de lezing, “dat onze David soms zegt: ‘Swamiji, ik wil nu direct vooruitgang maken in mijn spiritueel leven.’” Bhaktivedanta Swami lachte bij het imiteren van de dringende toon van Davids stem. “‘Geduld, geduld,’ zeg ik dan tegen hem. ‘Natuurlijk zal het gebeuren. Als je zo’n sterk verlangen hebt, zal God je helpen. Hij is binnen in je. Hij probeert gewoon te zien hoe oprecht je bent. Dan zal Hij je alle kans geven om vooruitgang te maken in je spiritueel leven.’”
In het begin woonden David en de swami vredig samen in de grote ruimte en de laatste werkte geconcentreerd aan zijn kant van de afscheiding, terwijl David in de grote open ruimte kon rommelen. Maar David bleef doorgaan marihuana, lsd en amfetaminen te gebruiken en de swami had geen andere keus dan het te tolereren. Hij zei vaak tegen hem, dat drugs en hallucinaties zijn spiritueel leven niet zouden helpen, maar dan staarde David afwezig langs hem heen. Langzaam vervreemdde hij van de swami.
Maar Bhaktivedanta Swami was van plan de zolder als tempel te gebruiken – deze om te toveren tot de eerste Rādhā–Kṛṣṇa-tempel van New York – en daarvoor had hij Davids medewerking nodig. Hoewel het een van de ellendigste buurten van de wereld was, sprak Bhaktivedanta Swami erover om Beeldgedaanten uit Jaipur of Vṛndāvana te laten komen en met tempeldiensten te beginnen, zelfs al was het in de Bowery. Hij dacht dat David wel zou helpen. Ze waren tenslotte kamergenoten, dus kon er geen sprake van zijn dat David niet zou meewerken; maar dan moest hij wel zijn slechte gewoontes opgeven.
Bhaktivedanta Swami probeerde David te helpen. Maar David was te gestoord. Het zou op een ramp uitlopen die al Bhaktivedanta Swami’s plannen voor de zolder in duigen zou doen vallen. Soms, zelfs wanneer hij niet onder invloed was van een of ander middel, liep David maar over de zolder heen en weer. Op andere momenten scheen hij diep in gedachten verzonken. Op een dag werd hij, onder de invloed van een dosis lsd, volslagen krankzinnig. Zoals een van de bezoekers van de swami, Carl Yeargens, het uitdrukte: “Hij draaide gewoon helemaal door en de swami had met een gek te maken.” Dit was te verwachten geweest – “het was een rare knul die altijd te veel nam”, maar de echte krankzinnigheid kwam plotseling.
Bhaktivedanta Swami zat rustig aan zijn schrijfmachine te werken toen David doordraaide. Hij begon te jammeren en liep maar over de grote open ruimte heen en weer. Toen begon hij te gillen en te huilen en over de hele zolder te rennen. Hij kwam naar de swami en plotseling stond Bhaktivedanta Swami in plaats van met David – de aardige David die hij mee naar India zou nemen, naar de brāhmaṇa’s in Vṛndāvana – oog in oog met een gedrogeerde onbekende met wilde ogen, een gek. Bhaktivedanta Swami probeerde met hem te praten – “Wat is er aan de hand?” – maar David had niets te zeggen. Er was geen onenigheid. Alleen krankzinnigheid…
Bhaktivedanta Swami liep vlug de vier trappen af. Hij had niets van zijn bezittingen meegenomen en ook niet bedacht waar hij naar toe zou gaan en of hij ooit nog terug zou komen. Hij had geen tijd gehad om ook maar ergens over na te denken. Hij was tamelijk geschokt en verliet het toneel van Davids waanzin. Zoals altijd zat er een groep zwervers in de deuropening en met hun gebruikelijke vertoon van hoffelijkheid lieten ze hem voorbijgaan. Ze waren eraan gewend, dat de oudere swami naar buiten ging om boodschappen te doen en dan weer terugkwam en ze vielen hem niet lastig. Maar vandaag ging hij geen boodschappen doen. Waar ging hij dan wél heen? Hij wist het zelf niet. Hij was de straat opgegaan zonder te weten waar hij naartoe zou gaan.
Terug naar de zolder ging hij beslist niet – dat stond vast. Maar waar kon hij naartoe? De duiven vlogen van het ene dak naar het andere. Het verkeer denderde voorbij en de altijd aanwezige zwervers hingen rond, terwijl ze zich bedronken met goedkope, giftige alcohol. Bhaktivedanta Swami’s huis herbergde niet alleen plotseling de verschrikking van waanzin, maar ook de straat voor zijn deur was een helse, gevaarlijke plek. Hij was er ondersteboven van. Hij kon Dr. Mishra bellen, die zou hem wel opnemen. Maar dat hoofdstuk uit zijn leven was afgesloten en hij had nu iets beters gevonden. Hij had zijn eigen bijeenkomsten met jonge mensen die chantten en luisterden. Was dat nu allemaal voorbij? Na negen maanden in Amerika werd er eindelijk goed op zijn prediken en zijn kīrtana gereageerd. Hij kon er nu echt niet zomaar mee ophouden.
A. C. Bhaktivedanta Swami Mahārāja was in Vṛndāvana bij iedereen bekend, werd gerespecteerd als een eminent geleerde en toegewijde en had zomaar de vicepresident van India en veel hooggeplaatste personen ontmoet. Maar nu moest hij de naakte waarheid onder ogen zien: in de Verenigde Staten had hij geen enkele vriend van formaat. Plotseling was hij net zo dakloos als een willekeurige zwerver. In feite hadden velen van hen die voor langere tijd een bed hadden in een van de luizige hotels, meer zekerheid dan hij. Ze waren geruïneerd, maar ze hadden een vaste verblijfplaats.
Tenzij je een duidelijk omlijnd doel had, zoals rechtstreeks naar de winkel gaan of weer terug naar huis, was de Bowery een hel. Het was geen plaats om stil te staan en je af te vragen waar je moest wonen of waar je ergens een vriend had bij wie je aan kon kloppen. Hij was niet op weg naar Chinatown om boodschappen te doen en evenmin was hij een ommetje aan het maken om daarna weer terug te gaan naar de veilige zolder. Als hij niet naar de zolder kon, kon hij nergens naartoe.
Wat werd het toch moeilijk om te midden van deze dwaze mensen in Amerika te prediken. Op de dag van aankomst in de haven van Boston had hij in zijn gedicht geschreven: “Mijn lieve Heer, ik weet niet waarom U me hier gebracht hebt. Nu kunt U met me doen wat U wilt. Maar ik denk dat U hier iets voor mij te doen hebt, waarom zou U me anders naar deze vreselijke plaats brengen?” Wat moest er nu van zijn lezingen terechtkomen? En van David? Zou hij teruggaan en proberen met hem te praten? Dit was de eerste keer geweest dat David op het punt had gestaan gewelddadig te worden, maar er waren vaker gespannen momenten geweest.
David had de gewoonte om de zeep op de vloer van de douchecel te laten liggen en Bhaktivedanta Swami had hem gevraagd om dat niet meer te doen omdat het gevaarlijk was. Maar David wilde niet luisteren. Bhaktivedanta Swami had hem er steeds aan herinnerd en op een dag was David boos geworden en had tegen hem geschreeuwd. Maar echte vijandigheid was het niet. Zelfs het voorval van vandaag was geen persoonlijke kwestie – de jongen was gewoon een slachtoffer van drugs.
Bhaktivedanta Swami liep snel. Hij had een vrije overtocht bij de Scindia Line. Hij kon naar huis gaan, naar Vṛndāvana. Maar zijn spiritueel leraar had hem opgedragen hierheen te gaan. “Door het sterke verlangen van Śrī Śrīmad Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ṭhākura”, had hij tijdens de overtocht over de Atlantische Oceaan geschreven, “zal de heilige naam van Heer Gauranga in alle landen van de wereld gehoord worden.” Voor het donker zou hij ergens onderdak moeten vinden en een manier om de vaart, die nu in zijn predikwerk zat, erin te houden. Zo was het om zonder steun van de regering, zonder hulp van een religieuze organisatie of zonder een begunstiger te moeten werken. Het betekende dat hij kwetsbaar en onbeschermd was.
Bhaktivedanta Swami beschouwde de crisis als een beproeving van Kṛṣṇa. De Bhagavad-gītā onderwijst dat we ons voor bescherming afhankelijk moeten stellen van Kṛṣṇa: “Vertrouw op Mij bij alles wat je doet en werk altijd onder Mijn bescherming. Wees je in dergelijke devotionele dienst volledig van Mij bewust… Door Mijn genade zul je alle hindernissen van het gebonden bestaan overwinnen.”
Hij besloot Carl Yeargens, die regelmatig de avondbijeenkomsten bezocht te bellen om hem om hulp te vragen. Toen Carl de stem van swami aan de telefoon hoorde – het was heel dringend! – stemde Carl er onmiddellijk mee in dat de swami bij hem en zijn vrouw Eva zou intrekken. Ze woonden vlakbij, in de Centre Street, vijf huizenblokken ten westen van de Bowery, in de buurt van Chinatown. Carl zou meteen naar hem toekomen.
Hij besloot Carl Yeargens, die regelmatig de avondbijeenkomsten bezocht te bellen om hem om hulp te vragen. Toen Carl de stem van swami aan de telefoon hoorde – het was heel dringend! – stemde Carl er onmiddellijk mee in dat de swami bij hem en zijn vrouw Eva zou intrekken. Ze woonden vlakbij, in de Centre Street, vijf huizenblokken ten westen van de Bowery, in de buurt van Chinatown. Carl zou meteen naar hem toekomen.
Toen carl en zijn vrienden na een week nog geen geschikte woonruimte voor de swami gevonden hadden, stelde Bhaktivedanta Swami voor, dat Carl en hij samen naar Michael Grant zouden gaan om hulp te vragen. Mike, een jonge musicus uit de Bowery, was op de bijeenkomsten van de swami geweest en had hem veel vragen gesteld. Hij was vindingrijk en zou waarschijnlijk wel willen helpen.
Toen Mike het verhaal van de swami hoorde, voelde hij zich verplicht. Daarom ging hij de volgende dag naar The Village Voice, haalde de eerste krant van de pers, keek de advertenties door tot hij een geschikt aanbod gevonden had en belde de huiseigenaar op. Het was een winkel op Second Avenue en de makelaar, een zekere Mr. Gardiner, maakte een afspraak met Mike om hem daar te ontmoeten. Carl en de swami zouden ook komen.
De heer Gardiner en Mike waren er het eerst. Mike maakte een opmerking over het ongewone, handgeschilderde bord – Matchless Gifts – dat boven de etalage hing. Gardiner legde uit dat het nog een overblijfsel was uit de tijd dat hier een nostalgisch cadeauwinkeltje gevestigd was. Toen begon Mike te vertellen dat de swami een spiritueel leider uit India was, een belangrijk schrijver en een sanskrietgeleerde. De makelaar leek wel positief. Toen de swami en Carl gearriveerd waren en iedereen aan elkaar was voorgesteld, liet Gardiner hun het winkeltje zien. Zorgvuldig overwogen de swami, Carl en Mike de mogelijkheden. De ruimte was leeg, kaal en donker – de elektriciteit was nog niet aangesloten – en er moest nodig geschilderd worden. Het zou goed zijn voor de bijeenkomsten, maar de ruimte was niet geschikt als woning voor de swami. Maar voor $125 per maand zag het er best bemoedigend uit. Toen liet Gardiner een kleine ruimte zien aan de overkant van een binnenplaatsje, recht achter de winkel, op de eerste verdieping. Nog eens $75 per maand en de swami zou daar kunnen wonen, hoewel Gardiner de kamer eerst moest schilderen. De totale huur zou dan op $200 komen en Carl, Mike en de anderen zouden hiervoor instaan.
Bhaktivedanta Swami kreeg het idee om Gardiner tot de eerste officiële gevolmachtigde te maken van zijn beginnende gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Tijdens hun gesprek gaf hij hem een driedelige set van zijn Śrīmad-Bhāgavatam en schreef voorin een persoonlijke opdracht die hij ondertekende met A. C. Bhaktivedanta Swami. Gardiner voelde zich gevleid en vereerd dat hij deze boeken van de schrijver zelf mocht ontvangen. Hij stemde ermee in gevolmachtigde te worden van de nieuwe beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn en de gemeenschap $20 per maand te betalen.
Het kostte Gardiner een week om het vertrek te schilderen. Intussen regelde Mike dat de elektriciteit en het water aangesloten werden en liet hij een telefoon plaatsen. Samen met Carl en nog wat andere vrienden, betaalde hij de eerste maand huur. Toen alles klaar was, belde Mike de swami, die nog steeds bij Carl verbleef.
Het was tijd om hem naar zijn nieuwe woning te verhuizen. Een paar vrienden die in de buurt waren, gingen met hem mee naar de zolder in de Bowery. Misschien waren ze dan niet bereid om zich als leerlingen aan hem over te geven, maar meebetalen aan de eerste maand huur en een paar uur werken om alles in orde te brengen, waren precies dingen die ze graag deden.
Op de zolder pakte iedereen een deel van de bezittingen van de swami. Ze trokken lopend door de Bowery. Het leek wel een expeditie, een caravaan van een half dozijn mensen, beladen met de spullen van de swami. Michael droeg de zware Roberts-bandrecorder en zelfs de swami droeg twee koffers. Ze haastten zich zo, dat Mike pas toen ze al een eind op weg waren en zijn arm pijn begon te doen, besefte dat ze met de auto hadden kunnen gaan.
Het was eind juni en een nevelige zomerzon scheen heet op de Bowery-jungle. Met horten en stoten trok de vreemde expeditie, die zich over een heel blok uitstrekte, voort. Swamiji zwoegde met zijn koffers langs de schijnbaar eindeloze reeks van voedingsgroothandels en lampenwinkels tussen Grand, Broome en Spring Street. Soms stopte hij even om uit te rusten en zette hij zijn koffers neer. Eindelijk ging hij dan uit de Bowery weg. De elektricien van Seventy-second Street zou opgelucht zijn, hoewel hij het pand op de Second Avenue misschien ook wel afgekeurd zou hebben. Hij hoefde nu tenminste niet meer in die achterbuurt te wonen. Hij liep weer verder, langs de daklozen die in de buurt van het Leger des Heils-centrum rondhingen en langs kroegen met wijd open deuren. Bij de stoplichten wachtte hij en keek toe hoe zijn vrienden achter hem voortzwoegden.
De artiesten en musici uit de Bowery zagen hem als ‘ver geëvolueerd’. Ze zagen dat hij heel bezield bezig was en wilden hem graag helpen zich in zijn eigen ruimte te vestigen, zodat hij zijn waardevolle spirituele bezigheden kon voortzetten en zijn boodschap ook aan anderen kon overbrengen. Hij was afhankelijk van hun hulp, maar toch wisten ze dat hij ‘op een hoger niveau zat’; hij was zijn eigen beschermheer, of, zoals hij het zelf uitdrukte, God beschermde hem.
De swami en zijn jonge vrienden kwamen aan bij de hoek van de Bowery en Houston Street, sloegen rechtsaf en liepen verder in oostelijke richting. Tijdens het lopen was zijn blik strak vooruit gericht en Bhaktivedanta Swami zag één blok verderop het begin van Second Avenue. Bij Second Avenue moest hij linksaf, dan was het nog maar één blok verder, voorbij First Street en hij was bij zijn nieuwe woning. Toen hij langs de ingang van de metro liep, kwam de winkel in zicht. “Matchless Gifts.” Hij greep zijn koffers en liep verder. Waar Second Avenue op Houston Street uitkwam, stak hij snel de straat over op een moment dat er even een opening in de verkeersstroom viel. Hij zag de kruinen van de bomen boven de hoge muur van het binnenplaatsje uitsteken en als doorgeschoten onkruid naar het licht reiken.
In het gebouw aan de straatkant bevond zich de ontmoetingsruimte en in het gebouw aan de achterkant het vertrek waar hij zou gaan wonen en vertalen. Rechts van de winkel stond een indrukwekkend pakhuis met negen verdiepingen. Het winkelpand had maar zes verdiepingen en leek tegen het grotere gebouw aan te hangen alsof het er een kind van was. Aan de linkerkant van Bhaktivedanta Swami’s nieuwe tempel lag een effen cementen oppervlak. Er stond geen belendend pand, er lag alleen het ruime terrein van het drukke Mobil-tankstation aan First Street. Toen Bhaktivedanta Swami de winkel naderde, zag hij twee kleine lantaarns die de nauwe ingang sierden.
Hij wist helemaal niet wat hem hier te wachten stond. Maar toch waren er al aanwijzingen geweest dat deze jonge Amerikanen, hoe gek ze soms ook waren, werkelijk zouden kunnen deelnemen aan de sankīrtana-beweging van Heer Caitanya. Misschien zou dit nieuwe adres de plaats zijn waar hij echt voet aan de grond zou krijgen met zijn Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn.