Default View
Dual Language View
Inleiding
Śrī śrīmad a. c. bhaktivedanta swami, die later śrīla prabhupāda werd genoemd, zou pas na 1965, het jaar van zijn aankomst in Amerika, wereldberoemd worden. Voordat hij uit India vertrok, schreef hij drie boeken; in de twaalf jaar daarna zou hij er meer dan zestig schrijven. Voordat hij uit India vertrok, wijdde hij één leerling in; in de twaalf jaar daarna zou hij er meer dan vierduizend inwijden. Voordat hij uit India vertrok, geloofde bijna niemand dat hij zijn droom, een wereldwijde gemeenschap van toegewijden van Kṛṣṇa, zou kunnen verwezenlijken. Maar in de tien jaar daarna zou hij de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn oprichten en meer dan honderd centra openen. Voordat hij koers zette naar Amerika, was hij nog nooit buiten India geweest. Maar in de twaalf jaar daarna zou hij vele malen de wereld rond reizen om de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn verder te verspreiden.
Hoewel het misschien lijkt alsof hij zijn levenswerk in een late opwelling van revolutionaire spirituele prestaties heeft volbracht, waren de eerste negenenzestig jaar van zijn leven hierop een voorbereiding. En hoewel Prabhupāda en zijn leer voor de Amerikanen een onbekend en onverwacht verschijnsel waren – ‘Hij leek de geest uit Aladins lamp wel’ – was hij een krachtig vertegenwoordiger van een eeuwenoude culturele traditie.
Śrīla Prabhupāda werd op 1 september 1896 in Kolkata, India, geboren als Abhay Charan De. Zijn vader, een textielkoopman, heette Gour Mohan De en zijn moeder Rajani. Naar goed Bengaals gebruik lieten zijn ouders een astroloog komen om de horoscoop van het kind te berekenen en ze waren in de wolken met de gunstige uitkomst. De astroloog deed een bijzondere voorspelling: op zeventigjarige leeftijd zou Abhay de oceaan oversteken, een groot religieus leider worden en 108 tempels openen.
Het ouderlijk huis van Abhay lag aan Harrison Road 151 in het Indiase deel van Noord-Kolkata. Zijn vader, Gour Mohan De, maakte deel uit van de aristocratische suvarṇa-vaṇik-gemeenschap van kooplieden. Hij was verwant aan de welgestelde familie Mullik, die al honderden jaren handel in goud en zout had gedreven met de Britten. Vroeger waren de Mulliks lid geweest van de familie De, een gotra (geslacht) dat teruggaat tot de oude wijze Gautama. Maar tijdens de Moghul-periode, toen India nog geen Britse kolonie was, had een moslimheerser de titel Mullik (‘heer’) verleend aan een welgestelde, invloedrijke tak van de De’s. Een paar generaties later was een dochter van de De’s getrouwd met iemand van de familie Mullik en sindsdien hadden de twee families contact gehouden.
Lokanath Mullik bezat een heel huizenblok aan beide zijden van Harrison Road en Gour Mohan bewoonde er met zijn gezin een paar kamers in een gebouw met drie verdiepingen. Tegenover het huis waar de familie De woonde, stond een Rādhā–Govinda-tempel, waar de Mulliks de afgelopen 150 jaar de Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa hadden vereerd. De Beeldgedaanten werden in stand gehouden met inkomsten uit de verschillende winkels van de Mulliks. Ook de priesters die de erediensten verzorgden, werden daarvan betaald. De leden van de familie Mullik gingen elke ochtend vóór het ontbijt naar de tempel om Rādhā-Govinda te zien. Ze offerden dan gekookte rijst, kacaurī’s en groenten op een grote schaal en deelden de prasādam daarna uit aan mensen uit de buurt die de Beeldgedaanten ’s morgens kwamen bezoeken. Een van de dagelijkse bezoekers was Abhay Charan, samen met zijn moeder, zijn vader of een bediende.
Gour Mohan De was een zuivere vaiṣṇava en hij voedde zijn zoon op in Kṛṣṇa-bewustzijn. Omdat zijn eigen ouders ook vaiṣṇava’s geweest waren, had Gour Mohan nooit vlees, vis, eieren, koffie of thee aangeraakt. Hij had een lichte gelaatskleur en was ingetogen van aard. Voordat hij ’s avonds zijn textielwinkel afsloot, zette hij altijd een kom rijst midden op de vloer voor de ratten, zodat ze niet aan het textiel zouden gaan knagen. Wanneer hij thuiskwam, las hij in het Caitanya-caritāmṛta en het Śrīmad-Bhāgavatam (de belangrijkste teksten voor Bengaalse vaiṣṇava’s), chantte hij op zijn meditatiekralen en vereerde hij de Beeldgedaante van Heer Kṛṣṇa. Hij was een vriendelijk en hartelijk man en gaf Abhay nooit straf. Zelfs wanneer hij zich verplicht voelde hem terecht te wijzen, bood hij eerst zijn verontschuldigingen aan: “Je bent mijn zoon, dus moet ik je nu berispen. Dat is mijn plicht. Zelfs Caitanya Mahāprabhu’s vader bestrafte Hem als dat nodig was. Trek het je dus niet te veel aan.”
In het geheugen van Prabhupāda was voor altijd het beeld gegrift van de manier waarop zijn vader Kṛṣṇa met veel devotie vereerde. Hij zou zich herinneren hoe zijn vader ’s avonds meestal laat thuiskwam van zijn textielwinkel en hoe hij Heer Kṛṣṇa dan trouw vereerde, terwijl hij voor het huisaltaar stond. “Wij sliepen al”, vertelde Prabhupāda, “en vader deed ārati. Dan werden we wakker van het ting-ting-ting van de bel en zagen we hem neerbuigen voor Kṛṣṇa.”
Gour Mohan wilde dat zijn zoon vaiṣṇava-idealen zou hebben; hij wilde dat Abhay een dienaar van Rādhā en Kṛṣṇa en een prediker van het Bhāgavatam zou worden en dat hij de devotionele kunst van het bespelen van de mṛdaṅga zou leren. Hij ontving regelmatig bezoek van sādhu’s en dan vroeg hij hun: “Geef mijn zoon alstublieft uw zegen dat Śrīmatī Rādhārāṇī hem zal zegenen.” Toen Abhay’s moeder zei dat ze wilde dat haar zoon een Brits advocaat zou worden als hij groot was (wat betekende dat hij in Londen zou moeten studeren), vond een van zijn ooms dat een goed idee. Maar Gour Mohan wilde er niets van weten: als Abhay naar Engeland ging zou hij misschien beïnvloed worden door de Europese manier van kleden en door hun gedrag. “Hij zal leren drinken en op vrouwen jagen”, argumenteerde Gour Mohan. “Ik heb zijn geld niet nodig.”
Al bij het begin van Abhay’s leven begon Gour Mohan zijn plannen uit te voeren. Hij liet een professionele mṛdaṅga-speler komen die Abhay de standaardritmes moest leren spelen om de kīrtana’s te begeleiden. Rajani was sceptisch: “Wat heeft het voor zin om zo’n jong kind mṛdaṅga te leren spelen? Dat is niet zo belangrijk.” Maar Gour Mohan droomde nu eenmaal van een zoon die zou opgroeien met het zingen van bhajans, het bespelen van de mṛdaṅga en het spreken over het Śrīmad-Bhāgavatam.
Toen Abhay geboren werd, was zijn moeder Rajani dertig jaar. Net zoals haar echtgenoot stamde ze uit een oude Gauḍīya Vaiṣṇava-familie. Zij was donkerder van huidskleur dan haar echtgenoot en ze had een licht ontvlambaar karakter, terwijl hij nogal ingetogen was. Abhay zag dat zijn vader en moeder in vrede met elkaar samenleefden; nooit vormden ernstige echtelijke conflicten of diepgaande ontevredenheid een bedreiging in zijn ouderlijk huis. Rajani was kuis en religieus aangelegd; een voorbeeldige huisvrouw in de traditioneel vedische zin van het woord. Ze was altijd bezig voor haar echtgenoot en kinderen te zorgen. Abhay zag dat zijn moeder eenvoudige en ontroerende pogingen deed om zich er door gebeden en geloften van te verzekeren dat hij in leven zou blijven.
Net als Gour Mohan behandelde ook Rajani Abhay als een troetelkind. Terwijl haar echtgenoot zijn liefde tot uiting bracht door toegeeflijk te zijn en door plannen te maken voor een voorspoedig spiritueel leven van zijn zoon, kwam haar liefde tot uiting in haar pogingen Abhay te vrijwaren van alle gevaren, ziekte en dood. Toen Abhay geboren werd, legde ze de gelofte af dat ze met haar linkerhand zou eten tot de dag waarop haar zoon het zou opmerken en haar zou vragen waarom ze met de verkeerde hand at. Toen de kleine Abhay dit op zekere dag inderdaad vroeg, hield ze er onmiddellijk mee op. Het was gewoon een middel geweest om zijn leven te beschermen. Ze dacht namelijk dat hij door de kracht van haar gelofte op zijn minst zou opgroeien tot op het moment dat hij haar naar de gelofte zou vragen. Vaak nam zijn moeder hem mee naar de Ganges om hem persoonlijk te baden. Toen hij dysenterie kreeg, genas ze hem met hete purī’s en gebakken aubergine met zout. Soms gedroeg Abhay zich koppig: als hij ziek was weigerde hij elk medicijn. Maar zijn moeder was net zo vastbesloten als hij koppig was en dwong hem de medicijnen in te nemen. Als Abhay niet naar school wilde, was zijn vader zoals altijd toegeeflijk, terwijl Rajani voet bij stuk hield en zelfs iemand liet komen om hem naar school te brengen.
In heel Noord-India wordt Heer Kṛṣṇa door het overgrote deel van de bevolking beschouwd als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Deze opvatting over Kṛṣṇa is ook in overeenstemming met de vedische teksten, vooral met de Bhagavad-gītā, de meest gelezen vedische tekst. Abhay raakte dan ook al van jongs af aan op natuurlijke wijze met het Kṛṣṇa-bewustzijn vertrouwd. Zijn vader was bovendien bijzonder vroom en in latere jaren zou Śrīla Prabhupāda hem “een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa” noemen. Zelfs voordat het kind oud genoeg was om te lopen, nam Gour Mohan zijn zoon al mee naar de Rādhā-Govinda Mandir. Prabhupāda herinnerde zich later dat ze samen bij de ingang van de Rādhā-Govinda-tempel hadden gestaan en daar urenlang tot de Beeldgedaanten van Rādhā-Govinda baden. Govinda was zo prachtig met Zijn amandelvormige ogen.
Abhay was ook helemaal weg van het Ratha-yātrā, een festival dat jaarlijks in Kolkata werd gehouden ter ere van Heer Jagannātha. De grootste Ratha-yātrā van Kolkata werd gehouden in de Rādhā-Govinda Mandir, met drie afzonderlijke wagens waarop de Beeldgedaanten van Jagannātha (Kṛṣṇa), Balarāma en Subhadrā waren geplaatst. Vanaf de Rādhā-Govinda-tempel reden de wagens een klein eindje Harrison Road op en keerden dan weer om. Op die dag deelden de leiders van de tempel altijd grote hoeveelheden Jagannātha prasādam uit aan het publiek.
In alle steden van India wordt Ratha-yātrā gehouden, maar het oorspronkelijke Ratha-yātrā, dat elk jaar miljoenen pelgrims trekt, vindt plaats in Jagannātha Purī, een plaats vierhonderdvijftig kilometer ten zuiden van Kolkata. In Purī trekken massa’s mensen al eeuwenlang jaarlijks drie dertien meter hoge houten wagens over een traject van drie kilometer om een episode te gedenken uit het eeuwige spel van Heer Kṛṣṇa. Abhay hoorde vertellen hoe Heer Caitanya Zelf, vierhonderd jaar eerder, tijdens het Ratha-yātrā in Purī had gedanst en de leiding had gehad bij het extatische zingen van Hare Kṛṣṇa. Af en toe ging Abhay op het station naar de borden kijken waarop de vertrektijden van de treinen stonden aangegeven. Dan vroeg hij hoeveel het kostte om met de trein naar Purī te gaan en dacht hij er over na hoe hij het geld voor de reis bij elkaar moest krijgen.
Abhay wilde een eigen wagen hebben en zelf Ratha-yātrā vieren en natuurlijk klopte hij bij zijn vader aan voor hulp. Gour Mohan kocht tweedehands een negentig centimeter hoge replica van een ratha (wagen) voor hem en samen maakten vader en zoon steunpilaren waarop ze een baldakijn plaatsten dat zoveel mogelijk leek op dat van de grote wagens in Purī. Abhay liet zijn speelkameraadjes en vooral zijn zusje Bhavatāriṇī meehelpen; het sprak vanzelf dat hij hun leider werd. Nadat hij ze had gesmeekt, waren de geamuseerde moeders uit te buurt bereid speciale gerechten klaar te maken, zodat hij op zijn Ratha-yātrā-festival prasādam zou kunnen uitdelen. Net zoals het festival in Purī, duurde het Ratha-yātrā van Abhay acht dagen. Zijn familieleden liepen allemaal mee in de optocht en de kinderen uit de buurt trokken de wagen, terwijl ze zongen en zichzelf met drums en karatāla’s begeleidden.
Toen Abhay ongeveer zes jaar was, vroeg hij zijn vader of hij zelf een Beeldgedaante mocht hebben om te vereren. Van jongs af aan had hij gezien hoe zijn vader thuis pūjā deed en hoe Rādhā-Govinda vereerd werden en hij had steeds gedacht: “Wanneer zal ik Kṛṣṇa zo kunnen vereren?” Gour Mohan kocht een paar kleine Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa en gaf die aan zijn zoon. Vanaf dat moment offerde Abhay alles wat hij at eerst aan Rādhā en Kṛṣṇa en, net zoals hij dat zijn vader en de priester van Rādhā-Govinda had zien doen, offerde hij een ghee-lamp aan zijn Beeldgedaanten en legde hij Ze ’s avonds te ruste.
Toen Śrīla Prabhupāda aan het eind van de jaren zestig grote Ratha-yātrā-festivals begon te houden in de steden van Amerika en hij Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa op de altaren in zijn iskcon-tempels plaatste, zei hij dat hij al deze dingen van zijn vader had geleerd. Het enige bijzonder belangrijke onderdeel van het Kṛṣṇa-bewustzijn dat hij niet van zijn vader had geleerd, zei hij, was het belang van het drukken en verspreiden van transcendentale literatuur. Dat had hij uitsluitend van zijn spiritueel leraar geleerd, die hij pas later zou ontmoeten.
Abhay studeerde nog toen zijn vader zijn huwelijk regelde met Rādhārāṇī Datta, een dochter van een koopmansfamilie waar hij connecties mee onderhield. Maar Abhay bleef nog enkele jaren bij zijn eigen familie wonen, en zij bij de hare; hij kreeg dus niet meteen de verantwoordelijkheid over een gezin. Eerst moest hij zijn studie afmaken.
Maar tijdens het vierde jaar van zijn studie begon Abhay er steeds minder voor te voelen zijn diploma te halen. Hij sympathiseerde met de nationalisten, die voorvechters waren van nationale scholen en zelfbestuur.
In het studiejaar boven Abhay zat een vurig nationalist, Subhas Chandra Bose. Hij zou later de leider worden van het Indiase Nationale Leger, dat gevormd zou worden om de heerschappij van de Britten in India omver te werpen. Toen Subhas Chandra Bose er bij de studenten op aandrong de Indiase onafhankelijkheidsbeweging te steunen, gaf Abhay daar gehoor aan. Het vertrouwen dat Bose had in het spiritueel leven en zijn enthousiasme en vastberadenheid stonden hem erg aan. Abhay interesseerde zich niet voor politieke activiteiten, maar het ideaal van de onafhankelijkheidsbeweging sprak hem wel aan. De roep om svarāj (onafhankelijkheid) had bij vrijwel alle studenten, evenals Abhay, gehoor gevonden, ook al was het ondergronds.
Abhay was vooral geïnteresseerd in Mohandas K. Gandhi. Gandhi had altijd een Bhagavad-gītā bij zich en zei dat hij meer door de Gītā werd geleid dan door welk boek dan ook. Hij hield er zuivere gewoontes op na en onthield zich van genotmiddelen, vlees en vrije seks. Hij leefde sober, net als een sādhu, maar scheen over meer integriteit te beschikken dan de bedelende sādhu’s die Abhay zo vaak had gezien. Abhay las Gandhi’s toespraken en volgde al zijn activiteiten. Misschien kon Gandhi, zo dacht hij, spiritualiteit in de praktijk brengen.
Gandhi riep de Indiase studenten op hun studie op te geven. Scholen die door vreemdelingen werden geleid, zei hij, brachten je een slavenmentaliteit bij. Zo werd men niet meer dan een marionet in handen van de Britten. Toch was een schooldiploma de basis om carrière te maken in het leven. Abhay overwoog alles zorgvuldig en toen hij in 1920 zijn vierde studiejaar afmaakte en voor het examen slaagde, weigerde hij zijn diploma in ontvangst te nemen. Op deze manier wilde hij protest aantekenen en reageren op Gandhi’s oproep.
Na de slachtpartij bij Jallianwala Bagh, waarbij Britse soldaten honderden ongewapende Indiërs doodschoten die zich voor een vreedzame bijeenkomst hadden verzameld, riep Gandhi op tot een volledige stopzetting van de samenwerking en tot het boycotten van alles wat Brits was. Door zijn diploma te weigeren, begon Abhay zich steeds meer te scharen aan de kant van Gandhi’s onafhankelijkheidsbeweging. Hoewel Abhay’s vader zich hierover zorgen maakte, nam hij het zijn zoon niet kwalijk. Hij bekommerde zich meer om de toekomst van Abhay dan om het politieke lot van India. Daarom zorgde hij ervoor dat Abhay via een vooraanstaande familievriend, een zekere Dr. Kartick Chandra Bose, een goede baan kreeg. Dr. Bose, die behalve een voortreffelijk chirurg ook fabrikant van geneesmiddelen was, had een eigen bedrijf met de naam Bose’s Laboratory, gevestigd in Kolkata. Hij wilde Abhay graag als afdelingschef in zijn firma aannemen.
Zijn leven lang zou Śrīla Prabhupāda vaak en met veel gevoel terugdenken aan zijn eerste ontmoeting met zijn spiritueel leraar in 1922. Eerst wilde Abhay hem niet ontmoeten, omdat hij niet bepaald onder de indruk was van de zogenaamde sādhu’s die bij zijn vader op bezoek kwamen. Maar een van Abhay’s vrienden was blijven aandringen en had hem meegenomen naar het gebouw van de Gauḍīya Maṭha. Ze waren naar het dak gebracht en zagen daar Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī. Abhay en zijn vriend hadden nog maar nauwelijks hun eerbetuigingen gebracht en waren bezig te gaan zitten, of hij zei tegen hen: “Jullie zijn jonge, ontwikkelde mensen. Waarom trekken jullie er niet op uit om overal ter wereld de boodschap van Heer Caitanya te prediken?”
Abhay was heel verrast dat de sādhu hun onmiddellijk had gevraagd om namens hem te gaan prediken. Onder de indruk als hij was, wilde hij Bhaktisiddhānta Sarasvatī met intelligente vragen op de proef stellen.
Abhay was gekleed in witte khādī, wat in het India van die tijd betekende dat iemand het streven van Gandhi naar politieke onafhankelijkheid steunde. In de geest van het Indiase nationalisme vroeg Abhay daarom: “Wie zal uw boodschap van Caitanya horen? We leven in een afhankelijk land. India moet eerst onafhankelijk worden. Hoe kunnen we de Indiase cultuur uitdragen, zolang we door de Britten worden overheerst?”
Śrīla Bhaktisiddhānta antwoordde dat het Kṛṣṇa-bewustzijn niet hoefde te wachten op een verandering in de Indiase politiek en ook niet afhankelijk was van wie er aan de macht was. Het Kṛṣṇa-bewustzijn was zó belangrijk, dat het niet kon wachten.
Abhay was getroffen door zijn stoutmoedigheid. Heel India was in rep en roer en leek te bevestigen wat Abhay had gezegd. Veel beroemde leiders uit Bengalen, heiligen en zelfs Gandhi – intelligente en spiritueel gerichte mensen – hadden dezelfde vraag kunnen stellen om deze sādhu op de proef te stellen.
Maar Śrīla Bhaktisiddhānta stelde dat alle regeringen tijdelijk waren. De eeuwige werkelijkheid was het Kṛṣṇa-bewustzijn en de spirituele ziel het ware zelf. Geen enkel door de mens bedacht politiek systeem kon de mensheid werkelijk helpen. Dit was het oordeel van de vedische heilige teksten en van de lijn van spiritueel leraren. Het echte welzijnswerk, zei hij, moet veel verder gaan dan de zorg voor het tijdelijke en moet de mens voorbereiden op zijn volgend leven en op zijn eeuwige relatie met de Allerhoogste.
Abhay was al tot de slotsom gekomen dat dit in elk geval niet weer een of andere dubieuze sādhu was en hij luisterde aandachtig naar de woorden van Śrīla Bhaktisiddhānta. Hij merkte dat hij geleidelijk overtuigd raakte. Bhaktisiddhānta Sarasvatī citeerde sanskrietverzen uit de Bhagavad-gītā, waarin Heer Kṛṣṇa verklaart dat een mens alle andere religieuze plichten moet laten voor wat ze zijn en zich over moet geven aan Hem, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Abhay was Heer Kṛṣṇa en Zijn instructies in de Bhagavad-gītā nooit vergeten en zijn familie had Heer Caitanya Mahāprabhu, voor wiens missie Bhaktisiddhānta zich inzette, altijd vereerd. Maar hij was verbaasd deze leer op zo’n meesterlijke manier gepresenteerd te horen.
Abhay voelde zich verslagen. Maar hij genoot ervan. Toen de discussie na twee uur afgelopen was, liep hij samen met zijn vriend de trap af en de straat op. Śrīla Bhaktisiddhānta’s uitleg van de onafhankelijkheidsbeweging als een tijdelijke, onvolmaakte zaak, had diepe indruk op Abhay gemaakt. Hij voelde zich meer een volgeling van Bhaktisiddhānta Sarasvatī dan een nationalist. Ook dacht hij bij zichzelf, dat het beter zou zijn geweest als hij niet was getrouwd. Deze grote persoonlijkheid vroeg hem te gaan prediken. Hij had zich onmiddellijk bij hem kunnen aansluiten, maar nu vond hij het niet juist om zijn gezin in de steek te laten.
“Hij is fantastisch!” zei Abhay tegen zijn vriend. “De boodschap van Heer Caitanya is in handen van een heel deskundig iemand.”
Later vertelde Śrīla Prabhupāda, dat hij Śrīla Bhaktisiddhānta eigenlijk diezelfde avond nog als zijn spiritueel leraar had aanvaard. “Niet officieel,” zei Prabhupāda, “maar in mijn hart. Ik vond dat ik een bijzonder fijn, heilig persoon had ontmoet.”
Na zijn eerste ontmoeting met Bhaktisiddhānta Sarasvatī, begon Abhay meer contact te zoeken met de toegewijden van de Gauḍīya Maṭha. Ze gaven hem boeken en vertelden hem de geschiedenis van hun spiritueel leraar. Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī was een zoon van Bhaktivinoda Ṭhākura, een andere grote vaiṣṇava-leraar in de opeenvolging van discipelen vanaf Heer Caitanya. Vóór Bhaktivinoda was de leer van Heer Caitanya onbegrijpelijk geworden door toedoen van leraren en sektes die ten onrechte beweerden dat ze volgelingen van Heer Caitanya waren en die op verschillende drastische wijzen waren afgeweken van Zijn zuivere leer. De goede reputatie van het Vaiṣṇavisme was in gevaar. Maar Bhaktivinoda Ṭhākura had door het schrijven van vele boeken en door zijn sociale positie als hooggeplaatst regeringsfunctionaris het aanzien van het Vaiṣṇavisme in ere weten te herstellen. Hij predikte dat de leer van Heer Caitanya de hoogste vorm van theïsme was en dat ze voor alle mensen van de hele wereld bedoeld was en niet voor een bepaalde sekte, religie of natie. Hij voorspelde dat Heer Caitanya’s leer over de hele wereld verspreid zou worden en verlangde daar vurig naar.
Later vertelde Śrīla Prabhupāda, dat hij Śrīla Bhaktisiddhānta eigenlijk diezelfde avond nog als zijn spiritueel leraar had aanvaard. “Niet officieel,” zei Prabhupāda, “maar in mijn hart. Ik vond dat ik een bijzonder fijn, heilig persoon had ontmoet.”
Na zijn eerste ontmoeting met Bhaktisiddhānta Sarasvatī, begon Abhay meer contact te zoeken met de toegewijden van de Gauḍīya Maṭha. Ze gaven hem boeken en vertelden hem de geschiedenis van hun spiritueel leraar. Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī was een zoon van Bhaktivinoda Ṭhākura, een andere grote vaiṣṇava-leraar in de opeenvolging van discipelen vanaf Heer Caitanya. Vóór Bhaktivinoda was de leer van Heer Caitanya onbegrijpelijk geworden door toedoen van leraren en sektes die ten onrechte beweerden dat ze volgelingen van Heer Caitanya waren en die op verschillende drastische wijzen waren afgeweken van Zijn zuivere leer. De goede reputatie van het Vaiṣṇavisme was in gevaar. Maar Bhaktivinoda Ṭhākura had door het schrijven van vele boeken en door zijn sociale positie als hooggeplaatst regeringsfunctionaris het aanzien van het Vaiṣṇavisme in ere weten te herstellen. Hij predikte dat de leer van Heer Caitanya de hoogste vorm van theïsme was en dat ze voor alle mensen van de hele wereld bedoeld was en niet voor een bepaalde sekte, religie of natie. Hij voorspelde dat Heer Caitanya’s leer over de hele wereld verspreid zou worden en verlangde daar vurig naar.
Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī onderwees de conclusie van Heer Caitanya’s leer, namelijk dat Heer Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is en dat het zingen van Zijn heilige naam belangrijker is dan welke andere religieuze activiteiten dan ook. In vroeger tijden waren er andere manieren om tot God te komen, maar in het huidige tijdperk van Kali zou alleen het zingen van Hare Kṛṣṇa effectief zijn. Zich baserend op heilige teksten als de Bṛhan-nāradīya Purāṇa en de Upaniṣads, hadden Bhaktivinoda Ṭhākura en Bhaktisiddhānta Sarasvatī vooral de nadruk gelegd op het belang van de mahā-mantra:
Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare / Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare.
Abhay was op de hoogte van deze verwijzingen in de heilige teksten, hij kende de conclusies van de Gītā en ook het chanten van de mahā-mantra was niet nieuw voor hem. Maar nu hij de boeken van de grote ācārya’s gretig aan het lezen was, realiseerde hij zich de reikwijdte van Heer Caitanya’s boodschap pas echt. Nu ontdekte hij de diepgang van zijn eigen vaiṣṇava-erfgoed en zag hij hoe doeltreffend dit kon zijn om in een tijdperk vol problemen het hoogste welzijn voor de mensen te creëren.
Om zakelijke redenen verhuisde Abhay met zijn vrouw en kinderen naar Allahabad. Daar werd hij in 1932 geïnitieerd als leerling van Bhaktisiddhānta Sarasvatī. De dertig jaar die Abhay daarna nog in India doorbracht, zouden in het teken staan van een oprecht en steeds groeiend verlangen om het Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld te prediken, zoals zijn spiritueel leraar hem had opgedragen.
Maar de verantwoordelijkheid voor zijn gezin en zijn predikactiviteiten leken met elkaar in botsing te komen. Thuis was zijn vrouw religieus, maar het idee zich in te zetten om het Kṛṣṇa-bewustzijn te verspreiden, sprak haar niet aan. Zelfs toen Abhay probeerde om thuis bijeenkomsten te houden en de Bhagavad-gītā te bespreken, zat ze liever boven thee te drinken. Ondanks haar koppigheid bleef Abhay geduldig en probeerde hij haar erbij te betrekken.
Als vertegenwoordiger van de farmaceutische industrie reisde Abhay veel met de trein, vooral in het noorden van India. Hij dacht dat hij, als hij rijk werd, zijn geld goed zou kunnen gebruiken om de boodschap van Bhaktisiddhānta Sarasvatī te verspreiden. Deze gedachte stimuleerde hem bij het zaken doen.
Abhay was niet in de gelegenheid om met zijn spiritueel leraar mee te reizen of hem vaak te zien, maar als het enigszins mogelijk was, probeerde hij een zakenreis naar Kolkata te plannen op een moment dat zijn spiritueel leraar daar ook was. Op die manier lukte het hem zijn spiritueel leraar in de loop van vier jaar ongeveer twaalf keer te ontmoeten.
Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī gebruikte zulke krachtige argumenten tegen andere filosofieën, dat zelfs zijn eigen leerlingen hem altijd heel voorzichtig benaderden als hij alleen was. Maar tegen Abhay was Śrīla Bhaktisiddhānta altijd heel vriendelijk, hoewel ze elkaar niet vaak zagen. Śrīla Prabhupāda vertelde later: “Soms kreeg ik kritiek van mijn godsbroeders omdat ik nogal vrijuit met hem sprak. Dan haalden ze een Engels gezegde aan: ‘Dwazen stormen naar binnen waar engelen niet naar binnen durven gaan.’ Maar dan dacht ik: ‘Ik een dwaas? Nou, dat kan wel zijn, maar zo ben ik nu eenmaal.’ Mijn guru mahārāja heeft me altijd met heel veel genegenheid behandeld.”
In 1935 presenteerde Abhay een gedicht en een essay van eigen hand op een bijeenkomst van godsbroeders in Mumbai, ter gelegenheid van de 62e verjaardag van Śrīla Bhaktisiddhānta. De teksten vielen nogal in de smaak en werden dan ook in het tijdschrift van de Gauḍīya Maṭha, The Harmonist, gepubliceerd. Een van zijn godsbroeders betitelde Abhay informeel als kavi, ‘geleerd dichter’. Voor Abhay kwam de lof voor zijn eerste publicaties pas echt toen het gedicht onder ogen kwam van Bhaktisiddhānta Sarasvatī. Met één couplet was Śrīla Bhaktisiddhānta zo blij, dat hij het aan al zijn bezoekers liet zien:
Het Absolute heeft gevoel
Hebt gij bewezen;
De ellende van het impersonalisme
Hebt gij naar het rijk der fabelen verwezen.
Hebt gij bewezen;
De ellende van het impersonalisme
Hebt gij naar het rijk der fabelen verwezen.
Op de een of andere manier had Abhay in dit eenvoudige couplet de essentie van de strijd van zijn spiritueel leraar tegen impersonalistische filosofieën weten te vatten. En voor Śrīla Bhaktisiddhānta was dit een teken dat Abhay de gedachten van zijn gurudeva heel goed aanvoelde. Ook over het essay dat Abhay geschreven had, was Śrīla Bhaktisiddhānta bijzonder te spreken en hij liet het aan enkele van zijn vertrouwelijkste leerlingen zien. Hij gaf de uitgever van The Harmonist de opdracht: “Publiceer alles wat hij schrijft.”
Een van de belangrijkste ontmoetingen die Abhay met zijn spiritueel leraar had, vond in 1935 plaats in Vṛndāvana. Abhay was niet langer een nieuweling, maar een bonafide leerling die zijn best deed zijn spiritueel leraar te helpen voor zover zijn leven als gezinshoofd dat toeliet. Toen Śrīla Bhaktisiddhānta op een dag met Abhay en enkele andere volgelingen een wandeling langs het heilige Rādhā-kuṇḍa-meer maakte, nam hij Abhay in vertrouwen. Er was onenigheid geweest tussen enkele van zijn leidinggevende volgelingen, zei hij, en dat deed hem veel verdriet. De leerlingen hadden ruzie gekregen over wie welke van de verschillende kamers en faciliteiten kon gebruiken in het hoofdgebouw van de Gauḍīya Maṭha in Kolkata. Als ze nu al ruzie gingen maken, wat zou er dan gebeuren als hun spiritueel leraar er niet meer was? Abhay was niet bij het conflict betrokken geweest en wist niet eens waar het precies om ging. Maar toen hij zijn spiritueel leraar zo hoorde spreken, voelde hij zich ook bedroefd worden.
Diep verontrust zei Śrīla Bhaktisiddhānta tegen Abhay: “Er zal brand zijn.” Op een dag zou de Gauḍīya Maṭha in Kolkata door de wrijving tussen verschillende partijen in vlammen opgaan, en dat vuur zou zich verspreiden en vernietigend werk doen. Abhay luisterde, maar hij wist niet wat hij ervan moest denken. “Het is misschien beter”, zei Bhaktisiddhānta Sarasvatī, “om het marmer van de muren van de tempel te halen en te verkopen. Het zou beter zijn als ik dat kon doen en boeken drukken.”
Toen zei Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī heel direct tegen Abhay: “Ik had het verlangen om boeken te drukken. Als je ooit geld hebt, druk er dan boeken mee.” Terwijl hij bij Rādhā-kunda stond en naar zijn spiritueel leraar keek, liet Abhay deze woorden diep tot zich doordringen: “Als je ooit geld hebt, druk er dan boeken mee.”
Śrīla Bhaktisiddhānta verliet deze wereld in december 1936. Een maand voor zijn heengaan schreef Abhay hem een brief. Hij vond dat hij als gṛhastha zijn spiritueel leraar niet volledig kon dienen en wilde weten wat hij nog meer kon doen. Daarom vroeg hij: “Is er iets bepaalds waarmee ik u van dienst kan zijn?” Twee weken later kreeg Abhay antwoord:
Ik ben er volledig van overtuigd dat jij onze denkbeelden en redeneringen in het Engels kunt uitleggen aan mensen die onze talen (Bengaals en Hindi) niet spreken… Dat zal zowel jou als je toehoorders ten goede komen. Ik heb alle hoop dat jij een hele goede Engelssprekende prediker zult worden.
Abhay zag hier meteen dezelfde opdracht in die hij in 1922 bij zijn eerste ontmoeting met Śrīla Bhaktisiddhānta had gekregen. Hij zag de brief als een bevestiging. Nu had hij geen enkele twijfel meer over het doel van zijn bestaan.
“De brand in de maṭha” die Śrīla Bhaktisiddhānta voorspeld had, brak bijna onmiddellijk uit. Een paar oudere volgelingen verschilden van mening over het leiderschap in de maṭha’s en al snel ontaardde dat in rechtszaken over het eigendomsrecht van de tempels. Omdat Abhay een getrouwd zakenman was, had hij weinig te maken gehad met de activiteiten van de Gauḍīya Maṭha en daar had hij nu baat bij. Hij had niets te maken met de conflicten maar betreurde dat het uitdrukkelijk verzoek van hun spiritueel leraar om samenwerking werd genegeerd, waardoor zijn organisatie van tempels en drukpersen instortte.
Niet veel later brak er een ander, veel groter conflict uit: de Tweede Wereldoorlog. De tactiek van de Britten bestond uit het tot zinken brengen van vele boten met voedsel en het vernietigen van een groot deel van de Indiase rijstoogst uit angst dat het voedsel in handen van de vijand zou vallen. Hierdoor moesten de Indiërs honger lijden en verloren ze de boten waarmee ze handel moesten drijven. De hongersnood die hierdoor in Bengalen uitbrak, was de ergste in 150 jaar.
Abhay slaagde erin om net genoeg voedsel te bemachtigen om zijn eigen gezin in leven te houden. Maar maandenlang zag hij de talloze bedelaars op trottoirs en onbebouwde terreinen hun eten koken op geïmproviseerde fornuizen en in de open lucht of onder bomen slapen. Hij zag uitgehongerde kinderen die de vuilnisbakken overhoop haalden op zoek naar iets eetbaars. Van daar was het maar een kleine stap om met de honden om het afval te gaan vechten, en ook dat werd een vertrouwd beeld in de straten van Kolkata.
Het onderricht dat hij van Śrīla Bhaktisiddhānta had gehad, hielp Abhay het lijden door de hongersnood te begrijpen. God had het zo geregeld dat de aarde voldoende voedsel kon produceren; het probleem was de hebzucht en het wanbeleid van de mens. “Er is in de wereld nergens gebrek aan”, had Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī gezegd. “Het enige waar gebrek aan is, is Kṛṣṇa-bewustzijn.” Deze spirituele visie leek nu meer dan ooit van toepassing, en Abhay verlangde steeds sterker naar de praktische toepassing van datgene waarvan hij wist dat het alle ziektes zou genezen. Ervan overtuigd dat hij een dringende boodschap had voor de wereldburgers die de oorlogen moe waren, overwoog hij een blad uit te geven in dezelfde krachtige stijl als zijn spiritueel leraar. Daarin zou de wereldcrisis door het oog van de heilige teksten zou worden bekeken. Hij had ideeën genoeg en was al lang aan het sparen, juist voor dit doel.
In de voorkamer van zijn flat in Kolkata nam het idee voor het tijdschrift vaste vorm aan. Daar schreef, bewerkte en typte Abhay het manuscript. Hij noemde het tijdschrift Back to Godhead: “Gepubliceerd en opgericht door Abhay Charan De, in directe opdracht van Śrī Śrīmad Bhaktisiddhānta Sarasvatī Goswami Prabhupāda.”
Maar hij moest herhaaldelijk regeringsambtenaren om toestemming vragen voor het gebruik van papier om zijn tijdschrift te drukken. Hoewel hij maar één stem was tussen miljarden mensen en bovendien geen steun, geld of volgelingen had, vertrouwde hij op zijn guru en op Heer Kṛṣṇa. Hij was overtuigd van het belang van zijn boodschap. Daarom bracht hij, zelfs tijdens de oorlog, temidden van explosies en doden, het eerste nummer uit, “omdat er grote behoefte aan dit soort literatuur is.”
In de loop van de jaren veertig bleven grote nationale gebeurtenissen in India de aandacht van de wereld trekken. In 1947 verkreeg India haar lang begeerde onafhankelijkheid van Engeland. Maar de nationale vreugde werd al snel gevolgd door afgrijzen, toen honderdduizenden de dood vonden in de gevechten die volgden op de splitsing van het land in India en Pakistan. Zoals Prabhupāda later vertelde: “We hebben gezien hoe in 1947 de hindoes met de moslims vochten. De ene partij bestond uit hindoes en de andere uit moslims. Ze vochten en zovelen kwamen om. En toen ze dood waren, was er geen verschil meer tussen wie er nu hindoe was en wie moslim – de mannen van de gemeentereinigingsdienst stapelden de lijken op elkaar en gooiden ze ergens neer.”
Abhay had niet veel vertrouwen in de belofte dat er vrede zou komen en beschouwde de Indiase onafhankelijkheid ook niet als een oplossing. Wat kon er veranderen zolang de leiders niet godsbewust waren? In Back to Godhead schreef hij in het artikel Gandhi-Jinnah Talks: “Hindoe en mohammedaan, christen en christen, boeddhist en boeddhist zullen blijven vechten tot aan de dag van de totale vernietiging.” Zijn standpunt: zolang mensen geleid worden door zelfzuchtige belangen en het verlangen naar zinsbevrediging, zullen ze altijd blijven vechten. Werkelijke eenheid is alleen mogelijk op het niveau van spiritueel begrip en dienst aan de Allerhoogste.
Zelfs toen Abhay niet in staat was voldoende geld bijeen te krijgen om regelmatig nummers van Back to Godhead uit te brengen, bleef hij doorgaan met schrijven. Zijn meest ambitieuze project was het schrijven van een commentaar op de Bhagavad-gītā, maar hij predikte ook de boodschap van Heer Caitanya door middel van brieven. Hij schreef brieven naar vele regeringsleiders, voorname bekenden en mensen van wie hij artikelen had gelezen of wier activiteiten zijn aandacht in de krant hadden getrokken. Hij presenteerde zichzelf als een nederig dienaar en legde zo zijn ideeën uit over hoe de oorspronkelijke Kṛṣṇa-bewuste cultuur van India toegepast kon worden als de succesvolle oplossing voor allerlei problemen. Soms kreeg hij een reactie via de secretarissen van regeringsinstanties, maar meestal werden zijn brieven genegeerd.
Het was onvermijdelijk dat Abhay Mohandas Ghandhi in devotionele dienst zou willen betrekken. Omdat Gandhi zich zijn hele leven met moedige, ascetische en voorbeeldige activiteiten voor zijn landgenoten had ingezet, had hij een enorme invloed gekregen op de Indiase massa’s. Bovendien droeg Abhay hem een warm hart toe omdat hij als jonge man tot zijn aanhangers had behoord. Op 7 december 1947 schreef Abhay Gandhi, die in New Delhi woonde, een lange brief. Hij was zich ervan bewust dat Gandhi problemen had met veel van zijn vroegere aanhangers, die nu de leiding in het land hadden. Ze brachten zijn idealen van eenheid tussen hindoes en moslims en van de ontwikkeling van het platteland niet in praktijk. Zowel hindoes als moslims hadden kritiek op hem. Met zijn achtenzeventig jaar was hij een lichamelijk zwak en droefgeestig man.
Abhay wist dat zijn brief Gandhi waarschijnlijk nooit zou bereiken, maar hij verstuurde hem toch. Zichzelf een ‘onbekende vriend van Gandhi’ noemend schreef hij: “Ik zeg u als oprechte vriend dat u zich onmiddellijk uit de actieve politiek moet terugtrekken, als u tenminste geen roemloze dood wilt sterven.” Hoewel hij met warmte Gandhi’s eer en aanzien erkende, zei hij dat het allemaal illusie zou blijken. Behalve als Gandhi zich uit de politiek terug zou trekken en zich zou gaan bezighouden met het lezen en prediken van de Bhagavad-gītā. Vooral nu Gandhi aan het eind van zijn leven was gekomen, waarschuwde Abhay, moest hij het politieke gebeuren laten voor wat het was en zich richten op de Absolute Waarheid. Abhay verzocht Gandhi zich op zijn minst één maand terug te trekken en samen met hem de Bhagavad-gītā te bespreken.
Abhay’s brief zou onbeantwoord blijven. Een maand later, op 30 januari, vond Gandhi de dood. Plotseling kon Abhay’s brief van de maand daarvoor als een voorspelling worden gelezen.
Terwijl abhay steeds intensiever begon te schrijven en te prediken, gingen zijn zaken en familieaangelegenheden geleidelijk achteruit. Hij had het gevoel dat een bepaald vers dat Heer Kṛṣṇa in het Śrīmad-Bhāgavatam sprak, speciaal op hem van toepassing was: “Wanneer Ik Me ten opzichte van iemand bijzonder genadig gestemd voel, neem Ik geleidelijk aan al zijn materiële bezittingen weg. Zijn vrienden en familieleden willen dan niets meer te maken hebben met zo’n berooide en ongelukkige kerel” – zodat er voor hem alleen nog Kṛṣṇa overblijft. Toen Abhay’s zaak in Allahabad zwaar in de schulden kwam te zitten, probeerde hij in Lucknow een fabriek te openen. In het begin zag het er hoopvol uit, maar ook deze fabriek begon verlies te draaien en moest worden gesloten.
Hoewel hij zijn vrouw en kinderen, die in een appartement in Kolkata woonden, bleef onderhouden, woonde Abhay meestal ergens anders. Hij ging terug naar Allahabad, maar stopte steeds minder energie in de verkoop van farmaceutische producten. Hij was meer geïnteresseerd in prediken.
Toen een gastvrije klant in de stad Jhansi hem uitnodigde om een lezing te geven in de Gita-Mandir, nam Abhay het aanbod graag aan. Zijn lezing viel in goede aarde bij het publiek van Jhansi, dat voornamelijk uit jonge studenten en artsen bestond. Maar hun waardering was hoofdzakelijk sociaal en cultureel geïnspireerd. Ze nodigden regelmatig mensen uit om een lezing te komen geven. Het was nooit hun bedoeling geweest dat Abhay zou proberen een permanent centrum in Jhansi te vestigen. Maar Abhay was vooruitziend en ambitieus. Hij droeg zijn zaken in Allahabad over aan zijn zoon en probeerde in Jhansi een spirituele beweging van de grond te krijgen.
Abhay was 56 en vond dat hij nu heel serieus moest beginnen de opdrachten van zijn spiritueel leraar te verwezenlijken. Zoals hij tegen iemand in Jhansi had gezegd: “De hele wereld, meneer Mitra, zit op een spirituele revolutie te wachten.” Omdat de organisatie van zijn spiritueel leraar, de Gauḍīya Maṭha, door de voortdurende partijstrijd krachteloos geworden was, probeerde hij een wereldwijde beweging van toegewijden te beginnen. Hoewel hij maar een of twee actieve helpers had, kreeg hij de beschikking over een leegstaande tempel en begon te werken aan wat hij in gedachten voor zich zag als een soort spirituele Verenigde Naties. Hij schreef statuten en liet zijn beweging wettelijk registreren als de League of Devotees.
Abhay ging volledig op in deze bezigheden tot hij op een dag een telegram ontving waarin stond dat er in zijn zaak in Allahabad was ingebroken. Zijn bedienden hadden zijn geld, de medicijnen en alles wat waarde had, gestolen. Nadat hij het nieuws gelezen had, viel hij stil. Maar daarna lachte hij en citeerde het Śrīmad-Bhāgavatam: Het is Kṛṣṇa’s genade als Hij het materiële succes van Zijn oprechte toegewijde tenietdoet. Toen een van zijn vrienden in Jhansi hem de raad gaf naar Allahabad terug te gaan, antwoordde hij: “Nee, dit is goed voor mij. Eerst was ik bedroefd dit te horen, maar ik begrijp nu dat hiermee een grote gehechtheid verbroken is. Mijn leven is nu volledig overgegeven en toegewijd aan Śri Śri Rādhā-Kṛṣṇa.”
Bij een bezoek aan zijn gezin in Kolkata maakte Abhay zich ook los van de laatste verantwoordelijkheden voor zijn familie. Hij had er nog steeds een bedrijfje en was gekomen om te proberen fondsen te verzamelen voor zijn zendingswerk in Jhansi. Maar het was onvermijdelijk dat hij weer bedolven zou worden onder familieverplichtingen. Sommige van zijn kinderen waren nog steeds niet getrouwd, de huur en rekeningen moesten worden betaald. Zelfs als hij zijn apotheek in Kolkata tot bloei wist te te brengen, zou het gezin alles opeisen wat hij verdiende. Zelfs als hij zou toegeven aan de eisen van zijn gezin en thuis zou gaan wonen, zou het grootste probleem nog steeds blijven: ze waren niet serieus geïnteresseerd in devotionele dienst
Wat had het voor zin, dacht hij, als ze toch geen toegewijden zouden worden? Zijn vrouw en zijn familieleden hadden geen belangstelling voor zijn predikwerk in Jhansi, maar wilden dat hij meer tijd zou besteden aan zijn zaak en zijn gezin. Zijn schoonvader klaagde: “Waarom praat je toch altijd over God?” Maar wanneer er vrienden op bezoek kwamen, ging Abhay gewoon door met prediken en spreken over de Bhagavad-gītā, net zoals hij in Jhansi had gedaan. En net als vroeger zaten zijn vrouw en de rest van de familie in een andere kamer thee te drinken. Later vertelde Śrīla Prabhupāda: “Ik wilde haar zoveel mogelijk met mij laten samenwerken om het Kṛṣṇa-bewustzijn te verspreiden; ik wilde dat ze mij zou helpen. Maar ze was vastbesloten. Na dertig jaar begreep ik dus eindelijk dat ze me nooit zou bijstaan.”
Abhay zei altijd tegen zijn vrouw dat ze geen thee moest drinken; dat hoorde niet in een strikte Vaiṣṇava-familie. Ten slotte zei hij: “Je moet kiezen tussen mij en de thee. De thee gaat er uit of ik ga er uit.” Abhay’s vrouw antwoordde voor de grap: “Nou, dan zal ik mijn echtgenoot op moeten geven.”
Toen maakte ze op een dag een ernstige fout. Ze verruilde het Śrīmad-Bhāgavatam van haar echtgenoot voor theekoekjes. Toen Abhay thuiskwam en het heilige boek zocht, vertelde ze hem wat er was gebeurd. Abhay was geschokt en het voorval dwong hem om zijn gezin voorgoed te verlaten. In een stemming van onwrikbare vastbeslotenheid verliet hij zijn huis en zijn zaak.
De jaren vijftig waren heel moeilijk voor Abhay. Hij keerde terug naar Jhansi, maar moest zijn gebouw ontruimen toen de vrouw van de gouverneur erop aandrong dat het voor een damesclub gebruikt zou worden in plaats van door de League of Devotees. Zonder verblijfplaats en zonder inkomsten ging hij weg uit Jhansi. Maar zijn plan om een wereldwijde gemeenschap van toegewijden op te richten, gaf hij niet op. Hij verhuisde naar een āśrama in Delhi waar hij een tijdje met een paar godsbroeders samenwoonde. Maar daarna was hij weer helemaal alleen, een bedelmonnik, die iedere week in een andere tempel verbleef of bij welgestelde, vrome mensen die hem in huis wilden nemen. Wat betreft voedsel, kleding en onderdak waren dit de moeilijkste tijden die hij ooit had doorgemaakt. Van kinds af aan had hij altijd goed eten en behoorlijke kleding gehad en onderdak was nooit een probleem geweest. Hij was het troetelkind van zijn vader geweest en had bijzondere begeleiding en genegenheid gekregen van Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī. Maar in de jaren vijftig was Abhay alleen.
Hij bracht zijn tijd door met schrijven en het benaderen van donateurs, met wie hij over de Bhagavad-gītā sprak. Zijn doel was niet om een blijvend onderkomen te vinden, maar om zijn transcendentale tijdschrift te laten drukken en een krachtige beweging op te richten om het Kṛṣṇa-bewustzijn te verspreiden. En daarvoor had hij geld nodig. Daarom bezocht hij welgestelde mensen thuis en op hun kantoor, toonde hen zijn manuscripten en legde uit wat zijn boodschap was. Slechts weinigen gingen erop in en zelfs dan bedroeg de donatie gewoonlijk niet meer dan vijf of tien roepies. Maar uiteindelijk had hij toch genoeg verzameld om Back to Godhead weer te laten drukken.
Omdat hij geen geld had om zelfs maar behoorlijke kleren te kopen, moest Abhay de kille winter in Delhi zonder jas door. Regelmatig ging hij naar de drukker om de laatste proefdrukken van Back to Godhead na te lezen. Toen de drukker hem vroeg waarom hij zo vastbesloten was om onder zulke moeilijke omstandigheden zijn nieuwsblad uit te brengen, antwoordde hij: “Het is mijn roeping.” Hij slaagde erin om de drukker af en toe kleine bedragen af te betalen.
Zodra hij de tijdschriften bij de drukker had afgehaald, liep Abhay door de stad om ze te verkopen. Hij ging bij een theekraampje zitten en als er dan iemand naast hem kwam zitten, vroeg hij hem of hij zo vriendelijk wilde zijn een nummer van het Back to Godhead te nemen. In zijn artikelen leverde Abhay kritiek op de materialistische en atheïstische tendensen van de moderne beschaving. Hij putte ook uit zijn persoonlijke ervaringen. Reagerend op de (zowel beleefde als onbeleefde) weerstand die hij bij het verkopen van Back to Godhead ontmoette, schreef hij een artikel met de titel Geen tijd – de chronische ziekte van de gewone man. Ondanks zijn bittere armoede en het belang van zijn boodschap waren zijn teksten nooit scherp, snijdend of fanatiek. Hij schreef in de verwachting dat de lezer bereid zou zijn naar zuivere filosofie te luisteren en de waarheid te aanvaarden, vooral wanneer deze op een logische, toepasselijke en gezaghebbende wijze werd gepresenteerd.
Behalve dat hij Back to Godhead bij theekraampjes verkocht en een aantal nummers bij donateurs afleverde, verstuurde Abhay ook gratis exemplaren – zowel binnen India als erbuiten. Al jaren had hij erover gedacht hoe hij het omvangrijke Engelstalige publiek buiten India kon bereiken. Hij had adressen verzameld van bibliotheken, universiteiten, culturele centra en overheidsinstanties buiten India en verstuurde zoveel exemplaren van Back to Godhead als hij zich kon veroorloven. Hij stelde een brief op voor zijn westerse lezers, waarin hij uitlegde dat ze nog ontvankelijker zouden moeten zijn dan zijn landgenoten.
Aan het thuisfront stuurde Abhay enkele nummers van Back to Godhead naar de Indiase president, Dr. Rajendra Prasad, samen met een brief waarin hij hem waarschuwde voor het hachelijke lot dat een samenleving, die bestuurd wordt door goddeloze leiders, te wachten staat: “Spaar hen daarom alstublieft die grote ondergang.” Hij verzocht Zijne Excellentie om op zijn minst een blik te werpen op de koppen van de bijgesloten tijdschriften en een persoonlijk onderhoud met de uitgever te overwegen. “Op dit moment roep ik eenzaam in de wildernis”, schreef Abhay. Zijn Excellentie heeft nooit teruggeschreven.
Zelfs op het heetst van de zomer in New Delhi, toen het kwik opliep tot 46 graden, bleef Abhay elke dag op pad om zijn tweewekelijkse tijdschrift te verkopen. Op een keer kreeg hij een zonnesteek en liep hij wankelend door de straten, totdat een vriend hem oppikte met zijn auto en hem naar een dokter bracht. Een andere keer werd hij door een koe op de hoorns genomen en lag hij enige tijd langs de kant van de weg zonder dat iemand hem te hulp kwam. Op zulke momenten vroeg hij zich af waarom hij zijn huis en zijn zaak verlaten had en waarom alles, nu hij zich aan Kṛṣṇa had overgegeven, zo moeilijk geworden was. Maar jaren later, toen zijn missie van het Kṛṣṇa-bewustzijn in veel landen gevestigd was en hij veel volgelingen had, zei hij: “Op dat moment kon ik het niet begrijpen, maar nu realiseer ik me dat al die problemen me vooruit geholpen hebben. Het was allemaal Kṛṣṇa’s genade.”
Terwijl hij doorging met zijn inspanningen om Back to Godhead in Delhi te drukken en te verkopen, besloot Abhay in Vṛndāvana, honderddertig kilometer ten zuiden van New Delhi, te gaan wonen. Gaudiya Vaisnava’s beschouwen Vṛndāvana als de heiligste plaats in het universum, omdat Heer Kṛṣṇa daar, toen Hij vijfduizend jaar geleden op aarde verscheen, als kind gespeeld had. De belangrijkste volgelingen van Heer Caitanya waren vijfhonderd jaar geleden naar Vṛndāvana gegaan en hadden er boeken geschreven, tempels opgericht en de plaatsen opgespoord waar Kṛṣṇa in de bossen, op de weilanden en langs de rivieroevers Zijn speelse vermaak had. Abhay wilde zijn artikelen in de vredige, spirituele atmosfeer van Vṛndāvana schrijven en op en neer naar Delhi reizen om zijn tijdschriften te verspreiden en donaties in te zamelen van respectabele begunstigers. Hij nam een eenvoudige, spotgoedkope kamer in de Vamśī-gopālaji-tempel, aan de oever van de rivier de Yamunā. Daar begon zijn verblijf in de speciale leefomgeving van Vṛndāvana.
Doma zaslal Abhaj výtisky Back to Godhead indickému prezidentovi dr. Rádžéndrovi Prasádovi s dopisem, v nĕmž ho varoval před zkázou, která očekává společnost vedenou bezbožnými lidmi – „Zachraňte prosím společnost před tímto úpadkem.“ Žádal prezidenta, aby alespoň nahlédl do přiložených výtisků Back to Godhead a poskytl vydavateli časopisu rozhovor. „V současnosti jsem osamĕlým hlasem volajícím na poušti,“ psal Abhaj. Prezident však nikdy neodpovĕdĕl.
Abhay zag Vṛndāvana niet zoals een gewoon iemand dat zou doen. Als zuivere toegewijde van Kṛṣṇa voelde hij grote vreugde als hij gewoon door een ongeplaveide straat liep, of als hij de verschillende Godsgedaanten van Kṛṣṇa zag die te zien waren in elke straat, in duizenden tempels en huizen. Vanuit zijn kleine zolderkamer kon hij de Yamunā voorbij zien stromen en volgen hoe de rivier breed en krachtig verder stroomde en schitterde in de middagzon.
’s Avonds genoot hij van de koele briesjes uit de richting van de Yamunā en hoorde hij toegewijden bij Keśī-ghāṭa hun avondgebeden reciteren. Overal kon hij in de stad tempelbellen horen klingelen en soms hield hij dan op met schrijven en wandelde door de drukke straten tussen de inwoners van Vṛndāvana en de bezoekende pelgrims. Hij hoorde overal het zingen van Hare Kṛṣṇa en veel voorbijgangers groetten hem met het gebruikelijke “Jaya Rādhe!” of “Hare Kṛṣṇa”.
’s Avonds genoot hij van de koele briesjes uit de richting van de Yamunā en hoorde hij toegewijden bij Keśī-ghāṭa hun avondgebeden reciteren. Overal kon hij in de stad tempelbellen horen klingelen en soms hield hij dan op met schrijven en wandelde door de drukke straten tussen de inwoners van Vṛndāvana en de bezoekende pelgrims. Hij hoorde overal het zingen van Hare Kṛṣṇa en veel voorbijgangers groetten hem met het gebruikelijke “Jaya Rādhe!” of “Hare Kṛṣṇa”.
Zoals Vṛndāvana de verblijfplaats van Kṛṣṇa was, zo was Abhay de dienaar van Kṛṣṇa. In Vṛndāvana voelde hij zich thuis. Natuurlijk bleef hij aan het prediken denken, omdat hij heel graag wilde dat anderen de intieme vrede en extase van Vṛndāvana leerden kennen. Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, nodigde alle zielen uit om Hem in Zijn eeuwige verblijfplaats gezelschap te komen houden. Toch wisten maar weinig mensen dit, zelfs in India. En buiten India wisten de mensen niets van Vṛndāvana of van de Yamunā of wat het betekende om vrij te zijn van materiële verlangens. Abhay dacht: waarom zouden alle mensen over de hele wereld dit niet kunnen hebben? Dit was het oord van vrede en toch wist niemand er iets van of was er zelfs maar in geïnteresseerd. Maar dit was toch waar ze werkelijk naar verlangden.
Gedreven door het verlangen om de heerlijkheden van het eeuwige Vṛndāvana overal bekend te maken, werkte Abhay bijna onafgebroken om steeds nieuwe nummers van Back to Godhead te laten verschijnen. Maar het heen en weer reizen werd een probleem. ’s Morgens nam hij de trein naar Delhi en keerde dezelfde avond nog terug naar Vṛndāvana, omdat hij nergens kon overnachten. Op die manier had hij niet veel tijd over in de stad en het kostte hem veel geld. Soms kon hij bij een vrome kennis overnachten, maar hoe weinig Abhay ook voor zichzelf uitgaf, het was moeilijk voor hem genoeg donaties te krijgen om de reis-, druk- en portokosten te betalen. Nadat hij twaalf achtereenvolgende nummers van Back to Godhead (tweewekelijks) had uitgebracht, zat Abhay weer zonder geld. De drukker liet hem weten dat hij niet alleen uit vriendschap kon blijven drukken. Abhay keerde terug naar Vṛndāvana en bleef schrijven, maar zonder vooruitzichten om te publiceren.
Op een dag schreef Abhay, in een onthechte en eenzame stemming, een Bengaals gedicht met de titel Vṛndāvana-bhajana. Vooral de eerste coupletten waren persoonlijk en vol zelfbeschouwing.
1
Ik zit alleen in Vṛndāvana-dhāma.
In deze stemming wordt veel me duidelijk.
Ik heb een vrouw, zonen, dochters, kleinzonen, alles,
Maar ik heb geen geld, dus zijn ze een glansloze glorie.
Kṛṣṇa heeft me de naakte vorm van de materiële natuur getoond;
Door Zijn kracht heeft vandaag alles voor mij zijn smaak verloren.
Yasyāham anugṛhṇāmi hariṣye tad-dhanaṁ śanaiḥ:
“Geleidelijk aan neem Ik alle rijkdommen weg
van diegenen die Ik genadig ben.”
Hoe kon ik deze genade van de Algenadige bevatten?
In deze stemming wordt veel me duidelijk.
Ik heb een vrouw, zonen, dochters, kleinzonen, alles,
Maar ik heb geen geld, dus zijn ze een glansloze glorie.
Kṛṣṇa heeft me de naakte vorm van de materiële natuur getoond;
Door Zijn kracht heeft vandaag alles voor mij zijn smaak verloren.
Yasyāham anugṛhṇāmi hariṣye tad-dhanaṁ śanaiḥ:
“Geleidelijk aan neem Ik alle rijkdommen weg
van diegenen die Ik genadig ben.”
Hoe kon ik deze genade van de Algenadige bevatten?
2
Iedereen heeft me verlaten toen ze zagen dat ik geen cent meer had:
vrouw, familieleden, vrienden, broers – iedereen.
Dat is ellendig, maar het doet me lachen. Ik zit alleen en lach.
Van wie houd ik nu echt in deze māyā-saṁsāra?
Waar zijn mijn liefhebbende vader en moeder nu heen?
En waar zijn al mijn verwanten, die eens mijn familieleden waren?
Wie brengt mij nieuws over hen? Vertel het me!
Al wat er nog over is van dit familieleven is een lijst met namen.
vrouw, familieleden, vrienden, broers – iedereen.
Dat is ellendig, maar het doet me lachen. Ik zit alleen en lach.
Van wie houd ik nu echt in deze māyā-saṁsāra?
Waar zijn mijn liefhebbende vader en moeder nu heen?
En waar zijn al mijn verwanten, die eens mijn familieleden waren?
Wie brengt mij nieuws over hen? Vertel het me!
Al wat er nog over is van dit familieleven is een lijst met namen.
Op een nacht had Abhay een treffende droom, dezelfde droom die hij al eens eerder had gehad toen hij nog bij zijn gezin woonde. Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī verscheen, precies zoals Abhay hem gekend had: een lange, geleerde sannyāsī, die rechtstreeks uit de spirituele wereld was gekomen, uit Kṛṣṇa’s persoonlijk gevolg. Hij riep hem en wenkte. Hij vroeg Abhay om sannyāsa te nemen. Kom, drong hij aan, word nu een sannyāsī. Verwonderd werd Abhay wakker. Hij beschouwde deze opdracht als een aanvulling op de opdracht die Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī hem bij hun eerste ontmoeting in Kolkata had gegeven. Dezelfde opdracht die zijn spiritueel leraar later in een brief had bevestigd: word een Engelstalig prediker en verspreid het Kṛṣṇa-bewustzijn in de hele westerse wereld. Daarvoor was sannyāsa bedoeld. Waarom zou zijn spiritueel leraar hem anders gevraagd hebben deze stap te nemen? In het normale vedische sociale systeem wordt een man geacht op vijftigjarige leeftijd zijn familie te verlaten en een onthechte monnik, een sannyāsī, te worden en zo zijn resterende dagen te wijden aan het zingen, horen en prediken van de heerlijkheden van de Heer. Abhay dacht bij zichzelf dat zijn spiritueel leraar eigenlijk bedoelde: “Neem nu sannyāsa en je zult werkelijk in staat zijn deze missie te volbrengen. Eerder was de tijd er nog niet rijp voor.”
Abhay overwoog alles zorgvuldig. Als een vaiṣṇava sannyāsa aanvaardt, wijdt hij zijn lichaam, zijn geest en zijn woorden helemaal aan het dienen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods en ziet hij af van alle andere bezigheden. Abhay deed die dingen allemaal al, maar hij dacht dat hij door het aanvaarden van de sannyāsa-orde zijn positie zou kunnen versterken en nog meer inspiratie zou krijgen om het grote werk te volbrengen dat nog voor hem lag. Volgens de vedische standaard en het precedent van eerdere ācarya’s kon alleen een sannyāsī leiding geven aan een predikbeweging. Eerst had Abhay zich ertegen verzet, maar nu dacht hij er opnieuw over na. Hij ging naar zijn godsbroeder Keśava Mahārāja in Mathurā, die erop aandrong dat Abhay onmiddellijk sannyāsa nam.
Jaren later herinnerde Prabhupāda zich: “Ik zat alleen in Vṛndāvana en schreef. Mijn godsbroeder zei tegen mij: “Bhaktivedanta Prabhu, je moet het doen. Zonder de onthechte levensorde te aanvaarden, kan niemand een prediker worden.” Het was mijn spiritueel leraar die er via deze godsbroeder op aan bleef dringen. Dus aanvaardde ik het, hoewel ik het eerst niet wilde.”
Tijdens een officiële sannyāsa-ceremonie in Vṛndāvana, kreeg Abhay de naam Abhay Caranaravinda Bhaktivedanta Swami. Toch bleven zijn belangrijkste problemen bestaan. Hij wilde het Kṛṣṇa-bewustzijn verspreiden, maar slechts weinigen wilden naar hem luisteren. Deze dingen veranderden niet omdat hij sannyāsa had genomen.
Maar er was één verandering: Bhaktivedanta Swami besloot boeken te gaan schrijven. Toen een bibliothecaris hem aanraadde boeken te schrijven omdat die blijvend waren, terwijl krantjes één keer gelezen en dan weggegooid werden, begreep Bhaktivedanta Swami dat zijn spiritueel leraar via deze man tot hem sprak. Een Indiase legerofficier, die waardering had voor Back to Godhead, adviseerde hetzelfde. In beide gevallen vatte Bhaktivedanta Swami de raad op als een openbaring van zijn spiritueel leraar.
Bhaktivedanta Swami dacht erover om met het Śrīmad-Bhāgavatam te beginnen, omdat het de belangrijkste en meest gezaghebbende vaiṣṇava-tekst was. Hoewel de Bhagavad-gītā de essentie van alle vedische kennis bevatte, was het Śrīmad-Bhāgavatam uitgebreider. Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī en Bhaktivinoda Ṭhākura hadden allebei in het Bengaals commentaren geschreven op het Śrīmad-Bhāgavatam. Eigenlijk hadden de meeste grote vaiṣṇava-ācarya’s in het verleden een commentaar geschreven op het Śrīmad-Bhāgavatam, ‘de smetteloze vedische tekst.’ Een Engelse vertaling van dit boek, met commentaar, zou op een dag de mentaliteit van de hele wereld kunnen veranderen. En als Bhaktivedanta Swami ook maar een paar boeken zou publiceren, dan zou dat zijn predikwerk ten goede kunnen komen. Hij zou vol vertrouwen naar het buitenland kunnen gaan zonder er met lege handen aan te komen.
Met een nieuw doel voor ogen keerde Bhaktivedanta Swami terug naar Delhi. Het belangrijkste centrum van India voor papier en drukwerk bevond zich in Chandni Chowk, in het oude gedeelte van Delhi. Hij dacht dat hij zich het beste daar zou kunnen vestigen, zodat hij regelmatig kon onderhandelen over het drukken van zijn boeken. Via een oude bekende uit de boekdrukwereld kwam hij in contact met een tempeleigenaar die hem gratis liet wonen in een kamer in zijn Rādhā-Kṛṣṇa-tempel in de buurt van Chandni Chowk. De buurt heette Chippiwada, een overbevolkte wijk, met zowel hindoes als moslims. Nu kon Bhaktivedanta Swami zowel in Vṛndāvana als in Delhi werken. Met frisse moed haalde hij een paar donaties op en hervatte de publicatie van Back to Godhead, terwijl hij tegelijkertijd aan zijn vertaling en commentaar van het Śrīmad-Bhāgavatam begon.
Hij dacht na over de omvang van het project dat hij probeerde te realiseren. Het Śrīmad-Bhāgavatam bevatte achttienduizend verzen in twaalf canto’s. Dat zou volgens zijn berekeningen op minstens zestig boekdelen komen. Hij dacht dat hij het werk misschien in vijf à zeven jaar zou kunnen voltooien: “Als de Heer mij lichamelijk fit houdt,” schreef hij, “zou ik Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī’s wens kunnen vervullen en dit werk kunnen afkrijgen.”
Het feit dat Bhaktivedanta Swami sannyāsa had aanvaard, zijn idee om het Śrīmad-Bhāgavatam te vertalen en te publiceren en zijn verlangen om in het Westen te prediken, hielden alle met elkaar verband. Om te prediken zou hij boeken moeten hebben, vooral als hij naar het Westen wilde gaan. Er waren miljoenen boeken in het Westen, maar niet zulke boeken; geen boeken om het spiritueel vacuüm in het leven van de mensen mee op te vullen. Hij zou de boeken niet alleen schrijven, maar ze ook persoonlijk naar het Westen brengen, ze presenteren en de mensen – met behulp van de boeken en van zijn persoonlijke aanwezigheid – leren hoe ze zuivere liefde voor God konden ontwikkelen.
Hoewel hij bekend stond als een Engelssprekend prediker, wist Bhaktivedanta Swami dat zijn presentatie in een vreemde taal veel technische gebreken vertoonde. En hij had niemand om zijn teksten te bewerken. Maar deze technische gebreken konden hem er niet van weerhouden het Śrīmad-Bhāgavatam te publiceren. Dit was een spoedgeval. “Als er een huis in brand staat,” schreef hij, “rennen de bewoners van het huis naar buiten om hulp te halen bij de buren, hoewel die misschien een andere taal spreken dan zijzelf. Maar toch kunnen de slachtoffers van de brand duidelijk maken wat ze bedoelen. En de buren zullen begrijpen wat er aan de hand is, ondanks het feit dat het zo gebrekkig wordt gezegd. Dezelfde geest van samenwerking is nodig bij het wijd en zijd verspreiden van de transcendentale boodschap van het Śrīmad-Bhāgavatam in de verontreinigde atmosfeer van vandaag.”
Ačkoliv byl známý jako anglicky mluvící kazatel, byl si vĕdom, že jeho dílo v cizím jazyce má mnoho literárních nedostatků; neznal však žádného redaktora, který by mu je opravil. Ale ani tyto technické závady ho od vydání Šrímad-Bhágavatamu neodradily – vydávání nesneslo odkladu. „Když bude v nĕjakém domĕ hořet,“ napsal, „budou obyvatelé domu hledat pomoc u sousedů, i když to budou cizinci. A přestože nebudou dokonale ovládat jejich jazyk, dokáží svoji prosbu vyjádřit a cizinci přes všechny jazykové překážky jejich žádost pochopí. Stejný duch spolupráce je nutný při šíření transcendentálního poselství Šrímad-Bhágavatamu znečistĕným ovzduším současné doby.“
Bhaktivedanta Swami, die de grootste eerbied had voor Śrīla Vyāsadeva, bracht het Śrīmad-Bhāgavatam in ongewijzigde vorm uit. En dat was zijn voornaamste deugd. Natuurlijk voegde hij er zijn eigen inzichten aan toe, maar niet met de bedoeling voorbij te gaan aan de voorgaande spiritueel leraren. Het allerbelangrijkste was het onderwerp strikt volgens de paramparā te presenteren en hiertoe was Bhaktivedanta Swami in staat zonder ‘imperfecties en technische gebreken’. Hij wist dat de commentaren van het Śrīmad-Bhāgavatam geen waarde zouden hebben als hij niet trouw bleef aan de opeenvolging van discipelen.
Op zijn kamer in de Chippiwada-tempel zat hij dag en nacht aan zijn bureau te typen onder een zwakke lamp, die aan een snoer van het plafond hing te bungelen. Hij zat op een dun matje op de vloer, met zijn typemachine vóór hem op een koffer. De bladzijden stapelden zich op en hij hield ze met stenen op hun plaats. Voor eten en slapen gunde hij zich maar weinig tijd. Hij was er volkomen van overtuigd, dat het Śrīmad-Bhāgavatam een revolutie teweeg zou brengen in een beschaving die de verkeerde kant opging. Zo vertaalde hij elk woord en schreef hij elk commentaar met veel zorg en concentratie. Maar het moest zo snel mogelijk gebeuren.
In Vṛndāvana was bhaktivedanta swami naar de Rādhā-Dāmodara-tempel verhuisd. Nu kon hij, enkel door naar buiten te kijken, het altaar met de bijna anderhalve meter hoge vorm van Vṛndāvana-candra zien, de zwart marmeren Beeldgedaante van Kṛṣṇa, die honderden jaren geleden door Kṛṣṇadāsa Kavirāja was vereerd. Dit was beter dan zijn kamer in de Vamśī-gopālaji-tempel, want nu woonde hij in de tempel van Jīva Gosvāmī, waar grote zielen als de Gosvāmī’s Rūpa, Sanātana, Raghunātha en Jīva allemaal bijeen waren gekomen, prasādam hadden genomen, hadden gezongen en over Heer Kṛṣṇa en Heer Caitanya hadden gesproken. Dit was de beste plek om aan het Śrīmad-Bhāgavatam te werken.
In de Rādhā-Dāmodara-tempel maakte Bhaktivedanta Swami altijd zijn eigen maaltijden klaar. En als hij ging zitten om prasādam te nemen, kon hij door het rasterwerk van zijn raam de samādhi (graftombe) van Rūpa Gosvāmī zien. Dan voelde hij Rūpa Gosvāmī’s aanwezigheid en dacht aan zijn eigen missie voor zijn spiritueel leraar. De spiritueel leraar van Bhaktivedanta Swami en de spiritueel leraren die vóór hem kwamen in de opeenvolging van discipelen, hadden gewild dat de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn zich over de hele wereld zou verspreiden. En terwijl Bhaktivedanta Swami dagelijks inspiratie opdeed als hij voor de samādhi van Rūpa Gosvāmī zat, vroeg hij zijn spirituele voorgangers in een gebed om steun. De directe leiding die hij van hen ontving, beschouwde hij als absoluut en geen enkele regering, uitgever of wie dan ook kon hem daarvan afbrengen of er iets aan afdoen. Rūpa Gosvāmī wilde dat hij naar het Westen ging, Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī wilde dat hij naar het Westen ging. En Kṛṣṇa had ervoor gezorgd dat hij naar de Rādhā-Dāmodara-tempel gekomen was om hun zegen te ontvangen. In de Rādhā-Dāmodara-tempel kreeg hij het gevoel dat hij een eeuwig oord binnen was gegaan dat alleen gekend werd door zuivere toegewijden van de Heer. Hoewel ze hem toestonden zich nauw met hen te verbinden op de plek waar ze hun tijd aangenaam hadden doorgebracht, had hij het gevoel dat ze hem opdroegen Rādhā-Dāmodara en Vṛndāvana te verlaten om de boodschap van de ācarya’s te brengen naar die delen van de wereld waar de mensen de essentie vergeten waren.
Het schrijven was maar de helft van de strijd; de andere helft bestond uit het publiceren. De uitgevers hadden geen belangstelling voor een Śrīmad-Bhāgavatam-serie in zestig delen en Bhaktivedanta Swami had geen belangstelling voor iets minder dan dat. Om zijn boeken uit te brengen zou hij daarom donaties moeten verzamelen en in eigen beheer gaan publiceren.
Een bekende uit de wereld van de drukkerij raadde Bhaktivedanta Swami aan naar Gorakhpur te gaan en zijn manuscript te laten zien aan Hanuman Prasad Poddar, een beroemd uitgever van religieuze literatuur. Bhaktivedanta Swami reisde achthonderd kilometer naar Gorakhpur en kreeg een donatie van vierduizend roepies voor de publicatie van het eerste deel van het Śrīmad-Bhāgavatam.
Bhaktivedanta Swami las en corrigeerde de proefdrukken zelf en toen het eerste deel al gedrukt werd, was hij nog bezig om de laatste hoofdstukken te schrijven. Als de proefdrukken bij de O.K. Pers klaar waren, kwam hij ze ophalen, keerde terug naar zijn kamer in Chippiwada. corrigeerde ze en bracht ze dan weer naar de drukker.
In 1962 liep hij dagelijks op en neer tussen zijn kamer en de drukker. In die buurt waren commerciële bedrijven gevestigd, maar er woonden ook mensen, en hun kinderen speelden in de gevaarlijke straat. Bhaktivedanta Swami, die er vriendelijk maar vastberaden uitzag, liep tussen dit alles door. Wanneer hij langs de huizen, de tegelverkopers, de graanverkopers, de snoepwinkels en de drukkers liep, zag hij boven zich elektrische draden, duiven en de drooglijnen op de balkons van de huizen. Tenslotte kwam hij dan bij de O.K. Pers, recht tegenover een kleine moskee. Daar bracht hij de gecorrigeerde proefdrukken terug en bleef met zorg toekijken hoe alles gedrukt werd.
Toen alles gedrukt was, ging Bhaktivedanta Swami de stad in om zijn boeken te verkopen, net zoals hij gedaan had met zijn tijdschrift Back to Godhead. Al spoedig kreeg hij gunstige recensies van Hanuman Prasad Poddar en de beroemde hindoefilosoof Dr. Radhakrishnan. Het invloedrijke Adyar Library Bulletin besprak het werk uitvoerig en merkte op dat de auteur ‘het onderwerp uitgebreid en diepgaand had bestudeerd.’ Ook zijn geleerde godsbroeders gaven blijk van hun waardering. Hij kreeg zelfs een bestelling voor achttien exemplaren van de Amerikaanse ambassade, die in Amerika via de Library of Congress verspreid zouden worden. De verkoop aan instellingen ging vlot, maar daarna liep de verkoop terug. Als de enige verkoper was Bhaktivedanta Swami elke dag uren bezig om een paar boeken te verkopen. Ook was hij helemaal alleen verantwoordelijk voor het inzamelen van geld voor de volgende delen. Intussen ging hij door met vertalen en het schrijven van commentaren. Maar in dit tempo en met zulke lage verkoopcijfers zou hij niet genoeg tijd meer hebben om het werk te voltooien.
Bhaktivedanta Swami stuurde boeken naar leidinggevende politici en kreeg gunstige reacties van Śrī Biswanath Das, de gouverneur van Uttar Pradesh en van Dr. Zakir Hussain, de vicepresident van India. Hij mocht ook met Dr. Hussain komen praten en een paar maanden later kreeg hij de kans om de eerste minister, Lal Bahadur Shastri, te ontmoeten.
Het was tijdens een officiële gelegenheid in de tuin van het parlementsgebouw dat de eerste minister, omringd door assistenten, de oudere sādhu ontving. Bhaktivedanta Swami, die er met zijn bril geleerd uitzag, kwam naar voren, stelde zichzelf voor en toonde zijn boek, het Śrīmad-Bhāgavatam. Toen hij de eerste minister een exemplaar van deel één overhandigde, maakte een fotograaf een foto van de schrijver en de eerste minister, die glimlachend naar het boek keek.
De volgende dag schreef Bhaktivedanta Swami een brief naar eerste minister Shastri. Spoedig ontving hij een antwoord, dat door de eerste minister persoonlijk was ondertekend:
Beste Swamiji, Hartelijk dank voor uw brief. Ik ben er echt dankbaar voor dat u mij een exemplaar van het Śrīmad-Bhāgavatam heeft aangeboden. Ik ben me ervan bewust dat u waardevol werk verricht. Het zou een goed idee zijn als de bibliotheken van de overheidsinstellingen exemplaren van dit boek zouden aanschaffen.
Met de positieve recensies als reclame ging Bhaktivedanta Swami mogelijke donateurs af om geld in te zamelen voor het drukken van de volgende delen. Tenslotte ging hij met het manuscript en geld in zijn hand de drukkerij binnen. Hij ging achter papier aan, keek de drukproeven na en hield de drukker aan zijn schema, zodat elk boek op tijd klaar zou zijn. Hoewel hij zelf nauwelijks geld bezat, slaagde hij er door volharding toch in om binnen iets meer dan twee jaar het derde grote gebonden deel uit te brengen.
Als het zo door ging, zou Bhaktivedanta Swami, die in de wetenschappelijke wereld steeds meer gewaardeerd werd, misschien gauw een bekende figuur worden bij zijn landgenoten. Maar hij had zijn blik op het Westen gericht. En nu het derde deel gedrukt was, voelde hij zich er eindelijk klaar voor. Hij was nu negenenzestig en zou spoedig moeten beginnen. Het was meer dan veertig jaar geleden dat Śrīla Bhaktisiddhānta hem als jong gezinshoofd in Kolkata voor het eerst had gevraagd het Kṛṣṇa-bewustzijn in het Westen te gaan verspreiden. Eerst had de jonge Abhay Charan dat als onmogelijk gezien. Maar zijn gezin vormde nu geen obstakel meer en hij was vrij om naar het Westen te reizen, hoewel hij geen cent bezat.
Nu de meeste problemen opgelost waren, bleven de reiskosten en bepaalde vergunningen van de overheid de laatste ernstige belemmeringen. In 1965 werden deze nogal plotseling stuk voor stuk uit de weg geruimd.
In Vṛndāvana ontmoette Bhaktivedanta Swami de heer Agarwal, een zakenman uit Mathurā. Hij zei in het voorbijgaan tegen hem – zoals hij deed tegen bijna iedereen die hij ontmoette – dat hij naar het Westen wilde gaan. Hoewel de heer Agarwal Bhaktivedanta Swami nog maar een paar minuten kende, bood hij uit eigen beweging aan om in Amerika steun voor hem te krijgen door zijn zoon Gopal, een ingenieur in Pennsylvania, te vragen een verklaring op te sturen waarin hij bevestigde dat hij borg voor hem zou staan. Toen dhr. Agarwal spontaan aanbood hem op deze manier te helpen, verzocht Bhaktivedanta Swami hem dat ook werkelijk te doen.
Bhaktivedanta Swami keerde terug naar Delhi en verkocht zijn boeken op de gebruikelijke manier, terwijl hij gespitst bleef op elke kans die zich maar voordeed. Tot zijn verbazing kreeg hij op een dag bericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat zijn ‘No Objection’-verklaring om naar de Verenigde Staten te gaan, klaar lag. Omdat hij nog geen enkele aanvraag gedaan had om het land te verlaten, moest hij bij het ministerie informeren wat er was gebeurd. Ze lieten hem een verklaring zien die getekend was door de heer Gopal Agarwal uit Butler, Pennsylvania; de heer Agarwal verklaarde plechtig, dat hij de kosten zou dragen voor Bhaktivedanta Swami’s verblijf in de Verenigde Staten.
Bhaktivedanta Swami had nu weliswaar een borg, maar hij moest nog aan een paspoort, een visum, een P-formulier én reisgeld zien te komen. Het paspoort was eenvoudig. Bhaktivedanta Swami ging met het paspoort en de verklaring van sponsorschap naar Mumbai – niet om boeken te verkopen of om geld bijeen te krijgen om te drukken, maar om iemand te zoeken die hem zou helpen naar Amerika te gaan. Hij benaderde Sumati Morarji, de directrice van de Scindia Steamship Line, die hem had geholpen met een grote schenking om deel twee van het Śrīmad-Bhāgavatam te laten drukken. Hij liet de verklaring van sponsorschap aan haar secretaris, Choksi, zien, die ervan onder de indruk was en namens hem naar mevr. Morarji toeging.
“De swami uit Vṛndāvana is teruggekomen”, zei hij tegen haar. “Hij heeft met behulp van uw schenking zijn boek gepubliceerd. Iemand staat borg voor hem en hij wil naar Amerika. Hij wil dat u hem met een schip van Scindia mee laat gaan.” Mevrouw Morarji weigerde. De swami was immers te oud om naar de Verenigde Staten te gaan en te verwachten dat hij er iets zou kunnen doen. Choksi bracht de woorden van mevr. Morarji aan hem over, maar Bhaktivedanta Swami luisterde afkeurend. Ze wilde dat hij in India bleef en het Śrīmad-Bhāgavatam zou afmaken. “Waarom naar de Verenigde Staten?” had ze gezegd, “maak toch hier het werk af.”
Maar Bhaktivedanta Swami was vastbesloten. Hij zei tegen Choksi dat hij mevr. Morarji moest overtuigen en vertelde hem zelfs wat hij moest zeggen: “Ik vind deze man heel gedreven om naar de Verenigde Staten te gaan om de boodschap van Heer Kṛṣṇa aan de mensen daar te prediken…” Maar toen Choksi dat tegen mevr. Morarji zei, weigerde ze opnieuw; de gezondheid van de swami liet te wensen over. Bovendien waren de mensen in Amerika niet zo gemakkelijk over te halen en zouden ze waarschijnlijk niet naar hem luisteren.
Geërgerd door de vruchteloze pogingen van Choksi, eiste Bhaktivedanta Swami een persoonlijk onderhoud. Het werd hem toegestaan. Hij vroeg met grote nadruk: “Geef me alstublieft een kaartje.”
Sumati Morarji toonde zich bezorgd: “Swamiji, u bent al zo oud en toch neemt u deze verantwoordelijkheid op u. Denkt u dat het wel goed zal gaan?”
“Ja”, stelde hij haar gerust, terwijl hij zijn hand optilde als om een twijfelende dochter gerust te stellen. “Alles is in orde.”
“Maar weet u wel wat mijn secretarissen denken? Ze zeggen: “Swamiji zal daar sterven.”
Bhaktivedanta Swami trok een gezicht alsof hij een dwaas gerucht ontzenuwde. Opnieuw drong hij er bij haar op aan hem een kaartje te geven.
“Goed dan”, zei ze. “Ga uw P-formulier maar halen. Ik zal een regeling treffen zodat u met ons schip mee kunt.” Bhaktivedanta liep stralend en heel gelukkig haar kantoor uit, langs haar verbaasde en sceptische kantoorbeambten.
In opdracht van mevr. Morarji regelde haar secretaris de laatste zaken. Omdat Bhaktivedanta Swami geen warme kleren had, nam Choksi hem mee om een wollen jas en andere wollen kleren te kopen. Op Bhaktivedanta Swami’s verzoek liet hij vijfhonderd exemplaren drukken van een pamfletje waarop de acht verzen stonden die Heer Caitanya geschreven had en een advertentie voor het Śrīmad-Bhāgavatam.
Mevr. Morarji reserveerde een plaats voor hem op een van haar schepen, de Jaladuta, die op 13 augustus uit Kolkata zou vertrekken. Ze had geregeld dat hij op een schip kwam waarvan de kapitein de behoeften van een vegetariër en een brāhmaṇa begreep, en ze gaf de kapitein van de Jaladuta, Arun Pandia, de opdracht extra groenten en fruit voor de swami mee te nemen. De laatste twee dagen bleef de heer Choksi bij Bhaktivedanta Swami in Mumbai om de pamfletten op te halen bij de drukker, kleren te kopen en hem naar het station te brengen waar hij de trein naar Kolkata zou nemen.
Een paar dagen voordat de Jaladuta zou vertrekken, arriveerde Bhaktivedanta Swami in Kolkata. Hoewel hij een groot deel van zijn leven in die stad gewoond had, kon hij nu nergens overnachten. Het was precies zoals hij in zijn Vṛndāvana bhajana had geschreven: “Ik heb een vrouw, zonen, dochters, kleinzonen, alles – maar ik heb geen geld, dus zijn ze een glansloze glorie.” Hoewel hij als kind met zoveel zorg in deze stad was grootgebracht, was dit voorgoed verleden tijd. Hij overnachtte bij een kennis en ging de dag voor zijn vertrek naar het nabijgelegen Māyāpur om het samādhi-graf van Śrīla Bhaktisiddhānta te bezoeken. Daarna keerde hij naar Kolkata terug. Hij was gereed.
Hij had maar één koffer, een paraplu en een voorraadje gedroogd graan. Hij had geen idee wat hij in Amerika zou kunnen eten. Misschien hadden ze er alleen maar vlees. Als dat zo was, dan zou hij zich alleen met gekookte aardappels en met de granen die hij bij zich had in leven houden. Zijn belangrijkste bagage, een aantal koffers met zijn boeken, zou apart vervoerd worden door Scindia Cargo. Tweehonderd sets van drie delen – als hij alleen al aan de boeken dacht, voelde hij zich vol vertrouwen.
Toen de dag aanbrak waarop hij zou vertrekken, had hij dat zelfvertrouwen nodig. Nu brak hij definitief met zijn voorgaande leven en hij was oud. Hij ging naar een onbekend land waar de mensen hem waarschijnlijk niet met open armen stonden op te wachten. Arm en onbekend zijn in India was één ding. Zelfs in dit tijdperk van Kali-yuga, waarin de leiders van India de Indiase cultuur verwierpen en het Westen imiteerden, was het nog steeds India; de restanten van de vedische beschaving waren nog niet helemaal verdwenen. Hij was in staat geweest miljonairs, gouverneurs en de eerste minister te ontmoeten, gewoon door naar ze toe te gaan en te wachten. Een sannyāsī werd gerespecteerd en men had eerbied voor het Śrīmad-Bhāgavatam.
Maar in Amerika zou het anders zijn. Hij zou daar niemand zijn, gewoon een vreemdeling. En er was daar geen traditie van sādhu’s, er waren geen tempels en ook geen gratis āśrama’s. Maar als hij aan de boeken dacht die hij meebracht – transcendentale kennis in het Engels – kreeg hij weer goede moed. Wanneer hij in Amerika iemand zou ontmoeten, zou hij hem een pamflet geven waarop stond: “Śrīmad-Bhāgavatam, India’s boodschap van vrede en goede wil.”
Het was 13 augustus, net een paar dagen voor Janmāṣṭamī, de dag waarop de verschijning van Heer Kṛṣṇa werd gevierd. De laatste paar jaar was hij met Janmāṣṭamī in Vṛndāvana geweest. Veel inwoners van Vṛndāvana zouden er nooit meer weggaan. Ze waren oud en leefden er vredig. Bhaktivedanta Swami maakte zich zorgen dat hij misschien buiten Vṛndāvana zou sterven.
Dat was de reden waarom alle vaiṣṇava-sādhu’s en -weduwen de gelofte hadden afgelegd om nooit meer weg te gaan, zelfs niet om Mathurā te bezoeken, want in Vṛndāvana sterven was de vervolmaking van het leven. In de hindoetraditie was het ook zo dat een sannyāsī de oceaan niet over mocht steken om naar het land van de mleccha’s te gaan. Maar het verlangen van Bhaktisiddhānta Sarasvatī ging deze zaken te boven en zijn verlangen verschilde niet van het verlangen van Heer Kṛṣṇa. Heer Caitanya Mahāprabhu had trouwens voorspeld dat het zingen van Hare Kṛṣṇa in elke stad en in elk dorp van de wereld bekend zou worden.
Hij nam een taxi naar de haven van Kolkata. Behalve zijn bagage en zijn paraplu had hij een Bengaalse versie van het Caitanya-caritāmṛta bij zich, die hij tijdens de overtocht wilde lezen. Op de een of andere manier zou hij wel kunnen koken aan boord. Of anders, als het niet ging, zou hij gewoon honger lijden – wat Kṛṣṇa maar wilde. Hij keek de belangrijkste dingen nog eens na: reiskaartje, paspoort, visum, P-formulier, het adres van zijn begunstiger. Eindelijk was het dan zover.
Dat was de reden waarom alle vaiṣṇava-sādhu’s en -weduwen de gelofte hadden afgelegd om nooit meer weg te gaan, zelfs niet om Mathurā te bezoeken, want in Vṛndāvana sterven was de vervolmaking van het leven. In de hindoetraditie was het ook zo dat een sannyāsī de oceaan niet over mocht steken om naar het land van de mleccha’s te gaan. Maar het verlangen van Bhaktisiddhānta Sarasvatī ging deze zaken te boven en zijn verlangen verschilde niet van het verlangen van Heer Kṛṣṇa. Heer Caitanya Mahāprabhu had trouwens voorspeld dat het zingen van Hare Kṛṣṇa in elke stad en in elk dorp van de wereld bekend zou worden.
Hij nam een taxi naar de haven van Kolkata. Behalve zijn bagage en zijn paraplu had hij een Bengaalse versie van het Caitanya-caritāmṛta bij zich, die hij tijdens de overtocht wilde lezen. Op de een of andere manier zou hij wel kunnen koken aan boord. Of anders, als het niet ging, zou hij gewoon honger lijden – wat Kṛṣṇa maar wilde. Hij keek de belangrijkste dingen nog eens na: reiskaartje, paspoort, visum, P-formulier, het adres van zijn begunstiger. Eindelijk was het dan zover.
Zoals Prabhupāda later vaak zou vertellen: “Met veel pijn en moeite kwam ik het land uit! Op de een of andere manier ben ik er dankzij de genade van Kṛṣṇa uit gekomen, zodat ik de .beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld kon verspreiden. Anders, als ik in India was gebleven, was dit niet mogelijk geweest. lk had een beweging in India willen beginnen, maar ik werd totaal niet aangemoedigd.”
Het zwarte vrachtschip, dat klein en verweerd was, lag afgemeerd in de haven. Een loopplank liep van de wal naar het dek van het schip. Indiase zeelui keken nieuwsgierig naar de in het saffraan geklede oudere sādhu, die nog een paar laatste woorden tegen zijn metgezel in de taxi zei en daarna met vaste tred naar de boot liep.
Het zwarte vrachtschip, dat klein en verweerd was, lag afgemeerd in de haven. Een loopplank liep van de wal naar het dek van het schip. Indiase zeelui keken nieuwsgierig naar de in het saffraan geklede oudere sādhu, die nog een paar laatste woorden tegen zijn metgezel in de taxi zei en daarna met vaste tred naar de boot liep.