Default View
Dual Language

Hoofdstuk 8

De laatste les

Mumbai, 9 januari 1977
Śrīla prabhupāda begon voor zonsopgang met zijn ochtend­wandeling. Gevolgd door een aantal toegewijden liep hij door Hare Krishna Land naar de straat, en eenmaal van het terrein af, sloegen ze eerst links- en daarna rechtsaf en volgden het pad dat naar het strand liep. Het begon al lichter te worden. Eerst was het moeilijk geweest het land, de zee en de lucht van elkaar te onderscheiden. Maar langzamerhand begonnen subtiele kleurverschillen de horizon af te tekenen en konden ze de enorme vlakte van de Arabische Zee zien, die zich uitstrekte om een nog grotere zee van lucht te ontmoeten, waar de laatste sterren vervaagden. Prabhupāda en het groepje toegewijden liepen langs het brede strand, aan hun linkerkant geflankeerd door een rij wuivende palmbomen en aan hun rechterkant door de aanrollende branding.
Śrīla Prabhupāda droeg een grijze wollen cādar om zijn schouders, een saffraankleurige kurtā en dhotī en perzikkleurige linnen schoenen. Hij steunde lichtjes op een wandelstok. Bij iedere kwieke stap richtte hij de stok naar voren, prikte hem in het zand en tilde hem weer op; zo gaf hij op ritmische wijze het tempo aan. Hij liep rechtop en hield zijn hoofd hoog opgeheven.
Al gauw kwamen ze andere mensen op het strand tegen, waaronder veel rijke bewonders van Juhu die een ochtendwandeling maakten. Een paar kokosnoot-wala’s zetten hun karretjes klaar en kapten de bovenkant van de beste kokosnoten af, in afwachting van hun eerste klanten. Śrīla Prabhupāda wandelde graag op deze tijd van de dag, en wanneer het weer het toestond, deed hij dat waar hij ook was in de wereld. Maar Juhu Beach was een van zijn favoriete plaatsen.
Onderweg voegde Dr. Patel, in een wit overhemd en een witte broek, zich samen met enkele van zijn vrienden – voornamelijk dokters en advocaten – bij Śrīla Prabhupāda en zijn leerlingen.
Plotseling begon Prabhupāda te spreken: “Er is een grote samenzwering gaande tegen ons.”
“Door de kerk?” giste Dr. Patel.
“Niet door de kerk”, zei Prabhupāda.
“Door de maatschappij?”
Prabhupāda uitte een nadenkend “Hmm”, en voegde er toen aan toe: “Nu zijn ze vastbesloten deze beweging een halt toe te roepen.” Hij gaf geen verdere bijzonderheden en noch Dr. Patel, noch de anderen begrepen wat er in zijn hoofd omging. Wat het ook mocht zijn, zei Dr. Patel, in India zou er zeker geen samenzwering tegen het Kṛṣṇa-bewustzijn kunnen plaatsvinden.
“Ik wilde deze beweging in India beginnen”, antwoordde Prabhupāda. “Ik heb zoveel vrienden gevraagd: ‘Geef me één zoon.’ Maar niemand stemde ermee in. Ze zeiden: “Swamiji, wat baat het mij als ik mijn zoon tot een vaiṣṇava of een brāhmaṇa maak?’ Ze hechten maar weinig belang aan deze beweging. Ze maken zoveel verschillende plannen om deze beweging tegen te houden.”
Trouwe indofiel als hij was, antwoordde Dr. Patel: “De Amerikanen zijn nu eenmaal altijd zo; ze maken altijd valse propaganda.”
“Er is overal goed en slecht”, zei Prabhupāda. “Kṛṣṇa zegt, manuṣyānāṁ saha­sreṣu – onder duizenden mensen is er bijna niemand geïnteresseerd in het vinden van perfectie in zijn leven. Dat is Kali-yuga.”
Om ongeveer vijf voor zeven verliet Prabhupāda het strand en liep terug naar Hare Kṛṣṇa Land. Naarmate hij dichterbij kwam, zag hij de enorme torens van het iskcon-hotel en de nog hogere en grootsere koepels van de tempel oprijzen. De gebouwen waren nog niet af, maar het meeste werk was gedaan. De koepels van de tempel moesten nog met marmer bedekt worden en op vele plaatsen moest alles nog worden afgewerkt. Prabhupāda zag met verlangen uit naar de opening, maar Surabhi Mahārāja, die verantwoordelijk was voor de bouw, had het over vertragingen. De openingsdatum was daarom nog niet vastgesteld.
Vanaf het eerste begin, dat wil zeggen sinds hij in 1971 zijn zinnen had gezet op het land van dhr. N., had Prabhupāda problemen gehad. Vooral toen hij een bouwvergunning probeerde te krijgen, had hij een heleboel obstakels moeten overwinnen. Nu was de glorierijke dag in zicht waarop de Beeldgedaanten van Rādhā-Rāsavihārī op het altaar in een van de prachtigste tempels van India zouden worden geplaatst. Śrīla Prabhupāda zette zijn uitgebreide wereldreizen en het aanmoedigen van zijn beweging op alle fronten voort, maar keerde regelmatig terug naar Mumbai. Hij zag het onmiddellijk als de arbeiders de zaak ophielden of niet eerlijk waren, hoewel zijn eigen mensen zich daar niet altijd bewust van waren. Deze keer zou hij, net als vroeger, een tijdje blijven om advies te geven en dan weer doorreizen.
De Beeldgedaanten van Rādhā-Rāsavihārī werden nog steeds vereerd in het tijdelijke onderkomen dat de toegewijden in 1971 hadden gebouwd. De prachtige tempel die nu achter die nederige loods opdoemde, kondigde als het ware de op handen zijnde verhuizing van Rādhā-Rāsavihārī naar Hun nieuwe paleis aan.
Toen hij op het terrein van ISKCON terugkeerde, ging Prabhupāda voor de Beeldgedaanten staan en nam opnieuw Hun fascinerende schoonheid in zich op. Hij had zich wel eens laten ontvallen dat van alle Beeldgedaanten. Zij hem het dierbaarst waren. Zijn belofte aan Rādhā-Rāsavihārī dat hij een mooie tempel voor Ze zou bouwen, zou binnenkort vervuld worden, maar soms vroeg hij zich openlijk af of hij het nog wel mee zou maken. Hij was nu tachtig en werd voortdurend geplaagd door ziekte.
Natuurlijk waren die aankondigingen van de dood niet nieuw voor Prabhupāda, aangezien hij vanaf het begin van zijn predikwerk in het Westen in 1965 al met ernstige ziekteperioden te kampen had gehad. Toch konden zijn leerlingen het zich moeilijk voorstellen dat hij hen ooit zou verlaten. Ze wisten heel goed dat ze het werk zo snel mogelijk moesten voltooien en de tempel moesten openen, zodat Prabhupāda zich zou kunnen terugtrekken en eindelijk zijn Śrīmad-Bhāgavatam zou kunnen afmaken. Maar natuurlijk zou Kṛṣṇa hem toestaan bij hen te blijven om op zijn minst de voltooiing van deze twee projecten mee te maken.
Iedere maand bleef een van de leden van de GBC bij Prabhupāda als zijn secretaris. Dit gaf Prabhupāda ook de gelegenheid om die persoon zelf op te leiden. De secretaris voor januari 1977 was Rāmeśvara Swami. Prabhupāda was erg gelukkig en geïnspireerd toen Rāmeśvara ’s morgens vroeg zijn kamer binnenkwam, nadat hij rechtstreeks van Los Angeles naar Mumbai was gevlogen. Prabhupāda beschouwde Rāmeśvara als een ervaren ISKCON-manager, vooral op het gebied van het drukken en verspreiden van Kṛṣṇa-bewuste literatuur, wat voor Prabhupāda de belangrijkste vorm van prediken was.
Toen Śrīla Prabhupāda hem vroeg of er nog nieuws was, bracht Rāmeśvara verslag uit over de aanvallen op de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn in Amerika. Śrīla Prabhupāda wist dit al; het was de ‘samenzwering’ waar hij tijdens zijn ochtendwandeling op gedoeld had. Er bestond een anti-sektebeweging in Amerika die heel actief was en agressief te werk ging en de Hare Kṛṣṇa-beweging op een hoop veegde met alle andere nieuwe bewegingen. Śrīla Prabhupāda was zich terdege bewust van de activiteiten van de ‘deprogrammeurs’, die toegewijden ontvoerden en ze onder zware druk zetten. En hij had laten zien dat hij niet bang voor ze was. Hij verzekerde de toegewijden ervan dat Kṛṣṇa ze zou beschermen en dat alles wat er nu gebeurde uiteindelijk in hun voordeel zou zijn.
De belangrijkste strijd, die Prabhupāda al een paar maanden bezighield, was een rechtszaak in New York, waar de tempelpresident Adi-Keśava Swami ervan beschuldigd werd spirituele dwang uitgeoefend te hebben om toegewijden in de tempel te houden. De ouders van twee volwassen toegewijden hadden een aanklacht ingediend, nadat de door hen in dienst genomen deprogrammeurs er niet in waren geslaagd hun kinderen af te brengen van hun vaste besluit om Kṛṣṇa-bewust te worden. Een assistent-procureur-generaal vervolgde de toegewijden op een manier die deed denken aan de inquisitie. Hij wendde daarbij alle middelen aan die de wet en de regering hem maar boden. Hoewel verdedigers van de burgerlijke vrijheid woedend waren en ze de toegewijden ervan verzekerden dat de tegenstanders nooit konden winnen, waren de implicaties van de zaak toch beangstigend. De authenticiteit van de Hare Kṛṣṇa-beweging, haar recht van bestaan en het recht van volwassen toegewijden om tegen de wil van hun ouders in de beweging te blijven, werden allemaal in twijfel getrokken. Ook vroeg men zich af of de leden van de Hare Kṛṣṇa-beweging uit vrije wil lid waren of door psychologische beïnvloeding – ‘hersenspoeling’ – in de beweging werden gehouden. Toen Śrīla Prabhupāda voor het eerst over deze zaak hoorde, had hij vanuit Vṛndāvana een brief geschreven, waarin hij alle toegewijden opriep tot de strijd tegen de krachten van de illusie:
Om de authenticiteit van onze beweging te verdedigen kun je de volgende argumenten gebruiken. Er bestaan zoveel uitgaven van de Bhagavad-gītā. Onze boeken zijn ouder dan de Bijbel. In India zijn er miljoenen tempels van Kṛṣṇa. Laat de rechters en de jury’s onze boeken lezen en naar de mening van geleerden en professoren luisteren. Wat het tweede punt betreft – rechtsbevoegdheid van ouders over hun kinderen – volgen hier enkele aanwijzingen. Vinden ouders het fijn dat hun kinderen hippies worden? Waarom houden ze hen dan niet tegen? Vinden ouders het fijn dat hun kinderen zich inlaten met prostitutie en verdovende middelen? Waarom houden ze hen dan niet tegen?
Nu beginnen ze het gewicht van deze beweging te voelen. Voorheen dachten ze: ‘Deze mensen komen en gaan’, maar nu zien ze dat we blijven. We hebben een vuur aangestoken dat niet meer gedoofd kan worden. Zelfs complete brandweerkorpsen kunnen dit vuur niet stoppen. De boeken zijn er al en zullen hun effect hebben. Zelfs als ze het uitwendig stopzetten, zal het inwendig doorgaan. Ons beste wapen is het verspreiden van boeken. Ga van deur tot deur. Het echte gevecht begint nu. Kṛṣṇa zal jullie alle bescherming geven. Chant Hare Kṛṣṇa en vecht.
Rāmeśvara Swami vertelde Śrīla Prabhupāda dat een landelijk comité van professoren en theologen de verdediging van het Kṛṣṇa-bewustzijn in de New York-zaak op zich genomen had en dat veel advocaten en psychologen met hen sympathiseerden.
Prabhupāda legde uit dat de materialisten het meest geschokt waren door het feit dat de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn zo sterk gekant was tegen ongeoorloofde seksuele relaties, het eten van vlees en het gebruik van verdovende en stimulerende middelen. Het was zo shockerend dat iemand deze dingen kon opgeven dat ze maar niet konden aanvaarden dat dit vanuit een echte spirituele ervaring gebeurde. Verwijzend naar een voorval uit het verleden zei Śrīla Prabhupāda: “In Duitsland werd dat ook gezegd: ‘Die oude man daar zit maar in Los Angeles en laat al die jonge jongens geld voor hem inzamelen.’ Ze denken dat ik een of andere macht heb om iemands geest te beheersen en dat ik al deze mensen manipuleer – zij zorgen voor het geld en ik geniet ervan.”
Śrīla Prabhupāda herinnerde zich hoe in 1969 de buren al jaloers waren geworden toen de tempel in Los Angeles een paar auto’s had gekocht en het aantal toegewijden begon toe te nemen. Hij zei dat hij ze had uitgenodigd ook in de gemeenschap te komen wonen, maar dat ze dat altijd geweigerd hadden. Naarmate de tegenstanders meer commotie veroorzaakten, zou het Kṛṣṇa-bewustzijn meer bekendheid krijgen, voorspelde hij. Hij zag het ook als een reactie op zijn krachtige manier van prediken.
“Jullie begrijpen niet hoe je de tegenstanders moet behandelen”, legde Śrīla Prabhupāda uit. Hij was heel energiek en strijdlustig en toonde zijn leerlingen vol enthousiasme hoe ze de vijand moesten verslaan. Soms had hij zijn eigen spiritueel leraar als siṁha-guru (‘leeuw-guru’) beschreven, maar vandaag zagen de toegewijden een soortgelijke vechtlust in hemzelf. “Hoe meer tegenstand er is,” zei hij, “hoe meer we ons moeten verdedigen.”
“Wat het hersenspoelen betreft,” zei Rāmeśvara, “beweren ze dat onze manier van leven de toegewijde van de buitenwereld isoleert.”
“Ja,” zei Prabhupāda, “we hebben er een hekel aan om ons met jullie in te laten. Een heer laat zich niet in met leeglopers. Kraaien vinden het niet fijn om met eenden en witte zwanen te leven – en omgekeerd. Dat is een natuurlijke verdeling: soort zoekt soort.”
Rāmeśvara: Ze hebben een lijst met vijf of zes omstandigheden en wanneer die allemaal aanwezig zijn, zou er een gunstige atmosfeer voor hersenspoeling ontstaan. Ze zeggen dat we onze leden die omstandigheden opleggen.
Prabhupāda Ja, wij hersenspoelen van slecht naar goed. Dat is wat we doen. We spoelen al het vuil eruit. Jullie hersenen zijn gevuld met allerlei rotzooi – vlees eten, ongeoorloofde seksuele relaties, gokspelen. Dat spoelen wij eruit. Maakt u uw kamer niet schoon? Is daar iets verkeerds aan? Als jullie je kamer heel goed schoonmaken, neemt iemand jullie dat dan kwalijk? Maar jullie schrikken er niet voor terug om ons aan te vallen: ‘Waarom spoelen jullie deze rotzooi weg?’ Wij ruimen het vuil op en jullie protesteren. Zo ver reikt jullie verstand. Maar intelligente mensen maken schoon. Dat is beschaving: schoonmaken. En dat is precies wat wij doen.
Volgens de vedische beschaving zijn jullie eigenlijk onaanraakbaar. Daarom moeten jullie je eerst reinigen. Volgens de vedische beschaving is een hond onaanraakbaar, maar het is jullie beste vriend. Daarom zijn jullie zelf ook onaanraakbaar. Vandaar dat we jullie hersenen moeten schoonspoelen. Tenzij jullie hersenen schoongespoeld zijn, kunnen jullie Kṛṣṇa niet begrijpen. We leren de mens kennen aan het gezelschap waarin hij verkeert. Jullie slapen met jullie hond, eten met jullie hond, jullie hond is jullie beste vriend. Wat zijn jullie dan? Jullie moeten worden gewassen en grondig geschrobd.
Rāmeśvara: Ze vragen waarom onze leden, als we beweren dat het nette mensen zijn, altijd voorbijgangers lastig vallen.
Prabhupāda: Ze vallen niemand lastig; ze onderwijzen de mensen. Als een dief de raad krijgt steel alstublieft niet, ervaart hij dat ook als bemoeizucht. Maar het is goed advies.
Rāmeśvara: Ze zeggen dat het een inbreuk is op hun privé-leven. Iedereen heeft het recht te denken wat hij wil.
Prabhupāda: Ja, daarom heb ik ook het recht op deze manier te denken en boeken te verkopen.
Rāmeśvara: Maar als ik jullie filosofie niet wil horen, waarom dringen jullie me deze dan op?
Prabhupāda: Het gaat niet om opdringen. Het is een goede filosofie. We proberen mensen ervan te overtuigen: “Aanvaard het, het zal jullie goed doen.” En dat is ook zo. De mensen die onze boeken lezen, hebben er baat bij. Maar waarom adverteren jullie met reusachtige reclameborden: Kom bij ons uw inkopen doen. Hmm? Waarom dringen jullie je zogenaamde diensten op? Waarom doen jullie dat?
Uur na uur woedde het gevecht voort. Rāmeśvara bracht alle argumenten tegen de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn naar voren en Śrīla Prabhupāda versloeg ze een voor een. Prabhupāda noemde de argumenten kinderachtig en dom en bekritiseerde op een krachtige manier de materialistische mentaliteit die erachter zat. Door middel van śāstra en logica bewees hij dat een niet-toegewijde geen goede kwaliteiten heeft en dat zijn gebrek aan bewustzijn van God hem ertoe brengt zich lager te gedragen dan een dier. Zulke mensen, zei hij, verkeerden niet in een positie om kritiek uit te oefenen; hun kritiek verraadde alleen maar hun onwetendheid van het werkelijke doel van het menselijk leven.
Prabhupāda ging volkomen op in het verdedigen van zijn beweging. Hij genoot ervan te vechten voor Heer Caitanya. Hij sprak natuurlijk hoofdzakelijk om zijn leerlingen te helpen, maar daarnaast gaf hij blijk van zijn mededogen voor alle wezens en zijn toewijding aan de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn.
Rāmeśvara: De Christenen zeggen dat wanneer God had gewild dat we in Kṛṣṇa zouden geloven, Hij dat wel gezegd zou hebben op de berg Sinaï en dat Hij het ons via Jezus Christus wel zou hebben laten weten. Maar Jezus zei: “Ik ben de enige weg.”
Prabhupāda: Dat is allemaal goed en wel. Maar Jezus Chris­tus heeft jullie niet méér uitgelegd, omdat jullie dwazen zijn. Jullie kunnen niet eens zijn eerste instructie opvolgen: Gij zult niet doden. Het is niet de dwaasheid van Jezus Christus. Het komt omdat jullie zulke dwazen zijn dat jullie hem niet kunnen begrijpen. Daarom vermeed hij dwazen zoals jullie. Want wat hij ook zei, jullie kunnen hem niet volgen. Wat zullen jullie dan begrijpen? Daarom stopte hij met spreken.
Rāmeśvara: Ik denk dat mijn argumenten uitgeput zijn.
“Eigenlijk”, concludeerde Prabhupāda, “zijn hun argumenten niet erg sterk. Daarom is dit alleen maar een zet van Kṛṣṇa om ons grotere bekendheid te geven.” Tegenstand, zo zei hij, was gewoon een gelegenheid om te prediken. Maar om zich goed staande te houden bij rechtszaken en andere serieuze aanvallen, moesten de toegewijden weten hoe ze moesten prediken. En ze zouden spiritueel gezien sterk moeten zijn. Hij bereidde zijn mannen voor en sprak dag en nacht met hen.
Bhubaneswar, januari 1977
Na een maand werd Rāmeśvara Swami vervangen door een ander lid van de gbc, Satsvarūpa Dāsa Goswami. “Śrīla Prabhupāda,” vroeg Satsvarūpa op een avond, toen hij met Prabhupāda in zijn vertrekken zat, “toen ik hier aankwam, zei Rāmeśvara Mahārāja dat u erover had gesproken hoe het Kṛṣṇa-bewustzijn in de Verenigde Staten aan de macht zou komen. Ik kan me dat heel moeilijk voorstellen, omdat het op dit moment precies het tegenovergestelde is.”
“Wat ik gezegd heb is waar,” zei Śrīla Prabhupāda, “maar nu heeft het plantje van Kṛṣṇa-bewustzijn nog maar net wortel geschoten. Je moet het water geven en het beschermen, dan zul je de vruchten ervan plukken. Je móet het beschermen. Mensen moeten over ons horen via onze boeken en wij moeten over de boeken praten.”
“Het zal dus niet van de ene dag op de andere gebeuren?”
“Nee”, antwoordde Śrīla Prabhupāda. “Het zal geleidelijk groeien. Het zaad is er. Nu moet je het beschermen door in ieder huis steeds meer boeken te brengen.”
Opnieuw begon Prabhupāda over de op handen zijnde rechtszaak in New York. “Vertel ze dat ze op zijn minst onze boeken moeten lezen’’, zei hij. “Dit is wat we te zeggen hebben. Onze verdediging is dat u eerst deze boeken moet lezen voordat u uw oordeel velt. Doe dat eerst en geef daarna pas uw oordeel. Geef hun al deze vierentachtig boeken.”
Śrīla Prabhupāda raakte geïnspireerd door de gedachte dat de rechters en de advocaten al zijn boeken zouden lezen. Hij was volkomen serieus en drong erop aan dat de toegewijden de magistraten de boeken zouden laten lezen als bewijsmateriaal.. Śrīla Prabhupāda vervolgde: “Kṛṣṇa zegt sarva-dharmān parityajya: ‘Geef je aan Mij over en laat alle vormen van religie voor wat ze zijn.’ Nu kan de volgende vraag opkomen: ‘Waarom moeten we ons overgeven?’ Dan kun je drie jaar lang blijven prediken. Dan komt het allemaal uit: wie is God? Wat is de schepping? Wat is onze positie? Waarom zouden we ons moeten overgeven? Enzovoort, enzovoort. Wat vind je daarvan?”
“Ja, we moeten de boeken er zoveel mogelijk bij betrekken”, stemde Satsvarūpa in. “Ik zal een brief naar New York schrijven en ze vertellen daar de nadruk op te leggen.”
“Breng al deze boeken naar de rechtbank”, zei Prabhupāda. “Op een keer was er een bekende advocaat in Kolkata, Ghosh genaamd, die bij een bepaalde zaak een heleboel boeken had meegebracht om zijn argumenten kracht bij te zetten. De rechters, die vrienden van hem waren, moesten om hem lachen en zeiden: ‘O mijnheer Ghosh, u hebt de hele bibliotheek meegebracht?’ ‘Ja, Edelachtbare,’ antwoordde dhr. Ghosh, ‘alleen om u het recht bij te brengen.’” Śrīla Prabhupāda lachte en herhaalde: “Ja, Edelachtbare, alleen om u het recht bij te brengen.”
Prabhupāda wilde dat zijn leerlingen bij de rechtszaak in New York dezelfde logica zouden toepassen. Als de rechter er bezwaar tegen maakte en zei: “Waarom vallen jullie me lastig met zoveel boeken?” moesten ze antwoorden: “U moet naar onze verdediging luisteren. Misschien duurt het twaalf jaar, maar u moet luisteren, dat is de wet.” Het leek moeilijk, maar de toegewijden wisten dat ze het moesten proberen. Prabhupāda had hun heel duidelijk laten weten hoe hij wilde dat ze de zaak aanpakten.
“We moeten uitleggen”, zei Prabhupāda, “dat we nooit hebben geprobeerd te hersenspoelen. We hebben precies gedaan wat er in de śāstra, de gezaghebbende heilige teksten, staat. Hier is het bewijs. We hebben niets verzonnen. Daarom moeten ze al deze boeken lezen. Volgens mij is dit onze beste verdediging.”
“Onze verdediging staat al opgetekend in deze boeken”, zei Hari-śauri.
“Moeten ze bepaalde delen lezen of alle boeken?” vroeg Satsvarūpa. Prabhu­pāda riep uit: “Alles! Regel voor regel. Onze verdediging bestaat uit vierentachtig delen.”
“Ik weet precies wat ze gaan zeggen”, zei Guru-kṛpā Swami: “Als we al deze boeken lezen, worden we ook gehersenspoeld.”
“Dat is mijn plicht”, zei Prabhupāda. “Jij probeert mij te hersenspoelen en ik probeer jou te hersenspoelen. Dit is wat er in het leven gebeurt. Dat is de strijd. Net als worstelen. Jij probeert jouw kracht uit en ik de mijne. Anders is er geen gevecht. Je hebt het recht het niet met me eens te zijn. Ik heb het recht het niet met jou eens te zijn. Laten we nu zien wie er gelijk heeft.”
Māyāpur, 7 februari 1977
Meer dan tachtig Bengaalse gurukula-jongens en ongeveer honderd andere toegewijden begroetten Prabhupāda met een kīrtana bij het hek voor de Māyāpur Chandrodaya Mandir. Het hele land stond vol met bloemen en het pas geschilderde tempelgebouw schitterde als de eerste roodachtige stralen van de dageraad. Het nieuwe langwerpige gebouw waar de toegewijden zouden gaan verblijven, was bijna klaar. “Terug in de spirituele wereld”, zei Prabhupāda zachtjes toen zijn auto langzaam het terrein op reed.
Toen hij later op zijn kamer zat, prees hij de toegewijden dat ze het terrein zo mooi en schoon hadden gemaakt. Zijn kamer was versierd met honderden bloemen, als een prachtige tuin. “Deze bloemen zijn jullie eerste succes”, zei Prabhupāda. Hij leunde achterover, ontspannen en met de buitengewone vreugde en tevredenheid die hij voelde wanneer hij in zijn geliefde Māyāpur was. “Als we iets voor Kṛṣṇa willen bereiken,” zei hij, “dan is Hij erg blij. Jullie wilden wat bloemen om Kṛṣṇa mee te dienen en Kṛṣṇa heeft in jullie behoefte voorzien. We willen alles voor Kṛṣṇa, niet voor ons eigen plezier. Voor Kṛṣṇa kunnen we ons op allerlei manieren inspannen – dat is de bijdrage van Bhaktisiddhānta Sarasvatī.”
Later ging Śrīla Prabhupāda het nieuwe, tweehonderd meter lange gebouw bekijken – het langste gebouw in West-Bengalen, zei Jayapatāka Swami. Śrīla Prabhupāda vond dat het op een trein leek. Hij bekeek alle kamers een voor een en drong erop aan dat ze op tijd klaar zouden zijn voor het festival. Toen hij over de veranda liep, merkte hij op: “O, het is net als Fifth Avenue.”
De dagen daarna was het rustig. Prabhupāda liet zich aan het eind van de morgen op het dak masseren, temidden van honderden potplanten. Op een dag leunde hij over de balustrade van de veranda buiten zijn kamer en keek uit over het grasveld, waar een van de vrouwen bloemen plukte voor de Beeldgedaanten. “Dat is een tempel”, zei hij, “er is altijd wat gaande. En met iedere bloem die ze plukt, maakt ze een beetje spirituele vooruitgang.” Prabhupāda wilde graag zien dat de Māyāpur Chandrodaya Mandir altijd uitgebreid en verbeterd werd. Hij hield ervan om vanaf zijn veranda te kijken hoe de gasten arriveerden, hoe de toegewijden enthousiast bezig waren en hoe nieuwe plannen werden verwezenlijkt.
Maar Prabhupāda’s gezondheid verbeterde niet – een slecht evenwicht tussen pitta en vāyu (gal en lucht), zei hij. Toen zijn dienaar hem op een morgen vroeg hoe hij zich voelde, antwoordde hij: “Erg slecht.” Maar soms voelde hij zich, na een ‘erg slechte’ ochtend, later op de dag een stuk beter.
De toegewijden dachten niet op een materiële manier over Prabhupāda’s ziekte, maar ze waren wel bezorgd. In de loop der jaren had hij verschillende crises doorstaan, en ze wisten dat deze ziektes niet van gewone aard waren, maar rechtstreeks door Kṛṣṇa bestuurd werden. Toen hij in 1974 erg ziek was geweest in Vṛndāvana, had hij gezegd dat het kwam omdat zijn leerlingen zich niet strikt aan de regels en bepalingen van het Kṛṣṇa-bewustzijn hielden. Zijn leerlingen wisten dat ze zijn orders strikt moesten opvolgen als ze echt om zijn gezondheid gaven. Hij zou risico’s blijven nemen – meer leerlingen initiëren, reizen en prediken – maar zijn leerlingen moesten ervoor zorgen dat ze zijn gezondheid door hun daden niet verder in gevaar brachten. Meestal gingen de toegewijden ervan uit dat Prabhupāda’s gezondheid snel zou verbeteren. Śrīla Prabhupāda zelf hield zich er niet zo mee bezig. Hij ging te veel op in het uitbreiden van zijn beweging.
Een paar dagen na zijn aankomst, reisde Prabhupāda met de auto en de veerboot naar Navadvīpa om de āśrama van zijn godsbroeder Bhaktirakṣaka Śrīdhara Mahārāja te bezoeken. Maar toen hij de steile stenen trappen opliep, weigerden zijn benen en zakte hij in elkaar. Gelukkig liep Hari-śauri zo dicht bij hem dat hij hem kon opvangen. Het was de tweede keer in minder dan twee weken tijd dat dit gebeurde. Beide keren was hij actief aan het prediken geweest en beide keren was hij gewoon doorgegaan, zonder op het voorval terug te komen.
Op een morgen stond Prabhupāda vlak na het ontbijt op zijn veranda en keek uit over het land van Māyāpur. Hij wendde zich tot Hari-śauri en zei: “Eigenlijk maakt het niet uit, zelfs al zou ik onmiddellijk sterven. Ik heb de basis voor alles gelegd en als ze de dingen nu goed leiden en voortzetten wat ik ben begonnen, zal alles goed gaan.” Hari-śauri raakte in de war van dit soort verklaringen en zei niets. Toen voegde Prabhupāda eraan toe: “Maar toch zou ik het Śrīmad-Bhāgavatam graag afmaken.”
Omdat het een week voor gaura-pūrṇimā was, kwamen er iedere avond al duizenden Bengaalse pelgrims het ISKCON-centrum bezoeken. Ze stroomden de tempelkamer binnen voor kīrtana en darśana van Rādhā-Mādhava en gingen daarna de fototentoonstelling bekijken. Het was het grootste en best georganiseerde Māyāpur-festival ooit. Ondanks de tegenwerking in Amerika overspoelde Heer Caitanya’s beweging de wereld met de golven van sankīrtana, en deze grote samenkomst van meer dan vijfhonderd toegewijden uit alle delen van de wereld was een krachtige bevestiging van de goede gezondheid waarin de groeiende beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn verkeerde.
Rāmeśvara Swami keerde terug met een rapport over de productie van Prabhupāda’s boeken. Alleen al in het Engels waren er 43.450.000 boeken en tijdschriften gepubliceerd. En de totale productie van Prabhupāda’s boeken in 23 talen – waaronder Russisch – bedroeg 55.314.000 boeken en tijdschriften. Daarvan was al meer dan 90% verspreid. Rāmeśvara bood Prabhupāda ook een nieuw boek aan dat net van de pers was gerold, het negende canto (deel een) van het Śrīmad-Bhāgavatam. Rādhāvallabha liet weten dat de volgende druk van de Bhagavad-gītā zoals ze is zo groot zou zijn dat er 76 treinwagons voor nodig waren om al het vereiste papier te vervoeren. Prabhupāda en de toegewijden lachten bij het horen van deze verbazingwekkende cijfers.
Prabhupāda bedankte de toegewijden voor hun harde werk. “Dit is de zegen van mijn guru mahārāja”, zei hij. “Hij wilde dat dit zou gebeuren en omdat we ons uiterste best doen, geeft hij ons al zijn zegen.”
Srīla prabhupāda bleef zeer actief: hij moedigde de toegewijden aan, schreef en predikte. Maar kort nadat de toegewijden in grote getale waren aangekomen, werd hij weer erg ziek. Hoewel zijn volle schema veel van hem vergde, ging hij toch door.
De GBC-leden begonnen aan hun jaarlijkse, drie dagen durende vergadering. Iedere avond kwamen ze met Prabhupāda bijeen. Hij luisterde dan naar hun voorstellen en keurde ze goed, na enkele verbeteringen te hebben aangebracht. Het laatste punt op de lijst van besluiten was dat alle iskcon-tempels vierentwintig uur per dag kīrtana moesten houden met het oog op Prabhupāda’s ziekte. De toegewijden hadden dit ook gedaan tijdens Prabhupāda’s ziekte in 1974. “Ja,” zei Prabhupāda toen hij het besluit hoorde, “chanten is het enige geneesmiddel tegen alle ziektes.” Bijna twee weken later verscheen het nieuws van de uitspraak van de rechtbank van New York op de voorpagina van The Times of India. Zodra Tamāla Kṛṣṇa Goswami het blad had ontvangen, bracht hij het naar Prabhupāda’s kamer en las hem het bericht op diens verzoek voor.
DE HARE KRISHNA-BEWEGING
IS EEN BONAFIDE RELIGIE
Washington, 18 mei.
De Hare Krishna-beweging werd gisteren als ‘bonafide religie’ erkend door de rechter van het Hooggerechtshof van New York, die twee aanklachten verwierp waarin de leiders van de beweging van ‘illegale gevangenhouding’ en ‘poging tot afpersing’ beschuldigd werden. Boze ouders hadden de aanklacht ingediend dat hun zoon en ook een andere leerling illegaal door de beweging vastgehouden zouden zijn en gehersenspoeld waren. “Het fundamentele punt waarover deze rechtbank moet beslissen,” zei de rechter in zijn uitleg waarom hij de aanklachten verwierp, “is of de twee vermeende slachtoffers in deze zaak – en de beklaagden – het recht hebben om de religie van hun keuze uit te oefenen en deze vraag moet beantwoord worden met een nadrukkelijk ja.”

Rechter John Leah: “De Hare Krishna-beweging is een authentieke religie en haar wortels in India gaan duizenden jaren terug. Merril Kreshower en Edward Shapiro hebben het recht de leer van dat geloof te volgen en hun onvervreemdbaar recht om dat te doen, zal niet met voeten worden getreden. De scheiding van kerk en staat moet behouden blijven. We moeten een natie van wetten blijven en niet van mensen. De uiteenzetting en tenlastelegging door de Grand Jury waren een rechtstreekse en overduidelijke schending van de constitutionele rechten van de beklaagden.”

De rechter zei verder dat het de rechtbank toescheen dat “de aanklagers hun zaak gebaseerd hadden op een onjuiste veronderstelling van ondergeschikt belang en zo tot een valse conclusie waren gekomen. Geen van de beklaagden is ooit in staat van beschuldiging gesteld geweest wegens enige vorm van bedrog of enige andere misleidende handeling.”

De rechter besloot met: “De vrijheid van religie mag niet worden beperkt, alleen omdat de religie in kwestie onconventioneel is wat haar leerstellingen en beoefening betreft, of omdat ze goed- of afgekeurd wordt door de algemene opinie of door de meer conventionele religies. Zonder deze vrijheid om de stem van het eigen geweten te volgen in het zoeken naar God, zal de vrijheid van religie, zoals die in de constitutie is neergelegd, een zinloos recht zijn. Deze aanval, of ze nu rechtstreeks is of niet, goedbedoeld is of niet, bevat onmiskenbaar elementen die een bedreiging vormen voor dit meest fundamentele en eeuwige recht van onze burgers – de vrijheid van religie.

De Hare Krishna-beweging heeft onder druk gestaan van verschillende groeperingen en deze uitspraak zal naar verwachting een einde maken aan de aanvallen waarvan de beweging de afgelopen maanden het slachtoffer is geweest.”
“Nu is mijn missie geslaagd”, zei Śrīla Prabhupāda. “In 1965 ben ik daarheen gegaan. Nu, twaalf jaar later, wordt mijn werk erkend. Ik hing maar wat rond op straat in mijn eentje, met mijn boeken. Het kon niemand wat schelen… maar Kṛṣṇa is altijd fantastisch. Hij is de meest fantastische persoon en Hij kan de grootste wonderen verrichten.”
Śrīla Prabhupāda bleef de uitspraak van de rechter maar prijzen. Hij zei dat hij had gevreesd dat de rechtszaak veertien jaar in beslag zou nemen, maar het had nog geen veertien uur geduurd. Kṛṣṇa was zo fantastisch.
22 maart
De oudere toegewijden in māyāpur vonden dat Śrīla Prabhupāda te ziek was om te reizen en dat hij daar moest blijven om te herstellen. Daarnaast waren de rapporten uit Mumbai tegenstrijdig. Surabhi Swami, die wist dat Śrīla Prabhupāda’s kamers niet af waren, telegrafeerde Prabhupāda dat hij meer tijd nodig had en verzocht hem niet te komen. Maar Girirāja stuurde Prabhupāda een uitnodiging voor een lezingenprogramma dat hij en anderen voor Śrīla Prabhupāda hadden geregeld in een paṇḍāl in Azab Maidan in Mumbai. Prabhupāda overwoog de mogelijkheden om te prediken en besloot om te gaan. Hij liet zijn secretaris een telegram sturen naar Mumbai:
PRABHUPĀDA KOMT DINSDAG 13:50 U. AAN. BRENG KAMERS IN ORDE, KLAAR OF NIET KLAAR.
Maar toen Prabhupāda in Mumbai aankwam, was hij zo zwak, dat hij de steile trap van het vliegtuig niet af kon lopen; het luchthavenpersoneel moest een hydraulische lift brengen, zodat hij het vliegtuig kon verlaten. Toen hij eenmaal op de grond stond, hielpen enkele toegewijden hem bij het lopen. Hoewel hij er heel broos uitzag, glimlachte hij stralend naar de toegewijden die op het vliegveld op hem stonden te wachten.
Hare Krishna Land was vol bedrijvigheid. Ongeveer tweehonderd arbeiders wendden hun verschillende vaardigheden aan bij het bouwen van het tempel-hotelcomplex, onder leiding van Surabhi Swami en zijn assistenten. Er waren een stuk of tien mensen aan het werk om roodstenen platen te snijden waarmee de betonnen bovenbouw van het hotel bedekt zou worden. Er stonden ongeveer vijftig marmerbewerkers met hun hamers te beitelen om fraaie pilaren en bogen in de tempel te maken. En een aantal metselaars en interieurarchitecten werkten aan het theater. Het meeste werk was gedaan, maar toch leek alles nog kaal, als een skelet zonder vlees. Het hotel had geen ramen en deuren en natuurlijk waren er ook nog geen meubels of gordijnen. Ook waren ze nog steeds aan de tempel aan het bouwen. De arbeiders werkten in ploegen en concentreerden zich vooral op Śrīla Prabhupāda’s kamers op de bovenverdieping van een van de hoteltorens.
Toen śrīla prabhupāda zijn prachtige kamers binnenging, merkte hij op dat niemand Surabhi Swami kon overtreffen. “Nergens in de wereld heb ik zo’n mooi appartement”, zei hij. “Los Angeles en New York zijn heel grote steden en Londen en Parijs ook – maar zo’n luxueus paleis heb ik nog nooit aangeboden gekregen.”
Toen hij zag hoe de grootste kamer zo was ingericht dat er ruimte was voor zijn verschillende activiteiten, merkte Śrīla Prabhupāda op: “Het is hier net zoals op mijn kamer in de Rādhā-Dāmodara-tempel. Ik heb één hoek om te schrijven, een andere hoek om te zitten en weer een andere hoek om prasādam te nemen.” De vergelijking was vreemd, omdat de kamer in de Rādhā-Dāmodara-tempel maar een kleine monnikscel was. Toch zag Śrīla Prabhupāda een verband tussen het begin in Vṛndāvana en het hoogtepunt in Mumbai. Op beide plaatsen was hij dezelfde persoon, die nederig een beetje prasādam nam, zijn boeken schreef en grootscheepse plannen maakte voor het verspreiden van het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Śrīla Prabhupāda besprak zijn dagelijkse schema met enkele van zijn leerlingen en met Dr. Sharma. Hij zei dat hij naar beneden zou komen voor de darśana van de Beeldgedaanten en één keer per week, op zondag, een lezing zou geven. In speciale gevallen zou hij iemand in zijn vertrekken ontvangen, maar dan wel heel zelden. ‘‘Over het algemeen”, zei hij, “komen mensen op bezoek en vragen alleen maar: ‘Hoe gaat het met u? Hoe voelt u zich?’ En dan gaat er een half uur voorbij. Wat heeft het voor nut om je tijd op die manier te verspillen? Iedereen weet dat ik me niet goed voel.”
“Als mensen u willen zien, kunnen ze ’s morgens naar de tempelkamer komen”, zei Tamāla Kṛṣṇa Goswami.
“Ja”, beaamde Prabhupāda. “Als ze me echt willen zien, kunnen ze me daar vinden. Ze kunnen me een half uur lang zien. En wat het praten betreft, vragen als: ‘Hoe gaat het met u? Hoe voelt u zich?’ zijn onnodig. Dat is geen praten.”
“In plaats daarvan”, zei Gargamuni Swami, “kunnen ze beneden een paar van uw boeken kopen.”
“Ja”, zei Prabhupāda en hij knikte goedkeurend. “Dit is tijdverspilling. Ik wil het soort vragen als ‘Hoe gaat het met u?’ niet meer hoeven te beantwoorden.” Door zijn tijd goed te gebruiken en zijn energie te sparen, zei hij, zou hij zich aan het schrijven van boeken kunnen wijden. De toegewijden verzekerden hem ervan dat iedereen zijn schema zou respecteren en blij zou zijn te horen dat hij nu aan het tiende canto bezig was.
“Ik denk dat ik vanaf vandaag wel weer zal kunnen werken”, verklaarde Prabhupāda. “Ik heb nu een hele fijne kamer en volledige vrijheid. Geen problemen dus.”
Dat Prabhupāda geen ochtendwandelingen zou maken, sprak vanzelf. Iedereen die nauw bij Prabhupāda betrokken was, had deze nieuwe manier van leven, zonder ochtendwandelingen en heel weinig lezingen, aanvaard. Iemand stelde voor dat Prabhupāda misschien op het dak zou willen wandelen, maar zelfs dat was te moeilijk voor hem.
Prabhupāda probeerde te vermijden bij organisatorische problemen betrokken te worden. Vaak lukte hem dat niet; hij kon zijn ogen niet sluiten voor de vertragingen bij de voltooiing van de tempel. Hij kon de geluiden van het werk wel verdragen – al was het soms erg lawaaierig, maar het was de traagheid die hem stoorde. Soms zei hij urenlang niets en merkte dan opeens tegen zijn dienaar of zijn secretaris op dat hij erg verstoord was door de trage manier waarop er gewerkt werd. “Jullie zijn heel oprecht,” zei Prabhupāda tegen de toegewijden die de leiding hadden, “maar jullie hebben niet veel intelligentie. Ik kan zien dat deze bouw niet goed verloopt. Moet ik mijn ogen ervoor sluiten? Dat kan ik doen, maar ik ben een verstandig man. Hoe kan ik dan mijn ogen ervoor sluiten? Ze komen alleen maar met smoesjes.”
Śrīla Prabhupāda had geen vaste dokter. Af en toe kwam er een kavirāja om een diagnose te stellen en wat medicijnen te geven. Maar Prabhupāda nam het niet erg serieus. Hij vond deze kavirāja’s niet erg gekwalificeerd en wanneer het medicijn bitter smaakte of een nare bijwerking had, nam hij het niet meer in. Alles was in Kṛṣṇa’s handen en een dokter kon daar niets aan veranderen. Prabhupāda merkte op dat ayurvedische en homeopathische medicijnen relatief beter waren, maar net zoals met andere wereldse gespreksonderwerpen, was geneeskunde iets waar hij maar weinig interesse voor toonde.
De dagen gingen vredig voorbij. Er woei een zacht, aangenaam briesje door Prabhupāda’s kamer. Zijn intelligentie was voortdurend scherp en waakzaam, maar zijn gezondheid werd er niet beter op. Bhavānanda Goswami was uit Māyāpur gekomen en had Śrīla Prabhupāda op devote wijze verzorgd, maar hij moest voor belangrijke predikwerkzaamheden terug naar Bengalen. Śrīla Prabhupāda zei dat Bhavānanda zonder twijfel het beste was in het geven van massages en het persoonlijk verzorgen van zijn spiritueel leraar. Maar zijn persoonlijke verzorging was niet net zo belangrijk als het predikwerk.
Śrīla Prabhupāda zei herhaaldelijk dat de leiders van iskcon zich erop moesten voorbereiden het werk zonder zijn direct leiderschap voort te zetten. Op een dag, toen hij een paar voorvallen ophaalde die hij zich uit zijn eerste jaar in New York herinnerde, begon hij plotseling over de toekomst te spreken. “Maak het niet kapot”, zei hij. “Nu is het aan jullie, mijn oudere leerlingen. Ik kan elk moment weg zijn. Mijn gezondheid is niet goed en ik ben een oude man; er is niets verbazingwekkends aan. Jullie zijn jong, Amerikaans en deskundig. Jullie hebben alle benodigde intelligentie. Maak het dus niet kapot. Help de beweging nog meer te groeien. Jullie hebben een heleboel mooie tempels. Wees niet bezorgd. En zelfs als ik ga, wat is daar erg aan? Ik heb mijn ideeën en richtlijnen in mijn boeken gegeven. Jullie moeten het alleen maar leren zien. Ik denk dat ik mijn deel heb gedaan. Is het niet? Wat denken jullie ervan? Zijn jullie het met me eens?”
“Ja, u hebt alles gedaan. Alleen willen we graag het hele Bhāgavatam hebben, Śrīla Prabhupāda.”
“Dat zal gebeuren”, zei Prabhupāda. “Maar zelfs als het niet volledig is, dan is dat nog geen ramp. Jullie zijn capabel. Jullie kunnen ervoor zorgen. Vanaf nu kunnen jullie alle financiële aangelegenheden regelen, zodat ik me niet meer met zulke zaken hoef bezig te houden. Mijn enige verzoek is dat jullie niets kapot maken. Soms heb ik jullie terechtgewezen, om te voorkomen dat jullie iets zouden bederven.”
Prabhupāda zei dat het hem gelukkig zou maken als hij zag dat alles goed verliep onder leiding van zijn iskcon-managers. “Ik ga door met boeken schrijven. Is dat goed?” Hij zei dat hij niet meer hoefde te eten. Omdat hij lichamelijk niet meer actief was, had het geen zin om nog rijst en capātī’s te eten.
Girirāja bracht naar voren dat het Prabhupāda’s leerlingen plezier deed als ze zagen dat hij van de prasādam genoot. Maar Śrīla Prabhupāda negeerde dit en zei dat de hersenen heel goed actief gehouden konden worden met wat fruit of zelfs met alleen maar melk.
Deze stemmingen – waarin Prabhupāda over zich terugtrekken en vasten sprak en zelfs toespelingen maakte op het moment dat hij deze wereld zou verlaten – waren maar sporadisch. Ze waren heel realistisch, praktisch en nuchter, maar al snel ging hij over op andere zaken en beloofde hij voortdurende betrokkenheid bij zijn leerlingen, zijn beweging en de wereld. Kort daarop begon hij dan altijd weer krachtig kritiek te leveren op de dwaasheden van wetenschappers en politici.
Af en toe had Prabhupāda het erover naar een plaats te gaan die beter voor zijn gezondheid was. Het was mei en het was heet in Mumbai. Binnenkort zouden de moessons komen. Hij had overwogen naar Kashmir te gaan, omdat de lucht en het water daar bekend stonden als gezond, maar het was moeilijk om daar goed onderdak te vinden en het was er te koel. Toen kreeg hij op een dag bezoek van Sriman Narayan, de vroegere gouverneur van Gujarat.
“U zou wat meer om uw gezondheid moeten denken”, zei Sriman Narayan. “Ik hoop dat u snel beter wordt.”
“O, dit lichaam is gewoon een oude machine”, lachte Prabhupāda. “Hoe meer je probeert het te genezen, hoe slechter het wordt. Maar mijn werk houdt nooit op. Dat blijft doorgaan. Mijn belangrijkste werk is het schrijven van deze boeken en dat gaat door.” Er waren enkele andere Indiase gasten aanwezig en ze begonnen meteen plaatsen op te noemen die goed voor de gezondheid waren: Srinagar, Kashmir, Dehradun, Masouri, Simla en Hardwar.
“Het water in Hardwar is zeker goed,” zei Sriman Narayan, “maar het zou nog beter zijn om naar Hṛṣīkeśa te gaan, waar de Ganges stroomt. In alle plaatsen die aan de Ganges liggen, is het water erg goed. Laten we dat regelen.” Vanaf dat moment werd het plan om naar Hṛṣīkeśa te gaan definitief en Prabhupāda bereidde zich erop voor binnen een week uit Mumbai te vertrekken.
De eerste week in hṛṣīkeśa was idyllisch en hemels. Het weer was volmaakt en de toegewijden hadden goede hoop dat Prabhupāda weer zou gaan eten en zou herstellen. Maar in de achtste nacht stak er een krachtige storm op en met de storm verslechterde Prabhupāda’s gezondheid drastisch. Hij zei dat het einde nabij was en wilde onmiddellijk naar Vṛndāvana terugkeren, voor het geval Kṛṣṇa verlangde dat hij deze wereld spoedig zou verlaten.
De toegewijden waren gelukkig geweest in Hṛṣīkeśa en Śrīla Prabhupāda ook. Toen ze per boot de Ganges waren overgestoken, had Prabhupāda gevraagd of ze wat water uit het midden van de rivier konden halen om te drinken. Hij had de verblijfplaats gewaardeerd die zijn gastheer hem had aangeboden, en was zelfs de keuken ingegaan om zijn leerlingen te laten zien hoe ze moesten koken. Het nieuws van de aanwezigheid van A. C. Bhaktivedanta Swami had zich door de pelgrims- en toeristenstad verspreid en Prabhupāda had ermee ingestemd om dagelijks van vijf tot zes ’s middags een darśana te geven. De kamer was elke dag gevuld geweest met veertig tot vijftig mensen, waaronder zowel westerse hippies en zoekers als Indiërs die op pelgrimstocht of op vakantie waren. Hoewel Śrīla Prabhupāda’s stem uiterst zwak was geweest, had hij met kracht gesproken en er de nadruk op gelegd dat de mensen de Bhagavad-gītā moesten begrijpen zoals ze is.
Toen een dame materialistisch liefdadigheidswerk als het hoogste goed naar voren had gebracht, had Prabhupāda geantwoord: “Uw medelijden is net zo effectief als het blazen op een steenpuist met de bedoeling die te genezen.”
Er waren maar een paar leerlingen met Prabhupāda in Hṛṣīkeśa en ze hadden het een fantastische ervaring gevonden. Prabhupāda had niet alleen de leiding over het koken genomen, maar hij had onder het koken ook verhalen verteld. Hij had gezegd dat alleen een lui mens niet kon koken en toen had hij een Bengaals verhaal verteld over een luie man om zijn stelling te illustreren. “Er was eens een koning die verkondigde dat alle luie mensen in zijn koninkrijk naar het armenhuis mochten komen om te eten. Er kwamen dus veel mensen die allemaal beweerden dat ze lui waren. Toen droeg de koning zijn minister op om het armenhuis in brand te steken. Alle mensen renden zo snel ze konden het brandende gebouw uit – op twee na. “Mijn rug wordt erg heet van het vuur”, zei de ene man tegen de andere. “Ga gewoon op je andere zij liggen”, adviseerde de andere man hem. Toen zei de koning: “Deze twee zijn echt lui. Geef ze te eten.”
Maar op de avond dat de storm opstak kon Prabhupāda noch slapen, noch zijn vertaling dicteren. Door de storm, een voorbode van het moessonseizoen, viel alle elektriciteit in Hṛṣīkeśa uit. Omdat de ventilatoren niet werkten en de luiken dicht moesten blijven vanwege de wind, werd het erg heet in de kamer.
Maar op de avond dat de storm opstak kon Prabhupāda noch slapen, noch zijn vertaling dicteren. Door de storm, een voorbode van het moessonseizoen, viel alle elektriciteit in Hṛṣīkeśa uit. Omdat de ventilatoren niet werkten en de luiken dicht moesten blijven vanwege de wind, werd het erg heet in de kamer.
De storm en de elektriciteitsstoring bleven ook de volgende nacht aanhouden. Tamāla Kṛṣṇa maakte een opmerking over Prabhupāda’s gezwollen handen en voeten, maar Prabhupāda antwoordde verstoord: “Waar bemoei je je mee? Het is mijn lichaam en ik heb er geen last van.” Maar toen voegde hij er aan toe: “Vanuit materieel oogpunt gezien is het niet goed. Denk alsjeblieft na over hoe alles kan worden overgedragen aan de gbc, zodat alles zal doorgaan als ik weg ben. Maken jullie maar een testament, dan zal ik het tekenen.” Hij sprak nu heel concreet over dingen waar hij eerder alleen maar op had gezinspeeld.
Om half twee ’s morgens belde Prabhupāda plotseling en Tamāla Kṛṣṇa en Kṣīracorā Gopīnātha haastten zich naar hem toe. Vanonder zijn muskietennet zei hij; “Zoals ik je al heb gezegd, zijn de symptomen niet goed. Ik wil onmiddellijk terug naar Vṛndāvana.” Als zijn tijd gekomen was, zei hij, wilde hij het liefst in Vṛndāvana sterven. Omdat hij onmiddellijk wilde gaan, bleven de toegewijden de rest van de nacht op om te pakken en zich op het vertrek voor te bereiden. Maar er waren geen treinkaartjes verkrijgbaar, dus besloten ze met de auto te gaan.
Toen ze de delhi-agra road verlieten op weg naar Vṛndāvana, zag Śrīla Prabhupāda voor het eerst het stenen straatnaambord met zijn naam erop: Bhaktivedanta Swami Marg. Al gauw kwamen ze Guṇārṇava tegen, die op een motor zat te wachten en blij vooruitreed om de toegewijden bij de Kṛṣṇa-Balarama Mandir te vertellen dat Śrīla Prabhupāda eraan kwam. Bij het hek van de tempel had zich een grote kīrtana-groep verzameld, waaronder alle gurukula-
kinderen, om Prabhupāda al chantend en dansend te begroeten. Vier toegewijden droegen Prabhupāda in een palankijn naar de tempelhal, waar hij Kṛṣṇa en Balarāma eerbiedig begroette. Na de ārati-ceremonie sprak Prabhupāda de verzamelde toegewijden kort toe.
“Als de dood komt,” zei hij, “laat die dan hier komen.” Toen ze hem zo zagen en hem deze onverwachte woorden hoorden zeggen, begonnen sommige toegewijden te huilen. “Wel,” vervolgde hij, “er valt niets nieuws meer te zeggen. Alles wat ik te zeggen heb, heb ik in mijn boeken gezegd. Probeer het nu te begrijpen en zet jullie inspanningen voort. Of ik nu aanwezig ben of niet, maak niet uit. Zoals Kṛṣṇa eeuwig is, is ook elk levend wezen eeuwig, maar kīrtir yasya sa jīvati. Wie de Heer heeft gediend, heeft het eeuwige leven. Jullie hebben geleerd Kṛṣṇa te dienen. Met Kṛṣṇa is ons leven dus eeuwig. De tijdelijke verdwijning van dit lichaam is niet zo belangrijk. Het lichaam is bedoeld om te verdwijnen. Leef daarom eeuwig door Kṛṣṇa te dienen.
De volgende dag schreef Śrīla Prabhupāda:
Ik ging naar Hṛṣīkeśa in de hoop dat mijn toestand daar zou verbeteren, maar in plaats daarvan ben ik alleen maar zwakker geworden. Nu ben ik terug in Vṛndāvana, mijn thuis. Als er iets misgaat, ben ik in ieder geval in Vṛndāvana.
Śrīla Prabhupāda riep Tamāla Kṛṣṇa Goswami bij zich. “Er zijn twee mogelijk­heden,” zei hij, “proberen te overleven of me voorbereiden op de dood. Het is het beste om je op het ergste voor te bereiden. Zorg er alsjeblieft voor dat er altijd drie of vier toegewijden bij me zijn. Houd voortdurend kīrtana en laat iemand steeds uit het Śrīmad-Bhāgavatam voorlezen. Ik zal proberen wat te eten, hoewel Pariksit Mahārāja zelfs geen water nam.”
Toen Tamāla Kṛṣṇa Śrīla Prabhupāda in zo’n gemoedstoestand zag, begon hij over de noodzaak van een testament en Prabhupāda stemde toe.
Het schrijven van het testament zou niet gebeuren met de instelling dat het einde was gekomen, maar om ‘zich voor te bereiden op het ergste.’ Het betekende ook dat bepaalde zaken afgehandeld werden, zodat niet alles op het laatste moment gedaan hoefde te worden. Prabhupāda wilde dat zijn beweging veilig door zou gaan, dat alle gebouwen van iskcon in handen van zijn leerlingen binnen de gemeenschap zouden komen en dat al zijn opdrachten voor de toekomst duidelijk zouden zijn. Deze zaken moesten nu snel in een testament worden vastgelegd. De gbc-leden zouden naar Vṛndāvana moeten komen om deze regelingen te treffen en om bij Prabhupāda te zijn.
Tamāla Kṛṣṇa wilde zeker weten dat Prabhupāda inderdaad alle gbc-leden van over de hele wereld bij elkaar wilde roepen; het zou erg duur en niet eenvoudig zijn. Hij vroeg het hem daarom nogmaals. Toen Śrīla Prabhupāda hem ervan verzekerde dat dit inderdaad zijn wens was, sprak Tamāla Kṛṣṇa, die het als zijn taak beschouwde Śrīla Prabhupāda in al zijn verlangens te steunen, zich ook positief uit over het idee.
“Ik weet zeker”, zei hij, “dat ze uit liefde voor u allemaal graag willen komen om bij u te zijn, Śrīla Prabhupāda.”
“Jullie liefde voor mij”, zei Śrīla Prabhupāda, “zal blijken uit hoeveel jullie samenwerken om deze gemeenschap bij elkaar te houden als ik er niet meer ben.”
Alle GBC-secretarissen over de hele wereld werden op de hoogte gesteld. Śrīla Prabhupāda zou spoedig heen kunnen gaan en hij wilde dat ze bij hem in Vṛndāvana waren. Ze lieten allemaal hun werk vallen en kwamen zo snel mogelijk naar hem toe.
De GBC-leden kwamen dus samen en besloten dat, behalve het opstellen van een testament, alle gebouwen binnen iskcon veiliggesteld moesten worden. Er moesten ook maatregelen worden getroffen voor de diverse bank­rekeningen en ze moesten Prabhupāda een aantal dringende vragen voorleggen voor het te laat was. Bepaalde zaken zouden heel duidelijk moeten zijn – bijvoorbeeld hoe in de toekomst nieuwe leerlingen ingewijd zouden worden – anders zouden deze kwesties na Śrīla Prabhupāda’s heengaan een bron van speculatie en verwarring worden.
Er werd een afvaardiging van gbc-leden gekozen. Ze benaderden Śrīla Prabhupāda, die beneden in de grote kamer in zijn bed zat. Satsvarūpa Dāsa Goswami moest het woord voeren, maar hij voelde zich weinig op zijn gemak. Recht op Śrīla Prabhupāda afgaan en vragen wat er na zijn heengaan gedaan moest worden, mocht enigszins onbeschaamd lijken. Maar het was noodzakelijk. Śrīla Prabhupāda had zelf gevraagd of de gbc naar Vṛndāvana kon komen, juist om dit soort zaken te regelen.
“Śrīla Prabhupāda,” zei Satsvarūpa, “de rest van de gbc heeft ons verzocht u een paar vragen te stellen. Dit zijn de oorspronkelijke leden van de gbc, zoals u die in het begin heeft aangesteld. Onze eerste vraag gaat over deze gbc-leden. Hoe lang mogen ze in functie blijven?”
Śrīla Prabhupāda sprak langzaam en diep. “Ze dienen voor altijd te blijven. Zij die gekozen zijn blijven definitief tot de gbc behoren. Maar mochten er zich nieuwe capabele mensen aandienen, dan kunnen die eraan worden toegevoegd.”
Satsvarūpa vroeg wat er moest gebeuren als een gbc-lid zijn post zou verlaten. Prabhupāda zei dat het gbc-orgaan dan iemand anders moest kiezen. “Onze volgende vraag”, ging Satsvarūpa verder, “gaat over toekomstige initiaties, vooral wanneer u niet meer bij ons bent. We willen weten hoe eerste en tweede initiaties dan moeten worden gegeven.”
“Ja,” zei Śrīla Prabhupāda, “ik zal enkelen onder jullie aanbevelen.” Wat hij al vaak in zijn Bhaktivedanta-commentaren had beschreven, zou nu gaan gebeuren: zijn leerlingen zouden guru’s worden en zelf leerlingen inwijden.
Vervolgens stelde Satsvarūpa een vraag over de bbt: “Op dit moment”, zei hij, “wordt er geen vertaald werk gepubliceerd voordat u het hebt gezien en goedgekeurd. De vraag is nu of er niet een bepaald systeem is om in de toekomst boeken te publiceren die u misschien niet kunt nakijken.”
“Dat moeten we zorgvuldig bestuderen”, antwoordde Prabhupāda. Hij was het met het principe eens dat iemand anders in de toekomst nog meer boeken uit het Sanskriet zou vertalen, maar hij waarschuwde: “Ik geloof niet dat er onder mijn leerlingen veel mensen zijn die dat naar behoren zouden kunnen doen.”
Śrīla Prabhupāda beschreef de verschillende kwalificaties die nodig waren voor het vertalen van vaiṣṇava-literatuur uit het Sanskriet. De persoon in kwestie moest een gerealiseerde ziel zijn, zei hij. “Alleen maar imiteren, a-b-c-d, dat is niet genoeg. De mensen lezen mijn commentaren graag omdat ze voortkomen uit praktische ervaring. Daarom moet de vertaler zelf-gerealiseerd zijn.”
Śrīla Prabhupāda had de belangrijkste punten voor zijn testament al aan Tamāla Kṛṣṇa Goswami gegeven. De GBC zou het hoogste bestuursorgaan van iskcon zijn. Voor ieder gebouw zouden drie trustees worden benoemd. De GBC moest deze en andere punten in detail uitwerken en het testament laten verzegelen bij de notaris.
Voor Śrīla Prabhupāda betekende een testament bescherming voor zijn iskcon. Zoals hij had uitgelegd, heeft een toegewijde geen greintje eigenbelang – alles is voor Kṛṣṇa. Maar zuiverheid betekent niet dat we naïef moeten zijn. iskcon was een grote, groeiende organisatie met gebouwen en geld, die voor honderd procent bestemd waren voor gebruik in de devotionele dienst van Kṛṣṇa. Śrīla Prabhupāda riep de gbc op waakzaam te zijn.
Op zulke momenten werd het heel duidelijk dat de dag naderde waarop Prabhupāda’s kinderen volwassen moesten worden en zijn gemeenschap alleen moesten gaan leiden, beheren, beschermen en uitbreiden. Dit zou weleens hun laatste kans kunnen zijn om rechtstreeks van hem te leren, om dicht bij hem te zijn tijdens het chanten van de heilige namen en om zich volkomen in te zetten voor het inwilligen van zijn verlangens voor ISKCON.
Een paar dagen later werd de uiteindelijke versie van het testament verzegeld in het bijzijn van een notaris. De GBC-leden die ieder in hun eigen gebied dringende plichten hadden, begonnen de noodzaak te voelen naar hun post terug te keren. Prabhupāda gaf ze toestemming om te gaan. Ze waren een week bij elkaar geweest en nu begonnen ze één voor één te vertrekken. Een week later waren de meesten weer weg uit Vṛndāvana. Śrīla Prabhupāda bleef achter met zijn kleine team en de toegewijden van de Kṛṣṇa-Balarāma-tempel gingen door met vierentwintig uur per dag te chanten.
Ook in de maand juni bleef het erg heet in Vṛndāvana. De lucht, die helder blauw was geweest, werd nevelig; een teken dat de moessonregens op komst waren. Tussen twaalf en vier uur ’s middags was de grond te heet om op blote voeten te lopen. De inwoners van Vṛndāvana bleven dan gewoonlijk binnenshuis en waren alleen ’s morgens en laat in de middag of ’s avonds actief. Er werd ’s middags zelfs niet gegeten, omdat de hitte alle eetlust bedierf. De Yamunā was ondiep en heet en gaf maar weinig verlichting. De koeien waren uitgemergeld door gebrek aan gras en water. Af en toe deden verschroeiende winden grote wolken stof opwaaien. Vliegen en muskieten vielen dood uit de lucht. Een van de weinige aangename aspecten van de zomer was de geur van de klokjesbloemen die langs de muren om Prabhupāda’s tuin omhoog klommen en die op een of andere manier welig tierden in de hitte.
In de eerste dagen van juni kreeg Prabhupāda opnieuw wat hoop dat hij zou genezen. Hij wilde zijn ochtendritjes hervatten en toen hij naar de auto gedragen werd zei hij: “Binnenkort loop ik zelf naar beneden.” Zijn oude vriend uit Allahabad, dokter Ghosh, kwam en zei dat zijn ziekte het gevolg was van de zorgen die hij zich om de toegewijden maakte. Śrīla Prabhupāda was het met deze diagnose eens, maar hij volgde de voorschriften van de dokter niet op, omdat ze onder andere inhielden dat hij zijn bloeddruk regelmatig moest laten controleren, verschillende medicijnen moest innemen en speciale behandelingen moest ondergaan. Maar hij voelde dat hij vooruitging door de massages die zijn dienaren hem regelmatig gaven. Als het zo doorging, zei hij, zou hij binnen anderhalve maand weer beter zijn. “Maar”, zei hij met nadruk, “ik ga niet uit Vṛndāvana weg tot ik beter ben.”
In juli begon het regenseizoen. Vanaf het begin van de maand begonnen zich wolken te vormen en veertien dagen later regende het iedere dag. De parfum van kadamba-bloemen hing zwaar in de lucht en na een regenbui verspreidde de bloesem van de neemboom haar ui-achtige geur. De pauwen met hun volle staarten begonnen uitgelaten te dansen en te roepen. Soms zat Śrīla Prabhupāda in zijn bed of aan zijn bureau op een onoverdekt deel van de veranda als er plotseling een stortbui losbarstte. Dan holden zijn dienaren naar buiten om hem zo snel mogelijk naar binnen te dragen. Wanneer hij door de regen niet in de tuin kon zitten, zette hij zich in plaats daarvan in een leunstoel op de kleine veranda die op de tuin uitkeek. Op zijn minst waren de temperaturen overdag wat draaglijker.
Prabhupāda rustte uit en beperkte zich tot zijn dagelijkse bezigheden; zo wachtte hij af wat Kṛṣṇa verlangde. Vaak werd hij om ongeveer zes uur ’s morgens wakker. Hij opende dan zijn ogen en zag Tamāla Kṛṣṇa naast zijn bed zitten. Dan strekte hij zijn armen uit om aan te geven dat hij rechtop wilde zitten. Tamāla Kṛṣṇa of een andere dienaar streek dan zachtjes over zijn rug, terwijl Prabhupāda vertelde waar hij aan had liggen denken.
Er kwamen maar weinig toegewijden naar Vṛndāvana en gasten kregen zelden toestemming om Prabhupāda te bezoeken. Zijn toestand ging niet vooruit, maar leek evenmin kritiek te zijn, zoals dat in mei het geval was geweest. Omdat hij nauwelijks at, sterkte hij niet aan. Zijn voornaamste behandeling bestond uit het luisteren naar kīrtana, het Śrīmad-Bhāgavatam en het Caitanya-caritāmṛta.
Juli leek een gunstige maand te worden voor Śrīla Prabhupāda’s werk aan het Śrīmad-Bhāgavatam. Hij dicteerde iedere dag – ’s morgens heel vroeg en ’s middags – en voltooide hoofdstuk acht en negen van het tiende canto. Dit deed hem veel plezier. Tijdens zijn werk aan het Śrīmad-Bhāgavatam, stond hij volledig boven zijn lichamelijke toestand, ondanks de voortdurende hartkloppingen en zijn algemene zwakte. Het was zelfs moeilijk voor hem om te zitten en toch, als hij eenmaal begon te werken, kon niets hem tegenhouden.
Met de microfoon van zijn dicteermachine in zijn hand beschreef Prabhu­pāda geduldig en methodisch hoe Nanda Mahārāja’s familiepriester, Gargamuni, de naamgevingsceremonie voor kleine Kṛṣṇa uitvoerde. In zijn commentaren sprak Śrīla Prabhupāda vaak vanuit zijn eigen ervaringen en realisaties.
Soms zat hij in de vroege ochtendlucht op de veranda van de eerste verdieping van zijn huis te werken en soms in de vochtige hitte van een zonnige namiddag. Dan beschreef hij de tijdloze vedische kennis, net zoals zijn voorgangers, de Goswami’s en Kṛṣṇadāsa Kavirāja, dat bijna vijfhonderd jaar geleden in Vṛndāvana hadden gedaan. Maar Śrīla Prabhupāda was de eerste grote ācārya die de Kṛṣṇa-bewuste literatuur voor mensen over de hele wereld toegankelijk maakte, ongeacht hun afkomst, maatschappelijke positie of verleden. Terwijl hij doorwerkte aan de laatste hoofdstukken van het Śrīmad-Bhāgavatam, waren er duizenden jonge mannen en vrouwen bezig namens hem de vedische boodschap over de hele wereld te verkondigen. Zijn leerlingen waren zich in feite scherp bewust van hoe Śrīla Prabhupāda de commentaren op het tiende canto in Vṛndāvana produceerde, en zij baden tot Heer Kṛṣṇa dat hij nog vele jaren mocht doorgaan, zodat hij het hele Śrīmad-Bhāgavatam kon voltooien..
Śrīla Prabhupāda wilde er zeker van zijn dat wat hij schreef, gepubliceerd en verspreid zou worden; dit was zijn dienst aan zijn guru mahārāja. Het deed hem veel plezier te horen dat er steeds meer boeken over de hele wereld verkocht werden. Harikeśa Swami, de gbc-secretaris voor Noord- en Oost-Europa, schreef Śrīla Prabhupāda dat hij een enorme hoeveelheid boeken in dertien talen aan het drukken was. Het begin van zijn verslag was genoeg om Śrīla Prabhupāda verheugd te laten uitroepen: “Alle zegen van Bhaktisiddhānta Sarasvatī zij met jou! Jij bent de belangrijkste kleinzoon van Bhaktisiddhānta Sarasvatī. Ga zo door.”
Het was in een soortgelijke stemming dat hij zijn gbc-secretaris voor India, Gopala Kṛṣṇa, aanspoorde om zijn boeken sneller en in grotere hoeveelheden in het Hindi uit te brengen. Telkens als Gopala Kṛṣṇa Prabhupāda kwam opzoeken zonder dat hij een recent uitgebracht boek bij zich had, gaf Prabhupāda hem een uitbrander vanwege het feit dat hij zo langzaam was. Daarom begon Gopala Kṛṣṇa een nieuwe gedragslijn te ontwikkelen: hij bezocht Prabhupāda alleen nog maar als hij hem een nieuw boek aan te bieden had. Halverwege de maand juli kwam Gopala Kṛṣṇa een exemplaar van het Śrīmad-Bhāgavatam, eerste canto, deel twee, in het Hindi brengen. Śrīla Prabhupāda aanvaardde het blij en zei: “Dit is nu al de tweede keer dat hij hier met een boek komt, omdat ik hem als hij geen boek meebrengt, altijd maar vraag: ‘Waar blijven de boeken? Waar blijven de boeken?’”
Tegen het einde van juli scheen Prabhupāda’s gezondheid weer te verslechteren. En opnieuw merkte hij op dat het einde ieder moment kon komen.
Tamāla Kṛṣṇa had zes maanden achter elkaar de functie van Śrīla Prabhupāda’s privé-secretaris vervuld en hij was Prabhupāda’s ogen, oren en woordvoerder geworden, vooral wat de organisatie van iskcon aanging. Hij was ook Prabhupāda’s vertrouwensman, omdat hij hem had bijgestaan in al zijn transcendentale stemmingen. Als oprecht dienaar stelde hij nu een ander geneesmiddel voor. Śrīla Prabhupāda had de laatste tijd de intense liefde geuit die hij voelde voor zijn leerlingen, die zich volledig voor het prediken inzetten. Tamāla Kṛṣṇa, die dit als een aanwijzing zag, opperde dat wanneer Prabhupāda naar het Westen zou reizen en daar bij zijn leerlingen kon zijn, hij misschien nieuw leven zou vinden.
“Maar wanneer ik sterf,” zei Prabhupāda, “wil ik in Vṛndāvana zijn.” Tamāla Kṛṣṇa antwoordde dat Śrīla Prabhupāda niet aan sterven moest denken. Als hij in het Westen zou zijn, de toegewijden daar zou zien en prasādam zou eten dat gemaakt was van gewassen die op iskcon-boerderijen verbouwd werden, dan zou hij, te midden van zoveel devotie, zeker zijn eetlust en kracht weer terugkrijgen.
Tamāla Kṛṣṇa moedigde hem aan: “Wanneer u daar bent, omringd door zoveel toegewijden die hun leven geven om het Kṛṣṇa-bewustzijn te verspreiden en u te assisteren, zult u enorm geïnspireerd raken. En u hoeft niet eens te spreken. Het gaat om uw aanwezigheid – het feit dat u de toegewijden ziet en dat zij u zien. Op die manier zal het niet zo vermoeiend zijn. Als u in augustus gaat, is het weer ook goed in Londen.”
Prabhupāda wendde zich tot Upendra en zei: “Alleen door naar hem te luisteren, word ik al enthousiast.”
“Śrīla Prabhupāda,” zei Tamāla Kṛṣṇa, “als u naar het Westen gaat, wéét ik dat u beter zult worden.”
“Dat Kṛṣṇa je woorden maar mag vervullen”, antwoordde Prabhupāda.
In juli 1977 brak er een speciale tijd aan voor gelovige hindoes en de inwoners van Vṛndāvana besteedden extra tijd aan het lezen van de heilige teksten en het bezoeken van de heilige plaatsen. Tegen het einde van juli, toen de bomen en struiken frisse groene blaadjes kregen, kwamen de pelgrims in drommen naar Vṛndāvana en naar de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir. Ondanks de modder en de regen waren de mensen in een uitgelaten stemming. Ze voelden zich opgelucht na de drukkende hitte en keken met verlangen uit naar Jhulana-yātrā. Jhulana-yātrā was het grootste festival van Vṛndāvana en zou dit jaar in het midden van augustus plaatsvinden.
De plaatselijke kranten hielden het publiek op de hoogte van Śrīla Prabhu­pāda’s gezondheid. In heel Vṛndāvana en de omringende dorpen maakte men zich oprecht bezorgd om zijn welzijn. Dit was een van de redenen waarom zoveel mensen de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir bezochten. Degenen die rond negen uur ’s morgens kwamen, kregen Śrīla Prabhupāda te zien wanneer hij naar de Beeldgedaanten ging voor de ochtend-darśana.
Śrīla Prabhupāda had nog steeds geen eetlust en de laatste zes weken had hij dan ook nauwelijks iets gegeten. Hij sliep, liet zich masseren of vertaalde, zonder zich aan een bepaalde regelmaat te houden. Omdat hij voelde dat zijn toestand weer kritiek was, had hij de toegewijden van heel iskcon toestemming gegeven een eenvoudig gebed te zeggen: “Mijn lieve Heer Kṛṣṇa, indien U dat verlangt, genees Śrīla Prabhupāda dan alstublieft.” Śrīla Prabhupāda kwam iedere morgen voor de Beeldgedaanten. Hij zat dan rechtop in zijn schommelstoel met een donkere zonnebril op. Hij hield zijn handen tegen elkaar ten teken van gebed, terwijl twee toegewijden de schommelstoel voorzichtig van zijn kamer naar de tempelkamer droegen. Ze zetten de stoel eerst voor het altaar van Gaura-Nitai, daarna voor Kṛṣṇa-Balarāma en vervolgens voor Rādhā-Śyāmasundara. Dan droegen ze hem naar het midden van de binnenplaats, onder de tamāla-boom. en zetten zijn stoel op de zwart-wit geblokte marmeren vloer.
Śrīla Prabhupāda keek van daar naar Kṛṣṇa en Balarāma en de toegewijden gingen om hem heen zitten en begonnen een kīrtana. Twee gurukula-jongens stonden dan op en dansten met opgeheven armen waarbij hun katoenen cādars heen en weer zwaaiden. Over het algemeen sprak of glimlachte Prabhupāda zelfs niet, maar na een paar minuten gaf hij zijn bloemenkransen aan een toegewijde, die ze de dansers om de nek hing. Na enige tijd kwamen er twee andere jongens naar voren en de eerste jongens hingen ze de kransen om die ze van Prabhupāda hadden gekregen en gingen zitten. Het dansen en zingen duurde een half uur. Gasten die de tempel bezochten, kwamen om Prabhupāda heen staan en velen van hen legden geld neer aan zijn voeten, die op een geborduurd zijden kussen rustten.
Srīla prabhupāda’s verlangen om naar het Westen te gaan werd steeds sterker. “Als ik nog een beetje meer kan werken,” zei hij, “zal onze gemeenschap erg sterk worden. Ik wil erop toezien dat alles wat ik tot stand heb gebracht, nog sterker wordt.”
Maar Prabhupāda’s plannen om te gaan reizen gingen gepaard met een toenemende zwakheid. Hij sprak minder. Wanneer Tamāla Kṛṣṇa hem probeerde aan te moedigen om te vertalen, antwoordde hij: “Als ik inspiratie krijg, zal ik het doen. Probeer me niet te forceren. Ik maak een moeilijke tijd door en ik voel me op dit moment rusteloos. Het is niet iets mechanisch.”
De pelgrims die voor jhulana-yātrā kwamen, waren meestal dorpelingen. Velen van hen kwamen uit Rajasthan. Je kon ze herkennen aan hun felgekleurde kleding en de zware gouden en zilveren enkel- en armbanden van de vrouwen, die rinkelden bij iedere stap wanneer ze blootvoets over de weg liepen. Ook het aantal sādhu’s nam toe; ze begonnen gewoon tot het straatbeeld te horen. Hun lichamen waren vaak besmeerd met as of klei en gesierd met felgekleurde tilaka. De Yamunā was op vele plaatsen buiten haar oevers getreden en stroomde te snel om erin te kunnen baden of zwemmen. Er kwamen duizenden bezoekers naar de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir, die nu een van de populairste tempels in heel Noord-India was. Bij de avond-ārati was het zo druk dat de toegewijden gedwongen waren aan de rand van de binnenplaats te blijven staan, achter de dringende menigte. Een paar gurukula-jongens begroetten de gasten met nummers van Back to Godhead in het Hindi; ieder van hen verkocht twee- tot driehonderd tijdschriften per avond. Śrīla Prabhupāda was blij dit te horen.
Abhirama in Kolkata liet weten dat ze eindelijk Śrīla Prabhupāda’s paspoort hadden ontvangen en dat het Amerikaans consulaat hen zou helpen de groene kaart voor de Verenigde Staten te verkrijgen. Tamāla Kṛṣṇa rende naar boven om het aan Śrīla Prabhupāda te vertellen: “Er is heel goed nieuws.” Śrīla Prabhupāda lag in bed, maar toen hij het nieuws hoorde, begon hij zachtjes in zijn handen te klappen en zei: “Breng me goed nieuws en houd me in leven!” Hij begon meteen aan Londen te denken. “De Beeldgedaanten van Rādhā en Kṛṣṇa daar zijn zo mooi. Rādhā-Londonīśvara – Hij is een onschuldige jongen.” Śrīla Prabhupāda dacht aan de Bhaktivedanta Manor. “Dat grasveld voor mijn kamer is magnifiek”, zei hij. “Ik denk dat we een goede tijd tegemoet gaan.”
* * *
Toen prabhupāda in Londen aankwam, schrokken zijn leerlingen. Ze hadden nooit kunnen denken dat hij zó mager zou zijn. Hoe kon iemand in zo’n toestand reizen! Het was een hartverscheurende ervaring voor de toegewijden die hem van het vliegveld kwamen afhalen. Ook al hadden ze uit Vṛndāvana regelmatig nieuws ontvangen over Prabhupāda’s gezondheid, toch waren ze emotioneel niet voorbereid op zo’n verandering. Prabhupāda was even transcendentaal als altijd – of zelfs meer – maar de toegewijden waren in het begin echt geschokt geweest hem zo te zien. Hij deed hen denken aan een grote wijze die langdurige ascese had ondergaan voor het welzijn van de mensheid en die aan zijn lichaam ontstegen was, hoewel hij er nog steeds in leefde. Toch gaf het feit dat Śrīla Prabhupāda naar Londen was gekomen, de toegewijden hoop dat hij weer zou herstellen.
Śrīla Prabhupāda keek met verlangen uit naar zijn reis naar Amerika. Hij wilde twee weken na zijn aankomst in Engeland de overtocht maken, vlak na Janmāṣṭamī, dat op 6 september zou vallen. “Ik wil nog wat langer leven”, zei hij, “om alles volmaakter te maken.” “Gaat u dat doen door de toegewijden met uw aanwezigheid te inspireren?” vroeg Tamāla Kṛṣṇa, “of hebt u een speciaal plan?”
“Ik heb een speciaal plan”, antwoordde Śrīla Prabhupāda. “Ik wil het varnāśrama-systeem invoeren. Op onze boerderij in Pennsylvania is het grootste probleem in het leven opgelost: voedsel.” Hij beschouwde het instellen van het vedisch sociaal systeem op de iskcon-boerderijen als een belangrijk onderdeel van zijn levenstaak, dat hij nog niet volledig had volbracht. Maar nadat Prabhupāda twee weken in Londen was geweest – het was op de dag na zijn verjaardag – ging zijn toestand plotseling sterk achteruit. Dit was de eerste crisis sinds hij naar Engeland was gekomen. Het veranderde plotseling al zijn plannen; in plaats van naar de Verenigde Staten te gaan, wilde hij nu naar India teruggebracht worden. Hij had het over Mumbai. “Als ik nog maar een paar dagen te leven heb, laat me dan de opening van de tempel in Mumbai meemaken. Laten we hier wachten en dan naar Mumbai vliegen. Ik heb er zo hard voor gewerkt. Als ik de opening bij kan wonen en daarna sterf, zal ik een vredige dood hebben. En als ik blijf leven, kan ik hier terugkomen.”

Śrīla Prabhupāda keerde naar Mumbai terug, maar zijn gezondheid ging niet vooruit. Uiteindelijk besloot hij dat hij liever naar Kṛṣṇa en Balarāma in Vṛndāvana ging dan in zo’n kritieke staat in Mumbai te blijven.
“Maar Śrīla Prabhupāda,” zei Tamāla Kṛṣṇa, “wat zal er gebeuren met alle toegewijden hier? Ze hebben u allemaal zo trouw gediend. Hoe kunnen ze de tempel openen als u er niet bij bent? Alle toegewijden zullen mee willen gaan, wanneer ze horen dat u naar Vṛndāvana vertrekt. Niemand zal hier willen blijven. Iedereen zal zijn post verlaten en met u mee naar Vṛndāvana komen.”
“Ja. Laat ze maar komen”, zei Śrīla Prabhupāda. “Ik heb er geen bezwaar tegen.” Tamāla Kṛṣṇa merkte op dat de komst van duizend toegewijden naar Vṛndāvana om bij Śrīla Prabhupāda te zijn, het werk van iskcon over de hele wereld zou vertragen. Prabhupāda zei opnieuw dat hij er geen bezwaar tegen had. Tamāla Kṛṣṇa vroeg of de gbc-leden ook moesten komen en Prabhupāda bevestigde dat.
De toegewijden van de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir waren ontsteld over het feit dat Prabhupāda’s gezondheid zo sterk achteruit was gegaan in de tijd dat hij weg was geweest. Zijn kamer was nog zoals hij die had achtergelaten, op een groot bed na, dat de toegewijden erin hadden gezet. Hij ging liggen. Ze sloten de gordijnen en dimden het licht. Hij bleef ongeveer vijf minuten stil liggen met zijn ogen gesloten.
“Nu bent u thuis, Śrīla Prabhupāda”, zei Tamāla Kṛṣṇa.
Śrīla Prabhupāda bewoog niet. Toen bracht hij zijn handen langzaam naar zijn borst, sloeg ze ineen en zei: “Dank je wel.” Hij scheen opgelucht te zijn.
“Nu bent u onder de hoede van Kṛṣṇa-Balarāma”, zei Tamāla Kṛṣṇa.
Śrīla Prabhupāda glimlachte en knikte lichtjes. “Ja”, zei hij. “kṛṣṇa tvadīya-
pada-paṅkaja-pañjarāntam
”, waarmee hij verwees naar het beroemde gebed van Koning Kulaśekhara: “Mijn lieve Kṛṣṇa, laat me alstublieft nu onmiddellijk sterven, zodat de zwaan van mijn geest omstrengeld kan raken door de stengel van Uw lotusvoeten. Hoe zal ik anders in staat zijn, op het moment dat ik mijn laatste adem uitblaas, aan U te denken?”
Hoewel Śrīla Prabhupāda zich in een hachelijke toestand bevond, bleven zijn gedachten volkomen gefixeerd op Kṛṣṇa, in welke vorm dan ook – Kṛṣṇa’s naam, Zijn gedaante, Zijn activiteiten of Zijn devotionele dienst. Prabhupāda stelde voor dat hij om half tien Kṛṣṇa en Balarāma zou gaan zien, zoals hij dat vroeger ook gedaan had, maar zijn dienaren raadden hem aan vandaag te rusten en morgen zijn dagelijkse programma te hervatten. “Ik zal alles doen wat jullie verlangen”, beloofde Prabhupāda.
Tamāla Kṛṣṇa vroeg hem of hij wilde dat er een kavirāja kwam. “Zoals u zelf hebt gezegd, Prabhupāda, iets is beter dan niets – ook al weet hij dan niet veel.”
“Nu moeten jullie alles regelen,” zei hij, “zodat ik aan Kṛṣṇa en Balarāma kan denken.”
Gehoor gevend aan Śrīla Prabhupāda’s oproep, kwamen de drieëntwintig leden van de gbc weer in Vṛndāvana samen. Ze arriveerden in een zwaarmoedige stemming, maar eenmaal bij Śrīla Prabhupāda brachten ze hem toch met plezier verslag uit van de resultaten van het predikwerk in de verschillende delen van de wereld. Śrīla Prabhupāda was blij de verslagen te horen en hij moedigde zijn leiders zoals altijd aan, ondanks het feit dat hij er zo slecht aan toe was.
Eigenlijk had Prabhupāda de gbc-leden bijeengeroepen om voor hem te chanten. Meer dan ooit had hij nu behoefte aan het medicijn van de heilige naam en niet aan dat van de dokters. Toen hij hoorde dat zijn vriend, dokter Ghosh, naar Vṛndāvana zou komen om een kliniek te openen en dat hij hem wilde behandelen, sloeg hij het aanbod af. “Die dokters komen en geven je iets om te proberen je in leven te houden,” zei hij, “maar ik wil niet in leven worden gehouden. Dokter Ghosh mag komen voor de kliniek die hij wil opzetten, maar niet om mij te behandelen.” Tamāla Kṛṣṇa vroeg of ze niet op zijn minst een paar dokters uit Vṛndāvana konden roepen.
“Nee”, zei Prabhupāda. “Laten we nu jouw advies volgen en alleen maar naar kīrtana luisteren.” Tamāla Kṛṣṇa gaf toe dat kīrtana het beste was, omdat ze op die manier Kṛṣṇa smeekten om te helpen.
“Jullie kunnen Kṛṣṇa beter niet vragen om me in leven te houden”, zei Prabhupāda. “Laat me nu sterven.”
Toen Harikeśa over de telefoon te horen kreeg dat hij onmiddellijk naar Vṛndāvana moest komen, werd hem verteld dat hij “zich op het ergste moest voorbereiden.” Hij nam direct contact op met zijn drukker, die net de laatste hand legde aan enkele boeken, en zei hem dat hij absoluut de volgende dag de eerste exemplaren van elk nieuw boek moest hebben. Dus tegen de tijd dat hij op het vliegtuig naar India stapte, had hij nieuw gedrukte delen van het tweede canto van het Śrīmad-Bhāgavatam in het Duits, de Kṛṣṇa-trilogie in het Duits en een Servo-Kroatische editie van Śrī Īśopaniṣad bij zich. Harikeśa ging naar binnen en toonde Prabhupāda de zeven nieuwe boeken. Onmiddellijk pakte Prabhupāda het eerste deel van de Kṛṣṇa-trilogie en hield het omhoog om het plaatje van Rādhā en Kṛṣṇa op de kaft te bekijken. Prabhupāda begon te huilen en strekte zijn hand uit om over Harikeśa’s hoofd te aaien. Harikeśa, die zichzelf niet waardig achtte om over zijn hoofd gestreken te worden, pakte Śrīla Prabhupāda’s hand vast.
“Hij zat hier weg te kwijnen achter de typemachine”, zei Prabhupāda, doelend op de tijd dat Harikeśa zijn secretaris was geweest. “Ik zei: ‘Ga jij maar.’ Ik had tien dienaren. Jij dacht dat ik je vernederde door je weg te sturen – maar nee. Begrijp je het nu?”
“Ja, nu begrijp ik het”, antwoordde Harikeśa snikkend.
“Ik dacht: dit is een intelligente jongen”, zei Śrīla Prabhupāda. “Waarom zou hij hier achter de typemachine moeten wegkwijnen?” Hij bekeek de boeken stuk voor stuk. “Het drukwerk en al de rest is van de beste kwaliteit”, zei hij. Hij vroeg hoeveel er gedrukt waren en Harikeśa antwoordde: “Honderdtwintigduizend Krisna-trilogieën, zestigduizend tweede canto’s van het Śrīmad-Bhāgavatam en tienduizend Īśopaniṣads. “Kun je die Īśopaniṣad verspreiden?” vroeg Prabhupāda.
Alle toegewijden in de kamer wisten hoeveel risico’s Harikeśa had genomen om Śrīla Prabhupāda’s boeken in de communistische landen van Oost-Europa te verspreiden en dat maakte de toch al hevig emotionele sfeer van dat moment nog intenser.
Harikeśa verzekerde Prabhupāda ervan dat ze het boek in Joegoslavië konden verspreiden.
Harikéš ujistil Prabhupádu, že v Jugoslávii si nepochybnĕ všechny výtisky své čtenáře najdou.
“Dan moet je er meer drukken”, zei Prabhupāda. Het gesprek ging verder over de boekproductie. Boeken waren inderdaad Prabhupāda’s hart en ziel. Door Harikeśa’s komst met deze nieuwe boeken was Prabhupāda in een diepe extase geraakt en zijn transcendentale emoties waren op Harikeśa en alle andere toegewijden in de kamer overgeslagen. Iedereen was zich er sterk van bewust dat de wisselwerking die ze met Prabhupāda ervoeren zuiver spiritueel was. “Nu moet u alleen nog beter worden”, zei Harikeśa.
“Beter?” riep Śrīla Prabhupāda uit. “Ik heb niets met dit lichaam te maken.”
Srīla prabhupāda bereidde zich er steeds meer op voor om deze wereld te verlaten. Toen Tamāla Kṛṣṇa vroeg waarom hij zo weinig dronk, antwoordde Prabhupāda dat hij geen zin had om te drinken. Voor de toegewijden was het heel moeilijk om, net als hij, naar zijn heengaan te verlangen. Ze probeerden het filosofisch te bekijken, zodat ze erin zouden kunnen berusten. Rūpanuga vergeleek Prabhupāda met een ambassadeur van een ander land die nu uiteindelijk teruggeroepen werd. Jayādvaita zei dat Prabhupāda zijn leerlingen alles had geleerd en dat hij ze nu liet zien hoe te sterven. In hun gesprekken bespraken de toegewijden vooral het belang van hun onderlinge samenwerking en hoe iskcon in de toekomst door zou gaan. Maar het was allemaal deprimerend.
Desalniettemin ontkwamen ze niet aan het onplezierige maar onvermijdelijke feit dat Prabhupāda hen binnenkort zou verlaten. Nu Prabhupāda zo duidelijk aangaf dat hij definitief had besloten te gaan, begonnen de toegewijden wanhopig te worden. De stemming was ernstig en zwaarmoedig.
Toen zei Śrīla Prabhupāda dat ze Nārāyaṇa Mahārāja, een leerling van Śrīla Prabhupāda’s sannyāsa-guru, moesten vragen naar de bijzonderheden van de ceremonie voor een overleden vaiṣṇava. Hij beschreef ook waar zijn samādhi moest staan en verlangde dat er na zijn heengaan in alle grote tempels in Vṛndāvana een feestmaaltijd geserveerd zou worden op kosten van ISKCON.
Op een bepaald niveau leek alles gewoon door te gaan. Het oktoberweer was erg aangenaam. De gurukula-jongens vervolgden hun dagelijkse bezigheden en de verering van de Beeldgedaanten werd ook gewoon voortgezet. Maar vóór de tempel begonnen de arbeiders een ruimte vrij te maken voor Prabhupāda’s samādhi.
Op een dag kwamen Prabhupāda’s vertrouwelijkste leerlingen rond zijn bed staan en smeekten hem huilend om nog minstens tien jaar bij hen te blijven. Śrīla Prabhupāda overwoog hun verzoek. Hij hield zijn ogen gesloten en het leek alsof hij in zichzelf met Kṛṣṇa aan het overleggen was. Ze hoorden hem een paar keer alleen maar ‘hmm’ zeggen. Alle toegewijden stonden in spanning om hem heen, zonder hun blik ook maar een moment van hem af te wenden. Toen, met zijn ogen nog steeds gesloten, gaapte hij. “Goed dan”, zei hij. Dit was waarschijnlijk de meest terloopse beslissing over leven en dood die er ooit gemaakt was. Op dat moment beseften de toegewijden Śrīla Prabhupāda’s onafhankelijke positie; hij kon naar wens gaan of blijven.
Ondanks het feit dat hij beloofd had om te blijven leven, zei Śrīla Prabhupāda nu weer dat zijn leven in Kṛṣṇa’s handen lag – alles lag in Kṛṣṇa’s handen. Zijn wilsvrijheid betekende niet dat hij volkomen onafhankelijk was. Integendeel, de houding van een zuivere toegewijde bestaat eruit zich uit eigen vrije wil aan Kṛṣṇa over te geven, wat er ook gebeurt. Śrī Caitanya Mahāprabhu had in de geest van de gopī’s – Kṛṣṇa’s dierbaarste toegewijden – gebeden: “U mag me ruw behandelen met Uw omarming of mijn hart breken door niet zichtbaar voor me te zijn, maar U blijft altijd mijn Heer, die ik onvoorwaardelijk aanbid.”
Omdat de uitwisselingen tussen de Heer en Zijn zuivere toegewijden altijd hoogst persoonlijk zijn, geven zowel de Heer als Zijn toegewijden uiting aan verlangens en aan een eigen wil. In de līlā van Zijn kinderjaren breekt Kṛṣṇa soms de boterpot van Zijn moeder Yaśodā en soms staat Hij haar toe Hem te pakken te krijgen en vast te binden. Toch hebben de Heer en Zijn toegewijden altijd eenzelfde interesse, hoewel dit soms tot uiting komt in een liefdevol conflict. Op dezelfde manier moest Śrīla Prabhupāda zich toch overgeven aan de wil van Kṛṣṇa, ook al had hij zijn toegewijden beloofd in deze wereld te blijven en de dood te trotseren.
Śrīla Prabhupāda had zijn overgave al uitgedrukt in het gebed dat hij zijn leerlingen had gegeven om voor hem op te zeggen.: “Mijn lieve Heer Kṛṣṇa, als U dat verlangt, geneest U dan alstublieft Śrīla Prabhupāda.” Met de woorden ‘als U dat verlangt’ herinnerde hij zijn volgelingen eraan dat Kṛṣṇa het uiteindelijke recht van beslissing had en vroeg hij hun zich daarnaar te schikken. En toch gaf hij zo ook een manier om een verzoek tot Kṛṣṇa te richten. In een soortgelijke situatie in 1967 had hij zijn leerlingen een ander gebed gegeven: “Mijn leraar heeft zijn werk nog niet voltooid.” Hij had toen gezegd dat Kṛṣṇa hun gebeden had verhoord en het verlangen van de toegewijden had vervuld. Nu zei Śrīla Prabhupāda dat Kṛṣṇa hem de keus gelaten had om te leven of te sterven. Maar als een afhankelijke ziel was Śrīla Prabhupāda altijd gevoelig voor wat Kṛṣṇa verlangde en wachtte hij verdere ontwikkelingen af. Toen Kīrtanānanda Prabhupāda had uitgenodigd om naar zijn paleis in New Vrindaban te komen, had hij geantwoord: “We zullen nog wel zien naar welk paleis ik ga.”
Zoals er soms een liefdevolle spanning kan bestaan tussen de Allerhoogste en Zijn zuivere toegewijde, zo heerste er een soortgelijke spanning tussen Śrīla Prabhupāda en zijn volgelingen. Voordat de toegewijden bij zijn bed waren komen staan en hem wanhopig gesmeekt hadden om te blijven, had Śrīla Prabhupāda het als zijn plicht gezien zijn leerlingen te onderwijzen hoe ze moesten sterven. Het was een onderdeel van zijn taak om een volmaakt voorbeeld te geven in deze belangrijkste les – hoe de laatste beproeving van het leven te doorstaan. Maar toen zijn leerlingen hem vroegen de stervensles uit te stellen en voor onbepaalde tijd bij hen te blijven om samen met hen te prediken, had Prabhupāda ermee ingestemd. Zo liet hij zien dat hij in staat was te leven, indien hij dat verkoos. Maar vroeg of laat zou hij terug moeten komen op de les hoe iemand het einde van zijn leven moest aanvaarden.
Een bijzonder aspect van Śrīla Prabhupāda’s persoon was het feit dat hij intiem verbonden was met de menselijke levensvorm, terwijl hij er tegelijkertijd boven stond. Als zuivere toegewijde was hij niet onderworpen aan de wetten van karma. die ons de tegenslagen doen toekomen van onze goede en kwade daden. Hij was niet geboren door de kracht van dit karma. noch zou hij erdoor sterven. Zoals Śrīla Rūpa Gosvāmī zegt: “Hij wiens lichaam, geest en woorden volledig in dienst staan van Śrī Kṛṣṇa, is een bevrijde ziel, zelfs terwijl hij in deze wereld leeft.” Mensen begrijpen de handelingen van een zuivere toegewijde in deze materiële wereld vaak verkeerd, net zoals we bij het zien van wolken die langs de maan trekken, kunnen denken dat de maan zelf beweegt. De śāstra’s waarschuwen ons er daarom voor de guru nooit te zien als een gewoon mens die onderhevig is aan karma.
Śrīla Prabhupāda toonde hoe we door altijd aan Kṛṣṇa te denken en Hem te dienen, ons kunnen bevrijden uit de materie, zodat we op het moment van de dood naar Kṛṣṇa in de eeuwige, spirituele wereld kunnen terugkeren. Zijn lessen waren altijd praktisch en universeel toepasbaar. Zijn boeken bestonden bijvoorbeeld niet alleen uit theorie, maar waren vol gerealiseerde kennis. En Prabhupāda bracht zelf in de praktijk wat hij predikte; zijn hele leven was een voorbeeld geweest. Zelfs toen hij nog getrouwd was, had hij krachtig gepredikt door het tijdschrift Back to Godhead uit te geven. In de tijd dat hij arm en onbekend was, had hij geworsteld om een spirituele beweging te beginnen. Door de genade van Kṛṣṇa en zijn spiritueel leraar had hij ten slotte succes geoogst. Door zijn hele leven lang op moedige wijze beproevingen te doorstaan en gevaren te trotseren, had hij een voorbeeldig spiritueel leven tentoongespreid, dat iedereen kon proberen na te volgen. Op gevorderde leeftijd was hij in zijn eentje naar een vreemd land gegaan en had hij in een park in New York Hare Kṛṣṇa gezongen en zo jonge Amerikanen aangetrokken. Iedereen zou zijn voorbeeld moeten volgen en proberen Kṛṣṇa te dienen, ondanks alle onvermijdelijke hindernissen.
Hoewel Śrīla Prabhupāda zoveel obstakels was tegengekomen, had hij ze door zijn onafhankelijke wil en met de hulp van Kṛṣṇa overwonnen. Er wordt gezegd dat Heer Caitanya vijfhonderd jaar geleden de overgave aan Kṛṣṇa makkelijker heeft gemaakt dan Kṛṣṇa Zelf, die vijfduizend jaar geleden hier op aarde was. En nu, in de twintigste eeuw, had Śrīla Prabhupāda het Kṛṣṇa-bewustzijn toegankelijk gemaakt voor mensen over de hele wereld.
Hij was een aantal keer aan de dood ontsnapt – door Kṛṣṇa’s genade, door de gebeden van zijn leerlingen en door zijn eigen krachtige wil om zijn beweging te verbreiden. Maar de tekens die Kṛṣṇa hem in 1977 gaf, deden Śrīla Prabhupāda op een resolute en definitieve manier besluiten zijn missie in deze materiële wereld te beëindigen. En een van zijn laatste plichten was uitgebreide richtlijnen geven over hoe te sterven. Hij liet perfect zien hoe je datgene doet wat iedereen moet doen, maar wat het moeilijkst is om succesvol te doen: sterven.
Toch stond Prabhupāda voor een dilemma. Hij hield van zijn leerlingen. Hij wist ook dat ze nog niet helemaal klaar waren. Zijn beweging had al veel invloed en status in de wereld, maar ze had ook veel vijanden. Hij was geneigd zijn toegewijden, zijn beweging en alle levende wezens, zelfs de dieren, altijd te blijven beschermen. Toen zijn trouwste volgelingen hem dus smeekten te blijven, omdat ze voelden dat ze zonder hem niet konden doorgaan, had hij het plan om hun te tonen hoe te sterven weer losgelaten en erin toegestemd bij hen te blijven om te prediken. Maar wanneer zouden ze wél bereid zijn hem te laten gaan? Wanneer zou hij kunnen zeggen dat de wereld van māyā en de vijanden van Kṛṣṇa allemaal verdwenen waren? En wanneer zouden zijn leerlingen wél volkomen klaar zijn?
In overeenstemming met zijn besluit om te blijven gaf Prabhupāda zich volledig over aan zijn leerlingen en liet hij ze helemaal voor hem zorgen. De toegewijden die hierbij betrokken waren, herinneren zich dat Śrīla Prabhupāda nooit tevoren zo’n innige omgang tussen hem en zijn leerlingen had toegestaan. De enige vergelijkbare situatie was in New York geweest, in 1966, toen hij erg vertrouwelijk was omgegaan met de eerste mensen die zich bij hem hadden aangesloten en die immers niet op de hoogte geweest waren van de manier waarop we een spiritueel leraar horen te behandelen. Maar de toegewijden die toen aanwezig waren geweest en er ook nu bij waren, zeiden dat het contact met Prabhupāda nu nog intiemer was.
Op een bepaald moment drong Kīrtanānanda er sterk op aan dat Śrīla Prabhupāda een hele beker vruchtensap zou leegdrinken, zelfs toen hij zei dat hij genoeg had gehad. Kīrtanānanda voelde zich meteen beschaamd omdat hij zo had aangedrongen. “Ik ben moeder Yaśodā niet, dat ik dit kan doen”, zei hij. “Ik moet altijd in gedachten houden dat u mijn spiritueel leraar bent.” Maar Śrīla Prabhupāda liet zich door Kīrtanānanda commanderen. Op dezelfde manier haalden Bhavānanda, Tamāla Kṛṣṇa, Bhakti-cāru, Upendra en anderen Śrīla Prabhupāda over om bepaalde diëten te volgen en zorgden ze volledig voor zijn lichaam. Iedereen moest denken aan het verhaal van Īśvara Purī, die belast was met de intieme lichamelijke verzorging van zijn spiritueel leraar, Madhavendra Purī, toen deze aan het eind van zijn leven was gekomen en ogenschijnlijk invalide was. Volgens het Caitanya-caritāmṛta bewees Īśvara Purī door deze nederige diensten zijn liefde voor zijn spiritueel leraar en werd het hem daarom gegeven de spiritueel leraar van Heer Caitanya te worden.
Śrīla Prabhupāda had de les in sterven uitgesteld, zodat zijn leerlingen de unieke kans hadden om hem te dienen in zuivere en eenvoudige liefde. En dit privilege was niet alleen gegeven aan enkele uitverkorenen, maar aan iedereen die naar Vṛndāvana kwam. Er kwamen er veel en ze kregen allemaal toestemming om in Śrīla Prabhupāda’s kamer te komen, zijn lichaam te masseren en zo lang ze maar wilden, desnoods dag en nacht, bij hem te zitten en voor zijn plezier de heilige naam te chanten. Śrīla Prabhupāda hervatte ook zijn vertaalwerk. Terwijl hij in het verleden altijd in afzondering had gewerkt, moedigde hij nu alle toegewijden aan bij hem te komen wanneer hij in zijn bed Bhaktivedanta-commentaren lag te dicteren. Iemand las hem zachtjes de sanskriettekst voor, terwijl een andere toegewijde hem de microfoon voor hield. Zo dicteerde Śrīla Prabhupāda dan, hoewel zijn stem soms nauwelijks hoorbaar was. Zijn leerlingen keken vol ontzag toe hoe hun spiritueel leraar werkte. Zijn gedachten waren helder; hij citeerde passages uit verschillende heilige teksten uit zijn hoofd en zijn filosofische uiteenzettingen waren heel nauwgezet.
Prabhupāda gaf zichzelf volkomen over in de handen van zijn leerlingen. Hij liet hen dat ook blijken door dingen te zeggen als: “Laat me nooit in de steek” en “Zonder jullie kan ik niet leven.” Ze hadden hem gevraagd te blijven en hij had ermee ingestemd en zichzelf volkomen aan hun zorgen toevertrouwd.
De toegewijden die met deze dienst gezegend waren, voelden dat ze elke terughoudendheid om te dienen en elk verlangen naar materiële zinsbevrediging overwonnen. Door Śrīla Prabhupāda zo van heel dichtbij te dienen, ervaarden ze de kracht die volkomen overgave met zich meebrengt. Ze wisten dat de herinnering aan deze dagen altijd een steun voor hen zou zijn, zelfs wanneer Śrīla Prabhupāda de wereld uiteindelijk zou verlaten.
Prabhupāda bleef, net als tijdens de afgelopen maanden, uitleggen dat we niet bang voor de dood moesten zijn, maar altijd verankerd moesten blijven in transcendentale kennis. Toen Hṛdayānanda Goswami hem een aantal in het Portugees vertaalde boeken aanbood, moedigde Prabhupāda hem aan met de woorden: “Dit is leven. De materiële wereld bestaat alleen maar uit beenderen. Die beenderen zijn niet ons werkelijke leven. Waar het ons om gaat is de levenskracht. De beenderen kunnen blijven of vergaan – dat maakt niet uit. Maar het levensprincipe is dat wat de beenderen bezielt. Er bestaat zelfs een verhaal over een ṛṣi die alleen maar beenderen overhad. Er is dus een wetenschap die ons vertelt hoe je met alleen beenderen in leven kan blijven. Hiraṇyakaśipu heeft die kennis in de praktijk gebracht.”
“U doet dat ook, Śrīla Prabhupāda”, zei Tamāla Kṛṣṇa.
“Zorg daarom zo lang mogelijk voor de beenderen,” zei Prabhupāda, “maar vergeet nooit waar het werkelijke leven is. De materiële wereld houdt in dat we allemaal proberen de beenderen en het vlees bij elkaar te houden. Maar de mensen hebben geen flauw idee wie ze werkelijk zijn.”
Toen Atreya Ṛṣi Śrīla Prabhupāda bezocht en hem uitnodigde naar Teheran te komen, antwoordde Prabhupāda dat hij bereid was te gaan, maar, zei hij: “Je zult nu een hoopje beenderen mee moeten nemen.” Dit waren natuurlijk dezelfde zaken die Prabhupāda altijd al had onderwezen, dezelfde thema’s die hij in zijn boeken besprak, maar de lessen waren aangrijpender en indrukwekkender wanneer Prabhupāda ze op zijn eigen situatie betrok.
Meer dan eens werd Prabhupāda met Bhīṣmadeva vergeleken, die in zijn laatste dagen ook bijzonder belangrijke aanwijzingen had gegeven. Zoals Bhīṣma geen pijn voelde en vanaf zijn sterfbed – een bed van pijlen – woorden vol wijsheid en liefde sprak en uiteindelijk zelf het moment van zijn heengaan bepaalde, zo besteedde Śrīla Prabhupāda in zijn laatste dagen evenmin aandacht aan zijn lichamelijke toestand, trotseerde hij de dood en onderwees hij zijn jonge spirituele zonen. Maar Prabhupāda’s zonen konden niet langer aan de kant blijven staan en naar de filosofische lessen luisteren. Prabhupāda had hun genegenheid aanvaard toen ze hem gesmeekt hadden bij hen te blijven; nu wilden ze die genegenheid uiten in de enige wereld die ze kenden: een waarin Śrīla Prabhupāda bij hen was en met hen praatte, lachte of hen vermaande, zoals hij het goed achtte. Ze wilden dat hij zou gaan eten en drinken om lichamelijk weer aan te sterken.
Maar opnieuw scheen Prabhupāda van gedachten te zijn veranderd; hij begon elk eten en drinken te weigeren. Hij had zijn heengaan uitgesteld om liefdevol met zijn leerlingen te kunnen omgaan, maar tegelijkertijd toonde hij hen, door niet te eten en te drinken, dat hij liever deze wereld zou verlaten. Wanneer iemand erop aandrong, gaf hij toe dat het een onmogelijke manier van doen was – in leven te blijven zonder te eten of te drinken. Ook verwachtte of verlangde hij geen wonderen. Wilde hij beter worden, dan zou dat door voeding moeten gebeuren, maar om zijn eigen redenen weigerde hij te eten. Hij zei dat herstel materieel was en dat hij dat niet wilde.
Hij richtte zich altijd naar de wil van Kṛṣṇa en putte zijn kracht uit de heilige namen. De doktors die kwamen, waren vaak verbijsterd. Alleen de vaiṣṇava’s onder hen begrepen en respecteerden zijn situatie. Prabhupāda’s dienaren deden wanhopige pogingen Prabhupāda ertoe te bewegen zich regelmatig te laten behandelen. Maar Prabhupāda wilde alleen nog maar kīrtana en Bhāgavatam, terwijl hij tegelijkertijd een bereidheid om te leven in stand hield. Hij begreep de bezorgdheid van zijn leerlingen en legde geduldig de verwarrende situatie uit waarin ze zich bevonden. Hij stelde hun goede zorgen op prijs en stond toe dat ze hem probeerden te genezen, in de wetenschap dat het hen meer en meer tot het punt van liefdevolle overgave zou brengen. Maar het werd steeds duidelijker dat Kṛṣṇa’s wil Prabhupāda’s vertrek aanduidde.
“Śrīla Prabhupāda,” pleitte Bhavānanda, die nog steeds aannam dat Prabhu­pāda kon blijven als hij dat wilde, “uw aanwezigheid op deze planeet is het enige wat Kali-yuga ervan kan weerhouden werkelijk door te breken. We hebben er totaal geen idee van wat er zal gebeuren als u weggaat.”
“Het is niet in mijn handen”, zei Śrīla Prabhupāda met volmaakte helderheid. “Kṛṣṇa-Balarāma.”
Prabhupāda sprak altijd duidelijk, logisch en met volkomen devotie voor Kṛṣṇa. Tot op het laatste moment handelde hij praktische zaken af, zoals het oprichten van een Bhaktivedanta Swami Charity Trust, die de oude tempels in Bengalen zou herbouwen, en het regelen van de laatste details met betrekking tot het land en het geld van ISKCON.
Maar het werd zijn leerlingen duidelijk dat hij zich opnieuw onvermijdelijk bewoog in de richting van het geven van de laatste les. Hij onderwees dat liefde over de dood heen reikte, dat de liefde van een toegewijde de spiritueel leraar naar de wereld kon terugroepen en dat een zuivere toegewijde de mogelijkheid heeft om langer in deze wereld te blijven dan de tijd die hem is toegemeten. Maar ondertussen ging hij gestaag door in de richting van het eindpunt. De toegewijden waren niet kwaad op hem en voelden zich evenmin bedrogen. Hij had ze gezegd dat Kṛṣṇa hem de vrije keus had gegeven. En toen ze hem hadden gevraagd te blijven, had hij toegestemd. Maar ze wisten dat hij tot niets verplicht was. Als Kṛṣṇa, ondanks hun gebeden, Śrīla Prabhupāda vroeg terug naar huis, terug naar God, te gaan, wat konden ze dan anders doen dan het te aanvaarden? Als Śrīla Prabhupāda het aanvaardde, zouden zij het ook aanvaarden. Maar er was niets dat de liefde die ze hem geschonken hadden aan het wankelen kon brengen; het was nu een hechte overeenkomst geworden die door geen enkele materiële verandering overwonnen kon worden. Ze hadden de beproeving van eeuwige, liefdevolle dienst doorstaan en dat kon de dood niet ongedaan maken.
Tot het einde toe waren er momenten waarop Prabhupāda liet zien hoe beminnelijk hij was en hoe onstuitbaar zijn strijdlust voor Kṛṣṇa was. Op een dag kwam Prabhupāda’s zuster Piśimā onverwachts langs en Prabhupāda vroeg haar of ze wat kicharī voor hem wilde koken. Kīrtanānanda was juist aan het proberen Prabhupāda op de weg naar herstel te krijgen door hem geleidelijk aan meer te drinken te geven. En hij en de andere toegewijden waren gekant tegen het idee dat Prabhupāda plotseling vast voedsel zou gaan eten. Maar Śrīla Prabhupāda stond erop.
“Het doet er niet toe of wat ze kookt goed of slecht voor me is”, zei Śrīla Prabhupāda. “Ze is een vaiṣṇavī. Het zal me goed doen.” Toen ging hij op een uiterst nederige manier verder: “Waarschijnlijk ben ik een beetje verwaand geworden door mijn rijkdom en succes”, zei hij. “Nu heeft God die trots vernietigd. Als je geen lichaam hebt, wat blijft er dan nog over om trots op te zijn?”
Bhakti-cāru protesteerde: ‘Śrīla Prabhupāda, alles wat u hebt gedaan, deed u voor Kṛṣṇa.”
“Dat kan wel zijn, maar in deze wereld bega je overtredingen zonder dat je het doorhebt.”
Toen Piśimā dit hoorde, riep ze uit: “Nee, nee, hij heeft nooit een overtreding begaan.”
“U kunt nooit overtredingen begaan”, zei Bhakti-cāru. “U bent Gods dierbare vriend. Hoe kunt u dan overtredingen begaan?”
“Ik loop soms een beetje hard van stapel”, zei Śrīla Prabhupāda. “Ik heb vaak woorden als ‘dwaas’ gebruikt. Ik heb nooit compromissen willen sluiten. Ze zeiden altijd dat ik predikte met een knots in de ene en een Bhāgavatam in de andere hand. Hoe dan ook, regel de dingen voor mijn zuster.”
Toen Prabhupāda’s godsbroeders hem kwamen opzoeken, vroeg hij opnieuw om vergeving voor zijn overtredingen. Op een keer kwamen er twintig van hen bij hem op bezoek, waaronder Niṣkiñcana Kṛṣṇadāsa Bābājī, Purī Mahārāja, Āśrama Mahārāja, Ānanda Prabhu en Puruṣottama Brahmacārī.
Hij lag te rusten toen ze aankwamen en ze gingen allemaal om zijn bed heen zitten en deden mee met de kīrtana tot hij wakker werd. Toen hij hen zag, vroeg hij of hij overeind gezet kon worden, zodat hij hen kon toespreken.
“De hele wereld is een prachtig gebied voor het verkondigen van het Kṛṣṇa-bewustzijn”, zei hij. “Het kon me niet schelen of ik succes zou hebben of niet. De mensen zijn klaar om het op te pakken en we hebben gezien dat ze dat ook werkelijk doen. Als we samen prediken, zal de voorspelling van Mahāprabhu, pṛthivīte, zeker uitkomen. We hebben alles. Verspreid de heilige namen en deel prasādam uit. Er ligt een geweldig werkterrein. In Afrika, in Rusland, overal aanvaarden ze het Kṛṣṇa-bewustzijn.”
Toen Prabhupāda zijn godsbroeders om vergeving begon te vragen, protesteerden ze. “Jij bent de eeuwige leider”, verklaarde een van hen. “Jij regeert ons, leidt ons en vermaant ons.”
“Vergeef me al mijn overtredingen”, herhaalde Prabhupāda. “Ik ben trots geworden op al mijn rijkdom.”
“Nee,” zei Purī Mahārāja, “je bent nooit trots geworden. Toen je begon te prediken, hebben rijkdom en succes je gevolgd. Dat was de zegen van Śrī Caitanya Mahāprabhu en Śrī Kṛṣṇa. Er is geen sprake van overtredingen.”
Toen Śrīla Prabhupāda zichzelf mahā-patita (‘zeer diep gevallene’) noemde, aanvaardde Purī Mahārāja dat niet. “Je hebt miljoenen mensen over de hele wereld gered,” zei hij, “daarom is er geen sprake van overtredingen. Je zou mahā-patita-pāvana genoemd moeten worden [‘de grote redder van de gevallenen’].”
Prabhupāda’s leerlingen zagen het feit dat Prabhupāda zijn godsbroeders om vergeving vroeg, als een teken van zijn nederigheid. Maar ze raakten er ook van in de war. Natuurlijk meenden Prabhupāda’s godsbroeders het wanneer ze zeiden dat Prabhupāda geen overtredingen had gemaakt. Wat hij ook had gedaan, had hij voor Kṛṣṇa gedaan. Maar Śrīla Prabhupāda meende het ook toen hij om vergeving vroeg. Dat was het wonderschone juweel van zijn
nederigheid.
In zijn predikwerk zou het tentoonspreiden van dit juweel niet altijd tot het juiste resultaat hebben geleid. Maar nu kon het openlijk worden getoond. In Vṛndāvana, en daarvoor in Londen, betoonde Prabhupāda zijn leerlingen intense genegenheid en dankbaarheid, zonder de terechtwijzingen die normaal gesproken nodig zijn bij het opleiden van leerlingen. Deze volkomen nederigheid was een symptoom van het hoogste stadium van toegewijd leven. Śrīla Prabhupāda had in zijn boeken uitgelegd dat de madhyama-adhikārī, een toegewijde van de tweede orde, onderscheid maakt tussen de toegewijden, de onschuldige niet-toegewijden en de demonen, terwijl de mahā-bhāgavata, of een toegewijde van de eerste orde, iedereen behalve zichzelf als een dienaar van God ziet. Maar soms wenst de mahā-bhāgavata neer te dalen van het hoogste niveau om de barmhartigste dienst, het prediken van het Kṛṣṇa-bewustzijn, te kunnen bewijzen. Alle toegewijden hadden in de heilige teksten over dit niveau van mahā-bhāgavata gelezen. En nu zagen ze het voor hun eigen ogen in de persoon van Śrīla Prabhupāda, toen hij over zichzelf sprak als de meest gevallene en iedereen om vergeving vroeg.
Srīla prabhupāda had gehoord hoe zijn leerling Lokanātha Swami met een kleine groep toegewijden en een ossenwagen heel India doortrok om te prediken. Lokanātha had Śrīla Prabhupāda verteld dat ze pas geleden op hun reis tīrtha’s als Badarikāśrama en Bhim Kapur bezocht hadden. Deze verhalen maakten Śrīla Prabhupāda erg enthousiast en er groeide een transcendentaal verlangen in hem om zelf op een door ossen getrokken kar een tocht om Vṛndāvana heen te maken. Maar Tamāla Kṛṣṇa en Bhavānanda, die Prabhupāda met veel devotie verzorgden, voelden zich niet in staat Śrīla Prabhupāda in dit verlangen te ondersteunen. Integendeel; ze waren ervan overtuigd dat hij zo’n ruwe tocht niet zou overleven.
Maar Śrīla Prabhupāda zei dat het eervol was om op parikrama te sterven en hij vroeg ze nogmaals om hem mee te nemen. Er ontstond een hele discussie. Sommige toegewijden zeiden dat Prabhupāda’s verlangen om op parikrama te gaan onmiddellijk vervuld moest worden omdat het immers een opdracht van de spiritueel leraar was. Maar de dokter was het met de andere toegewijden eens dat Śrīla Prabhupāda’s lichaam het schudden van de kar beslist niet zou overleven. De toegewijden rond Prabhupāda’s bed waren verdeeld en Prabhupāda zag dat. Maar Lokanātha gaf gehoor aan zijn verzoek en huurde een ossenwagen. Hij maakte alles gereed voor de rit. Lokanātha en Haṁsadūta stelden voor om de parikrama in de stad Vṛndāvana te houden en de zeven belangrijkste tempels van de Goswami’s te bezoeken. Maar toen bedachten ze dat het de volgende dag Govardhana-pūjā zou zijn en ze opperden het idee om Prabhupāda mee te nemen naar de heuvel Govardhana. Maar Tamāla Kṛṣṇa, Bhavānanda en Bhakti-cāru bleven krachtig protesteren tegen het idee van de parikrama.
“Laten we het gewoon één dag proberen”, zei Prabhupāda. “Eén dag maar. Wees maar niet bang dat ik na één dag zal sterven.” Hij vond het een goed idee om naar de heuvel Govardhana te gaan. “En we kunnen daar dan koken”, zei hij. “Lokanātha Swami heeft genoeg ervaring”, verzekerde hij hen. “Maak een goede picknick!”
Na heel wat gepraat over en weer besloten de toegewijden uiteindelijk dat
ze Śrīla Prabhupāda de volgende morgen vroeg met een ossenwagen naar Govar­dhana zouden brengen. De meeste toegewijden verlieten Śrīla Prabhupāda’s kamer om te gaan slapen.
Later op de avond kreeg Śrīla Prabhupāda bezoek van Niṣkiñcana Kṛṣṇadāsa Bābājī. Hij kwam aan zijn bed zitten chanten en zei zo nu en dan wat in het Bengaals. Plotseling kwamen Tamāla Kṛṣṇa en Bhavānanda de kamer binnen. Ze waren in tranen en buiten zichzelf van bezorgdheid.
Prabhupāda begreep het. “Willen jullie dat ik niet ga?” vroeg hij.
“Nou, Śrīla Prabhupāda,” zei Tamāla Kṛṣṇa, “ik moet u eerlijk bekennen dat ik volledig overstuur raakte toen ik boven in mijn kamer zat. Ik liep maar op en neer. Twee toegewijden hebben me verteld dat de weg zo slecht is dat u voortdurend door elkaar geschud zult worden. De weg is afschuwelijk. Ik begrijp gewoon niet waarom we per se morgen moeten gaan. Als er iemand is die graag ziet dat u reist, ben ik dat wel. Maar waarom juist nu u in deze toestand bent? Ik begrijp het gewoon niet. Waarom gooien we alles overboord door morgen te gaan? Ik begrijp er niets van.”
“Goed”, zei Śrīla Prabhupāda zachtjes. Hij stemde onmiddellijk in met hun verzoek.
“Jaya, Śrīla Prabhupāda!” riep Bhakti-cāru, die ook was binnengekomen.
“Dank u wel, Śrīla Prabhupāda”, zei Bhavānanda met een diepe zucht van verlichting.
“Goed. Zijn jullie dan nu tevreden?”
“Nu wel, Śrīla Prabhupāda”, zei Bhavānanda. “Ik was zo verschrikkelijk bezorgd.”
“Wees maar gerust. Ik zal jullie niet meer bezorgd maken.”
“Eigenlijk, Śrīla Prabhupāda,” zei Tamāla Kṛṣṇa, “zijn we zo aan u gehecht dat u ons soms helemaal gek maakt. Vanavond waren we goed op weg om gek te worden.”
“Nee, nee, ik zal jullie nooit meer zoiets aandoen”, zei Prabhupāda. “Babaji Mahārāja,” Prabhupāda wendde zich tot Niṣkiñcana Kṛṣṇadāsa Bābājī, “zie toch eens hoeveel genegenheid ze voor me hebben!”
“Śrīla Prabhupāda,” zei Tamāla Kṛṣṇa, “de manier waarop u met ons omgaat, doet onze genegenheid voor u met de minuut toenemen.”
“Dat is mijn plicht”, zei Prabhupāda en de toegewijden lachten warm en begrijpend. Ja, ze begrepen het – dat was zijn plicht. Het was Prabhupāda’s bedoeling om door al zijn activiteiten zielen te vangen en ze aan Kṛṣṇa over te dragen. Hij deed dit door een relatie van dienstbaarheid en liefde met ze aan te gaan, maar het was nooit voor zichzelf. Hij droeg hen over aan Kṛṣṇa. Dat was zijn plicht.
Op 14 november 1977 gaf Śrīla Prabhupāda om half acht ’s avonds, in zijn kamer in de Kṛṣṇa-Balarāma Mandir in Vṛndāvana, zijn laatste les, door deze vergankelijke wereld te verlaten en terug te keren naar God.
Zijn heengaan was voorbeeldig, omdat zijn hele leven voorbeeldig was geweest. Het was de voleinding van een leven van zuivere devotionele dienst aan Śrī Kṛṣṇa. Een paar dagen eerder had Śrīla Prabhupāda nog gezegd dat hij zoveel onderricht gaf als hij maar kon. “U bent onze bron van inspiratie”, had zijn secretaris geantwoord. “Ja,” zei Śrīla Prabhupāda, “dat wil ik blijven tot ik mijn laatste adem uitblaas.”
Het moment waarop Prabhupāda zijn ‘laatste adem’ uitblies was glorieus; niet omdat er plotseling iets mystieks gebeurde, maar omdat Śrīla Prabhupāda volmaakt Kṛṣṇa-bewust bleef. Net zoals grootvader Bhīṣmadeva bleef hij volledig zichzelf, nobel en ernstig, en hij predikte tot het einde. Hij onderwees dat leven voortkomt uit leven, niet uit materie, en hij toonde daarmee dat we moeten prediken met alle adem die we bezitten. De vele toegewijden die de kamer vulden, waren er getuige van dat Prabhupāda precies hetzelfde bleef als altijd. Er was niets wat plotseling in strijd was met wat hij ze vroeger had laten zien of onderwezen. Op het moment van zijn heengaan onderwees hij daarom hoe we op het moment van de dood altijd afhankelijk moeten blijven van Kṛṣṇa. Zijn heengaan was vredig. Toen op de avond van de veertiende november de kavirāja hem gevraagd had of hij iets wilde hebben, antwoordde Prabhupāda nauwelijks hoorbaar: kuch icchā nahīṁ (“Ik verlang niets”). Hij verliet deze wereld onder de meest ideale omstandigheden: in Vṛndāvana en omringd door toegewijden. Een paar maanden eerder was het dochtertje van een van Prabhupāda’s leerlingen in Vṛndāvana overleden en toen de toegewijden Prabhupāda gevraagd hadden of ze teruggekeerd was naar Kṛṣṇa en nu persoonlijk bij Hem was, had hij geantwoord: “Iedereen die zijn lichaam in Vṛndāvana verlaat, wordt bevrijd.”
Natuurlijk betekent ‘Vṛndāvana’ ook de toestand van zuiver Kṛṣṇa-bewustzijn. Advaita Ācārya had eens tegen Heer Caitanya gezegd: “Overal waar U bent, is Vṛndāvana.” Dit gold ook voor Śrīla Prabhupāda. Als Śrīla Prabhupāda in Londen, in New York of in Moskou heengegaan zou zijn, was zijn bestemming dezelfde geweest. Kṛṣṇa bevestigt dit in de Bhagavad-gītā: “Hij die altijd aan Mij denkt, zal Mij zeker bereiken.” Maar omdat Vṛndāvana-dhāma de meest ideale plaats is in dit universum om deze wereld te verlaten, was het opnieuw een voorbeeldig aspect van Prabhupāda’s leven dat hij naar God terugkeerde met Vṛndāvana als zijn laatste halte.
De vaiṣṇava’s die gezworen hadden Vṛndāvana nooit te zullen verlaten, konden zien dat Śrīla Prabhupāda, na alles te hebben opgegeven – inclusief het voorrecht om in Vṛndāvana te wonen – om de gevallen zielen op de meest godverlaten plaatsen van de wereld te redden, naar het heilige land van Vṛndāvana was teruggekeerd en vandaar was vertrokken naar Kṛṣṇa’s oorspronkelijke woonplaats in de spirituele wereld. Zoals in het Śrīmad-Bhāgavatam staat: “Eenieder die devotionele dienst doet in Vṛndāvana, zal na dit lichaam te hebben opgegeven, zeker terugkeren naar huis, naar God.”
Śrīla Prabhupāda’s heengaan was des te volmaakter omdat hij chantte en voortdurend de heilige namen van God hoorde. Op deze manier was de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods bij het sterven van Śrīla Prabhupāda aanwezig. Net zoals bij het gevierde heengaan van Bhīṣmadeva, die verklaard had: “Ondanks het feit dat Hij iedereen eensgezind is, is Hij speciaal voor mij verschenen nu ik mijn leven eindig, want ik ben Zijn onwankelbare dienaar.” Zoals Kṛṣṇa voor Bhīṣma was gekomen om hem en alle anderen ervan te verzekeren dat hij na het verlaten van zijn stoffelijk lichaam naar God zou terugkeren, zo was de Heer bij Śrīla Prabhupāda’s heengaan aanwezig in Zijn incarnatie als de nāma-avatāra – de Hare Kṛṣṇa-mantra.
Śrīla Prabhupāda had zijn leven gegeven voor het verspreiden van de heilige naam in iedere stad en elk dorp en had zichzelf een maand lang met de heilige naam omgeven. Hij had gewenst dat de kamer op het moment van zijn heengaan gevuld zou zijn met toegewijden die Hare Kṛṣṇa chantten en Kṛṣṇa had die wens vervuld. Zo verliet Śrīla Prabhupāda deze wereld onder de gunstigste omstandigheden die maar mogelijk waren – in de heiligste van alle plaatsen, Vṛndāvana, en omringd door vaiṣṇava’s die allemaal de heilige naam
chantten.
Een ideaal spiritueel leraar (ācārya) handelt altijd zo dat anderen zijn voorbeeld kunnen volgen. Zoals het Śrīmad-Bhāgavatam zegt, laten de grote zielen die de oceaan van geboorte en dood oversteken door bescherming te zoeken in de ‘boot’ van Kṛṣṇa’s lotusvoeten, op wonderbaarlijke wijze die boot aan deze kant van de oceaan achter, zodat anderen er gebruik van kunnen maken. En Śrīla Prabhupāda’s verdwijning biedt, door het volmaakte voorbeeld dat ermee gesteld wordt, alle gebonden zielen de gelegenheid het grootste van alle gevaren onbevreesd tegemoet te treden. Een ‘mooie dood’ betekent niet alleen dat we ons psychisch hebben voorbereid, zodat we zonder verdriet of zonder onnodig overstuur te raken kunnen sterven. Waar we ons werkelijk van bewust moeten zijn is dat de ziel op het moment van de dood het lichaam moet verlaten en gedwongen is opnieuw geboren te worden in een ander lichaam. Alleen als iemand op het moment van de dood Kṛṣṇa-bewust is, kan hij geboorte en dood achter zich laten en naar de spirituele wereld gaan om er in eeuwige gelukzaligheid te leven. Daarom wordt de waarde van iemands hele leven duidelijk in het doodsuur.
De dood betekent dat de ziel het niet langer kan uithouden in het lichaam, wat de materiële oorzaak daarvan ook maar is. Dit scheiden van lichaam en ziel brengt veel lijden met zich mee. De śāstra’s raden ons daarom aan ons te bevrijden uit de kringloop van geboorte en dood. Een ongunstige dood sterven en daardoor naar een lagere geboorte worden gesleept, is het meest angstaanjagende dat een levend wezen kan overkomen. Het is zo beangstigend dat mensen de dood helemaal proberen te negeren. De dood is pijnlijk omdat de eeuwige spirituele ziel in de meest onnatuurlijke situatie wordt geplaatst: hoewel ze eeuwig is en niet behoort te sterven, is ze gedwongen te sterven doordat ze met het materiële lichaam verbonden is. Op het moment van de dood wordt de ziel gedwongen het lichaam te verlaten en naar een haar onbekende bestemming te gaan. De pijn en de angst waarmee dat gepaard gaat, zijn over het algemeen zo verpletterend dat we alleen maar kunnen denken aan onze materiële gehechtheden of aan de lichamelijke pijn die we voelen. Daarom richtte Koning Kulaśekhara het volgende gebed tot God, dat Prabhupāda vaak aanhaalde: “O mijn Heer, laat me alstublieft heengaan terwijl ik Hare Kṛṣṇa chant en niet als mijn geest volledig in beslag wordt genomen door een langdurige doodsstrijd. Als ik op U kan mediteren wanneer ik mijn lichaam verlaat, is mijn leven volmaakt.”
In de laatste maanden van zijn leven hier op aarde had Prabhupāda stap voor stap laten zien hoe we volledig Kṛṣṇa-bewust de dood tegemoet kunnen treden. “Denk niet dat dit jou nooit zal overkomen”, had hij tegen een van zijn sannyāsī’s gezegd. Prabhupāda kwam op Kṛṣṇa’s verzoek naar deze wereld om ons te leren hoe we een zuiver en Kṛṣṇa-bewust leven moeten leiden. En dat betekent ook de kennis hoe we uiteindelijk op zo’n manier van deze wereld heen moeten gaan dat we het eeuwige leven bereiken.
Prabhupāda onderging de dood volmaakt en glorierijk en toch zodanig dat we er allemaal een voorbeeld aan kunnen nemen. Wanneer we moeten gaan, kunnen we ons vasthouden aan de herinnering van hoe een grote ziel zijn lichaam heeft verlaten – hij dacht altijd aan Kṛṣṇa, omgaf zich met het medicijn van het chanten van Hare Kṛṣṇa, wilde altijd over Kṛṣṇa horen en onthechtte zich van het lijden dat het geconditioneerde leven met zich meebrengt. Deze laatste les was een van de wonderbaarlijkste en belangrijkste instructies die Śrīla Prabhupāda ons heeft gegeven. Hij onderwees door middel van zijn leven, zijn boeken en uiteindelijk zijn sterven. Lessen in sterven zijn vooral voor de mens bedoeld. Een dier sterft, en een mens sterft ook; maar een mens wordt geacht op het moment van de dood het proces van teruggaan naar de spirituele wereld te begrijpen. Door altijd onverstoord en hecht verankerd te blijven in Kṛṣṇa-bewustzijn, gaf Śrīla Prabhupāda ons de volmaakte les – een die trouw kan worden nagevolgd.
Hoewel er voor śrīla prabhupāda zelf niets betreurenswaardigs aan was dat hij deze wereld verliet en naar God terugkeerde, was het voor zijn volgelingen zeker een harde klap en ook voor alle mensen op de wereld die nu verstoken waren van hun beste vriend en grootste weldoener. Śrīla Prabhupāda had in een commentaar op het Śrīmad-Bhāgavatam geschreven:
Wanneer het sterfelijke lichaam van de spiritueel leraar de laatste adem uitblaast, moet de leerling huilen, precies zoals de koningin huilt wanneer de koning zijn lichaam verlaat.
Over het heengaan van zijn eigen spiritueel leraar schreef Śrīla Prabhupāda:
Op die dag, o mijn meester, schreeuwde ik het uit van verdriet; ik was niet in staat de afwezigheid van u, mijn guru, te verdragen.
En toen het indrukwekkende nieuws van Prabhupāda’s heengaan zich over de wereld verspreidde, werden zij die Śrīla Prabhupāda kenden en liefhadden, overmand door oneindig verdriet. De wereld om hen heen leek plotseling volkomen leeg in zijn afwezigheid. Voor troost wendden ze zich tot zijn boeken.
Maar de leerlingen en de spiritueel leraar zijn nooit gescheiden, omdat de spiritueel leraar de leerling altijd gezelschap houdt zolang deze de aanwijzingen van de spiritueel leraar volgt. Dit wordt de aanwezigheid van de vāṇī genoemd. Fysieke aanwezigheid heet vapuḥ. Zolang de spiritueel leraar fysiek aanwezig is, moet de leerling het fysieke lichaam van de spiritueel leraar dienen en wanneer de spiritueel leraar fysiek niet langer bestaat, moet de leerling de opdrachten van de spiritueel leraar uitvoeren.
Śrīla Prabhupāda’s leerlingen leefden al volgens zijn aanwijzingen, maar nu zouden ze het zonder de vapuḥ moeten stellen, zonder de mogelijkheid om hem regelmatig te zien en bij hem te zijn. In het begin was het moeilijk voor hen om dit onder ogen te zien, maar degenen die oprecht waren, realiseerden zich al gauw dat Śrīla Prabhupāda hun bij zijn heengaan het grootste geschenk had gegeven: dienstbaarheid in gescheidenheid.
Dienstbaarheid in gescheidenheid is de hoogste realisatie en extase. Dit onderwees Heer Caitanya Mahāprabhu met betrekking tot de relatie tussen Kṛṣṇa en Zijn geliefde gopī’s van Vṛndāvana. Toen Kṛṣṇa de gopī’s verliet en naar Mathurā ging om nooit meer naar hen terug te keren in Vṛndāvana, huilden de gopī’s (en alle andere inwoners van Vṛndāvana) onophoudelijk. Ze hielden zoveel van Kṛṣṇa dat ze niet zonder Hem konden, en om in leven te blijven, begonnen ze voortdurend aan Hem te denken en Zijn naam, faam, gedaante en entourage te bespreken. Door voortdurend vol liefde aan Hem te denken en uit te blijven kijken naar Zijn terugkeer in Vṛndāvana, bereikten de gopī’s een extase van ‘eenheid in gescheidenheid’, die volgens de Gauḍīya Vaiṣṇava-geleerden nog hoger is dan de extase die ze in Kṛṣṇa’s aanwezigheid voelden. Omdat Kṛṣṇa absoluut is, brengt zelfs de herinnering aan Hem of het chanten van Zijn naam de toegewijde rechtstreeks met Hem in contact. Maar omdat we ons tegelijkertijd van Hem gescheiden voelen, wordt er een extra dimensie van onvoorstelbare gelijktijdige eenheid en gescheidenheid aan toegevoegd. Dit is de hoogste realisatie die we in het Kṛṣṇa-bewustzijn kunnen bereiken.

Prabhupāda’s volgelingen kenden dit principe van dienstbaarheid in gescheidenheid, dat technisch bekend staat als vipralambha-sevā, hoewel het voor de meesten niet meer was dan een theoretisch begrip. Voor we ons intens en met diepe gevoelens van liefde van Kṛṣṇa gescheiden kunnen voelen, moeten we ons eerst intens tot Hem aangetrokken voelen. De gebonden ziel, die Kṛṣṇa vergeten en verlaten heeft en naar deze materiële wereld is gekomen onder de betovering van māyā – illusie – is zich zelfs niet bewust van het feit dat hij van Kṛṣṇa is gescheiden.

Als iemand tot het spiritueel leven komt, begint hij eerst te beseffen dat God bestaat en wordt zo geleidelijk gezuiverd van zijn atheïstische misvattingen. Door het beoefenen van devotionele dienst groeit er langzamerhand een relatie tussen de toegewijde en Kṛṣṇa via de diensten die de leerling zijn spiritueel leraar aanbiedt. Intense liefde voor Kṛṣṇa in gescheidenheid is het meest gevorderde stadium en kan met geen mogelijkheid volledig door een nieuweling gerealiseerd worden. Daarom was het dienen in gescheidenheid voor veel van Prabhupāda’s volgelingen een theoretisch begrip gebleven.

Maar toen Śrīla Prabhupāda deze wereld verliet en zijn leerlingen achterbleven om zijn missie voort te zetten, ervoeren ze onmiddellijk deze ‘eenheid in gescheidenheid’ met hem. Hij was weg, maar tegelijkertijd was hij nog steeds heel sterk aanwezig. Dit besef was niet verzonnen of zomaar een idee, noch had het iets te maken met een soort telepathie, ‘contact met de doden’ of zoiets. Het was een volkomen substantiële, praktische, tastbare realiteit, een feit. Śrīla Prabhupāda had hen geleerd hoe ze moesten dienen en nu zouden ze dat dienen voortzetten. Prabhupāda was nog steeds aanwezig in zijn opdrachten en aanwijzingen, en alle nectar van het Kṛṣṇa-bewustzijn die hij hun had gegeven, was nog steeds beschikbaar.

Het dienen in gescheidenheid was voor Prabhupāda’s leerlingen een onomstotelijk feit; hoe zouden ze zich anders, nu hij niet meer persoonlijk bij hen aanwezig was, in het spiritueel leven staande kunnen houden? Het feit dat ze door konden gaan als vroeger, dat hun gevoelens van devotie intenser konden worden en dat ze zelfs meer devotionele dienst op zich konden nemen, betekende dat Śrīla Prabhupāda nog steeds heel dicht bij hen was. Zoals het Śrīla Prabhupāda’s laatste les was geweest hoe een mens moet sterven, zo onderwees hij nu, over de dood heen, hoe het hoogste filosofisch begrip van het Gaudiya-Vaiṣṇavisme praktisch moest worden toegepast.

Dit besef vervulde de toegewijden met intense hoop dat Śrīla Prabhupāda en de revolutionaire Kṛṣṇa-bewuste manier van leven die hij had meegebracht, zouden blijven bestaan – ook al was hij niet meer in deze wereld. Het gebeurt vaak dat wanneer een grote persoonlijkheid sterft, alles wat hij heeft opgebouwd uiteenvalt. Maar Śrīla Prabhupāda is gebleven en zijn aanwezigheid wordt zelfs steeds sterker ervaren. Dit geeft zijn leerlingen de kracht om verder te gaan. Hij heeft nog steeds de leiding.