Default View
Dual Language View
ZES
De volmaakte toegewijde
29 februari 1972 ('s avonds)
Syāmasundara: Śrila Prabhupāda, vanmiddag hebben we het over ascese gehad.
Śrila Prabhupāda: Hmm?
Syāmasundara: Als we niet vrijwillig bepaalde verstervingen ondergaan, zullen we toch gedwongen worden om ons bepaalde zaken te ontzeggen.
Śrila Prabhupāda: Hmm?
Syāmasundara: Als we niet vrijwillig bepaalde verstervingen ondergaan, zullen we toch gedwongen worden om ons bepaalde zaken te ontzeggen.
Śrila Prabhupāda: Ja, onder leiding van de geestelijk leraar... van nature zijn we hier niet toe geneigd, maar neem je een geestelijk leraar aan, dan moet je zijn instructies volgen. Dat is ascese.
Śyāmasundara: Zelfs al wil je geen verstervingen ondergaan, dan ontkom je er toch niet aan.
Śrīla Prabhupāda: Ja, je moet gewoon. Omdat je je hebt overgegeven aan je geestelijk leraar, moet je doen wat hij zegt, ook al doe je het niet graag. Je moet proberen hem tevreden te stellen.
Śyāmasundara: Aha.
Śrīla Prabhupāda: Maar jij houdt daar niet van... [Hij lacht.] Niemand houdt ervan om te vasten, maar als de geestelijk leraar zegt: "Vandaag vasten we," wat doe je daar dan aan? [Syamasundara lacht.] Een leerling is iemand die er vrijwillig voor gekozen heeft de discipline te volgen die de geestelijk leraar hem oplegt. Dat is ascese.
Śyāmasundara: Veel mensen die volledig in de illusie van het stoffelijke bestaan opgaan, zijn niet bereid om ook maar enig lichamelijk ongemak te ondergaan. Maar toch moeten ze soms wel, omdat de natuur hen dwingt bepaalde ongemakken te verdragen.
Śrīla Prabhupāda:Gedwongen versterving is niet goed. Verstervingen die vrijwillig gedaan worden, brengen je vooruit.
Syāmasundara: Als je je niet uit jezelf aan bepaalde vormen van versterving onderwerpt, wordt je er wel toe gedwongen.
Śrila Prabhupāda: Dat is het verschil tussen mens en dier. Een dier kan zich niet beheersen, maar een mens wel. Als een mens in de winkel allerlei heerlijke dingen uitgestald ziet, maar weet dat hij er geen geld voor heeft, dan kan hij zich beheersen, terwijl een koe er meteen haar kop insteekt. En als je haar met een stok slaat, verdraagt ze dat gewoon. Een dier kan zich dus niet beheersen. Onze verstervingen zijn heel prettig. Wij chanten Hare Kṛṣṇa, wij dansen en Kṛṣṇa geeft ons heerlijk voedsel en dat eten we dan op. Dat is alles. Waarom voelen alle mensen zich niet aangetrokken tot dergelijke "verstervingen"? Chanten, dansen en lekker eten.
Bob: Hoe bedoelt u?
Śrila Prabhupāda: Omdat wij sober leven, geeft Kṛṣṇa ons allerlei fijne dingen. We worden er dus niet slechter van. Als je Kṛṣṇa-bewust wordt, krijg je zelfs een gemakkelijker leven dan je nu hebt. Dat is een feit. De laatste twintig jaar heb ik alleen geleefd, maar ik heb nooit moeilijkheden gehad. Voordat ik een sannyāsī werd, woonde ik in Delhi en hoewel ik alleen woonde had ik nooit problemen.
Śrila Prabhupāda: Omdat wij sober leven, geeft Kṛṣṇa ons allerlei fijne dingen. We worden er dus niet slechter van. Als je Kṛṣṇa-bewust wordt, krijg je zelfs een gemakkelijker leven dan je nu hebt. Dat is een feit. De laatste twintig jaar heb ik alleen geleefd, maar ik heb nooit moeilijkheden gehad. Voordat ik een sannyāsī werd, woonde ik in Delhi en hoewel ik alleen woonde had ik nooit problemen.
Śyāmasundara: Als wij ons niet onderwerpen aan een geestelijke discipline zal de natuur ons zoveel ellende geven.
Śrila Prabhupāda: O ja, dat staat in de Bhagavad-gitā:
daivī hy eṣā guṇa-mayī
mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante
māyām etāṁ taranti te
mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante
māyām etāṁ taranti te
["Deze goddelijke energie van Mij, die bestaat uit de drie geaardheden van de stoffelijke natuur, is moeilijk te overwinnen. Maar wie zich aan Mij overgeeft, komt haar gemakkelijk te
boven."] Māyā bezorgt ons zoveel moeilijkheden, maar zodra je je overgeeft aan Kṛṣṇa, zul je geen last meer van haar hebben.
boven."] Māyā bezorgt ons zoveel moeilijkheden, maar zodra je je overgeeft aan Kṛṣṇa, zul je geen last meer van haar hebben.
Śyāmasundara: We waren zo dwaas dat we altijd maar dachten: "In de toekomst zal ik vast en zeker gelukkig worden."
Śrila Prabhupāda: Ja, dat is māyā, illusie. Als je op de rug van een ezel gaat zitten en hem een bosje gras voor zijn neus houdt, dan denkt de ezel: "Nog één stapje en ik heb dat gras." [Bob lacht.] Maar het blijft altijd één stap verder weg. Dat is ezelachtigheid. [Iedereen moet lachen.] Iedereen denkt: "Laat ik nog één stapje vooruit doen, dan ben ik er. Dan zal ik heel gelukkig zijn."
Bob: Ik... ik wil u vriendelijk bedanken voor...
Śrila Prabhupāda: Hmm?
Śrila Prabhupāda: Hmm?
Bob: Morgen zal ik u weer moeten verlaten en -
Śrila Prabhupāda: Waarom zeg je niet dat je zult blijven?
Bob: Dat kan ik nog niet, ik wilde morgen weer terug naar mijn stad gaan en...
Śrila Prabhupāda: Je moet niet teruggaan.
Bob: Moet ik dan morgen hier blijven?
Śrila Prabhupāda: Ja, blijf hier.
Bob: Als u dat wilt, zal ik blijven.
Śrila Prabhupāda: Ja, je bent een goeie jongen. [Er valt een lange stilte. Het is nu veel rustiger.] Het is heel eenvoudig. Als de levende wezens Kṛṣṇa vergeten, komen ze in de stoffelijke wereld. Kṛṣṇa omvat Zijn naam, Zijn vorm, Zijn woonplaats, Zijn spel en vermaak alles wat met Hem te maken heeft.
Bob: Wat was dat laatste?
Śrila Prabhupāda: Hmm? Spel en vermaak. Als we het over een koning hebben, hebben we het over zijn regering, zijn paleis, zijn koningin, zijn zonen, zijn secretarissen en zijn leger alles wat met hem verband houdt. Is het niet?
Śrila Prabhupāda: Hmm? Spel en vermaak. Als we het over een koning hebben, hebben we het over zijn regering, zijn paleis, zijn koningin, zijn zonen, zijn secretarissen en zijn leger alles wat met hem verband houdt. Is het niet?
Śrila Prabhupāda: Op dezelfde manier denken we bij Kṛṣṇa, die immers de Allerhoogste Godspersoon is, tegelijkertijd aan al zijn energieën. Dit geheel noemen we in één woord " Rādhā-Kṛṣṇa". Rādhā vertegenwoordigt alle energie van Kṛṣṇa, en Kṛṣṇa is de Allerhoogste Heer. Wanneer we het dus over Kṛṣṇa hebben, dan zijn de levende wezens daarbij inbegrepen, omdat die energieën van Kṛṣṇa zijn. Ze behoren tot Zijn hogere energie. Wanneer deze energie zich niet dienstbaar opstelt ten opzichte van de energiebron, dan spreken we van stoffelijk bestaan. De hele wereld heeft zich van het dienen van Kṛṣṇa afgewend. Ze dienen Kṛṣṇa op
een andere manier, indirect, zoals ongehoorzame burgers de regering indirect dienen. Een misdadiger komt in de gevangenis terecht, omdat hij de wetten van de staat heeft overtreden, en in de gevangenis wordt hij gedwongen zich aan de wet te houden. Zo zijn alle levende wezens hier goddeloos, bewust of onbewust voelen zij er niets voor om de autoriteit van God te aanvaarden. Dit is demonisch. De gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn heeft zich ten doel gesteld ze terug te brengen tot hun oorspronkelijke staat.
een andere manier, indirect, zoals ongehoorzame burgers de regering indirect dienen. Een misdadiger komt in de gevangenis terecht, omdat hij de wetten van de staat heeft overtreden, en in de gevangenis wordt hij gedwongen zich aan de wet te houden. Zo zijn alle levende wezens hier goddeloos, bewust of onbewust voelen zij er niets voor om de autoriteit van God te aanvaarden. Dit is demonisch. De gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn heeft zich ten doel gesteld ze terug te brengen tot hun oorspronkelijke staat.
Bob: Ik wilde u wat vragen over iets waar ik het met een paar toegewijden over heb gehad het gebruik van medicijnen. Vandaag was ik met een paar toegewijden bij de rivier de Ganges, maar omdat ik een beetje verkouden ben, wilde ik het water niet in. Sommige toegewijden vonden dat ik dat juist wel moest doen, omdat het de Ganges was, terwijl anderen vonden dat ik het moest laten vanwege mijn verkoudheid. We spraken erover maar ik begreep het niet zo goed. Worden we ziek door verkeerde activiteiten in het verleden?
Śrila Prabhupāda: Ja, dat is een feit.
Bob: Maar als iemand...
Śrila Prabhupāda: Al het leed dat we ondergaan is het gevolg van verkeerde activiteiten in het verleden.
Bob: Maar als iemand...
Śrila Prabhupāda: Al het leed dat we ondergaan is het gevolg van verkeerde activiteiten in het verleden.
Bob: Maar als iemand bevrijd is van de invloed van zijn karma...
Śrila Prabhupāda: Ja?
Śrila Prabhupāda: Ja?
Bob: ...wordt hij dan nog steeds ziek?
Śrila Prabhupāda: In principe niet. Maar ook al wordt hij ziek, dan is dat maar voor korte tijd. Deze ventilator bijvoorbeeld draait rond. Als je de stekker uit het stopcontact trekt, blijft hij nog even doordraaien. Dat komt niet door de toevoer van elektriciteit, maar door de kracht die er nog in de beweging zat, door het momentum. Maar als hij eenmaal stopt, dan staat hij ook werkelijk stil. Zo gaat het ook met een toegewijde die zich aan Kṛṣṇa heeft overgegeven. Het leed dat hij moet ondergaan ten gevolge van zijn daden in het verleden, is maar tijdelijk. Daarom ziet een toegewijde zijn materiële problemen niet werkelijk als leed, maar als de genade van Kṛṣṇa, God.
Bob: Een perfecte ziel, een toegewijde, een zuivere toegewijde...
Śrila Prabhupāda: Een perfecte ziel is iemand die vierentwintig uur per dag in Kṛṣṇa-bewustzijn is. Hij bevindt zich op het transcendentale niveau. Perfectie betekent dat we handelen in ons oorspronkelijke bewustzijn.
Zo staat het in de Bhagavad-gītā:
mām upetya punar janma
duḥkhālayam aśāśvatam
nāpnuvanti mahātmānaḥ
saṁsiddhiṁ paramāṁ gatāḥ
duḥkhālayam aśāśvatam
nāpnuvanti mahātmānaḥ
saṁsiddhiṁ paramāṁ gatāḥ
"Iedereen kan volmaakt worden door zich toe te leggen op het werk dat bij zijn aard past." Siddhi betekent volmaaktheid. Dat is Brahman-realisatie of geestelijke realisatie. Samsiddhi betekent toewijding en komt na Brahman-realisatie.
Bob: Kunt u dat laatste nog eens herhalen alstublieft?
Śrīla Prabhupāda: Saṁsiddhi.
Bob: Yes.
Śrīla Prabhupāda: Sam betekent volkomen. En siddhi betekent perfectie. In de Bhagavad-gītā wordt gezegd dat iemand die terug naar huis gaat, terug naar God, de volledige volmaaktheid heeft bereikt. Wil men dus volmaakt worden, dan dient men zich te realiseren dat men niet het lichaam is, maar een geestelijke ziel. Brahma-bhūta dat is Brahman-realisatie. En samsiddhi komt na Brahman-realisatie, op voorwaarde dat we toegewijde dienst verrichten. Wie toegewijde dienst verricht, is dus al Brahman-gerealiseerd. Daarom wordt toegewijde dienst samsiddhi genoemd.
Bob: Ik stel deze vraag niet om u uit te dagen, maar bent u wel eens ziek?
Śrila Prabhupāda: Hm?
Bob: Bent u wel eens ziek?
Śrila Prabhupāda: Hm?
Bob: Bent u wel eens ziek?
Śrīla Prabhupāda: Ja.
Bob: Komt dat door uw karma?
Śrīla Prabhupāda: Ja.
Bob: Het is dus niet mogelijk om je in deze stoffelijke wereld helemaal van je karma te bevrijden?
Śrila Prabhupāda: Jawel. Voor een toegewijde bestaat er geen karma meer. Hij krijgt geen karmische reacties meer.
Bob: Maar u bent toch de beste toegewijde.
Śrila Prabhupāda: Hm... Nee, ik beschouw mezelf niet als de beste toegewijde. Ik ben de slechtste.
Bob: Nee.
Śrila Prabhupāda: Jij bent de beste toegewijde.
Bob: [Lacht.] Oh nee! Maar... alles wat u zegt klopt altijd.
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: Dan moet u dus de beste toegewijde zijn.
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: Dan moet u dus de beste toegewijde zijn.
Śrila Prabhupāda: Wat je moet begrijpen is dat zelfs de beste toegewijde, als hij gaat prediken naar het niveau van een tweede-rangs toegewijde afdaalt.
Bob: Wat moet de beste toegewijde dan doen?
Śrila Prabhupāda: De beste toegewijde predikt niet.
Bob: Wat doet hij dan?
Śrila Prabhupāda: Hij ziet de noodzaak niet in om te prediken. Voor hem is iedereen een toegewijde. [Hier moet Bob hartelijk om lachen.] Ja, hij ziet iedereen als een toegewijde. Zo iemand wordt een uttama-adhikārī genoemd. Hoe zou ik als prediker dan de beste toegewijde kunnen zijn? Net als Rādhārāṇī Zij ziet niemand als niet-toegewijde. Daarom proberen wij Rādhārāņṇī te benaderen.
Bob: Wie is dat?
Śrila Prabhupāda: Rādhārāṇī is Kṛṣṇa's metgezellin.
Bob: Aha.
Śrīla Prabhupāda: Iedereen die Rādhārāṇī benadert, wordt door Haar bij Kṛṣṇa geïntroduceerd. Zij zegt dan: "Hier is de beste toegewijde. Hij is beter dan Ik." Kṛṣṇa moet zo iemand dan accepteren. Zij is de beste toegewijde. Maar je kunt de beste toegewijde niet zomaar nadoen en dan denken dat je zelf de beste toegewijde bent.
iśvare tad-adhīneşu
bāliseṣu dvişatsu ca
prema-maitri-kṛpopeksā
yaḥ karoti sa madhyamaḥ
[Ś.B., 11.2.46.]
Een tweederangs toegewijde denkt dat sommige levende wezens afgunstig zijn op God, maar dat is niet zoals de beste toegewijde het ziet. Hij denkt: "Niemand is afgunstig op God. Iedereen is beter dan ik." Net als de schrijver van het Caitanya-caritāmṛta, Kṛṣṇadāsa Kavirāja, die beschouwde zichzelf als minder dan een worm in de drek.
iśvare tad-adhīneşu
bāliseṣu dvişatsu ca
prema-maitri-kṛpopeksā
yaḥ karoti sa madhyamaḥ
[Ś.B., 11.2.46.]
Een tweederangs toegewijde denkt dat sommige levende wezens afgunstig zijn op God, maar dat is niet zoals de beste toegewijde het ziet. Hij denkt: "Niemand is afgunstig op God. Iedereen is beter dan ik." Net als de schrijver van het Caitanya-caritāmṛta, Kṛṣṇadāsa Kavirāja, die beschouwde zichzelf als minder dan een worm in de drek.
Bob: Wie zegt dat?
Śrila Prabhupāda: Kṛṣṇadāsa Kavirāja, de schrijver van het Caitanya-caritāmṛta: purīṣera kīṭa haite muñi se laghiṣṭha. Hij zegt dat niet zomaar; hij voelt zich werkelijk zo. "Ik ben het minst belangrijk, ieder ander is beter dan ik. Iedereen is een dienaar van Kṛṣṇa, behalve ik." Caitanya Mahaprabhu zei: "Ik heb totaal geen toewijding voor Kṛṣṇa. Mijn tranen zijn niet oprecht. Als ik werkelijk een toegewijde van Kṛṣṇa was, had ik allang mijn leven opgegeven. Het feit dat ik nog leef, is het bewijs dat ik Kṛṣṇa niet liefheb." Zo denkt de beste toegewijde. Hij gaat zo volledig op in zijn liefde voor Kṛṣṇa, dat hij zegt: "Er zijn zoveel mensen die Kṛṣṇa dienen, maar ik ben zo gevallen, dat ik God niet kan aanschouwen."
Bob: Een toegewijde moet zich dus inzetten voor ieders bevrijding?
Śrila Prabhupāda: Ja. En een toegewijde handelt onder leiding van een bonafide geestelijk leraar en probeert niet om de beste toegewijde te imiteren.
Syāmasundara: U hebt eens verteld dat u zich soms ziek voelt of pijn heeft door de zondige activiteiten van uw leerlingen. Kan dat ook een oorzaak zijn van ziekte?
Śrila Prabhupāda: Kṛṣṇa zegt: ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ"Ik zal je van alle terugslagen van zondige activiteiten bevrijden. Vrees niet." Kṛṣṇa is zo machtig dat Hij ieders zonden op Zich kan nemen. Maar als een levend wezen Kṛṣṇa vertegenwoordigt, is hij ook meteen verantwoordelijk voor de zondige activiteiten van zijn leerlingen. Daarom is het niet gemakkelijk om guru te zijn. Hij moet immers al het gif in zich opnemen. En dit veroorzaakt soms moeilijkheden voor hem, omdat hij Kṛṣṇa niet is.
Daarom heeft Caitanya Mahāprabhu het verboden om veel leerlingen aan te nemen. Maar om het Kṛṣṇa-bewustzijn te verbreiden, moeten wij wel veel leerlingen aannemen ook al lijden we
eronder. Zo zit dat. De geestelijk leraar is verantwoordelijk voor al de zondige activiteiten van zijn leerlingen. Daarom is het niet verstandig veel leerlingen aan te nemen, tenzij men in staat is alle zonden op zich te nemen.
eronder. Zo zit dat. De geestelijk leraar is verantwoordelijk voor al de zondige activiteiten van zijn leerlingen. Daarom is het niet verstandig veel leerlingen aan te nemen, tenzij men in staat is alle zonden op zich te nemen.
vāñchā-kalpa-tarubhyaś ca
kṛpā-sindhubhya eva ca
patitānāṁ pāvanebhyo
vaiṣṇavebhyo namo namaḥ
kṛpā-sindhubhya eva ca
patitānāṁ pāvanebhyo
vaiṣṇavebhyo namo namaḥ
["Ik buig me eerbiedig neer voor alle vaisnava-toegewijden van de Heer, die ieders wensen in vervulling kunnen laten gaan, zoals wensbomen dat kunnen, en die vol mededogen zijn voor de gevallen zielen."] Hij neemt de verantwoordelijkheid voor alle gevallen zielen op zich. Hetzelfde zien we in de bijbel. Jezus Christus offerde zijn leven en nam zo alle zonden van de mensen op zich. Dat is de taak van de geestelijk leraar. Omdat Kṛṣṇa God is, is Hij apāpa-viddha de reacties van zondige activiteiten hebben geen invloed op Hem. Maar een levend wezen is soms wel aan deze invloeden onderhevig, omdat hij zo nietig is. Net als een groot vuur en een klein vuurtje. Als je een groot voorwerp in een klein vuurtje gooit, bestaat de kans dat het vuurtje uitgaat, maar in een groot vuur kun je alles gooien, en het zal alles verteren.
Bob: Was het lijden van Christus van deze aard?
Śrila Prabhupāda: Dat heb ik al uitgelegd. Hij heeft de zonden van de mensen op zich genomen. Daarom moest hij lijden.
Bob: Aha.
Śrila Prabhupāda: Hij zegt dat kan je terugvinden in de bijbel dat hij de zonden van alle mensen op zich nam en zijn leven daarvoor heeft opgeofferd. Maar de christenen hebben ervan gemaakt dat Christus voor hen moet lijden, zodat zij kunnen doorgaan met hun onzin. Zo dwaas zijn ze! Ze willen Christus een contract met hun laten sluiten dat hij alle zonden op zich neemt zodat zij door kunnen gaan met zondigen. Dat is hun religie. Christus was zo grootmoedig al hun zonden op zich te nemen, maar dat heeft hen niet op het idee gebracht met zondigen op te houden. Zij hebben het heel makkelijk opgenomen: "Laat Jezus maar lijden, dan kunnen wij gewoon doorgaan met onze zonden." Is het niet zo?
Bob: Ja, dat klopt.
Śrila Prabhupāda: Ze moesten zich schamen. "Jezus heeft voor ons geleden, maar wij gaan door met zondigen." Hij zegt tegen iedereen: "Gij zult niet doden," maar zij gaan gewoon door met doden en denken dan: "Jezus zal het ons wel vergeven en onze zonden op zich nemen."
We moeten juist heel voorzichtig zijn: "De geestelijk leraar moet lijden als ik zondig, daarom zal ik er voor zorgen dat ik geen enkele zonde, hoe klein dan ook, zal begaan." Dat is de plicht van de leerling. Na de inwijding krijg je geen reacties meer voor je vroegere zondige activiteiten. Als je daarna weer zonden begaat, moet de geestelijk leraar ervoor lijden. Daar zou de leerling rekening mee moeten houden. Als de geestelijk leraar ziek wordt, komt dat door de zondige activiteiten van anderen. Daarom wordt het aangeraden om niet veel leerlingen aan te nemen. Maar wij doen het toch, omdat we het Kṛṣṇa-bewustzijn willen verspreiden. Wij zijn bereid daarvoor te lijden.
Zojuist vroeg je toch of mijn leed voortkwam uit verkeerde handelingen in het verleden? Nu kan ik je vertellen welke fout ik heb begaan: ik heb soms leerlingen aangenomen die niet serieus waren.
Bob: Gebeurde dat dan wel eens?
Śrila Prabhupāda: Ja, het is niet te vermijden, omdat we zoveel mensen aannemen. Het is de plicht van iedere leerling heel erg op te passen wat hij doet. Hij moet zich bewust zijn van het feit dat zijn geestelijk leraar hem gered heeft en dat hij zijn leraar niet moet laten lijden. Als de geestelijk leraar lijdt, wordt hij door Kṛṣṇa in bescherming genomen. Kṛṣṇa doet dit uit liefde voor Zijn toegewijde, omdat die er zoveel voor over heeft om de gevallen zielen te bevrijden. Kaunteya pratijānīhi na me bhaktaḥ praṇaśyati ["O zoon van Kunti, je kunt zonder meer verkondigen dat Mijn toegewijde nooit ten onder zal gaan."] Omdat de geestelijk leraar dit risico voor Kṛṣṇa neemt, wordt hij door Hem beschermd.
Bob: Dus u lijdt niet op dezelfde manier als...
Śrīla Prabhupāda: Nee, het komt niet door mijn karma. Soms heb ik wel pijn; dat is om mijn leerlingen ervan bewust te maken dat hun geestelijk leraar door hun zondige activiteiten moet lijden.
Bob: In de stad waar ik woon drink ik altijd gekookt water, omdat er ziektekiemen in het water kunnen zitten. Maar als ik een goed mens geweest ben, hoef ik toch geen gekookt water te drinken, omdat ik dan toch niet ziek wordt. Ik zou dan alles kunnen drinken. En als ik in het verleden niet goed heb gehandeld, word ik hoe dan ook toch ziek.
Śrila Prabhupāda: Zolang we in deze stoffelijke wereld leven, mogen we de wetten van de natuur niet veronachtzamen. Stel dat je het oerwoud ingaat en daar een tijger tegenkomt. Je weet dat hij je aan zal vallen, dus waarom zou je je vrijwillig aan dat gevaar blootstellen?
Het is niet zo dat een toegewijde allerlei risico's mag nemen en de natuur mag uitdagen, omdat hij nu toegewijde is. Dat is dwaasheid.
anāsaktasya viṣayān
yathārham upayuñjataḥ
nirbandhaḥ kṛṣṇa-sambandhe
yuktaṁ vairāgyam ucyate
yathārham upayuñjataḥ
nirbandhaḥ kṛṣṇa-sambandhe
yuktaṁ vairāgyam ucyate
Een toegewijde behoort hetgeen noodzakelijk is voor zijn levensonderhoud te aanvaarden, maar zonder eraan gehecht te zijn. Hij drinkt misschien het liefst gekookt water, maar als dat niet te krijgen is, drinkt hij gewoon water. Wij eten altijd Kṛṣṇa-prasāda, maar als we op reis zijn, moeten we soms in een hotel eten. Het is niet zo dat een toegewijde liever verhongert dan dat hij wat in een hotel eet. Als hij honger lijdt heeft hij geen kracht meer om te prediken.
Bob: Geeft een toegewijde niet een gedeelte van zijn individualiteit op als hij...
Śrila Prabhupāda: Nee, hij behoudt zijn volledige identiteit, omdat hij alles doet om Kṛṣṇa tevreden te stellen. Kṛṣṇa zegt: "Geef je over aan Mij." En dat doet hij dan vrijwillig. Daarbij verliest hij zijn individualiteit niet. Arjuna wilde in het begin ook niet vechten; dat kwam door zijn individualiteit. Maar zodra hij Kṛṣṇa als zijn geestelijk leraar had aanvaard, werd hij de sisya [leerling].Vanaf dat moment zei hij "ja" op alles wat Kṛṣṇa hem opdroeg, zonder daarbij zijn individualiteit te verliezen. Hij aanvaardde vrijwillig elke opdracht die Kṛṣṇa hem gaf.
Mijn leerlingen hebben hun individualiteit evenmin verloren, maar ze hebben haar vrijwillig opgegeven. Dat is vereist. Als een man bijvoorbeeld geen gebruik maakt van zijn seksuele energie, betekent dat dan dat hij impotent is geworden? Nee, als hij wil kan hij duizend keer seks hebben, maar hij heeft het vrijwillig opgegeven. Paraṁ dṛṣṭvā nivartate: hij heeft een hogere smaak ontwikkeld. Soms vasten we, maar dat betekent niet dat we ziek zijn. We vasten vrijwillig, niet omdat we geen honger hebben of niet kunnen eten.
Bob: Behoudt een toegewijde die zich overgeeft zijn individuele smaak?
Śrila Prabhupāda: Jazeker, volledig.
Bob: Behoudt hij zijn eigen voor- en afkeur voor bepaalde dingen?
Śrila Prabhupāda: Ja, hij behoudt alles, maar hij laat Kṛṣṇa beslissen. Stel dat ik iets mooi vind, maar Kṛṣṇa zegt dat ik het niet kan gebruiken, dan doe ik het niet. Alles wat ik doe is voor Kṛṣṇa. Nirbandhaḥ kṛṣṇa-sambandhe yuktam vairāgyam ucyate, Kṛṣṇa zegt heel duidelijk waar Hij van houdt. Daarom geven we Hem wat Hij graag heeft en nemen we wat er overblijft als prasāda. Kṛṣṇa houdt van Rādhārāṇī, en daarom proberen alle gopi's Rādhārāṇī naar Kṛṣṇa toe te duwen. We proberen dus niet onze eigen zintuigen te bevredigen, maar die van Kṛṣṇa. Dat is bhakti. Dit wordt ook wel prema genoemd, liefde voor Kṛṣṇa. "Ah, Kṛṣṇa houdt hiervan, ik zal het Hem onmiddellijk geven."
Bob: Sommige gerechten die als prasāda [geofferd voedsel] geserveerd worden, vind ik lekker en andere weer helemaal niet.
Śrila Prabhupāda: Dat is niet goed. Het gaat er juist om dat je alles wat aan Kṛṣṇa geofferd is, aanvaardt. Je kunt niet zeggen: "Hier houd ik van en hier houd ik niet van." "Doe je dat wel, dan heb je nog niet begrepen wat prasāda is.
Een toegewijde: Maar als iemand iets nu wel of niet lekker vindt? Als iemand bijvoorbeeld wat prasāda klaarmaakt...
Śrīla Prabhupāda: Nee, als het oprecht en met toewijding klaargemaakt is, zal Kṛṣṇa het aanvaarden. Net als bij Vidu. Vidu wilde Kṛṣṇa bananen offeren, maar hij was zo diep in meditatie verzonken, dat hij de bananen zelf weggooide en de schillen aan Kṛṣṇa gaf, die ze opat. [Iedereen lacht.] Kṛṣṇa wist dat Vidu met toewijding offerde, en als Kṛṣṇa wil kan Hij alles eten, op voorwaarde dat het Hem met toewijding is gegeven. Het doet er niet toe of het materieel gezien smakelijk is of niet. En zo dient ook een toegewijde prasāda te aanvaarden. Of het nu smakelijk is of niet, we moeten alles gewoon aannemen.
Een toegewijde: Maar als er geen toewijding is, zoals in India...
Śrīla Prabhupāda: Zonder toewijding vindt Hij niets lekker. Of het nu smakelijk is of niet, Hij zal het niet aanvaarden.
Een toegewijde: In India …
Śrila Prabhupāda: India, India. Praat niet over India! Praat over filosofie. Als er geen toewijding is, zal Kṛṣṇa niets aanvaarden. Of het nu in India is of in je eigen land, Kṛṣṇa is niet verplicht iets te aanvaarden enkel omdat het smakelijk is. Hij heeft in Vaikuntha heerlijke gerechten te over. Hij heeft jouw voedsel niet nodig. Wat Hij wil hebben is je toewijding, je bhakti. Daar gaat het om. Kṛṣṇa aanvaardt geen voedsel van deze stoffelijke wereld, Hij aanvaardt alleen de toewijding.
patraṁ puṣpaṁ phalaṁ toyaṁ
yo me bhaktyā prayacchati
tad ahaṁ bhakty-upahṛtam
aśnāmi prayatātmanaḥ
yo me bhaktyā prayacchati
tad ahaṁ bhakty-upahṛtam
aśnāmi prayatātmanaḥ
["Als men Mij met liefde en toewijding een blad, een bloem, fruit of water offert, zal Ik het aanvaarden."] "Omdat het met liefde en toewijding aan Mij geofferd is" daar gaat het om. Daarom mag hier niemand koken die geen toegewijde is. Kṛṣṇa aanvaardt niets van een niet-toegewijde. Waarom zou Hij ook? Hij heeft geen honger. Hij heeft geen voedsel nodig. Het gaat Hem om de toewijding. Meer niet.
Men moet dus een toegewijde worden in plaats van een goede kok. Maar als iemand eenmaal toegewijde is, zal hij ook een goede kok zijn. Dat gaat automatisch. Daarom hoeft men alleen toegewijde te worden. Dan komen de andere kwaliteiten vanzelf. En als iemand geen toegewijde is, hebben al zijn goede eigenschappen geen enkele waarde. Zo iemand bevindt zich op het mentale niveau, en daarom kan hij geen goede eigenschappen bezitten.
[Er is een lange pauze.]
[Er is een lange pauze.]
Śrila Prabhupāda: Hoe laat is het nu?
Syāmasundara: Zes uur.
Śrila Prabhupāda: Vragen en antwoorden zijn noodzakelijk. Ze zijn leerzaam voor iedereen.
Bob: Ik heb nog een vraag over prasāda.
Bob: Ik heb nog een vraag over prasāda.
Śrila Prabhupāda: Suta Gosvāmi zegt:
munayaḥ sadhu prsto 'ham
bhavadbhir loka-mangalam
yat kṛtah kṛṣṇa-sampraśno
yenātmā suprasidati
munayaḥ sadhu prsto 'ham
bhavadbhir loka-mangalam
yat kṛtah kṛṣṇa-sampraśno
yenātmā suprasidati
["O wijzen, u hebt me goede en waardige vragen gesteld, omdat ze betrekking hebben op Kṛṣṇa en dus van belang zijn voor het welzijn van de wereld. Alleen zulke vragen kunnen het zelf volledig voldoening schenken."] Kṛṣṇa-sampraśnaḥ, dat is heel goed. Als er gediscussiëerd en geluisterd wordt, dan is dat loka-mangalam, heilzaam voor iedereen. Zowel de vragen als de antwoorden.
Bob: Ik begrijp nog steeds niet alles met betrekking tot prasāda, maar ik zal erover nadenken en als u het goed vindt er morgen nog iets over vragen.
Śrila Prabhupāda: Prasāda is altijd prasāda, maar omdat we nog niet zover gevorderd zijn, vinden we sommige prasāda niet zo lekker.
Bob: Wat ik eigenlijk bedoel, is dat het soms erg heet is en dat ik daar maagpijn van krijg.
Śrila Prabhupāda: Prasāda is altijd prasāda, maar omdat we nog niet zover gevorderd zijn, vinden we sommige prasāda niet zo lekker.
Bob: Wat ik eigenlijk bedoel, is dat het soms erg heet is en dat ik daar maagpijn van krijg.
Śrīla Prabhupāda: Dat komt ook doordat je het niet op de juiste manier weet te waarderen. Aan de andere kant moet de kok ook een beetje oppassen met de kruiden. Aan Kṛṣṇa mag alleen het beste geofferd worden en als er iets klaargemaakt wordt wat nergens op lijkt, dan doet hij zijn taak niet goed. Maar hoe dan ook, Kṛṣṇa aanvaardt alles wat door een toegewijde geofferd is, en de toegewijde aanvaardt alle prasāda, ook als die te sterk gekruid is. Hiranyakasipu gaf zijn zoon vergif te drinken, maar die offerde het aan Kṛṣṇa en dronk het op alsof het nectar was. Dus zelfs al is het te sterk gekruid voor anderen, dan vindt een toegewijde het nog steeds lekker. Wat zijn kruiden nu vergeleken bij vergif? Die jongen kreeg echt vergif te drinken. Hetzelfde met Pütanā Rākṣasi; zij gaf Kṛṣṇa ook gif, maar Kṛṣṇa was zo goed dat Hij haar bevrijding schonk, omdat Hij alleen het goede in haar zag. Kṛṣṇa en ieder
goed mens, ziet enkel het goede en niet het slechte.
goed mens, ziet enkel het goede en niet het slechte.
Bob: Ik heb nog een vraag over prasāda, als u me toestaat. Als een toegewijde een bepaald soort voedsel niet mag hebben zoals sommige toegewijden die geen ghee mogen eten, omdat ze een slechte lever hebben moeten ze dan toch alle prasāda eten?
Śrila Prabhupāda: Nee, nee. Wie nog geen perfecte toegewijde is, mag onderscheid maken, maar een perfecte toegewijde doet dat niet. Je moet niet proberen een volmaakte toegewijde te imiteren. Zolang je onderscheid maakt, ben je nog niet volmaakt. Je hebt de perfectie nog niet bereikt, dus waarom zou je dan op een onnatuurlijke manier de volmaakte toegewijde imiteren door alles te eten?
Bob: Oh.
Śrila Prabhupāda: Waar het dus om gaat, is dat een zuivere toegewijde geen onderscheid maakt. Alles wat aan Kṛṣṇa geofferd is, is nectar. Kṛṣṇa aanvaardt alles van een toegewijde. En een toegewijde moet ook alles aanvaarden. Begrijp je wat ik bedoel? Een zuivere toegewijde maakt geen onderscheid. Maar als ik geen zuivere toegewijde ben en wel onderscheid maak, waarom zou ik dan doen alsof ik een zuivere toegewijde ben? Misschien ben ik wel niet in staat alles te verteren, omdat ik geen zuivere toegewijde ben. Een toegewijde moet zich niet als een dwaas gedragen. Er wordt gezegd: kṛṣṇa ye bhaje se baḍa catura. Een toegewijde weet waar hij staat en hij is intelligent genoeg om dienovereenkomstig met anderen om te gaan.
Śrila Prabhupāda: Nee, nee. Wie nog geen perfecte toegewijde is, mag onderscheid maken, maar een perfecte toegewijde doet dat niet. Je moet niet proberen een volmaakte toegewijde te imiteren. Zolang je onderscheid maakt, ben je nog niet volmaakt. Je hebt de perfectie nog niet bereikt, dus waarom zou je dan op een onnatuurlijke manier de volmaakte toegewijde imiteren door alles te eten?
Bob: Oh.
Śrila Prabhupāda: Waar het dus om gaat, is dat een zuivere toegewijde geen onderscheid maakt. Alles wat aan Kṛṣṇa geofferd is, is nectar. Kṛṣṇa aanvaardt alles van een toegewijde. En een toegewijde moet ook alles aanvaarden. Begrijp je wat ik bedoel? Een zuivere toegewijde maakt geen onderscheid. Maar als ik geen zuivere toegewijde ben en wel onderscheid maak, waarom zou ik dan doen alsof ik een zuivere toegewijde ben? Misschien ben ik wel niet in staat alles te verteren, omdat ik geen zuivere toegewijde ben. Een toegewijde moet zich niet als een dwaas gedragen. Er wordt gezegd: kṛṣṇa ye bhaje se baḍa catura. Een toegewijde weet waar hij staat en hij is intelligent genoeg om dienovereenkomstig met anderen om te gaan.