Default View
Dual Language View
ZEVEN
Handelen in Kṛṣṇa-bewustzijn
29 februari 1972 ('s avonds, vervolg)
Een Indiase bezoeker: Door wat voor activiteiten krijgt men goed karma?
Śrila Prabhupāda: Goed karma krijg je door de instructies van de Veda's op te volgen. In de Veda's wordt de nadruk gelegd op het verrichten van yajña. Yajña wil zeggen: handelen om Visņu, de Allerhoogste Godspersoon, te plezieren. Goed karma krijg je dus door het verrichten van de yajña's zoals die in de Veda's voorgeschreven worden.
Een goed burger die zich aan de wet houdt, stelt met zijn gedrag de regering tevreden. Goed karma betekent dus dat we de Allerhoogste Heer Visņu tevredenstellen. Jammer genoeg heeft de moderne samenleving er geen idee van wie de Allerhoogste Godspersoon is, laat staan hoe Hij tevredengesteld moet worden. Dat weten de mensen gewoon niet. Ze houden zich alleen bezig met materiële activiteiten. Zo halen ze zich alleen maar slecht karma op de hals en daarom lijden ze. Het is een wereld waar blinden de blinden lijden. En allemaal lijden ze vanwege hun slechte karma. Dit is heel gemakkelijk te begrijpen. Als je een misdaad begaat, zul je moeten lijden, en als je iets goed doet, bijvoorbeeld voor je land of voor de mensheid, dan word je geëerd en krijg je misschien een onderscheiding. Zo moet je goed en slecht karma zien. Goed karma betekent dat je zult genieten in het materiële leven, en slecht karma betekent dat het je materieel gezien slecht zal vergaan.
Door je goede karma word je in een goede familie geboren, word je rijk en geleerd en krijg je eenaantrekkelijk uiterlijk. [Het is even stil.]
Bob: Als iemand zich niet erg bewust is van God, maar...
Śrila Prabhupāda: Dan is hij een dier. Dieren weten niet wat goed is. Iemand die niet weet wat God is, of niet probeert te begrijpen wat God is, is een dier. Andere dieren lopen op vier poten en dit dier loopt op twee benen. Volgens Darwins theorie zijn het apen. Iedereen die God niet kent, of niet probeert Hem te begrijpen, is niet meer dan een dier.
Bob: En onschuldige mensen dan?
Śrila Prabhupāda: Dieren zijn ook heel onschuldig. Als je hun de keel doorsnijdt, zullen ze niet protesteren. Onschuld is dus geen goede eigenschap. Dieren zijn allemaal heel onschuldig. Daarom lukt het de mensen ook om ze te doden. Wij stellen dat iemand heel erg intelligent moet zijn, alleen dan kan hij Kṛṣṇa begrijpen. Een onschuldige, onwetende sul zijn is niet goed. Eenvoud is goed, maar domheid niet.
Bob: Kunt u mij nog eens vertellen wat intelligentie is?
Śrila Prabhupāda: Intelligentie betekent dat iemand weet wie hij is, wie God is, wat deze wereld is, en in wat voor betrekking ze tot elkaar staan zo iemand is intelligent. Dieren weten niet wat ze zijn. Die denken dat ze hun lichaam zijn. Op dezelfde manier is iedereen die niet weet wat hij is, niet intelligent.
Bob: En als iemand probeert te doen wat goed is en erg gewetensvol en bewust is in de dingen die hij doet? Net als een dienaar die erg oprecht is tegenover zijn meester, hoewel hij weet dat als hij niet oprecht was, de baas er toch nooit achter zou komen. Als zo iemand toch eerlijk blijft, is dat dan een vorm van goed karma?
Śrila Prabhupāda: Ja. Hoe we een goed mens kunnen worden, wordt uitgebreid beschreven in de Bhagavad-gītā: daivī sampad vimokṣāya nibandhāyāsurī matā. Als je daivi sampad (bovenzinnelijke eigenschappen) ontwikkelt dan, vimokṣāya zul je bevrijd worden. En nibandhāyāsuri als je demonische eigenschappen hebt, zul je steeds verder verstrikt raken. Jammer genoeg weet men in de moderne samenleving niet wat bevrijding is, noch wat verstrikking is. Ze zijn zo onwetend, dat ze dat niet eens weten.
Als ik je vraag wat er bedoeld wordt met bevrijding, zou je dan kunnen antwoorden? [Geen antwoord.] En als ik je vraag, wat er bedoeld wordt met verstrikking of gebondenheid, zou je dan kunnen antwoorden? [Weer geen antwoord.] Deze woorden kun je terugvinden in de vedische literatuur bevrijding en verstrikking. Ze zijn zo onwetend en dwaas, en toch zijn ze zo trots op hun geavanceerde kennis. Zou jij me kunnen vertellen wat bevrijding is? Jij bent leraar; kun je me uitleggen wat bevrijding is?
Bob: Niet precies, want als ik dat zou kunnen uitleggen, zou ik zelf heel gauw bevrijd zijn.
Śrila Prabhupāda: Maar als je niet weet wat bevrijding is, hoe lang zal het dan niet duren voor je bevrijd raakt? [Iedereen lacht.] Dan hoef je helemaal niet op bevrijding te rekenen. Hoe lang het zal duren doet er niet toe. Eerst moet je weten wat bevrijding inhoudt. Als je niet weet waar de trein naartoe gaat, wat heeft het dan voor zin om te weten of hij snel gaat of langzaam? Jij kent je bestemming niet. Nou, wat is bevrijding?
Bob: Ummm...
Śrila Prabhupāda: Ik stel je een vraag. Jij stelt mij iedere dag vragen. En nu stel ik jou eens een vraag.
Bob: [Lacht.] O.K... Ik zal erover nadenken.
Śrila Prabhupāda: Ik stel je een vraag. Jij stelt mij iedere dag vragen. En nu stel ik jou eens een vraag.
Bob: [Lacht.] O.K... Ik zal erover nadenken.
Śrila Prabhupāda: Bevrijding wordt beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam. Het Sanskriet-woord voor bevrijding is mukti. Dat wordt als volgt gedefinieerd in het Srimad-Bhāgavatam:
muktir hitvanyathā rūpaṁ
svarūpeṇa vyavasthitiḥ
Men moet ophouden met alle onzin en gesitueerd raken in zijn oorspronkelijke positie. Maar dit brengt de mensen nog meer in verlegenheid, want niemand kent zijn oorspronkelijke positie, en evenmin weet men hoe men dient te handelen. De mensen handelen over het algemeen verkeerd, omdat ze niet weten wat juist is. De moderne mens is zo rampzalig onwetend over het leven. Ze weten niet wat ze moeten doen.
muktir hitvanyathā rūpaṁ
svarūpeṇa vyavasthitiḥ
Men moet ophouden met alle onzin en gesitueerd raken in zijn oorspronkelijke positie. Maar dit brengt de mensen nog meer in verlegenheid, want niemand kent zijn oorspronkelijke positie, en evenmin weet men hoe men dient te handelen. De mensen handelen over het algemeen verkeerd, omdat ze niet weten wat juist is. De moderne mens is zo rampzalig onwetend over het leven. Ze weten niet wat ze moeten doen.
Bob: Kunt u mij vertellen wat eerlijkheid is?
Śrīla Prabhupāda: If one does not know what is honesty, how can he be honest? But if you know what is honesty, then you can be honest. What is honesty? First of all explain.
Bob: I would say that honesty is doing what you really feel is right.
Śrila Prabhupāda: Een dief voelt: "Ik moet stelen om mijn gezin te onderhouden. Dat is dus goed." Betekent dat dan dat hij eerlijk is? De slager denkt: "Het is noodzakelijk voor mijn levensonderhoud dat ik iedere dag dieren slacht." Net als die jager die Nārada Muni ontmoette hoe heette hij ook alweer?
Syamasundara: Mṛgāri.
Śrila Prabhupāda: Ja, Mṛgāri. Nārada vroeg hem: "Waarom dood je al deze dieren op zo'n afschuwelijke manier?" En hij zei: "Oh, dat doe ik altijd. Dat heb ik zo van mijn vader geleerd." Hij was dus eerlijk aan het jagen. Het gevoel eerlijk te zijn is dus afhankelijk van je achtergrond. Een dief heeft nu eenmaal een andere achtergrond; hij denkt dat stelen eerlijk is.
Syamasundara: Mṛgāri.
Śrila Prabhupāda: Ja, Mṛgāri. Nārada vroeg hem: "Waarom dood je al deze dieren op zo'n afschuwelijke manier?" En hij zei: "Oh, dat doe ik altijd. Dat heb ik zo van mijn vader geleerd." Hij was dus eerlijk aan het jagen. Het gevoel eerlijk te zijn is dus afhankelijk van je achtergrond. Een dief heeft nu eenmaal een andere achtergrond; hij denkt dat stelen eerlijk is.
Bob: Nou, wat is dan eerlijkheid?
Śrīla Prabhupāda: Ja, dat wilde ik jou vragen. [Iedereen lacht. Werkelijke eerlijkheid is dat je geen beslag legt op andermans bezittingen. Deze tafel is bijvoorbeeld van mij en als je die straks meeneemt, dan is dat niet eerlijk. Eerlijkheid betekent dus eenvoudig dat je geen beslag legt op iets wat aan een ander toebehoort.
Bob: Dus iemand die eerlijk is, bevindt zich in de geaardheid goedheid. Is dat juist?
Śrila Prabhupāda: Ja, want de geaardheid goedheid betekent kennis. Dus als je weet dat deze tafel niet van jou is maar van Svāmīji, dan zal je ook niet proberen hem mee te nemen. Daarom dient men grondige kennis van zaken te hebben om werkelijk eerlijk te kunnen zijn.
Bob: U hebt gezegd dat de geaardheid goedheid betekent dat men kennis heeft van God, maar iemand kan ook eerlijk zijn zonder dat hij veel kennis over God bezit.
Śrila Prabhupāda: Wat bedoel je?
Bob: Er zijn ook mensen die zonder te denken dat ze eerlijk moeten zijn omdat God het zo wil, zich tóch verplicht voelen eerlijk te zijn.
Śrila Prabhupāda: God verlangt van iedereen dat hij eerlijk is. Waarom zou Hij iets anders willen?
Bob: Dus het is ook mogelijk Gods wil te doen zonder dat je het weet?
Śrila Prabhupāda: God verlangt van iedereen dat hij eerlijk is. Waarom zou Hij iets anders willen?
Bob: Dus het is ook mogelijk Gods wil te doen zonder dat je het weet?
Śrīla Prabhupāda: Nee, dat is absurd. Je moet weten wat God van je wil, en als je dat dan doet, dan ben je eerlijk.
Bob: Dus iemand die God niet kent, kan ook niet oprecht zijn?
Śrila Prabhupāda: Precies, want God is de allerhoogste bezitter, de allerhoogste genieter en de allerbeste vriend. Dat staat in de Bhagavad-gitā. Zodra iemand deze drie dingen weet, bezit hij vol- ledige kennis. Je hoeft slechts deze drie dingen te weten: dat God alles bezit, dat Hij ieders vriend is en dat Hij het is die van al het bestaande geniet. Iedereen weet bijvoorbeeld dat in het lichaam de maag de genieter is. Niet de handen, benen, ogen of oren; die zijn er alleen maar om de maag te dienen. Een gier gaat bijvoorbeeld een paar kilometer de lucht in om te kijken of er voedsel is voor zijn maag. Is het niet?
Bob: Ja, dat is zo.
Śrīla Prabhupāda: Dan vliegen zijn vleugels hem daarnaar toe en pakt zijn bek het voedsel. Zoals in dit lichaam de maag de genieter is, zo is God, Kṛṣṇa, de centrale figuur in zowel het stoffelijke als het geestelijke universum. Hij is de genieter. We kunnen dit begrijpen door naar ons eigen lichaam te kijken. Ons lichaam is ook een schepping en werkt volgens dezelfde wetten als die in het universum gelden. Overal vind je dezelfde wetmatigheden. Het menselijke lichaam en de kosmos werken praktisch volgens dezelfde principes. Het is dus heel eenvoudig in te zien dat in dit lichaam, mijn lichaam of jouw lichaam, de maag de genieter is. Er is een centrale genieter. En de maag is ook je vriend, want als je je voedsel niet kunt verteren, zullen alle andere delen van je lichaam zwak worden. Daarom is de maag je vriend. Hij verteert het voedsel en stuurt energie naar alle delen van het lichaam. Is het niet?
Bob: Ja, dat klopt.
Śrila Prabhupāda: Op dezelfde manier is de centrale maag van de hele schepping God of Kṛṣṇa. Hij is de genieter, Hij is de vriend en als de allerhoogste bezitter onderhoudt Hij iedereen; net zoals een koning in staat is om alle burgers in zijn land te onderhouden, omdat hij de bezitter van het land is. Alleen iemand die alles bezit, kan werkelijk ieders vriend zijn. Deze dingen moet men goed begrijpen. Kṛṣṇa is de genieter, Kṛṣṇa is de bezitter en Kṛṣṇa is de vriend.
Als je deze drie dingen weet, is je kennis volmaakt. Dan hoef je verder niets meer te weten. Yasmin vijñāte sarvam evaṁ vijñātaṁ bhavati. Als je Kṛṣṇa eenvoudigweg aan de hand van deze drieledige formule begrijpt, dan is je kennis volledig. Meer kennis heb je niet nodig. Maar de mensen zullen het hier niet mee eens zijn. "Waarom zou Kṛṣṇa de bezitter moeten zijn? Hitler moet de bezitter zijn. Nixon..." En dat gaat zo maar door. En daarom hebben jullie zoveel problemen. Maar als je enkel deze drie dingen begrijpt, dan is je kennis al volmaakt. Maar men zal het niet aanvaarden. Ze zullen allerlei argumenten aanvoeren om deze drie dingen niet te hoeven aanvaarden, en dat is de oorzaak van alle problemen. Het staat echter heel duidelijk in de Bhagavad-gītā:
bhoktāraṁ yajña-tapasāṁ
sarva-loka-maheśvaram
suhṛdaṁ sarva-bhūtānāṁ
jñātvā māṁ śāntim ṛcchati
sarva-loka-maheśvaram
suhṛdaṁ sarva-bhūtānāṁ
jñātvā māṁ śāntim ṛcchati
["De wijzen die Mij kennen als het uiteindelijke doel van alle offers en versterving, als de Allerhoogste Heer van de planeten en halfgoden, en de weldoener en begunstiger van alle levende wezens, zullen van iedere stoffelijke ellende verlost worden."] Maar we willen dit niet aanvaarden. We klampen ons vast aan zoveel valse leiders, valse vrienden en valse genieters, die elkaar het leven zuur maken. Zo is het in de wereld gesteld. Als deze kennis aan de mensheid onderwezen wordt, zal er onmiddellijk vrede zijn (santim rcchati). Dit is kennis en iedereen die overeenkomstig deze principes leeft, is eerlijk. Zo iemand zegt nooit: "Dit is van mij." Hij weet: alles is van Kṛṣṇa en moet in dienst van Hem gebruikt worden. Dat is eerlijkheid. Stel dat deze pen van mij is, dan kunnen mijn leerlingen deze pen alleen gebruiken als ik ze er toestemming voor geef.
Zo zal ook ik, omdat ik weet dat alles aan Kṛṣṇa toebehoort, niets gebruiken zonder Zijn toestemming. Dat is eerlijkheid en dat is kennis. Iemand die dit niet weet, is onwetend en dwaas. En het zijn juist de dwazen die misdaden begaan. Alle misdadigers zijn dwazen. Uit onwetendheid breken ze de wet. Onwetendheid brengt dus geen geluk, maar het is ook dwaas om wijsheid te willen brengen waar men onwetendheid als een groot geluk beschouwt. Dat is de moeilijkheid. Over de hele wereld genieten de mensen in onwetendheid, en wanneer je over Kṛṣṇa-bewustzijn spreekt, wordt dat niet erg gewaardeerd. Als ik zeg: "Krsna is de bezitter van alles en niet jij," dan zul je daar niet zo blij mee zijn. [Gelach.] Je ziet het nu zelf, onwetendheid geeft vreugde. Ik ben dus eigenlijk net gek dat ik de echte waarheid vertel. Daarom is het niet verstandig om wijs te zijn waar de mensen van hun onwetendheid genieten.
We nemen het risico dat mensen kwaad op ons worden en ze denken dat wij dwaas zijn. Als ik
tegen een rijk man zeg dat alles wat hij bezit van Kṛṣṇa is, en niet van hem, en dat hij dus al zijn geld moet uitgeven voor Kṛṣṇa, dan zal hij kwaad worden. Upadeśo hi mūrkhānāṁ prakopāya na śāntaye: ‘’Als je goede raad geeft aan een dwaas, dan wordt hij kwaad." Daarom gaan wij naar de mensen toe als bedelaars en zeggen: "Mijnheer, u bent heel aardig. Ik ben een arme sannyāsī -bedelaar en ik wil een tempel bouwen. Hebt u wat geld voor mij?" En dan zal hij denken: "Ach, hier is een bedelaar. Laat ik hem wat geld geven." [Gelach.] Maar als ik zeg: "U hebt de beschikking over miljoenen dollars, maar eigenlijk is dat geld van Kṛṣṇa; geef het dus maar aan mij, want ik ben Zijn dienaar." Oh, dan zal hij... Iedereen lacht.] Hij zal er niet erg blij mee zijn. Als ik als een bedelaar naar hem toe ga, zal hij me wat geven, maar vertel ik hem de waarheid, dan krijg ik geen cent. [Gelach.] Hoewel we Kṛṣṇa's dienaren zijn en geen bedelaars, raakt hij pas overtuigd als we ons voordoen als bedelaars.
tegen een rijk man zeg dat alles wat hij bezit van Kṛṣṇa is, en niet van hem, en dat hij dus al zijn geld moet uitgeven voor Kṛṣṇa, dan zal hij kwaad worden. Upadeśo hi mūrkhānāṁ prakopāya na śāntaye: ‘’Als je goede raad geeft aan een dwaas, dan wordt hij kwaad." Daarom gaan wij naar de mensen toe als bedelaars en zeggen: "Mijnheer, u bent heel aardig. Ik ben een arme sannyāsī -bedelaar en ik wil een tempel bouwen. Hebt u wat geld voor mij?" En dan zal hij denken: "Ach, hier is een bedelaar. Laat ik hem wat geld geven." [Gelach.] Maar als ik zeg: "U hebt de beschikking over miljoenen dollars, maar eigenlijk is dat geld van Kṛṣṇa; geef het dus maar aan mij, want ik ben Zijn dienaar." Oh, dan zal hij... Iedereen lacht.] Hij zal er niet erg blij mee zijn. Als ik als een bedelaar naar hem toe ga, zal hij me wat geven, maar vertel ik hem de waarheid, dan krijg ik geen cent. [Gelach.] Hoewel we Kṛṣṇa's dienaren zijn en geen bedelaars, raakt hij pas overtuigd als we ons voordoen als bedelaars.
Maar als dienaar van Kṛṣṇa, hebben we niets van anderen nodig, omdat we weten dat Kṛṣṇa vooralles zal zorgen. Dit is nu kennis. Als een kind bijvoorbeeld iets belangrijks van je wegpakt, dan moet je het vlijen door te zeggen: "O wat ben je lief, hier heb je een paar snoepjes... en mag ik dan dat velletje papier? Het is niets; het is maar papier." En dan zal het zeggen: "O ja; neem het maar. Lekker." Zo moeten wij dat ook doen, omdat iemand naar de hel gaat als hij zich Kṛṣṇa's geld toeëigent. Daarom proberen we hem er dus op de een of andere manier toe te bewegen om wat geld te geven en hem iets te laten doen voor de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn.
Bob: Gaat hij dan niet naar de hel?
Śrila Prabhupāda: Nee, dan wordt hij behoed voor een hels bestaan. Kṛṣṇa beloont namelijk iedere stuiver die Hem gegeven wordt. Dit wordt ajñāta-sukṛti genoemd [een geestelijke activiteit die men verricht zonder het te weten]. Ze zijn erg arm van geest. Daarom gaan toegewijden overal heen om de mensen een beetje te verlichten en ze een kans te geven Kṛṣṇa een dienst te bewijzen. Dit is de plicht van een toegewijde. Maar als hij geld aanneemt van anderen en het gebruikt om zijn eigen zinnen te bevredigen, dan gaat hij naar de hel. Dan is het afgelopen met hem, omdat hij dan een bedrieger en zelfs een misdadiger is. Je mag geen geld, hoe weinig het ook is, van iemand aannemen en het dan gebruiken voor je eigen zinsbevrediging.
Bob: Ik denk aan mensen die ik ken en die niet Kṛṣṇa-bewust zijn.
Śrila Prabhupāda: Kṛṣṇa betekent God.
Bob: Zij zijn zich maar een klein beetje van God bewust, maar ze zijn toch eerlijk. Ze zullen nooit iets van anderen wegnemen en ze proberen eerlijk te zijn tegenover andere mensen. Zullen zij -
Śrila Prabhupāda: Ze nemen niets weg van anderen, maar wel van God.
Bob: Zijn deze mensen dan half-goed?
Śrila Prabhupāda: Nee, ze zijn niet goed. Als ze dit principe niet begrijpen dat God de bezitter van alles is... wat bedoel je trouwens met de bezittingen van anderen?
Bob: De mensen waar ik aan denk, zijn arme mensen die geld en voedsel nodig hebben, maar...
Śrila Prabhupāda: Iedereen heeft geld nodig, iedereen. Wie is er dan niet arm? Er zitten hier zoveel mensen. Wie van hen heeft er nu geen geld en voedsel nodig? Jij hebt ook geld nodig. Wat is dan het verschil tussen rijk en arm? Als dat jouw definitie is, dan is iedereen arm.
Bob: Ik dacht meer in termen van relatief arme mensen.
Śrila Prabhupāda: Relatief, relatief, ja dat is mogelijk. Jij hebt meer honger dan ik, maar dat betekent niet dat ik geen honger heb, of dat jij geen honger hebt. Ik heb nu geen honger, maar dat kan nog komen. Nu heb je misschien geen honger, maar morgen zul je wel honger hebben.
Bob: Ik denk zo deze mensen leven in een samenleving waar iedereen van elkaar steelt, maar zij doen daar niet aan mee. Deze mensen hebben toch ook recht op een bepaalde beloning?
Śrila Prabhupāda: Relatief, relatief, ja dat is mogelijk. Jij hebt meer honger dan ik, maar dat betekent niet dat ik geen honger heb, of dat jij geen honger hebt. Ik heb nu geen honger, maar dat kan nog komen. Nu heb je misschien geen honger, maar morgen zul je wel honger hebben.
Bob: Ik denk zo deze mensen leven in een samenleving waar iedereen van elkaar steelt, maar zij doen daar niet aan mee. Deze mensen hebben toch ook recht op een bepaalde beloning?
Śrila Prabhupāda: Maar wie denkt dat hij niet steelt is ook een dief, want hij weet niet dat alles van Kṛṣṇa is. Daarom is alles wat hij bezit gestolen goed.
Bob: Is zo iemand dan toch niet wat beter, of in mindere mate een dief?
Śrila Prabhupāda: Als jij niet zou weten dat deze omslagdoek van mij is, en je zou hem meenemen, zou dat dan geen stelen zijn?
Bob: Misschien ben ik een grotere dief als ik weet dat hij van u is dan wanneer ik dat niet weet. Ik kan gewoon denken dat hij van niemand is en hem meenemen.
Śrila Prabhupāda: Dat is ook stelen, want hij moet van iemand zijn en jij neemt die doek mee zonder toestemming van de eigenaar. Je weet misschien niet van wie die doek is, maar je weet wel dat iemand de eigenaar ervan moet zijn. Dat is kennis. Soms zie je aan de kant van de weg allerlei waardevolle spullen liggen, zoals spullen van de gemeente om de weg te repareren, of elektrische bedrading. Nu kan er iemand langskomen en denken: "O, wat een geluk dat ik dit gevonden heb; dat kan ik goed gebruiken." Is dat dan geen stelen?
Bob: Misschien ben ik een grotere dief als ik weet dat hij van u is dan wanneer ik dat niet weet. Ik kan gewoon denken dat hij van niemand is en hem meenemen.
Śrila Prabhupāda: Dat is ook stelen, want hij moet van iemand zijn en jij neemt die doek mee zonder toestemming van de eigenaar. Je weet misschien niet van wie die doek is, maar je weet wel dat iemand de eigenaar ervan moet zijn. Dat is kennis. Soms zie je aan de kant van de weg allerlei waardevolle spullen liggen, zoals spullen van de gemeente om de weg te repareren, of elektrische bedrading. Nu kan er iemand langskomen en denken: "O, wat een geluk dat ik dit gevonden heb; dat kan ik goed gebruiken." Is dat dan geen stelen?
Bob: Ja, dat is stelen.
Śrila Prabhupāda: Hij weet misschien niet dat het allemaal van de staat is, maar als hij het wegneemt, dan is dat stelen. En als hij opgepakt wordt, zal hij ook gestraft worden. Op dezelfde manier moet je van alles wat je gebruikt, nagaan wie de eigenaar is. Stel dat je een glas water uit de rivier drinkt. Is die rivier van jou?
Bob: Nee.
Śrila Prabhupāda: Dus... is het stelen. Jij hebt die rivier niet gemaakt. Je weet ook niet wie de eigenaar ervan is. Het water is dus niet jouw eigendom. Zelfs als je water drinkt zonder te weten van wie het is, ben je nog een dief. Je kunt wel van jezelf denken dat je eerlijk bent, maar in werkelijkheid ben je een dief. Daarom moet je aan Kṛṣṇa denken. "O Kṛṣṇa, dit is Uw schepping, sta mij alstublieft toe wat water te drinken." Dat is eerlijkheid. Daarom denkt een toegewijde bij alles wat hij doet aan Kṛṣṇa. Zonder Kṛṣṇa-bewustzijn is iedereen een schurk, een dief, een schelm en een rover. Daarom is onze conclusie dat iedereen die Kṛṣṇa niet begrijpt, geen goede eigenschappen heeft. Zo iemand is noch eerlijk, noch bezit hij kennis. Is dat juist? Wat denk jij ervan, Giriraja?
Giriraja [een leerling]: Ja.
Srila Prabhupāda: Dit zijn geen dogma's. Dit zijn feiten. Begrijp je nu wat kennis en eerlijkheid inhoudt?
Srila Prabhupāda: Dit zijn geen dogma's. Dit zijn feiten. Begrijp je nu wat kennis en eerlijkheid inhoudt?
Bob: Aan de ene kant wel...
Śrila Prabhupāda: Is er dan een andere kant? [Bob lacht.] Laat me die andere kant eens horen? [Bob lacht weer en Srila Prabhupāda lacht ook.] Is er een andere mogelijkheid? Giriraja?
Giriraja: Nee.
Giriraja: Nee.
Śrila Prabhupāda: Is er een alternatief? Ondanks het feit dat overal waar we komen er gelegenheid is om vragen te stellen en opmerkingen te maken, is er tot nu toe niemand geweest die het tegendeel heeft kunnen bewijzen van wat wij beweren. Ook niet in de westerse landen. Tot nu toe heeft Kṛṣṇa ons steeds beschermd. In Londen heb ik gedurende twaalf dagen lezingen gehouden in de Conway Hall. En na elke lezing vroeg ik: "Zijn er nog vragen?"
Bob: En kreeg u veel vragen?
Śrila Prabhupāda: O ja. Heel veel domme vragen. [Iedereen lacht.]
Bob: Wat is dom?
Śrīla Prabhupāda: Iemand die geen kennis heeft is dom.
Een Indiase bezoeker: Prabhupāda, ik heb een persoonlijke vraag. Zou ik die kunnen stellen?
Śrīla Prabhupāda: Ja.
Indiase bezoeker: Een tijdje geleden is er in Calcutta een speciale week georganiseerd met als motto "Voorkom geweld tegenover dieren."
Śrila Prabhupāda: Dit is weer zo'n dwaasheid. Aan de ene kant wordt er tegen geweld geageerd, terwijl ze aan de andere kant duizenden slachthuizen in stand houden. Ziet u wat ik bedoel?
Indiase bezoeker: Daarom wilde ik u juist vragen...
Śrīla Prabhupāda: Voordat u iets gevraagd heb, kan ik u het antwoord al geven. [Iedereen lacht.] Het is een bewijs van hun dwaasheid. Ze zijn zo vaak wreed tegen dieren, en dan richten ze een vereniging op...
Bob: Misschien is het...
Girirāja: Yes. But there are some things we’re instructed to do that, even though we try to do them, we cannot yet do perfectly.
Śrila Prabhupāda: Stel dat een dievenbende een uithangbord heeft waarop staat: "De Goede en Co." Wat voor waarde zou je daaraan hechten? Hun filosofie is dat het wreed is wanneer een dier niet genoeg te eten heeft. Daarom kun je het beter doden in plaats van het te laten lijden. Denken ze niet zo?
Bob: Ja.
Śrīla Prabhupāda: Ze zeggen: "Het is beter om het te doden dan het zo te laten lijden." Deze theorie is afkomstig van de communistische landen. Dan kun je net zo goed zeggen: die oude man, mijn grootvader, lijdt zo erg, dat we hem beter kunnen doodmaken. In Afrika is er zelfs een stam die van het doden van hun bejaarde grootvaders een groot feest maakt.
Syāmasundara: Worden ze dan opgegeten?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Een toegewijde: Ik heb een oom die bij het leger zit en toen hij naar het buitenland werd overgeplaatst konden ze hun hond niet meenemen. Ze zeiden: "Arm beest. Hij zal zo bedroefd zijn zonder ons. Toen hebben ze hem een spuitje gegeven.
Śrila Prabhupāda: In het leven van Gandhi is ook zoiets gebeurd. Hij liet een kalf of een koe doden omdat het beest volgens hem uit zijn lijden verlost moest worden.
Giriraja: Gisteren zei u dat de geestelijk leraar soms moet lijden vanwege de zondige activiteiten van zijn leerlingen. Wat bedoelt u met zondige activiteiten?
Śrila Prabhupāda: Je hebt beloofd dat je de leefregels zult volgen en als je je belofte breekt dan is dat zondig. Heel simpel. Als je je niet aan je woord houdt en lelijke dingen uithaalt, dan zondig je. Is het niet?
Giriraja: Ja. [Stilte.] Maar soms zijn er dingen die ons opgedragen worden en die we nog niet zo goed kunnen uitvoeren, ook al proberen we het.
Śrila Prabhupāda: Hoezo? Je probeert iets, maar je kunt het niet. Hoe bedoel je?
Giriraja: Zoals bijvoorbeeld... geconcentreerd chanten. We proberen het wel, maar...
Śrila Prabhupāda: Ja, maar dat is geen fout. Als je iets probeert, maar het door onervarenheid een keer mislukt, dan kun je dat niet als een fout zien. Je doet immers je best. In het Bhāgavatam staat dat als een toegewijde zijn best doet, maar door onervarenheid soms fouten maakt, Kṛṣṇa hem dat vergeeft. En ook in de Bhagavad-gitā wordt gesteld:
api cet sudurācāro
bhajate mām ananya-bhāk
(B.g., 9.30)
Soms doen wij iets stoms, niet omdat we dat zo graag willen, maar vanwege een slechte gewoonte. Gewoonte is als een tweede natuur. Maar dat wil niet zeggen dat iemand slecht is; hij moet alleen berouw hebben als hij iets verkeerd heeft gedaan. En hij moet die fouten verder zoveel mogelijk zien te vermijden. Omdat gewoonte als een tweede natuur is, kan het gebeuren dat māyā met haar valstrikken ons toch weet te overmeesteren, ondanks onze serieuze pogingen om dat te voorkomen. Kṛṣṇa vergeeft ons dat. Maar wie bewust iets verkeerd doet, krijgt geen vergeving. En het ergste wat je kunt doen, is te denken: "Ik ben toegewijde en omdat ik chant mag ik alles doen wat ik wil, want door het chanten worden toch alle zonden opgeheven." Dat is werkelijk de grootste overtreding die je kunt begaan.
Syāmasundara: Worden ze dan opgegeten?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Een toegewijde: Ik heb een oom die bij het leger zit en toen hij naar het buitenland werd overgeplaatst konden ze hun hond niet meenemen. Ze zeiden: "Arm beest. Hij zal zo bedroefd zijn zonder ons. Toen hebben ze hem een spuitje gegeven.
Śrila Prabhupāda: In het leven van Gandhi is ook zoiets gebeurd. Hij liet een kalf of een koe doden omdat het beest volgens hem uit zijn lijden verlost moest worden.
Giriraja: Gisteren zei u dat de geestelijk leraar soms moet lijden vanwege de zondige activiteiten van zijn leerlingen. Wat bedoelt u met zondige activiteiten?
Śrila Prabhupāda: Je hebt beloofd dat je de leefregels zult volgen en als je je belofte breekt dan is dat zondig. Heel simpel. Als je je niet aan je woord houdt en lelijke dingen uithaalt, dan zondig je. Is het niet?
Giriraja: Ja. [Stilte.] Maar soms zijn er dingen die ons opgedragen worden en die we nog niet zo goed kunnen uitvoeren, ook al proberen we het.
Śrila Prabhupāda: Hoezo? Je probeert iets, maar je kunt het niet. Hoe bedoel je?
Giriraja: Zoals bijvoorbeeld... geconcentreerd chanten. We proberen het wel, maar...
Śrila Prabhupāda: Ja, maar dat is geen fout. Als je iets probeert, maar het door onervarenheid een keer mislukt, dan kun je dat niet als een fout zien. Je doet immers je best. In het Bhāgavatam staat dat als een toegewijde zijn best doet, maar door onervarenheid soms fouten maakt, Kṛṣṇa hem dat vergeeft. En ook in de Bhagavad-gitā wordt gesteld:
api cet sudurācāro
bhajate mām ananya-bhāk
(B.g., 9.30)
Soms doen wij iets stoms, niet omdat we dat zo graag willen, maar vanwege een slechte gewoonte. Gewoonte is als een tweede natuur. Maar dat wil niet zeggen dat iemand slecht is; hij moet alleen berouw hebben als hij iets verkeerd heeft gedaan. En hij moet die fouten verder zoveel mogelijk zien te vermijden. Omdat gewoonte als een tweede natuur is, kan het gebeuren dat māyā met haar valstrikken ons toch weet te overmeesteren, ondanks onze serieuze pogingen om dat te voorkomen. Kṛṣṇa vergeeft ons dat. Maar wie bewust iets verkeerd doet, krijgt geen vergeving. En het ergste wat je kunt doen, is te denken: "Ik ben toegewijde en omdat ik chant mag ik alles doen wat ik wil, want door het chanten worden toch alle zonden opgeheven." Dat is werkelijk de grootste overtreding die je kunt begaan.