Default View
Dual Language

VIER

De drie geaardheden van de natuur

28 februari 1972 (vervolg)
Bob: Ik heb gelezen dat er drie guna's zijn: hartstocht, onwetendheid en goedheid. Zou u dit wat kunnen verduidelijken, vooral wat er bedoeld wordt met de geaardheid onwetendheid en de geaardheid goedheid?
Śrila Prabhupāda: In de geaardheid goedheid kun je de dingen begrijpen zoals ze zijn dat is kennis. Je kunt begrijpen dat er een God is, dat deze wereld door Hem geschapen is, je weet wat de zon is en wat de maan is kortom: je hebt perfecte kennis. Wanneer iemand enige kennis bezit, zelfs al is die niet volledig, dan is hij in de geaardheid goedheid. In de geaardheid hartstocht vereenzelvigt iemand zich met het stoffelijke lichaam en probeert hij zijn zintuigen te bevredigen. Onwetendheid betekent dat men een dierlijk bestaan leidt. Wie in onwetendheid is, weet niet wie God is, hoe we gelukkig kunnen worden en waarom we in deze wereld zijn. Als je een dier naar het slachthuis brengt, gaat het gewoon mee. Dat is onwetendheid. Maar een mens zal protesteren. Als je een geit vijf minuten voordat hij geslacht wordt een handje gras geeft, is hij gelukkig omdat hij wat te eten heeft. Zo is het ook met een kind zelfs als iemand van plan is om het te doden zal het gelukkig zijn en lachen, omdat het zich nergens van bewust is. Dat is onwetendheid.
Bob: Wordt ons karma bepaald door de geaardheden waarin we zijn?
Śrila Prabhupāda: Ja. Onze activiteiten worden besmet naargelang de geaardheden van de natuur waarmee we omgaan. Kāraṇaṁ guṇa-saṅgo ’sya sad-asad-yoni-janmasu: De mens wordt in een hogere of lagere levensvorm geboren afhankelijk van zijn contact met de guna's of geaardheden van de natuur.
Bob: Met welke geaardheid heeft misdaad en dergelijke te maken?
Śrila Prabhupāda: Misdaad ontstaat door een gelijktijdige beïnvloeding van hartstocht en onwetendheid. Stel dat iemand iets van een ander steelt. Dat komt omdat hij iets in zijn bezit wil hebben; zo iemand is hartstochtelijk. Maar als hij een moord begaat, weet hij niet dat hij daarvoor zal moeten boeten. Daarom wordt zijn handelen bepaald door een mengeling van hartstocht en onwetendheid.
Bob: En als iemand een ander helpt?
Śrila Prabhupāda: Dat is goedheid.
Bob: Waarom is dat goedheid? Wat voor intelligentie schuilt daarachter? Ik bedoel - van wat voor kennis geef je dan blijk? Goedheid had toch te maken met de kennis die iemand bezit?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: Met intelligentie.
Śrīla Prabhupāda: Ja.
Bob: En wat heeft het helpen van een ander dan met kennis te maken?
Śrīla Prabhupāda: Die andere persoon is onwetend en jij probeert hem kennis te geven.
Bob: Dus het geven van kennis...
Śrila Prabhupāda: Ja, dat is goedheid.
Bob: En als je iemand alleen maar steunt?
Śrīla Prabhupāda: Dat is ook goedheid.

Bob: Als een bedelaar niets heeft en ik geef hem een aalmoes...

Śrila Prabhupāda: Ja, dat kan ook nog goedheid zijn. Maar bij jullie in New York doen ze ook aan liefdadigheid. Ze geven een bedelaar wat geld; die koopt er een fles wijn van en hij drinkt zich weer laveloos. [Iedereen lacht.] Dat is liefdadigheid, maar niet in de geaardheid goedheid; dat is onwetendheid.

Bob: Liefdadigheid in onwetendheid?

Śrila Prabhupāda: Er zijn drie vormen van liefdadigheid: liefdadigheid in goedheid, in hartstocht en in onwetendheid. In de geaardheid goedheid wordt liefdadigheid gegeven waar ze gegeven behoort te worden. Bijvoorbeeld wanneer iemand iets aan de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn schenkt, dan is dat goedheid, omdat deze gemeenschap zich bezighoudt met het verspreiden van godsbewustzijn, Kṛṣṇa-bewustzijn. Wanneer iemand liefdadigheidswerk doet om er wat voor terug te krijgen, dan is dat hartstocht. Als iemand goed wil doen op het verkeerde moment, op de verkeerde plaats, zonder respect, of aan iemand die het niet waard is, zoals die dronkaard in New York, dan is dat onwetendheid. Maar Kṛṣṇa zegt:

yat karoşi yad aśnāsi yaj juhosi dadāsi yat

"Laat al wat je doet, al wat je eet, al wat je offert en weggeeft en alles wat je je ontzegt, een offer zijn aan Mij." Als Kṛṣṇa of Zijn vertegenwoordiger iets aanneemt, dan is dat de perfectie van onze liefdadigheid.
Bob: En wat voor soort liefdadigheid is het wanneer je een hongerige te eten geeft?
Śrila Prabhupāda: Dat hangt van de situatie af. Als een dokter zijn patiënt verboden heeft vast voedsel te eten, en je geeft hem dan toch wat uit liefdadigheid, omdat hij erom vraagt, dan is dat niet goed voor hem. Dat is onwetendheid.
Bob: Maken de toegewijden geen karma meer? De toegewijden hier ervaren zij karma? Handelen zij nog onder invloed van deze geaardheden? Zijn zij in de geaardheid goedheid?
Śrila Prabhupāda: Zij staan boven goedheid! Suddha-sattva. De toegewijden zijn niet in deze stoffelijke wereld, zij verkeren in de geestelijke wereld. Dat staat in de Bhagavad-gitā:
māṁ ca yo ’vyabhicāreṇa
bhakti-yogena sevate
sa guṇān samatītyaitān
brahma-bhūyāya kalpate
["Wie zich volledig verbindt in toegewijde dienst en in geen enkele omstandigheid ten val komt, ontstijgt onmiddellijk aan de geaardheden van de stoffelijke natuur en komt op het niveau van Brahman." De toegewijden zijn noch in goedheid, noch in hartstocht en evenmin in onwetendheid. Ze staan erboven.
Bob: Moet een toegewijde veel vertrouwen hebben om dit niveau te bereiken?
Śrila Prabhupāda: Jij kan ook toegewijde worden; net als zij. Het is niet moeilijk. Je hoeft je alleen maar bezig te houden met het bovenzinnelijk dienen van de Heer. Dat is alles.
Bob: Ik wil graag meer te weten komen over God, en Zijn aanwezigheid meer ervaren. Anders vind ik dat het leven weinig betekenis heeft.
Śrila Prabhupāda: Precies! Als je de kans die het menselijk leven je biedt niet benut, dan is dat een groot verlies. Het is namelijk een geweldige kans die het levend wezen geboden wordt om zich uit de verstrikking van het stoffelijke bestaan te bevrijden.
Bob: Ik ben heel dankbaar dat ik deze vragen heb kunnen stellen...
Śrila Prabhupāda: Ja, je kunt steeds meer leren.
Bob: Maar ik ben nog steeds... mijn bindingen thuis. Het huwelijk is... ik ben verloofd...
Śrila Prabhupāda: Nee, nee. Er zijn zoveel mensen getrouwd. [Hij wijst naar Syāmasundara.] Hij is ook getrouwd. Het huwelijk hoeft geen obstakel te zijn. Ik heb je verteld dat er vier onderverdelingen zijn in het geestelijk leven brahmacārī, grhastha, vānaprastha en sannyāsa. Na de periode van brahmacārya kan men dus trouwen, hoewel dit niet verplicht is. Je kunt ook je hele leven naistika-brahmacārī blijven. Maar een brahmacārī mag trouwen. En na de huwelijksperiode komt de vānaprastha-periode. Dit betekent dat je tot op zekere hoogte afstand doet van het gezinsleven man en vrouw leven dan gescheiden en hebben geen seksuele omgang meer. Als iemand volledig onthecht is en niet meer aan het gezinsleven vastzit, dan neemt hij sannyāsa.
Bob: Vergeet zo iemand zijn vrouw dan helemaal?
Śrila Prabhupāda: Ja. Vergeten is niet zo moeilijk. Uit het oog, uit het hart.
[Iedereen lacht.]
Śrīla Prabhupāda: Ik heb ook een vrouw, kinderen en kleinkinderen. Maar zoals ik al zei: uit het oog, uit het hart. Zo gaat dat. Alles is goed georganiseerd in het vedische systeem.