Default View
Dual Language

DRIE

Het werkelijke doel van het leven

28 februari 1972 (vervolg)
Śrīla Prabhupāda:: Deze beweging is er speciaal voor bestemd om de mensen in de gelegenheid te stellen het werkelijke doel van het leven te bereiken.
Bob: Het werkelijke doel...?
Śrila Prabhupāda: Ja.

Bob: Is het werkelijke doel van het leven God leren kennen?

Śrila Prabhupāda: Ja, teruggaan naar huis, terug naar God. Dit is het werkelijke doel van het leven. Het water van de zee wordt omgezet in wolken, de wolken vallen als regen naar beneden en uiteindelijk moet het water via de rivier weer in de zee terechtkomen. Op dezelfde manier komen wij van God en zijn we nu door het materiële bestaan in moeilijkheden geraakt. Daarom moet het ons doel zijn dat we ons uit deze pijnlijke situatie bevrijden en terugkeren naar huis, terug naar God.
mām upetya punar janma
 duḥkhālayam aśāśvatam
nāpnuvanti mahātmānaḥ
 saṁsiddhiṁ paramāṁ gatāḥ
["Eens dat die grote zielen, de toegewijde yogi's, Mij hebben bereikt, zullen ze nooit meer terugkeren naar deze tijdelijke wereld vol ellende, omdat ze zich de hoogste volmaaktheid verworven hebben."] Dat is wat de Bhagavad-gītā ervan zegt. Wie Mij bereikt - mām upetya - komt niet meer terug. Terug waarheen? Naar deze wereld - duḥkhālayam aśāśvatam. Deze wereld is vol ellende. Iedereen weet dit, maar ze laten zich voor de gek houden door de zogenaamde leiders. Hun materiële bestaan is ellendig. Kṛṣṇa zegt dat deze wereld duḥkhālayam is een oord vol ellende. En het is ook tijdelijk aśāśvatam. Je kunt geen compromis sluiten: "Nou goed, laat het dan ellendig zijn voor sommigen, maar ik ben gelukkig een Amerikaan of een Indiër. Ik vind het wel best zo." Dat is niet mogelijk. Je kunt geen Amerikaan blijven. Je bent misschien blij dat je in Amerika geboren bent, aar je kunt niet voor altijd Amerikaan blijven. Eens is het afgelopen, en wat je in je volgend leven zult zijn, is nog maar afwachten. Daarom is het materiële bestaan duḥkhālayam aśāśvatam tijdelijk en ellendig. Dat is onze filosofie.
Bob: Maar als je enige kennis over God hebt, wordt het leven dan niet minder ellendig?
Śrila Prabhupāda: Nee, enige kennis is niet genoeg. Je kennis moet perfect zijn. Janma karma ca me divyam evaṁ yo vetti tattvataḥ. Tattvataḥ betekent "volmaakt". Volmaakte kennis kun je vinden in de Bhagavad-gītā. Wij geven iedereen de kans om de Bhagavad-gītā te bestuderen zoals ze is, en zo zijn leven te perfectioneren. Dat is de bedoeling van de gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn. Wat zegt jouw wetenschap over de zielsverhuizing?
Bob: Ik geloof... dat de wetenschap... het niet kan ontkennen of bevestigen. Ze weten het niet.
Śrila Prabhupāda: Daarom zeg ik dat de wetenschap onvolledig is.
Bob: Maar de wetenschap kan toch wel iets te vertellen hebben. De wetenschap zegt bijvoorbeeld dat energie nooit verloren gaat; ze wordt alleen maar getransformeerd.
Śrila Prabhupāda: Dat is mooi. Maar hoe deze energie in de toekomst zal werken, of hoe ze voor een ander doel kan worden aangewend, weten ze niet. Neem bijvoorbeeld elektriciteit, die kan zowel voor een kachel als voor een koelkast gebruikt worden. Met dezelfde energie kunnen dus volstrekt tegengestelde doelen gediend worden. Op dezelfde manier kun je je afvragen hoe de levensenergie bestuurd wordt. Wat gebeurt ermee? Op wat voor manier beïnvloedt ze je volgende leven? Dat weten ze niet, terwijl het in de Bhagavad-gītā heel eenvoudig beschreven wordt. vāsāmsi jirṇāni yathā vihāya Je draagt nu een overhemd. Wanneer dit overhemd versleten is, doe je een ander aan. Dit lichaam kun je vergelijken met een kledingstuk. Als we het niet meer kunnen gebruiken, vervangen we het voor een ander.
Bob: Wat bedoelt u nu met "wij"? Wat is datgene wat onveranderlijk is?
Bob: Wat bedoelt u nu met "wij"? Wat is datgene wat onveranderlijk is?
Śrila Prabhupāda: Dat is de ziel - ik. Wie is degene die spreekt? Jij! Wie spreekt er wanneer ik spreek? De ātmā, of ziel.
Bob: Is mijn ziel verschillend van de uwe?
Śrila Prabhupāda: Ja, jij bent een individuele ziel en ik ben een individuele ziel.
Bob: U hebt uzelf bevrijd van karmische invloeden. Als ik hetzelfde zou doen, worden onze zielen dan één, of blijven ze verschillend?
Śrila Prabhupāda: In alle lichamen is de ziel van dezelfde kwaliteit. Jij hebt nu een bepaald idee van het leven en deze landgenoten van jou [de Kṛṣṇa-bewuste toegewijden] hadden eerst ook een bepaalde opvatting over het leven, maar door studie en oefening zijn ze alles anders gaan zien. Wat we dus uiteindelijk moeten leren is hoe we Kṛṣṇa-bewust kunnen worden. Dan worden we volmaakt.
Bob: Als twee mensen Kṛṣṇa-bewust zijn, is hun ziel dan identiek?
Śrila Prabhupāda: De ziel is altijd hetzelfde.
Bob: In iedereen? Heeft iedereen dezelfde ziel?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: [Wijst naar twee toegewijden] Als deze twee toegewijden allebei Kṛṣṇa-bewust zijn, zijn hun zielen dan hetzelfde?
Śrila Prabhupāda: Iedereen heeft dezelfde ziel, maar we hebben allemaal een eigen individualiteit. Dit geldt ook voor iemand die niet Kṛṣṇa-bewust is. Om een voorbeeld te geven: wij zijn allebei mensen. Hoewel ik geen christen ben en jij geen hindoe, zijn we toch allebei mensen. Op dezelfde manier maakt het niet uit of de ziel nu Kṛṣṇa-bewust is of niet. De ziel blijft de ziel.
Bob: Kunt u me hier wat meer over vertellen?
Bob: Zou ik nog een vraag mogen stellen over dit onderwerp?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: Ik heb de ziel altijd min of meer beschouwd als een deeltje van God. Soms geloof ik dat ik God ervaar. Ik ben nu hier en u zegt dat God ook hier is. Dus als de ziel in mij is, moet ik dan God ook in mezelf kunnen voelen? Ik bedoel natuurlijk niet God in zijn geheel, maar een...
Śrila Prabhupāda: Deel van God.
Bob: Maar ik voel God niet in mij, hoewel Hij misschien wel hier is, los van mij. Zou ik in staat moeten zijn om God in mij te voelen, aangezien mijn ziel een deeltje van Hem is?
Śrīla Prabhupāda: Ja, God is ook in jou. God is overal. God is in jou en ook buiten jou. Dit is wat men dient te weten.
Bob: Hoe kun je God dan in jezelf voelen?
Śrila Prabhupāda: In het begin ervaar je dat nog niet; je kunt het echter weten door kennis te ontwikkelen door de śāstras [geschriften] te bestuderen. In de Bhagavad-gītāwordt bijvoorbeeld gezegd: iśvaraḥ sarva-bhūtānāṁ hṛd-deśe 'rjuna tisthati: "God is aanwezig in ieders hart." Paramāṇu-cayantara-stham: "God is ook aanwezig in elk atoom." Dit is wat je eerst moet weten. Door yoga te beoefenen kun je deze kennis dan gaan realiseren.
Bob: Yoga?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: Is het chanten van Hare Kṛṣṇa dan ook yoga?
Śrīla Prabhupāda: Ja, dat is ook een vorm van yoga.
Bob: Wat voor yoga moet ik doen om deze informatie te kunnen realiseren om de ziel in mijzelf te kunnen ervaren?
Śrila Prabhupāda: Er bestaan vele vormen van yoga, maar voor dit tijdperk is deze vorm van yoga heel erg goed.
Bob: Het chanten?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: Zal ik God dan niet alleen buiten mezelf maar ook in mezelf gaan ervaren?
Śrila Prabhupāda: Je zult alles over God kunnen begrijpen: hoe Hij in alles en buiten alles aanwezig is, en hoe Hij handelt. Alles zal je duidelijk worden. Als wij een dienstbare houding aannemen, zal God Zich openbaren. Alleen door onze eigen inspanning kunnen we God niet leren begrijpen. We kunnen God pas begrijpen als Hij zich aan ons openbaart. Als de zon bijvoorbeeld 's nachts niet te zien is, is er geen enkele lantaarn of fakkel die hem zichtbaar kan maken. Maar 's morgens wordt de zon automatisch zichtbaar, zonder dat daar een fakkel bij nodig is. Op dezelfde manier moet je een situatie creëren je moet jezelf in een situatie plaatsen waarin God Zich zal openbaren. Het is niet zo dat je God zomaar kunt vragen: "Kom alstublieft. Ik wil U zien." Nee, God is je loopjongen niet.
Bob: Als we willen dat God Zich aan ons openbaart, moeten we Hem tevredenstellen. Is dat juist?
Syāmasundara: Hoe weten we of God tevreden met ons is?
Śrila Prabhupāda: Als we Hem kunnen zien, dan zullen we dit begrijpen. Het is net als wanneer je gegeten hebt, dan hoef je ook niet aan iemand anders te vragen of je nieuwe energie voelt, of dat je honger gestild is. Als je eet, dan weet je dat je daardoor energie krijgt. Dat hoef je aan niemand te vragen. Zo is het ook als je God werkelijk dient. Dan begrijp je dat God tot je spreekt, dat Hij aanwezig is, dat je Hem kunt zien.
Bob: Of als je de vertegenwoordiger van God dient.
Śrila Prabhupāda: Ja.
Toegewijde: Dat is gemakkelijker.
Śrila Prabhupāda: We moeten God via Zijn vertegenwoordiger benaderen.
Yasyāprasādān na gatiḥ kuto ’pi
"Door de zegen van de geestelijk leraar ontvangen we de genade van Kṛṣṇa'' Als je de vertegenwoordiger van God tevredenstelt, is God automatisch ook voldaan en kunnen we Hem rechtstreeks waarnemen.
Een Indiase bezoeker: Hoe kunnen we de vertegenwoordiger van God tevredenstellen?
Śrīla Prabhupāda: Je moet gewoon zijn instructies opvolgen. De vertegenwoordiger van God is de guru. Hij zal je vragen bepaalde dingen te doen en als je die dan doet is hij tevreden.
yasyāprasādān na gatiḥ kuto 'pi
"Zonder de zegen van de geestelijk leraar kunnen we geen vooruitgang maken." Als hij ontevreden over je is, dan ben je nergens. Daarom wordt de guru vereerd.
sākṣād-dharitvena samasta-śāstrair
uktas tatha bhavyata eva sadbhiḥ
kintu prabhor yaḥ priya eva tasya
vande guroḥ śrī-caraṇāravindam


["De geestelijk leraar dient net zo vereerd te worden als de Allerhoogste Heer omdat hij Zijn meest vertrouwelijke dienaar is. Dit wordt bevestigd door alle geopenbaarde geschriften en nageleefd door alle geestelijke autoriteiten. Daarom buig ik me eerbiedig neer voor de lotusvoeten van zo'n geestelijk leraar, die een bonafide vertegenwoordiger is van Śrī Kṛṣṇa."] De geestelijk leraar moet evenzeer vereerd worden als God. Zo staat het in alle śāstra's.
Bob: Moet een guru als een vertegenwoordiger van God beschouwd worden?
Śrīla Prabhupāda: Ja, de guru is de vertegenwoordiger van God. De guru is een manifestatie van Kṛṣṇa.
Bob: Maar hij verschilt wel van de incarnaties van Kṛṣṇa?
Śrīla Prabhupāda: Ja.
Bob: Wat is het verschil tussen de guru en bijvoorbeeld Kṛṣṇna of Caitanya?
Śrila Prabhupāda: De guru is de vertegenwoordiger van Kṛṣṇa. Er zijn bepaalde kenmerken waaraan we hem kunnen herkennen. Die eigenschappen worden in de Veda's beschreven.
tad-vijñānārthaṁ sa gurum evābhigacchet
 samit-pāṇiḥ śrotriyaṁ brahma-niṣṭham
Een guru moet behoren tot een bepaalde sampradaya [lijn van geestelijke leraren] en hij moet de Veda's grondig bestudeerd hebben onder leiding van zijn geestelijk leraar. In grote lijnen kunnen we stellen dat de voornaamste eigenschap van een guru is, dat hij een perfecte toegewijde is. Dat is het belangrijkste. En dat hij Kṛṣṇa dient door Zijn boodschap te verspreiden.
Bob: Was Heer Caitanya een ander soort guru dan u?
Śrila Prabhupāda: Nee, nee. Er is maar één soort guru. Alle guru's zijn hetzelfde.
Bob: Maar Hij was... hij was toch tegelijkertijd ook een incarnatie?
Śrīla Prabhupāda: Ja, Hij is Kṛṣṇa Zelf, maar Hij stelde Zich op als een guru.
Bob: Ja, ja... ik begrijp het.
Śrila Prabhupāda: Omdat Kṛṣṇa God was verlangde Hij: sarva-dharmān parityajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja "Geef alle vormen van geloof op en geef je gewoon aan Mij over. Maar de mensen begrepen Hem niet. Daarom kwam Kṛṣṇa nogmaals terug, als guru, om de mensen te leren hoe ze zich aan Hem moeten overgeven.
Syāmasundara: Zegt Hij niet in de Bhagavad-gītā dat Hij de geestelijk leraar is?
Śrila Prabhupāda: Ja, Hij is de oorspronkelijke geestelijk leraar, omdat Hij door Arjuna als geestelijk leraar werd aanvaard. Wat is dan het probleem? Sisyas te 'haṁ śādhi māṁ tvām prapannam. Arjuna zei tot de Heer: "Ik ben Je leerling en ik geef me aan Je over. Onderricht me alsjeblieft." Hoe kan Arjuna Zijn leerling worden als Kṛṣṇa geen geestelijk leraar was? Tene brahma hṛda ya ādi-kavaye: "Hij was het die als eerste de vedische kennis in het hart van Brahmā, het eerstgeschapen levend wezen, openbaarde. Daarom is Hij de oorspronkelijke guru".
Bob: Kṛṣṇa?
Śrila Prabhupāda: Ja. Hij is de eerste guru. Daarna wordt Zijn leerling, Brahmā, guru, vervolgens diens leerling Nārada, en daarna Nārada's leerling, Vyāsa. Op deze manier ontstaat er een guruparamparā [een geestelijke erfopvolging van guru's]. Evam paramparā-prāptam: de bovenzinnelijke kennis wordt ontvangen via de geestelijke erfopvolging.
Bob: Een guru krijgt zijn kennis dus via de geestelijke erfopvolging en niet direct van Kṛṣṇa? Ontvangt u ook bepaalde kennis rechtstreeks van Kṛṣṇa?
Srila Prabhupāda: Ja, de directe instructies van Kṛṣṇa staan in de Bhagavad-gītā.
Bob: Ja, dat begrijp ik, maar...
Śrila Prabhupāda: We behoren deze instructies te begrijpen via de geestelijke erfopvolging anders vatten we ze verkeerd op.
Bob: Maar ontvangt u op dit moment geen directe informatie van Kṛṣṇa? Komt de kennis allemaal via de geestelijke erfopvolging, uit de boeken?
Śrila Prabhupāda: Daar bestaat geen verschil tussen. Wanneer ik bijvoorbeeld tegen iemand zeg: "Dit is een potlood." En jij zegt tegen hem: "Daar ligt een potlood" en hij zegt dan weer tegen iemand anders dat daar een potlood ligt, wat is dan het verschil tussen zijn bewering en de mijne?
Bob: Is het door de genade van Kṛṣṇa dat u dit allemaal weet?
Śrila Prabhupāda: Jij kan Kṛṣṇa's genade ook ontvangen, als de kennis maar zuiver aan je overgedragen wordt. Kijk, wij onderwijzen de Bhagavad-gītā. In de Bhagavad-gītā zegt Kṛṣṇa: sarva-dharmān parityajya mām ekaṁ śaraṇaṁ vraja : "Geef alle vormen van geloof op en geef je gewoon aan Mij over. Nu zeggen wij ook dat je alles moet opgeven en je je aan Kṛṣṇa moet overgeven. Daarom is er geen verschil tussen Kṛṣṇa's instructie en onze instructie. We wijken niet af van wat Hij zegt. Als je de kennis dus op deze volmaakte wijze ontvangt, dan is dat net zo goed als wanneer Kṛṣṇa je rechtstreeks aanwijzingen zou geven. Wij veranderen er niets aan.
Bob: Als ik vol eerbied en vertrouwen bid, hoort Kṛṣṇa mij dan?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: Rechtstreeks van persoon tot persoon?
Śrila Prabhupāda: Ja, omdat Hij in je hart zit, hoort Hij je altijd - of je nu bidt of niet. Hij hoort je ook als je iets verkeerd doet. En als je bidt, dan is dat heel goed - des te beter.
Bob: Hoort Kṛṣṇa ons beter wanneer we bidden dan wanneer we met allerlei flauwe kul bezig zijn?
Śrila Prabhupāda: Nee. Hij is volkomen volmaakt. Hij kan alles horen. Zelfs al zeg je niets of al denk je alleen maar: "Ik ga dit doen," dan hoort Hij je ook. Sarvasya cāhaṁ hṛdi sanniviṣṭaḥ: Kṛṣṇa woont in ieders hart.
Bob: Maar je moet toch bidden, is het niet?
Śrila Prabhupāda: Het is de plicht van elk levend wezen om te bidden. Het is de enige plicht die we hebben.
Eko bahūnāṁ yo vidadhāti kāmān. Dat staat in de Veda's.
Bob: Wat betekent het?
Śrila Prabhupāda: Hij voorziet iedereen in alles. Hij voorziet iedereen van voedsel. Daarom is Hij de Vader. Waarom zouden wij dan niet tot Hem bidden als we iets nodig hebben? In de bijbel staat: "Vader, geef ons heden ons dagelijks brood." Dat is goed het betekent dat ze Hem accepteren als de Allerhoogste Vader. Maar kinderen die opgegroeid zijn, behoren de Vader niet meer om allerlei dingen te vragen; nee, ze horen juist klaar te staan om Hem te dienen. Dat is bhakti [toewijding].
Bob: U geeft zo prachtig antwoord op mijn vragen.
[Iedereen lacht.]
Śrīla Prabhupāda: Dankjewel.
Bob: Mag ik nog meer vragen stellen?
Śrila Prabhupāda: O ja, graag!