Default View
Dual Language

EEN

Kṛṣṇa, de Alaantrekkelijke

27 februari 1972
Bob: Wat betekent de naam "Kṛṣṇa"?
Śrila Prabhupāda: Kṛṣṇa betekent "alaantrekkelijk".
Bob: Alaantrekkelijk?
Śrīla Prabhupāda: Ja. Hoe kan God God zijn als Hij niet alaantrekkelijk is? Anders is Hij niet God. Iemand wordt belangrijk genoemd als hij aantrekkelijk is, niet?
Bob: Ja, dat klopt.
Śrīla Prabhupāda: Daarom moet God aantrekkelijk zijn, en wel voor iedereen. Als God een naam heeft of als we God een naam willen geven, dan is "Kṛṣṇa" de enige juiste naam.
Bob: Hoezo alleen Kṛṣṇa?
Śrīla Prabhupāda: God heeft geen naam; we geven Hem namen naar de eigenschappen die Hij bezit. Als iemand mooi is noemen we hem "mooi". Als iemand intelligent is, noemen we hem "wijs". Omdat God alaantrekkelijk is, kan de naam Kṛṣṇa alleen voor Hem gebruikt worden. Deze naam omvat alles.
Bob: Zouden we Hem geen naam kunnen geven die "almachtig" betekent?
Śrīla Prabhupāda: Als je niet almachtig bent, kun je ook niet alaantrekkelijk zijn.
Syāmasundara (een Amerikaanse toegewijde, Śrīla Prabhupāda’s secretaris): Het omvat alles.
Śrīla Prabhupāda: Alles, Hij moet erg mooi, erg wijs, erg machtig en erg beroemd zijn...
Bob: Is Kṛṣṇa aantrekkelijk voor schurken?
Śrīla Prabhupāda: O ja, Hij was Zelf de grootste schurk.
Bob: Hoezo dan?
Śrīla Prabhupāda: [lachend] Omdat Hij de gopi's altijd plaagde.
Syāmasundara: Plaagde?
Śrīla Prabhupāda: Ja, als Rādhārāṇī ging wandelen, overviel Kṛṣṇa Haar soms, en als Ze daardoor viel - "Kṛṣṇa, waarom doe Je Me dit aan" - dan vielen Ze samen op de grond en maakte Kṛṣṇa van de gelegenheid gebruik om Haar te kussen. [Śrīla Prabhupāda lacht.] Dit deed Rādhārāṇī natuurlijk veel plezier. Oppervlakkig gezien echter, was Kṛṣṇa de grootste schurk. Dat moet Hij ook zijn, anders zouden er geen schurken in de wereld kunnen bestaan. God is immers de oorsprong van alles, dus ook van schurkenstreken. Maar Zijn streken zijn zo aantrekkelijk, dat iedereen Hem erom vereert.
Bob: Hoe zit het dan met schurken die niet zo lief en aardig zijn?
Śrīla Prabhupāda: Natuurlijk, schurkachtigheid is niet goed, maar Kṛṣṇa is absoluut. Hij is God. Daarom zijn Zijn schurkenstreken ook goed. Kṛṣṇa is algoed.
Bob: Ja.
Śrīla Prabhupāda: God is goed. Dat moeten we goed begrijpen.
Bob: Bestaan er mensen die Kṛṣṇa niet aantrekkelijk vinden?
Śrīla Prabhupāda: Nee, alle mensen zullen Hem aantrekkelijk vinden. Geef me maar eens een voorbeeld van een mens of een ander levend wezen dat zich niet tot Kṛṣṇa aangetrokken voelt. Vind zo iemand maar eens.
Bob: Iemand die dingen wil doen in zijn leven waarvan hij weet dat ze verkeerd zijn, iemand die uit is op macht, aanzien, geld...
Śrila Prabhupāda: Ja, zo iemand voelt zich aangetrokken tot macht of rijkdom, is het niet? Maar niemand is rijker dan Kṛṣṇa. Daarom is Kṛṣṇa ook aantrekkelijk voor hem.
Bob: Als iemand die rijk wil worden tot Kṛṣṇa bidt, wordt hij dan rijk?
Śrila Prabhupāda: Jazeker!
Bob: Door te bidden?
Śrila Prabhupāda: O ja, want Kṛṣṇa is almachtig, en als je tot Kṛṣṇa bidt om rijk te worden, zal Kṛṣṇa je rijk maken.
Bob: Als iemand die slecht is, tot Kṛṣṇa bidt om rijk te worden, wordt hij dan toch rijk?
Śrila Prabhupāda: Ja, want bidden tot Kṛṣṇa is niet slecht.

Bob: Oh ja.

Śrila Prabhupāda: [grinnikt] Hij bidt hoe dan ook tot Kṛṣṇa, dus je kunt niet zeggen dat hij slecht is.

Bob: Ja.

Śrila Prabhupāda: Kṛṣṇa zegt in de Bhagavad-gītā, api cet sudurācāro bhajate mām ananya-bhāk. Heb je dat gelezen?
Bob: Ja. Ik ken dat vers niet in het Sanskriet, maar wel in het Engels.
Śrīla Prabhupāda: Hmm.
Bob: "Al is iemand nog zo slecht, als hij Mij aanbidt..."

Śrila Prabhupāda: Ja.

Bob: "...zal hij vooruitgang maken."
Śrila Prabhupāda: Ja, zodra hij tot Kṛṣṇa begint te bidden, is hij niet slecht meer. Dan wordt Kṛṣṇa alaantrekkelijk genoemd. In de Veda's wordt gezegd dat de Absolute Waarheid, of de Allerhoogste Godspersoon, de oorsprong van alle vreugde is raso vai saḥ. Iedereen verlangt naar een relatie met een ander, omdat hij zo een bepaalde rasa ervaart.
Bob: Pardon, ik begrijp het niet.
Śrila Prabhupāda: Een bepaalde rasa. Het is net als met iemand die drinkt. Waarom doet hij dat? Hij ervaart rasa door te drinken. Iemand die uit is op geld, doet dit omdat het bezit van dat geld hem een gevoel van rasa geeft.
Bob: Wat betekent rasa?
Śrila Prabhupāda: [tot Syāmasundara] Hoe definieer je rasa?
Syāmasundara: Smaak, vreugde, plezier.
Bob: Aha.
Śrila Prabhupāda: Een aangename ervaring. De Veda's zeggen dus: raso vai saḥ. [Dan komt Mālati, Syāmasundara's vrouw, binnen met een schaal in haar handen.] Wat is dat?
Mālati: Gefrituurde aubergines.
Śrila Prabhupāda: O, dat is alaantrekkelijk. Alaantrekkelijk! [Gelach.]
Syāmasundara: Waarom is Kṛṣṇa de grootste geleerde?
Śrila Prabhupāda: Omdat Hij alles weet. Een wetenschapper is iemand die een bepaald onderwerp volledig beheerst. Kṛṣṇa is een wetenschapper omdat Hij alles weet.
Bob: Ik ben momenteel leraar natuur- en scheikunde.
Śrila Prabhupāda: Je bent leraar, maar zolang je geen volmaakte kennis bezit, hoe kan je dan lesgeven? Dat is wat wij ons afvragen.
Bob: Zonder volmaakte kennis kun je toch ook lesgeven?
Śrila Prabhupāda: Dat is geen onderwijs. Dat is bedrog. Net zoals de wetenschappers zeggen: "Er was eens een gasmassa... en daaruit is de hele schepping ontstaan. Misschien... We veronderstellen." Wat zijn dat voor opmerkingen? Dat is geen wetenschap, maar pure oplichterij.
Bob: Misschien kan ik eens herhalen wat u vanmorgen vertelde dat vond ik erg interessant. Ik stelde een vraag over wonderen en toen zei u dat alleen een dwaas in wonderen gelooft, net zoals het bijvoorbeeld voor een kind een wonder is als een volwassene een tafel optilt, of wanneer een chemicus zuur en base met elkaar vermengt en er rook of een explosie ontstaat; voor iemand die niets van scheikunde afweet is dat een wonder. Toch kan er voor alles een verklaring gegeven worden, en als je een wonder ziet, betekent dat alleen dat je niet voldoende kennis hebt... Zegt u het maar als ik iets verkeerds zeg...
Śrila Prabhupāda: Ja, ja.
Bob: U zei dat de mensen in de tijd van Jezus nog onwetender waren en wonderen nodig hadden om overtuigd te raken van zijn leer. Is dat waar, zei u dat niet ongeveer?
Śrila Prabhupāda: Ja, wonderen zijn er voor de onwetenden.
Bob: Ik had die vraag gesteld in verband met de wonderdoeners waar je hier in India zoveel over hoort.
Śrila Prabhupāda: Kṛṣṇa kan de grootste wonderen verrichten.
Bob: Ja.
Śrila Prabhupāda: Dat wordt gezegd door Kunti...
Bob: Kan ik zonder volmaakte kennis echt niets onderwijzen? Ik zou bijvoorbeeld toch...
Śrila Prabhupāda: Je kunt onderwijzen tot zover je kennis reikt.
Bob: Ja, maar ik moet niet proberen om iets te onderwijzen waar ik eigenlijk geen verstand van heb.
Śrila Prabhupāda: Nee, anders is het bedrog.
Syāmasundara: Het is dus niet mogelijk de waarheid te onderwijzen als je kennis beperkt is.

Śrila Prabhupāda: Nee, maar dat geldt voor ieder mens. Een mens heeft onvolmaakte zintuigen. Hoe kan hij dan volmaakte kennis onderwijzen? Als je bijvoorbeeld naar de zon kijkt, zie je een schijf. Naar de zon toegaan kun je niet. Je kunt wel zeggen dat je de zon kunt zien met een telescoop en dat soort dingen, maar die zijn door jou gemaakt, en jij bent onvolmaakt. Hoe kan dat apparaat van jou dan volmaakt zijn? Daarom is je kennis van de zon gebrekkig. Vertel dus niets over de zon zolang je geen perfecte kennis bezit, want anders is het bedrog.

Bob: Maar we kunnen toch wel zeggen dat men veronderstelt dat de zon 148.800.000 kilometer van ons verwijderd is?
Śrila Prabhupāda: Zodra je zegt: "Wij veronderstellen," is het al niet wetenschappelijk meer.
Bob: Maar dan zijn bijna alle vormen van wetenschap niet-wetenschappelijk.
Śrila Prabhupāda: Precies!
Bob: Elke vorm van wetenschap is gebaseerd op bepaalde veronderstellingen.
Śrila Prabhupāda: Ja, ze geven onvolledige kennis. Ze zeggen bijvoorbeeld zoveel dingen over de maan; denk je dat dat allemaal waar is?
Bob: Nee.
Śrila Prabhupāda: En verder?
Bob: Wat is de taak van een leraar in de samenleving? Laten we zeggen van een leraar in de natuurwetenschappen. Wat behoort hij te doen in het klaslokaal?
Śrila Prabhupāda: Klaslokaal? Je moet alleen maar over Kṛṣṇa onderwijzen.
Bob: Moet hij geen les geven over...
Śrila Prabhupāda: Nee, dit omvat alles. Zijn enige doel moet zijn om kennis over Kṛṣṇa te geven.
Bob: Kan een leraar scheikunde lesgeven over het mengen van zuur en base en daarbij Kṛṣṇa in het centrum plaatsen?
Śrila Prabhupāda: Hoe zou hij dat moeten doen?
Bob: Wanneer je scheikunde of natuurkunde studeert vind je algemene tendensen in de natuur, die wijzen op het bestaan van een besturende macht...
Śrila Prabhupāda: Dat heb ik een paar dagen geleden uitgelegd. Ik vroeg een chemicus wat er gebeurt als je waterstof en zuurstof bij elkaar gooit. Dan krijg je toch water, is het niet?
Bob: Ja, dat klopt.
Śrila Prabhupāda: De Atlantische Oceaan en de Stille Oceaan bevatten een enorme hoeveelheid water. Hoeveel chemicaliën zijn daarvoor nodig geweest?
Bob: Hoeveel?
Śrila Prabhupāda: Ja, hoeveel ton?
Bob: Ontzettend veel!
Śrila Prabhupāda: En wie heeft daarvoor gezorgd?
Bob: Dat heeft God gedaan.
Śrila Prabhupāda: Er moet dus iemand zijn die al die chemicaliën geleverd heeft.
Bob: Ja, dat is zo.
Śrila Prabhupāda: Dit is nu wetenschap, en dit is wat je moet onderwijzen.
Bob: Is het belangrijk om te onderwijzen wat er gebeurt als je zuur en loog bij elkaar doet?
Śrila Prabhupāda: Daarvoor geldt hetzelfde. Er zijn zoveel stoffen die opbruisen als je ze bij elkaar gooit. Wie brengt dit tot stand? Wie levert het zuur en het loog? [Er volgt een lange pauze.]
Bob: Die hebben dus dezelfde oorsprong als water.
Śrila Prabhupāda: Inderdaad. Je kunt geen water maken zonder waterstof en zuurstof. En je hebt niet alleen deze Atlantische en Stille Oceaan; er zijn miljoenen planeten met miljoenen Atlantische en Stille Oceanen. Wie heeft al dat water gemaakt en waar komen al die chemicaliën vandaan? Dat is de vraag. Iemand moet daarvoor gezorgd hebben. Hoe zijn die oceanen anders ontstaan?
Bob: Maar moet er ook onderwezen worden hoe van zuurstof en waterstof water gemaakt wordt? Dat ze samen verwarmd moeten worden?...
Śrila Prabhupāda: Dat komt op de tweede plaats. Dat is ook niet zo moeilijk. Je kunt het vergelijken met hoe Malati deze purī gemaakt heeft. Ze heeft meel en ghi [geklaarde boter] met elkaar vermengd en daar een puri van gerold. Maar als je geen meel en ghi hebt, kun je ook geen puri maken. In de Bhagavad-gitā wordt gezegd: "Water, aarde, lucht, vuur, dit zijn Mijn energieën." Wat is je lichaam? Dit stoffelijke lichaam is jouw energie. Wist je dat? Jouw lichaam is gemaakt van jouw energie. Bijvoorbeeld als ik eet...
Bob: Ja.
Śrila Prabhupāda: Op die manier maak ik energie aan en houd ik mijn lichaam in stand.
Bob: Ja, ik begrijp het.
Śrila Prabhupāda: Je lichaam is dus gemaakt van je energie.
Bob: Maar in het voedsel dat ik eet, zit energie van de zon.
Śrila Prabhupāda: Ja, dit is maar een voorbeeld. Ik schep energie door voedsel te verteren en daardoor blijft mijn lichaam in stand. Als je energietoevoer niet goed functioneert, wordt je lichaam zwak of ongezond. Het lichaam zorgt voor zijn eigen energie. Op dezelfde manier is dit gigantische, kosmische lichaam [het universum] van Kṛṣṇa's energie gemaakt. Dat valt niet te ontkennen. Zoals jouw lichaam gemaakt is van je eigen energie, zo moet ook het universele lichaam van iemands energie gemaakt zijn. Die iemand is Kṛṣṇa. [Er valt een lange stilte.]
Bob: Ik moet er even over nadenken om dit te kunnen volgen.
Śrila Prabhupāda: Wat valt er te volgen? Het is een feit. [Hij lacht.] Je haar groeit dagelijks. Waarom? Omdat je over energie beschikt.
Bob: Energie die ik verkregen heb door te eten?
Śrila Prabhupāda: Op een of andere manier ben je aan die energie gekomen; en daardoor groeit je haar. Zoals jouw lichaam gemaakt is van jouw energie, zo is de hele kosmische openbaring van Gods energie gemaakt. Dit is een feit! Het is niet jouw energie.
Bob: Ja, dat begrijp ik. Een toegewijde: Zouden we ook kunnen zeggen dat de planeten in het universum een product van de energie van de zon zijn?
Śrila Prabhupāda: Ja, maar wie heeft de zon gemaakt? Dat is ook Kṛṣṇa's energie. De zon bestaat uit vuur en Kṛṣṇa zegt: bhūmir apo 'nalo vayuḥ: "Vuur is een van Mijn energieën."
De zon vertegenwoordigt de warmte-energie van Kṛṣṇa. Het is niet jouw energie. Je kunt niet zeggen dat de zon door jou gemaakt is. Maar er moet wel iemand anders zijn die de zon gemaakt heeft, en Kṛṣṇa zegt dat Hij diegene is geweest. Wij geloven wat Kṛṣṇa zegt en daarom zijn wij Kṛṣṇaïeten.
Bob: Kṛṣṇaites?
Śrila Prabhupāda: Ja, onze kennis is perfect. Als ik zeg dat warmte Kṛṣṇa's energie is, kun je dat niet ontkennen. In jouw lichaam is een bepaalde hoeveelheid warmte aanwezig. Op dezelfde manier is de warmte in het universum ook de energie van iemand. Maar van wie dan wel? Van Kṛṣṇa. Kṛṣṇa zegt: "Ja, het is Mijn energie." Daarom is mijn kennis perfect. Omdat ik de kennis overneem van de grootste wetenschapper, ben ik ook de grootste wetenschapper. Zelf kan ik een dwaas zijn, maar omdat ik mijn kennis ontvang van de grootste wetenschapper, ben ik ook de grootste wetenschapper. Dat is niet moeilijk voor mij.
Bob: Dat begrijp ik niet.
Śrila Prabhupāda: Het is voor mij niet moeilijk om de grootste wetenschapper te zijn, omdat ik mijn kennis van de grootste wetenschapper ontvang. [Er valt een lange stilte.] "Aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en ego, dit zijn Mijn acht afgescheiden energieën.”
Bob: Zijn het afgescheiden energieën?
Śrila Prabhupāda: Ja, net als deze melk. Wat is melk? De afgescheiden energie van de koe. [Syāmasundara en Bob lachen om de helderheid van deze uitleg.] Of niet soms? Het is een manifestatie yan de afgescheiden energie van de koe.
Syāmasundara: Zoiets als een bijproduct?
Śrila Prabhupāda: Ja.
Bob: Wat betekent het dat deze energie afgescheiden is van Kṛṣṇa?
Śrila Prabhupāda: "Afgescheiden zijn" betekent dat de melk voortkomt uit het lichaam van de koe, en tegelijkertijd verschillend is van de koe.
Bob: Deze aarde is dus ontstaan uit Kṛṣṇa, maar ze is niet hetzelfde als Kṛṣṇa?
Śrila Prabhupāda: Juist, ze is verschillend van Kṛṣṇa. Of beter: ze is Kṛṣṇa en tegelijkertijd is ze ook niet Kṛṣṇa. Dat is onze filosofie. Eén en verschillend. Je kunt niet zeggen dat al deze dingen van Kṛṣṇa verschillen, want zonder Kṛṣṇa kunnen ze niet bestaan. Aan de andere kant kun je ook niet zeggen: "Laat mij het water maar vereren, waarom Kṛṣṇa?" De pantheïsten zeggen dat we, omdat alles God is, met alles wat we doen God vereren. Dit is māyāvāda-filosofie: alles is gemaakt uit God, daarom is alles God. Maar wij zeggen dat alles God is en tegelijkertijd ook niet God is.
Bob: Wat is dan God? Is er iets op aarde wat God is?
Śrila Prabhupāda: Ja, alles is gemaakt van de energie van God. Maar dat wil niet zeggen dat je door zomaar iets te vereren God vereert.
Bob: Wat is er op aarde dat geen māyā [illusie] is? Is het...
Śrila Prabhupāda: Māyā betekent "energie".
Bob: Energie?
Śrila Prabhupāda: Ja. Een andere betekenis van het woord is "illusie". Alleen dwazen zien geen verschil tussen de energie en de energiebron. Dat is māyā. Stel, de zon schijnt je kamer binnen. Het zonlicht is de energie van de zon. Maar als je kamer door de zon verlicht wordt, zeg je toch niet dat de zon binnen is gekomen. Kwam de zon binnen, dan zou alles meteen verbranden. Dan zou je geen tijd meer hebben om erover na te denken hoe de zon binnen was gekomen. Of wel soms?
Bob: Nee, dat is waar.
Śrila Prabhupāda: Maar je kunt ook weer niet zeggen dat het zonlicht de zon niet is, want zonder de zon is er geen zonlicht. Toch verschilt het zonlicht van de zon. Het is zowel de zon als niet de zon tegelijkertijd. Dat is onze filosofie. Acintya-bhedābheda: onvoorstelbaar. Met onze materiële intelligentie kunnen we ons niet voorstellen hoe iets tegelijkertijd positief en negatief kan zijn. Dit is iets ondenkbaars. Een dergelijk soort energie kunnen we ons niet voorstellen. En omdat alles de energie van Kṛṣṇa is, kan Hij Zich op alle mogelijke manieren via Zijn energie manifesteren. Wanneer we Kṛṣṇa dus in een bepaalde vorm van klei, water of iets dergelijks, vereren, dan is die vorm gelijk aan Kṛṣṇa. We kunnen niet zeggen dat het Kṛṣṇa niet is. Deze metalen vorm van Kṛṣṇa [de mūrti in de tempel] die we vereren, is niet verschillend van Kṛṣṇa. Dit is een feit, want metaal is een energie van Kṛṣṇa. Daarom is het identiek aan Kṛṣṇa, want Hij is zo machtig dat Hij Zichzelf volkomen in Zijn energie kan openbaren. Deze mūrti-verering is dus niet heidens. Het is werkelijke godsverering, mits je weet hoe het moet.
Bob: Als je dat weet, wordt de mūrti dan Kṛṣṇa?
Śrila Prabhupāda: Hij wordt niet Kṛṣṇa, Hij is Kṛṣṇa.
Bob: De murti is Kṛṣṇa, maar geldt dit alleen als je de methode kent?
Śrila Prabhupāda: Ja, net als deze elektriciteitskabel elektriciteit is, als je weet wat je moet doen.
Syāmasundara: Anders is het alleen maar een stuk draad.
Śrila Prabhupāda: Juist.
Bob: Dus als ik een beeld van Kṛṣṇa maak, is het niet Kṛṣṇa, tenzij...
Śrila Prabhupāda: Het is Kṛṣṇa, maar je moet weten wat je moet doen om te begrijpen dat het Kṛṣṇa is.
Bob: Het is dus niet alleen maar klei en leem?
Śrila Prabhupāda: Nee, klei kan niet los van Kṛṣṇa bestaan. Kṛṣṇa zegt: "Mijn energie." Je kunt de energie niet scheiden van de energiebron. Je kunt de warmte niet van het vuur scheiden, en toch verschilt het vuur van de warmte en omgekeerd. Je neemt warmte op, maar dat betekent niet dat je het vuur aanraakt. Hoewel het vuur warmte uitstraalt, behoudt het zijn identiteit als vuur.
Op dezelfde manier blijft Kṛṣṇa, hoewel Hij met behulp van Zijn verschillende energieën alles creëert, toch Kṛṣṇa. De māyāvādi-filosofen denken dat als Kṛṣṇa alles is, Hij logischerwijs Zijn afzonderlijke identiteit kwijtraakt. Dit is een materialistische manier van denken. Als ik bijvoorbeeld deze melk beetje bij beetje opdrink, zal er op een gegeven moment niets meer van over zijn. Alles zit dan in mijn buik. Dit geldt niet voor Kṛṣṇa. Hij is almachtig. We maken constant gebruik van Zijn energie, en toch blijft Hij onveranderd. Net als een man die veel kinderen krijgt ook niet ophoudt te bestaan.
Dit is maar een simpel voorbeeld. Het is niet zo dat hij honderd kinderen verwekt en dan op een gegeven moment op is. Zo is het ook met Kṛṣṇa. Ondanks het feit dat Hij oneindig veel kinderen heeft, blijft Hij toch bestaan. pūrṇasya pūrṇam ādāya pūrṇam evāvasisyate. "Omdat Hij het volkomen geheel is, blijft Hij, ondanks het feit dat er zoveel volkomen eenheden uit Hem voortkomen, toch volkomen." Dit is Kṛṣṇa-bewustzijn. Kṛṣṇa raakt nooit uitgeput. Hij is zo machtig en daarom is Hij ook alaantrekkelijk. Dit is nog maar één kant van de openbaring van Kṛṣṇa's energie. Zijn vermogens zijn onbeperkt. We hebben het tot nu toe slechts over een fractie van Kṛṣṇa's energie gehad. Als je op deze manier doorgaat Kṛṣṇa te bestuderen, dan ben je Kṛṣṇa-bewust bezig. Dan is het geen twijfelachtig iets; "misschien," "misschien niet." Het is zo. Zeker!
Śyāmasundara: En je raakt nooit uitgestudeerd.
Śrila Prabhupāda: Inderdaad. Hoe zou dat ook kunnen? Kṛṣṇa's energieën zijn immers onbeperkt.