Default View
Dual Language View
Inleiding
God en geestelijk leven waren erg vage termen voor mij voordat ik Śrila Prabhupāda ontmoette. Ik was altijd wel in religie geïnteresseerd geweest, maar voordat ik met de toegewijden van Kṛṣṇa in aanraking kwam, was ik er op een of andere manier nooit in geslaagd de juiste vragen te stellen, waardoor ik meer inzicht in het geestelijk leven had kunnen krijgen. Mijn gezond verstand vertelde me dat er een Schepper is maar wie is God? En wie ben ik? Hoewel ik op een Hebreeuwse school was geweest en oosterse filosofie had gestudeerd, had ik nooit bevredigende antwoorden op deze vragen gekregen.
Ik hoorde de Hare Kṛṣṇa-mantra voor het eerst in Greenwich Village, New York, eind 1968.
hare kṛṣṇa, hare kṛṣṇa krsna krsna, hare hare hare rāma, hare rāma rāma rāma, hare hare
Het chanten boeide me en gaf me een erg aangenaam gevoel. De mantra bleef in mijn hoofd zitten, en al gauw had ik er spijt van dat ik geen tijdschrift van de toegewijden had aangenomen. Later werd me uitgelegd dat er op dat moment een geestelijk zaadje geplant was, dat zich uiteindelijk tot liefde voor God zou kunnen ontwikkelen.
Een paar maanden later vond ik ergens een kaartje met de Hare Kṛṣṇa-mantra erop. "Chant deze namen van God en je leven wordt volmaakt!" stond erop. Ik begon zo nu en dan te chanten en merkte inderdaad dat de mantra me een vredig gevoel gaf.
Nadat ik mijn kandidaatsdiploma in de scheikunde had gehaald, sloot ik mij in 1971 aan bij het Peace Corps en vertrok naar India om daar als leraar te gaan werken. Daar informeerde ik naar de Hare Kṛṣṇa-beweging. Ik voelde mij aangetrokken tot het chanten, was geïntrigeerd door de filosofie en wilde graag meer weten over de oorsprong van de beweging. Ik had de Kṛṣṇa-tempel in New York al verschillende keren bezocht voordat ik naar India ging, maar het sobere leven van een toegewijde leek me niets voor mij. In India ontmoette ik de toegewijden van Kṛṣṇa voor het eerst op een festival in Calcutta, in oktober 1971. Ze legden me uit wat het doel van yoga was en waarom het zo belangrijk was je af te vragen wat geestelijk leven inhield. Ik begon in te zien dat de rituelen en ceremoniën die zij uitvoerden geen droge, sentimentele verplichtingen waren, maar onderdeel van een reële en zinvolle manier van leven.
In het begin was het voor mij echter heel moeilijk om de filosofie van het Kṛṣṇa-bewustzijn te doorgronden. Mijn westerse achtergrond verhinderde me op een subtiele manier om zaken die eigenlijk overduidelijk waren, in te zien. Gelukkig wisten de toegewijden me te overtuigen van de noodzaak een aantal elementaire leefregels te volgen; hierdoor begon ik langzamerhand inzicht te krijgen in wat geestelijk leven was. Als ik nu terugkijk, zie ik hoe onbepaald en vaag mijn ideeën over geestelijk leven en het transcendente waren. In deze periode november 1971 had ik een korte ontmoeting met Śrīla Prabhupāda, en niet lang daarna besloot ik vegetariër te worden. (Ik was er trots op geen vlees te eten, maar later maakte Śrīla Prabhupāda me duidelijk dat daar weinig reden voor was, omdat zelfs duiven vegetariër zijn.)
In februari 1972 ontmoette ik in Calcutta een paar toegewijden die mij uitnodigden voor een festival in Māyāpura (een heilige plaats ongeveer 120 km. ten noorden van Calcutta). Het festival werd gehouden ter ere van Sri Caitanya Mahāprabhu, die als een incarnatie van Kṛṣṇa Zelf beschouwd wordt. Ik was eigenlijk net van plan een reis naar Nepal te maken, maar omdat het Peace Corps me geen toestemming gaf India te verlaten, besloot ik naar Māyāpura te gaan.
Ik ging erheen met het plan om er hooguit twee dagen te blijven, maar het werd een week. Ik was de enige westerse niet-toegewijde daar en omdat ik bij de toegewijden logeerde was dit een unieke gelegenheid om het Kṛṣṇa-bewustzijn van dichtbij te leren kennen.
Op de derde dag van het festival werd ik uitgenodigd voor een ontmoeting met Śrīla Prabhupāda. Hij woonde in een kleine, eenvoudig gemeubileerde hut, die half uit steen en half uit riet bestond. Śrīla Prabhupāda bood me een zitplaats aan en vroeg hoe het met me ging en of ik vragen had. De toegewijden hadden me uitgelegd dat Śrīla Prabhupāda al mijn vragen kon beantwoorden, omdat hij de huidige vertegenwoordiger was van een lange traditie van geestelijke leraren. Ik dacht dat Śrīla Prabhupāda misschien werkelijk zou weten hoe de wereld in elkaar zat. Dat beweerden zijn toegewijden tenminste en ik had veel bewondering en respect voor hen.
Met dit alles in gedachten begon ik dus mijn vragen te stellen. Zonder me ervan bewust te zijn benaderde ik een guru, of geestelijk leraar, op de voorgeschreven manier, namelijk door nederig vragen te stellen over het geestelijk leven.
Śrīla Prabhupāda was erg vriendelijk tegen me en in de dagen die daarop volgden beantwoordde hij al mijn vragen. Deze waren vaak nogal theoretisch, maar hij gaf me altijd heel persoonlijke antwoorden, waarmee hij me aanmoedigde om zelf een meer geestelijk leven te gaan leiden. Zijn antwoorden waren logisch, wetenschappelijk, ongelofelijk duidelijk en volkomen bevredigend. Voordat ik Śrīla Prabhupāda en zijn leerlingen ontmoet had, was geestelijk leven altijd onduidelijk en vaag voor me geweest, maar deze discussies met Śrīla Prabhupāda waren realistisch, verhelderend en opwindend! Śrīla Prabhupāda legde me heel geduldig uit dat Kṛṣṇa (God) de allerhoogste genieter, de beste vriend en de allerhoogste bestuurder is. Ik bracht allerlei irrelevante argumenten naar voren omdat ik het voor de hand liggende niet wilde accepteren: dat ik me serieus zou moeten toeleggen op het ontwikkelen van godsbewustzijn, wilde ik God ooit leren begrijpen. Maar Śrīla Prabhupāda bleef me vriendelijk maar beslist aansporen. Hoewel ik mezelf niet zo goed kon uitdrukken, begreep Śrīla Prabhupāda elke vraag die ik stelde en gaf hij er een volmaakt antwoord op.
Bob Cohen
14 augustus 1974
14 augustus 1974