Default View
Dual Language

Hoofdstuk 9

Bestemming na de dood

sarva-dvārāṇi saṁyamya
mano hṛdi nirudhya ca
mūrdhny ādhāyātmanaḥ prāṇam
āsthito yoga-dhāraṇām
"Yoga betekent dat men zich van alle zintuiglijke bezigheden onthecht. Men verankert zich in yoga door alle poorten van de zintuigen te sluiten, de geest op het hart te fixeren en de levenslucht naar het hoogste punt van het hoofd te verplaatsen." (B.g. 8.12)
Een andere vertaling van het woord yoga is "plus" het tegenovergestelde van min. Op dit moment zijn we vanwege ons materieel verontreinigde bewustzijn "min" God. Tellen we God bij ons leven op - verbinden we ons met Hem dan is het leven volmaakt. Dit proces dient voltooid te zijn op het moment van de dood, en daarom moeten we er ons hele leven lang aan werken om die volmaaktheid te bereiken, zodat we de Allerhoogste kunnen realiseren als we dit materiële lichaam op het moment van de dood opgeven.
prayāṇa-kāle manasācalena
bhaktyā yukto yoga-balena caiva
bhruvor madhye prāṇam āveśya samyak
sa taṁ paraṁ puruṣam upaiti divyam
"Wie op het moment van de dood zijn levenslucht tussen zijn wenkbrauwen fixeert en zich door de kracht van yoga, zonder dat de geest afdwaalt, in volledige toewijding de Allerhoogste Heer herinnert, zal de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zeker bereiken." (B.g. 8.10) De woorden prayāṇa-kāle betekenen “op het moment van de dood". Het leven is een soort van voorbereiding op het laatste examen de dood. Als we dat examen halen, worden we overgebracht naar de geestelijke wereld. Een bekend Bengaals gezegde leert ons: "Wat je ook doet om volmaakt te worden, wordt op het moment van de dood getest."
De methode waarmee de yogi's de poorten van de zintuigen sluiten wordt technisch pratyāhāra genoemd, wat “precies het tegenovergestelde" betekent. Nu aanschouwen de zintuigen de wereldse schoonheid. “Precies het tegenovergestelde" betekent dat men de zintuigen van die schoonheid terugtrekt en de innerlijke schoonheid aanschouwt. Het gehoor wordt op het geluid van omkāra geconcentreerd, dat zich binnenin bevindt. Op dezelfde manier worden alle andere zintuigen van uitwendige activiteiten teruggetrokken. Vervolgens wordt de geest op de viṣṇu-mūrti in het hart geconcentreerd (manaḥ hṛdi nirudhya). Het woord nirudhya betekent “opsluiten", manaḥ hṛdi nirudhya: de geest in het hart opsluiten. Heeft de yogi de zintuigen op die manier teruggetrokken en zijn geest geconcentreerd, dan verplaatst hij zijn levenslucht naar het bovenste punt van zijn hoofd en beslist dan waar hij naartoe zal gaan. Er zijn ontelbare planeten, en voorbij deze planeten bevindt zich de geestelijke wereld. De yogi's krijgen informatie over deze planeten uit de vedische literatuur, net zoals ik, voordat ik naar de Verenigde Staten kwam, informatie over dit land kreeg uit boeken. Omdat alle hogere planeten en de geestelijke wereld in de vedische literatuur beschreven staan, is de yogi overal van op de hoogte en kan hij zich overbrengen naar welke planeet hij maar wenst. Hij heeft geen materieel ruimteschip nodig.
Wetenschappers proberen al vele jaren met ruimteschepen andere planeten te bereiken, maar dat is niet de methode. Misschien dat een of twee mensen op deze manier een planeet kunnen bereiken, maar dat is niet de algemene methode. Het is niet voor iedereen weggelegd. Als men zich naar een hogere planeet wil overbrengen, beoefent men doorgaans het jñāna-yoga systeem, en niet het bhakti-yoga systeem. Het bhakti-yoga systeem wordt niet gebruikt voor het bereiken van wat voor materiële planeet dan ook.
De toegewijden van Kṛṣṇa zijn in geen enkele planeet van deze materiële wereld geïnteresseerd, omdat ze weten dat de vier basisvormen van ellende geboorte, ouderdom, ziekte en dood op alle planeten aanwezig zijn. Op de hogere planeten mag de levensduur dan langer zijn dan op deze aarde, maar uiteindelijk is er toch de dood. Daarom zijn degenen die zich aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijden niet in het materiële leven geïnteresseerd, maar in het geestelijk leven, wat verlichting van deze viervoudige ellende betekent. Wie intelligent is probeert zich naar geen enkele andere planeet in deze materiële wereld te verheffen. Om een andere planeet te bereiken moeten we een bepaald soort lichaam ontwikkelen dat ons in staat stelt op die planeet te leven. We kunnen deze planeten niet met kunstmatige, materialistische middelen bereiken, want men heeft een lichaam nodig dat geschikt is om daar te leven. Wij kunnen slechts een korte tijd onder water blijven, terwijl vissen er hun hele leven doorbrengen. Een vis heeft echter geen lichaam dat geschikt is om op land te leven. Zo moeten we dus ook een geschikt lichaam ontwikkelen als we toegang tot een hogere planeet willen krijgen.
Op de hogere planeten staat een dag gelijk aan zes van onze maanden, en de inwoners van deze planeten hebben een levensduur van tienduizend jaar. Dit staat allemaal in de vedische literatuur beschreven. Hoewel de levensduur op deze planeten enorm lang is, is er uiteindelijk de dood. Na tienduizend jaar, twintigduizend jaar of miljoenen jaren het maakt niet uit is er uiteindelijk de dood.
In het begin van de Bhagavad-gītā leren we echter dat we niet aan de dood onderhevig zijn:
na jāyate mriyate vā kadācin
nāyaṁ bhūtvā bhavitā vā na bhūyaḥ
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo
na hanyate hanyamāne śarīre
De ziel wordt nimmer geboren, noch sterft ze ooit. Ze is niet ontstaan, ontstaat niet en zal niet ontstaan. Ze is ongeboren, eeuwig, immer-zijnd en oorspronkelijk. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood." (B.g. 2.20) Zo laat Kṛṣṇa ons dus weten dat we ziel zijn en eeuwig; waarom zouden we ons dan aan geboorte en dood onderwerpen? Wie zijn intelligentie gebruikt kan dit begrijpen. Wie Kṛṣṇa-bewust is, is niet geïnteresseerd in bevordering naar een planeet waar de dood bestaat. Integendeel, wordt hij naar de geestelijke wereld bevorderd, dan ontvangt hij net zo'n lichaam als God heeft. Īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ sac-cid-ānanda-vigrahaḥ. Het lichaam van God is sac-cid-ānanda eeuwig, vol kennis en vol vreugde. Daarom wordt Kṛṣṇa "de bron van alle vreugde” genoemd. Als we ons lichaam verlaten en naar de geestelijke wereld gaan naar de planeet van Kṛṣṇa, of enige andere geestelijke planeet dan krijgen we zo'n zelfde lichaam vol sac-cid-ānanda.
De ziel is een ontzettend klein deeltje dat zich in het lichaam bevindt. Ze ondersteunt het uitwendige lichaam, maar kan niet gezien worden op dezelfde manier als men het uitwendige lichaam ziet. Het doel van het sat-cakra systeem bestaat eruit de ziel naar het hoogste punt van het hoofd te brengen. Vandaar uit kan degene die volmaakt is in dhyāna-yoga zich naar believen naar een hogere planeet overbrengen. Dat is de volmaaktheid van deze vorm van yoga. De dhyāna-yogī is een soort van reiziger, die bij zichzelf denkt: “Laat ik eens kijken hoe de maan eruitziet, en dan zal ik me vandaar uit naar nog hogere planeten overbrengen." Hij gaat van hier naar daar in het universum, net zoals men op aarde van New York naar California of Canada reist. Iemand die Kṛṣṇa-bewust is heeft echter geen interesse voor dit soort interplanetair reizen in het materiële universum. Zijn doel is Kṛṣṇa te dienen en overgebracht te worden naar de geestelijke ruimte.
oṁ ity ekākṣaraṁ brahma
vyāharan mām anusmaran
yaḥ prayāti tyajan dehaṁ
sa yāti paramāṁ gatim
"Als men zo in yoga gesitueerd de heilige lettergreep om, de allerhoogste lettercombinatie, laat klinken en denkend aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zijn lichaam verlaat, zal men de geestelijke planeten zeker bereiken." (B.g. 8.13)

Oṁ, of oṁkāra, is de beknopte of onpersoonlijke vorm van de transcendentale geluidstrilling. De dhyāna-yogi dient om te laten weerklinken terwijl hij zich Kṛṣṇa of Viṣṇu, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, herinnert. Het onpersoonlijke geluid van Kṛṣṇa is om, maar het geluid hare kṛṣṇa heeft om al in zich. Hoe dan ook, het hele yoga-systeem doelt op concentratie op Viṣṇu. De impersonalisten mogen zich dan een gedaante van Viṣṇu voorstellen, maar de personalisten doen dat niet. Zij zien de gedaante van de Allerhoogste Heer werkelijk. Of men zich nu iets inbeeldt of het werkelijk ziet, men moet zijn geest op de gedaante van Viṣṇu concentreren. Het woord mām betekent hier “op de Allerhoogste Heer, Viṣṇu”. Kan men zich Viṣṇu herinneren als men zijn lichaam verlaat, dan kan men het geestelijke koninkrijk binnengaan.
Wie intelligent is denkt natuurlijk: "Ik ben blijvend en eeuwig. Waarom zou ik geïnteresseerd zijn in zaken die niet blijvend zijn?” Eigenlijk wenst niemand een tijdelijk bestaan. Als we een appartement bewonen en de huisbaas vertelt ons te vertrekken, dan hebben we dat maar te doen, of we nu willen of niet. Verhuizen we echter naar een beter appartement, dan vinden we het niet erg. Toch is het nu eenmaal onze aard dat we niet graag verhuizen. Dat komt omdat we blijvend zijn en een blijvende woonplaats willen. Het is onze neiging om te blijven. Daarom willen we ook niet sterven. We willen de ellende van geboorte, ouderdom, ziekte en dood niet. Dit is ellende van externe aard, die ons wordt opgelegd door de materiële natuur en ons aanvalt als een soort koorts. Om hiervan verlost te worden dienen we bepaalde voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze ellende is nauw met het materiële bestaan verbonden, en om ervan af te komen is het dus noodzakelijk dat we ons van het materiële lichaam ontdoen.
Door oṁ te laten klinken en denkend aan de Allerhoogste Heer zijn lichaam te verlaten, wordt de yogi dus naar de geestelijke wereld overgebracht. De impersonalisten hebben echter geen toegang tot de geestelijke planeet van Heer Śrī Kṛṣṇa. Zij blijven buiten, in de stralengloed van de brahmajyoti. Zoals de zonneschijn niet van de zon verschilt, verschilt de brahmajyoti niet van de Allerhoogste Heer. De impersonalisten worden als uiterst kleine deeltjes in die brahmajyoti geplaatst. We zijn allemaal geestelijke vonken, en de brahmajyoti is vol van deze geestelijke vonken. Op deze manier gaan de impersonalisten op in het geestelijke bestaan. Ze behouden echter hun individualiteit, want de ziel is van nature een individu. Omdat de impersonalisten geen persoonlijke gedaante willen, worden ze in de onpersoonlijke brahmajyoti geplaatst en gehouden. Ze leiden daar dan een bestaan dat te vergelijken valt met het bestaan van de atomen in de zonneschijn. De individuele geestelijke vonk blijft in de brahmajyoti alsof zij er homogeen deel van uitmaakt.
Als levende wezens willen we allemaal genot. We willen niet slechts bestaan. We zijn van nature sac-cid-ānanda eeuwig (sat), vol kennis (cit) en vol gelukzaligheid (ānanda). Degenen die de onpersoonlijke brahmajyoti binnengaan kunnen daar niet eeuwig blijven met de kennis “Ik ben nu opgegaan in, en één met Brahman." Hoewel er eeuwigheid en kennis is, is er geen gelukzaligheid (ānanda). Wie kan er jaren achtereen alleen in een kamer zitten en zich proberen te vermaken door een of ander boek te lezen? We kunnen niet eeuwig alleen blijven. Uiteindelijk zullen we die kamer verlaten om wat gezelschap te zoeken. Het is onze aard om ons samen met anderen te ontspannen. De impersonalisten, die niet tevreden zijn met de eenzaamheid die het gevolg is van hun verblijf in de onpersoonlijke stralengloed van de Heer, keren daarom opnieuw naar deze materiële wereld terug. Er staat in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.2.32):
ye ’nye ’ravindākṣa vimukta-māninas
tvayy asta-bhāvād a viśuddha-buddhayaḥ
āruhya kṛcchreṇa paraṁ padaṁ tataḥ
patanty adho ’nādṛta-yuṣmad-aṅghrayaḥ
"O Heer met de lotusogen, de niet-toegewijden die zware ascese en boetedoeningen ondergaan om het hoogste niveau te bereiken mogen dan denken dat ze bevrijd zijn, maar hun intelligentie is niet zuiver. Omdat ze geen achting voor Uw lotusvoeten hebben, vallen ze uit hun positie van ingebeelde superioriteit terug."
Impersonalisten zijn als astronauten die op zoek zijn naar een planeet. Kunnen ze geen planeet vinden, dan moeten ze weer terugkeren naar de aarde. Er wordt hier in het Śrīmad-Bhāgavatam gezegd (anādṛta-yuṣmad-aṅghrayaḥ) dat de impersonalist naar de materiële wereld moet terugkeren omdat hij het nagelaten heeft de Allerhoogste Heer met liefde en toewijding te dienen. Zolang we op deze aarde zijn, dienen we ons te oefenen in het liefhebben en dienen van Kṛṣṇa, de Allerhoogste Heer. Dan zullen we toegang krijgen tot Zijn geestelijke planeet. Zijn we niet op deze manier getraind, dan kunnen we als impersonalist de brahmajyoti binnengaan, maar bestaat er wel alle kans dat we opnieuw in het materiële bestaan zullen terugvallen. Uit eenzaamheid zullen we naar wat gezelschap zoeken en daarom naar de materiële wereld terugkeren. Wat we in wezen willen is het eeuwige gezelschap van de Allerhoogste Heer. Dat is onze wezenspositie van eeuwigheid, kennis en vreugde. Zijn we alleen en hebben we geen omgang met de Allerhoogste Heer, dan is die vreugde er niet. Door de behoefte aan vreugde voelen we ons ongemakkelijk en zijn we bereid iedere vorm van gezelschap, iedere vorm van vreugde, te aanvaarden. Daarom zullen we uit een soort van wanhoop zeggen: "Vooruit, dan maar weer materiële vreugde.” Dat is het risico wat de impersonalisten nemen.
In de materiële wereld wordt de hoogste vreugde ervaren in seks. Dit is niet meer dan een verwrongen afspiegeling van de vreugde die men met Kṛṣṇa in de geestelijke wereld ervaart. Seks kan hier niet afgespiegeld worden tenzij het in de geestelijke wereld aanwezig is. We dienen echter wel te begrijpen dat die afspiegeling hier verwrongen is. In Kṛṣṇa is er werkelijk leven. Kṛṣṇa is vol vreugde, en als we ons erin oefenen Hem in Kṛṣṇa-bewustzijn te dienen, zal het mogelijk zijn onszelf op het moment van de dood naar de geestelijke wereld over te brengen en toegang te krijgen tot Kṛṣṇaloka, de planeet van Kṛṣṇa, om daar het gezelschap van Kṛṣṇa, de bron van alle vreugde, te beleven.
De planeet van Kṛṣṇa wordt in de Brahma-saṁhitā (5.29) als volgt beschreven:
cintāmaṇi-prakara-sadmasu kalpa-vṛkṣa-
lakṣāvṛteṣu surabhīr abhipālayantam
lakṣmī-sahasra-śata-sambhrama-sevyamānaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
"Ik vereer Govinda, de oorspronkelijke Heer en stamvader, die in door miljoenen wensbomen omgeven verblijven van geestelijke edelstenen, waar Hij altijd door honderdduizenden lakṣmi's of gopi's met veel eerbied en genegenheid gediend wordt, de koeien hoedt die ieders verlangens vervullen." Op deze manier wordt Kṛṣṇaloka beschreven. De huizen zijn er gemaakt van cintāmaṇi, een steensoort die te vergelijken valt met de steen der wijzen. Raakt een stukje cintāmaṇi-steen een ijzeren staaf aan, dan zal deze onmiddellijk in goud veranderen.. In deze materiële wereld hebben we natuurlijk geen enkele ervaring met zoiets als een cintāmaṇi-steen, maar volgens de Brahma-saṁhitā zijn alle verblijven op Kṛṣṇaloka uit cintāmaṇi opgebouwd. Zo worden de bomen er wensbomen (kalpa-vṛkṣa) genoemd, omdat men alles van ze kan krijgen wat men maar verlangt. Hier kunnen we van een mangoboom alleen maar mango's krijgen, maar op Kṛṣṇaloka kunnen we van iedere boom krijgen wat we maar willen omdat het kalpa-vṛkṣa bomen zijn. Dit is slechts een gedeeltelijke beschrijving van Kṛṣṇaloka, de eeuwige woonplaats van Kṛṣṇa in de geestelijke ruimte.
De conclusie luidt daarom dat we niet moeten proberen ons naar wat voor materiële planeet dan ook te verheffen, omdat dezelfde ellendige omstandigheden van geboorte, ouderdom, ziekte en dood ook daar heersen. De wetenschappers zijn erg trots op hun "wetenschappelijke” vooruitgang, maar zijn er niet in geslaagd een einde te maken aan ouderdom, ziekte en dood. Ze kunnen iets maken dat de dood versnelt, maar niet iets wat een einde maakt aan de dood. Dat ligt niet in hun vermogen.
Wie intelligent is wil een einde maken aan geboorte, ouderdom, ziekte en dood, en een geestelijk leven beginnen vol eeuwigheid, gelukzaligheid en kennis. De bhakti-yogi weet dat de beoefening van Kṛṣṇa-bewustzijn en het zich herinneren van Kṛṣṇa op het moment van de dood zo'n leven mogelijk maken.
ananya-cetāḥ satatam
yo māṁ smarati nityaśaḥ
tasyāhaṁ sulabhaḥ pārtha
nitya-yuktasya yoginaḥ
"O zoon van Pṛthā, Ik ben voor iemand die Me altijd en zonder af te dwalen in gedachten houdt gemakkelijk te bereiken, omdat hij voortdurend opgaat in toegewijde dienst." (B.g. 8.14) In dit vers betekent het woord nitya-yukta "voortdurend in trance". Zo iemand, die voortdurend aan Kṛṣṇa denkt en altijd opgaat in Kṛṣṇa-bewustzijn, is de grootste yogi. Zijn aandacht dwaalt niet af naar jñāna-yoga, dhyāna-yoga, of enig ander systeem. Voor hem is er slechts één systeem Kṛṣṇa. Ananya-cetāḥ betekent “zonder af te dwalen". Een Kṛṣṇa-bewuste toegewijde wordt nergens door verstoord, omdat zijn geest altijd op Kṛṣṇa geconcentreerd is. Het woord satatam betekent dat hij altijd en overal aan Kṛṣṇa denkt. Toen Kṛṣṇa naar deze aarde afdaalde, verscheen Hij in Vṛndāvana. Hoewel ik op dit moment in Amerika woon, verblijf ik in Vṛndāvana omdat ik altijd aan Kṛṣṇa denk. Hoewel ik in een appartement in New York zit, is mijn bewustzijn in Vṛndāvana, en dat is net zo goed als daar te zijn.
Kṛṣṇa-bewustzijn betekent dat men altijd met Kṛṣṇa op Zijn geestelijke planeet woont. Omdat we ons van Kṛṣṇa bewust zijn, leven we altijd met Hem samen. Om daarheen te gaan hoeven we alleen maar te wachten op het moment dat we dit materiële lichaam verlaten. Voor wie Kṛṣṇa voortdurend en zonder af te dwalen in gedachten houdt, is Hij gemakkelijk te bereiken. Tasyāhaṁ sulabhaḥ pārtha: “Voor hen ben Ik gemakkelijk te bereiken." Voor iemand die zich aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijdt, wordt het meest waardevolle gemakkelijk verkrijgbaar. Omdat men zich aan bhakti-yoga wijdt, wordt Kṛṣṇa gemakkelijk "verkrijgbaar". Waarom zouden we zoveel moeite doen om Kṛṣṇa te bereiken, als Kṛṣṇa Zelf zegt dat Hij makkelijk te bereiken is? We hoeven alleen maar vierentwintig uur per dag hare kṛṣṇa, hare kṛṣṇa, kṛṣṇa kṛṣṇa, hare hare / hare rāma, hare rāma, rāma rāma, hare hare te chanten. Er is geen vaste regel voor. We kunnen op straat of in de metro chanten, thuis of op ons werk. Er zijn geen kosten aan verbonden, noch hoeft men er belasting voor te betalen.
Eigenlijk is Kṛṣṇa, omdat Hij almachtig is, onoverwinnelijk, maar er wordt gezegd dat Hij niet alleen door zuivere toegewijde dienst bereikt wordt, maar er zelfs door overwonnen wordt. Zoals al eerder uitgelegd werd, is het over het algemeen erg moeilijk om de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods te realiseren, en daarom luidt één van Zijn namen Ajita, wat "Hij die door niemand overwonnen kan worden" betekent. In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.3) bidt Heer Brahmã tot Ajita:
jñāne prayāsam udapāsya namanta eva
jīvanti san-mukharitāṁ bhavadīya-vārtām
sthāne sthitāḥ śruti-gatāṁ tanu-vāṅ-manobhir
ye prāyaśo ’jita jito ’py asi tais tri-lokyām
"O mijn lieve Heer Ajita, de toegewijden die zich van de onpersoonlijke opvattingen van de Absolute Waarheid ontdaan hebben en zich daarom niet meer inlaten met het bespreken van empirische filosofische waarheden, dienen van zelfgerealiseerde toegewijden over Uw heilige naam, spel en vermaak, gedaante en eigenschappen te vernemen. Ze dienen de principes van toegewijde dienst volkomen op te volgen en zich van ongeoorloofde seks, gokken, intoxicatie en het slachten van dieren te onthouden. Zich volledig overgevend, met lichaam, woorden en geest, zullen ze in staat zijn in welke āśrama of sociale positie dan ook te leven. U wordt voorwaar door dergelijke personen overwonnen, hoewel U normaal altijd onoverwinnelijk bent."
Hier verwijzen de woorden jñāne prayāsam naar theosofen en filosofen die jaar in, jaar uit en leven na leven God, de Absolute Waarheid, trachten te begrijpen. Hun pogingen zijn te vergelijken met die van een kikker in een put, die de uitgestrektheid van de Atlantische Oceaan en de Stille Oceaan tracht te bevatten. Zelfs onze pogingen om het heelal te meten zijn tevergeefs, om maar te zwijgen van onze pogingen om God te meten. Zulke pogingen zijn gedoemd te mislukken, en daarom raadt het Śrīmad-Bhāgavatam ons aan al onze pogingen om de Allerhoogste te meten op te geven. God proberen te begrijpen met onze beperkte kennis is volkomen zinloos, en iemand die intelligent is weet dat. We dienen nederig te worden en te begrijpen dat we in Zijn schepping niet meer dan een onbetekenend deeltje zijn. De woorden namanta eva duiden erop dat we gewoon nederig moeten worden om de Allerhoogste uit betrouwbare bron te kunnen begrijpen. En wat is die bron? San-mukharitām: de mond van de zelfgerealiseerde zielen. Arjuna krijgt rechtstreeks uit de mond van Kṛṣṇa over God te horen, en wij dienen uit de mond van Arjuna of zijn bonafide vertegenwoordiger over God te horen. We kunnen de transcendentale aard van God alleen maar begrijpen door hem uit betrouwbare bron te vernemen. Die bron kan Indiaas, Europees, Amerikaans, Japans, hindoe, moslim of wat dan ook zijn; de omstandigheden zijn niet van belang. We moeten gewoon een inzicht proberen te krijgen door te luisteren, en dan trachten het proces in ons dagelijks leven toe te passen. Door nederig te worden, uit de juiste bron te vernemen en te trachten deze lessen in ons dagelijks leven toe te passen, kunnen we overwinnaars van de Allerhoogste worden. Voor wie dit doet wordt Heer Kṛṣṇa gemakkelijk bereikbaar. Normaal gesproken is Godsrealisatie erg moeilijk, maar voor wie nederig luistert (śruti-gatām) is het erg eenvoudig.
Er zijn twee manieren waarop men kennis kan verwerven: de opklimmende methode (āroha-panthā) en de neerdalende methode (avaroha-panthā). Door middel van de opklimmende methode probeert men God op eigen kracht te begrijpen – door filosoferen, mediteren of speculeren. Volgens de neerdalende methode verwerft men zich kennis door gewoon te luisteren naar een autoriteit de bonafide geestelijk leraar en de geschriften. Wat de opklimmende methode betreft staat er in de Brahma-saṁhitā (5.34):
panthās tu koṭi-śata-vatsara-sampragamyo
vāyor athāpi manaso muni-puṅgavānām
so ’py asti yat-prapada-sīmny a vicintya-tattve
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
"Ik vereer Govinda, de oorspronkelijke Heer, van wiens lotusvoeten alleen het topje van de tenen wordt benaderd door de yogi's en de jñānī's, die miljarden jaren reizen met de snelheid van de wind of de geest." We kunnen allemaal begrijpen hoe groot de snelheid van de geest is. Hoewel ik hier in New York zit, kan ik onmiddellijk aan India denken, wat hier duizenden en duizenden kilometers ver vandaan is. Hier wordt gezegd dat men Kṛṣṇa zelfs na miljoenen jaren met deze snelheid te reizen nog niet zal begrijpen. Het woord muni-pungavānām verwijst naar een groot denker, niet naar de gewone man. Zelfs als zo'n groot denker miljoenen jaren met de snelheid van de geest reist, zal hij ontdekken dat de Allerhoogste Heer niet gekend kan worden. Toch is Kṛṣṇa gemakkelijk bereikbaar voor iemand die zich zonder af te dwalen aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijdt. Hoe is dit mogelijk? Nitya-yuktasya yoginaḥ: “Omdat zo iemand voortdurend in Mijn toegewijde dienst betrokken is, kan Ik hem niet vergeten." Dat is dus de methode. We hoeven alleen maar nederig te worden om de aandacht van God op ons te vestigen. Mijn Guru Mahārāja zei altijd: "Probeer niet God te zien, maar handel op zodanige wijze dat God jou zal zien. God zal voor je zorgen. Je hoeft niet te proberen God te zien."
Dit dient onze houding te zijn. We moeten niet denken: "Ik wil God zien. Hé God, verschijn alsjeblieft even voor me, wees m'n dienaar eens." Daar God niemands dienaar is, moeten we Hem met liefde en toewijding een genoegen doen. We weten allemaal wel hoe moeilijk het is om de koning of president van een land te zien. Voor de gewone man is het praktisch gesproken onmogelijk om een gesprek met zo'n belangrijk persoon te hebben, laat staan dat hij op bevel voor zo iemand zal verschijnen. Toch eisen de mensen dat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods voor hen verschijnt. Het is onze aard naar Kṛṣṇa te verlangen, want Hij is de meest aantrekkelijke, de knapste, de rijkste, de machtigste, de geleerdste en beroemdste persoon in het universum. Iedereen verlangt naar deze eigenschappen en Kṛṣṇa is de bron van al deze eigenschappen, en Hij bezit ze ten volle. Kṛṣṇa is de bron van alles (raso vai saḥ), en daarom dienen we onze aandacht op Kṛṣṇa te vestigen als we naar schoonheid, macht, kennis of roem verlangen. Dan zullen we vanzelf krijgen waar we altijd naar verlangd hebben.