Default View
Dual Language

Hoofdstuk 10

Het pad naar perfectie

mām upetya punar janma
duḥkhālayam aśāśvatam
nāpnuvanti mahātmānaḥ
saṁsiddhiṁ paramāṁ gatāḥ
"Hebben de grote zielen, die yogi's in toewijding zijn, Mij bereikt, dan keren ze nimmer naar deze tijdelijke wereld vol ellende terug, omdat ze de hoogste volmaaktheid hebben bereikt." (B.g. 8.15)
Deze materiële wereld wordt hier zelfs door haar schepper, de Allerhoogste Heer, als duḥkhālayam gekenmerkt, wat "de plaats van ellende" betekent. Als dit het geval is, hoe kunnen we haar dan met zogenaamde wetenschappelijke vooruitgang aangenamer maken? Duḥkha betekent “ellende" of "lijden”, en het werkelijke lijden is geboorte, ouderdom, ziekte en dood. Omdat we deze problemen niet kunnen oplossen, hebben we ze terzijde geschoven en richten de wetenschappers hun aandacht op atoombommen en ruimteschepen. Waarom kunnen ze deze belangrijke problemen, die ons voortdurend laten lijden, niet oplossen? Klaarblijkelijk hebben ze daar de macht niet voor.
In dit vers geeft Sri Kṛṣṇa echter de oplossing, mām upetya punar janma: “Bereikt iemand Mijn niveau, dan keert hij niet nogmaals naar deze plaats van ellende terug." Jammer genoeg kunnen de mensen in de toestand onwetendheid niet begrijpen dat ze zich in een ellendige situatie bevinden. Dieren kunnen niet begrijpen dat ze in een ellendige toestand verkeren, omdat ze daar het verstand niet voor hebben. De mens heeft het verstand om dit te begrijpen wel, maar in dit tijdperk gebruiken de mensen hun verstandelijk vermogen om hun dierlijke driften te bevredigen. Het verstand dient gebruikt te worden om van deze ellendige toestand bevrijd te worden. Gaan we echter vierentwintig uur per dag, zonder af te dwalen, in Kṛṣṇa-bewustzijn op, dan gaan we naar Kṛṣṇa en worden we niet opnieuw in deze ellendige wereld geboren. Mahātmānaḥ samsiddhim paramāṁ gatāḥ: "De grote zielen die de hoogste volmaaktheid, Kṛṣṇa-bewustzijn, hebben bereikt zijn voor altijd van ellende bevrijd." In dit vers verwijst het woord mahātmā naar iemand die Kṛṣṇa-bewust is en ervoor in aanmerking komt de woonplaats van Kṛṣṇa binnen te gaan. Het woord mahātmā verwijst niet naar een politiek leider als Mahatma Gandhi, maar naar een grote ziel, een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa.
Als Kṛṣṇa zegt dat de mahātmā Zijn woonplaats binnengaat, dan verwijst Hij daarmee naar Zijn transcendentale koninkrijk, Goloka Vṛndāvana. Het Vṛndāvana waar ik vandaan kom wordt Bhauma Vṛndāvana genoemd, wat betekent dat dit hetzelfde Vṛndāvana is, maar dan op deze aarde neergedaald. Zoals Kṛṣṇa door Zijn inwendig vermogen naar deze aarde neerdaalt, zo doet Zijn dhāma, Zijn woonplaats, dat ook. Met andere woorden, als Kṛṣṇa naar deze aarde neerdaalt, manifesteert Hij Zich in die bepaalde streek, Vṛndāvana, en daarom is die ook heilig. Daarbuiten heeft Kṛṣṇa Zijn eigen woonplaats in de geestelijke hemel, die Goloka Vṛndāvana genoemd wordt.
De mahātmā bereidt zich in dit leven voor om toegang te krijgen tot die transcendentale woonplaats. In de menselijke levensvorm kan men de natuur ten volle benutten. Dieren kunnen dit niet. Deze voorzieningen moet men gebruiken om zijn best te doen een mahātmā te worden en een eind te maken aan geboorte in deze materiële wereld, die gekenmerkt wordt door drie soorten ellende. De drie soorten ellende zijn de ellende die betrekking heeft op geest of lichaam, de ellende die veroorzaakt wordt door storingen in de natuur en de ellende die veroorzaakt wordt door andere levende wezens. In wat voor positie we ons ook bevinden in deze materiële wereld, we ervaren altijd een of andere vorm van ellende. Śrī Kṛṣṇa zegt ronduit dat het niet mogelijk is om in deze materiële wereld ellende te vermijden, omdat deze wereld voor ellende bedoeld is. Tenzij er ellende is, kunnen we niet tot Kṛṣṇa-bewustzijn komen. Ellende dient als een stimulans om ons naar het Kṛṣṇa-bewustzijn te verheffen. Wie intelligent is begrijpt dat ellende hem gewoon opgedrongen wordt. Niemand wil ellende, maar men zou intelligent genoeg moeten zijn zichzelf af te vragen: "Waarom wordt al deze ellende me opgedrongen?" Jammer genoeg proberen de mensen in de moderne samenleving de ellende opzij te schuiven, en denken ze: "Ach, waarom lijden? Laat ik mijn ellende bedekken met wat intoxicatie." De ellende van het leven kan echter niet op zo'n kunstmatige manier worden opgelost. Zodra de intoxicatie is uitgewerkt, keert men terug naar hetzelfde punt. De ellende van het materiële bestaan kan alleen door Kṛṣṇa-bewustzijn worden opgelost. Als we voortdurend in Kṛṣṇa-bewustzijn blijven, zullen we als we dit lichaam verlaten naar Kṛṣṇa's planeet worden overgebracht. Dat wordt de hoogste volmaaktheid genoemd.
De mensen kunnen zich natuurlijk afvragen: "Goed, u zegt dan dat toegang krijgen tot de planeet van Kṛṣṇa de hoogste volmaaktheid is, maar wij hebben interesse om naar de maan te gaan. Is dat dan geen vorm van volmaaktheid?" Wel, het verlangen om naar de hogere planeten te gaan is altijd in de geest van de mens aanwezig. Sarva-gata is zelfs een andere naam voor het levend wezen, die betekent dat hij overal naartoe wil reizen. Dat is de aard van het levend wezen. Amerikanen die veel geld hebben gaan vaak naar Europa, India of een ander land, omdat ze niet op één plaats willen vastroesten. Dat is onze aard, en daarom hebben we die interesse om naar de maan, of waar dan ook naartoe te gaan. Maar volgens Kṛṣṇa zijn we, zelfs als we de hogere planeten bereiken, nog steeds onderhevig aan de materiële ellende.
ābrahma-bhuvanāl lokāḥ
punar āvartino ’rjuna
mām upetya tu kaunteya
punar janma na vidyate
"Alle planeten in de materiële wereld, van de hoogste tot de laagste, zijn oorden van ellende waar geboorte en dood zich herhalen. Maar wie Mijn woonplaats bereikt, o zoon van Kuntī, wordt nooit meer geboren." (B.g. 8.16)
Het universum is onderverdeeld in veertien planetenstelsels (caturdaśa-bhuvana) zeven lagere en zeven hogere. De aarde bevindt zich in het midden. In dit vers zegt Śrī Kṛṣṇa ābrahmabhuvanāl lokāḥ: zelfs al gaat men naar de hoogste planeet, Brahmaloka, dan is er toch nog steeds geboorte en dood. De woorden punar āvartinaḥ betekenen "opnieuw terugkeren" of "herhaling van geboorte en dood". We verwisselen van lichaam zoals we van kleding verwisselen; we laten het ene lichaam achter en gaan een ander binnen. Alle planeten zijn vol levende wezens. We moeten niet denken dat alleen de aarde bewoond wordt. Er zijn ook levende wezens op de hogere en lagere planeten. Uit ervaring weten we dat geen plekje op de aarde zonder leven is. Graven we in de aarde, dan vinden we wormen, en gaan we het water in, dan treffen we daar vele waterdieren aan. De lucht is vol vogels, en analyseren we het heelal, dan zullen we ook daar vele levende wezens vinden. Het is niet logisch te concluderen dat er op andere planeten geen leven is. Integendeel, ze zijn vol met levende wezens.
Hoe dan ook, Kṛṣṇa zegt dat geboorte en dood zich op alle planeten herhalen, van de hoogste tot de laagste. En opnieuw, zoals in het vorige vers, zegt Hij mām upetya: “Bereik je Mijn planeet, dan hoef je niet naar deze ellendige materiële wereld terug te keren." Om dit punt te benadrukken, herhaalt Śrī Kṛṣṇa dat men bevrijd is van de kringloop van geboorte en dood en zich het eeuwige leven verwerft, zodra men Zijn eeuwige woonplaats, Goloka Vṛndāvana, bereikt. Het mensenleven is ervoor bedoeld deze problemen te begrijpen en een gelukzalig, eeuwig leven vol van kennis te verkrijgen. Helaas hebben de mensen in dit tijdperk het doel van het leven uit het oog verloren. Waarom? Durāśayā ye bahir-artha-māninaḥ (Ś.B. 7.5.31). De mensen zijn door het geglinster van de materie in de val gelopen enorme wolkenkrabbers, fabrieken en politieke activiteiten. De mensen staan er niet bij stil dat het ze niet toegestaan is eeuwig in die wolkenkrabber te leven, hoe groot hij ook mag zijn. We dienen onze energie daarom niet te verspillen aan het bouwen van grote steden, maar haar te gebruiken om ons naar het Kṛṣṇa-bewustzijn te verheffen. Kṛṣṇa-bewustzijn is geen godsdienstige formule of een of andere geestelijke ontspanning; het is de belangrijkste factor van ons leven.
De mensen willen graag naar hogere planeten toe, omdat het genot daar duizenden malen groter is en de levensduur veel langer.
sahasra-yuga-paryantam
ahar yad brahmaṇo viduḥ
rātriṁ yuga-sahasrāntāṁ
te ’ho-rātra-vido janāḥ
De bestaansduur van de materiële universa is beperkt. Hij wordt geopenbaard in kringlopen of kalpa's. Een kalpa is een dag van Brahmā, en één dag van Brahmā bestaat uit duizend kringlopen van vier yuga's, of tijdperken: Satya, Tretā, Dvāpara en Kali. Het Satya-yuga wordt gekenmerkt door deugdzaamheid, wijsheid en godsdienst, en er is vrijwel geen onwetendheid en verdorvenheid. Dit yuga duurt 1.728.000 jaar. In het Tretā-yuga doet het verderf zijn intrede, en dit yuga duurt 1.296.000 jaar. In het Dvāpara-yuga is er een nog grotere afname van deugdzaamheid en godsdienst, en een toename van verdorvenheid. Dit yuga duurt 864.000 jaar. Uiteindelijk is er in het Kali-yuga (het yuga dat we nu al de laatste 5000 jaar meemaken) een overvloed aan strijd, onwetendheid, ongodsdienstigheid en verdorvenheid. Ware deugd bestaat vrijwel niet meer, en dit yuga duurt 432.000 jaar. In het Kali-yuga neemt het verderf uiteindelijk zo'n omvang aan, dat de Allerhoogste Heer bij de afloop ervan Zelf zal verschijnen als de Kalki-avatāra om de demonen te vernietigen, Zijn toegewijden te redden een nieuw Satya-yuga te beginnen. Dan begint het proces weer van voren af aan. Als deze vier yuga's zo duizend keer rondgaan, dan vormen ze één dag van Brahmā, de scheppende godheid in dit universum, en een zelfde aantal vormt zijn nacht. Brahmā leeft honderd van zulke “jaren" en dan sterft hij. Deze honderd "jaren" duren omgezet naar aardse maatstaven in totaal 311.040.000.000.000 jaar. Volgens deze berekeningen lijkt het leven van Brahmā fantastisch en oneindig, maar vanuit het oogpunt van de eeuwigheid is het net zo kort als een bliksemflits. In de Oceaan der Oorzaken verschijnen en verdwijnen er miljoenen Brahmā's als luchtbellen in de Atlantische Oceaan. Brahmā en zijn schepping maken allemaal deel uit van het materiële universum, en daarom veranderen ze voortdurend.
In het materiële universum is zelfs Brahmā niet vrij van het proces van geboorte, ouderdom, ziekte en dood. Brahmā bewijst echter rechtstreeks dienst aan de Allerhoogste Heer door dit universum te besturen, en daarom is hij onmiddellijk bevrijd. Verheven sannyāsi's worden naar Brahmaloka, de planeet van Brahmā bevorderd. Het is de hoogste planeet in het materiële universum en overleeft alle hemelse planeten in de hoogste sferen van het planetenstelsel, maar als de tijd daar is, dan vallen Brahmā en alle andere bewoners van Brahmaloka, volgens de wetten der natuur, eveneens ten prooi aan de dood. Dus zelfs als we miljoenen en biljoenen jaren leven moeten we sterven. We kunnen de dood niet ontlopen. Zoals in het volgende vers beschreven wordt, vindt het proces van schepping en vernietiging plaats in het hele universum:
avyaktād vyaktayaḥ sarvāḥ
prabhavanty ahar-āgame
rātry-āgame pralīyante
tatraivāvyakta-saṁjñake
"Alle levende wezens komen uit de ongeopenbaarde toestand tevoorschijn als Brahma's dag aanbreekt, en gaan er vervolgens, als de nacht valt, weer in op." (B.g. 8.18)
Tenzij men naar de geestelijke ruimte gaat, kan men dit proces van geboorte en dood, schepping en vernietiging, niet ontlopen. Telkens als er een dag van Brahmā voorbij is, worden al deze planetenstelsels onder water gezet, en wanneer Brahmā opstaat vindt de schepping plaats. Het woord ahar betekent "tijdens de dag", en dat zijn twaalf uren van het leven van Brahmā. In deze tijd is deze materiële openbaring met al deze planeten zichtbaar, maar is het nacht, dan zijn ze allemaal onder water gedompeld, wat inhoudt dat ze vernietigd zijn. Het woord rātry-āgame betekent “als de nacht valt". Gedurende deze periode zijn alle planeten onzichtbaar, omdat ze door water overspoeld zijn. Deze voortdurende verandering is kenmerkend voor de materiële wereld.
bhūta-grāmaḥ sa evāyaṁ
bhūtvā bhūtvā pralīyate
rātry-āgame ’vaśaḥ pārtha
prabhavaty ahar-āgame
"Telkens weer, o zoon van Pṛthā, vinden alle levende wezens hun bestaan als Brahma's dag aanbreekt en worden ze hulpeloos vernietigd als Brahma's nacht valt." (B.g. 8.19)

Hoewel we geen vernietiging willen, kan het niet vermeden worden. 's Nachts wordt alles overspoeld, en als de dag aanbreekt verdwijnt het water geleidelijk. Deze planeet is bijvoorbeeld voor drievierde met water bedekt. Geleidelijk aan verschijnt er meer land, en er zal een dag komen waarop al het water verdwenen is en er slechts land overblijft. Dat is hoe de natuur werkt.
paras tasmāt tu bhāvo ’nyo
’vyakto ’vyaktāt sanātanaḥ
yaḥ sa sarveṣu bhūteṣu
naśyatsu na vinaśyati
"Er is echter ook een andere ongeopenbaarde natuur, die eeuwig is en aan deze geopenbaarde en ongeopenbaarde materie ontstegen. Ze is de hoogste en wordt nimmer vernietigd. Wanneer alles in deze wereld vernietigd wordt, blijft dat deel zoals het is." (B.g. 8.20)
We zijn niet in staat de lengte en breedte van dit universum te berekenen. In deze materiële wereld zijn er miljoenen en nog eens miljoenen universa zoals het onze, en buiten deze materiële wereld is er de geestelijke ruimte, waar de planeten allemaal eeuwig zijn. Ook het leven op die planeten is eeuwig. Deze materiële openbaring beslaat slechts een kwart van de totale schepping. Ekāṁśena sthito jagat. Ekāṁśena betekent "één vierde”. Drievierde van de schepping bevindt zich buiten deze materiële ruimte, die door een omhulsel van de rest afgescheiden is. Men kan de geestelijke ruimte alleen maar betreden door dit omhulsel, dat zich over vele miljoenen kilometers uitstrekt, te doordringen. Dat is de open ruimte, de eeuwige ruimte. Er staat in dit vers, paras tasmāt tu bhāvo 'nyaḥ: "Er is echter ook een andere ongeopenbaarde natuur." Wij kennen alleen deze materiële natuur, maar uit de Bhagavad-gītā kunnen we leren dat er ook een geestelijke natuur is, die transcendentaal en eeuwig is. We behoren feitelijk tot die geestelijke natuur omdat we geest zijn, maar vanwege de bedekking door dit materiële lichaam zijn we nu een combinatie van materie en geest. Net zoals we kunnen begrijpen dat we een combinatie zijn van beide naturen, dienen we ook te begrijpen dat er buiten dit materiële universum een geestelijke wereld is. De geestelijke natuur wordt hoger genoemd en de materiële lager, omdat materie zonder geest niet kan bewegen.
Dit kunnen we niet met experimentele kennis begrijpen. We kunnen door een telescoop naar vele miljoenen sterren kijken, maar wat we zien kunnen we niet benaderen. Zo zijn ook onze zintuigen zo ontoereikend, dat we een begrip van de geestelijke natuur niet eens kunnen benaderen. Omdat we er niet toe in staat zijn, moeten we God en Zijn koninkrijk niet door middel van experimentele kennis proberen te begrijpen. We moeten daarentegen inzicht verwerven door naar de Bhagavad-gītā te luisteren. Er is geen andere manier. Willen we weten wie onze vader is, dan moeten we gewoon geloven wat onze moeder zegt. Buiten haar kunnen we er op geen andere manier achter komen. Op dezelfde manier moeten we de informatie aanvaarden die ons in de Bhagavad-gītā gegeven wordt om te begrijpen wie God is en wat Zijn aard is. Er is geen sprake van experimenteren. Zodra we in Kṛṣṇa-bewustzijn vorderen, zullen we God en Zijn aard realiseren. Dan kunnen we tot het inzicht komen: "Ja, er is een God en een geestelijk koninkrijk, en dat is waar ik heen moet gaan. Ik moet me daar zelfs op voorbereiden."
Het woord vyakta betekent “geopenbaard”. Dit materiële universum wat we zien (of gedeeltelijk zien) is geopenbaard. We kunnen in ieder geval 's nachts zien dat er sterren schitteren en dat er ontelbare planeten zijn. Maar buiten deze vyakta is er een andere natuur, die avyaktam genoemd wordt en ongeopenbaard is. Dat is de geestelijke natuur, die sanatana, of eeuwig is. Deze materiële natuur heeft een begin en een einde, maar de geestelijke natuur heeft dat niet. Deze materiële ruimte bevindt zich binnen de omhulling van het mahat-tattva, de materie. Deze materie is als een wolk. Als het stormt, lijkt het alsof de hele hemel met wolken bedekt is, maar in werkelijkheid is slechts een onbeduidend deeltje van de hemel bedekt. Het lijkt er voor ons op dat de hele hemel bedekt is, omdat we heel erg klein zijn. Zodra de wind de wolken verdrijft, kunnen we de hemel weer zien. Net als de wolken heeft dit mahat-tattva omhulsel een begin en een eind. Zo heeft ook het materiële lichaam, omdat het deel uitmaakt van de materiële natuur, een begin en een eind. Het lichaam wordt geboren, groeit, is enige tijd aanwezig, laat wat bijproducten achter, kwijnt weg en verdwijnt. Wat voor materiële openbaring we ook kunnen zien, ze ondergaat deze zes basisvormen van verandering. Wat er ook in deze materiële natuur bestaat, zal uiteindelijk verdwijnen. Hier vertelt Kṛṣṇa ons echter dat er buiten deze verdwijnende, wolkachtige materiële natuur een hogere natuur is, die sanātana, eeuwig is. Yaḥ sa sarveṣu bhūteṣu naśyatsu na vinaśyati. Die geestelijke ruimte blijft bestaan als deze materiële openbaring vernietigd wordt. Dit wordt avyakto 'vyaktāt genoemd.
In het tweede canto van het Śrīmad-Bhāgavatam vinden we een beschrijving van de geestelijke ruimte en degenen die er wonen. Tevens worden de aard en kenmerken van deze ruimte besproken. Uit dit tweede canto kunnen we opmaken dat er in de geestelijke ruimte geestelijke vliegtuigen zijn en dat de bewoners die allemaal bevrijd zijn er met die vliegtuigen als een bliksem door de geestelijke ruimte reizen. Deze materiële wereld is gewoon een imitatie; alles wat we hier aantreffen is een afspiegeling van wat zich daar bevindt. De materiële wereld is als een bioscoop, waar we niet meer te zien krijgen dan een imitatie of afspiegeling van datgene wat werkelijk bestaat. Deze materiële wereld is slechts een schaduw. In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.1.1) staat, yatra tri-sargo 'mṛṣā: “Deze begoochelende materiële wereld is een combinatie van materie." We zien regelmatig etalagepoppen, maar geen enkel normaal mens denkt dat deze etalagepoppen echte mensen zijn. Hij ziet dat het imitaties zijn. Zo kunnen ook de dingen die we hier zien mooi zijn zoals de etalagepop mooi kan zijn – maar het is slechts een imitatie van de werkelijke schoonheid die men aantreft in de geestelijke wereld. Śridhara Svāmī zegt, yat satyatayā mithyā sargo 'pi satyavat pratīyate: de geestelijke wereld is werkelijk en de materiële wereld lijkt alleen maar werkelijk. We dienen te begrijpen dat werkelijkheid nooit verdwijnt en dat werkelijkheid in wezen eeuwigheid betekent. Daarom is materiële vreugde, die tijdelijk is, niet werkelijk. Werkelijke vreugde bestaat in Kṛṣṇa. Dientengevolge nemen degenen die naar werkelijkheid zoeken geen deel aan deze schaduwvreugde.
Die geestelijke natuur blijft dus eeuwig bestaan als alles in de materiële wereld vernietigd wordt, en daarom bestaat het doel van het menselijk leven eruit deze geestelijke natuur te bereiken. Jammer genoeg zijn de mensen zich niet bewust van de realiteit van de geestelijke ruimte. Volgens het Śrīmad-Bhāgavatam (7.5.31, na te viduḥ svārtha-gatiṁ hi viṣṇum) kennen de mensen hun eigenbelang niet. Ze weten niet dat het mensenleven ervoor bedoeld is inzicht te krijgen in de geestelijke realiteit en zich erop voor te bereiden naar die realiteit te worden overgebracht. Niemand kan hier in deze materiële wereld achterblijven. Alle vedische literatuur wijst ons op hetzelfde. Tamasi mā jyotir gama: “Blijf niet in dit duister achter, ga naar het licht." Volgens het vijftiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (15.6):
na tad bhāsayate sūryo
na śaśāṅko na pāvakaḥ
yad gatvā na nivartante
tad dhāma paramaṁ mama
"Die allerhoogste woonplaats van Mij wordt niet door zon of maan verlicht, noch door vuur of elektriciteit. Degenen die haar bereiken keren nimmer naar deze materiële wereld terug. Deze materiële wereld is van nature duister en wordt op een kunstmatige manier met elektrisch licht, vuur, enz. verlicht. Hoe dan ook, haar aard is duister, terwijl de geestelijke natuur vol licht is. Is de zon er, dan is er geen duisternis, en op dezelfde manier verlicht iedere planeet in de geestelijke ruimte zichzelf. Daarom is er geen duisternis en is er tevens geen behoefte aan zon, maan of elektriciteit. Het woord sūryo betekent "zon", het woord śaśānko “maan” en het woord pāvakaḥ “vuur” of "elektriciteit". In de geestelijke wereld zijn ze dus niet nodig voor verlichting. En hier zegt Kṛṣṇa opnieuw, yad gatvā na nivartante tad dhāma paramaṁ mama: “Dat is Mijn allerhoogste woonplaats, en wie haar bereikt keert nimmer naar deze materiële wereld terug." In de Bhagavad-gītā keert dit iedere keer weer terug. Nog eens, hier in het achtste hoofdstuk (B.g. 8.21):
avyakto ’kṣara ity uktas
tam āhuḥ paramāṁ gatim
yaṁ prāpya na nivartante
tad dhāma paramaṁ mama
"Die plaats, die de vedāntisten beschrijven als ongeopenbaard en onfeilbaar, die bekendstaat als de allerhoogste bestemming en waarvan men, na haar bereikt te hebben, nimmer terugkeert dat is Mijn allerhoogste woonplaats." Opnieuw wordt hier het woord avyakta, "ongeopenbaard", gebruikt. Het woord akṣara betekent "dat wat nimmer vernietigd wordt" of "dat wat onfeilbaar is". Dit betekent dat de allerhoogste woonplaats niet aan de eerder genoemde zes veranderingen onderhevig is, omdat ze eeuwig is.
Omdat we op dit moment door een gewaad van materiële zintuigen bedekt zijn, kunnen we de geestelijke wereld niet zien en de geestelijke natuur niet begrijpen. Toch kunnen we voelen dat er iets geestelijks aanwezig is. Zelfs iemand die helemaal niets van de geestelijke natuur afweet kan haar aanwezigheid op een of andere manier voelen. Men hoeft slechts stilletjes zijn lichaam te analyseren: "Wat ben ik? Ben ik deze vinger? Ben ik dit lichaam? Ben ik dit haar? Nee, dit ben ik niet en dat ben ik niet. Ik ben iets anders dan dit lichaam. Ik ben iets dat aan het lichaam ontstegen is. Wat is dat? Dat is ziel." Op deze manier kunnen we de aanwezigheid van iets geestelijks in deze materie voelen. Is een lichaam dood, dan kunnen we de afwezigheid van de ziel bespeuren. Als we getuige zijn van een sterfgeval, kunnen we constateren dat iets het lichaam verlaat. Dat iets is de ziel, hoewel we de ogen missen om dat te zien. Haar aanwezigheid in het lichaam wordt in het begin van de Bhagavad-gītā (2.17) uitgelegd:
avināśi tu tad viddhi
yena sarvam idaṁ tatam
vināśam avyayasyāsya
na kaścit kartum arhati
"Je moet weten dat hetgeen waarvan het hele lichaam doordrongen is onvernietigbaar is. Niemand is in staat die onvergankelijke ziel te vernietigen."
Het geestelijk bestaan is eeuwig, terwijl het lichaam dat niet is. Er wordt gezegd dat de geestelijke sfeer avyakta, ongeopenbaard is. Hoe kan het dan voor ons geopenbaard zijn? Het proces van Kṛṣṇa-bewustzijn is er nu juist voor om het ongeopenbaarde te openbaren. De Padma Purāṇa zegt:
ataḥ śrī-kṛṣṇa-nāmādi
na bhaved grāhyam indriyaiḥ
sevonmukhe hi jihvādau
svayam eva sphuraty adaḥ
"Niemand kan Kṛṣṇa door middel van zijn afgestompte materiële zintuigen begrijpen zoals Hij is. Maar Hij onthult Zich aan Zijn toegewijden, omdat Hij tevreden over hen is vanwege hun transcendentale liefdedienst aan Hem." In dit vers betekent het woord indriyaiḥ "de zintuigen". We bezitten vijf zintuigen om kennis mee te verwerven (de ogen, oren, neus, tong en huid) en vijf zintuigen om mee te handelen (de stem, handen, benen, geslachtsdelen en anus). Deze tien zintuigen worden bestuurd door de geest. In dit vers wordt gezegd dat we Kṛṣṇa's naam, gedaante, enz. met deze afgestompte materiële zintuigen niet kunnen begrijpen. Waarom niet? Kṛṣṇa is volledig geestelijk en tevens absoluut. Daarom zijn Zijn naam, gedaante, eigenschappen en toebehoren eveneens geestelijk. Vanwege materiële conditionering, of materiële gebondenheid, kunnen we op dit moment niet begrijpen wat geestelijk is, maar door het chanten van Hare Kṛṣṇa kan deze onwetendheid verwijderd worden. Als iemand slaapt, kan hij door geluidstrillingen gewekt worden. Je kan hem roepen: "Hé, het is tijd om op te staan!" Hoewel degene die slaapt onbewust is, is het gehoor zo prominent, dat men hem met geluidstrillingen kan wekken. Zo kan ook ons geestelijk bewustzijn, dat momenteel slaapt omdat het door deze materiële conditionering overweldigd is, door de transcendentale geluidstrilling van hare kṛṣṇa, hare kṛṣṇa, kṛṣṇa kṛṣṇa, hare hare / hare rāma, hare rāma, rāma rāma, hare hare worden gewekt. Zoals eerder uitgelegd is, verwijst hare naar de energie van de Heer en verwijzen rāma en kṛṣṇa naar de Heer Zelf. Als we Hare Kṛṣṇa chanten, bidden we dus: “O Heer, o energie van de Heer, aanvaard me alstublieft." We hebben geen ander gebed dan "Aanvaard me alstublieft". Heer Caitanya Mahaprabhu heeft ons geleerd dat we gewoon moeten schreeuwen en bidden dat de Heer ons aanvaardt. Zoals Heer Caitanya Mahaprabhu Zelf bad:
ayi nanda-tanuja kiṅkaraṁ
patitaṁ māṁ viṣame bhavāmbudhau
kṛpayā tava pāda-paṅkaja-
sthita-dhūlī-sadṛśaṁ vicintaya
"O Mijn Heer, o Kṛṣṇa, zoon van Mahārāja Nanda, Ik ben Uw eeuwige dienaar, maar ben vanwege Mijn eigen baatzuchtig handelen in deze gruwelijke oceaan van onwetendheid gevallen. Wees Me nu alstublieft grondeloos genadig en beschouw Me als een stofje aan Uw lotusvoeten." Als iemand in de oceaan gevallen is, is zijn enige kans op overleven dat iemand hem eruit haalt. Hij hoeft maar een centimeter boven het water getild te worden om zich onmiddellijk opgelucht te voelen. Op dezelfde manier worden wij opgetild en voelen we ons onmiddellijk opgelucht.
Aan het bestaan van het transcendente kan niet getwijfeld worden. De Bhagavad-gītā wordt door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Zelf gesproken, en daarom dient men Zijn woorden niet in twijfel te trekken. Het enige probleem is aan te voelen en te begrijpen wat Hij ons vertelt. Dat inzicht moet geleidelijk aan ontwikkeld worden, en die kennis wordt door het chanten van Hare Kṛṣṇa onthuld. Door dit eenvoudige proces zullen we het geestelijke koninkrijk, het zelf, de materiële wereld, God, de aard van onze conditionering, bevrijding van materiële gebondenheid en al het andere kunnen begrijpen. Dit wordt ceto-darpaṇa-mārjanam genoemd, het reinigen van de stoffige spiegel van de onzuivere geest.
Hoe dan ook, we moeten vertrouwen hebben in de woorden van Kṛṣṇa. Als we van Pan American of Air India een ticket kopen, dan vertrouwen we erop dat deze maatschappij ervoor zal zorgen dat we op onze bestemming zullen aankomen. Het vertrouwen ontstaat omdat de maatschappij geautoriseerd is. We moeten niet zomaar blind vertrouwen; we dienen datgene te aanvaarden wat erkend is. De Bhagavad-gītā wordt in India al duizenden jaren lang als gezaghebbend geschrift erkend, en zelfs buiten India hebben vele geleerden, godsdienstigen en filosofen de Bhagavad-gītā als gezaghebbend aanvaard. Er wordt gezegd dat zelfs een groot wetenschapper als Albert Einstein de Bhagavad-gītā regelmatig las. De authenticiteit van de Bhagavad-gītā moet dus niet betwijfeld worden.
Als Heer Kṛṣṇa zegt dat er een allerhoogste woonplaats is en dat we daar heen kunnen gaan, dan moeten we er dus op vertrouwen dat er zo'n woonplaats is. Vele filosofen denken dat de geestelijke wereld onpersoonlijk of leeg is. Impersonalisten als de sankariten en boeddhisten spreken doorgaans over de leegte of leegheid, maar de Bhagavad-gītā stelt ons niet op zo'n manier teleur. De filosofie van de leegte heeft slechts tot atheïsme geleid, omdat het de aard van het levend wezen is te willen genieten. Zodra hij denkt dat zijn toekomst leeg is, zal hij proberen van de gevarieerdheid van dit materiële leven te genieten. Impersonalisme leidt dus tot theoretische filosofische discussies en gehechtheid aan materieel genot. We mogen dan van speculatie genieten, maar er zal geen werkelijk geestelijk voordeel mee behaald kunnen worden.
Bhaktiḥ pareśānubhavo viraktir anyatra ca (S.B. 11.2.42). Hebben we de mentaliteit van toewijding eenmaal ontwikkeld, dan raken we onmiddellijk van allerlei soorten materieel genot onthecht. Als iemand die honger heeft eet, dan voelt hij onmiddellijke voldoening en zegt hij: “Nee, ik hoef niet meer. Ik ben voldaan.” Deze voldoening is een kenmerk van iemand die Kṛṣṇa-bewust is.
brahma-bhūtaḥ prasannātmā
na śocati na kāṅkṣati
samaḥ sarveṣu bhūteṣu
mad-bhaktiṁ labhate parām
"Wie op deze wijze transcendentaal gesitueerd is realiseert onmiddellijk het Allerhoogste Brahman en ervaart volkomen vreugde. Hij klaagt nooit en verlangt nergens naar. Hij stelt zich tegenover ieder levend wezen gelijk op. In die toestand verwerft hij zich zuivere toegewijde dienst aan Mij." (B.g. 18.54)
Zodra men geestelijk gerealiseerd is, voelt men zich volkomen voldaan en verlangt men niet langer naar onbestendig materieel genot. In het tweede hoofdstuk van de Bhagavadgītā (2.59) staat:
viṣayā vinivartante
nirāhārasya dehinaḥ
rasa-varjaṁ raso ’py asya
paraṁ dṛṣṭvā nivartate
"Het is mogelijk de belichaamde ziel in haar zingenot te beperken, maar de smaak voor zinsobjecten blijft bestaan. Staakt ze haar zingenot echter doordat ze een hogere smaak ervaart, dan is ze in bewustzijn verankerd." Een dokter kan een zieke mededelen: "Dit moet je niet eten, dat moet je niet eten, geen seks, geen dit, niet dat." Zo wordt een zieke gedwongen om zoveel dingen te aanvaarden die hij niet mag doen, maar bij zichzelf denkt hij: "O, kon ik alleen maar die dingen krijgen, dan zal ik gelukkig zijn.” Innerlijk blijft het verlangen bestaan. Is iemand echter Kṛṣṇa-bewust, dan is hij innerlijk zo sterk dat hij het verlangen niet voelt. Hoewel hij niet impotent is, wil hij geen seks. Hij kan drie keer trouwen en toch onthecht zijn. Param dṛṣṭvā nivartate. Krijgt men iets beters, dan geeft men vanzelf alle lagere dingen op. De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is dat betere, en atheïsme en impersonalisme kunnen ons dat niet geven. Hij kan alleen door zuivere toewijding bereikt worden.
puruṣaḥ sa paraḥ pārtha
bhaktyā labhyas tv ananyayā
yasyāntaḥ-sthāni bhūtāni
yena sarvam idaṁ tatam
"De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die groter is dan allen, kan door zuivere toewijding bereikt worden. Hoewel Hij Zich in Zijn woonplaats bevindt, is Hij alomtegenwoordig en bevindt alles zich in Hem." (B.g. 8.22)

De woorden puruṣaḥ sa paraḥ verwijzen naar de allerhoogste persoon, die groter is dan alle anderen. Dit is geen leegte die spreekt, maar een persoon die in het volle bezit is van alle kenmerken van persoonlijkheid. Zoals wij rechtstreeks met elkaar spreken, zo spreken we ook rechtstreeks met God als we de allerhoogste woonplaats bereiken. We kunnen met Hem spelen, eten en wat ook nog meer. Deze toestand kan men niet door speculatie bereiken, maar wel door transcendentale liefdedienst (bhaktyā labhyaḥ). De woorden tv ananyaya geven aan dat deze bhakti onvervalst moet zijn. Ze moet zuiver zijn.
Hoewel de Allerhoogste Persoonlijkheid een persoon is en Zich in Zijn verblijf in de geestelijke ruimte bevindt, is Hij zo wijdverspreid, dat alles zich in Hem bevindt. Hij is zowel vanbinnen als vanbuiten. God heeft, hoewel Hij overal aanwezig is, toch nog steeds een koninkrijk, Zijn verblijf. De zon mag dan met haar zonneschijn het hele universum doordringen, maar ze blijft een afzonderlijke entiteit.
In Zijn allerhoogste woonplaats heeft de Allerhoogste Heer geen mededinger. Waar we ons ook bevinden, er is altijd een overheersende persoonlijkheid. In de Verenigde Staten is dat de president. Hij krijgt echter vele mededingers als de volgende verkiezingen beginnen, terwijl de Heer in de geestelijke ruimte geen mededinger heeft. Wie mededinger wil worden, wordt onder de voorwaarden van de materiële natuur in deze materiële wereld geplaatst. In de geestelijke ruimte bestaat geen competitie, en al haar inwoners zijn bevrijde zielen. Uit het Śrīmad-Bhāgavatam leren we dat ze qua uiterlijk op God lijken. Op sommige van de geestelijke planeten openbaart God Zijn twee-armige gedaante, en op andere openbaart Hij een vierarmige gedaante. De levende wezens op die planeten hebben een overeenkomstig uiterlijk, en men kan niet onderscheiden wie God is en wie niet. Dit wordt sārūpya-mukti genoemd, de bevrijding waarbij men hetzelfde uiterlijk heeft als de Heer. Er zijn vijf soorten bevrijding: sāyujya, sārūpya, sālokya, sārṣṭi en sāmīpya. Sayujya-mukti betekent dat men opgaat in de onpersoonlijke stralengloed van God, de brahmajyoti. We hebben dit al besproken, en zijn tot de conclusie gekomen dat deze poging om op te gaan in de brahmajyoti en de individualiteit te verliezen niet gewenst is en tevens veel risico met zich meebrengt. Sārūpya-mukti betekent dat men precies hetzelfde lichaam krijgt als God. Sālokya-mukti betekent dat men op dezelfde planeet leeft als God. Sārṣṭi-mukti betekent dat men de volheden van God heeft. God is bijvoorbeeld erg machtig, en we kunnen net zo machtig worden als Hem. Dat wordt sārṣṭi genoemd. Sāmipya-mukti betekent dat men altijd bij God blijft als een van Zijn metgezellen. Arjuna is bijvoorbeeld altijd bij Kṛṣṇa als Zijn vriend, en dit wordt sāmīpya-mukti genoemd. We kunnen ieder van deze vijf vormen van bevrijding bereiken, maar van deze vijf wordt sāyujya-mukti, het opgaan in de brahmajyoti, door de vaiṣṇava-filosofie verworpen. Volgens de vaiṣṇava-filosofie aanbidden we God zoals Hij is en behouden we onze aparte identiteit voor altijd, zodat we Hem kunnen dienen. Volgens de māyāvāda-filosofie, het impersonalisme, probeert men zijn individuele identiteit kwijt te raken en op te gaan in het bestaan van de Allerhoogste. Dat is echter een zelfmoordbeleid en wordt niet door Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā aangeraden.
Dit werd eveneens verworpen door Caitanya Mahāprabhu, die een voorstander was van verering in gescheidenheid. Er werd al eerder uitgelegd dat een toegewijde niet eens bevrijd wil worden. Hij vraagt gewoon om geboorte na geboorte een toegewijde van Kṛṣṇa te mogen zijn. Dit is het gebed van Heer Caitanya Mahāprabhu, en de woorden "geboorte na geboorte" geven aan dat er geen sprake is van bevrijding. Dit betekent dat het de toegewijde niets kan schelen of hij nu bevrijd is of niet. Hij wil zich gewoon aan het Kṛṣṇa-bewustzijn wijden, de Heer dienen. Altijd in de transcendentale liefdevolle dienst aan God willen opgaan is een symptoom van zuivere toewijding. Hoewel hij in het materiële lichaam zit, verblijft een toegewijde natuurlijk altijd in het geestelijke koninkrijk; waar hij ook zijn mag. Van zijn kant verlangt hij geen van de vijf soorten bevrijding, noch enig iets voor zijn persoonlijke zinsbevrediging of gemak. Maar om met God op de geestelijke planeten om te gaan, moet men Zijn zuivere toegewijde worden.
Voor hen die geen zuivere toegewijden zijn, legt Heer Kṛṣṇa uit op welke momenten men het lichaam dient te verlaten om bevrijding te bereiken.
yatra kāle tv anāvṛttim
āvṛttiṁ caiva yoginaḥ
prayātā yānti taṁ kālaṁ
vakṣyāmi bharatarṣabha
"O beste der Bhārata's, Ik zal je nu de verschillende tijden uitleggen waarop men bij het verlaten van deze wereld al dan niet terugkeert." (B.g. 8.23)

In tegenstelling tot het Westen is het in India bij astrologen gebruikelijk om op het moment van iemands geboorte gedetailleerde berekeningen te maken van de astronomische toestand. Iemands horoscoop wordt niet alleen gelezen wanneer hij wordt geboren, maar zelfs wanneer hij sterft, zodat bepaald kan worden in welke situatie hij terecht zal komen in het volgende leven. Dit kan allemaal met behulp van astrologische berekeningen bepaald worden. In dit vers aanvaardt Heer Kṛṣṇa deze astrologische principes en bevestigt Hij dat men bevrijding bereikt als men op een bepaald tijdstip het lichaam verlaat. Men kan bevrijd worden als men op het ene moment sterft, of naar deze materiële wereld terugkeren als men op een ander moment sterft. Het is een kwestie van "toeval", maar op een of andere manier heeft men die kans. Voor de toegewijde is er echter geen sprake van toeval. Wat de astronomische toestand ook zijn mag, de toegewijde in Kṛṣṇa-bewustzijn is van bevrijding verzekerd. Voor anderen bestaat er de kans dat ze op het moment dat ze het lichaam verlaten bevrijding bereiken en het geestelijke koninkrijk binnengaan, of anders opnieuw geboren worden.
agnir jyotir ahaḥ śuklaḥ
ṣaṇ-māsā uttarāyaṇam
tatra prayātā gacchanti
brahma brahma-vido janāḥ
"Degenen die het Allerhoogste Brahman kennen, bereiken dat Allerhoogste door deze wereld te verlaten tijdens de invloed van de vuurgod, in het licht, op een gunstig moment van de dag, tijdens de veertien dagen van de wassende maan, of tijdens de zes maanden wanneer de zon in het noorden reist." (B.g. 8.24) Zoals we allemaal weten, beweegt de zon zich op verschillende plaatsen. Zes maanden bevindt ze zich ten noorden van de evenaar en zes maanden ten zuiden van de evenaar. Volgens vedische berekeningen beweegt de zon zich tevens voort, en uit het Śrīmad-Bhāgavatam leren we dat ze zich in het centrum van het universum bevindt. Net zoals alle planeten zich voortbewegen, beweegt ook de zon zich voort, en wel met een snelheid die berekend is op zo'n 25.000 kilometer per seconde. Sterft iemand terwijl de zon zich in het noordelijk gedeelte van de hemel bevindt, dan kan hij bevrijd worden. Dat is niet alleen het oordeel van de Bhagavad-gītā, maar tevens van andere geschriften.
dhūmo rātris tathā kṛṣṇaḥ
ṣaṇ-māsā dakṣiṇāyanam
tatra cāndramasaṁ jyotir
yogī prāpya nivartate
"De mysticus die deze wereld verlaat tijdens de rook, 's nachts, tijdens de veertien dagen van de afnemende maan, of tijdens de zes maanden wanneer de zon naar het zuiden trekt, bereikt de maanplaneet, maar komt weer terug." (B.g. 8.25) Niemand kan zeggen wanneer hij gaat sterven, en in die zin is het moment waarop men sterft dus toeval. Voor een toegewijde in Kṛṣṇabewustzijn bestaat zoiets als "toeval” echter niet.
śukla-kṛṣṇe gatī hy ete
jagataḥ śāśvate mate
ekayā yāty anāvṛttim
anyayāvartate punaḥ
"Volgens de vedische opvatting zijn er twee manieren waarop men deze wereld verlaat in het licht of in het duister. Gaat men heen in het licht, dan keert men niet terug; gaat men echter heen in het duister, dan keert men wel terug." (B.g. 8.26) Dezelfde beschrijving van heengaan en terugkeren wordt door Acarya Baladeva Vidyābhūṣaṇa geciteerd uit de Chandogya Upanisad (5.10.3-5). Zo blijven degenen die sinds onheuglijke tijden baatzuchtig werken en filosofisch speculeren voortdurend komen en gaan. In feite bereiken ze geen uiteindelijke verlossing, omdat ze zich niet aan Kṛṣṇa overgeven.
naite sṛtī pārtha jānan
yogī muhyati kaścana
tasmāt sarveṣu kāleṣu
yoga-yukto bhavārjuna
"Hoewel de toegewijden deze twee wegen kennen, o Arjuna, raken ze nimmer verward. Wees daarom altijd in toewijding verankerd." (B.g. 8.27) Hier bevestigt de Heer dat er geen "toeval" bestaat voor degene die bhakti-yoga beoefent. Zijn bestemming staat vast. Of hij nu sterft als de zon zich in het noorden of in het zuiden bevindt is niet belangrijk. Zoals we al eerder gezegd hebben, wordt men als men op het moment van de dood aan Kṛṣṇa denkt, onmiddellijk naar Kṛṣṇa's woonplaats overgebracht. Daarom zegt Kṛṣṇa tegen Arjuna dat hij altijd in Kṛṣṇa-bewustzijn moet blijven. Dit is mogelijk door het chanten van Hare Kṛṣṇa. Kṛṣṇa en Zijn koninkrijk verschillen niet van elkaar omdat ze absoluut zijn, en daarom zijn Kṛṣṇa en Zijn geluidstrilling hetzelfde. Door gewoon de naam van Kṛṣṇa te laten klinken, kunnen we met Kṛṣṇa omgaan. Als we op straat lopen en de naam van Kṛṣṇa chanten, dan is Kṛṣṇa bij ons. Als we buiten lopen en omhoogkijken, kunnen we zien dat de zon of de maan ons vergezelt. Vijftig jaar geleden was ik een gezinshoofd, en ik kan me herinneren dat ik samen met mijn tweede zoon, die toen ongeveer vier jaar oud was, op straat liep en dat hij me plotseling vroeg: "Vader, waarom gaat de maan met ons mee?"
Als een materieel object als de maan al de macht bezit om ons te vergezellen, dan kunnen we er zeker van zijn dat de Allerhoogste Heer, die almachtig is, altijd bij ons is. Omdat Hij almachtig is kan Hij ons altijd vergezellen, mits we natuurlijk ook gekwalificeerd zijn in Zijn gezelschap te verkeren. Zuivere toegewijden gaan voortdurend op in gedachten aan Kṛṣṇa en zijn zich er altijd van bewust dat Kṛṣṇa bij ze is. Heer Caitanya Mahāprabhu heeft de absolute aard van Kṛṣṇa bevestigd in Zijn Sikṣāṣṭaka (2):
nāmnām akāri bahudhā nija-sarva-śaktis
tatrārpitā niyamitaḥ smaraṇe na kālaḥ
etādṛśī tava kṛpā bhagavan mamāpi
durdaivam īdṛśam ihājani nānurāgaḥ
"O Heer, o Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Uw heilige naam bevat al het goed fortuin voor het levend wezen en daarom heeft U vele namen, zoals Kṛṣṇa en Govinda, waarmee U Zich expandeert. In die namen heeft U al Uw vermogens ondergebracht, en hoe men ze zich dient te herinneren is niet aan strenge regels gebonden. Mijn lieve Heer, hoewel U door zo vrijelijk Uw heilige namen te onderwijzen zo'n genade op de gevallen, geconditioneerde zielen laat neerdalen, ben Ik zo onfortuinlijk dat Ik overtredingen bega terwijl Ik de heilige naam chant, en daarom niet aan het chanten gehecht raak."
We zouden een grote hoeveelheid geld kunnen uitgeven om een tempel voor Kṛṣṇa te bouwen, maar als we dat doen dan moeten we vele regels in acht nemen en voor een goed tempelbeleid zorgen. Hier wordt echter bevestigd, dat iedereen gewoon door te chanten het voordeel van het gezelschap van Kṛṣṇa kan hebben. Zoals Arjuna er baat bij heeft zich op dezelfde strijdwagen te bevinden als Heer Kṛṣṇa, zo kunnen wij ook baat hebben bij het gezelschap van Kṛṣṇa door het chanten van Zijn heilige namen hare kṛṣṇa, hare kṛṣṇa, kṛṣṇa kṛṣṇa, hare hare hare rāma, hare rāma, rāma rāma, hare hare. Deze mahā-mantra is geen verzinsel van mij. Hij is erkend door Heer Caitanya Mahāprabhu, die niet alleen als een autoriteit wordt beschouwd, maar tevens als een incarnatie van Heer Kṛṣṇa Zelf. Het was Heer Caitanya Mahāprabhudie zei: “O Heer, U bent de mensen in deze materiële wereld zo gunstig gezind, dat U Zich in Uw heilige naam expandeert, zodat ze met U kunnen omgaan."
Hoewel de mahā-mantra Sanskriet is en veel mensen niet weten wat hij betekent, is hij toch zo aantrekkelijk dat de mensen meedoen als hij in het openbaar wordt gezongen. Chanten we de mahā-mantra, dan zijn we zelfs in deze zeer gevaarlijke situatie volkomen veilig. We dienen ons er altijd van bewust te zijn dat we ons in deze materiële wereld voortdurend in een gevaarlijke situatie bevinden. Het Śrīmad-Bhāgavatam bevestigt dit: padaṁ padaṁ yad vipadāṁ na teṣām. In deze wereld is er gevaar bij iedere stap. Het is echter niet de bedoeling dat de toegewijden van de Heer op deze ellendige, gevaarlijke plaats blijven. Daarom moeten we ervoor zorgen dat we, zolang we deze menselijke gedaante hebben, vooruitgang maken in Kṛṣṇa-bewustzijn. Dan is ons geluk verzekerd.