Default View
Dual Language

Hoofdstuk 8

Falen en slagen in yoga

Stel je voor dat ik mijn baan opgeef en me aan de beoefening van yoga wijd werkelijke yoga, zoals het hier door Heer Śrī Kṛṣṇa wordt uiteengezet en dat ik dan door een of andere oorzaak faal; dat ik het volledige proces dus niet op de juiste manier kan volbrengen. Wat is dan het resultaat? Dat is wat Arjuna nu vraagt:
arjuna uvāca
ayatiḥ śraddhayopeto
yogāc calita-mānasaḥ
aprāpya yoga-saṁsiddhiṁ
kāṁ gatiṁ kṛṣṇa gacchati
"Arjuna zei: O Kṛṣṇa, wat is de bestemming van de ongelukkige transcendentalist, die met vertrouwen aan het proces van zelfrealisatie begint, maar er later als gevolg van wereldsgezindheid van afziet en dus niet tot mystieke volmaaktheid komt?" (B.g. 6.37)
Het pad van zelfrealisatie, of mystiek, wordt beschreven in de Bhagavad-gītā. Het basisprincipe van zelfrealisatie is dat men weet dat men niet het lichaam is, maar ervan verschilt en dat ons geluk gelegen is in eeuwig leven, gelukzaligheid en kennis. Voordat we het punt van zelfrealisatie bereiken, moeten we maar gewoon aannemen dat we niet het lichaam zijn. Deze les wordt ons aan het begin van de Bhagavad-gītā geleerd: het levend wezen is niet dit materiële lichaam maar iets anders, en zijn geluk is gelegen in eeuwig leven.
Het is duidelijk dat dit leven niet eeuwig is. De perfectie van yoga betekent dat men zich een gelukzalig, eeuwig leven vol kennis verwerft. Alle yoga-systemen dienen met dit doel voor ogen uitgevoerd te worden. Men moet geen yoga-lessen volgen om wat gewicht kwijt te raken of het lichaam fit te houden voor zinsbevrediging. Dat is niet het doel van yoga, maar het wordt de mensen wel zo geleerd, omdat ze bedrogen willen worden. In feite blijft je lichaam altijd fit als je met lichamelijke oefening bezig bent. Er zijn vele manieren van lichamelijke oefening zoals gewichtheffen en andere sporten en ze helpen mee het lichaam fit te houden en gewicht te verliezen, en hebben een gunstige invloed op de spijsvertering. Het is dus niet nodig om daarvoor yoga te beoefenen. De werkelijke bedoeling achter de beoefening van yoga is dat men zich realiseert: "Ik ben niet dit lichaam." Ik wil eeuwig geluk, volledige kennis en eeuwig leven dat is het uiteindelijke doel van het ware yoga-systeem.
Het doel van yoga is transcendentaal; aan zowel lichaam als geest ontstegen. Er zijn drie paden waarlangs naar zelfrealisatie wordt gezocht: (1) het pad van kennis (jñāna); (2) het pad van het achtvoudige systeem; of (3) het pad van bhakti-yoga. In elk van deze methoden dient men het volgende te realiseren: de wezenlijke positie van het levend wezen, zijn relatie met God en de activiteiten waardoor hij de verloren gegane verbinding weer kan herstellen en het hoogste stadium van perfectie in Kṛṣṇa-bewustzijn kan bereiken. Welke van deze drie methoden men ook volgt, men kan er zeker van zijn dat het allerhoogste doel vroeg of laat bereikt wordt. Dit werd door de Heer in het tweede hoofdstuk verzekerd: zelfs een kleine inspanning op het transcendentale pad biedt een grote kans op bevrijding.
Van deze drie methoden is vooral bhakti-yoga het aangewezen pad voor dit tijdperk, omdat het de meest rechtstreekse methode van Godsrealisatie is. Om er dubbel van verzekerd te zijn, vraagt Arjuna Heer Kṛṣṇa Zijn eerdere verklaring te bevestigen. Men kan oprecht aan het pad van zelfrealisatie beginnen, maar het proces van ontwikkeling van kennis (jñāna) en de beoefening van het achtvoudige yoga-systeem zijn in dit tijdperk doorgaans erg moeilijk. Daarom kan men ondanks voortdurende inspanning om verschillende redenen toch falen. In de eerste plaats is het mogelijk dat men de regels van het proces niet werkelijk volgt. Het volgen van het transcendentale pad betekent min of meer dat we de oorlog verklaren aan de begoochelende energie. Aanvaarden we een methode van zelfrealisatie, dan verklaren we in feite de oorlog aan māyā, illusie, en māyā zal ons zeker veel obstakels in de weg leggen. Er is een kans op falen, en men dient daarom erg standvastig te worden. Zodra iemand uit de klauwen van de begoochelende energie probeert te ontsnappen, zal deze proberen hem met verschillende verlokkingen te verslaan. De geconditioneerde ziel is al in de val gelokt door de toestanden van de materiële energie en er bestaat alle kans om dat nogmaals te worden; zelfs als men transcendentale disciplines beoefent. Dit wordt yogāc calita-mānasaḥ genoemd: het afdwalen van het transcendentale pad. Arjuna is nieuwsgierig naar de resultaten van het afdwalen van het pad van zelfrealisatie.
Zoals de Bhagavad-gītā in het eerder aangehaalde vers (6.37) zegt, betekent yogāt "van de beoefening van yoga”, betekent calita "afwijking" en betekent mānasaḥ “geest”. Het is dus goed mogelijk dat de geest van de beoefening van yoga wordt afgeleid. We hebben allemaal wel de ervaring dat de geest soms zo verstoord is, dat we ons niet kunnen concentreren als we een boek lezen.
Arjuna stelt eigenlijk een zeer belangrijke vraag, daar men in alle vormen van yoga kan falen of het nu het achtvoudige yoga-systeem, het jñāna-yoga systeem van de speculatieve filosofie of het bhakti-yoga systeem van toegewijde dienst betreft. Op elk van deze paden kan men falen, en de resultaten hiervan worden in de volgende dialoog met Arjuna (B.g. 6.38-44) door Śrī Kṛṣṇa Zelf duidelijk uitgelegd. Arjuna vraagt hier:
kaccin nobhaya-vibhraṣṭaś
chinnābhram iva naśyati
apratiṣṭho mahā-bāho
vimūḍho brahmaṇaḥ pathi
"O sterkgearmde Kṛṣṇa, ontvalt zo iemand, die door verwarring van het transcendentale pad is afgedwaald, niet zowel het geestelijke als het materiële succes, en gaat hij niet verloren als een aan flarden gewaaide wolk, die zich in geen enkele sfeer meer kan bevinden?"
etan me saṁśayaṁ kṛṣṇa
chettum arhasy aśeṣataḥ
tvad-anyaḥ saṁśayasyāsya
chettā na hy upapadyate
“Dit is mijn twijfel, o Kṛṣṇa, en ik vraag Je deze twijfel volledig weg te nemen. Behalve Jij is er niemand te vinden die deze twijfel teniet kan doen."
śrī-bhagavān uvāca
pārtha naiveha nāmutra
vināśas tasya vidyate
na hi kalyāṇa-kṛt kaścid
durgatiṁ tāta gacchati
"De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: O zoon van Pṛthā, een transcendentalist die zich op vrome activiteiten toelegt kent geen vernietiging, noch in deze wereld, noch in de geestelijke wereld; wie goed doet, Mijn vriend, wordt nimmer door kwaad overmand."
prāpya puṇya-kṛtāṁ lokān
uṣitvā śāśvatīḥ samāḥ
śucīnāṁ śrīmatāṁ gehe
yoga-bhraṣṭo ’bhijāyate
"Na vele, vele jaren van genieten op de planeten van de vrome levende wezens, wordt de yogī die het niet gehaald heeft geboren in een familie van rechtschapen mensen, of in een rijke, aristocratische familie."
atha vā yoginām eva
kule bhavati dhīmatām
etad dhi durlabhataraṁ
loke janma yad īdṛśam
"Of hij wordt [als hij het na een lange beoefening van yoga niet gehaald heeft] geboren in een familie van transcendentalisten, die zonder twijfel grote wijsheid bezitten. Zo'n geboorte is werkelijk zeldzaam in deze wereld."
tatra taṁ buddhi-saṁyogaṁ
labhate paurva-dehikam
yatate ca tato bhūyaḥ
saṁsiddhau kuru-nandana
"Wordt hij in zo'n familie geboren, dan wekt hij het goddelijk bewustzijn van zijn vorige leven op, en tracht hij opnieuw om verder vooruitgang te maken teneinde volledig succes te behalen, o zoon van Kuru."
pūrvābhyāsena tenaiva
hriyate hy avaśo ’pi saḥ
jijñāsur api yogasya
śabda-brahmātivartate
"Krachtens het goddelijk bewustzijn van zijn vorige leven raakt hij vanzelf tot de principes van yoga aangetrokken zelfs zonder ernaar op zoek te zijn. Zo'n weetgierige transcendentalist staat altijd boven de ritualistische principes van de geschriften."
Het doel van deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is de zuivering van het bewustzijn. Op dit moment bereiden we dit goddelijke bewustzijn voor, omdat het bewustzijn op het moment van de dood met ons meegaat. Het bewustzijn wordt uit het lichaam weggedragen zoals de geur van een bloem door de lucht wordt meegedragen. Wanneer we sterven valt dit lichaam, dat uit vijf elementen bestaat aarde, water, lucht, vuur en ether uit elkaar en keren de grove materialen terug naar de elementen. Of, zoals de christelijke Bijbel zegt, “Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren." In sommige samenlevingen wordt het lichaam verbrand, in andere wordt het begraven en in weer andere wordt het aan de dieren gegeven. In India verbranden de hindoes het lichaam en verandert het lichaam dus in as. As is slechts een andere vorm van aarde. Christenen begraven het lichaam, en na enige tijd in het graf verandert het lichaam uiteindelijk in stof, wat net als as niets anders is dan een andere vorm van aarde. Er zijn andere samenlevingen, zoals de Parsen in India, die het lichaam niet verbranden of begraven, maar het voor de gieren gooien; de gieren komen onmiddellijk om het lichaam op te eten, en zo verandert het lichaam uiteindelijk in ontlasting. Dit prachtige lichaam, waar we ons best voor doen om het te vertroetelen, zal dus uiteindelijk in ontlasting, as, of stof veranderen.
Op het moment van de dood dragen de fijnere elementen (geest, intelligentie en vals ego), die in gecombineerde vorm bewustzijn worden genoemd, de atomische ziel over naar een ander lichaam om naargelang het werk dat men verricht te lijden of te genieten. Ons bewustzijn wordt gevormd door ons handelen. Gaan we om met ontlasting, dan zal ons bewustzijn, wat als de lucht is, de geur van ontlasting met zich meedragen en ons op het moment van de dood dus naar een ongewenst lichaam overbrengen. Gaat het bewustzijn daarentegen langs rozen, dan zal het de geur van rozen met zich meedragen en zullen we dus naar een lichaam worden overgebracht waarin we van de resultaten van onze vroegere activiteiten kunnen genieten. Als we ons erin oefenen Kṛṣṇa-bewust te handelen, zal dat bewustzijn ons naar Kṛṣṇa dragen. Naargelang het bewustzijn worden er verschillende soorten lichamen ontwikkeld. Trainen we ons bewustzijn volgens de principes van yoga, dan zullen we dus een lichaam ontvangen waarin we yoga kunnen beoefenen. We zullen dan goede ouders krijgen en een kans om yoga te beoefenen, en zullen vanzelf in staat zijn het Kṛṣṇa-bewustzijn dat we in ons vorige lichaam beoefenden op te wekken. Daarom staat er in dit laatste vers: "Krachtens het goddelijk bewustzijn van zijn vorige leven raakt hij vanzelf tot de principes van yoga aangetrokken zelfs zonder ernaar op zoek te zijn." Het is daarom op dit moment onze plicht om goddelijk bewustzijn te ontwikkelen. Willen we een goddelijk leven, geestelijke verheffing en een eeuwig, gelukzalig leven vol kennis met andere woorden, als we terug naar huis, terug naar God willen gaan dan moeten we ons trainen in goddelijk bewustzijn, Kṛṣṇa-bewustzijn.
Door omgang (sargāt sañjāyate kāmaḥ) kan dit makkelijk gedaan worden. Door omgang met het goddelijke krijgen we een goddelijk bewustzijn, en door omgang met het demonische krijgen we een demonisch bewustzijn. Daarom dienen we ons bewustzijn, door juiste omgang met degenen die Kṛṣṇa-bewust zijn, zodanig te trainen dat het goddelijk wordt. Dat is de plicht van iemand die de menselijke levensvorm heeft, een levensvorm die ons de kans biedt ons volgende leven volkomen goddelijk te maken. Om dit te bereiken moeten we proberen in contact te komen met hen die goddelijk bewustzijn ontwikkelen.
prayatnād yatamānas tu
yogī saṁśuddha-kilbiṣaḥ
aneka-janma-saṁsiddhas
tato yāti parāṁ gatim
"En wanneer de yogi zich, van alle verontreinigingen schoongewassen, oprecht inspant om verdere vooruitgang te maken, dan wordt hij na vele, vele levens van oefenen volmaakt en bereikt hij uiteindelijk het allerhoogste doel." (B.g. 6.45) Zoals in dit vers wordt aangegeven is het maken van vooruitgang een kwestie van oefenen. Als een kind geboren wordt weet het niets af van roken of drinken, maar kan later door het gezelschap waarin hij verkeert een dronkaard of een roker worden. Het gezelschap waarin men verkeert is de belangrijkste factor. Sangāt sañjāyate kāmaḥ. Er zijn bijvoorbeeld vele handelsvennootschappen, en door lid van een bepaalde vennootschap te worden kan men zijn zaken goed laten draaien. Wat men ook onderneemt, het gezelschap waarin men verkeert is belangrijk. Voor het ontwikkelen van goddelijk bewustzijn hebben we de Internationale Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn opgericht, waar de methoden om tot goddelijk bewustzijn te komen onderwezen worden. In deze gemeenschap nodigen we iedereen uit om langs te komen en Hare Kṛṣṇa te chanten. Deze methode is niet moeilijk, en zelfs kinderen kunnen eraan deelnemen. Eerder verkregen kwalificaties zijn niet vereist; men hoeft niet in het bezit te zijn van een universiteitsdiploma of een doctoraat. Wij nodigen iedereen uit om zich bij deze gemeenschap aan te sluiten en Kṛṣṇa-bewust te worden.
De Allerhoogste Heer, God, is zuiver, en Zijn koninkrijk is dat ook. Wil men Zijn koninkrijk binnengaan, dan dient men dus ook zuiver te zijn. Dit is vrij normaal; willen we onderdeel gaan uitmaken van een bepaalde gemeenschap, dan moeten we aan bepaalde eisen voldoen. Willen we terugkeren naar huis, terug naar God, dan is er één eis waaraan we moeten voldoen we mogen niet meer materieel verontreinigd zijn. En wat is deze verontreiniging? Onbeperkte zinsbevrediging. Als we ons van de materiële verontreiniging van zinsbevrediging kunnen bevrijden, komen we ervoor in aanmerking het koninkrijk Gods binnen te gaan. En het proces waarmee we ons kunnen bevrijden, waarmee we deze verontreiniging kunnen wegwassen, wordt het yoga-systeem genoemd. Zoals al eerder uitgelegd werd, betekent yoga niet dat men vijftien minuten zit te mediteren en dan verdergaat met zinsbevrediging. Om van een bepaalde ziekte verlost te worden, dienen we de voorschriften van de dokter op te volgen. In het zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā wordt het yoga-proces aangeraden, en teneinde van de materiële verontreiniging verlost te worden moeten we de voorgeschreven methoden volgen. Slagen we daarin, dan kunnen we ons met de Allerhoogste verbinden.
Kṛṣṇa-bewustzijn is een methode om ons rechtstreeks met de Allerhoogste te verbinden. Dit is een speciaal geschenk van Heer Caitanya Mahāprabhu. Deze methode is niet alleen rechtstreeks en onmiddellijk, maar tevens praktisch. Hoewel veel van de mensen die zich bij deze gemeenschap aansluiten geen kwalificaties bezitten, zijn ze toch door gewoon met deze gemeenschap in aanraking te zijn ver gevorderd in Kṛṣṇabewustzijn. In dit tijdperk is het leven van korte duur en een methode van yoga die erg veel tijd in beslag neemt zal de mensen in het algemeen niet veel helpen. In Kali-yuga zijn de mensen erg onfortuinlijk en is het milieu waarin men verkeert erg slecht. Daarom wordt deze methode van het rechtstreeks in contact komen met de Allerhoogste aangeraden - hari-nāma. Kṛṣṇa is in de gedaante van Zijn transcendentale naam aanwezig en we kunnen onmiddellijk met Hem in contact komen door naar Zijn naam te luisteren. Door gewoon de naam Kṛṣṇa te horen, worden we meteen van onze materiële verontreiniging verlost.
In het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (7.28) wordt gezegd:
yeṣāṁ tv anta-gataṁ pāpaṁ
janānāṁ puṇya-karmaṇām
te dvandva-moha-nirmuktā
bhajante māṁ dṛḍha-vratāḥ
"Degenen die in vorige levens en dit leven vroom gehandeld hebben en wier zondige handelingen volledig zijn uitgewist, zijn vrij van de dualiteiten der begoocheling en gaan ertoe over Mij vastberaden te dienen." Er wordt hier benadrukt dat men, vrij van dualiteit, volledig in Kṛṣṇa-bewustzijn verankerd moet zijn en zich alleen met vrome activiteiten moet inlaten. Daar de geest wispelturig is, zullen er altijd dualiteiten ontstaan. Men zal zich voortdurend afvragen: "Zal ik Kṛṣṇa-bewust worden of me met een ander bewustzijn bezighouden?" Dit soort problemen doen zich altijd voor, maar is men krachtens de vrome activiteiten uit een vorig leven gevorderd, dan zal zijn bewustzijn standvastig op één doel gericht zijn en zal men tot het besluit komen Kṛṣṇa-bewust te worden.
Of we nu in dit leven of in een vorig leven vroom gehandeld hebben doet er niet echt toe. Het chanten van Hare Kṛṣṇa is zo krachtig, dat we er onmiddellijk door gezuiverd worden. We dienen echter vastberaden te zijn niet verder in zondige activiteiten betrokken te raken. Daarom zijn er voor hen die in deze Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn geïnitieerd willen worden vier principes die gevolgd moeten worden: geen intoxicatie, geen ongeoorloofde seks, geen vlees eten en niet gokken. We zeggen niet: “Geen seks." We zeggen: “Geen ongeoorloofde seks." Wil je seks, dan trouw je en verwek je Kṛṣṇa-bewuste kinderen. Geen intoxicatie betekent zelfs geen thee of koffie om maar te zwijgen van andere soorten drugs. En er wordt tevens niet gegokt en geen vlees gegeten (vis en eieren daarbij inbegrepen). Door gewoon deze vier basisregels te volgen wordt men onmiddellijk gereinigd. Verdere inspanningen zijn niet nodig. Zodra men zich bij de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn aansluit en deze regels volgt, wordt de materiële verontreiniging meteen verwijderd, maar men dient wel voorzichtig te zijn zich niet opnieuw te verontreinigen. Daarom moeten deze regels zorgvuldig opgevolgd worden.
Materiële verontreiniging begint met deze vier slechte gewoonten, en zijn we in staat daarmee op te houden, dan is er geen sprake meer van verontreiniging. Daarom worden we vrij zodra we met Kṛṣṇa-bewustzijn beginnen. We moeten echter niet denken dat, omdat Kṛṣṇa-bewustzijn ons vrij maakt, we ons opnieuw met deze vier slechte gewoonten kunnen inlaten en dan weer vrij worden door te chanten. Dat is oplichterij en wordt niet toegestaan. Zijn we eenmaal vrij, dan moeten we ons ervan weerhouden opnieuw verontreinigd te worden. Men dient niet bij zichzelf te denken: "Ik zal wat drinken of ongeoorloofde seks hebben en dan chanten om mezelf hier weer van te bevrijden." Volgens sommige godsdienstige processen is het mogelijk dat men allerhande zonden kan begaan en hier dan van bevrijd kan worden door naar de kerk te gaan en te biechten. Daarom begaan de mensen zonden en biechten ze, begaan weer zonden en biechten weer, enz. Maar zo werkt het Kṛṣṇa-bewustzijn niet. Het is goed om vrij van zonden te zijn, maar bega ze niet opnieuw. Wat is anders de reden om te biechten? Als je biecht "Ik heb deze en deze zonden begaan", waarom zou je ze dan weer begaan? Als een dief bekent dat hij zakken heeft gerold, dan is hij krachtens zijn bekentenis bevrijd van zijn zonde, maar betekent dit dan dat hij weer verder moet gaan met zakkenrollen? Dit vereist een beetje intelligentie. Men moet er niet van uitgaan dat men, omdat men door te biechten van zijn zonden bevrijd raakt, gewoon verder moet gaan met zondigen, en dan biechten om ervan bevrijd te worden. Dat is niet de bedoeling van biechten.
We moeten daarom begrijpen dat we verontreinigd worden als we onbeperkt zondigen. We moeten oppassen dat we alleen maar volgens de regels seks hebben, alleen maar voorgeschreven voedsel eten dat op de juiste manier geofferd is en ons, zoals Kṛṣṇa Arjuna adviseerde, om de juiste reden verdedigen. Op die manier kunnen we verontreiniging vermijden en ons leven zuiveren. Als we tot op het moment van de dood een zuiver leven kunnen lijden, zullen we gegarandeerd naar het koninkrijk Gods worden overgebracht. Is men volledig Kṛṣṇa-bewust, dan keert men na het verlaten van het lichaam niet naar de materiële wereld terug. Dit wordt in het vierde hoofdstuk (B.g. 4.9) uitgelegd:
janma karma ca me divyam
evaṁ yo vetti tattvataḥ
tyaktvā dehaṁ punar janma
naiti mām eti so ’rjuna
"Wie de transcendentale aard van Mijn verschijnen en handelen kent, wordt na het verlaten van zijn lichaam niet opnieuw in deze materiële wereld geboren, maar bereikt Mijn eeuwige woonplaats, o Arjuna."
De yogi die het niet gehaald heeft keert terug in een goede familie of in een rechtschapen, rijke of aristocratische familie, maar wie volmaakt Kṛṣṇa-bewust is keert niet terug. Hij bereikt Goloka Vṛndāvana in de geestelijke ruimte. We moeten vastberaden zijn niet meer naar deze materiële wereld terug te willen keren, want we kunnen onszelf, ook al worden we in een rijke of aristocratische familie geboren, opnieuw degraderen door de goede kans die we hebben gekregen verkeerd te gebruiken. Waarom zouden we dat risico nemen? Het is veel beter om het proces van Kṛṣṇa-bewustzijn in dit leven te voltooien. Het is gemakkelijk te begrijpen en helemaal niet moeilijk toe te passen. We hoeven alleen maar aan Kṛṣṇa te blijven denken, en dan kunnen we er zeker van zijn dat onze volgende geboorte zal plaatsvinden in de geestelijke ruimte, in Goloka Vṛndāvana, het koninkrijk Gods.
tapasvibhyo ’dhiko yogī
jñānibhyo ’pi mato ’dhikaḥ
karmibhyaś cādhiko yogī
tasmād yogī bhavārjuna
"Een yogi is groter dan de asceet, groter dan de empiricus en groter dan de baatzuchtig werkende. O Arjuna, wees daarom onder alle omstandigheden een yogī.” (B.g. 6.46) Er zijn verschillende gradaties van leven in deze materiële wereld, maar leeft men volgens de principes van yoga, en in het bijzonder de principes van bhakti-yoga, dan leeft men het meest volmaakte leven dat er maar mogelijk is. Daarom zegt Kṛṣṇa tegen Arjuna: "Mijn beste vriend Arjuna, wees onder alle omstandigheden een yogi, en blijf een yogi."
yoginām api sarveṣāṁ
mad-gatenāntarātmanā
śraddhāvān bhajate yo māṁ
sa me yuktatamo mataḥ
"En van alle yogi's is degene die voortdurend met diep geloof in Mij verblijft, innerlijk aan Me denkt en Me transcendentale liefdedienst bewijst, het meest intiem met Mij in yoga verenigd en de hoogste van alle. Dat is Mijn mening." (B.g. 6.47) Er staat hier duidelijk dat er vele soorten yogi's zijn – aṣṭānga-yogi's, hatha-yogi's, jñāna-yogi's, karma-yogi's en bhakti-yogi's en dat van al die yogi's "degene die voortdurend met diep geloof in Mij verblijft” de grootste van alle is. "In Mij" betekent in Kṛṣṇa; wat inhoudt dat de grootste yogī altijd Kṛṣṇa-bewust is. Zo'n yogi “die voortdurend met diep geloof in Mij verblijft, innerlijk aan Me denkt en Me transcendentale liefdedienst bewijst, is het meest intiem met Mij in yoga verenigd en de hoogste van alle." Dit is de belangrijkste instructie van dit zesde hoofdstuk dat over sāṅkhya-yoga gaat. Wil men het hoogste niveau van yoga bereiken, dan dient men in Kṛṣṇa-bewustzijn te blijven.
Het Sanskriet woord bhajate, met zijn stam bhaj (bhajdhātu), betekent "dienst bewijzen". Maar wie bewijst er dienst aan Kṛṣṇa tenzij hij Zijn toegewijde is? In deze gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn bewijzen de toegewijden dienst zonder daarvoor betaald te worden. Ze doen het uit liefde voor Kṛṣṇa. Ze zouden ergens anders dienst kunnen verlenen en er duizenden guldens per maand voor kunnen krijgen, maar de dienst die hier bewezen wordt is liefdedienst (bhaj), die gebaseerd is op liefde voor God. Toegewijden bewijzen op vele verschillende manieren dienst tuinieren, typen, koken, schoonmaken, enz. Al deze activiteiten staan in verband met Kṛṣṇa en daarom neemt het Kṛṣṇa-bewustzijn vierentwintig uur per dag in beslag. Dat is de hoogste vorm van yoga. Dat is hoe men "Mij transcendentale liefdedienst bewijst." Zoals eerder vermeld werd, is het de perfectie van yoga om het bewustzijn in contact te houden met Visņu of Kṛṣṇa, de Allerhoogste Heer. Het is niet zo dat we opscheppen als we beweren dat zelfs een kind de grootste yogī kan worden door aan het Kṛṣṇa-bewustzijn deel te nemen; nee, dat is het oordeel van een gezaghebbend geschrift de Bhagavad-gītā. Deze woorden zijn niet door ons bedacht, maar speciaal verkondigd door Heer Śrī Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Zelf.
In feite verschillen verering en dienst enigszins van elkaar. Verering suggereert dat er een motief aanwezig is. Ik vereer een vriend of een belangrijk man, omdat ik er voordeel bij kan hebben als ik die persoon een plezier doe. Degenen die de halfgoden vereren, doen dat met een bijbedoeling, en dit wordt in het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (7.20) veroordeeld:
kāmais tais tair hṛta-jñānāḥ
prapadyante ’nya-devatāḥ
taṁ taṁ niyamam āsthāya
prakṛtyā niyatāḥ svayā
"Degenen die door materiële verlangens van hun verstand beroofd zijn, geven zich over aan de halfgoden en volgen de specifieke regels van verering al naargelang hun eigen aard." Wie door lust begoocheld is vereert de halfgoden met een motief, en daarom brengt verering de suggestie van een motief met zich mee. Dienst is echter verschillend, omdat er geen motief achter zit. Dienst wordt uit liefde bewezen, zoals een moeder louter uit liefde haar kind van dienst is. Iedereen kan het kind negeren, maar de moeder kan dit niet, omdat ze van het kind houdt. Bhaj-dhātu is hetzelfde in die zin dat er geen sprake is van een motief, maar dat dienst uit zuivere liefde wordt bewezen. Dat is de perfectie van Kṛṣṇa-bewustzijn.
Dit wordt tevens in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.6) aangeraden:
sa vai puṁsāṁ paro dharmo
yato bhaktir adhokṣaje
ahaituky apratihatā
yayātmā suprasīdati
"De allerhoogste activiteit (dharma) voor de gehele mensheid is die waardoor men tot liefdevolle toegewijde dienst aan de transcendentale Heer komt. Om het zelf volledige voldoening te schenken dient deze toegewijde dienst ongemotiveerd en zonder onderbreking te zijn." Yato bhaktir adhokṣaje. Het woord bhakti komt eveneens van de stam bhaj. Het criterium voor een eersteklas godsdienst is of we al dan niet onze liefde voor God ontwikkelen. Als we met een of andere bijbedoeling een godsdienst belijden, in de hoop zo onze materiële behoeften te kunnen vervullen, dan is onze godsdienst niet eersteklas maar derdeklas. Men dient te begrijpen dat een eersteklas godsdienst datgene is waarmee we onze liefde voor God kunnen ontwikkelen. Ahaituky apratihatā. Deze volmaakte godsdienst dient zonder bijbedoelingen of onderbrekingen beleden te worden. Dat is het yoga-systeem zoals het in het Śrīmad-Bhāgavatam en in dit zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā wordt aangeraden. Dat is de weg van het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Kṛṣṇa-bewustzijn wordt niet uitgevoerd met een of ander motief in gedachten. De toegewijden dienen Kṛṣṇa niet zodat Hij ze dan van het een of ander zal voorzien. Schaarste bestaat niet voor de toegewijde. Men moet niet denken dat men door Kṛṣṇa-bewust te worden arm wordt. Nee, is Kṛṣṇa er, dan is alles er, want Kṛṣṇa is alles. Dit houdt echter ook niet in dat we moeten proberen een handeltje met Kṛṣṇa aan te gaan en te eisen: "Kṛṣṇa geef me dit, Kṛṣṇa geef me dat." Kṛṣṇa weet beter dan wij en kent tevens onze motieven. Een kind stelt geen eisen aan zijn ouders: "Lieve vader, geef me dit en geef me dat." De vader weet wat het kind nodig heeft en daarom is er voor het kind geen reden om iets te vragen. Zo is het ook niet zo'n goed idee om God van alles te vragen. Waarom zouden we om iets vragen? Als God alwetend en almachtig is, dan weet Hij precies wat we willen en wat we nodig hebben, en kan Hij het ons geven. Dit wordt bevestigd in de Veda's. Eko bahūnāṁ yo vidadhāti kāmān: "De ene almachtige God voorziet miljoenen en triljoenen levende wezens van alles wat ze nodig hebben." Omdat we al in onze behoeften zijn voorzien, hoeven we God nergens om te vragen. De voorraad is al aanwezig. Wij moeten gewoon proberen van God te houden. Zelfs de katten en honden worden in hun levensbehoeften voorzien zonder dat ze naar de kerk gaan en God erom vragen. Als katten en honden al krijgen wat ze nodig hebben zonder God erom te vragen, waarom zouden de toegewijden dan niet krijgen wat ze nodig hebben? Daarom moeten we niets van God vragen en gewoon van Hem proberen te houden. Dan zal alles vervuld worden en zullen we het hoogste niveau van yoga hebben bereikt.
We kunnen in de praktijk zien hoe de verschillende lichaamsdelen het lichaam van dienst zijn. Heb ik ergens jeuk, dan krabben de vingers onmiddellijk. Wil ik iets zien, dan kijken de ogen onmiddellijk. Wil ik ergens naartoe gaan, dan dragen de benen me daar onmiddellijk naartoe. Zoals ik dienst ontvang van de verschillende delen van mijn lichaam, zo ontvangt God dienst van alle delen van Zijn schepping. God hoeft niet te dienen. Als de ledematen van het lichaam het hele lichaam van dienst zijn, zullen ze vanzelf energie ontvangen. Op dezelfde manier zullen wij alle benodigdheden, alle energie, ontvangen als we Kṛṣṇa dienen.
Het Śrīmad-Bhāgavatam bevestigt dat we allemaal integrerende deeltjes van de Allerhoogste zijn. Als een lichaamsdeel niet regelmatig dienst verleent, dan bezorgt het pijn aan het lichaam, en als iemand geen dienst aan de Allerhoogste Heer verleent, dan bezorgt hij de Allerhoogste Heer alleen maar pijn en moeite. Daarom moet zo iemand lijden, net zoals een misdadiger moet lijden als hij zich niet aan de wetten van de staat houdt. Zo'n misdadiger mag dan denken “Ik ben heel erg braaf", maar omdat hij de wetten van de staat schendt bezorgt hij de staat problemen, en als gevolg daarvan wordt hij door de staat gevangengezet. Zijn levende wezens de Allerhoogste Heer tot last, dan verzamelt Hij ze en brengt Hij ze naar de materiële wereld. In feite zegt Hij: "Leven jullie hier maar. Jullie verstoren allemaal de schepping, daarom zijn jullie misdadigers en moeten jullie in deze materiële wereld leven." Sthānād bhraṣṭāḥ patanty adhaḥ: "Men valt vanuit zijn wezenspositie naar beneden." Als een vinger door een bepaalde ziekte is aangetast, dient hij geamputeerd te worden om te voorkomen dat hij het hele lichaam aantast. Omdat we tegen de principes van het Godsbewustzijn in opstand zijn gekomen, zijn we van onze oorspronkelijke positie afgesneden. We zijn gevallen. Om in onze oorspronkelijke positie terug te keren moeten we onze dienst aan de Allerhoogste Heer weer opnemen. Dat is het volmaakte medicijn. Anders zal ons lijden voortduren en zal God vanwege ons ook lijden. Als ik een vader ben en mijn zoon is slecht, dan lijden zowel mijn zoon als ik. Zo zijn we allemaal zonen Gods en als we God pijn bezorgen, dan bezorgen we onszelf ook pijn. De beste richting die we uit kunnen gaan is het opwekken van ons oorspronkelijke Kṛṣṇa-bewustzijn en het dienen van de Heer. Dat is ons natuurlijk leven, en dat is mogelijk in de geestelijke ruimte, Goloka Vṛndāvana.
Eigenlijk betekent het woord avajānanti “veronachtzamen". Dit betekent dat men denkt: "Wat God? Ik ben God. Waarom zou ik God dienen?" Dat is hetzelfde als een misdadiger die denkt: "Wat regering? Ik kan mijn eigen zaakjes wel regelen. De regering interesseert me geen moer." Dit wordt avajānanti genoemd. We kunnen op deze manier spreken, maar de politie is er om ons te straffen. Op dezelfde manier is de materiële natuur er om ons te straffen met de drie soorten ellende. Deze ellenden zijn bedoeld voor die schoften die avajānanti, zich niets van God aantrekken, of die de betekenis van God licht opvatten en zeggen: "Ik ben God, jij bent God."
Vooruitgang in yoga vindt dus over het geheel genomen geleidelijk plaats. Eerst beoefent men karma-yoga, wat naar gewone baatzuchtige activiteit verwijst. Onder gewone activiteiten verstaan we ook zondige activiteiten. Karma-yoga sluit deze activiteiten echter uit. Karma-yoga verwijst alleen naar goede en vrome activiteiten, of naar voorgeschreven activiteiten. Na het beoefenen van karma-yoga komt men op het niveau van jñāna-yoga, kennis. Van het niveau van kennis bereikt men deze aṣṭānga-yoga, het achtvoudige yoga-systeem dhyāna, dhāraṇā, prāṇāyāma, āsana, enz. en als men zich op Viṣṇu concentreert, komt men van aṣṭānga-yoga tot het punt van bhakti-yoga. Bhakti-yoga is het stadium van volmaaktheid, en beoefent men Kṛṣṇa-bewustzijn, dan bereikt men dit stadium al vanaf het begin. Dat is de rechtstreekse methode.
Wie jñāna-yoga beoefent en denkt dat hij daarmee het hoogste heeft bereikt, maakt een vergissing. Hij moet meer vooruitgang maken. Als we op een trap staan en naar de honderdste verdieping willen, maken we een vergissing als we op de dertigste verdieping komen en denken dat we er dan al zijn. Zoals eerder uitgelegd is kan het hele yoga-systeem vergeleken worden met een trap die ons met God verbindt. Teneinde de top, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, te bereiken, moeten we ons naar het hoogste niveau begeven, en dat is bhakti-yoga.
Maar waarom zouden we die hele trap oplopen als we met de lift kunnen gaan? Met een lift is het slechts een kwestie van seconden om de top te bereiken. Bhakti-yoga is deze lift, de rechtstreekse methode waarmee men de top in een kwestie van seconden kan bereiken. We kunnen het stap voor stap doen, door alle andere yoga-systemen te volgen, of rechtstreeks. Omdat de mensen in dit Kali-yuga een korte levensduur hebben en altijd verstoord en angstig zijn, heeft Heer Caitanya Mahāprabhu ons vanuit Zijn grondeloze genade de lift geschonken waarmee we onmiddellijk het niveau van bhakti-yoga kunnen bereiken. Die rechtstreekse methode is het chanten van Hare Kṛṣṇa, en dat is het bijzondere geschenk van Heer Caitanya Mahāprabhu. Daarom brengt Śrīla Rūpa Gosvāmī Heer Caitanya Mahāprabhu zijn eerbetuigingen, namo mahāvadānyāya kṛṣṇa-prema-pradaya te: “Omdat U rechtstreeks liefde voor Kṛṣṇa geeft, bent U de meest vrijgevige incarnatie. Om zuivere liefde voor Kṛṣṇa te krijgen moet men door zoveel stadia van yoga heen, maar U geeft deze liefde rechtstreeks, en daarom bent U de meest vrijgevige."
In het achttiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (18.55) staat:
bhaktyā mām abhijānāti
yāvān yaś cāsmi tattvataḥ
tato māṁ tattvato jñātvā
viśate tad-anantaram
"Alleen door toegewijde dienst kan men Mij kennen zoals Ik ben, als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. En als men zich door dergelijke toewijding volledig van Mij bewust is, kan men het koninkrijk Gods binnengaan." De andere yogasystemen moeten met bhakti vermengd zijn, maar bhakti-yoga is zuivere toewijding. Het is dienst zonder bijbedoeling. Over het algemeen bidden mensen met een of ander zelfzuchtig motief, maar we zouden alleen maar voor meer toegewijde Dienst moeten bidden. Heer Caitanya Mahāprabhu heeft ons geleerd dat we niet voor materiële zaken moeten bidden. In het begin citeerden we Heer Caitanya Mahāprabhu's volmaakte gebed:
na dhanaṁ na janaṁ na sundarīṁ
kavitāṁ vā jagad-īśa kāmaye
mama janmani janmanīśvare
bhavatād bhaktir ahaitukī tvayi
"O Heer van het universum, Ik verlang geen materiële rijkdom, materialistische volgelingen, een prachtige vrouw of in bloemrijke taal beschreven baatzuchtige activiteiten. Het enige wat Ik wil is ongemotiveerde toegewijde dienst aan U, geboorte na geboorte." (Sikṣāṣṭaka 4) In dit vers spreekt Caitanya Mahāprabhu de Allerhoogste Heer aan als Jagadiśa. Jagat betekent “universum" en isa betekent “bestuurder". De Allerhoogste Heer is de bestuurder van het universum. Iedereen kan dit begrijpen, en daarom spreekt Caitanya Mahāprabhu de Allerhoogste Heer aan als Jagadīśa in plaats van Kṛṣṇa of Rāma. In de materiële wereld vinden we vele bestuurders en is het dus logisch dat er een bestuurder van het hele universum is. Caitanya Mahāprabhu bidt niet om rijkdom, volgelingen of mooie vrouwen, omdat dit materiële verzoeken zijn. Normaal gesproken willen de mensen in deze materiële wereld grote leiders zijn. De een probeert enorm rijk te worden, net als Ford of Rockefeller, en weer iemand anders probeert president of een of andere grote leider te worden die door vele duizenden mensen gevolgd zal worden. Dit zijn allemaal materiële eisen: "Geef me geld. Geef me volgelingen. Geef me een goede vrouw." Heer Caitanya Mahāprabhu weigert dergelijke materiële verzoeken te doen. Hij zegt heel eerlijk: "Ik wil geen van deze dingen." Hij zegt zelfs, mama janmani janmanīśvare. En dit houdt in dat Hij zelfs niet om bevrijding vraagt. Zoals de materialisten hún eisen hebben, zo eisen de yogi's bevrijding. Caitanya Mahāprabhu wil echter helemaal niets van deze aard. Maar waarom is Hij dan een toegewijde? Waarom vereert Hij Kṛṣṇa dan? "Ik wil gewoon geboorte na geboorte dienen." Hij bidt niet eens om een eind aan geboorte, ziekte, ouderdom en dood. Er worden helemaal geen eisen gesteld, omdat dit het hoogste niveau is, het niveau van bhakti-yoga.
Door Hare Kṛṣṇa te chanten vraagt men de Heer ook: “Laat me U alstublieft dienen." Dit is de mantra die door Caitanya Mahaprabhu Zelf onderwezen is. Hare verwijst naar de energie van de Heer en kṛṣṇa en rāma zijn namen van de Heer Zelf. Chanten we Hare Kṛṣṇa, dan vragen we Kṛṣṇa of Hij ons alstublieft in Zijn dienst wil betrekken. Dit komt omdat heel onze materiële ziekte te wijten is aan het feit dat we vergeten zijn God te dienen. In illusie verkerend denken we: "Ik ben God. Wie is die andere God die ik moet dienen? Ik ben zelf God." Dat is uiteindelijk de enige ziekte, de laatste valstrik van de illusie. Eerst probeert iemand eerste minister, president, Rockefeller, Ford en wat ook nog meer te worden, en als hij er niet in slaagt zich zo'n positie te verwerven of er niet tevreden mee is, dan wil hij God worden. Dat is zoiets als een nog hogere president willen worden. Als ik erachter kom dat het presidentschap me geen eeuwige gelukzaligheid en kennis schenkt, dan eis ik het hoogste presidentschap. Dan eis ik God te worden. Hoe dan ook, de eis is er, en dat is onze ziekte. Onder invloed van illusie eisen we het hoogste te willen zijn, terwijl het bhakti-yoga proces precies het tegenovergestelde is. Wij willen dienaren worden, dienaren van de dienaren van de Heer. Er is geen sprake van een eis om de Heer te worden. We willen gewoon dienen, dat is alles.
Onze oorspronkelijke aard is op dienst gebaseerd, en dienstbaarheid is het belangrijkste criterium voor de toegewijde. Misschien realiseren we het ons niet, maar ook in deze materiële wereld verlenen we dienst. Als we president willen worden, moeten we vele beloften maken aan degenen die stemmen. De president moet met andere woorden zeggen: "Ik zal de mensen mijn diensten aanbieden." Tenzij hij belooft zijn land te dienen, kan hij het presidentschap wel vergeten. Zelfs de meest verheven leider verkeert dus in de situatie dat hij moet dienen. Dit is voor de mensen nogal moeilijk te begrijpen. Ondanks dat men de hoogste vertegenwoordiger van het land is, moet men de mensen dienen. Wordt die dienst niet naar behoren uitgevoerd, dan bestaat er alle kans dat men overweldigd, ontslagen of vermoord wordt. In de materiële wereld is dienen erg gevaarlijk. Vertoont iemands dienst de geringste afwijking, dan wordt hij onmiddellijk ontslagen. Toen de dienst die president Nixon bewees de mensen niet meer beviel, werd hij gedwongen ontslag te nemen. Sommige mensen waren het niet eens met president Kennedy en daarom werd hij vermoord. Zo werd in India Gandhi vermoord omdat sommige mensen niet tevreden waren met de manier waarop hij zijn dienst bewees. Dit is in de materiële wereld voortdurend aan de gang, en daarom zou men verstandig genoeg moeten zijn om de beslissing te nemen op te houden met het dienen vanuit een materieel oogpunt. We moeten de Allerhoogste Heer dienen, en die vorm van dienen is onze volmaaktheid.
We hebben deze Internationale Gemeenschap voor Kṛṣṇabewustzijn opgericht om de mensen datgene te leren wat ze vergeten zijn. In deze materiële wereld zijn we de dienst aan Rādhā-Kṛṣṇa vergeten, en als gevolg daarvan zijn we dienaren van māyā, de zintuigen, geworden. Daarom zeggen wij van onze kant: "Nu dien je je zintuigen. Richt je dienst gewoon op Rādhā en Kṛṣṇa, dan zal je gelukkig zijn. Dienen moet je toch of je dient māyā (illusie), de zintuigen, of Śrī śrī Rādhā-Kṛṣṇa.”
In deze wereld dient iedereen zijn zintuigen, maar zijn de mensen toch niet tevreden. Niemand kan tevreden zijn, want de zintuigen zullen altijd méér bevrediging eisen, en dat betekent dat we de zintuigen voortdurend moeten dienen. Onze positie als dienaar verandert niet in het geringste. Waar het om draait is of we gelukkig willen zijn in de dienst die we bewijzen. Het oordeel van de Bhagavad-gītā en andere vedische geschriften luidt dat we door te proberen onze zintuigen te bevredigen nooit gelukkig zullen worden, omdat ze slechts bronnen van ellende zijn. Daarom bidt Caitanya Mahaprabhu om in Kṛṣṇa's dienst betrokken te zijn. Hij bidt ook:
ayi nanda-tanuja kiṅkaraṁ
patitaṁ māṁ viṣame bhavāmbudhau
kṛpayā tava pāda-paṅkaja-
sthita-dhūlī-sadṛśaṁ vicintaya
"O Mijn Heer, o Kṛṣṇa, zoon van Mahārāja Nanda, Ik ben Uw eeuwige dienaar, maar ben vanwege Mijn eigen baatzuchtig handelen in deze gruwelijke oceaan van onwetendheid gevallen. Wees Me nu alstublieft grondeloos genadig en beschouw Me als een stofje aan Uw lotusvoeten.” (Sikṣāṣṭaka 5) Dit is een andere manier waarop we Kṛṣṇa kunnen vragen om ons in Zijn dienst te betrekken.
Toegewijde liefdedienst kan alleen maar aan de persoonlijke gedaante van Kṛṣṇa, Śyāmasundara, worden bewezen. De impersonalisten leggen de nadruk op de viśva-rupa, de universele gedaante zoals die in het elfde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā tentoongespreid wordt, maar daar (B.g. 11.21) wordt gezegd dat de halfgoden erg bang zijn van deze gedaante, en Arjuna zegt:
adṛṣṭa-pūrvaṁ hṛṣito ’smi dṛṣṭvā
bhayena ca pravyathitaṁ mano me
tad eva me darśaya deva rūpaṁ
prasīda deveśa jagan-nivāsa
"Nu ik deze universele gedaante gezien heb, die ik nog nooit eerder gezien had, ben ik verheugd, maar is mijn geest tegelijkertijd door angst in beroering gebracht. Wees me daarom alstublieft genadig en openbaar me opnieuw Je gedaante als de Persoonlijkheid Gods [Kṛṣṇa, of Syāmasundara], o Heer der heren, o rustplaats van het universum." (B.g. 11.45)

De viśva-rūpa liefhebben kan je wel vergeten. Als Kṛṣṇa in de viśva-rūpa gedaante voor je zou verschijnen, zou je zo bang zijn dat je niet meer aan liefde zou kunnen denken. Wees er dus maar niet zo op gebrand om net als de impersonalisten de viśva-rupa te willen zien; bewijs gewoon liefdevolle dienst aan Śyāmasundara, Kṛṣṇa.
In Calcutta, tijdens de oorlog in 1942, hebben we Kṛṣṇa min of meer als de viśva-rupa gezien. Er was alarm en we renden naar een schuilplaats toen het bombarderen begon. Op deze manier zagen we de viśva-rupa, en ik dacht: "Dit is natuurlijk gewoon een andere gedaante van Kṛṣṇa. Maar dit is niet echt een gedaante om lief te hebben." Een toegewijde wil Kṛṣṇa liefhebben in Zijn oorspronkelijke gedaante, en deze viśva-rupa is niet Zijn oorspronkelijke gedaante. Daar Hij almachtig is, kan Kṛṣṇa in iedere gedaante verschijnen, maar Zijn gedaante om lief te hebben is die van Kṛṣṇa, Syāmasundara. Hoewel iemand een politieagent kan zijn, is hij thuis voor zijn zoon een liefhebbende vader. Komt hij echter al schietend met zijn pistool het huis binnen, dan zal zijn zoon zo bang zijn dat hij vergeet dat het zijn liefhebbende vader is. Het kind houdt vanzelfsprekend van zijn vader zoals hij als vader thuis is, en op dezelfde manier houden wij van Kṛṣṇa zoals Hij in de gedaante van Syāmasundara in Zijn eeuwige woonplaats verblijft.
De viśva-rupa werd aan Arjuna getoond als waarschuwing voor al die schoften die beweren dat ze God zijn. Arjuna vroeg of hij de viśva-rūpa kon zien, zodat we in de toekomst een maatstaf zouden hebben waarnaar we schoften die beweren God te zijn kunnen testen. Met andere woorden, als iemand beweert dat hij God is, dan kunnen we hem gewoon antwoorden: "Als jij God bent, laat me dan alsjeblieft je viśva-rūpa zien." En dergelijke schoften zullen deze gedaante gegarandeerd niet kunnen laten zien.
Arjuna betuigde de viśva-rupa natuurlijk wel alle eer. Dat is een natuurlijke eigenschap van de toegewijde. Een toegewijde respecteert zelfs Durgā, Māyā, omdat Māyā Kṛṣṇa's energie is. Respecteren we Kṛṣṇa, dan respecteren we iedereen; zelfs een mier. Daarom bidt Brahmā:
sṛṣṭi-sthiti-pralaya-sādhana-śaktir ekā
chāyeva yasya bhuvanāni bibharti durgā
icchānurūpam api yasya ca ceṣṭate sā
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
Het uitwendig vermogen, Māyā, wat de schaduw van het cit [geestelijk] vermogen is, wordt door alle mensen aanbeden als Durgā, de scheppende, instandhoudende en vernietigende instantie van deze gewone wereld. Ik vereer de oorspronkelijke Heer, Govinda, volgens wiens verlangen Durgā handelt." (Brahma-saṁhitā 5.44) Als we dus tot Kṛṣṇa bidden, bidden we vanzelf ook tot Durgā, omdat Durgā Zijn energie is. En als we tot Durgā bidden, bidden we eigenlijk tot Kṛṣṇa, omdat zij onder leiding van Kṛṣṇa werkt. Ziet de toegewijde de activiteiten van Māyā, dan ziet hij Kṛṣṇa onmiddellijk en denkt hij: "O, Māyā werkt zo nauwkeurig onder leiding van Kṛṣṇa." Als men zijn eer betuigt aan een politieman, betuigt men in wezen eer aan de regering. Durgā, de materiële energie, is zo machtig dat ze kan scheppen, kan vernietigen en in stand kan houden, maar in alle gevallen werkt ze onder leiding van Kṛṣṇa.
Door bhakti, zuivere toewijding aan Kṛṣṇa, kunnen we het gezelschap van Māyā verlaten en naar het eeuwige gezelschap van Kṛṣṇa bevorderd worden. Sommige gopa's, vrienden van Kṛṣṇa, zijn eeuwige metgezellen en anderen worden naar die positie bevorderd. Als uitsluitend de eeuwige metgezellen van Kṛṣṇa met Hem zouden mogen omgaan en anderen niet, wat heeft Kṛṣṇa-bewust worden dan voor zin? Ook wij kunnen na vele, vele levens van vrome daden eeuwige metgezellen van Kṛṣṇa worden. De metgezellen van Kṛṣṇa in het Vṛndāvana dat in deze materiële wereld geopenbaard is, zijn trouwens overwegend geconditioneerde levende wezens die naar het volmaakte stadium van Kṛṣṇa-bewustzijn bevorderd zijn. Zo bevorderd mogen ze Kṛṣṇa eerst aanschouwen op de planeet waar Hij Zijn spel en vermaak ontvouwt. Hierna worden ze bevorderd naar het transcendentale Goloka Vṛndāvana in de geestelijke ruimte. Daarom staat er in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.12.11), kṛta-punya-puñjāḥ.
Bhakti-yoga betekent dat we ons met Kṛṣṇa, God, verbinden en Zijn eeuwige metgezellen worden. Bhakti-yoga kan niet met een ander doel worden toegepast en daarom is er bijvoorbeeld in het boeddhisme geen bhakti-yoga, omdat zij het bestaan van de Allerhoogste Heer als het allerhoogste doel niet erkennen. De christenen beoefenen echter bhakti-yoga als ze Heer Jezus Christus aanbidden, omdat ze hem aanvaarden als de zoon van God en daarom dus ook God aanvaarden. Tenzij men God aanvaardt, is er geen sprake van bhakti-yoga. Christendom is daarom ook een vorm van vaiṣṇavisme, omdat men God erkent. Er zijn niettemin verschillende stadia van Godsrealisatie. In hoofdzaak zegt het christendom dat God groot is, en dat is een erg goede verklaring, maar de werkelijke grootheid Gods kan men leren kennen uit de Bhagavad-gītā en het Śrīmad-Bhāgavatam. Het aanvaarden van de grootheid Gods is het begin van bhakti. Bhakti-yoga is tevens aanwezig onder de mohammedanen, aangezien God ook in de moslim-godsdienst het doel is. Waar een persoonlijke God echter niet erkend wordt met andere woorden, waar het impersonalisme heerst heeft bhakti-yoga geen betekenis. Bhakti-yoga moet drie zaken omvatten: de dienaar, de gediende en de dienst. Er moet iemand zijn om de dienst te aanvaarden en er moet iemand zijn om de dienst te bewijzen. De dienst zelf, bhakti-yoga, vormt het medium. Hoe is bhakti-yoga nu mogelijk als er niemand is om die dienst te aanvaarden? Als een filosofie of godsdienst God dus niet als de Allerhoogste Persoon aanvaardt, dan kan bhakti-yoga met geen mogelijkheid worden toegepast.
In het bhakti-yoga proces speelt de geestelijk leraar een ontzettend belangrijke en essentiële rol. Hoewel de geestelijk leraar net zolang terug zal komen totdat zijn toegewijden tot Godsrealisatie zijn gekomen, moet men niet proberen daar misbruik van te maken. We moeten het onze geestelijk leraar niet lastig maken, maar het bhakti-yoga proces in dit leven voltooien. De discipel dient ernstig te zijn in zijn dienst aan de geestelijk leraar, en als de toegewijde intelligent is, denkt hij: "Waarom zou ik me op zo'n manier gedragen dat mijn geestelijk leraar de moeite moet doen om me opnieuw te komen verlossen? Laat ik Kṛṣṇa in dit leven realiseren." Dat is de juiste manier van denken. We moeten niet denken: “O, ik weet zeker dat mijn geestelijk leraar me zal komen verlossen, en daarom kan ik dus doen wat ik maar wil." Hebben we ook maar enige genegenheid voor onze geestelijk leraar, dan voltooien we het proces in dit leven, zodat hij niet terug hoeft te komen om ons opnieuw te verlossen.
In dit verband kunnen we het voorbeeld van Bilvamangala Thākura aanhalen. In zijn voorgaande leven had hij bijna prema-bhakti bereikt, het hoogste niveau in toegewijde dienst, maar kwam om een of andere reden ten val; de kans dat men valt is namelijk altijd aanwezig. In zijn volgende leven werd hij in een erg rijke brāhmaṇa-familie geboren, in overeenstemming met het principe dat verkondigd wordt in het zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (6.41): śucīnāṁ śrīmatāṁ gehe. Jammer genoeg werd hij een playboy, zoals vaak met rijke jongens het geval is. Toch wil het geval dat zijn geestelijk leraar hem door een prostituée instructies gaf: "Ach, jij bent zo gehecht aan louter vlees en botten. Hoeveel goeds zou je wel niet kunnen bereiken als je net zoveel aan Kṛṣṇa gehecht zou zijn!" Onmiddellijk daarop hervatte Bilvamangala Ṭhākura zijn toegewijde dienst.
Hoewel de geestelijk leraar de verantwoording voor zijn discipel op zich neemt, moeten we daar geen misbruik van maken. Integendeel, we moeten trachten de geestelijk leraar te plezieren (yasya prasādād bhagavat-prasādaḥ). We moeten onze geestelijk leraar niet in zo'n situatie plaatsen, dat hij ons moet komen verlossen uit een bordeel. Maar zelfs als dat het geval is zal hij het doen, want hij neemt die verantwoording op zich als hij zijn discipel aanvaardt.
We moeten het proces van bhakti-yoga in dit leven voltooien, omdat we in dit leven alle instrumenten hebben die nodig zijn om volledig Kṛṣṇa-bewust te worden. We hebben mṛdaṅgas en cymbalen, en tongen om Hare Kṛṣṇa mee te zingen. En zelfs als we geen mṛdaṅgas en cymbalen hebben, dan hebben we in ieder geval een tong. Niemand hoeft een tong te kopen. Tevens bezitten we oren waarmee we het geluid kunnen horen dat de tong produceert. We zijn dus al uitgerust met alle instrumenten die we nodig hebben – een tong en oren. We hoeven alleen maar Hare Kṛṣṇa te chanten en onze oren te gebruiken om naar deze geluidstrilling te luisteren; dan zal alles volmaakt zijn. Het is nergens voor nodig dat we hoogontwikkelde wetenschappers of filosofen worden. We hoeven alleen maar te chanten en te luisteren.
Alles is dus compleet. Pūrṇam adaḥ pūrṇam idam: alles wat door God geschapen is, is compleet. Deze hele aarde is bijvoorbeeld compleet. De oceanen hebben genoeg water en de functie van de zon is dit water te verdampen, het om te zetten in wolken en regen op het land te laten neerkomen zodat er planten kunnen groeien. En uit de bergen stromen zuivere rivieren naar beneden om ons het hele jaar door van water te voorzien. Willen wij een paar honderd liter water verdampen, dan moeten we daar allerlei regelingen voor treffen, maar de schepping is zo compleet, dat er tonnen water uit de oceaan worden gehaald, worden omgezet in wolken en dan over het hele land worden verspreid en op bergtoppen worden bewaard, zodat er water zal zijn voor de produktie van granen en groenten. De schepping is dus compleet omdat ze uit het complete voortkomt, en zo is ons lichaam eveneens compleet uitgerust voor geestelijke realisatie. De complete machine hebben we al. We dienen haar alleen maar aan te wenden om er het transcendentale geluid (śabda) van Hare Kṛṣṇa mee voort te brengen, en zullen dan volledig van alle materiële ellende worden verlost.