Default View
Dual Language

Hoofdstuk 6

Het waarnemen van de Superziel

praśānta-manasaṁ hy enaṁ
yoginaṁ sukham uttamam
upaiti śānta-rajasaṁ
brahma-bhūtam akalmaṣam
"De yogi wiens geest op Mij gefixeerd is, verwerft zich voorwaar de hoogste volmaaktheid van transcendentale vreugde. Hij is de toestand van hartstocht ontstegen, realiseert zich zijn kwalitatieve gelijkheid met de Allerhoogste en is daardoor bevrijd van alle reacties op vroegere daden." (B.g. 6.27)
yuñjann evaṁ sadātmānaṁ
yogī vigata-kalmaṣaḥ
sukhena brahma-saṁsparśam
atyantaṁ sukham aśnute
"Zo wordt de zelfbeheerste yogi, die voortdurend in yoga opgaat, dus van alle materiële verontreiniging bevrijd en bereikt hij het hoogste stadium van volmaakte vreugde in transcendentale liefdedienst aan de Heer." (B.g. 6.28)
Dit is nu de perfectie: "De yogi wiens geest op Mij gefixeerd is." Daar Kṛṣṇa degene is die spreekt, verwijst het "Mij" dus naar Kṛṣṇa. Als ik zeg "Geef me een glas water", dan bedoel ik daar niet mee dat het water voor iemand anders bedoeld is. De Bhagavad-gītā wordt door Śrī Kṛṣṇa gesproken, en we moeten daarom goed begrijpen dat Hij "aan Kṛṣṇa" bedoelt als Hij "aan Mij” zegt. Jammer genoeg zijn er vele commentatoren die van deze duidelijke instructie afwijken. Waarom weet ik niet, maar hun motieven zijn zonder twijfel duister.
sarva-bhūta-stham ātmānaṁ
sarva-bhūtāni cātmani
īkṣate yoga-yuktātmā
sarvatra sama-darśanaḥ
"Een ware yogī ziet Mij in alle wezens en ziet tevens ieder wezen in Mij. Wie zelfgerealiseerd is ziet Mij, dezelfde Allerhoogste Heer, werkelijk overal." (B.g. 6.29) Sarva-bhūta-stham ātmānam: “Een ware yogi ziet Mij in alle wezens." Hoe is dit nu mogelijk? Sommige mensen zeggen dat alle wezens Kṛṣṇa zijn en dat het daarom niet nodig is Kṛṣṇa apart te vereren. Daardoor houden zulke mensen zich bezig met humanitaire activiteiten en beweren dat het beter is dergelijke activiteiten te ontplooien. Ze zeggen: "Waarom zou Kṛṣṇa vereerd moeten worden? Kṛṣṇa zegt dat men Kṛṣṇa in ieder wezen moeten zien. Laten we daarom dus daridra-nārāyaṇa dienen, de man op de straat." Degenen die dit soort verkeerde interpretaties maken hebben geen idee van de juiste methode, die van een bonafide geestelijk leraar geleerd moet worden.
Zoals eerder uitgelegd werd, is een ware yogi een toegewijde van Kṛṣṇa, en de meest gevorderde toegewijde gaat erop uit om het Kṛṣṇa-bewustzijn te prediken. Waarom? Omdat hij in alle wezens Kṛṣṇa ziet. Hoe dit kan? Omdat hij ziet dat alle wezens integrerende deeltjes van Kṛṣṇa zijn. Tevens begrijpt hij dat het zijn plicht is deze wezens op de hoogte te brengen van het Kṛṣṇa-bewustzijn, omdat ze Kṛṣṇa vergeten zijn. Soms gaan missionarissen erop uit om primitieve, ongeschoolde mensen te onderwijzen, omdat ze begrijpen dat het menselijke wezens zijn en het daarom verdienen opgeleid te worden, zodat ze de waarde van het leven kunnen begrijpen. Dit is te danken aan het mededogen van de missionaris. De toegewijde heeft een soortgelijke motivatie. Hij begrijpt dat iedereen zichzelf als een integrerend deeltje van Kṛṣṇa dient te kennen. De toegewijde begrijpt dat de mensen lijden omdat ze Kṛṣṇa vergeten zijn.
De toegewijde ziet Kṛṣṇa dus in alles. Hij verkeert niet in de illusie dat alles Kṛṣṇa geworden is. Integendeel, hij ziet ieder levend wezen als een zoon van God. Als ik zeg dat deze jongen de zoon van meneer Jansen is, bedoel ik daar dan mee dat deze jongen meneer Jansen zelf is? Ik kan meneer Jansen in deze jongen zien omdat het zijn zoon is, maar er blijft een onderscheid. Als ik ieder levend wezen als de zoon van Kṛṣṇa beschouw, dan zie ik Kṛṣṇa in ieder wezen. Dit mag niet moeilijk te begrijpen zijn. Het is geen associatie en geen visioen; het is een feit.
Ziet een toegewijde een kat of een hond, dan ziet hij daar Kṛṣṇa in. Hij weet dat de kat bijvoorbeeld een levend wezen is dat vanwege zijn vroegere daden het lichaam van een kat gekregen heeft. Dit is te wijten aan zijn vergetelheid. De toegewijde helpt de kat door haar wat kṛṣṇa-prasāda te geven, zodat de kat op een dag tot Kṛṣṇa-bewustzijn zal komen. Zo ziet men Kṛṣṇa in de kat. De toegewijde denkt niet: “O, hier is Kṛṣṇa. Laat me deze kat in mijn armen nemen en haar dienen als God." Het is onzin om op die manier te denken. Als iemand een tijger ziet, dan zegt hij ook niet: "O, hier is Kṛṣṇa. Kom en eet me maar op." De toegewijde omarmt niet alle wezens als Kṛṣṇa, maar heeft eerder mededogen met ieder levend wezen omdat hij alle wezens als integrerende deeltjes van Kṛṣṇa ziet. Op deze manier “ziet de ware yogi Mij in alle wezens”. Dat is werkelijke visie.
Wat men ook, bewust of onbewust, in Kṛṣṇa-bewustzijn doet, het zal zijn uitwerking hebben. Kinderen die neerbuigen, de naam van Kṛṣṇa proberen uit te spreken of tijdens kīrtana in hun handen klappen, verzamelen dat in werkelijkheid op hun bankrekening van Kṛṣṇa-bewustzijn. Vuur heeft zijn uitwerking, of het nu een kind of een volwassene betreft. Als een kind het aanraakt, zal het vuur hem branden. Het vuur zal niet zeggen: "O, ik zal dit kind maar niet verbranden, want hij weet niet beter." Nee, het vuur zal zich altijd als vuur gedragen. Zo is Kṛṣṇa de allerhoogste ziel, en als een kind aan het Kṛṣṇa-bewustzijn deelneemt, zal het daardoor beïnvloed worden. Kṛṣṇa zal handelen, of het kind dit nu weet of niet. Omdat Kṛṣṇa er is en zal handelen, verdient ieder levend wezen de kans om aan het Kṛṣṇa-bewustzijn deel te nemen. Daarom is iedereen ook uitgenodigd om langs te komen en prasāda te nemen; deze prasāda zal namelijk op een dag zijn uitwerking hebben.
We moeten oppassen dat we niet de fout maken te denken dat iedereen Kṛṣṇa is, integendeel; we dienen Kṛṣṇa juist in iedereen te zien. Kṛṣṇa is alomtegenwoordig. Waarom zou Hij alleen maar in menselijke wezens gezien kunnen worden? In de Brahma-saṁhita wordt uitgelegd dat Hij zelfs in het atoom aanwezig is: aṇḍāntara-stha-paramāṇu-cayāntara-stham. Het woord paramāņu betekent “atoom", en we dienen te begrijpen dat Kṛṣṇa Zich in elk atoom bevindt. "Een ware yogi ziet Mij in alle wezens en ziet tevens ieder wezen in Mij." Hoe kan de yogi ieder wezen "in Mij" zien? Dit is mogelijk omdat hij weet dat alles wat we zien zich in Kṛṣṇa bevindt. We zitten op de vloer of op een tapijt, maar in werkelijkheid zitten we op Kṛṣṇa. We horen te weten dat dit een feit is. Hoe dit tapijt Kṛṣṇa kan zijn? Het is Kṛṣṇa, omdat het van Kṛṣṇa's energie gemaakt is. De Heer heeft verschillende energieën, die in drie hoofdcategorieën worden onderverdeeld de materiële, de geestelijke en de marginale energie. Parāsya śaktir vividhaiva śrūyate. Wij, de levende wezens, zijn de marginale energie, de materiële wereld is de materiële energie en de geestelijke wereld is de geestelijke energie. Wij zijn marginale energie in de zin dat we ons ofwel in een geestelijke, ofwel in een materiële toestand bevinden. Een ander alternatief is er niet; of we gedragen ons materialistisch, of we gedragen ons geestelijk.
Zolang we ons in de materiële wereld bevinden, maken we deel uit van de materiële energie en bevinden ons daarom in Kṛṣṇa; de energie van Kṛṣṇa is namelijk niet van Kṛṣṇa gescheiden. Een vlam bevat zowel hitte als licht; twee energieën. Noch de hitte, noch het licht zijn van de vlam gescheiden, en daarom zijn hitte en licht vanuit een bepaald opzicht vuur. Ze kunnen echter onderscheiden worden. De materiële energie is ook Kṛṣṇa, en hoewel wij denken dat we op de vloer zitten, zitten we eigenlijk op Kṛṣṇa. Daarom wordt er gezegd: "Wie zelfgerealiseerd is ziet Me overal." Kṛṣṇa overal zien betekent dat men ieder levend wezen en alles wat er verder is, in relatie tot Kṛṣṇa ziet. In het zevende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (7.8) vertelt Kṛṣṇa Arjuna hoe Hij in verschillende verschijnselen waargenomen kan worden.
raso ’ham apsu kaunteya
prabhāsmi śaśi-sūryayoḥ
praṇavaḥ sarva-vedeṣu
śabdaḥ khe pauruṣaṁ nṛṣu
"O zoon van Kunti [Arjuna], Ik ben de smaak van water, het licht van zon en maan en de lettergreep om in de vedische mantra's; Ik ben het geluid in de ether en de bekwaamheid in de mens."
Water wordt door alle levende wezens gedronken en is voor vogels, dieren en mensen noodzakelijk. Het wordt niet alleen gebruikt om te drinken, maar ook om te wassen en planten te kweken. Een soldaat op het slagveld weet hoe belangrijk water is. Soldaten krijgen dorst tijdens het vechten, en als ze geen water hebben, sterven ze. Iemand die de filosofie van de Bhagavad-gītā kent ziet Kṛṣṇa telkens als hij water drinkt. En wanneer gaat er een dag voorbij dat we geen water drinken? Dat is de weg van het Kṛṣṇa-bewustzijn. "Ik ben het licht van zon en maan." Of het nu dag of nacht is, we zien of de zon, of de maan. Hoe kunnen we Kṛṣṇa dan vergeten? Dit is dus hoe volmaakte yoga werkt. We dienen overal en altijd Kṛṣṇa te zien.
yo māṁ paśyati sarvatra
sarvaṁ ca mayi paśyati
tasyāhaṁ na praṇaśyāmi
sa ca me na praṇaśyati
"Voor wie Mij overal ziet en alles in Mij ziet, ben Ik nimmer verloren, noch is hij ooit verloren voor Mij." (B.g. 6.30) Dit is sadā tad-bhāva-bhāvitaḥ: zich Kṛṣṇa altijd herinneren. Als we deze manier van leven beoefenen, verliezen we Kṛṣṇa nooit, zijn we nooit verloren voor Kṛṣṇa en kunnen er daarom op het moment van de dood zeker van zijn dat we tot Kṛṣṇa zullen komen. Waar kunnen we anders heengaan dan naar Kṛṣṇa, als we niet voor Hem verloren zijn? In het negende hoofdstuk (B.g. 9.31) zegt Kṛṣṇa tegen Arjuna, kaunteya pratijānīhi na me bhaktaḥ praṇaśyati: “O zoon van Kunti, je kunt zondermeer verkondigen dat Mijn toegewijde nimmer zal vergaan.'
Verlies Kṛṣṇa gewoon nooit uit het zicht. Dat is de volmaaktheid van het leven. We kunnen verder alles vergeten, maar Kṛṣṇa moeten we nooit vergeten. Als we ons Kṛṣṇa kunnen herinneren, zijn we de rijkste onder de mensen; zelfs als anderen ons als erg arm beschouwen. Hoewel Rūpa Gosvāmi en Sanātana Gosvāmi grote geleerden en zeer rijke ministers waren, namen ze het armzalige leven van bedelmonnik op zich. In zijn Śrī Ṣaḍ-gosvāmy-aṣṭaka (4) beschrijft Śrīnivāsa Ācārya de zes Gosvāmi's als volgt:
tyaktvā tūrṇam aśeṣa-maṇḍala-pati-śreṇīṁ sadā tuccha vat
bhūtvā dīna-gaṇeśakau karuṇayā kaupīna-kanthāśritau
gopī-bhāva-rasāmṛtābdhi-laharī-kallola-magnau muhur
vande rūpa-sanātanau raghu-yugau śrī-jīva-gopālakau
"Ik breng de zes Gosvāmi's Śrī Rūpa Gosvāmi, Śrī Sanātana Gosvāmi, Śrī Raghunatha Bhaṭṭa Gosvāmi, Śrī Raghunatha dāsa Gosvāmī, Śrī Jiva Gosvāmi en Śrī Gopāla Bhaṭṭa Gosvāmī die alle omgang met aristocratie als onbetekenend beschouwden en zich er daarom van ontdeden, mijn nederige eerbetuigingen. Om de arme, geconditioneerde zielen te verlossen hebben ze een lendedoek aanvaard en het leven van een bedelmonnik op zich genomen, maar ze gingen echter altijd op in de extatische oceaan van de liefde die de gopi's voor Kṛṣṇa hebben en baadden zich voortdurend in de golven van die oceaan."
De woorden kaupīna-kanthāśritau geven hier aan dat de Gosvāmi's slechts ondergoed en een lendedoek droegen. Ze aanvaardden, met andere woorden, als bedelmonniken de armzaligste manier van leven. Over het algemeen kan men, als men een hoge levensstandaard gewend is, niet onmiddellijk zijn standaard verlagen. Een rijk man zou niet verder kunnen leven als hij zo'n armzalige situatie zou aanvaarden, terwijl de Gosvāmi's heel gelukkig leefden. Hoe dit mogelijk was? Gopi-bhāva-rasāmṛtābdhi-lahari-kallola-magnau muhur / vande rūpa-sanātanau raghu-yugau śrī-jīva-gopālakau. Ze waren in werkelijkheid rijk omdat ze zich voortdurend in de oceaan van de liefdesaangelegenheden van de gopi's baadden. Denkt men gewoon aan de liefde die de gopi's voor Kṛṣṇa hebben, dan is men niet verloren. Er zijn vele manieren om Kṛṣṇa niet uit het oog te verliezen, en verliezen we Kṛṣṇa niet uit het oog, dan zullen we nooit verloren zijn.
Het is zeker dat iemand die Kṛṣṇa-bewust is Kṛṣṇa overal ziet, en hij ziet ook alles in Kṛṣṇa. Het mag dan lijken dat zo iemand alle openbaringen van de materiële natuur afzonderlijk ziet, maar in ieder afzonderlijk geval is hij zich bewust van Kṛṣṇa, omdat hij weet dat alles een openbaring van de energie van Kṛṣṇa is. Niets kan bestaan zonder Kṛṣṇa, en Kṛṣṇa is de Heer van alles dit is het basisprincipe van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Hoe weet de toegewijde nu dat alles de openbaring van Kṛṣṇa's energie is? In de eerste plaats is iemand die Kṛṣṇabewust is een filosoof. Als hij een boom ziet, denkt hij: "Wat is deze boom?” Dan ziet hij dat de boom net als hijzelf een materieel lichaam heeft en dat de boom ook een levend wezen is, maar door zijn vroegere misdaden zo'n afschuwelijk lichaam heeft gekregen dat hij zich niet eens kan bewegen. Het lichaam van de boom is materieel, materiële energie, en de toegewijde vraagt zich vanzelf af: "Wiens energie? Kṛṣṇa's energie. Daarom is de boom met Kṛṣṇa verbonden. Omdat hij een levend wezen is, is de boom een integrerend deeltje van Kṛṣṇa." Op deze manier ziet degene die Kṛṣṇa-bewust is niet de boom, maar de aanwezigheid van Kṛṣṇa. Dat is Kṛṣṇa-bewustzijn. Het is niet de boom die je ziet; je ziet Kṛṣṇa. Dat is de perfectie van yoga, en ook dat is samādhi.
Kṛṣṇa-bewustzijn is de ontwikkeling van liefde voor Kṛṣṇa - een positie die zelfs materiële bevrijding te boven gaat. Waarom kijkt iemand die Kṛṣṇa-bewust is op zo'n manier tegen een boom aan? Omdat hij liefde voor Kṛṣṇa heeft. Als je een kind hebt en je bent van het kind gescheiden, dan denk je aan hem als je zijn schoenen ziet: “O, dit zijn de schoenen van mijn lieveling." Maar het is het kind dat je liefhebt, niet de schoenen. De schoenen brengen deze liefde echter naar boven. Zodra we Kṛṣṇa's energie dus in een levend wezen geopenbaard zien, houden we van dat wezen, omdat we van Kṛṣṇa houden. Daarom is universele liefde vanzelf inbegrepen als we van Kṛṣṇa houden. Anders is universele liefde gewoon onzin, omdat het onmogelijk is van iedereen te houden zonder van Kṛṣṇa te houden. Houden we van Kṛṣṇa, dan is universele liefde er vanzelf. Iemand die niet Kṛṣṇa-bewust is kan zeggen: "Hier is mijn Amerikaanse broeder, en hier is mijn Indische broeder. Kom, laten we nu deze koe opeten." Zo iemand mag andere mensen dan zien als broeders, maar hij ziet de koe als voedsel. Is dat universele liefde? Iemand die Kṛṣṇa-bewust is denkt echter: "O, hier is een koe. Hier is een hond. Zij zijn integrerende deeltjes van Kṛṣṇa, maar hebben op een of andere manier verschillende lichamen gekregen. Dit betekent niet dat het mijn broeders niet zijn. Hoe kan ik nu mijn broeders doden en opeten?" Dat is ware universele liefde, die haar oorsprong in liefde voor Kṛṣṇa vindt. Zonder dit Kṛṣṇa-bewustzijn is er helemaal geen sprake van liefde.
Kṛṣṇa-bewustzijn is het stadium voorbij zelfrealisatie, waarin de toegewijde één wordt met Kṛṣṇa in de zin dat Kṛṣṇa alles wordt voor de toegewijde en de toegewijde vervuld raakt van liefde voor Kṛṣṇa. Dan bestaat er een intieme relatie tussen de Heer en de toegewijde. In dat stadium verkrijgt het levend wezen zijn onsterfelijkheid. Ook raakt de Persoonlijkheid Gods dan nooit meer uit het zicht van de toegewijde. Opgaan in Kṛṣṇa is geestelijke vernietiging. Een toegewijde neemt dergelijke risico's niet. In de Brahma-saṁhitā (5.38) staat:
premāñjana-cchurita-bhakti-vilocanena
santaḥ sadaiva hṛdayeṣu vilokayanti
yaṁ śyāmasundaram acintya-guṇa-svarūpaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
"Ik vereer Govinda, de oorspronkelijke Heer, die voortdurend aanschouwd wordt door de toegewijden wier ogen gezalfd zijn met de balsem der liefde. Hij wordt aanschouwd in Zijn eeuwige gedaante van Śyāmasundara, zoals Hij zich in het hart van de toegewijde bevindt." Wie zulke liefde voor Kṛṣṇa ontwikkeld heeft, ziet Śyāmasundara, Kartāmeśāna, voortdurend in zijn hart. In dit stadium verdwijnt de Heer nooit meer uit het zicht van de toegewijde, noch verliest de toegewijde de Heer ooit nog uit het oog. Hetzelfde geldt voor de yogi die de Heer in zijn hart ziet als Paramātmā. Zo'n yogi wordt een zuivere toegewijde en kan geen moment meer leven zonder de Heer in zichzelf te zien.
Dat is de werkelijke methode waarmee we God kunnen zien. God is onze loopjongen niet. We kunnen niet eisen: "Kom en laat Jezelf eens zien." Nee, we moeten ons eerst kwalificeren. Dan zullen we God overal en altijd kunnen zien.
sarva-bhūta-sthitaṁ yo māṁ
bhajaty ekatvam āsthitaḥ
sarvathā vartamāno ’pi
sa yogī mayi vartate
“Zo'n yogi, die de Superziel vereert terwijl hij weet dat de Superziel en Ik één zijn, verblijft voortdurend en onder alle omstandigheden in Mij." (B.g. 6.31)
Een yogi die op de Superziel mediteert, ziet binnenin zichzelf de volkomen expansie van Kṛṣṇa als Viṣṇu met vier armen die een hoornschelp, een schijf, een knots en een lotusbloem in de hand dragen. Deze manifestatie van Viṣṇu, die het object van concentratie vormt voor de yogi's, is een volkomen expansie van Kṛṣṇa. De Brahma-saṁhitā (5.48) leert ons:
yasyaika-niśvasita-kālam athāvalambya
jīvanti loma-vilajā jagad-aṇḍa-nāthāḥ
viṣṇur mahān sa iha yasya kalā-viśeṣo
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
"De Brahmā's en andere heersers van de gewone werelden komen uit de poriën van Mahā-Viṣṇu tevoorschijn en leven zolang als één van Zijn uitademingen duurt. Ik vereer de oorspronkelijke Heer, Govinda, want Mahā-Viṣṇu is maar een deeltje van Zijn volkomen expansie." De woorden govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi (“Ik vereer Govinda, de oorspronkelijke Heer") zijn van het grootste belang. Het woord ādi betekent “oorspronkelijk" en het woord puruşam betekent “de Heer als de oorspronkelijke man, de oorspronkelijke genieter". En wie is deze Govinda, wiens volkomen expansie Mahā-Viṣṇu is? En wat is de functie van Mahā-Viṣṇu?
In elk universum is er een eerste, oorspronkelijk levend wezen, dat bekendstaat als Brahmā. Het leven van Brahma is het leven van het universum, en dit leven bestaat zolang als één ademhaling (uitademing en inademing) van Mahā-Viṣṇu duurt. Mahā-Viṣṇu ligt op de Oceaan der Oorzaken, en als Hij uitademt komen er miljoenen universa als bellen uit Zijn lichaam tevoorschijn en ontwikkelen zich. Ademt Mahā-Viṣṇu in, dan keren deze miljoenen universa weer in Hem terug, en dit wordt het proces van vernietiging genoemd. Dit is in wezen de positie van deze materiële universa; ze komen uit het lichaam van Mahā-Viṣṇu tevoorschijn en keren er vervolgens weer in terug. Ook in het negende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (9.7) wordt aangegeven dat deze materiële universa op een bepaald moment geopenbaard en dan weer vernietigd worden.
sarva-bhūtāni kaunteya
prakṛtiṁ yānti māmikām
kalpa-kṣaye punas tāni
kalpādau visṛjāmy aham
"O zoon van Kunti, aan het eind van het millennium gaan alle materiële openbaringen in Mijn wezen binnen, en aan het begin van een volgend millennium schep Ik ze door Mijn vermogen opnieuw." De schepping, instandhouding en vernietiging van deze materiële, kosmische openbaring zijn volledig afhankelijk van de allerhoogste wil van de Persoonlijkheid Gods. "Aan het eind van het millennium" betekent op het moment van de dood van Brahmā. Brahmā leeft honderd jaar, en zijn dag is berekend op 4.320.000.000 van onze aardse jaren. Zijn nacht duurt even lang. Zijn maanden bestaan uit dertig van zulke dagen en nachten, en zijn jaar uit twaalf maanden. Na honderd van die jaren, als Brahmā sterft, vindt de verwoesting of vernietiging plaats, wat betekent dat de energie die door de Heer geopenbaard was weer in Hem terugkeert. Mahā-Viṣṇu ademt dan dus in, en als het nodig is om de kosmische wereld te openbaren, geschiedt alles door Zijn wil opnieuw: "Hoewel Ik één ben, zal Ik velen worden." Dit is een vedisch aforisme. Hij expandeert Zich in deze materiële energie en de hele kosmische openbaring vindt opnieuw plaats.
Omdat de volledige schepping en vernietiging van de materiële universa afhankelijk zijn van de in- en uitademing van Mahā-Viṣṇu, kunnen we ons nauwelijks een voorstelling maken van de omvang van Mahā-Viṣṇu. En dan wordt er hier zelfs gezegd dat deze Mahā-Viṣṇu slechts een volkomen expansie van de volkomen expansie van Kṛṣṇa is, die de oorspronkelijke Govinda is. Mahā-Viṣṇu gaat ieder universum binnen als Garbhodakaśāyi Viṣṇu, Garbhodakaśāyi Viṣṇu expandeert Zich verder als Kṣīrodaka-śāyī Viṣṇu, en dit is de gedaante van Viṣṇu die het hart van ieder levend wezen binnengaat. Zo openbaart Visņu Zich in de gehele schepping, en daarom concentreren de yogi's hun geest op de gedaante van Kṣīrodaka-śāyī Viṣṇu in het hart. Zoals in het laatste hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (18.61) staat:
īśvaraḥ sarva-bhūtānāṁ
hṛd-deśe ’rjuna tiṣṭhati
bhrāmayan sarva-bhūtāni
yantrārūḍhāni māyayā
"De Allerhoogste Heer bevindt Zich in ieders hart, o Arjuna, en bestuurt het doen en laten van alle levende wezens, die zich als het ware op een machine bevinden die van materiële energie gemaakt is."
Volgens de methode van yoga zoekt de yogi dus de plaats in het hart waar Kṣīrodaka-śāyī Viṣṇu Zich bevindt, en als hij deze gedaante gevonden heeft, concentreert hij zich daarop. De yogi hoort te weten dat deze Viṣṇu niet van Kṛṣṇa verschilt. Kṛṣṇa bevindt zich in deze gedaante van de Superziel in het hart van iedereen, en er is geen verschil tussen de ontelbare Superzielen die aanwezig zijn in de harten van de ontelbare levende wezens. Er staat bijvoorbeeld maar één zon aan de hemel, maar deze zon kan in miljoenen emmers water weerspiegeld worden. Men zou ook miljoenen mensen de vraag kunnen stellen "Weet u waar de zon is?", en ze zullen allemaal antwoorden: "Boven mijn hoofd." De zon is één geheel, maar wordt oneindige keren weerspiegeld. Volgens de Veda's zijn er ontelbare levende wezens. Zoals de zon in een oneindig aantal emmers water weerspiegeld kan worden, zo kan Heer Viṣṇu, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, in het hart van iedereen wonen. Deze gedaante is de volkomen expansie van Kṛṣṇa, en op deze gedaante concentreert de yogi zich.
Degene die zich op het Kṛṣṇa-bewustzijn toelegt, is reeds een volmaakte yogi. In feite is er helemaal geen verschil tussen een Kṛṣṇa-bewuste toegewijde die zich voortdurend aan de transcendentale liefdedienst van Kṛṣṇa wijdt en een volmaakte yogi die op de Superziel mediteert. Er is geen verschil tussen een yogi in samādhi (in trance mediterend op de gedaante van Viṣṇu) en iemand die Kṛṣṇa-bewust is en zich met andere activiteiten bezighoudt. De toegewijde bevindt zich altijd in Kṛṣṇa, hoewel hij in het materiële bestaan verschillende activiteiten ontplooit. Dit wordt bevestigd in Śrila Rūpa Gosvāmī’s Bhakti-rasāmṛta-sindhu: nikhilāsv apy avasthāsu jīvan-muktaḥ sa ucyate. Een toegewijde van de Heer, die altijd Kṛṣṇa-bewust handelt, is vanzelf bevrijd. Dit wordt tevens bevestigd in het veertiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (14.26):
māṁ ca yo ’vyabhicāreṇa
bhakti-yogena sevate
sa guṇān samatītyaitān
brahma-bhūyāya kalpate
"Wie volledig in toegewijde dienst opgaat en in geen enkele omstandigheid ten val komt, ontstijgt onmiddellijk aan de toestanden van de materiële natuur en bereikt zo het niveau van Brahman."
De toegewijde die in zuivere toegewijde dienst opgaat is dus al aan de materiële toestanden van de natuur ontstegen. Je op het niveau van Brahman bevinden betekent bevrijd zijn. Er zijn drie niveaus: het lichamelijke of zintuiglijke niveau, het mentale niveau en het geestelijke niveau. Het geestelijke niveau wordt het niveau van Brahman genoemd, en bevrijding betekent dat men zich op dat niveau bevindt. Daar we geconditioneerde zielen zijn bevinden we ons nu op het lichamelijke, of zintuiglijke niveau. Degenen die wat meer gevorderd zijn zij die speculeren, filosofen bevinden zich op het mentale niveau. Hierboven staat het niveau van bevrijding, Brahman-realisatie.
Dat de toegewijde, die altijd in Kṛṣṇa-bewustzijn handelt, zich vanzelf op het bevrijde niveau van Brahman bevindt, wordt ook in de Nārada-pañcarātra bevestigd:
dik-kālādy-anavacchinne
kṛṣṇe ceto vidhāya ca
tan-mayo bhavati kṣipraṁ
jīvo brahmaṇi yojayet
"Door de aandacht te concentreren op de transcendentale gedaante van Kṛṣṇa, die alomtegenwoordig en aan tijd en ruimte ontstegen is, gaat men op in het denken aan Kṛṣṇa en bereikt men vervolgens de gelukkige toestand van transcendentale omgang met Hem."
Kṛṣṇa-bewustzijn is het hoogste stadium van trance in de beoefening van yoga. Het is dit inzicht dat Kṛṣṇa als Paramātmā in ieders hart aanwezig is – dat de yogi foutloos maakt. De Veda's bevestigen dit onvoorstelbare vermogen van de Heer als volgt:
eko ’pi san bahudhā yo ’vabhāti
aiśvaryād rūpaṁ ekaṁ ca sūrya vad bahudheyate
“Viṣṇu is één, en toch is Hij wel degelijk alomtegenwoordig. Door Zijn onvoorstelbaar vermogen is Hij ondanks Zijn ene gedaante toch overal aanwezig. Net als de zon verschijnt Hij op vele plaatsen tegelijk."
ātmaupamyena sarvatra
samaṁ paśyati yo ’rjuna
sukhaṁ vā yadi vā duḥkhaṁ
sa yogī paramo mataḥ
"De volmaakte yogi, o Arjuna, is hij die door vergelijking met zichzelf de ware gelijkheid van alle wezens ziet, zowel in hun geluk als in hun verdriet." (B.g. 6.32) Dit is de ware universele visie. Het is niet zo dat God wel in mijn hart aanwezig is, maar niet in het hart van de hond, kat of koe. Sarva-bhūtānām betekent dat Hij Zich in het hart van alle levende wezens bevindt, in het hart van de mens en in het hart van de mier. Het enige verschil is dat katten en honden zich dit niet kunnen realiseren. Door te trachten het sāṅkhya-yoga of bhakti-yoga systeem te volgen, kan het menselijk wezen zich dit inzicht verwerven; dat is het voorrecht van het menselijk leven. Missen we deze kans, dan lijden we een groot verlies, want we hebben het proces van evolutie ondergaan en zijn door meer dan acht miljoen levensvormen heen gegaan om deze menselijke gedaante te verkrijgen. We dienen ons daar dus bewust van te zijn, en ervoor op te passen dat we deze kans niet mislopen. We hebben een goed lichaam, de menselijke levensvorm, en intelligentie en beschaving. We moeten niet als dieren leven en hard voor ons bestaan ploeteren; we moeten onze tijd gebruiken om vredig te denken en onze relatie met de Allerhoogste Heer te leren begrijpen. Dit is de instructie van de Bhagavad-gītā: Verlies deze kans niet; maak er goed gebruik van.