Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 5
Vastberadenheid en standvastigheid in yoga
yathā dīpo nivāta-stho
neṅgate sopamā smṛtā
yogino yata-cittasya
yuñjato yogam ātmanaḥ
neṅgate sopamā smṛtā
yogino yata-cittasya
yuñjato yogam ātmanaḥ
“Zoals een vlam op een plek uit de wind niet flakkert, zo blijft de transcendentalist, wiens geest beheerst is, altijd standvastig in zijn meditatie op het transcendente Zelf." (B.g. 6.19)
Gaat de geest op in Kṛṣṇa-bewustzijn, dan zal hij zo standvastig blijven als de vlam van een kaars die in een kamer staat waar het niet tocht. Daarom wordt er gezegd dat iemand die werkelijk Kṛṣṇa-bewust is en altijd opgaat in het trancendente, in voortdurende en onverstoorde meditatie op zijn aanbiddenswaardige Heer, zo standvastig is als een vlam uit de wind. Zoals de vlam niet verstoord wordt, zo raakt de geest niet verstoord, en die standvastigheid is de perfectie van yoga.
De toestand van iemand in standvastige meditatie op het transcendente Zelf, of de Allerhoogste Heer, wordt door Śri Kṛṣṇa in de volgende verzen van de Bhagavad-gītā (6.20-23) beschreven:
yatroparamate cittaṁ
niruddhaṁ yoga-sevayā
yatra caivātmanātmānaṁ
paśyann ātmani tuṣyati
niruddhaṁ yoga-sevayā
yatra caivātmanātmānaṁ
paśyann ātmani tuṣyati
sukham ātyantikaṁ yat tad
buddhi-grāhyam atīndriyam
vetti yatra na caivāyaṁ
sthitaś calati tattvataḥ
buddhi-grāhyam atīndriyam
vetti yatra na caivāyaṁ
sthitaś calati tattvataḥ
yaṁ labdhvā cāparaṁ lābhaṁ
manyate nādhikaṁ tataḥ
yasmin sthito na duḥkhena
guruṇāpi vicālyate
manyate nādhikaṁ tataḥ
yasmin sthito na duḥkhena
guruṇāpi vicālyate
taṁ vidyād duḥkha-saṁyoga-
viyogaṁ yoga-saṁjñitam
viyogaṁ yoga-saṁjñitam
"In het stadium van volmaaktheid, dat trance of samādhi genoemd wordt, is de geest door de beoefening van yoga volledig van zijn materieel mentale activiteiten weerhouden. Deze volmaaktheid wordt gekenmerkt door het vermogen om met de zuivere geest het zelf te aanschouwen en om van het zelf te genieten en zich erin te verheugen. In die vreugdevolle toestand verkeert men in grenzeloos transcendentaal geluk, wat men zich bewust wordt door transcendentale zintuigen. Eenmaal in die toestand, wijkt men niet meer van de waarheid. Wie dit bereikt heeft, denkt dat er niets heerlijkers te bereiken is. Wie zo gesitueerd is raakt nimmer uit zijn evenwicht, zelfs niet temidden van de grootste moeilijkheden. Dit is werkelijk vrijheid van alle ellende die voortkomt uit contact met materie."
Samādhi betekent niet dat men zichzelf leeg maakt of dat men opgaat in de leegte, dat is onmogelijk. Kleśo ’dhikataras teṣām avyaktāsakta-cetasām. Sommige yogi's beweren dat men een eind moet maken aan alle activiteiten en bewegingloos moet worden, maar hoe is dit mogelijk? Het levend wezen is van nature een bewegende, handelende ziel. "Bewegingloos" betekent dat men aan alle materiële beweging een eind heeft gemaakt en in Kṛṣṇa-bewustzijn verankerd is. In zo'n toestand wordt men niet langer door materiële neigingen verstoord. Wordt men materieel bewegingloos, dan neemt de beweging in Kṛṣṇa-bewustzijn toe. Als men in het Kṛṣṇa-bewustzijn actief wordt, wordt men vanzelf bewegingloos met betrekking tot materiële activiteiten.
Ik heb vaak het voorbeeld van een rusteloos kind gebruikt. Omdat het onmogelijk is zo'n kind bewegingloos te maken, is het noodzakelijk hem iets te geven om mee te spelen of plaatjes om naar te kijken. Zo zal hij dan bezig zijn, of bewegingloos in de zin dat hij geen kattekwaad zal uithalen. Wil men hem echter werkelijk bewegingloos maken, dan moet men hem iets te doen geven in Kṛṣṇa-bewustzijn. Door realisatie in Kṛṣṇa-bewustzijn is er dan geen plaats meer voor ondeugende activiteiten. Om aan het Kṛṣṇa-bewustzijn gewijd te zijn moet men zich eerst realiseren: "Ik ben van Kṛṣṇa. Ik ben niet deze materie. Ik ben niet van deze natie of deze maatschappij. Ik ben niet van deze ellendeling of die ellendeling. Ik ben gewoon van Kṛṣṇa.” Dat is bewegingloos en dat is volledige kennis; het realiseren van onze werkelijke positie als integrerend deeltje van Kṛṣṇa. Zoals in het vijftiende hoofdstuk staat (B.g. 15.7), mamaivāṁśo jīva-loke: “De levende wezens in deze geconditioneerde wereld zijn Mijn eeuwige, fragmentarische deeltjes." Zodra we dit begrijpen, staken we onmiddellijk onze materiële activiteiten, en dit is wat er bedoeld wordt met bewegingloos zijn. In deze toestand ziet men met de zuivere geest het zelf en geniet men van het zelf en verheugt men zich erin. "Zuivere geest" betekent dat men begrijpt: "Ik behoor toe aan Kṛṣṇa." Op dit moment is de geest verontreinigd omdat we denken: "Ik behoor toe aan dit; ik behoor toe aan dat." De geest is zuiver als hij begrijpt: “Ik behoor toe aan Kṛṣṇa."
Je verheugen in het zelf betekent je verheugen met Kṛṣṇa. Kṛṣṇa is de Superziel, of het Superzelf. Ik ben de individuele ziel, of het individuele zelf. Het Superzelf en het zelf genieten samen. Alleen genieten kan niet; er moeten er twee zijn. Wat voor ervaring hebben we van alleen genieten? Alleen genieten is niet mogelijk. Genieten betekent twee; Kṛṣṇa, die de Superziel is, en de individuele ziel.
Als men ervan overtuigd is dat men een integrerend deeltje van Kṛṣṇa is, raakt men, omdat men weet dat Kṛṣṇa bescherming zal bieden, zelfs temidden van de grootste moeilijkheden niet verstoord. Dat is overgave. Om deze positie te bereiken moet men zijn uiterste best doen, zijn intelligentie gebruiken en op Kṛṣṇa vertrouwen. Bālasya neha śaraṇaṁ pitarau nṛsiṁha (Śrīmad-Bhāgavatam 7.9.19). Als Kṛṣṇa ons niet beschermt, kan niets ons redden. Negeert Kṛṣṇa ons, dan bestaat er geen oplossing en zullen alle regelingen die we voor onze bescherming treffen uiteindelijk falen. Iemand die ziek is mag dan door vele specialisten behandeld worden, maar dat is geen garantie dat hij zal blijven leven. Als Kṛṣṇa het zo wil, zal iemand ondanks de beste dokters en medicijnen toch sterven. Worden we daarentegen door Kṛṣṇa beschermd, dan zullen we het zelfs overleven zonder medische behandeling. Is iemand volledig aan Kṛṣṇa overgegeven, dan wordt hij gelukkig, omdat hij weet dat Kṛṣṇa hem in wat voor situatie dan ook zal beschermen. Hij is net als een kind dat volledig aan zijn ouders overgegeven is en erop vertrouwt dat ze hem zullen beschermen. Yāmunācārya zegt in zijn Stotra-ratna (43), kadāham aikāntika-nitya-kinkaraḥ praharṣayiṣyāmi sanātha-jīvitam: “O Heer, wanneer zal ik Uw vaste, eeuwige dienaar zijn en altijd blij zijn dat ik zo'n volmaakte meester heb?" Zijn we niet blij als we weten dat iemand die erg machtig is onze beschermheer en redder is? Hoe kunnen we echter blij zijn als we alles alleen en op eigen risico proberen te doen? Vreugde betekent Kṛṣṇa-bewust zijn; ervan overtuigd zijn dat Kṛṣṇa je zal beschermen en oprecht zijn tegenover Kṛṣṇa. Het is niet mogelijk op een andere manier blij te zijn.
Natuurlijk beschermt Kṛṣṇa alle levende wezens, zelfs in hun opstandige toestand (eko bahūnāṁ yo vidadhāti kāmān). Zonder de bescherming van Kṛṣṇa zouden we geen seconde kunnen leven. Als we Kṛṣṇa's vriendelijkheid herkennen en toegeven, zullen we blij worden. We worden op ieder moment door Kṛṣṇa beschermd, maar realiseren ons dit niet omdat we op eigen risico willen leven. Kṛṣṇa geeft ons een bepaalde hoeveelheid vrijheid: “Goed, doe maar wat je wil. Voor zover mogelijk zal Ik je beschermen." Is het levend wezen echter volkomen aan Kṛṣṇa overgegeven, dan neemt Kṛṣṇa volledig de leiding op Zich en biedt Hij speciale bescherming. Als een kind altijd maar gewoon zijn gang gaat en niets om zijn vader geeft, wat kan zijn vader dan doen? Hij kan alleen maar zeggen: "Doe maar wat je wil." Plaatst een zoon zich echter volledig onder zijn vaders hoede, dan ontvangt hij meer zorg. Zoals Kṛṣṇa in het negende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (9.29) zegt:
samo ’haṁ sarva-bhūteṣu
na me dveṣyo ’sti na priyaḥ
ye bhajanti tu māṁ bhaktyā
mayi te teṣu cāpy aham
na me dveṣyo ’sti na priyaḥ
ye bhajanti tu māṁ bhaktyā
mayi te teṣu cāpy aham
"Ik ken afgunst noch partijdigheid jegens wie dan ook. Ik ben tegenover iedereen gelijk. Maar wie me toegewijd dient is een vriend; is in Mij, en Ik ben ook een vriend voor hem."
Hoe kan Kṛṣṇa nu afgunstig op iemand zijn? Iedereen is een zoon van Kṛṣṇa. Hoe zou Kṛṣṇa dus ook maar iemands vijand kunnen zijn? Omdat alle levende wezens zonen van Kṛṣṇa zijn is Hij ieders vriend. Jammer genoeg doen wij ons voordeel niet met deze vriendschap, en dat is nu precies onze ziekte. Erkennen we Kṛṣṇa eenmaal als onze eeuwige vader en vriend, dan kunnen we begrijpen dat Hij ons altijd beschermt en op die manier gelukkig zijn.
sa niścayena yoktavyo
yogo ’nirviṇṇa-cetasā
saṅkalpa-prabhavān kāmāṁs
tyaktvā sarvān aśeṣataḥ
manasaivendriya-grāmaṁ
viniyamya samantataḥ
yogo ’nirviṇṇa-cetasā
saṅkalpa-prabhavān kāmāṁs
tyaktvā sarvān aśeṣataḥ
manasaivendriya-grāmaṁ
viniyamya samantataḥ
"Men dient zich met vastberadenheid en vertrouwen aan de beoefening van yoga te wijden en niet van het pad af te dwalen. Men moet, zonder uitzondering, afstand doen van alle verlangens die uit speculatie voortkomen, en zo met de geest de zintuigen van alle kanten in bedwang houden.” (B.g. 6.24)
Er werd al eerder vermeld dat deze vastberadenheid alleen verkregen kan worden door iemand die zich niet met seks inlaat. Het celibaat versterkt de vastberadenheid, en daarom zegt Kṛṣṇa al vanaf het begin dat de yogi zich niet met seks inlaat. Wie zich met seks inlaat, zal een onbestendige vastberadenheid hebben. Daarom dient seks bedwongen te worden volgens de regels zoals die in de gṛhastha-āśrama gelden, of dient het helemaal opgegeven te worden. Eigenlijk moet het helemaal opgegeven worden, maar als dit niet mogelijk is, dan moet het bedwongen worden. Dan zal men ook vastberaden worden, want vastberadenheid is uiteindelijk een lichamelijke aangelegenheid. Vastberadenheid betekent dat men met geduld en doorzettingsvermogen doorgaat met het beoefenen van Kṛṣṇa-bewustzijn. Als men niet onmiddellijk het gewenste resultaat bereikt moet men niet denken: "Nou, wat is dat Kṛṣṇa-bewustzijn dan? Ik geef het op hoor." Nee, we moeten vastberaden zijn en vertrouwen hebben in de woorden van Krsna.
In dit verband kan er een werelds voorbeeld gegeven worden. Als een jong meisje trouwt, verlangt ze meteen een kind. Ze denkt: "Nu ik getrouwd ben moet ik onmiddellijk een kind hebben." Maar hoe is dit mogelijk? Eerst moet ze geduld hebben, een trouwe echtgenote worden, haar man dienen en haar liefde laten groeien. Omdat ze getrouwd is, is het uiteindelijk zeker dat ze een kind zal krijgen. Op dezelfde manier is onze volmaaktheid in Kṛṣṇa-bewustzijn gegarandeerd, maar we moeten wel geduld hebben en vastberaden zijn. We moeten bij onszelf denken: "Ik moet mijn plicht vervullen en niet ongeduldig zijn." Ongeduld is te wijten aan een gebrek aan vastberadenheid, en gebrek aan vastberadenheid is te wijten aan een overmaat aan seks.
De yogi moet vastberaden zijn en het Kṛṣṇa-bewustzijn geduldig en zonder af te dwalen uitoefenen. Men moet zeker zijn van uiteindelijk succes, en deze weg met groot doorzettingsvermogen volgen zonder ontmoedigd te raken als er vertraging optreedt in het behalen van dat succes. Voor de doorzetter is succes verzekerd. Met betrekking tot bhakti-yoga zegt Rūpa Gosvāmi:
utsāhān niścayād dhairyāt
tat-tat-karma-pravartanāt
saṅga-tyāgāt sato vṛtteḥ
ṣaḍbhir bhaktiḥ prasidhyati
tat-tat-karma-pravartanāt
saṅga-tyāgāt sato vṛtteḥ
ṣaḍbhir bhaktiḥ prasidhyati
"Het proces van bhakti-yoga kan succesvol en met onverdeeld enthousiasme, doorzettingsvermogen en vastberadenheid worden uitgevoerd, door in omgang met toegewijden de voorgeschreven plichten te vervullen en uitsluitend aan activiteiten in de toestand goedheid gewijd te zijn." (Upadeśāmṛta 3)
Wat vastberadenheid betreft, dient men het voorbeeld te volgen van de mus die haar eitjes verloor in de golven van de oceaan. Een mus had haar eitjes aan de rand van de oceaan gelegd, maar de oceaan nam ze mee op zijn golven. De mus was erg geschokt en vroeg de oceaan haar eitjes terug te geven. De oceaan nam haar smeekbede echter niet eens in overweging. De mus besloot dus om de oceaan op te drogen. Ze begon het water met haar snavel op te pikken, en iedereen lachte haar uit om haar onmogelijke vastberadenheid. Het nieuws van haar activiteit verspreidde zich snel en toen Garuḍa, de gigantische draagvogel van Heer Viṣṇu, het uiteindelijk te horen kreeg, voelde hij mededogen voor zijn kleine vogelzuster en kwam haar opzoeken. Garuda was erg geplezierd door de vastberadenheid van de kleine mus en beloofde haar te helpen. Onmiddellijk vroeg Garuda de oceaan de mus haar eitjes terug te geven, of hij zou zelf het werk van haar overnemen. De oceaan schrok hiervan en gaf de eitjes terug. Zo werd de mus dus gelukkig door de genade van Garuḍa.
Zo mag ook de beoefening van yoga, en met name bhakti-yoga in Kṛṣṇa-bewustzijn, erg moeilijk lijken. Maar de Heer zal degenen die de principes met grote vastberadenheid volgen zeker helpen, want God helpt degenen die zichzelf helpen.
śanaiḥ śanair uparamed
buddhyā dhṛti-gṛhītayā
ātma-saṁsthaṁ manaḥ kṛtvā
na kiñcid api cintayet
buddhyā dhṛti-gṛhītayā
ātma-saṁsthaṁ manaḥ kṛtvā
na kiñcid api cintayet
"Men dient geleidelijk, stap voor stap, met behulp van de door volle overtuiging gesteunde intelligentie in trance te geraken; zo moet de geest alleen op het zelf gefixeerd zijn, en nergens anders aan denken." (B.g. 6.25)
Wij zijn het zelf en Kṛṣṇa is ook het Zelf. Als er zonlicht is kunnen we de zon zien en onszelf. Heerst er echter diepe duisternis, dan kunnen we ons eigen lichaam soms niet eens zien. Hoewel het lichaam er is, is de duisternis zo diep dat ik mijn lichaam niet kan zien. In het zonlicht kan ik echter zowel de zon als mezelf zien. Op dezelfde manier betekent het zelf zien dat men in de eerste plaats het Allerhoogste Zelf of Kṛṣṇa ziet. In de Kaṭha Upaniṣad wordt gezegd, nityo nityānāṁ cetanaś cetanānām: “Het Allerhoogste Zelf is de hoogste eeuwige van alle eeuwigen en Hij is het hoogste levend wezen van alle levende wezens." Kṛṣṇa-bewustzijn betekent dat de geest op Kṛṣṇa gefixeerd wordt, en als dat het geval is, dan is hij op het volkomen geheel gefixeerd. Als er aandacht aan de maag besteed wordt en ze wordt van gezond voedsel voorzien, dan worden alle lichaamsdelen gevoed en verkeren we in een goede gezondheid. Zo wordt er ook automatisch voor alle bladeren, takken, bloemen en twijgjes van een boom gezorgd als de wortel van water wordt voorzien. Door Kṛṣṇa te dienen bewijzen we vanzelf iedereen de beste dienst.
Er werd al eerder vermeld dat iemand die Kṛṣṇa-bewust is er nooit werkeloos bij zit. Hij weet dat de filosofie van het Kṛṣṇa-bewustzijn zo ontzettend belangrijk is, dat ze verspreid moet worden. Daarom blijven de leden van deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn ook niet gewoon in de tempel, maar gaan erop uit in saṅkīrtana-groepen om te prediken en deze hoogste filosofie te verspreiden. Dat is de missie van Heer Caitanya Mahāprabhu en Zijn discipelen. Andere yogi's mogen dan tevreden zijn met hun eigen verheffing en in afgezonderde plaatsen yoga beoefenen voor hen is yoga niets meer dan een persoonlijke aangelegenheid maar een toegewijde is niet tevreden met alleen zichzelf te verheffen.
vāñchā-kalpatarubhyaś ca
kṛpā-sindhubhya eva ca
patitānāṁ pāvanebhyo
vaiṣṇavebhyo namo namaḥ
kṛpā-sindhubhya eva ca
patitānāṁ pāvanebhyo
vaiṣṇavebhyo namo namaḥ
"Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan alle vaiṣṇava-toegewijden van de Heer, die ieders wensen kunnen vervullen, zoals wensbomen dat kunnen, en vol mededogen zijn voor de gevallen zielen." Een toegewijde legt een groot mededogen voor geconditioneerde zielen aan de dag. Het woord kṛpā betekent “genade" en het woord sindhu betekent “oceaan". Een toegewijde is een oceaan van genade en wil deze genade van nature aan anderen geven. Heer Jezus was bijvoorbeeld Godsbewust, Kṛṣṇa-bewust, maar hield er niet van deze kennis voor zichzelf te houden. Had hij verder alleen in Godsbewustzijn geleefd, dan zou hij niet gekruisigd zijn. Maar nee, omdat hij een toegewijde was, en daarom van nature meedogend, wilde hij zich ook voor anderen inzetten en ze Godsbewust maken. Hoewel het hem verboden was Godsbewustzijn te prediken, ging hij er met gevaar voor eigen leven toch mee door. Dat is de aard van een toegewijde.
Daarom staat er in de Bhagavad-gītā (18.68-69) dat de toegewijde die predikt de Heer het meest dierbaar is:
ya idaṁ paramaṁ guhyaṁ
mad-bhakteṣv abhidhāsyati
bhaktiṁ mayi parāṁ kṛtvā
mām evaiṣyaty asaṁśayaḥ
mad-bhakteṣv abhidhāsyati
bhaktiṁ mayi parāṁ kṛtvā
mām evaiṣyaty asaṁśayaḥ
"Voor degene die dit allerhoogste geheim aan de toegewijden uitlegt is zuivere toegewijde dienst verzekerd, en uiteindelijk zal hij bij Mij terugkeren."
na ca tasmān manuṣyeṣu
kaścin me priya-kṛttamaḥ
bhavitā na ca me tasmād
anyaḥ priyataro bhuvi
kaścin me priya-kṛttamaḥ
bhavitā na ca me tasmād
anyaḥ priyataro bhuvi
"Geen dienaar in deze wereld is me dierbaarder dan hij, noch zal er ooit een dierbaarder zijn." Daarom gaan de toegewijden erop uit om te prediken, en dan ondervinden ze natuurlijk soms wat tegenwerking. Soms worden ze verslagen, soms raken ze teleurgesteld, soms zijn ze in staat iemand te overtuigen en soms ook niet. Het is niet zo dat iedere toegewijde goed uitgerust is om te prediken. Zoals er verschillende soorten mensen zijn, zijn er ook verschillende soorten toegewijden.
Tot de derde categorie behoren degenen die geen vertrouwen hebben. Als zij ambtshalve, en dus met een bijbedoeling, met toegewijde dienst bezig zijn, kunnen ze het hoogste stadium van perfectie niet bereiken. Hoogstwaarschijnlijk zullen ze na een tijdje onderuitgaan. Ze kunnen in toegewijde dienst worden betrokken, maar omdat ze geen vertrouwen hebben en niet helemaal overtuigd zijn, is het erg moeilijk voor ze om het Kṛṣṇa-bewustzijn vol te houden. Uit ons missiewerk hebben we de praktische ervaring dat sommige mensen met een of andere bijbedoeling aan het Kṛṣṇa-bewustzijn beginnen, en zodra ze er financieel een beetje op vooruitgaan, geven ze het proces op en vallen ze in hun oude gewoonten terug. Men kan alleen door vertrouwen vooruitgang maken in het Kṛṣṇa-bewustzijn.
Tot de derde categorie behoren degenen die geen vertrouwen hebben. Als zij ambtshalve, en dus met een bijbedoeling, met toegewijde dienst bezig zijn, kunnen ze het hoogste stadium van perfectie niet bereiken. Hoogstwaarschijnlijk zullen ze na een tijdje onderuitgaan. Ze kunnen in toegewijde dienst worden betrokken, maar omdat ze geen vertrouwen hebben en niet helemaal overtuigd zijn, is het erg moeilijk voor ze om het Kṛṣṇa-bewustzijn vol te houden. Uit ons missiewerk hebben we de praktische ervaring dat sommige mensen met een of andere bijbedoeling aan het Kṛṣṇa-bewustzijn beginnen, en zodra ze er financieel een beetje op vooruitgaan, geven ze het proces op en vallen ze in hun oude gewoonten terug. Men kan alleen door vertrouwen vooruitgang maken in het Kṛṣṇa-bewustzijn.
As far as the development of faith is concerned, one who is well versed in the literatures of devotional service and has attained the stage of firm faith is called a first-class person in Kṛṣṇa consciousness. And in the second class are those who are not very advanced in understanding the devotional scriptures but who automatically have firm faith that kṛṣṇa-bhakti, or service to Kṛṣṇa, is the best course and so in good faith have taken it up. Thus they are superior to the third class, who have neither perfect knowledge of the scriptures nor good faith but by association and simplicity are trying to follow. The third-class person in Kṛṣṇa consciousness may fall down, but when one is in the second class or first class, he does not fall down. One in the first class will surely make progress and achieve the result at the end. As far as the third-class person in Kṛṣṇa consciousness is concerned, although he has faith in the conviction that devotional service to Kṛṣṇa is very good, he has no knowledge of Kṛṣṇa through the scriptures like the Śrīmad-Bhāgavatam and Bhagavad-gītā. Sometimes these third-class persons in Kṛṣṇa consciousness have some tendency toward karma-yoga or jñāna-yoga, and sometimes they are disturbed, but as soon as the infection of karma-yoga or jñāna-yoga is vanquished, they become second-class or first-class persons in Kṛṣṇa consciousness. Faith in Kṛṣṇa is also divided into three stages and described in Śrīmad-Bhāgavatam. First-class attachment, second-class attachment, and third-class attachment are also explained in Śrīmad-Bhāgavatam, in the Eleventh Canto.
Wat het ontwikkelen van vertrouwen betreft: wie de literatuur over toegewijde dienst goed kent en het stadium van vast vertrouwen heeft bereikt, behoort in het Kṛṣṇa-bewustzijn tot de eerste categorie. Tot de tweede categorie behoren degenen die niet zover gevorderd zijn in hun begrip van de geschriften, maar vanzelf het vaste vertrouwen hebben dat kṛṣṇa-bhakti, of dienst aan Kṛṣṇa, de beste manier is en er daarom met groot vertrouwen aan begonnen zijn. Zij staan dus hoger dan de derde categorie, die geen volmaakte kennis van de geschriften en geen vertrouwen hebben, maar door omgang en eenvoud proberen te volgen. In het Kṛṣṇa-bewustzijn kan iemand uit de derde categorie ten val komen, terwijl men niet ten val kan komen als men tot de tweede of eerste categorie behoort. Wie tot de eerste categorie behoort zal zeker vooruitgang maken en uiteindelijk het resultaat behalen. Hoewel degene die tot de derde categorie behoort ervan overtuigd is dat toegewijde dienst aan Kṛṣṇa erg goed is, heeft hij geen kennis over Kṛṣṇa uit geschriften als het Śrīmad-Bhāgavatam en de Bhagavad-gītā. Soms neigen deze personen naar karma-yoga en jñāna-yoga, en soms raken ze verstoord. Zodra de besmetting van karma-yoga of jñāna-yoga echter verdwenen is, worden ze toegewijden van de tweede of eerste categorie. Ook vertrouwen is onderverdeeld in drie stadia en wordt beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam. De drie categorieën van gehechtheid worden eveneens in het Śrīmad-Bhāgavatam beschreven, en wel in het elfde canto.
Hoe men ook gesitueerd is, men moet de vastberadenheid hebben om erop uit te gaan en het Kṛṣṇa-bewustzijn te prediken. Die inspanning moet er in ieder geval zijn, en wie probeert te prediken, bewijst de Heer de beste dienst. Men moet de mensen ondanks de tegenwerking toch proberen te verheffen naar het hoogste niveau van zelfrealisatie. Wie de waarheid werkelijk heeft gezien, wie zich in de trance van zelfrealisatie bevindt, kan gewoon niet blijven zitten. Hij moet erop uit. Rāmānujācārya verkondigde de Hare Kṛṣṇa mantra bijvoorbeeld openlijk. Hij verspreidde hem niet in het geheim voor een bepaalde vergoeding. Onlangs kwam er een Indische yogi naar Amerika om de mensen een of andere "privé-mantra" te geven. Maar als een mantra kracht bezit, waarom moet hij dan privé zijn? Als een mantra krachtig is, waarom zou hij dan niet openlijk verkondigd worden, zodat iedereen er zijn voordeel mee kan doen? Wij zeggen dat deze Hare Kṛṣṇa mahā-mantra iedereen kan redden en daarom verspreiden we hem openlijk; er zijn geen kosten aan verbonden. In dit tijdperk zijn de mensen echter zo dwaas dat ze niet eens bereid zijn hem te aanvaarden. In plaats daarvan verlangen ze liever naar een of andere geheime mantra, en daarom betalen ze de eerste de beste yogi vijftig gulden of wat dan ook voor een zogenaamde “privé-mantra”. Dit komt omdat de mensen bedrogen willen worden. De toegewijden prediken echter gratis en verkondigen in de straten, parken en overal: "Hier! Hier is de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra! Kom en neem hem!" Maar in de ban van māyā, illusie, denken de mensen: "O, dit is niet goed." Als je de mensen echter geld vraagt en gewoon bluft en ze in de maling neemt, dan zullen ze je volgen.
Hoe men ook gesitueerd is, men moet de vastberadenheid hebben om erop uit te gaan en het Kṛṣṇa-bewustzijn te prediken. Die inspanning moet er in ieder geval zijn, en wie probeert te prediken, bewijst de Heer de beste dienst. Men moet de mensen ondanks de tegenwerking toch proberen te verheffen naar het hoogste niveau van zelfrealisatie. Wie de waarheid werkelijk heeft gezien, wie zich in de trance van zelfrealisatie bevindt, kan gewoon niet blijven zitten. Hij moet erop uit. Rāmānujācārya verkondigde de Hare Kṛṣṇa mantra bijvoorbeeld openlijk. Hij verspreidde hem niet in het geheim voor een bepaalde vergoeding. Onlangs kwam er een Indische yogi naar Amerika om de mensen een of andere "privé-mantra" te geven. Maar als een mantra kracht bezit, waarom moet hij dan privé zijn? Als een mantra krachtig is, waarom zou hij dan niet openlijk verkondigd worden, zodat iedereen er zijn voordeel mee kan doen? Wij zeggen dat deze Hare Kṛṣṇa mahā-mantra iedereen kan redden en daarom verspreiden we hem openlijk; er zijn geen kosten aan verbonden. In dit tijdperk zijn de mensen echter zo dwaas dat ze niet eens bereid zijn hem te aanvaarden. In plaats daarvan verlangen ze liever naar een of andere geheime mantra, en daarom betalen ze de eerste de beste yogi vijftig gulden of wat dan ook voor een zogenaamde “privé-mantra”. Dit komt omdat de mensen bedrogen willen worden. De toegewijden prediken echter gratis en verkondigen in de straten, parken en overal: "Hier! Hier is de Hare Kṛṣṇa mahā-mantra! Kom en neem hem!" Maar in de ban van māyā, illusie, denken de mensen: "O, dit is niet goed." Als je de mensen echter geld vraagt en gewoon bluft en ze in de maling neemt, dan zullen ze je volgen.
Er is in dit verband een Hindi-gedicht dat zegt dat Kali-yuga zo'n afschuwelijk tijdperk is dat iemand die de waarheid spreekt geslagen zal worden. Maar als men bedriegt, bluft en liegt zullen de mensen verward zijn, en zullen ze het leuk vinden en het aannemen. Als ik zeg "Ik ben God", dan zullen de mensen zeggen: “O, hier is Svāmījī, hier is God." In dit tijdperk hebben de mensen niet genoeg hersens om te vragen: "Hoe ben jij God geworden? Wat zijn de kenmerken van God? Heb jij al die kenmerken?" De mensen worden bedrogen omdat ze dergelijke vragen niet stellen. Daarom is het noodzakelijk in het bewustzijn van het zelf verankerd te zijn. Tenzij men het werkelijke zelf en het Superzelf begrijpt, zal men bedrogen worden. Ware yoga betekent dat men dit proces van zelfrealisatie begrijpt.
yato yato niścalati
manaś cañcalam asthiram
tatas tato niyamyaitad
ātmany eva vaśaṁ nayet
manaś cañcalam asthiram
tatas tato niyamyaitad
ātmany eva vaśaṁ nayet
"Van waar de geest vanwege zijn wispelturige en onevenwichtige aard ook mag ronddwalen, moet men hem terugtrekken en weer onder het beheer van het zelf brengen." (B.g. 6.26) Dit is het ware yoga-proces. Als je probeert je geest op Kṛṣṇa te concentreren en hij wordt daarvan afgeleid – omdat hij naar een bioscoop of wat dan ook afdwaalt dan moet je hem daarvan terugtrekken en denken: “Nee, alsjeblieft niet daar naartoe. Hier blijven." Dat is yoga: de geest niet toestaan om van Kṛṣṇa af te dwalen.
Zit men ergens op één plaats, dan is zware training vereist om de geest op Kṛṣṇa gefixeerd te houden. Dat is werkelijk zwaar werk. Als iemand niet zo geoefend is en dit proces probeert na te doen, zal hij zeker verward raken. In plaats daarvan moeten we altijd in Kṛṣṇa-bewustzijn opgaan, door alles wat we doen in verband te brengen met Kṛṣṇa. Onze normale bezigheden moeten op zodanige wijze gevormd worden dat ze ter wille van Kṛṣṇa worden uitgevoerd. Op deze manier zal de geest op Kṛṣṇa gefixeerd blijven. We hebben het er al eerder over gehad; we moeten we niet proberen om naar de punt van onze neus te gaan zitten staren. Momenteel zijn de pogingen om deze vorm van yoga uit te voeren onnatuurlijk. De methode die aangeraden wordt is het luid chanten van en luisteren naar Hare Kṛṣṇa. Dan zal de geest, zelfs als hij afgeleid wordt, gedwongen worden om zich op de geluidstrilling “Kṛṣṇa” te concentreren. Het is niet nodig om de geest overal van terug te trekken; hij zal vanzelf kort gehouden worden, omdat hij op de geluidstrilling gericht is. Als we een auto horen aankomen, is onze aandacht meteen afgeleid. Zo zal de geest, als we voortdurend Hare Kṛṣṇa chanten, vanzelf op Kṛṣṇa gefixeerd zijn, hoewel we gewend zijn om aan zoveel andere dingen te denken.
De aard van de geest is wispelturig en onevenwichtig. Een zelfgerealiseerde yogi dient de geest echter te beheersen; hij moet niet door de geest beheerst worden. Nu worden we door de geest beheerst (go-dāsa). Hij vertelt ons "Hallo, waarom kijk je alsjeblieft niet even naar dat mooie meisje?", en dus kijken we. Hij zegt "Waarom niet een beetje van die zalige likeur?", en dan zeggen we "Ja". Hij zegt "Hé, waarom geen sigaret?", en wij zeggen "Ja". "Waarom ga je niet naar dit restaurant voor wat smakelijk voedsel? Waarom doe je niet dit? Waarom doe je niet dat?" Op deze manier dicteert de geest ons, en wij volgen hem. Het materiële leven houdt in dat we door de zintuigen of door de geest, die het centrum van alle zintuigen is, beheerst worden. Beheerst worden door de geest betekent beheerst worden door de zintuigen, omdat de zintuigen de hulpmiddelen van de geest zijn. Meester geest dicteert "Ga dat zien", en de ogen, die de aanwijzingen van de geest opvolgen, kijken naar het zinsobject. De geest vertelt ons naar een bepaalde plaats toe te gaan, en op aanwijzing van de geest brengen de benen ons daar naartoe. Onder het bestuur van de geest staan betekent dus dat we onder het beheer van de zintuigen komen te staan. Besturen wij de geest echter, dan zullen we niet onder het beheer van de zintuigen staan. Iemand die door zijn zintuigen bestuurd wordt, staat bekend als een go-dāsa. Het woord go betekent "zintuigen" en het woord dāsa betekent “dienaar". Wie zijn zintuigen meester is, wordt een gosvāmī genoemd; svāmī betekent namelijk “meester". Iemand die de titel gosvāmī draagt is dus iemand die zijn zintuigen heeft overwonnen. Men kan geen gosvāmī of svāmī genoemd worden zolang men een dienaar van zijn zintuigen is. Tenzij men de zintuigen meester is, is het aanvaarden van de titel gosvāmī of svāmī gewoon bedrog.
Het was Rūpa Gosvāmi die de betekenis van het woord gosvāmī als zodanig heeft gedefinieerd. Van oorsprong waren Sanātana Gosvāmi en Rūpa Gosvāmī geen gosvāmī's maar ministers. Ze werden pas gosvāmī's toen ze discipelen van Heer Caitanya Mahāprabhu werden. Gosvāmī is dus geen erfelijke titel, maar een kwalificatie. Men kan deze kwalificatie verkrijgen onder de aanwijzingen van een bonafide geestelijk leraar. Men kan alleen een gosvāmī genoemd worden en op zijn beurt een geestelijk leraar worden, als men zijn zintuigen volmaakt meester is. Is men niet in staat zijn zintuigen te beheersen, dan is men gewoon een namaak geestelijk leraar.
Het was Rūpa Gosvāmi die de betekenis van het woord gosvāmī als zodanig heeft gedefinieerd. Van oorsprong waren Sanātana Gosvāmi en Rūpa Gosvāmī geen gosvāmī's maar ministers. Ze werden pas gosvāmī's toen ze discipelen van Heer Caitanya Mahāprabhu werden. Gosvāmī is dus geen erfelijke titel, maar een kwalificatie. Men kan deze kwalificatie verkrijgen onder de aanwijzingen van een bonafide geestelijk leraar. Men kan alleen een gosvāmī genoemd worden en op zijn beurt een geestelijk leraar worden, als men zijn zintuigen volmaakt meester is. Is men niet in staat zijn zintuigen te beheersen, dan is men gewoon een namaak geestelijk leraar.
Dit wordt door Rūpa Gosvāmi in zijn Upadeśāmṛta (1) uitgelegd:
vāco vegaṁ manasaḥ krodha-vegaṁ
jihvā-vegam udaropastha-vegam
etān vegān yo viṣaheta dhīraḥ
sarvām apīmāṁ pṛthivīṁ sa śiṣyāt
jihvā-vegam udaropastha-vegam
etān vegān yo viṣaheta dhīraḥ
sarvām apīmāṁ pṛthivīṁ sa śiṣyāt
"Iemand die verstandig is en de drang tot spreken, de verlangens van de geest, de invloed van woede, en de driften van tong, maag en geslachtsdelen kan verdragen, is gekwalificeerd om overal ter wereld discipelen te aanvaarden." In dit vers vermeldt Rūpa Gosvāmi zes "impulsen" (vegam). Deze impuls is een soort van drang. Als de natuur bijvoorbeeld roept, moeten we naar het toilet gaan; we kunnen deze impuls niet tegengaan. Daarom wordt deze impuls dus vegam genoemd, een soort van drang. Volgens Rūpa Gosvāmī zijn er zes vegams. Vāco vegam is de impuls om onnodig te praten. Dat is een soort drang van de tong. Dan is er ook krodha-vegam, de impuls om kwaad te worden. Als we kwaad worden kunnen we ons niet beheersen, en soms kan iemand zo kwaad worden dat hij een moord begaat. Op dezelfde manier zet ook de geest ons onder druk en dicteert hij ons “Je moet daar meteen naartoe gaan", en we gaan onmiddellijk naar waar we verteld worden te gaan. Het woord jihvā-vegam verwijst naar de impuls van de tong om smakelijk voedsel te proeven. Udara-vegam verwijst naar de impulsen van de maag. Hoewel de maag vol is, wil ze altijd meer, en dat is een soort van drang van de maag. En als we aan de drangen van de tong en maag toegeven, dan worden de driften van de geslachtsdelen erg sterk en ontstaat er een behoefte aan seks. Hoe kan men zijn geslachtsdelen nu beheersen, als men zijn geest of tong niet beheerst. Zo zijn er vele drangen, zoveel zelfs, dat het lichaam een soort van drangmachine is. Rūpa Gosvāmi zegt ons daarom dat men alleen maar een geestelijk leraar kan worden als men al deze impulsen kan beheersen.
Etān vegān yo viṣaheta dhīraḥ sarvām apīmāṁ pṛthivīṁ sa siṣyāt: "Wie de drangen kan beheersen en standvastig kan blijven, kan overal ter wereld discipelen aanvaarden." Het woord dhīra betekent “standvastig, verstandig.” Alleen iemand die dhīra is heeft de kwalificatie om discipelen te aanvaarden. Dit hangt allemaal van iemands training af. De geest en zintuigen trainen om op het zelf gefixeerd te zijn is in wezen wat yoga inhoudt, en dit is niet mogelijk door maar vijftien minuten per dag te mediteren en dan vervolgens te doen wat de zintuigen je dicteren. Hoe kunnen de problemen van het leven zo goedkoop worden opgelost? Willen we iets waardevols hebben, dan moeten we ervoor betalen. Dankzij de genade van Heer Caitanya Mahāprabhu is de methode van betalen heel erg makkelijk gemaakt chant gewoon Hare Kṛṣṇa. Dit systeem van beheersing, dit yoga-systeem, wordt door ons chanten vervolmaakt. Ihā haite sarva siddhi haibe tomāra. Zo heeft Heer Caitanya ons dus gezegend. Door gewoon Hare Kṛṣṇa te chanten zullen we tot volmaaktheid in zelfrealisatie komen. In dit tijdperk van Kali, waarin de mensen zo gevallen zijn, zal men met andere methoden geen succes behalen. Dit is de enige methode, en ze is gemakkelijk, verheven, effectief en praktisch. Men kan zichzelf erdoor realiseren.
Volgens Kṛṣṇa, in het negende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (9.2), is deze methode de meest verhevene:
rāja-vidyā rāja-guhyaṁ
pavitram idam uttamam
pratyakṣāvagamaṁ dharmyaṁ
su-sukhaṁ kartum avyayam
pavitram idam uttamam
pratyakṣāvagamaṁ dharmyaṁ
su-sukhaṁ kartum avyayam
"Deze kennis is de koning van alle onderricht, het geheimste van alle geheimen. Het is de zuiverste kennis, en omdat ze door realisatie directe waarneming van het zelf verschaft, is ze de perfectie van godsdienst. Ze is onvergankelijk en wordt met vreugde toegepast.''
Na het eten kan men begrijpen dat zijn honger bevredigd is, en zo kan men ook door de principes van Kṛṣṇa-bewustzijn te volgen begrijpen dat men vooruitgang in zelfrealisatie heeft gemaakt