Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 4
Matiging in yoga
In dit zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā wordt de nadruk gelegd op het sāṅkhya-yoga systeem, wat hetzelfde is als het aṣṭāṅga-yoga systeem. Jñāna-yoga legt de nadruk op de filosofische methode van analyse waarmee we kunnen bepalen wat wel Brahman is en wat niet. Deze methode staat bekend als de methode van neti neti, of "niet dit, niet dat”. In het begin van de Vedānta-sūtra wordt verkondigd, janmādy asya yataḥ: "Het Allerhoogste Brahman, de Absolute Waarheid, is Hij uit wie alles voortkomt." Dit is een aanwijzing, en hiermee moeten we proberen een inzicht te krijgen in de aard van het Allerhoogste Brahman, uit wie alles voortkomt. De aard van die Absolute Waarheid wordt tot in de bijzonderheden uiteengezet in het Śrīmad-Bhāgavatam.
In het eerste vers van het Śrīmad-Bhāgavatam staat:
oṁ namo bhagavate vāsudevāya
janmādy asya yato ’nvayād itarataś cārtheṣv abhijñaḥ svarāṭ
tene brahma hṛdā ya ādi-kavaye muhyanti yat sūrayaḥ
tejo-vāri-mṛdāṁ yathā vinimayo yatra tri-sargo ’mṛṣā
dhāmnā svena sadā nirasta-kuhakaṁ satyaṁ paraṁ dhīmahi
janmādy asya yato ’nvayād itarataś cārtheṣv abhijñaḥ svarāṭ
tene brahma hṛdā ya ādi-kavaye muhyanti yat sūrayaḥ
tejo-vāri-mṛdāṁ yathā vinimayo yatra tri-sargo ’mṛṣā
dhāmnā svena sadā nirasta-kuhakaṁ satyaṁ paraṁ dhīmahi
"O mijn Heer, Śrī Kṛṣṇa, zoon van Vasudeva, o alomtegenwoordige Persoonlijkheid Gods, ik breng U mijn eerbiedige eerbetuigingen. Ik mediteer op Heer Sri Kṛṣṇa, want Hij is de Absolute Waarheid en de oorspronkelijke oorzaak van alle oorzaken van schepping, instandhouding en vernietiging van de geopenbaarde universa. Hij is Zich direct en indirect bewust van alle openbaringen, en omdat er buiten Hem geen andere oorzaak bestaat is Hij onafhankelijk. Hij is het en geen ander die in het begin het hart van Brahmājī, het oorspronkelijke levend wezen, van vedische kennis vervulde. Door Hem worden zelfs de grote heiligen en halfgoden begoocheld, zoals men door de illusie van water in vuur gezien, of van land op water gezien, verward raakt. Het is door Hem alleen dat de materiële universa, die door de reacties van de drie toestanden van de natuur tijdelijk geopenbaard zijn, werkelijk lijken, hoewel ze niet werkelijk zijn. Daarom mediteer ik op Hem, Heer Śrī Kṛṣṇa, die eeuwig bestaat in Zijn transcendentale verblijf, dat eeuwig vrij is van de illusie van de materiële wereld. Ik mediteer op Hem, want Hij is de Allerhoogste Waarheid."
De Allerhoogste Waarheid wordt dus al in het begin van het Śrīmad-Bhāgavatam als bewust gekenmerkt. Hij is niet dood en ook geen leegte. En wat is de aard van Zijn bewustzijn? Anvayād itarataś cārtheṣu: “Hij is Zich direct en indirect bewust van alle openbaringen." Ieder levend wezen is tot op zekere hoogte bewust, maar niet volledig bewust. Ik kan beweren dat dit mijn hoofd is, maar als iemand me dan vraagt "Weet je hoeveel haren je op je hoofd hebt?" zal ik niet in staat zijn te antwoorden. Natuurlijk, deze vorm van kennis is niet transcendentaal, maar in het Śrīmad-Bhāgavatam staat dat de Allerhoogste Absolute Waarheid van alles op de hoogte is, direct en indirect. Ik mag dan weten dat ik eet, maar ik weet niet precies hoe dit proces in z'n werk gaat hoe mijn lichaam nu precies het voedsel opneemt, hoe het bloed door mijn aderen stroomt, enz. Ik ben me bewust van het functioneren van mijn lichaam, maar ik weet niet hoe deze processen allemaal tegelijk volmaakt uitgevoerd worden. Dit komt omdat mijn kennis beperkt is.
Per definitie is God degene die alles weet. Hij weet wat er gaande is in iedere hoek van Zijn schepping; daarom legt het Śrīmad-Bhāgavatam al vanaf het begin uit dat de Absolute Waarheid uit wie alles voortkomt tot in de hoogste graad bewust is (abhijñaḥ). Men zou nu kunnen vragen: "Als de Allerhoogste Waarheid zo machtig, wijs en bewust is, dan moet Hij die kennis toch van een soortgelijk wezen hebben ontvangen?" Dit is echter niet het geval. Als Hij Zijn kennis van iemand anders zou krijgen, dan zou Hij God niet zijn. Svarāț. Hij is onafhankelijk, en Zijn kennis is er vanzelf.
Het Śrīmad-Bhāgavatam is de allerhoogste combinatie van het jñāna-yoga systeem en het bhakti-yoga systeem, omdat het tot in de bijzonderheden de aard van dat Allerhoogste Wezen uit wie alles voortkomt analyseert. In het jñāna-yoga systeem probeert men de aard van de Absolute Waarheid op een filosofische manier te begrijpen. In het bhakti-yoga systeem is het doel hetzelfde, maar de methode verschilt. Terwijl de jñānī zijn geest op een filosofische manier op de Allerhoogste probeert te concentreren, legt de bhakta zich gewoon toe op het dienen van de Allerhoogste Heer, waardoor de Heer Zich vanzelf onthult. De methode van jñāna wordt de opklimmende methode genoemd en de methode van bhakti de neerdalende methode. Als we ons in het duister van de nacht bevinden, kunnen we het zonlicht proberen te bereiken door gebruik te maken van een krachtige raket. Volgens de neerdalende methode wachten we echter gewoon op de zonsopkomst en weten we meteen hoe het in elkaar zit.
Met de opklimmende methode proberen we, door inductie, de Allerhoogste op eigen kracht te bereiken. Door inductie kunnen we erachter proberen te komen of de mens al dan niet sterfelijk is; we kunnen duizenden mensen onderzoeken om te zien of ze sterfelijk of onsterfelijk zijn. Dit zal natuurlijk wel veel tijd in beslag nemen. Aanvaard ik echter van een hogere autoriteit het feit dat alle mensen sterfelijk zijn, dan heb ik onmiddellijk volledige kennis. Daarom staat er in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.29): "Mijn lieve Heer, iemand die maar een klein beetje door U begunstigd wordt kan U erg snel begrijpen, terwijl degenen die U door middel van de opklimmende methode proberen te begrijpen, miljoenen jaren met speculeren door kunnen gaan en U zelfs dan nooit zullen begrijpen."
Met speculatie is de kans groter dat men gewoon een bepaald punt van frustratie en verwarring bereikt en dan tot de conclusie komt dat God nul is. Maar als God nul is, hoe kunnen er dan zoveel vormen uit Hem voortkomen? Zoals de Vedānta-sūtra zegt, janmādy asya yataḥ: "Alles komt voort uit de Allerhoogste." Daarom kan de Allerhoogste geen nul zijn. We moeten onderzoeken hoe zoveel gedaanten, zo oneindig veel levende wezens, door de Allerhoogste worden voortgebracht. Ook dit wordt uitgelegd in de Vedānta-sūtra, een studie van de uiterste kennis. Het woord veda betekent “kennis" en het woord anta betekent “uiterste". Uiterste kennis is kennis van de Allerhoogste Heer.
Hoe dienen we de gedaante van Kṛṣṇa dan te begrijpen? Als er gezegd wordt dat God geen ogen, ledematen en zintuigen zoals ons heeft, hoe moeten we Zijn transcendentale zintuigen en Zijn transcendentale gedaante dan begrijpen? Door speculatie is dit niet mogelijk. We moeten Hem gewoon dienen en dan zal Hij zich aan ons onthullen. Zoals Kṛṣṇa Zelf zegt in het tiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (10.11):
teṣām evānukampārtham
aham ajñāna-jaṁ tamaḥ
nāśayāmy ātma-bhāva-stho
jñāna-dīpena bhāsvatā
aham ajñāna-jaṁ tamaḥ
nāśayāmy ātma-bhāva-stho
jñāna-dīpena bhāsvatā
"Om hen bijzondere genade te tonen verdrijf Ik, die in hun hart woon, met de stralende lamp der kennis de duisternis die uit onwetendheid geboren is." Kṛṣṇa is in ons aanwezig, en als we door middel van de methode van toewijding oprecht naar Hem op zoek zijn, dan zal Hij zich onthullen.
Zoals ook nog eens in het achttiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (18.55) gezegd wordt:
bhaktyā mām abhijānāti
yāvān yaś cāsmi tattvataḥ
tato māṁ tattvato jñātvā
viśate tad-anantaram
yāvān yaś cāsmi tattvataḥ
tato māṁ tattvato jñātvā
viśate tad-anantaram
"Alleen door toegewijde dienst kan men Mij kennen zoals Ik ben, als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. En als men zich door dergelijke toewijding volledig van Mij bewust is, kan men het koninkrijk Gods binnengaan." God moet dus door middel van dit bhakti-yoga proces begrepen worden, het proces van śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ horen en chanten over Viṣṇu. Dit is het begin van het bhakti-yoga proces. Door nederig en oprecht te luisteren zullen we het begrijpen. Kṛṣṇa zal Zich onthullen. Śravaṇaṁ kīrtanaṁ viṣṇoḥ smaraṇaṁ pāda-sevanam arcanaṁ vandanaṁ dasyam. In het bhakti-yoga systeem zijn er negen verschillende methoden. Vandanam is bidden, en ook dat is bhakti. Śravaṇam is het horen over Kṛṣṇa uit de Bhagavad-gītā, het Śrīmad-Bhāgavatam en andere śāstra's. Kirtanam is het verkondigen van Zijn heerlijkheden, het chanten van de Hare Krsna mantra. Dit is het begin van het bhakti-yoga proces. Śravanaṁ kirtanaṁ visnoḥ. Alles is Vișņu, en meditatie is gericht op Visņu. Zonder Viṣṇu is het niet mogelijk om bhakti te hebben. Kṛṣṇa is de oorspronkelijke gedaante van Viṣṇu (kṛṣṇas tu bhagavān svayam: “Kṛṣṇa is de oorspronkelijke gedaante van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods"). Als we dit proces van bhakti-yoga gewoon volgen, dan zouden we in staat moeten zijn de Allerhoogste te begrijpen en zouden alle twijfels moeten verdwijnen.
Het proces van aṣṭānga-yoga wordt nauwkeurig beschreven. in het zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (6.13-14):
samaṁ kāya-śiro-grīvam-
dhārayann acalaṁ sthiraḥ
samprekṣya nāsikāgraṁ svaṁ
diśaś cānavalokayan
dhārayann acalaṁ sthiraḥ
samprekṣya nāsikāgraṁ svaṁ
diśaś cānavalokayan
praśāntātmā vigata-bhīr
brahmacāri-vrate sthitaḥ
manaḥ saṁyamya mac-citto
yukta āsīta mat-paraḥ
brahmacāri-vrate sthitaḥ
manaḥ saṁyamya mac-citto
yukta āsīta mat-paraḥ
"Men dient zijn romp, hals en hoofd rechtop te houden en onafgebroken naar de punt van de neus te staren. Zo dient men met een onverstoorde en bedwongen geest, vrij van angst en volkomen vrij van seks, in zijn hart op Mij te mediteren en Me het uiteindelijke doel van zijn leven te maken." Yoga betekent niet dat men naar een of andere cursus gaat, wat geld betaalt, zich met wat gymnastiek bezighoudt en dan naar huis gaat om er te drinken, te roken en seks te bedrijven. Dit soort yoga wordt beoefend in verenigingen van bedriegers en bedrogenen. Het gezaghebbende yoga-systeem wordt hier uitgelegd door de allerhoogste autoriteit Zelf, Śrī Kṛṣṇa. Bestaat er een betere yogi dan Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods? In de eerste plaats moet men alleen naar een heilig oord gaan, er met opgerichte romp, hals en hoofd gaan zitten en onafgebroken naar de punt van de neus staren. En waarom? Omdat dit een methode is waardoor we de geest gemakkelijker kunnen concentreren. Dat is alles. Het werkelijke doel van yoga is echter dat men ervoor zorgt dat men zich er altijd van bewust is dat Heer Kṛṣṇa vanbinnen aanwezig is.
Een van de gevaren van het zittend mediteren en naar de punt van de neus staren is dat men in slaap valt. Ik heb vele zogenaamde mediteerders zo zien zitten snurken. Zodra men zijn ogen sluit, wordt men vanzelf slaperig. Daarom wordt er aangeraden de ogen maar half te sluiten en naar de punt van de neus te kijken. Met de blik op deze manier gefixeerd zou de geest bedwongen en onverstoord moeten zijn. In India gaan de yogi's vaak naar de jungle om zulk soort yoga in eenzaamheid te beoefenen. In de jungle zou de yogi echter kunnen denken: "Wat is dat voor geluid? Misschien is het wel een slang of een tijger." Zo zou de geest verstoord kunnen raken en daarom wordt er speciaal vermeld dat de yogi vrij van angst moet zijn. Een hertehuid wordt speciaal als yoga-āsana aangeraden, omdat het een chemisch bestanddeel bevat dat slangen op een afstand houdt; de yogi zal dus niet door slangen gestoord worden. Maar wat het ook zijn mag – slangen, tijgers of leeuwen men kan alleen maar werkelijk vrij van angst zijn als men Kṛṣṇa-bewust is. Doordat het geheugen verwrongen is, is de geconditioneerde ziel van nature angstig. Angst is te wijten aan het vergeten van onze eeuwige relatie met Kṛṣṇa. Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.37) zegt, bhayaṁ dvitiyābhiniveśataḥ syād īsād apetasya viparyayo 'smṛtiḥ. Kṛṣṇa-bewustzijn vormt de enige ware basis voor vrijheid van angst, en daarom is volmaakte beoefening van yoga niet mogelijk voor iemand die niet Kṛṣṇa-bewust is.
De yogi dient ook volledig vrij van seks te zijn. Als men zich met seks inlaat, kan men zich niet concentreren. Daarom wordt het brahmacarya, het volledig celibaat, aangeraden om de geest standvastig te maken. Door het celibaat te beoefenen ontwikkelt men vastberadenheid. Een recent voorbeeld hiervan is Mahatma Gandhi, die vastberaden was door geweldloosheid het machtige Britse koninkrijk te weerstaan. Het toenmalige India was afhankelijk van de Britten en de mensen hadden geen wapens. De Britten, die veel machtiger waren, konden de gewelddadige revoluties die zich voordeden met gemak neerslaan. Daarom zocht Gandhi zijn toevlucht tot geweldloosheid, non-coöperatie. "Ik zal niet met de Britten vechten," verkondigde hij, "en zelfs als ze met geweld reageren zal ik geweldloos blijven. Op deze manier zal de wereld met ons meevoelen." Dergelijk beleid vereist een enorme vastberadenheid, en Gandhi was zo vastberaden omdat hij een brahmacārī was. Hoewel hij een vrouw en kinderen had verzaakte hij seks toen hij zesendertig jaar oud was. Het was zijn verzaking van seks die hem in staat stelde zo vastberaden te zijn dat hij zijn land kon leiden en de Britten uit India kon verdrijven.
Onthouding van seks stelt iemand dus in staat om erg vastberaden en machtig te zijn. Het is niet nodig om iets anders te doen. Dit is een geheim dat de mensen onbekend is. Als je iets met vastberadenheid wil doen, moet je je onthouden van seks. Het maakt niet uit wat voor methode of het nu hatha-yoga, bhakti-yoga, jñāna-yoga, of wat dan ook is het is niet toegestaan je met seks in te laten. Seks is alleen toegestaan voor een getrouwd stel dat goede kinderen wil en ze Kṛṣṇa-bewust wil opvoeden. Seks is niet bedoeld voor zingenot, hoewel het genot er van nature is. Waarom zou men de verantwoording voor het nemen van kinderen op zich nemen tenzij er enig genot is? Dat is het geheim achter het geschenk van de natuur, maar we moeten er geen misbruik van maken. Dit zijn de geheimen van het leven. Door je te buiten te gaan aan seks, en het zo te misbruiken, verspil je gewoon je tijd. Wanneer iemand je vertelt dat je net zoveel seks kan bedrijven als je maar wil en tegelijkertijd een yogi kan worden, dan bedriegt hij je. Als een zogenaamde guru je vertelt dat je hem in ruil voor een of andere mantra geld moet geven en je dan verder met allerlei onzin kan bezighouden, dan bedriegt hij je gewoon. Omdat we iets voortreffelijks willen hebben voor een spotprijs, stellen we ons ervoor open bedrogen te worden. Dit betekent dat we eigenlijk bedrogen willen worden. Willen we iets waardevols, dan moeten we ervoor betalen. Als we een juwelierszaak binnenlopen moeten we niet verwachten dat we het meest waardevolle juweel voor slechts tien cent kunnen meenemen. Nee, we moeten er flink voor betalen. Op dezelfde manier moeten we betalen met onthouding van seks als we volmaakt willen worden in yoga. Volmaaktheid in yoga is geen kinderachtige bedoening en de Bhagavad-gītā legt ons uit dat we bedrogen zullen worden als we er wel iets kinderachtigs van willen maken. Er liggen vele bedriegers op de loer, klaar om ons geld af te nemen, ons er niets voor terug te geven en er dan vandoor te gaan. Volgens Śrī Kṛṣṇa's gezaghebbende verklaring in de Bhagavad-gītā dienen we echter volkomen vrij van seks te zijn. Vrij van seks dient men "in zijn hart op Mij te mediteren en Me het uiteindelijke doel van het leven te maken". Dit is werkelijke meditatie.
Meditatie op de leegte wordt niet door Kṛṣṇa aangeraden. Hij zegt speciaal, “Mediteer op Mij". De Viṣṇu-mūrti bevindt Zich in ieders hart en meditatie op Hem is het onderwerp van yoga. Dit is het sāṅkhya-yoga systeem zoals het oorspronkelijk door Heer Kapiladeva, een incarnatie van God, beoefend werd. Door rechtop te zitten, naar de punt van de neus te staren, de geest te bedwingen en zich te onthouden van seks, zou men de geest op de Viṣṇu-mūrti in het hart kunnen concentreren. Als we het over de Viṣṇu-mūrti of Viṣṇu-gedaante hebben, dan verwijzen we daarmee naar Śrī Kṛṣṇa. In de beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn mediteren we rechtstreeks op Śrī Kṛṣṇa. Dit is praktische meditatie. De leden van deze beweging concentreren hun geest op Kṛṣṇa, ongeacht hun specifieke bezigheden. Men kan in de tuin aan het graven zijn, maar denken: “Ik kweek prachtige rozen om aan Kṛṣṇa aan te bieden." Men kan in de keuken werken, maar altijd denken:
"Ik maak smakelijk voedsel klaar dat aan Kṛṣṇa aangeboden zal worden." Zingen en dansen in de tempel zijn ook vormen van meditatie op Kṛṣṇa. Op deze manier zijn de jongens en meisjes in deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn dus volmaakte yogi's, omdat ze vierentwintig uur per dag op Kṛṣṇa mediteren. We onderwijzen het volmaakte yoga-systeem; niet volgens onze eigen fantasie, maar op gezag van de Bhagavad-gītā. Niets is verzonnen of zelf vervaardigd. Iedereen kan de verzen van de Bhagavad-gītā zelf bekijken. De activiteiten van de bhakti-yogi's in deze beweging zijn zo gevormd dat de beoefenaars vanzelf voortdurend aan Kṛṣṇa denken. “Mediteer op Mij in het hart en maak Me het uiteindelijke doel van het leven" zegt Śrī Kṛṣṇa. Dit is het volmaakte yoga-systeem, en wie het beoefent bereidt zich erop voor om naar Kṛṣṇaloka overgebracht te worden.
yuñjann evaṁ sadātmānaṁ
yogī niyata-mānasa h
śāntiṁ nirvāṇa-paramāṁ
mat-saṁsthām adhigacchati
yogī niyata-mānasa h
śāntiṁ nirvāṇa-paramāṁ
mat-saṁsthām adhigacchati
"Terwijl hij op deze wijze voortdurende beheersing van lichaam, geest en activiteiten beoefent, bereikt de mystieke transcendentalist, die zijn geest gereguleerd heeft, door beëindiging van zijn materiële bestaan het koninkrijk Gods [de woonplaats van Kṛṣṇa]." (B.g. 6.15)
Er staat in dit Sanskriet-vers: śāntiṁ nirvāṇa-paramām, wat inhoudt dat men door nirvāṇa-paramām, of het beëindigen. van materiële activiteiten, vrede verkrijgt. Nirvāṇa heeft geen betrekking op leegte, maar op het beëindigen van materiële activiteiten. Tenzij men daar een einde aan maakt, is er geen sprake van vrede. Toen Hiranyakasipu zijn vijf jaar oude zoon Prahlāda Mahārāja vroeg "Mijn lieve jongen, wat is tot nu toe het beste wat je geleerd hebt?", antwoordde hij onmiddellijk, tat sādhu manye 'sura-varya dehināṁ sadā samudvigna-dhiyām asad-grahāt: "Mijn beste vader, o grootste van de demonen, materialisten zijn altijd bezorgd omdat ze het onbestendige als werkelijk aanvaard hebben.’’ Het woord asad-grahāt is van belang, omdat het aangeeft dat materialisten er altijd naar verlangen iets te bemachtigen of te bezitten dat niet blijvend is. De geschiedenis verschaft ons vele voorbeelden. Zo was meneer Kennedy een erg rijk man die president wilde worden, en gaf hij een hoop geld uit om die verheven positie te bereiken. Maar hoewel hij een leuke vrouw en kinderen, en de status van president had, was alles in een seconde voorbij. In de materiële wereld proberen mensen altijd iets te bemachtigen dat niet blijvend is. Jammer genoeg komen ze niet tot bezinning en realiseren ze zich niet: ‘Ik ben blijvend. Ik ben ziel. Waarom verlang ik naar iets dat niet blijvend is?’
We zijn altijd druk bezig met comfort te vinden voor het lichaam zonder erbij stil te staan dat het vandaag of morgen, of over honderd jaar, afgelopen zal zijn met dit lichaam. En wat het werkelijke ik betreft: "Ik ben ziel. Ik ken geen geboorte. Ik ken geen dood. Maar wat is dan mijn werkelijke taak?" Handelen we op het materiële niveau, dan zijn we bezig met lichamelijke activiteiten, en daarom zegt Prahlāda Mahārāja dat de mensen vol zorgen zitten omdat al hun activiteiten erop gericht zijn iets te bemachtigen of te bezitten dat niet blijvend is. Alle levende wezens – mensen, dieren, vogels, of wat dan ook zitten altijd vol zorgen; dit is de materiële ziekte. Hoe kunnen we vrede verkrijgen als we altijd vol zorgen zitten? Mensen mogen dan in een mooi huis wonen, maar in de tuin zetten ze een bordje neer met “pas op voor de hond" of "verboden toegang". Dit betekent dat ze, hoewel ze erg comfortabel leven, bang zijn dat iemand ze zal komen molesteren. Terwijl iemand in zijn kantoor zit en een goed salaris krijgt, denkt hij voortdurend: “O, ik hoop dat ik deze baan niet kwijtraak." De Amerikaanse natie is erg rijk, maar daardoor moeten ze er een enorme defensiemacht op nahouden. Wie is er dus vrij van zorgen? De conclusie is dat we Kṛṣṇa-bewust moeten worden als we vrede zonder zorgen willen. Er is geen alternatief.
Om vrede te verkrijgen moeten we op Kṛṣṇa mediteren, en door op Kṛṣṇa te mediteren kunnen we het lichaam beheersen. Het eerste lichaamsdeel dat beheerst moet worden is de tong en het volgende het geslachtsorgaan. Worden deze beheerst, dan wordt alles beheerst. De tong wordt beheerst door chanten en het eten van kṛṣṇa-prasāda. Zodra de tong beheerst wordt, worden ook de maag en vervolgens de geslachtsdelen beheerst. Eigenlijk is het beheersen van lichaam en geest een erg eenvoudig proces. Als de geest op Kṛṣṇa gefixeerd is en niets anders te doen heeft, is hij vanzelf beheerst. Activiteiten dienen altijd op werken voor Kṛṣṇa gericht te zijn tuinieren, typen, koken, schoonmaken of wat dan ook. Door lichaam, geest en activiteiten in dienst van Kṛṣṇa te stellen bereikt men het allerhoogste nirvāṇa, wat zich in Kṛṣṇa bevindt. Alles bevindt zich in Kṛṣṇa, en daarom kunnen we buiten Kṛṣṇa-bewuste activiteiten geen vrede vinden.
Het uiteindelijke doel van yoga is dus duidelijk. Yoga is er niet voor bestemd om wat voor materiële voorzieningen dan ook te verkrijgen; het is er om de beëindiging van het materiële bestaan mogelijk te maken. Zolang we materiële voorzieningen nodig hebben, zullen we ze krijgen. Maar deze voorzieningen zullen de problemen van het leven echter niet oplossen. Ik heb de hele wereld doorgereisd en ben van mening dat Amerikaanse jongens en meisjes de beste voorzieningen hebben, maar betekent dit dan dat ze vrede gevonden hebben? Is er iemand die kan zeggen: "Ja, ik ben volmaakt vredig"? Als dit zo is, waarom zijn de Amerikaanse jongeren dan zo gefrustreerd en verward?
Zolang we yoga beoefenen om een of andere materiële voorziening te krijgen, zal er geen sprake zijn van vrede. Yoga dient alleen maar beoefend te worden om Kṛṣṇa te begrijpen. Yoga is bedoeld om onze verloren gegane relatie met Kṛṣṇa te herstellen. Over het algemeen wordt men lid van een yogavereniging om zijn gezondheid te verbeteren; om wat gewicht kwijt te raken. De mensen in rijke naties eten meer, worden dik, en betalen dan buitensporige hoeveelheden geld aan zogenaamde yoga-leraren om weer slank te worden. Ze proberen door dit soort kunstmatige gymnastiek weer slank te worden, maar begrijpen niet dat ze nooit dik zullen worden als ze gewoon groente, fruit en granen eten. Mensen worden dik omdat ze vraatzuchtig zijn; omdat ze vlees eten. Vraatzuchtige mensen lijden aan diabetes, zwaarlijvigheid, hartaanvallen, enz. en degenen die te weinig eten lijden aan tuberculose. Daarom is matiging vereist, en matiging in eten houdt in dat we alleen maar eten wat nodig is om lichaam en ziel bij elkaar te houden. Als we meer of minder eten dan we nodig hebben, worden we ziek. Dit wordt allemaal uitgelegd in de volgende verzen:
nāty-aśnatas tu yogo ’sti
na caikāntam anaśnataḥ
na cāti-svapna-śīlasya
jāgrato naiva cārjuna
na caikāntam anaśnataḥ
na cāti-svapna-śīlasya
jāgrato naiva cārjuna
"Men kan met geen mogelijkheid een yogi worden, o Arjuna, als men teveel eet of te weinig eet, teveel slaapt of te weinig slaapt." (B.g. 6.16)
yuktāhāra-vihārasya
yukta-ceṣṭasya karmasu
yukta-svapnāvabodhasya
yogo bhavati duḥkha-hā
yukta-ceṣṭasya karmasu
yukta-svapnāvabodhasya
yogo bhavati duḥkha-hā
"Wie gereguleerd is in zijn gewoonten van eten, slapen, ontspanning en werk, kan door het beoefenen van het yogasysteem alle materiële pijn verzachten." (B.g. 6.17) Het is niet zo dat we onszelf moeten uithongeren. Het lichaam moet voor elk gebruik in conditie gehouden worden; eten is daarom vereist, en ons programma is dat we alleen maar kṛṣṇa-prasāda nemen. Kan je met gemak vijf kilo voedsel per dag aan, doe het dan, maar als je uit vraatzucht of inhaligheid vijf kilo voedsel probeert op te eten, zal je er onder lijden.
In de beoefening van Kṛṣṇa-bewustzijn zijn al deze activiteiten dus aanwezig, maar ze zijn vergeestelijkt. Beëindiging van het materiële bestaan betekent niet dat je opgaat in de leegte, dat is slechts een verhaaltje. Nergens in de schepping van de Heer is er leegte. Ik ben geen leegte, maar ziel. Als ik leegte zou zijn, hoe zou de ontwikkeling van mijn lichaam dan plaatsvinden? Waar is die leegte? Als we een zaadje planten, groeit het uit tot een plant of een grote boom. De vader loost zaad in de schoot van de moeder en het lichaam groeit als een boom. Waar is er leegte? In hoofdstuk veertien van de Bhagavad-gītā (14.4) zegt Srī Kṛṣṇa:
sarva-yoniṣu kaunteya
mūrtayaḥ sambhavanti yāḥ
tāsāṁ brahma mahad yonir
ahaṁ bīja-pradaḥ pitā
mūrtayaḥ sambhavanti yāḥ
tāsāṁ brahma mahad yonir
ahaṁ bīja-pradaḥ pitā
"Men dient te begrijpen, o zoon van Kunti, dat de aanwezigheid van alle levensvormen mogelijk gemaakt wordt door geboorte in deze materiële natuur, en dat Ik de vader ben van wie het zaad afkomstig is." Het zaad is door Kṛṣṇa, van wie het oorspronkelijk afkomstig is, in de schoot van de materiële natuur geplaatst en zo worden er vele levende wezens voortgebracht. Wat voor argumenten kan men tegen dit proces inbrengen? Als het zaad van het bestaan leeg is, hoe heeft dit lichaam zich dan ontwikkeld?
Nirvāṇa betekent eigenlijk dat men niet opnieuw een materieel lichaam aanneemt. Het betekent niet dat we proberen dit lichaam leeg te maken. Nirvāṇa betekent dat we het miserabele, materiële, geconditioneerde lichaam leeg maken in de zin dat we het omzetten in een geestelijk lichaam. Dit betekent het binnengaan in het koninkrijk Gods, dat in het vijftiende hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (15.6) beschreven wordt:
na tad bhāsayate sūryo
sa śaśāṅko na pāvakaḥ
yad gatvā na nivartante
tad dhāma paramaṁ mama
sa śaśāṅko na pāvakaḥ
yad gatvā na nivartante
tad dhāma paramaṁ mama
"Die allerhoogste woonplaats van Mij wordt niet door zon of maan verlicht, noch door vuur of elektriciteit. Degenen die haar bereiken keren nimmer naar deze materiële wereld terug."
Er is dus nergens leegte in de schepping van de Heer. Alle planeten in de geestelijke ruimte verlichten zichzelf, net zoals de zon. Het koninkrijk Gods bevindt zich overal, maar de geestelijke ruimte en alle planeten daar zijn paraṁ dhāma, allerhoogste woonplaatsen. Er is, zoals gezegd wordt, in de paraṁ dhāma geen behoefte aan zonlicht, maanlicht of elektriciteit. Dergelijke woonplaatsen komen we in dit universum nergens tegen. We kunnen met onze ruimteschepen zo ver reizen als maar mogelijk is, maar we zullen geen enkele plaats vinden waar er geen zonlicht is. Het zonlicht is zo wijdverspreid, dat het hele universum ervan doordrongen is. Daarom bevindt die woonplaats waar geen zonlicht, maanlicht of elektriciteit is zich buiten deze materiële ruimte. Buiten deze materiële natuur bevindt zich de geestelijke natuur. Eigenlijk weten we helemaal niets van deze materiële natuur, we weten niet eens hoe ze oorspronkelijk ontstaan is. Hoe kunnen we dan iets afweten van de geestelijke natuur, die daarbuiten ligt? We moeten dit leren van Kṛṣṇa, die daar woont; anders blijven we in onwetendheid.
Informatie over de geestelijke ruimte wordt ons in deze Bhagavad-gītā gegeven. Hoe kunnen we ook maar iets weten over dat wat we niet kunnen bereiken? Hoe kunnen we kennis verkrijgen terwijl onze zintuigen zo onvolmaakt zijn? We dienen gewoon te luisteren en te aanvaarden. Hoe kunnen we ooit weten wie onze vader is, tenzij we aanvaarden wat onze moeder zegt? Onze moeder zegt "Hier, dit is je vader", en dit moeten we maar aannemen. We kunnen niet bepalen wie onze vader is door hier en daar wat navraag te doen of door te trachten te experimenteren. Deze kennis gaat onze middelen te boven. Op dezelfde manier moeten we naar de autoriteit, moeder Veda, luisteren als we iets te weten willen komen over de geestelijke ruimte, het koninkrijk Gods. De Veda's worden veda-mātā, of moeder Veda, genoemd omdat de kennis die erin staat te vergelijken is met de kennis die men van de moeder ontvangt. We moeten geloven willen we kennis vergaren. Er bestaat geen mogelijkheid om deze transcendentale kennis te vergaren door met onze onvolmaakte zintuigen te experimenteren.
Een volleerd yogi, die Heer Kṛṣṇa volmaakt begrijpt, kan werkelijke vrede vinden en uiteindelijk de allerhoogste woonplaats van de Heer bereiken, zoals hier duidelijk door de Heer Zelf verklaard wordt (śāntiṁ nirvāṇa-paramāṁ mat-samsthām adhigacchati). Deze woonplaats staat bekend als Kṛṣṇaloka, of Goloka Vṛndāvana. In de Brahma-saṁhitā wordt uitgelegd (goloka eva nivasaty akhilātma-bhūtaḥ) dat de Heer, hoewel Hij altijd in Zijn woonplaats Goloka verblijft, door middel van Zijn hogere geestelijke energieën zowel het aldoordringende Brahman als de plaatselijk aanwezige Paramātmā is. Niemand heeft toegang tot de geestelijke ruimte of de eeuwige woonplaats van de Heer (Vaikuṇṭha, Goloka Vṛndāvana) zonder Kṛṣṇa en Zijn volkomen expansie Viṣņu op de juiste manier te begrijpen. En volgens de Brahma-saṁhitā is het noodzakelijk van onze gezaghebbende moeder, veda-mātā, te leren. De Brahma-saṁhitā verklaart dat de Allerhoogste Heer niet alleen in Zijn woonplaats Goloka Vṛndāvana verblijft, maar overal: goloka eva nivasaty akhilātma-bhūtaḥ. Hij is als de zon, die miljoenen kilometers hiervandaan en toch tegelijkertijd in deze kamer aanwezig is.
Samenvattend is degene die in Kṛṣṇa-bewustzijn handelt de volmaakte yogī, omdat zijn geest altijd opgaat in de activiteiten van Kṛṣṇa. Sa vai manaḥ kṛṣṇa-padāravindayoḥ. De Veda's leren ons ook, tam eva viditvāti mṛtyum eti: "Alleen door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, te begrijpen kan men het pad van geboorte en dood oversteken." De perfectie in yoga is dus om vrij te worden van het materiële bestaan, en niet om te goochelen of een of andere gymnastiektoer uit te halen om argeloze mensen in de maling te nemen.
In het yoga-systeem is matiging vereist, en daarom wordt er gezegd dat we niet teveel of te weinig moeten eten, slapen of werken. Deze activiteiten zijn er omdat we het yoga-systeem met dit materiële lichaam moeten uitvoeren. Met andere woorden, hoewel het materiële lichaam een miskoop is, moeten we er het beste van maken. Het materiële lichaam is in die zin een miskoop, dat het de bron van alle ellende is. De ziel ervaart geen ellende, en het gezonde geestelijk leven is de staat waarin het levend wezen normaal verkeert. Ellende en ziekte zijn te wijten aan materiële besmetting, ziekte, infectie. In dit opzicht is het materiële leven dus een ziekelijke staat waarin de ziel zich bevindt. En wat is deze ziekte? Het antwoord hierop is geen groot mysterie. De ziekte is dit lichaam. Dit lichaam is eigenlijk niet voor mij bedoeld. Het mag dan “mijn” lichaam zijn, maar het is een symptoom van mijn ziekelijke staat. Hoe dan ook, ik zou me net zoveel met dit lichaam moeten vereenzelvigen als ik me met mijn kleding vereenzelvig. We gaan allemaal verschillend gekleed in deze wereld: als rode mensen, bruine mensen, blanke mensen, zwarte mensen, gele mensen, enz. of als Indiërs, Amerikanen, hindoes, moslims, christenen, enz. Al deze benamingen zijn geen symptomen van onze werkelijke staat, maar van onze ziekelijke staat. De bedoeling van het yoga-systeem is om deze ziekte te genezen door ons weer met de Allerhoogste te verbinden.
Wij zijn ervoor bedoeld om met de Allerhoogste verbonden te zijn, net zoals het de bedoeling van onze hand is om met het lichaam verbonden te zijn. Wij zijn op dezelfde manier integrerende deeltjes van de Allerhoogste als de hand een integrerend deel van het lichaam is. De hand is waardeloos als ze van het lichaam gescheiden wordt, terwijl ze van onschatbare waarde is als ze met het lichaam verbonden is. Zo zijn we in deze materiële staat van God gescheiden. Eigenlijk is het woord "gescheiden" niet juist, omdat de verbinding er altijd is. God voorziet ons altijd in onze levensbehoeften. Omdat niets zonder Kṛṣṇa kan bestaan, kunnen we niet van Hem gescheiden zijn. Het is daarom dus beter te zeggen dat we vergeten zijn dat we met Kṛṣṇa verbonden zijn. Vanwege deze vergetelheid zijn we de gevangenis van het universum binnengegaan. De regering zorgt nog steeds voor haar misdadigers, maar ze zijn officieel van de burgermaatschappij gescheiden. Onze gescheidenheid is een gevolg van het feit dat we ons met zoveel onzinnige activiteiten inlaten in plaats van onze zintuigen aan te wenden voor het uitvoeren van onze Kṛṣṇa-bewuste plichten.
In plaats van te denken "Ik ben een eeuwige dienaar van God, Kṛṣṇa", denken we “Ik ben een dienaar van mijn maatschappij, mijn land, mijn echtgenoot, mijn vrouw, mijn hond, of wat dan ook." Dit wordt vergetelheid genoemd. Waar is dat vandaan gekomen? Al deze verkeerde denkbeelden zijn te wijten aan dit lichaam. Omdat ik in Amerika geboren ben denk ik dat ik een Amerikaan ben. Iedere maatschappij leert haar onderdanen op deze manier te denken. Omdat ik denk dat ik een Amerikaan ben kan de Amerikaanse regering me vertellen: "Kom vechten. Geef je leven voor je vaderland." Dit is allemaal te wijten aan de lichamelijke levensopvatting. Daarom behoort iemand die intelligent is te weten dat hij lijdt vanwege zijn lichaam, en dat hij een einde moet maken aan de activiteiten waardoor hij geboorte na geboorte in een materieel lichaam opgesloten wordt. Volgens de Padma Purāņa zijn er 8.400.000 levensvormen, en allemaal zijn ze niets anders dan verschillende vormen van besmetting of men nu het lichaam van een Amerikaan, een Indiër, een hond, een zwijn of wat voor lichaam dan ook heeft. Daarom is de eerste les in yoga: "Ik ben niet dit lichaam".
Van de besmetting van het materiële lichaam verlost worden is de eerste les van de Bhagavad-gītā. In het tweede hoofdstuk, nadat Arjuna Śrī Kṛṣṇa verteld had dat hij niet zou vechten, zei de Heer: "Hoewel je geleerde woorden spreekt treur je om iets wat het verdriet niet waard is. Zij die wijs zijn weeklagen noch om de levenden, noch om de doden." (B.g. 2.11) Met andere woorden, Arjuna dacht op het lichamelijke vlak. Hij wilde het slagveld verlaten omdat hij niet met zijn verwanten wilde vechten. Al zijn denkbeelden bevonden zich in de lichamelijke sfeer en daarom strafte Śrī Kṛṣṇa Arjuna, toen deze Hem als geestelijk leraar aanvaard had, onmiddellijk zoals een leraar zijn leerling straft om hem te onderrichten. In wezen vertelde Śrī Kṛṣṇa Arjuna: "Je spreekt op een wijze manier, alsof je ontzettend veel weet, maar in werkelijkheid spreek je onzin omdat je vanuit de lichamelijke beschouwing spreekt." Zo doen tevens de mensen over de hele wereld zich voor als enorm ontwikkeld op het gebied van onderwijs, wetenschap, filosofie, politiek, enz. terwijl ze zich op het lichamelijke vlak bevinden.
Een gier kan heel erg hoog vliegen tien tot twaalf kilometer en het is fantastisch hem zo te zien. Hij heeft tevens een sterk gezichtsvermogen, want hij kan op grote afstand een kadaver ontdekken. Maar wat is dan het doel van deze bijzondere eigenschappen? Een lijk, een rottend kadaver. Het is zijn volmaaktheid om een dood stuk vlees te ontdekken en het op te eten, dat is alles. Wij kunnen dus een hoge opleiding hebben, maar wat is ons doel? Zingenot, het genieten van dit materiële lichaam. We mogen dan met onze ruimteschepen op grote hoogte komen, maar wat is de bedoeling daarvan? Zinsbevrediging, dat is alles. Dit betekent dat al het streven en al deze hoge opleidingen zich louter op het dierlijke vlak bevinden.
Daarom dienen we eerst te begrijpen dat onze ellendige materiële situatie aan dit lichaam te wijten is. Op hetzelfde moment dienen we te weten dat dit lichaam niet blijvend is. Ik vereenzelvig me met mijn lichaam, familie, maatschappij, land en zoveel andere zaken, maar hoelang zullen ze bestaan? Ze zijn niet blijvend. Asat is een woord wat aangeeft dat ze zullen ophouden te bestaan. Asann api kleśada āsa dehaḥ: "Het lichaam is gewoon lastig en tijdelijk.”
Er komen veel mensen naar ons toe die zeggen: "Svāmījī, de situatie waarin ik me bevind bezorgt me zoveel problemen", maar zodra we het medicijn voorstellen, willen ze het niet. Dit betekent dat de mensen hun eigen medicijn willen maken. Waarom gaan we naar de dokter als we liever onszelf willen behandelen? De mensen willen alleen maar datgene aannemen waarvan ze denken dat het aangenaam is.
Hoewel we erop wijzen dat dit lichaam waardeloos en een soort van besmetting is, raden we niet aan dat het misbruikt moet worden. We kunnen een auto gebruiken om op ons werk te komen, maar dit betekent niet dat we dan niet voor de auto hoeven te zorgen. We moeten voor de auto zorgen omdat hij ons van hier naar daar kan brengen, maar we moeten er niet zo aan gehecht raken dat we hem iedere dag oppoetsen, We moeten dit lichaam gebruiken voor het uitoefenen van Kṛṣṇa-bewustzijn, en voor dit doel dienen we het gezond en in goede conditie te houden. We moeten er echter niet aan gehecht raken. Dat wordt yukta-vairāgya genoemd. Het lichaam moet niet verwaarloosd worden. We moeten regelmatig baden, eten en slapen om geest en lichaam gezond te houden. Sommige mensen beweren dat we het lichaam moeten verzaken, drugs moeten nemen en ons gewoon aan intoxicatie moeten overgeven, maar dat is geen yoga-methode. Kṛṣṇa heeft ons fijn voedsel gegeven fruit, granen, groenten en melken daar kunnen we duizenden zalige gerechten mee klaarmaken die aan Kṛṣṇa aangeboden kunnen worden. Het is onze methode om kṛṣṇa-prasāda te eten en zo onze tong te bevredigen. We moeten echter niet gulzig worden en enorme hoeveelheden samosa's, zoetigheden en rasagulla's nemen. Nee, we dienen net genoeg te eten en te slapen om het lichaam gezond te houden, en niet meer. Er staat geschreven:
yuktāhāra-vihārasya
yukta-ceṣṭasya karmasu
yukta-svapnāvabodhasya
yogo bhavati duḥkha-hā
yukta-ceṣṭasya karmasu
yukta-svapnāvabodhasya
yogo bhavati duḥkha-hā
"Wie gereguleerd is in zijn gewoonten van eten, slapen, ontspanning en werk, kan door het beoefenen van het yogasysteem alle materiële pijn verzachten." (B.g. 6.17)
Hoewel we eten en slapen tot een minimum moeten terugbrengen, moeten niet proberen dit te snel te doen, met de kans dat we ziek worden. Omdat de mensen eraan gewend zijn gulzig te eten, zijn er voorschriften om te vasten. We kunnen het eten en slapen verminderen, maar voor geestelijke doeleinden moeten we een goede gezondheid behouden. We moeten niet proberen om eten en slapen te snel of op een onnatuurlijke manier te verminderen; wanneer we vooruitgang maken, zullen we vanzelf geen pijn meer voelen als we deze natuurlijke lichaamsprocessen verminderen. In dit opzicht is Raghunātha dāsa Gosvāmī een goed voorbeeld. Hoewel hij de zoon van een erg rijk man was, verliet Raghunātha dāsa zijn thuis om zich bij Heer Caitanya Mahaprabhu aan te sluiten, omdat hij de enige zoon was, was Raghunātha dāsa de lieveling van zijn vader. Toen hij begreep dat zijn zoon naar Jagannātha Puri gegaan was om zich bij Heer Caitanya aan te sluiten, zond zijn vader vier dienaren met geld om hem bij te staan. Eerst aanvaardde Raghunatha het geld omdat hij dacht: "O, nu mijn vader me al dit geld heeft gestuurd zal ik het maar aanvaarden en alle sannyāsī's uitnodigen voor een feestmaaltijd."
Na enige tijd kwamen de feesten echter tot een eind. Heer Caitanya informeerde toen bij Zijn secretaris, Svarūpa Dāmodara: “Tegenwoordig ontvang ik geen uitnodigingen van Raghunatha meer. Wat is er gebeurd?"
"Dat komt omdat Raghunatha geen geld meer van zijn vader aanneemt."
"O, dat is heel fijn", zei Caitanya Mahāprabhu.
"Raghunatha dacht ‘Hoewel ik alles verzaakt heb, geniet ik nog steeds van het geld van mijn vader. Dat is schijnheilig.' Daarom heeft hij zijn dienaren de opdracht gegeven naar huis te gaan en het geld geweigerd."
"Hoe leeft hij nu dan?” vroeg Caitanya Mahāprabhu.
"O, hij staat op de trap van de Jagannātha-tempel, en als de priesters hem op weg naar huis passeren, geven ze hem wat prasāda. Zo is hij tevreden."
"Dat is heel fijn", antwoordde Caitanya Mahāprabhu.
Omdat Hij regelmatig naar de Jagannātha-tempel ging, zag Caitanya Mahaprabhu Raghunātha daar. Na een paar dagen zag Hij hem echter niet meer. Daarom zei de Heer tegen Zijn secretaris: "Ik zie Raghunatha niet langer op de trap van de tempel."
"Dat heeft hij opgegeven," legde Svarūpa Damodara uit, “hij dacht ‘O, ik sta hier net als een prostituée te wachten tot er iemand langskomt die me wat voedsel geeft. Nee, ik hou hier helemaal niet van.""
"Dat is heel fijn,” zei Caitanya Mahāprabhu, “maar hoe eet hij dan?"
"Iedere dag verzamelt hij rijst die door de keuken afgekeurd is en die eet hij."
Om hem aan te moedigen bezocht Caitanya Mahaprabhu op een dag Raghunatha. "Raghunatha,” zei de Heer “Ik hoor dat je smakelijk voedsel tot je neemt. Waarom nodig je Me niet uit?"
Raghunatha gaf geen antwoord, maar de Heer vond al snel de plaats waar hij de rijst bewaarde, nam er onmiddellijk wat van en begon ervan te eten.
"Lieve Heer," smeekte Raghunatha, "eet dit alstublieft niet. Het is niet geschikt voor U."
"O nee? Waarom zeg je dat het niet geschikt is voor mij? Het is de prasāda van Heer Jagannatha!"
Heer Caitanya spreidde dit spel en vermaak alleen maar tentoon om Raghunatha ervan af te brengen bij zichzelf te denken: “Ik eet deze miserabele, afgekeurde rijst." Door de aanmoediging van de Heer verminderde Raghunātha dāsa zijn dagelijkse hoeveelheid voedsel, totdat hij uiteindelijk om de dag slechts één klontje boter nam. Ook boog hij iedere dag honderden keren neer en chantte hij voortdurend de heilige namen. Sankhyā-pūrvaka-nāma-gāna-natibhiḥ kālāvasānī-kṛtau.
Hoewel dit een uitmuntend voorbeeld van het minimaliseren van alle materiële behoeften is, moeten we niet proberen het te imiteren. Voor een gewoon mens is het niet mogelijk om Raghunatha dāsa Gosvāmi te imiteren, die één van de zes Gosvāmi's was, een hoogverheven metgezel van Heer Caitanya Mahaprabhu Zelf. Ieder van de zes Gosvāmi's gaf een uniek voorbeeld hoe men in het Kṛṣṇa-bewustzijn vooruitgang kan maken, maar het is niet onze plicht hen te imiteren. We moeten gewoon proberen zoveel mogelijk hun voetspoor te volgen. Als we onmiddellijk als Raghunātha dāsa Gosvāmī proberen te worden door hem te imiteren, zullen we zeker falen en zal alle vooruitgang die we gemaakt hebben teniet gedaan worden. Daarom zegt de Heer (B.g. 6.16) dat men met geen mogelijkheid een yogi kan worden als men teveel of te weinig eet.
Dezelfde matiging is van toepassing op slaap. Nu slaap ik misschien wel tien uur per dag, maar als ik een goede conditie kan behouden door maar vijf uur te slapen, waarom zou ik dan tien uur slapen? Wat het lichaam betreft zijn er vier vereisten eten, slapen, seks en verdedigen. Het probleem van de moderne beschaving is dat ze probeert deze vereisten te laten toenemen, terwijl ze in plaats daarvan verminderd moeten worden. Eet wat nodig is, slaap wanneer dat nodig is en je gezondheid zal uitstekend zijn. Onnatuurlijke imitatie kan wel vergeten worden.
En wat voor resultaat wordt er bereikt door iemand die gematigd is in zijn gewoonten?
yadā viniyataṁ cittam
ātmany evāvatiṣṭhate
nispṛhaḥ sarva-kāmebhyo
yukta ity ucyate tadā
ātmany evāvatiṣṭhate
nispṛhaḥ sarva-kāmebhyo
yukta ity ucyate tadā
"Wanneer de yogi, door de beoefening van yoga, de activiteiten van zijn geest beheerst - en vrij van alle materiële verlangens - in het transcendente gevestigd raakt, heet hij in yoga verankerd te zijn." (B.g. 6.18)
De perfectie in yoga betekent dat men de geest in een evenwichtige staat houdt. Materieel gesproken is dit onmogelijk. Als je een roman één keer hebt gelezen, zou je hem niet nog een keer willen lezen, terwijl je de Bhagavad-gītā vier keer per dag kan lezen en er dan nog steeds geen genoeg van hebt. Je kan iemands naam misschien een half uur chanten, of een of ander werelds liedje drie of vier keer zingen, maar langer of meer wordt vervelend. Hare Kṛṣṇa kan men echter dag en nacht chanten zonder er ooit genoeg van te krijgen. Daarom kan de geest alleen door transcendentale geluidstrillingen in een evenwichtige staat gehouden worden. Als iemands geestelijke activiteiten op zo'n manier gestabiliseerd zijn, heet hij in yoga verankerd te zijn.
Het volmaakte stadium van yoga werd tentoongespreid door koning Ambarīṣa, die al zijn zintuigen in dienst van de Heer gebruikte. Zoals in het Śrīmad-Bhāgavatam (9.4.18-20) staat:
sa vai manaḥ kṛṣṇa-padāravindayor
vacāṁsi vaikuṇṭha-guṇānuvarṇane
karau harer mandira-mārjanādiṣu
śrutiṁ cakārācyuta-sat-kathodaye
vacāṁsi vaikuṇṭha-guṇānuvarṇane
karau harer mandira-mārjanādiṣu
śrutiṁ cakārācyuta-sat-kathodaye
mukunda-liṅgālaya-darśane dṛśau
tad-bhṛtya-gātra-sparśe ’ṅga-saṅgamam
ghrāṇaṁ ca tat-pāda-saroja-saurabhe
śrīmat-tulasyā rasanaṁ tad-arpite
tad-bhṛtya-gātra-sparśe ’ṅga-saṅgamam
ghrāṇaṁ ca tat-pāda-saroja-saurabhe
śrīmat-tulasyā rasanaṁ tad-arpite
pādau hareḥ kṣetra-padānusarpaṇe
śiro hṛṣīkeśa-padābhivandane
kāmaṁ ca dāsye na tu kāma-kāmyayā
yathottamaśloka-janāśrayā ratiḥ
śiro hṛṣīkeśa-padābhivandane
kāmaṁ ca dāsye na tu kāma-kāmyayā
yathottamaśloka-janāśrayā ratiḥ
"In de eerste plaats gebruikte koning Ambarīṣa zijn geest om aan de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa te denken; vervolgens gebruikte hij, de een na de ander, zijn woorden om de transcendentale eigenschappen van de Heer te beschrijven, zijn handen om de tempel van de Heer schoon te maken, zijn oren om naar verhalen over de activiteiten van de Heer te luisteren, zijn ogen om de transcendentale gedaanten van de Heer te zien, zijn lichaam om er de lichamen van de toegewijden mee aan te raken, zijn neus om er de geur van de lotusbloemen die aan de Heer geofferd zijn mee te ruiken, zijn tong om er de tulasiblaadjes die in de tempel van de Heer geofferd zijn mee te proeven, zijn hoofd om er de Heer eer mee te betuigen en zijn verlangens om er de missie van de Heer mee uit te voeren. Al deze transcendentale activiteiten passen een zuivere toegewijde wonderwel''
Dit is dan de perfectie van yoga, vrij van alle materiële verlangens. Als al onze verlangens voor Kṛṣṇa zijn, dan is er geen ruimte voor materiële verlangens. Alle materiële verlangens komen vanzelf tot een eind. We hoeven niet te trachten ons op een kunstmatige manier te concentreren. Alle perfectie is in Kṛṣṇa-bewustzijn aanwezig omdat het zich op het geestelijke niveau bevindt. Omdat het op het geestelijke niveau is, is deze superieure yoga eeuwig, gelukzalig en vol van kennis. Daarom zijn er geen twijfels of materiële obstakels.