Default View
Dual Language

Hoofdstuk 3

Hoe men God kan leren zien

bandhur ātmātmanas tasya
yenātmaivātmanā jitaḥ
anātmanas tu śatrutve
vartetātmaiva śatru-vat
"Voor wie zijn geest overwonnen heeft, is de geest de beste vriend; maar voor wie daar niet in geslaagd is, blijft de geest de grootste vijand." (B.g. 6.6)
Het doel van het yoga-systeem is om de geest tot vriend te maken en niet tot vijand. Als de geest met materie in aanraking is, bevindt hij zich min of meer in een staat van dronkenschap. In het Caitanya-caritāmṛta (Madhya-līlā 20.117) staat:
kṛṣṇa bhuli’ sei jīva-anādi-bahirmukha
ataeva māyā tāre deya saṁsāra-duḥkha
"Door Kṛṣṇa te vergeten is het levend wezen sinds onheuglijke tijden aangetrokken tot het uitwendig aspect van de Heer. Daarom bezorgt de begoochelende energie (māyā) hem in zijn materiële bestaan allerlei vormen van ellende." Eigenlijk is het levend wezen ziel, een integrerend deeltje van de Allerhoogste Heer. Omdat het levend wezen een klein beetje onafhankelijkheid heeft, komt het zodra de geest verontreinigd is in opstand. In deze staat dicteert de geest ons: "Waarom zou ik Kṛṣṇa dienen? Ik ben God." Zo gaat men dus onder een verkeerde indruk te werk en verspilt men zijn leven. We proberen vele dingen te veroveren zelfs een keizerrijk – maar als we er niet in slagen de geest te overwinnen, dan zijn we een mislukking, zelfs al slagen we erin een keizerrijk te veroveren. Hoewel we dan keizer zijn, zullen we onze grootste vijand in onszelf hebben onze eigen geest.
jitātmanaḥ praśāntasya
paramātmā samāhitaḥ
śītoṣṇa-sukha-duḥkheṣu
tathā mānāpamānayoḥ
"Voor wie de geest overwonnen heeft is de Superziel reeds bereikt, want hij is tot rust gekomen. Voor zo iemand zijn geluk en verdriet, hitte en kou, eer en schande een en hetzelfde." (B.g. 6.7)
Eigenlijk hoort ieder levend wezen zich te schikken naar de bevelen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die als Paramātmā in het hart van iedereen verblijft. Wordt de geest misleid door de uitwendige, begoochelende energie, dan raakt men verstrikt in materiële activiteiten. Zodra men zijn geest dus door middel van een van de yoga-systemen meester is, dient men beschouwd te worden als iemand die het doel al bereikt heeft. Men moet zich bij hogere bevelen neerleggen. Is de geest op de hogere natuur gericht, dan heeft hij geen andere keuze dan de bevelen van de Allerhoogste op te volgen. De geest moet een hoger bevel aanvaarden en het volgen. Als de geest beheerst wordt, volgt men automatisch het bevel op van de Paramātmā of Superziel. Omdat deze transcendentale positie onmiddellijk wordt bereikt door iemand die Kṛṣṇa-bewust is, is de toegewijde van de Heer onaangedaan door de dualiteiten van het materiële bestaan geluk en verdriet, hitte en kou, enz. Deze toestand wordt samādhi of het geabsorbeerd zijn in de Allerhoogste genoemd.
jñāna-vijñāna-tṛptātmā
kūṭa-stho vijitendriyaḥ
yukta ity ucyate yogī
sama-loṣṭrāśma-kāñcanaḥ
"Iemand is in zelfrealisatie verankerd en wordt een yogi (of mysticus) genoemd wanneer hij door verworven kennis en realisatie geheel voldaan is. Zo iemand bevindt zich op het transcendentale vlak en is zichzelf meester. Hij ziet alles of het nu kiezels, stenen of goud moge zijn met gelijke blik." (B.g. 6.8)
Kennis uit boeken zonder realisatie van de Allerhoogste Waarheid is nutteloos. Dit wordt als volgt verkondigd:
ataḥ śrī-kṛṣṇa-nāmādi
na bhaved grāhyam indriyaiḥ
sevonmukhe hi jihvādau
svayam eva sphuraty adaḥ
"Niemand kan de transcendentale aard van de naam, de gedaante, de eigenschappen en het spel en vermaak van Sri Kṛṣṇa met zijn door materie verontreinigde zintuigen begrijpen. Het transcendentale spel en vermaak en de transcendentale naam, gedaante en eigenschappen van de Heer worden alleen onthuld als men geestelijk volkomen vervuld is van transcendentale dienst aan de Heer." (Padma Purāṇa)
Er zijn mensen in de toestanden goedheid, hartstocht en onwetendheid, en om al deze geconditioneerde zielen te redden zijn er achttien Purāṇa’s. Zes van deze Purāṇa’s zijn bedoeld voor degenen die zich in goedheid bevinden, zes voor degenen die zich in hartstocht bevinden en zes voor degenen die zich in onwetendheid bevinden. De Padma Purāṇa is geschreven voor degenen in de toestand goedheid. Omdat er vele verschillende soorten mensen zijn, zijn er vele verschillende vedische rituelen. In de vedische geschriften staan rituelen en ceremonieën beschreven waarin een geit mag worden geofferd in aanwezigheid van de godin Kālī. Dit staat beschreven in de Mārkaṇḍeya Purāṇa, maar deze Purāṇa is bedoeld om degenen te onderwijzen die zich in de toestand onwetendheid bevinden.
Het is erg moeilijk om in één keer alle gehechtheden op te geven. Als iemand aan vlees eten verslaafd is en er wordt hem ineens verteld dat hij dat beter niet kan doen, dan kan hij dat advies niet zomaar aannemen, en zo kan ook iemand die aan het drinken van sterke drank gehecht is er niet ineens mee ophouden als hem verteld wordt dat het slecht voor hem is. Daarom vinden we bepaalde aanwijzingen in de Purāņa's die in essentie zeggen: "Wil je vlees eten? Goed, aanbid dan gewoon de godin Kāli en offer haar een geit. Alleen dan kan je vlees eten. Je kan geen vlees eten door het gewoon bij de slager te kopen. Nee, er moet geofferd of beperkt worden." Om de godin Kāli een geit te offeren moet men regelingen treffen voor een bepaalde datum en bepaalde artikelen gebruiken. Deze vorm van puja of verering is eens per maand toegestaan, in de nacht van de nieuwe maan. Er moeten ook bepaalde mantra's gechant worden als de geit wordt geofferd. De geit wordt het volgende verteld: "Je leven wordt geofferd voor de godin Kālī, en daarom zal je onmiddellijk naar de menselijke levensvorm bevorderd worden." Over het algemeen moet een levend wezen door vele levensvormen op de evolutie-ladder heen reizen om de menselijke levensvorm te bereiken, maar wordt een geit aan de godin Kāli geofferd, dan verkrijgt ze deze menselijke vorm onmiddellijk. De mantra zegt tevens: "Je hebt het recht degene door wie je geofferd wordt te doden." Het woord māṁsa geeft aan dat de geit in haar volgend leven het vlees zal eten van degene die haar nu offert. Dit op zichzelf zou de geiteneter bij zijn verstand moeten brengen. Hij zou zich moeten afvragen: "Waarom eet ik dit vlees? Waarom doe ik dit? In een ander leven moet ik het met mijn eigen vlees terugbetalen." Het hele idee is om de mensen te ontmoedigen vlees te eten.
Omdat er dus verschillende soorten mensen zijn, zijn er achttien Purāṇa’s om hen te leiden. De vedische geschriften zijn er om iedereen te redden, niet slechts enkelen. Het is niet zo dat vleeseters of dronkaards uitgesloten worden. Een dokter aanvaardt alle patiënten en schrijft ze naargelang de ziekte verschillende medicijnen voor. Het is niet zo dat hij voor alle ziektes hetzelfde medicijn geeft of dat hij maar één soort ziekte behandelt. Nee, aan iedereen die komt geeft hij een specifiek medicijn, en de patiënt ontvangt een progressieve behandeling.
De sattvische Purāṇa’s, zoals de Padma Purāṇa , zijn echter bedoeld voor degenen die zich in de toestand goedheid bevinden, voor hen die meteen in staat zijn de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods te vereren.
Er staat in de Brahma-saṁhitā, īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ sac-cid-ānanda-vigrahaḥ: “Kṛṣṇa, die een eeuwig geestelijk lichaam vol gelukzaligheid heeft, is de allerhoogste bestuurder." Dit is een vedische uitspraak en daarom aanvaarden we Śrī Kṛṣṇa dus als de Allerhoogste Heer. Degenen die zich in de toestanden hartstocht en onwetendheid bevinden proberen zich een gedaante van God voor te stellen, en als ze dan verward raken, zeggen ze: "O, er is geen persoonlijke God. God is onpersoonlijk of leegte." Dit is gewoon een resultaat van frustratie. In feite heeft God Zijn eigen gedaante, en waarom ook niet? Zoals de Vedānta-sūtra zegt, janmādy asya yataḥ: "De Allerhoogste Absolute Waarheid is Hij uit wie alles voortkomt." Het is duidelijk dat we verschillende soorten lichamen hebben, verschillende soorten gedaanten. We moeten ons afvragen waar deze gedaanten vandaan komen. Wat is de oorsprong van deze gedaanten? We moeten een beetje gezond verstand gebruiken. Als God geen persoon is, hoe kunnen Zijn zonen dan personen zijn? Als je vader gewoon leegte is, als hij geen persoon is, hoe kan jij dan een persoon zijn? Als je vader geen gedaante heeft, hoe kan jij dan een gedaante hebben? Dit is niet zo moeilijk; het is gewoon een kwestie van gezond verstand. Jammer genoeg proberen de mensen zich uit frustratie een of andere gedaante voor te stellen of concluderen ze dat God gedaanteloos moet zijn omdat deze materiële gedaante tijdelijk en lastig is. Ja, omdat alle gedaanten in deze materiële wereld zullen vergaan, moet God noodzakelijkerwijs gedaanteloos zijn.
De Brahma-saṁhitā verklaart uitdrukkelijk dat dit een misvatting is. īśvaraḥ paramaḥ kṛṣṇaḥ sac-cid-ānanda-vigrahaḥ. God heeft een gedaante, maar Zijn gedaante is sac-cid-ānanda-vigrahaḥ. Sat betekent “eeuwig", cit betekent "kennis” en ānanda betekent “vreugde". God heeft een gedaante, maar Zijn gedaante is eeuwig en vol van kennis en vreugde. We kunnen Zijn gedaante niet gaan vergelijken met onze gedaante. Onze gedaante is niet eeuwig en vol van vreugde, noch vol van kennis; daarom is de gedaante van God anders.
Zodra we het over een gedaante hebben, nemen we aan dat die precies als de onze moet zijn, en daarom luidt onze conclusie dat de eeuwige, alwetende en immer-gelukzalige God gedaanteloos moet zijn. Dit is geen kennis, maar het resultaat van onvolmaakt speculeren. In de Padma Purāṇa staat, ataḥ śrī-kṛṣṇa-nāmādi na bhaved grāhyam indriyaiḥ: "Men kan de gedaante, de naam, de kwaliteiten of het toebehoren van God niet met zijn materiële zintuigen begrijpen." Omdat onze zintuigen onvolmaakt zijn, kunnen we niet speculeren over Hem die het meest volmaakt is. Dat is onmogelijk.
Hoe is het dan mogelijk om Hem te begrijpen? Sevonmukhe hi jihvādau. Door de zintuigen te trainen en te zuiveren kunnen we God zien en begrijpen. Op dit moment proberen we God met onzuivere en onvolmaakte zintuigen te begrijpen. Het is net zoiets als iemand met staar die probeert te zien. Men moet niet, gewoon omdat men staar heeft, tot de conclusie komen dat er niets te zien valt. Op dezelfde manier kunnen we Gods gedaante op dit moment niet waarnemen, maar is onze staar verwijderd, dan kunnen we zien. De Brahma-saṁhitā verklaart, premāñjana-cchurita-bhakti-vilocanena santaḥ sadaiva hṛdayeṣu vilokayanti: “De toegewijden wier ogen gebalsemd zijn met de zalf van liefde voor God, kunnen God vierentwintig uur per dag in hun hart zien." Wat nodig is, is zuivering van de zintuigen; dan kunnen we de naam, de gedaante, de eigenschappen en het spel en vermaak van God begrijpen. Dan zullen we in staat zijn God overal en in alles te zien.
Deze zaken komen in de vedische geschriften uitvoerig aan bod. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat God, hoewel Hij geen handen en voeten heeft, kan aanvaarden wat Hem geofferd wordt (apāṇi-pādo javano gṛhītā). Er wordt ook gezegd dat God, hoewel Hij geen oren en ogen heeft, alles kan horen en zien. Deze ogenschijnlijke tegenstellingen zijn ervoor bedoeld om ons een belangrijke les te leren. Als we over zien spreken, denken we aan materieel zien. Vanwege onze materiële opvatting denken we dat de ogen van God net als onze ogen moeten zijn. Om zich van deze materiële opvattingen te ontdoen zeggen de vedische geschriften dus dat God geen handen, benen, ogen, oren, enz. heeft. God heeft ogen, maar Zijn zicht is oneindig. Hij kan zien in het donker en overal tegelijk. Daarom heeft Hij een ander soort ogen. Op dezelfde manier heeft God oren en kan Hij horen. Hij mag dan in Zijn koninkrijk zijn, miljoenen en miljoenen kilometers hiervandaan, toch kan Hij ons horen fluisteren, omdat Hij zich in ons bevindt. We kunnen het zien, horen en aanraken van God niet ontlopen.
patraṁ puṣpaṁ phalaṁ toyaṁ
yo me bhaktyā prayacchati
tad ahaṁ bhakty-upahṛtam
aśnāmi prayatātmanaḥ
"Als men Mij met liefde en toewijding een blad, een bloem, een vrucht of water offert, zal Ik het aanvaarden." (B.g. 9.26)

Als God geen zintuigen heeft, hoe kan Hij de offeringen die Hem aangeboden worden dan aanvaarden en opeten? Naar ritueel offeren we Kṛṣṇa dagelijks voedsel, en we kunnen merken dat de smaak van het voedsel onmiddellijk verandert. Dit is een praktisch voorbeeld. God eet, maar omdat Hij volkomen is, eet Hij niet op dezelfde manier als ons. Geef ik jou een maaltijd, dan eet je het op en zal alles verdwenen zijn. God heeft geen honger, maar toch eet Hij en laat het voedsel tegelijkertijd zoals het is, waardoor het in prasāda, Zijn genade, verandert. Pūrṇasya pūrṇam ādāya pūrṇam evāvaśiṣyate. God is volkomen, maar aanvaardt toch al het voedsel dat we Hem aanbieden. Het voedsel blijft echter hetzelfde. Hij kan eten met Zijn ogen. Zoals in de Brahma-saṁhitā verklaard wordt, aṅgāni yasya sakalendriya-vṛttimanti: “Ieder zintuig in het lichaam van de Heer heeft alle vermogens van de andere zintuigen." Wij kunnen met onze ogen zien, maar er niet mee eten. De zintuigen van God zijn echter anders omdat ze onbegrensd zijn. Hij eet het voedsel dat Hem geofferd wordt door er gewoon naar te kijken.
Dit zou nu te moeilijk kunnen zijn om te begrijpen, en daarom zegt de Padma Purāṇa dat de transcendentale naam, de gedaante, de eigenschappen en het spel en vermaak van de Heer alleen onthuld worden als men geestelijk vervuld is van transcendentale dienst aan de Heer. We kunnen God niet op eigen kracht begrijpen, maar uit Zijn genade onthult Hij Zich aan ons. Als het nacht is en je wil de zon zien, dan zal je moeten wachten tot ze verschijnt in de ochtend. Je kan niet met een grote fakkel naar buiten gaan en zeggen: "Kom, ik zal je het zonlicht laten zien." Als de zon uit eigen wil in de ochtend opkomt, dan kunnen we haar zien. We kunnen God niet op eigen kracht zien omdat onze zintuigen onvolmaakt zijn. We moeten onze zintuigen zuiveren en wachten tot God Zich aan ons wil onthullen. Dat is de methode. We kunnen God niet gaan uitdagen. We kunnen niet zeggen: "O beste God, beste Kṛṣṇa, kom alsjeblieft eens hier. Ik wil Je zien." Nee, God is onze loopjongen niet. Hij is onze dienaar niet. We zullen Hem zien als Hij tevreden is; daarom is Kṛṣṇa-bewustzijn een methode waardoor we God tevreden kunnen stellen, zodat Hij Zich aan ons zal onthullen.
Omdat de mensen God niet kunnen zien, aanvaarden ze met gemak iedereen die beweert God te zijn. Omdat ze geen idee van God hebben staan ze er klaar voor iedere toevallige ellendeling die God beweert te zijn als zodanig te aanvaarden. Mensen houden ervan te beweren dat ze op zoek zijn naar de waarheid, maar om naar de waarheid te zoeken moeten we weten wat de waarheid is. Hoe kunnen we er anders naar zoeken? Als we goud willen kopen moeten we in ieder geval theoretisch weten wat goud is, anders worden we bedrogen. Als gevolg van het feit dat ze geen idee van waarheid of God hebben, worden de mensen door zoveel schoften die God beweren te zijn in de maling genomen. In een samenleving van schoften aanvaardt de ene schoft de andere als God, en dit is allemaal het gevolg van het schoftendom. Het heeft allemaal niets met God te maken. Men moet zich ervoor kwalificeren om God te kunnen zien en begrijpen, en de methode om die kwalificatie te verkrijgen heet Kṛṣṇa-bewustzijn. Sevonmukhe hi jihvādau svayam eva sphuraty adaḥ: door God te dienen verkrijgt men de kwalificatie om God te zien. Er is geen andere manier. We mogen dan grote wetenschappers of geleerden zijn, maar onze wereldse geleerdheid zal ons niet helpen God te zien.
De Bhagavad-gītā is de wetenschap van het Kṛṣṇa-bewustzijn, en om Kṛṣṇa te kunnen begrijpen moeten we zo fortuinlijk zijn om met iemand die zich in zuiver Kṛṣṇa-bewustzijn bevindt om te kunnen gaan. Door een doctoraal, een ingenieursdiploma of wat dan ook te behalen, kan men de Bhagavad-gītā niet begrijpen. De Bhagavad-gītā is transcendentale wetenschap en vereist een ander soort zintuigen om te kunnen begrijpen. Onze zintuigen moeten gezuiverd worden door te dienen, niet door diploma's te behalen. Er zijn zoveel ingenieurs, zoveel geleerden die Kṛṣṇa niet kunnen begrijpen. Daarom verschijnt Kṛṣṇa in de materiële wereld. Hoewel Hij ongeboren is (ajo 'pi sann avyayātmā), verschijnt Hij om Zich aan ons te onthullen.
We kunnen Kṛṣṇa dus realiseren door de genade van Kṛṣṇa of door de genade van iemand die Kṛṣṇa-bewust is en Kṛṣṇa gerealiseerd heeft door de genade van Kṛṣṇa. Door middel van theoretische kennis kunnen we Hem niet begrijpen. We kunnen Kṛṣṇa alleen begrijpen door de genade van Kṛṣṇa. Krijgen we Zijn genade, dan kunnen we Hem zien, met Hem spreken wat we maar willen. Het is niet zo dat Kṛṣṇa leegte is. Hij is een persoon, de Allerhoogste Persoon, en we kunnen een relatie met Hem aangaan. Dat is wat de Veda's ervan zeggen. Nityo nityānāṁ cetanaś cetanānām: "We zijn allemaal eeuwige personen, en God is de allerhoogste eeuwige persoon." We zijn allemaal eeuwig, en God is de allerhoogste eeuwige. Omdat we momenteel in dit lichaam opgesloten zitten ervaren we geboorte en dood, maar in werkelijkheid zijn we ontstegen aan geboorte en dood. We zijn eeuwige zielen, maar naargelang onze handelingen en verlangens verhuizen we van het ene lichaam naar het andere. Dit wordt uitgelegd in het tweede hoofdstuk van de Bhagavad-gītā (2.20):
na jāyate mriyate vā kadācin
nāyaṁ bhūtvā bhavitā vā na bhūyaḥ
ajo nityaḥ śāśvato ’yaṁ purāṇo
na hanyate hanyamāne śarīre
"De ziel wordt nimmer geboren, noch sterft ze ooit. Ze is niet ontstaan, ontstaat niet en zal niet ontstaan. Ze is ongeboren, eeuwig, immer-zijnd en oorspronkelijk. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt gedood."
Zoals God eeuwig is, zo zijn wij eeuwig, en als we onze eeuwige relatie met de allerhoogste, volledig eeuwige herstellen, dan realiseren we onze eeuwige natuur. Nityo nityānāṁ cetanaś cetanānām. Van alle levende wezens is God de allerhoogste, en van alle eeuwigen is Hij de allerhoogste eeuwige. Door middel van Kṛṣṇa-bewustzijn, door middel van zuivering van de zintuigen, realiseren we deze kennis en zullen we God zien.
Door de genade van Kṛṣṇa heeft iemand die Kṛṣṇa-bewust is gerealiseerde kennis, omdat hij tevreden is met zuivere toegewijde dienst. Door middel van gerealiseerde kennis wordt men volmaakt. Door transcendentale kennis blijft men standvastig in zijn overtuiging, terwijl men met louter theoretische kennis makkelijk door ogenschijnlijke tegenstrijdigheden misleid en verward kan worden. Het is de gerealiseerde ziel die zichzelf werkelijk meester is, omdat ze aan Kṛṣṇa overgegeven is. Omdat ze niets met wereldse geleerdheid te maken heeft, is ze transcendentaal. Voor haar hebben wereldse geleerdheid en speculatie, die voor anderen zo goed als goud mogen zijn, niet meer waarde dan doodgewone kiezelstenen.
Zelfs analfabeten kunnen God realiseren, door zich gewoon aan nederige, transcendentale liefdedienst te wijden. God is aan geen enkele materiële voorwaarde onderhevig. Hij is het allerhoogste geestelijke, en de methode om Hem te realiseren gaat ook aan materiële overwegingen voorbij. Men kan dus een groot geleerde zijn en toch niet in staat zijn God te begrijpen. Men moet er niet van uitgaan dat men God niet kan realiseren omdat men arm is, noch moet men er van uitgaan dat men God wel kan realiseren omdat men erg rijk is. God kan begrepen worden door iemand zonder opleiding en verkeerd begrepen worden door iemand met een hoge opleiding. Het begrijpen van God is, net als God Zelf, onvoorwaardelijk (apratihatā).
In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.6) staat:
sa vai puṁsāṁ paro dharmo
yato bhaktir adhokṣaje
ahaituky apratihatā
yayātmā suprasīdati
"De allerhoogste activiteit (dharma) voor de gehele mensheid is die waardoor men tot liefdevolle toegewijde dienst aan de transcendentale Heer komt. Om het zelf volledige voldoening te schenken dient deze toegewijde dienst ongemotiveerd en zonder onderbreking te zijn." Het ontwikkelen van liefde voor God: dat is de definitie van een eersteklas godsdienst. Zoals er drie guna's, of kwaliteiten, in de materiële wereld zijn, zo zijn er verschillende godsdiensten die zich ieder in één van de drie toestanden bevinden. Wij houden ons echter niet bezig met het ontleden van deze godsdienstige opvattingen. Voor ons is het begrijpen van God en leren van Hem te houden het doel van godsdienst. Dat is het werkelijke doel van welk eersteklas godsdienstig systeem dan ook. Als een godsdienst geen liefde voor God onderwijst, dan is hij waardeloos. Ook al volgt men zijn godsdienstige principes heel nauwkeurig, als men geen liefde voor God heeft, dan is zijn godsdienst leeg en heeft geen waarde. Volgens het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.6) moet werkelijke godsdienst ahaitukī en apratihatā zijn: zonder zelfzuchtige motieven en zonder onderbrekingen. Door zo'n godsdienst te beoefenen zullen we in alle opzichten gelukkig worden.
Sa vai puṁsāṁ paro dharmo yato bhaktir adhokṣaje. Een andere naam voor God is adhokṣaja, wat “iemand die niet op een materiële manier waargenomen kan worden” betekent. Dit houdt in dat God al onze materiële pogingen om Hem te zien te boven gaat. Het woord akṣaja verwijst naar experimentele kennis, en adhaḥ betekent “onbereikbaar". God kan dus niet door middel van experimentele kennis bereikt worden. We moeten leren om op een andere manier met Hem in contact te komen; door in alle nederigheid te luisteren en transcendentale liefdedienst te bewijzen.
Ware godsdienst onderwijst belangeloze liefde voor God en zegt niet: "Ik hou van God omdat Hij me fijne dingen geeft voor mijn zinsbevrediging." Dat is geen liefde. God is groot, God is onze eeuwige vader, en het is onze plicht van Hem te houden. Er is geen sprake van ruilhandel of uitwisselen. We moeten niet denken: "O, God geeft me mijn dagelijks brood; daarom hou ik van Hem." God geeft zelfs de katten en honden hun dagelijks brood. Omdat Hij de vader van iedereen is, voorziet Hij iedereen van voedsel. Van God houden voor ons dagelijks brood is dus geen "houden van". We zouden zelfs van God moeten houden als Hij ons het dagelijks brood niet geeft. Dat is ware liefde. Zoals Caitanya Mahāprabhu zei, āśliṣya vā pādaratāṁ pinaṣṭu mām adarśanān marma-hatāṁ karotu vā: “Laat Kṛṣṇa deze dienstmeid, die aan Zijn voeten gevallen is, stevig omhelzen. Laat Hem Me vertrappen of Mijn hart breken door nooit zichtbaar voor Me te zijn. Hij is per slot van rekening een verleider en kan doen wat Hij wil, maar Hij is en blijft niemand anders dan de aanbiddelijke Heer van Mijn hart." Dat is het gemoed van iemand die zich in de staat van zuivere liefde voor God bevindt. Als we dat niveau van liefde voor God bereiken, zullen we ontdekken dat alles vol vreugde is; God is vol vreugde en wij zijn vol vreugde.
suhṛn-mitrāry-udāsīna-
madhyastha-dveṣya-bandhuṣu
sādhuṣv api ca pāpeṣu
sama-buddhir viśiṣyate
"Men wordt beschouwd nog verder gevorderd te zijn wanneer men degenen die anderen oprecht het beste toewensen, toegenegen weldoeners, onpartijdigen, bemiddelaars, afgunstigen, vrienden en vijanden, de vromen en de zondaars allemaal met een gelijke geest beschouwt." (B.g. 6.9)
Dit is een teken van ware geestelijke vooruitgang. Op het lichamelijke niveau beschouwen we de mensen in deze materiële wereld als vrienden en vijanden dat wil zeggen op basis van zinsbevrediging. Bevredigt iemand onze zinnen, dan is hij onze vriend, doet hij dat niet, dan is hij onze vijand. Hebben we God, of de Absolute Waarheid, echter gerealiseerd, dan bestaan dergelijke materiële overwegingen niet meer.
Alle geconditioneerde zielen in deze materiële wereld verkeren in illusie. Een dokter behandelt alle patiënten, en zelfs als een patiënt ijlt en hem beledigt zal hij niet weigeren hem te behandelen; hij zal het nodige medicijn toch toedienen. Zoals Heer Jezus Christus zei: "We moeten de zonde haten en niet de zondaar." Dit is een goede opmerking, want de zondaar verkeert in illusie. Hij is waanzinnig. Hoe kunnen we hem verlossen als we hem haten? De gevorderde toegewijden, de werkelijke dienaren van God, haten daarom niemand. Toen Heer Jezus Christus gekruisigd werd zei hij: “Mijn God, vergeef het hen. Ze weten niet wat ze doen." Dit is de juiste houding van een gevorderde toegewijde. Hij begrijpt dat men de geconditioneerde zielen niet kan haten, omdat ze door hun materialistische manier van denken gek geworden zijn. In deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is er geen sprake van haat. Iedereen wordt uitgenodigd om langs te komen en Hare Kṛṣṇa te chanten, naar de filosofie van de Bhagavad-gītā te luisteren, kṛṣṇa-prasāda te nemen en te proberen het materieel geconditioneerde leven te corrigeren. Dit is het belangrijkste programma van het Kṛṣṇa-bewustzijn, en daarom zei Heer Caitanya Mahāprabhu:
yāre dekha, tāre kaha ‘kṛṣṇa’-upadeśa
āmāra ājñāya guru hañā tāra’ ei deśa
“Instruct everyone to follow the orders of Lord Śrī Kṛṣṇa as they are given in the Bhagavad-gītā and Śrīmad-Bhāgavatam. In this way become a spiritual master and try to liberate everyone in this land.” (Caitanya-caritāmṛta, Madhya 7.128)
yogī yuñjīta satatam
ātmānaṁ rahasi sthitaḥ
ekākī yata-cittātmā
nirāśīr aparigrahaḥ
"Een transcendentalist dient zijn lichaam, geest en zelf altijd in relatie tot de Allerhoogste te gebruiken; hij behoort afgezonderd en alleen te leven en voortdurend zorgvuldig zijn geest te beheersen. Hij dient vrij te zijn van verlangens en het gevoel iets te bezitten." (B.g. 6.10)
In dit hoofdstuk, waarin de Heer de grondbeginselen van het yoga-systeem onderwijst, wijst Hij erop dat een transcendentalist moet proberen zijn geest altijd op het Allerhoogste Zelf te concentreren. "Het Allerhoogste Zelf" verwijst naar Kṛṣṇa, de Allerhoogste Heer. Zoals eerder uitgelegd werd (nityo nityānāṁ cetanaś cetanānām), is God de allerhoogste eeuwige, het allerhoogste levend wezen, het Allerhoogste Zelf. Het totale yoga-systeem heeft tot doel de geest op dit Allerhoogste Zelf te concentreren. Wij zijn niet het Allerhoogste Zelf, dat moet begrepen worden. God is het Allerhoogste Zelf. Dit is dvaita-vāda dualiteit. Dualiteit betekent dat God van mij verschilt. Hij is het allerhoogst en ik ben ondergeschikt. Hij is groot en ik ben klein. Hij is oneindig en ik ben oneindig klein. Dit is hoe de relatie tussen ons en God begrepen moet worden. Omdat we oneindig klein zijn dienen we onze geest op het oneindige Allerhoogste Zelf te concentreren. Om dit te kunnen doen moeten we alleen leven, en "alleen leven" betekent dat we niet met hen die niet Kṛṣṇa-bewust zijn moeten samenleven. Ideaal gezien betekent het dat we op een afgezonderde plaats moeten leven, zoals een in groot bos of een jungle, maar in dit tijdperk zijn dergelijke afgezonderde plaatsen erg moeilijk te vinden. Daarom verwijst "afgezonderde plaats" naar die plaats waar Godsbewustzijn wordt onderwezen.
De transcendentalist dient ook zorgvuldig zijn geest te beheersen, en dat betekent dat de geest op het Allerhoogste Zelf, of Kṛṣṇa, gefixeerd moet worden. Er werd al vermeld dat Kṛṣṇa net als de zon is en dat er geen sprake is van duisternis als de geest op Hem gefixeerd is. Als Kṛṣṇa Zich altijd in onze geest bevindt, dan kan māyā, of illusie, er nooit binnenkomen. Dat is de methode van concentratie.
De transcendentalist dient tevens vrij te zijn van verlangens en het gevoel iets te bezitten. De mensen zijn materieel ziek omdat ze iets verlangen en het willen bezitten. Ze verlangen naar datgene wat ze niet hebben en klagen over datgene wat ze verloren hebben. Brahma-bhūtaḥ prasannātmā. Wie werkelijk Godsbewust is verlangt niet naar materiële bezittingen. Hij heeft maar één verlangen Kṛṣṇa dienen. Het opgeven van verlangens is niet mogelijk, maar het is mogelijk om onze verlangens te zuiveren. Het ligt in de aard van het levend wezen iets te verlangen, maar in de geconditioneerde toestand is dat verlangen verontreinigd. Wie geconditioneerd is denkt: "Ik verlang ernaar mijn zintuigen met materiële bezittingen te bevredigen." Gezuiverd verlangen is het verlangen naar Kṛṣṇa, en als we naar Kṛṣṇa verlangen, zullen de verlangens naar materiële bezittingen vanzelf verdwijnen.
śucau deśe pratiṣṭhāpya
sthiram āsanam ātmanaḥ
nāty-ucchritaṁ nāti-nīcaṁ
cailājina-kuśottaram
tatraikāgraṁ manaḥ kṛtvā
yata-cittendriya-kriyaḥ
upaviśyāsane yuñjyād
yogam ātma-viśuddhaye
"Om yoga te beoefenen dient men naar een afgezonderde plaats te gaan, er kuśa-gras op de grond te leggen en dit te bedekken met een hertehuid en een zachte doek. De zitplaats mag niet te hoog of te laag zijn en moet zich in een heilig oord bevinden. De yogī dient er dan vastberaden op plaats te nemen en yoga te beoefenen om het hart te zuiveren door zijn geest, zintuigen en activiteiten te beheersen en zijn geest op één punt te fixeren." (B.g. 6.11-12)
In deze verzen wordt de nadruk gelegd op hoe en waar men moet zitten. In de Verenigde Staten en andere westerse landen zijn er vele zogenaamde yoga-verenigingen, maar in geen ervan wordt volgens deze voorschriften yoga beoefend. “Een heilig oord” verwijst naar een pelgrimsoord. In India verlaten de yogi's, transcendentalisten of toegewijden allemaal hun huis, vestigen zich in heilige oorden zoals Prayāga, Mathurā, Vṛndāvana, Hṛṣīkeśa en Hardwar en beoefenen in eenzaamheid yoga waar heilige rivieren zoals de Yamuna en de Ganges stromen. Hoe is dit dus mogelijk in dit tijdperk? Hoeveel mensen zijn er bereid om een dergelijk heilig oord te vinden? Om in zijn levensonderhoud te voorzien moet men in een overbevolkte stad leven. Daar kan men het wel vergeten om een heilig oord te vinden. Voor het beoefenen van yoga is dit echter de eerste vereiste.
Daarom wordt de tempel in het bhakti-yoga systeem als een heilig oord beschouwd. De tempel is nirguņa – transcendentaal. Volgens de Veda's verkeert een stad in de toestand hartstocht en een bos in de toestand goedheid. De tempel is echter transcendentaal. Leef je in een stad, dan leef je op een plaats waar hartstocht de overhand heeft, en wil je hieruit wegkomen, dan kan je naar een bos gaan, een plaats van goedheid. De tempel van God staat echter boven hartstocht en goedheid en daarom is de tempel van Kṛṣṇa de enige afgezonderde plaats voor dit tijdperk. In dit tijdperk is het onmogelijk om je in een bos terug te trekken, en heeft het tevens geen zin om net te doen alsof je yoga beoefent bij een zogenaamde yogavereniging, terwijl je tegelijkertijd met allerlei onzin bezig bent.
Daarom staat er in de Bṛhan-nāradīya Purāṇa dat de beste methode voor geestelijke realisatie in Kali-yuga, waarin de mensen over het algemeen maar kort leven, langzaam zijn in geestelijke realisatie en altijd verstoord zijn door verschillende zorgen, het zingen van de heilige namen van de Heer is:
harer nāma harer nāma
harer nāmaiva kevalam
kalau nāsty eva nāsty eva
nāsty eva gatir anyathā
"In dit tijdperk van ruzie en schijnheiligheid is het zingen van de heilige naam van de Heer de enige manier om bevrijd te raken. Er is geen andere manier. Er is geen andere manier. Er is geen andere manier."
Dit is de oplossing. Dit is het grote geschenk van Caitanya Mahaprabhu. In dit tijdperk zijn andere vormen van yoga onuitvoerbaar, maar deze vorm van yoga is zo eenvoudig en universeel dat zelfs een kind eraan kan deelnemen.