Default View
Dual Language

Hoodstuk 2

Beheersing van geest en zintuigen

yaṁ sannyāsam iti prāhur
yogaṁ taṁ viddhi pāṇḍava
na hy asannyasta-saṅkalpo
yogī bhavati kaścana
"Je dient te weten dat datgene wat verzaking genoemd wordt hetzelfde is als yoga, of zich verbinden met de Allerhoogste, o zoon van Pāṇḍu, omdat men nimmer een yogi kan worden tenzij men het verlangen naar zinsbevrediging opgeeft." (B.g. 6.2)
Dit is de ware bedoeling achter de beoefening van yoga. Het woord yoga betekent “verbinden". Alhoewel we van nature integrerende deeltjes van de Allerhoogste zijn, zijn we nu in deze geconditioneerde staat van Hem gescheiden. Door deze scheiding zijn we er afkerig van om God te begrijpen en over onze relatie met Hem te spreken. We zijn zelfs geneigd te denken dat dergelijke gesprekken tijdverspilling zijn. Terwijl in een kerk of tempel van Kṛṣṇa over God wordt gesproken, zijn de mensen in het algemeen niet erg geïnteresseerd. Ze denken dat het verspilde tijd is, een soort van tijdverdrijf onder het mom van geestelijke vooruitgang, en dat deze tijd beter besteed kan worden aan het verdienen van geld of het genieten in een nachtclub of restaurant.
Het is dus vanwege zingenot dat we niet aan God gehecht zijn, en daarom wordt er ook gezegd dat degenen die aan zin- genot verslaafd zijn geen yogi's kunnen worden - wat inhoudt dat ze er niet voor in aanmerking komen om aan het proces van yoga deel te nemen. Als men zich met zinsbevrediging inlaat en dan ook nog probeert te mediteren, dan kan men in geen enkel systeem van yoga vooruitgang maken. Dit is gewoon een gigantische oplichterij. Dergelijke tegenstrijdige activiteit heeft geen enkele betekenis. Yoga betekent in de eerste plaats beheersing van de zintuigen - yama-niyama. Er zijn acht stadia in yoga: yama, niyama, āsana, dhyāna, dhāraṇā, prāṇāyāma, pratyāhāra, en samādhi.
In dit zesde hoofdstuk, waarin de Heer over het sāṅkhya-yoga systeem spreekt, zegt Hij al vanaf het begin dat men geen yogi kan worden tenzij men het verlangen naar zinsbevrediging opgeeft. Daarom kan men niet als yogi aanvaard worden als men aan de verlangens van de zintuigen tegemoetkomt. Yoga vereist strikt celibaat. Er bestaat geen seks in het yoga-systeem. Men kan geen yogi zijn als men zich met seks inlaat. Er komen vele zogenaamde yogi's van India naar Amerika die zeggen: "Ja ja, je kan doen wat je maar wil. Je kan net zoveel seks bedrijven als je maar wil. Mediteer gewoon; ik zal je een mantra geven en jij geeft me wat geld." Dit is allemaal onzin. Volgens de gezaghebbende uitspraken van Śrī Kṛṣṇa kan men geen yogi worden tenzij men het verlangen naar zinsbevrediging opgeeft. Er wordt uitdrukkelijk gezegd dat dit de eerste voorwaarde voor de beoefening van yoga is.
ārurukṣor muner yogaṁ
karma kāraṇam ucyate
yogārūḍhasya tasyaiva
śamaḥ kāraṇam ucyate
"Men zegt dat werken de methode is voor de nieuweling in het achtvoudige yoga-systeem, en het staken van alle materiële activiteit voor degene die al gevorderd is in yoga.” (B.g. 6.3) Volgens dit vers zijn er degenen die proberen het niveau van volmaaktheid te bereiken, en degenen die dat niveau al bereikt hebben. Zolang men zich nog niet op het niveau van volmaaktheid bevindt, moet men zich met zó veel activiteiten bezighouden. In het Westen zijn er vele yoga-verenigingen waar men probeert het systeem van asana te beoefenen, en zich daarom in verschillende zithoudingen traint. Het kan helpen, maar het is slechts een methode die ervoor bedoeld is om het werkelijke niveau te bereiken. In het volmaakte stadium is er een enorm verschil tussen het ware yoga-systeem en deze lichamelijke oefeningen.
Het is echter belangrijk om te begrijpen dat iemand die Kṛṣṇa-bewust is zich al vanaf het begin op het meditatieve niveau bevindt, omdat hij altijd aan Kṛṣṇa denkt. Omdat hij Kṛṣṇa voortdurend dient, wordt hij verondersteld alle materiële activiteiten gestaakt te hebben.
yadā hi nendriyārtheṣu
na karmasv anuṣajjate
sarva-saṅkalpa-san nyāsī
yogārūḍhas tadocyate
“Iemand heet in yoga gevorderd te zijn wanneer hij, na alle materiële verlangens te hebben opgegeven, noch handelt voor zinsbevrediging, noch zich bezighoudt met baatzuchtige activiteiten." (B.g. 6.4)
Dit is in wezen het volmaakte stadium van yoga. Van degene die dit stadium bereikt heeft wordt gezegd dat hij tot yoga gekomen is, wat inhoudt dat hij zich met het allerhoogste geheel verenigd of verbonden heeft. Een onderdeel van een machine heeft geen functie als het niet met de machine verbonden is, maar is het op de juiste manier aan de machine bevestigd, dan werkt het naar behoren en vervult het zijn verschillende taken. Dat is de betekenis van yoga - zich verbinden met het allerhoogste geheel; met de totale machine samenwerken. Op dit moment zijn we niet verbonden en zijn onze materiële, baatzuchtige activiteiten gewoon tijdverspilling. Wie zich met dergelijke activiteiten bezighoudt, wordt in de Bhagavad-gītā beschreven als een mūḍha - een schoft. Hoewel iemand een belangrijk zakenman mag zijn en dagelijks duizenden guldens mag verdienen, wordt hij in de Bhagavad-gītā beschreven als een mūḍha, een schoft, omdat hij gewoon zijn tijd verspilt met eten, slapen, verdedigen en seks.
De mensen staan er niet bij stil dat ze eigenlijk enorm hard werken voor niets. Iemand die miljoenen guldens verdient kan niet veel meer eten dan iemand die twintig gulden verdient. Een man die miljoenen guldens verdient kan geen seks hebben met miljoenen vrouwen. Dat ligt niet in zijn vermogen. Net zoals zijn vermogen om te eten hetzelfde is als van iemand die twintig gulden verdient, is zijn vermogen om seks te bedrijven dat ook. Dit houdt in dat ons vermogen om te genieten begrensd is. Men zou daarom moeten denken: "Mijn genot is hetzelfde als van iemand die twintig gulden verdient. Waarom werk ik dan zo hard om miljoenen guldens te verdienen? Waarom verspil ik mijn energie? Ik zou mijn tijd en energie moeten aanwenden om God te begrijpen. Dat is het doel van het leven." Als men geen geldproblemen heeft, dan heeft men genoeg tijd om Kṛṣṇa-bewustzijn te begrijpen. Verspilt men deze kostbare tijd echter, dan wordt men een mūḍha, een schoft of een ezel, genoemd.
Volgens het voorgaande vers is iemand die alle materiële activiteit heeft verzaakt tot yoga gekomen. Zijn we eenmaal volmaakt in yoga gesitueerd, dan zijn we tevreden. Dan hebben we geen materiële verlangens meer. Dan handelen we niet langer voor zinsbevrediging, noch houden we ons dan nog bezig met baatzuchtige activiteiten. Spreken we over “baatzuchtige activiteiten", dan verwijzen we daarmee naar activiteiten die worden verricht met zinsbevrediging als doel. Dit houdt in dat we geldverdienen zodat we onze zintuigen kunnen bevredigen. Als men deugdzaam is, houdt men zich bezig met vrome activiteiten - het schenken van geld voor liefdadigheid, het openen van ziekenhuizen, scholen, enz. Hoewel dit zeker deugdzame activiteiten zijn, zijn ze uiteindelijk toch voor zinsbevrediging bedoeld. Hoe dit mogelijk is? Als ik nu bijvoorbeeld geld schenk aan een onderwijsinstelling, dan zal ik in mijn volgend leven goede onderwijsfaciliteiten krijgen en zeer ontwikkeld zijn. Op die manier opgevoed zal ik een goede baan en een goed salaris krijgen. En hoe zal ik dat geld dan gebruiken? Voor zinsbevrediging. Deze deugdzame en baatzuchtige activiteiten vormen dus een soort van kringloop.
De uitdrukking een betere levensstandaard horen we vaak genoeg, maar wat betekent het? Er wordt gezegd dat de levensstandaard van Amerika hoger is dan die van India, maar in beide landen treffen we eten, slapen, verdedigen en seks aan. Goed, in Amerika mag de kwaliteit van het voedsel dan beter zijn, maar het blijft eten. Een hogere levensstandaard betekent niet hogere geestelijke realisatie. Het betekent gewoon beter eten, beter slapen, beter seks bedrijven en beter verdedigen. Dit wordt baatzuchtige activiteit genoemd, en is gebaseerd op zinsbevrediging.
De uitdrukking een betere levensstandaard horen we vaak genoeg, maar wat betekent het? Er wordt gezegd dat de levensstandaard van Amerika hoger is dan die van India, maar in beide landen treffen we eten, slapen, verdedigen en seks aan. Goed, in Amerika mag de kwaliteit van het voedsel dan beter zijn, maar het blijft eten. Een hogere levensstandaard betekent niet hogere geestelijke realisatie. Het betekent gewoon beter eten, beter slapen, beter seks bedrijven en beter verdedigen. Dit wordt baatzuchtige activiteit genoemd, en is gebaseerd op zinsbevrediging.

Yoga heeft niets te maken met zinsbevrediging of baatzuchtige activiteiten. Yoga betekent zich verbinden met de Allerhoogste. Om God te zien onderging Dhruva Mahārāja zware ascese, en toen hij God uiteindelijk zag zei hij, svāmin kṛtārtho 'smi varaṁ na yāce: "Mijn lieve Heer, ik ben nu volkomen voldaan. Ik vraag om niets meer. Ik wil verder geen zegening van U." Waarom vroeg Dhruva Mahārāja niet om zegeningen? Wat is een zegening? Over het algemeen betekent een zegening dat men een groot koninkrijk, een mooie vrouw, smakelijk voedsel, enz. ontvangt, maar is men werkelijk met God verbonden, dan heeft men geen behoefte aan dergelijke zegeningen. Dan is men voldaan. Svāmin kṛtārtho 'smi varaṁ na yāce.
Dhruva Mahārāja zocht eigenlijk in de eerste plaats naar God om het koninkrijk van zijn vader te krijgen. De moeder van Dhruva Mahārāja was afgewezen door zijn vader, en zijn stiefmoeder nam het hem kwalijk dat hij op de schoot van zijn vader zat. Ze verbóód hem zelfs om op de schoot van zijn vader te zitten, omdat hij niet uit haar schoot geboren was. Dhruva Mahārāja was een kṣatriya en vatte dit, hoewel hij slechts vijf jaar oud was, dus op als een enorme belediging. Hij ging naar zijn eigen moeder en zei: “Moeder, door me te verbieden om op de schoot van mijn vader te zitten heeft mijn stiefmoeder me beledigd." Daarna begon Dhruva Mahārāja te huilen, en zei zijn moeder: "Mijn lieve jongen, wat kan ik eraan doen? Je vader houdt meer van je stiefmoeder dan van mij. Ik sta machteloos." Dhruva Mahārāja zei: "Maar ik wil het koninkrijk van mijn vader. Vertel me hoe ik het kan krijgen." "Mijn lieve jongen," zei zijn moeder, "je kan het krijgen als Kṛṣṇa, God, je zegent." "Waar is God?" vroeg Dhruva Mahārāja. “O, ze zeggen dat God in het bos is", zei zijn moeder. "Grote wijzen gaan naar het bos om God te zoeken."
Toen Dhruva Mahārāja dit hoorde, ging hij onmiddellijk naar het bos en volbracht daar zware boetedoeningen. Uiteindelijk kreeg hij God te zien, en toen dat gebeurde verlangde hij niet langer naar het koninkrijk van zijn vader. In plaats daarvan zei hij: “Mijn lieve Heer, ik was op zoek naar wat kiezelsteentjes, maar in plaats daarvan heb ik nu waardevolle juwelen gevonden. Ik ben niet langer geïnteresseerd in het koninkrijk van mijn vader. Ik ben nu volkomen voldaan." Is men werkelijk met God verbonden, dan is men volkomen voldaan, en deze voldoening is oneindig veel groter dan het zogenaamde plezier in deze materiële wereld. Dit is de voldoening die het resultaat is van realisatie van God, en dat is de perfectie van yoga.
Wanneer iemand volledig opgaat in transcendentale liefdedienst aan de Heer, dan is hij voldaan in zichzelf en laat hij zich dus niet meer in met zinsbevrediging of baatzuchtige activiteiten. Gaat men niet volledig op in transcendentale liefdedienst aan de Heer, dan moet men zich wel bezighouden met zinsbevrediging, omdat men zonder bezig te zijn niet kan leven. Het is niet mogelijk om alle activiteit te staken. Zoals eerder gezegd is, is het onze aard als levende wezens om te handelen. Er wordt gezegd: ledigheid is des duivels oorkussen. Wijden we ons niet aan het Kṛṣṇa-bewustzijn, dan zullen we ons bezighouden met zinsbevrediging of baatzuchtige activiteit. Een kind raakt verdorven als het niet opgevoed en onderwezen wordt. Als men het yoga-systeem niet beoefent - als men niet door middel van de methode van yoga probeert de zintuigen te beheersen - gebruikt men de zintuigen voor hun eigen bevrediging, en er is geen sprake van het beoefenen van yoga als men zijn zinnen bevredigt.
Zonder Kṛṣṇa-bewustzijn is men gedwongen om altijd naar egocentrische of uitgebreide zelfzuchtige activiteiten te zoeken. Iemand die Kṛṣṇa-bewust is kan echter alles voor het plezier van Kṛṣṇa doen en daarbij volkomen van zinsbevrediging onthecht zijn. Wie Kṛṣṇa niet gerealiseerd heeft, moet op een mechanische manier van materiële verlangens af proberen te komen voordat hij naar de bovenste sport van de yoga-ladder verheven wordt.
Men kan het yoga-systeem vergelijken met een ladder. De ene yogi bevindt zich op de vijfde sport, de andere op de vijftigste, en weer een andere op de vijfhonderdste. Het is natuurlijk het doel om de top te bereiken. Hoewel de hele ladder het yoga-systeem genoemd kan worden, is degene die zich op de vijfde sport bevindt niet gelijk aan iemand die hoger staat. In de Bhagavad-gītā geeft Śrī Kṛṣṇa een indruk van een aantal yoga-systemen - karma-yoga, jñāna-yoga, dhyāna-yoga, en bhakti-yoga. Zoals de gehele ladder met de bovenste verdieping verbonden is, zo zijn al deze yoga-systemen met God, Kṛṣṇa, verbonden. Dit betekent dat niet iedereen die het yoga-systeem beoefent zich op de bovenste verdieping bevindt; alleen degene die volledig Kṛṣṇa-bewust is. bevindt zich daar. De anderen bevinden zich op de verschillende sporten van de yoga- ladder.
uddhared ātmanātmānaṁ
nātmānam avasādayet
ātmaiva hy ātmano bandhur
ātmaiva ripur ātmanaḥ
"Men dient zich met behulp van zijn eigen geest te bevrijden, en niet te verlagen. De geest is zowel de vriend als de vijand van de geconditioneerde ziel." (B.g. 6.5) Het woord ātmā verwijst naar lichaam, geest en ziel - al naargelang de omstandigheden waarin het gebruikt wordt. In het yoga-systeem zijn de geest en de geconditioneerde ziel van speciaal belang. Omdat de geest in de beoefening van yoga centraal staat, verwijst ātmā hier naar de geest. Het yoga-systeem heeft tot doel de geest te beheersen en hem weg te trekken van de gehechtheid aan zinsobjecten. Hier wordt benadrukt dat de geest zodanig getraind moet worden dat hij de geconditioneerde ziel uit het moeras van onwetendheid kan bevrijden.
In het aṣṭānga-yoga systeem zijn deze acht yoga'sdhyāna, dhāraṇā, enz. – ervoor bedoeld de geest te beheersen. Śrī Kṛṣṇa zegt heel duidelijk dat men zijn geest moet gebruiken om zichzelf te verheffen. Tenzij men de geest kan beheersen, is er geen sprake van verheffing. Het lichaam is als een rijtuig, waarvan de geest de bestuurder is. Als je tegen je bestuurder zegt "Breng me alsjeblieft naar de Kṛṣṇa-tempel", dan zal hij je daar naartoe brengen, maar als je hem zegt "Breng me alsjeblieft naar die drankzaak", dan zal je daar naartoe gaan. Het is de taak van de bestuurder je naar die plaats te brengen waar je heen wenst te gaan. Beheers je de bestuurder, dan brengt hij je naar je bestemming; zoniet, dan brengt hij je uiteindelijk naar waar hij naartoe wenst te gaan. Heb je geen controle over je bestuurder, dan is hij je vijand; handelt hij echter in overeenstemming met jouw opdrachten, dan is hij je vriend.
Het yoga-systeem is ervoor bedoeld de geest op zodanige wijze te beheersen, dat hij als vriend zal handelen. Soms handelt de geest als vriend, soms als vijand. De Allerhoogste bezit oneindige onafhankelijkheid, en omdat wij integrerende deeltjes van Hem zijn, bezitten wij minieme of beperkte onafhankelijkheid. Het is de geest die de leiding heeft over deze onafhankelijkheid en hij kan ons dus meenemen naar de tempel van Kṛṣṇa of naar een nachtclub.
Het is het doel van deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn om de geest op Kṛṣṇa te fixeren. Is de geest zo gefixeerd, dan kan hij niets anders doen dan handelen als vriend. Hij heeft geen ruimte om op een andere manier te handelen. Zoals het duister verdwijnt als de zon opkomt, zo is er licht in de geest als Kṛṣṇa er is. Kṛṣṇa is als de zon, en er is geen plaats voor duisternis als Hij er is. Houden we Kṛṣṇa in onze geest, dan zal de duisternis van māyā er nooit in slagen binnen te komen. De geest op Kṛṣṇa gefixeerd houden is de perfectie van yoga. Als de geest standvastig op de Allerhoogste gefixeerd is, zal hij geen onzin toelaten en zal men niet ten val komen. Is de geest sterk, dan is de bestuurder sterk en kunnen we heengaan waar we maar willen. Het is de bedoeling van het hele yoga-systeem om de geest sterk te maken, zodat hij niet van de Allerhoogste kan afdwalen.
Sa vai manaḥ kṛṣṇa-padāravindayoḥ. Men moet zijn geest net zo op Kṛṣṇa fixeren als Ambarīṣa Mahārāja dat deed toen hij ruzie had met een grote aṣṭānga-yogi, Durvāsā Muni genaamd. Omdat Ambarīṣa Mahārāja een gezinshoofd was, was hij een man van geld. Dit houdt in dat hij rekening moest houden met guldens en kwartjes. Daarnaast was Ambariṣa Mahārāja ook nog een groot koning en toegewijde. Durvāsā Muni was een groot yogi die enorm afgunstig was op Ambariṣa Mahārāja. Durvāsā Muni dacht: "Ik ben een groot yogi en kan door de ruimte reizen. Deze man is maar een doodgewone koning en heeft zulke yoga-krachten niet. Toch betuigen de mensen hem meer respect. Hoe is dit mogelijk? Ik zal hem eens een flinke les leren." Vervolgens zocht Durvāsā Muni ruzie met Ambarişa Mahārāja, maar werd door hem verslagen omdat de koning altijd aan Kṛṣṇa dacht. Het gevolg was dat Durvāsā Muni op aanwijzing van Nārāyaṇa zijn toevlucht moest nemen tot de voeten van Ambarīṣa Mahārāja. Durvāsā Muni was zo'n volmaakte yogi, dat hij binnen een jaar door het hele universum kon reizen en tevens toegang had tot het geestelijke universum. Hij ging zelfs rechtstreeks naar Vaikuṇṭha, de woonplaats van God, waar hij de Persoonlijkheid Gods Zelf zag. Toch was Durvāsā Muni zo zwak dat hij moest terugkeren naar de aarde en aan de voeten van Ambarīṣa Mahārāja moest neervallen. Ambarīṣa Mahārāja was een gewone koning, maar zijn enige grote verdienste was dat hij altijd aan Kṛṣṇa dacht. Daardoor was zijn geest dus altijd beheerst, en bevond hij zich op het hoogste niveau van volmaaktheid in yoga. Ook wij kunnen onze geest gemakkelijk beheersen door hem innerlijk op de lotusvoeten van Kṛṣṇa gericht te houden. Door gewoon aan Kṛṣṇa te denken worden we triomfantelijke overwinnaars; yogi's van het hoogste niveau.
Yoga-indriya saṁyamaḥ. Het yoga-systeem heeft als doel de zintuigen te beheersen, en omdat de geest boven de zintuigen staat, zijn de zintuigen automatisch beheerst als we de geest beheersen. Het zou voor kunnen komen dat de tong iets ongeschikts wil eten, maar als de geest sterk is dan kan hij zeggen: “Nee, dit kan je niet eten. Je kan alleen kṛṣṇa-prasāda eten." Op deze manier kunnen zowel de tong als alle andere zintuigen door de geest bedwongen worden. Indriyāņi parāṇy āhur indriyebhyaḥ paraṁ manaḥ. Het materiële lichaam bestaat uit zintuigen, en daarom zijn de activiteiten van het lichaam dus zintuiglijke activiteiten. De geest is echter hoger dan de zintuigen, intelligentie is hoger dan de geest en boven de intelligentie staat de ziel. Als men zich op het geestelijke niveau bevindt, zijn intelligentie, geest en zintuigen allemaal vergeestelijkt. Deze methode van Kṛṣṇa-bewustzijn heeft de vergeestelijking van zintuigen, geest en intelligentie tot doel. De ziel staat boven hen allemaal, maar omdat zij slaapt heeft ze de wispelturige geest de vrije teugel gegeven. Wordt de ziel echter gewekt, dan is ze opnieuw de meester en kan de onderdanige geest niet meer op een verkeerde manier te werk gaan. Zijn we eenmaal in Kṛṣṇa-bewustzijn ontwaakt, dan kunnen intelligentie, geest en zintuigen geen onzin meer uithalen. Dan moeten ze overeenkomstig de aanwijzingen van de ziel te werk gaan. Dat is vergeestelijking en zuivering. Hṛṣīkeṇa hṛṣīkeśa-sevanaṁ bhaktir ucyate. Met onze zintuigen moeten we de meester van de zintuigen dienen. De Allerhoogste Heer wordt Hṛṣikeśa genoemd, wat betekent dat Hij de oorspronkelijke bestuurder van de zintuigen is, net zoals de koning de oorspronkelijke bestuurder is van alle activiteiten van een staat, en de burgers secundaire bestuurders zijn.
Bhakti betekent dat men op een geestelijke manier handelt in overeenstemming met de verlangens van Hṛṣikeśa. Hoe we kunnen handelen? Daar we moeten handelen met onze zintuigen, moeten we ze vergeestelijken om juist te kunnen handelen. Zoals eerder gezegd is, betekent stil zitten mediteren dat men ongewenste activiteiten staakt, maar Kṛṣṇa-bewustzijn is transcendentaal. Het staken van onzinnig handelen is geen volmaaktheid op zich. We moeten volmaakt handelen. Tenzij we onze zintuigen erin trainen te handelen in overeenstemming met Hṛṣikeśa, de meester van de zintuigen, zullen ze ons opnieuw in ongewenste activiteiten betrekken en zullen we ten val komen. Daarom moeten we de zintuigen gebruiken om voor Kṛṣṇa te handelen en op deze manier stevig in Kṛṣṇa-bewustzijn verankerd blijven.
In het materiële bestaan is men onderhevig aan de invloed van de geest en zintuigen. In feite zit de zuivere ziel in de materiële wereld verstrikt vanwege het ego van de geest, dat ernaar verlangt de baas te spelen over de materiële natuur. Daarom dient de geest op zo'n manier getraind te worden, dat hij niet aangetrokken zal worden door de glinstering van de materiële natuur. Op die manier kan de geconditioneerde ziel gered worden. Men moet zich door de aantrekkingskracht van de zinsobjecten niet laten verlagen. Hoe meer men door de zinsobjecten aangetrokken wordt, hoe meer men in het materiële bestaan verstrikt raakt. De beste manier om zich uit deze verstrikking te bevrijden is door de geest altijd in Kṛṣṇa-bewustzijn te betrekken. In het vijfde vers van hoofdstuk zes (Bhagavad-gītā) wordt het woord hi gebruikt om dit punt te benadrukken - namelijk dat men dit moet doen. Er wordt ook gezegd:
mana eva manuṣyāṇāṁ
kāraṇaṁ bandha-mokṣayoḥ
bandhāya viṣayāsaṅgo
muktyai nirviṣayaṁ manaḥ
"Voor de mens is de geest de oorzaak van gebondenheid en de oorzaak van bevrijding. De geest die opgaat in de zinsobjecten is de oorzaak van gebondenheid, en de geest die onthecht is van de zinsobjecten is de oorzaak van bevrijding." (Viṣṇu Purāṇa 6.7.28)

De geest die opgaat in Kṛṣṇa-bewustzijn is de oorzaak van de allerhoogste bevrijding. Gaat de geest dus op in Kṛṣṇa-bewustzijn, dan is er geen kans dat hij zich met māyā-bewustzijn bezighoudt. In Kṛṣṇa-bewustzijn blijven we in het licht van de zon en bestaat er geen kans dat we door duisternis bedekt worden.
Omdat we vrijheid hebben kunnen we in een donkere kamer blijven of naar buiten gaan, het daglicht in. Dat is onze keus. Duisternis kan door licht worden verdreven, maar licht kan niet door duisternis worden bedekt. Als we ons in een donkere kamer bevinden en iemand brengt een lamp naar binnen, dan verdwijnt de duisternis. We kunnen de duisternis echter niet mee naar buiten in het zonlicht nemen. Het zal gewoonweg verdwijnen. Kṛṣṇa sūrya-sama māyā haya andhakāra. Kṛṣṇa is als het zonlicht en māyā is als de duisternis. Hoe kan er in zonlicht duisternis zijn? Als we zorgen dat we altijd in het zonlicht blijven, dan zal de duisternis er niet in slagen invloed op ons uit te oefenen. Dit is de hele filosofie van het Kṛṣṇa- bewustzijn: ga altijd op in Kṛṣṇa-bewuste activiteiten en māyā zal verdwijnen, zoals de duisternis verdwijnt als er licht is. Dit staat in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.7.4):
bhakti-yogena manasi
samyak praṇihite ’male
apaśyat puruṣaṁ pūrṇaṁ
māyāṁ ca tad-apāśrayam
"Toen de wijze Vyasadeva zijn geest, op aanwijzing van zijn geestelijk leraar, Nārada, volmaakt fixeerde door hem zonder een spoor van materialisme in toegewijde dienst (bhakti-yoga) te verbinden, zag hij de Absolute Persoonlijkheid Gods tezamen met Zijn uitwendige energie, die volledig onder Zijn beheer stond."
Het woord manasi verwijst naar de geest. Is men verlicht in bhakti-yoga, dan wordt de geest volledig van alle onzuiverheden bevrijd (samyak praṇihite 'male). Toen Vyāsa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods aanschouwde, zag hij māyā op de achter- grond (māyāṁ ca tad-apāśrayam). Wanneer er licht is, bestaat er tevens de mogelijkheid dat er duisternis is. Dit houdt in dat duisternis het tegenovergestelde is van licht, of dat duisternis door licht beschut wordt, zoals het bovenste gedeelte van mijn hand in het licht is en het onderste gedeelte in de schaduw als ik mijn hand tegen het licht houd. Met andere woorden, de ene kant is licht en de andere kant is duisternis. Toen Vyāsadeva Kṛṣṇa, de Allerhoogste Heer, aanschouwde, zag hij tevens māyā, duisternis, onder Zijn beschutting.
Wat is deze māyā nu eigenlijk? Dit wordt duidelijk gemaakt in het volgende vers van het Śrīmad-Bhāgavatam (1.7.5):
yayā sammohito jīva
ātmānaṁ tri-guṇātmakam
paro ’pi manute ’narthaṁ
tat-kṛtaṁ cābhipadyate
"Door toedoen van de uitwendige energie denkt het levend wezen dat het, hoewel het aan de drie toestanden van de materiële natuur ontstegen is, door de materie is voortgebracht en ondergaat daardoor de reacties in de vorm van materiële ellende." De begoochelende energie heeft de geconditioneerde zielen dus tijdelijk bedekt. En wie zijn die geconditioneerde zielen? De geconditioneerde zielen zijn, hoewel ze begrensd zijn, net zo vol van licht als Kṛṣṇa. Het probleem is dat de geconditioneerde ziel zich met deze materiële wereld vereenzelvigt. Dit wordt illusie genoemd, onterechte vereenzelviging met materie. Hoewel de individuele ziel transcendentaal is, houdt zij zich onder dwang van māyā met de verkeerde dingen bezig, en dit veroorzaakt haar conditionering of onterechte vereenzelviging. Dit wordt uitvoerig behandeld in het eerste canto, zevende hoofdstuk, van het Srimad-Bhāgavatam.
Samengevat is onze positie die van geestelijke vonken, die vol van licht zijn. Nu zijn we tijdelijk bedekt door de begoochelende energie, māyā, die ons de wet voorschrijft. Al handelend onder de invloed van māyā raken we steeds meer in de materiële energie verstrikt. Het yoga-systeem is ervoor bedoeld ons te bevrijden, en de perfectie van yoga is Kṛṣṇa- bewustzijn. Kṛṣṇa-bewustzijn is dus de meest effectieve manier waarop we ons van de invloed van de materiële energie kunnen bevrijden.