Default View
Dual Language View
Hoofdstuk 1
Yoga als actie
In het zesde en achtste hoofdstuk van de Bhagavad-gītā legt Heer Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, uit dat het achtvoudige yoga-systeem ervoor bedoeld is om geest en zintuigen te beheersen. Deze methode is echter erg moeilijk toe te passen, met name in dit tijdperk van Kali, een tijdperk dat gekenmerkt wordt door onwetendheid en chaos.
Hoewel dit achtvoudige yoga-systeem vooral in het zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā wordt aangeraden, legt de Heer er toch de nadruk op dat de methode van karma-yoga, handelen in Kṛṣṇa-bewustzijn, beter is. In deze wereld is iedereen bezig om zijn gezin te onderhouden en werkt met het oog op eigenbelang of persoonlijke zinsbevrediging, of dit nu op zichzelf gericht of naar anderen uitgebreid is. Handelen in Kṛṣṇa-bewustzijn, wat betekent dat men handelt zonder aan het resultaat van het werk gehecht te zijn, is echter volmaakt handelen.
Omdat we in wezen integrerende deeltjes van de Allerhoogste zijn, is het onze plicht om in Kṛṣṇa-bewustzijn te handelen. De lichaamsdelen werken voor de voldoening van het gehele lichaam, en niet voor de afzonderlijke delen. Het doel is om het volkomen geheel tevreden te stellen. Op dezelfde manier moet het levend wezen handelen om het allerhoogste geheel, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, tevreden te stellen, en niet voor zijn eigen plezier. Wie dit kan doen, is de volmaakte sannyāsī (verzaker) en de volmaakte yogi. In het eerste vers van het zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā, het hoofdstuk over sānkhya-yoga, zegt Bhagavān Śrī Kṛṣṇa:
anāśritaḥ karma-phalaṁ
kāryaṁ karma karoti yaḥ
sa sannyāsī ca yogī ca
na niragnir na cākriyaḥ
kāryaṁ karma karoti yaḥ
sa sannyāsī ca yogī ca
na niragnir na cākriyaḥ
"Wie niet gehecht is aan het resultaat van zijn werk en werkt volgens zijn plicht, bevindt zich in de verzakende levensorde en is de ware yogi; niet degene die geen vuur maakt en geen werk verricht."
Sannyāsī's denken wel eens ten onrechte dat ze van alle materiële verplichtingen verlost zijn en daarom niet langer agni-hotra yajña's, vuuroffers, hoeven te brengen. Dit is een vergissing. In het belang van zuivering moeten sommige yajña's (offers) door iedereen gebracht worden. Omdat sannyāsī's traditiegetrouw niet verplicht zijn yajña's te brengen, denken ze soms dat ze bevrijd kunnen worden door het brengen van rituele yajña's te staken. In werkelijkheid is er, tenzij men op het niveau van Kṛṣṇa-bewustzijn komt, geen sprake van bevrijding. De sannyāsi's die het brengen van yajña's staken, handelen in wezen uit eigenbelang, omdat ze één willen worden met het onpersoonlijk Brahman. Dat is het uiteindelijke doel van de impersonalisten (māyāvādī's), die maar één hoofddoel of verlangen kennen: één worden met het allerhoogste onpersoonlijke Wezen. De toegewijden hebben dergelijke verlangens echter niet, zij zijn gewoon tevreden met het dienen van Kṛṣṇa voor Zijn plezier. Ze willen er niets voor terug hebben. Dat is het kenmerk van zuivere toewijding.
Het was Heer Caitanya Mahāprabhu die deze houding van toewijding zo mooi onder woorden bracht:
na dhanaṁ na janaṁ na sundarīṁ
kavitāṁ vā jagad-īśa kāmaye
mama janmani janmanīśvare
bhavatād bhaktir ahaitukī tvayi
kavitāṁ vā jagad-īśa kāmaye
mama janmani janmanīśvare
bhavatād bhaktir ahaitukī tvayi
"O Heer van het universum, Ik verlang geen materiële rijkdom, materialistische volgelingen, een prachtige vrouw of in bloemrijke taal beschreven baatzuchtige activiteiten. Het enige wat Ik wil is ongemotiveerde toegewijde dienst aan U, geboorte na geboorte." (Sikṣāṣṭaka 4) Dit is waar het bhakti-yoga systeem in wezen op neerkomt. Van deze houding van zuivere toewijding zijn vele voorbeelden te vinden. Heer Nṛsimhadeva vertelde Prahlāda Mahārāja eens: "Mijn beste jongen, je hebt zoveel voor Mij geleden. Vraag nu van Me wat je maar wilt." Omdat hij een zuivere toegewijde was, weigerde Prahlāda Mahārāja om ook maar iets te vragen. Hij zei: "Mijn beste Meester, ik ga geen handelsovereenkomst met U aan. Ik zal geen enkele vergoeding voor mijn dienst aanvaarden." Dit is de houding van zuivere toewijding.
Yogi's en jñānī's willen één worden met de Allerhoogste omdat ze zulke slechte ervaringen hebben met het lijden onder de materiële ellende. Ze willen één worden met de Heer omdat ze lijden in gescheidenheid. Een zuivere toegewijde heeft deze ervaring niet. Hoewel hij van de Heer gescheiden is, geniet hij ten volle van de dienst aan de Heer in gescheidenheid. Het verlangen om één te worden met het onpersoonlijk Brahman, of om op te gaan in God, is zeker hoger dan enig materieel verlangen, maar het is niet zonder zelfzucht. Op dezelfde manier verlangt de mystieke yogi, die met halfgesloten ogen en alle materiële activiteiten stakend het yoga-systeem beoefent, naar wat voldoening voor zichzelf. Dergelijke yogi's verlangen naar materiële macht, en dat is dan hun opvatting van de perfectie van yoga. In werkelijkheid is dit niet de perfectie van yoga, maar een materieel proces.
Als men de regulerende principes van yoga beoefent, kan men acht vormen van perfectie bereiken. Men kan lichter worden dan een pluisje katoen. Men kan zwaarder worden dan een grote steen. Men kan onmiddellijk krijgen wat men maar verlangt, en soms kan men zelfs een planeet creëren. Hoewel ze zeldzaam zijn, bestaan dergelijke machtige yogi's werkelijk. Viśvāmitra Yogi wilde een mens verkrijgen van een palmboom. Hij dacht: "Waarom moet een mens zo lang in de baarmoeder blijven? Waarom kan hij niet op dezelfde manier geproduceerd worden als een vrucht?" Terwijl hij zo dacht, creëerde Viśvāmitra Yogi mensen als kokosnoten. Soms zijn yogi's zo machtig dat ze dergelijke dingen kunnen doen, maar het zijn allemaal materiële vermogens. Uiteindelijk worden zulke yogi's overwonnen omdat ze die materiële vermogens niet eindeloos kunnen behouden. Bhakti-yogi's zijn niet in dergelijke vermogens geïnteresseerd.
De bhakti-yogi, die in Kṛṣṇa-bewustzijn handelt, werkt zonder eigenbelang voor de voldoening van het geheel. Iemand die Kṛṣṇa-bewust is verlangt niet naar zelfvoldoening. Integendeel, de tevredenheid van Kṛṣṇa is zijn maatstaf voor succes, en daarom wordt hij als de volmaakte sannyāsī en volmaakte yogi beschouwd.
Een zuivere toegewijde is niet eens uit op verlossing. Degenen die naar verlossing streven willen gered worden van herhaalde geboorte, en degenen die de leegteleer aanhangen willen ook een einde maken aan het hele materiële leven. Maar Heer Caitanya Mahāprabhu verzocht alleen maar toegewijde dienst aan Heer Kṛṣṇa, geboorte na geboorte; Heer Caitanya was met andere woorden bereid om in het ene lichaam na het andere de materiële ellende te verduren. Wat verlangde Caitanya Mahāprabhu dan? Hij wilde God dienen, en verder niets, omdat dat de werkelijke perfectie van yoga is.
Of zij zich nu in de geestelijke ruimte of de materiële ruimte bevindt, de individuele ziel is in wezen hetzelfde. Er wordt gezegd dat ze één tienduizendste deel is van het topje van een haar. Dit betekent dat onze positie die van een klein deeltje is. Geest kan echter expanderen. Zoals we een materieel lichaam ontwikkelen in de materiële wereld, zo ontwikkelen we een geestelijk lichaam in de geestelijke wereld. In de materiële wereld vindt expansie plaats in contact met materie; in de geestelijke wereld is deze expansie geestelijk.
Dit is eigenlijk de eerste les van de Bhagavad-gītā: "Ik ben ziel. Ik ben verschillend van dit lichaam." Ik ben levenskracht, terwijl dit lichaam geen levenskracht is. Het is levenloze materie en werkt alleen maar door de aanwezigheid van geestelijke kracht. In de geestelijke wereld is alles levenskracht; er is geen levenloze materie. Daar is het lichaam volledig geestelijk. Men kan de ziel vergelijken met olie, en het lichaam met water. Ook al zijn olie en water samen, toch is er een onderscheid, en dat onderscheid zal er altijd zijn. In de geestelijke ruimte is er geen sprake van een combinatie van olie en water. Daar is alles geestelijk.
De impersonalisten willen geen lichaam ontwikkelen. Ze willen gewoon geestelijke deeltjes blijven, en dat is dan hoe zij zich geluk voorstellen. Wij bhakti-yogi's (vaiṣṇava's) willen echter Kṛṣṇa dienen, en daarom hebben we handen, benen en alle andere lichaamsdelen nodig. We hebben deze lichamen zelfs gekregen zodat we Kṛṣṇa kunnen dienen. Op dezelfde manier als dat we een materieel lichaam ontwikkelen in de baarmoeder, kunnen we een geestelijk lichaam ontwikkelen in de geestelijke wereld.
Het geestelijke lichaam wordt ontwikkeld door de beoefening van Kṛṣṇa-bewustzijn. Dit materiële lichaam wordt door het bhakti-yoga proces vergeestelijkt. Als je ijzer een tijd in vuur houdt, dan wordt het zo heet dat het zich op den duur als vuur gaat gedragen. Is het ijzer witheet, dan heeft het alle eigenschappen van vuur. Als je er iets mee aanraakt, zal het als vuur werken. Zo kan ook dit lichaam, hoewel het materieel is, door Kṛṣṇa-bewustzijn vergeestelijkt worden en zich als zodanig gaan gedragen. Hoewel koper slechts een metaal is, staat het onder stroom zodra het met elektriciteit in contact komt en zal je een schok krijgen als je het aanraakt.
Materiële activiteit komt ten einde zodra het lichaam vergeestelijkt is. Materiële activiteit betekent dat men handelt omwille van zinsbevrediging. Als je vergeestelijkt wordt, nemen materiële verlangens geleidelijk af totdat ze verdwenen zijn. Hoe dit mogelijk is? IJzer moet voortdurend met vuur in contact zijn, wil het zich als vuur gedragen. Zo moet ook het materiële lichaam voortdurend in Kṛṣṇa-bewustzijn blijven om vergeestelijkt te worden. Gaat dit materiële lichaam volledig op in geestelijke activiteiten, dan wordt het geestelijk.
Volgens het vedische systeem wordt het lichaam van een grote persoonlijkheid, een sannyāsī, niet verbrand maar begraven. Omdat hij opgehouden is met materiële activiteiten, wordt zijn lichaam als geestelijk beschouwd. Als iedereen in deze wereld volledig opgaat in Kṛṣṇa-bewustzijn en ophoudt met werken voor zinsbevrediging, dan wordt deze hele wereld onmiddellijk geestelijk. Daarom is het van belang dat we leren hoe we moeten werken voor het plezier van Kṛṣṇa. Het duurt een tijdje voor we dit begrijpen. Als iets voor Kṛṣṇa's plezier wordt gebruikt, dan is het geestelijk. Omdat we microfoons, typemachines, enz. gebruiken om over Kṛṣṇa te spreken en te schrijven, worden ze vergeestelijkt. Wat is het verschil tussen prasāda en gewoon voedsel? Sommige mensen zeggen: "Hoezo prasāda? We eten toch hetzelfde voedsel? Waarom noemen jullie het prasāda?” Het is prasāda omdat het voor Kṛṣṇa's plezier geofferd is, en dus vergeestelijkt is.
In hogere zin bestaat er eigenlijk helemaal geen materie. Alles is geestelijk. Omdat Kṛṣṇa geestelijk is en materie een van Zijn energieën is, is materie ook geestelijk. Kṛṣṇa is volledig geestelijk, en geest komt van geest. Omdat de levende wezens deze energie echter misbruiken - wat inhoudt dat ze voor iets anders dan Kṛṣṇa gebruikt wordt - wordt ze gematerialiseerd en noemen we haar dus materie. Het doel van deze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn is om deze energie opnieuw te vergeestelijken. Het is onze bedoeling de hele wereld opnieuw te vergeestelijken, zowel sociaal als politiek. Er zit natuurlijk een kans in dat dit niet mogelijk is, maar het is ons ideaal. Als we dit proces van opnieuw vergeestelijken in ieder geval individueel zouden opnemen, dan zal ons leven volmaakt worden.
In de Bhagavad-gītā (9.22) zegt Kṛṣṇa dat Hij voor Zijn toegewijden zorgt door ze alles te geven wat ze tekortkomen en ze te laten behouden wat ze al hebben. Mensen zeggen graag dat God diegenen helpt die zichzelf helpen, maar ze begrijpen niet dat jezelf helpen betekent dat je jezelf onder Kṛṣṇa's bescherming stelt. Als men denkt “O, ik help mezelf wel. Ik kan mezelf wel beschermen", dan is dat dwaas. Zolang mijn vinger met mijn lichaam verbonden is, is hij bruikbaar en kan ik duizenden guldens uitgeven om hem te behouden. Is hij echter afgesneden, dan is hij waardeloos en wordt hij weggegooid. Op dezelfde manier zijn wij integrerende deeltjes van Kṛṣṇa, en betekent “onszelf helpen" dat we ons in de juiste situatie plaatsen als Zijn integrerende deeltjes. Anders zijn we alleen maar goed om weggegooid te worden. De vinger kan zichzelf alleen maar helpen als hij op de juiste manier aan de hand zit en werkt ten behoeve van het gehele lichaam. Als de vinger denkt "Ik zal mezelf van dit lichaam afscheiden en gewoon mezelf helpen", dan zal die vinger worden weggegooid en sterven. Zodra we denken “Ik zal onafhankelijk van Kṛṣṇa leven", dan is dat onze geestelijke dood, en zodra we Kṛṣṇa dienen als Zijn integrerende deeltjes, dan is dat ons geestelijk leven. Daarom betekent jezelf helpen dat je weet wat je werkelijke positie is en ernaar handelt. Het is niet mogelijk jezelf te helpen zonder je positie te kennen.
Dienst betekent activiteit; we zijn immers actief als we iemand dienen. Dienen we Kṛṣṇa, dan prediken we Kṛṣṇa-bewustzijn, koken we, maken we de tempel schoon, verspreiden we boeken over Kṛṣṇa, schrijven we over Hem of kopen voedsel om aan Hem te offeren. Er zijn zoveel verschillende manieren om te dienen. Kṛṣṇa helpen betekent dat je actief voor Hem bent, niet dat je ergens zogenaamd gaat zitten mediteren. Kṛṣṇa-bewustzijn betekent activiteit. Wat we ook bezitten, het moet voor Kṛṣṇa gebruikt worden. Dat is de methode van bhakti-yoga. Kṛṣṇa heeft ons een geest gegeven, en we moeten deze geest gebruiken om aan Kṛṣṇa te denken. We hebben handen gekregen, en we moeten ze gebruiken om de tempel schoon te maken of voor Kṛṣṇa te koken. We hebben benen gekregen, en we moeten ze gebruiken om naar de tempel van Kṛṣṇa te gaan. We hebben een neus gekregen, en we moeten hem gebruiken om er de bloemen mee te ruiken die aan Kṛṣṇa geofferd zijn. Door middel van het proces van bhakti-yoga gebruiken we al deze zintuigen in dienst van Kṛṣṇa, en zo worden ze vergeestelijkt.
In de Bhagavad-gītā weigerde Arjuna te handelen en zette Kṛṣṇa hem ertoe aan actief te zijn. De hele Bhagavad-gītā is een aanzet tot werk, tot Kṛṣṇa-bewustzijn, tot handelen ten behoeve van Kṛṣṇa. Nergens vertelt Kṛṣṇa Arjuna: "Mijn beste vriend, maak je niet druk om deze oorlog. Ga gewoon zitten en mediteer op Mij." Dat is niet de boodschap van de Bhagavad-gītā. We moeten ons niet van alle activiteit onthouden, maar alleen van die activiteiten die ons Kṛṣṇa-bewustzijn in de weg staan. Meditatie betekent dat men alle onzinnige activiteit staakt. Degenen die gevorderd zijn in het Kṛṣṇa-bewustzijn werken voortdurend voor Krsna.
Een moeder zegt alleen tegen haar vervelende kind om te gaan zitten en niets te doen. Als een kind niets anders doet dan zijn moeder lastigvallen, dan zegt zijn moeder: "Mijn lieveling, ga gewoon zitten en hou je rustig." Kan het kind echter op een aardige manier bezig zijn, dan zegt zijn moeder: "Mijn lieveling, kan je me hier alsjeblieft even mee helpen? Kan je daar naartoe gaan en dit doen?" Stil op één plaats zitten is voor diegenen die niet weten hoe ze op een verstandige manier moeten werken. Zolang het kind op één plaats zit, kan het geen puinhoop maken. Stilzitten betekent het uitsluiten van onzin; dit is geen positieve activiteit. Er is geen leven in uitsluiten. Positieve activiteiten liggen ten grondslag aan leven, en positieve activiteit is de boodschap van de Bhagavad-gītā. Het geestelijk leven is niet: “Doe dit niet, doe dat niet." Het geestelijk leven is: “Doen!" Om juist te handelen moet men bepaalde dingen weten die niet gedaan mogen worden, en daarom zijn bepaalde activiteiten verboden. De hele Bhagavad-gītā bestaat echter uit "doen!". Kṛṣṇa zegt: "Vecht voor Mij", en toen Arjuna Kṛṣṇa aan het begin van de Bhagavad-gītā vertelde "Ik zal niet vechten", zei Śri Krsna tegen hem:
kutas tvā kaśmalam idaṁ
viṣame samupasthitam
anārya juṣṭam asvargyaṁ
akīrti-karam arjuna
viṣame samupasthitam
anārya juṣṭam asvargyaṁ
akīrti-karam arjuna
/"Mijn beste Arjuna, hoe kom je zo onzuiver? Dat past helemaal niet bij iemand die de waarde van het leven kent. Het voert je niet naar hogere planeten, maar naar de schande." (B.g. 2.2) Kṛṣṇa vertelt Arjuna rechtstreeks dat hij spreekt als een niet-Āryan - als iemand die de geestelijke waarde van het leven niet kent. Er werkeloos bijzitten is dus precies wat Kṛṣṇa-bewustzijn niet betekent.
Kṛṣṇa zit er Zelf ook niet werkeloos bij. Al Zijn spel en vermaak is vol activiteit. Als we naar de geestelijke wereld gaan, zullen we zien dat Kṛṣṇa altijd bezig is met dansen, eten en genieten. Hij gaat niet zitten mediteren. Bestaat er ergens een beschrijving van mediterende gopi's? Mediteerde Caitanya Mahāprabhu? Nee, Hij hield Zich altijd bezig met dansen en het zingen van Hare Kṛṣṇa. De ziel is van nature actief. Hoe kunnen we dus stilzitten en nietsdoen? Dat is onmogelijk. Daarom gaf Arjuna, toen Śrī Kṛṣṇa in het zesde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā een overzicht van het sānkhya-yoga systeem gegeven had, openlijk toe:
yo ’yaṁ yogas tvayā proktaḥ
sāmyena madhusūdana
etasyāhaṁ na paśyāmi
cañcalatvāt sthitiṁ sthirām
sāmyena madhusūdana
etasyāhaṁ na paśyāmi
cañcalatvāt sthitiṁ sthirām
"O Madhusudana, het yoga-systeem dat Je me beschreven hebt lijkt me onpraktisch en niet vol te houden, want de geest is rusteloos en onevenwichtig." (B.g. 6.33) Hoewel Arjuna een hoge positie bekleedde en een intieme vriend van Kṛṣṇa was, weigerde hij onmiddellijk dit sānkhya-yoga systeem te aanvaarden. Wat hij in wezen zei was: "Voor mij is dit onmogelijk." Hoe had het ook mogelijk kunnen zijn? Arjuna was een krijgsman, een gezinshoofd, en hij wilde een koninkrijk. Waar moest hij de tijd vandaan halen om te mediteren? Hij weigerde ronduit deze vorm van meditatieve yoga te beoefenen met als argument dat de geest net zo moeilijk te beheersen is als de wind (B.g. 6.34). En dat is een feit. Het is onmogelijk om de geest op een kunstmatige manier te beheersen, en daarom moeten we de geest in Kṛṣṇa-bewustzijn betrekken. Dan zullen we hem meester worden. Als Arjuna deze methode al moeilijker vond dan het beheersen van de wind, wat kan er dan van ons gezegd worden? Per slot van rekening was Arjuna geen gewoon mens. Hij sprak persoonlijk met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa, en verkondigde dat de geest te vergelijken is met een enorm sterke wind. Hoe kunnen we de wind meester worden? We kunnen de geest alleen beheersen door hem op de lotusvoeten van Kṛṣṇa te richten. Dat is de perfectie van meditatie.
Niemand wil werkelijk stil zitten mediteren, en waarom zouden we? We zijn bedoeld voor positieve activiteit, ontspanning, plezier. In het Kṛṣṇa-bewustzijn bestaat onze ontspanning uit dansen en zingen, en zijn we moe, dan nemen we prasāda. Is dansen moeilijk? Is zingen moeilijk? We vragen de mensen geen geld om in de tempel te kunnen dansen. Als je naar een danszaal gaat, moet je betalen om binnen te kunnen komen, maar wij vragen helemaal niets. Genieten van dansen, muziek en smakelijk voedsel is natuurlijk. Dat is onze recreatie en dat is onze manier van meditatie. Dit yoga-systeem is dus helemaal niet zwaar. Het is gewoonweg recreatie, su-sukham. In hoofdstuk negen van de Bhagavad-gītā (9.2) wordt gezegd dat deze yoga su-sukham is - erg plezierig. "Het is eeuwig en wordt met vreugde toegepast." Het is natuurlijk, automatisch en spontaan. Het is ons werkelijke leven in de geestelijke wereld.
In Vaikuṇṭha, de geestelijke wereld, zijn er geen zorgen. Vaikuṇṭha betekent "vrij van zorgen", en in Vaikuṇṭha gaan de bevrijde zielen altijd op in dansen, zingen en het nemen van prasāda. Fabrieken, zware arbeid en technische instellingen zijn er niet. Er is geen behoefte aan dit soort onnatuurlijke zaken. In de Vedānta-sūtra wordt gezegd, ānandamayo 'bhyāsāt: God is ānandamaya, vol gelukzaligheid en plezier. Daar we integrerende deeltjes van God zijn, bezitten we deze eigenschappen ook. Het doel van onze yoga-methode is dus om ons met de allerhoogste ānandamaya, Śrī Kṛṣṇa, te verbinden en ons bij Zijn danspartij te voegen. Dan zullen we werkelijk gelukkig zijn.
Op deze aarde proberen we op een onnatuurlijke manier gelukkig te zijn, en daarom zijn we gefrustreerd. Bevinden we ons eenmaal in Kṛṣṇa-bewustzijn, dan zullen we onze oorspronkelijke positie weer innemen en gewoon vol vreugde worden. Omdat onze werkelijke aard ānandamaya, gelukzalig is, zijn we altijd op zoek naar geluk. In de steden worden we overspoeld met advertenties. Restaurants, kroegen, nachtclubs en dancings verkondigen voortdurend: "Kom, kom, hier is ānanda. Hier is plezier." Dit komt omdat iedereen naar ānanda, plezier, op zoek is. Onze beweging voor Kṛṣṇa-bewustzijn verkondigt ook "Hier is ānanda", maar onze standaard van plezier is totaal verschillend. Hoe dan ook, het doel - plezier - blijft hetzelfde.
De meeste mensen jagen op het grofstoffelijke niveau achter plezier aan. De wat meer gevorderden zoeken naar plezier in speculatie, filosofie, poëzie of kunst. De bhakti-yogi zoekt echter naar plezier op het transcendentale niveau, en dat is het enige waar hij zich op toelegt. Waarom werken mensen de hele dag zo hard? Ze denken: "Vannacht zal ik genieten met dit meisje of dat meisje of met mijn vrouw." En zo doen ze dus allerlei moeite voor een beetje plezier. Plezier is het uiteindelijke doel, maar jammer genoeg weten de mensen, begoocheld als ze zijn, niet waar werkelijk plezier gevonden kan worden. Werkelijk plezier bestaat eeuwig in de transcendentale gedaante van Kṛṣṇa.
Misschien heb je wel eens een afbeelding van Kṛṣṇa gezien, en dan zal het je zijn opgevallen dat Kṛṣṇa altijd vrolijk is. Als je je bij Zijn beweging aansluit zal je ook vrolijk worden. Heb je ooit een afbeelding van Kṛṣṇa gezien waarop Hij met een machine werkt? Heb je ooit een afbeelding van Kṛṣṇa gezien waarop Hij rookt? Nee, Hij is van nature vol van plezier, en als jij je op deze manier ontplooit, zal je ook plezier vinden. Plezier kan niet op een kunstmatige manier verkregen worden.
ānanda-cinmaya-rasa-pratibhāvitābhis
tābhir ya eva nija-rūpatayā kalābhiḥ
goloka eva nivasaty akhilātma-bhūto
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
tābhir ya eva nija-rūpatayā kalābhiḥ
goloka eva nivasaty akhilātma-bhūto
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
"Ik vereer Govinda, de oorspronkelijke Heer, die met Rādhā - die op Zijn eigen geestelijke gedaante lijkt, de belichaming is van het extatisch vermogen en de vierenzestig artistieke activiteiten bezit vergezeld van Haar vertrouwelingen (sahkhi's), belichamingen van de uitbreidingen van Haar lichaamsvorm, in Zijn eigen rijk Goloka verblijft, dat doordrongen is van en bezield wordt door Zijn immer-gelukzalige geestelijke rasa.' (Brahma-saṁhitā 5.37)
Het woord rasa betekent “transcendentale smaak". We houden van zoetigheid vanwege de smaak. Iedereen probeert van smaak te genieten, en we willen van seks genieten omdat er een bepaalde smaak in aanwezig is. Dit wordt ādi-smaak genoemd. Materiële smaken zijn anders omdat ze geproefd worden en dan snel verdwenen zijn. Je kan een snoepje nemen, het proeven en dan zeggen "O, dat is erg lekker", maar je zal er toch nog een moeten proeven om verder te kunnen genieten. Materiële smaak is niet eindeloos, terwijl werkelijke smaak dat wel is. Geestelijke smaak kan men niet vergeten, want ze blijft alleen maar toenemen. Ānandāmbudhi-vardhanaṁ. Caitanya Mahaprabhu zegt: "Deze smaak neemt altijd toe." Geestelijke smaak kan met een oceaan vergeleken worden in de zin dat zij erg groot is. De Stille Oceaan is voortdurend in beweging, maar neemt niet toe in omvang. Op God's bevel zal de oceaan niet buiten zijn grenzen treden, en doet hij dat wel, dan heeft dit rampzalige gevolgen. Heer Caitanya Mahaprabhu zegt dat er ook nog een andere oceaan is, een oceaan van transcendentale gelukzaligheid, een oceaan die voortdurend toeneemt. Ānandāmbudhi-vardhanaṁ prati-padaṁ pūrṇāmṛtāsvādanaṁ/ sarvātma-snapanaṁ paraṁ vijayate śrī-kṛṣṇa-saṅkīrtanam. Ons vreugdevermogen neemt steeds meer toe door het chanten van Hare Kṛṣṇa.
Wie Śrī Kṛṣṇa gerealiseerd heeft, leeft altijd in Vṛndāvana, Vaikuṇṭha. Hoewel het mag lijken dat een toegewijde in een plaats ver van Vṛndāvana vandaan woont, woont hij toch in Vṛndāvana, omdat hij weet dat Kṛṣṇa overal aanwezig is, zelfs in het atoom. De Allerhoogste Heer is groter dan het grootste en kleiner dan het kleinste. Zodra we volledig gerealiseerd en in Kṛṣṇa-bewustzijn verankerd zijn, verliezen we Kṛṣṇa nooit uit het oog en zal onze gelukzaligheid voortdurend toenemen. Dit is het ware yoga-systeem, bhakti-yoga, zoals het door Śri Kṛṣṇa Zelf in de Bhagavad-gītā wordt uitgelegd.