Default View
Dual Language

5

Op de Allerhoogste af

udārāḥ sarva evaite
jñānī tv ātmaiva me matam
āsthitaḥ sa hi yuktātmā
mām evānuttamāṁ gatim
'Al deze toegewijden zijn ongetwijfeld grootmoedige zielen, maar degene die zich in kennis bevindt aangaande Mij, verblijft waarlijk in Mij. Werkzaam in Mijn bovenzinnelijke dienst, bereikt hij Mij.' (Bg. 7.18)
Hier zegt Kṛṣṇa dat allen die tot Hem komen - uit verdriet, uit geldnood, uit nieuwsgierigheid enz. - welkom zijn, maar dat van hen degene die zich in kennis bevindt Hem zeer dierbaar is. De anderen zijn welkom, omdat ze als ze voortgaan op de weg naar God, in de loop der tijd even goed zullen worden als degene die zich in kennis bevindt. Doorgaans echter wil het geval, dat wanneer men naar de kerk gaat om er rijker van te worden en het geld komt niet, men concludeert dat het onzin is tot God te naderen en alle contact met de kerk opgeeft. Dat is het gevaar dat men loopt als men God benadert met bijoogmerken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld gingen heel wat echtgenoten van Duitse soldaten naar de kerk om voor de veilige terugkeer van hun mannen te bidden, maar toen ze vernamen dat ze gesneuveld waren, werden ze atheïstisch. Uit zoiets blijkt dat we willen dat God op bestelling levert en doet Hij het niet, dan zeggen we dat er geen God bestaat. Zulke dingen gebeuren als we om stoffelijke zaken bidden.
Er bestaat in dit verband een verhaal van een jongetje, bijna vijf jaar oud, dat Dhruva heette en wiens vader koning was. Na verloop van tijd werd zijn vader zijn moeder moe en zette haar af als koningin., Hij nam een andere vrouw tot gemalin en zij werd dus de stiefmoeder van de jongen. Ze was buitengewoon afgunstig op hem en op een dag, toen Dhruva bij zijn vader op de knie zat, maakte ze een nijdige opmerking. 'Je kunt niet bij je vader op schoot zitten,' zei ze, 'want ik heb je niet ter wereld gebracht.' Ze trok Dhruva bij zijn vader weg en de jongen werd erg kwaad. Hij was de zoon van een kṣatriya en kṣatriya's zijn berucht om hun opvliegendheid. Dhruva vatte dit op als een grote belediging en hij ging naar zijn moeder die van de troon gezet was.
'Lieve Moeder,' zei hij, 'mijn stiefmoeder heeft me beledigd, want ze heeft me van mijn vaders schoot af getrokken.'
'Lieve zoon,' antwoordde de moeder, 'wat kan ik daaraan doen? Ik ben hulpeloos en je vader geeft niet meer om mij.'
'Maar hoe kan ik me dan wreken?' vroeg de jongen.
'Mijn lieve jongen, ook jij bent hulpeloos. Alleen wanneer God je helpt, kun je wraak nemen.'
'O en waar is God?' vroeg Dhruva, oplevend.
'Voor zo ver ik het begrijp, trekken er heel wat wijzen het woud in om God te ontmoeten,' antwoordde de moeder. 'Ze leggen zich grote boetedoeningen op en ondergaan allerlei ontberingen om God daar te vinden.'
Onmiddellijk begaf Dhruva zich naar het woud en vroeg de tijger en de olifant: 'Ben jij God? Ben jij God?' Zo ondervroeg hij alle dieren. Toen hij zag dat Dhruva erg nieuwsgierig was, stuurde Kṛṣṇa Nārada Muni naar hem toe. Nārada ging snel naar het woud en vond Dhruva daar.
'Mijn beste jongen,' zei Nārada, 'je behoort tot de koninklijke familie. Je kunt je al deze ontberingen en boetedoeningen niet aandoen. Ga alsjeblieft terug naar huis. Je vader en moeder maken zich vreselijk bezorgd over je.'
'Probeer me alstublieft niet op deze manier af te leiden,' zei de jongen. 'Als u iets van God afweet of me kunt vertellen hoe ik God kan ontmoeten, vertel het me dan alstublieft. Zo nee, ga dan weg en laat me met rust.'
Toen Nārada zag dat Dhruva zo vastbesloten was, wijdde hij hem, in als leerling en gaf hem de mantra: oṁ namo bhagavate vāsudevāya. Dhruya chantte deze mantra en werd volmaakt en God verscheen voor hem.
'Beste Dhruva, wat wil je? Je kunt van Me krijgen wat je wilt.'
'Lieve Heer,' antwoordde de jongen. 'Ik onderging de ernstigste ontberingen alleen maar om mijn vaders land en koninkrijk, maar nu heb ik U gezien. Zelfs de grote wijzen en heiligen kunnen U niet zien. Wat heb ik hieraan? Ik ging alleen maar van huis om wat glinsterende glasscherven, maar in plaats daarvan heb ik een kostbare diamant gevonden. Nu ben ik tevreden. Ik hoef U niets meer te vragen.'
Dus ook al is men straatarm of al heeft men verdriet, als men net zo vastberaden naar God gaat als Dhruva, als men Hem hoe dan ook wil zien en Zijn zegen ontvangen en als men erin slaagt God te ontmoeten, dan wil men niets van stoffelijke aard meer van Hem hebben. Want men ziet dan de dwaasheid van stoffelijke bezittingen in en dankt zijn illusie af ten gunste van de werkelijkheid. Wanneer men net als Dhruva Mahārāja in Kṛṣṇa-bewustzijn verankerd raakt, wordt men volkomen tevreden en heeft geen wensen meer.
De jñāni, de wijze, weet dat stoffelijke zaken vergankelijk zijn. Hij weet tevens dat er drie aspecten zijn die alle stoffelijk gewin compliceren - men wil winst van zijn arbeid, men wil door anderen vereerd worden om zijn rijkdom en men wil roem vanwege zijn rijkdom. De wijze weet dat dit alles slechts betrekking heeft op het lichaam en dat het allemaal wegvalt, zodra het lichaam ten einde komt. Wanneer het lichaam sterft, is men niet langer een rijkaard, maar een geestelijke ziel, die overeenkomstig haar doen en laten een ander lichaam dient binnen te gaan. De Gītā zegt dat de wijze hier niet door van streek raakt, want hij weet hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Dus waarom zou hij zich inspannen om zich materiële rijkdom te verwerven? De houding van de wijze is: 'Ik heb een eeuwige band met Kṛṣṇa, de Opperheer. Dus laat me deze band nu aanhalen, zodat Kṛṣṇa me zal terugbrengen naar Zijn koninkrijk.'
De kosmische situatie geeft ons alle mogelijkheden om de band met Kṛṣṇa weer aan te halen en terug te keren naar God. Dit dient ons levensdoel te zijn. Alles wat we nodig hebben wordt ons door God verschaft - land, graan, fruit, melk, kleding en onderdak. We hoeven slechts vreedzaam te leven en Kṛṣṇa-bewustzijn te ontwikkelen. Dat dient ons levensdoel te zijn. We behoren daarom tevreden te zijn met wat God ons verschaft in de vorm van voedsel, onderdak, veiligheid en voortplanting en niet voortdurend meer en meer en meer te willen. De beste beschaving is die welke de leus 'eenvoudig leven en verheven denken' onderschrijft. Het is onmogelijk voedsel en nageslacht te vervaardigen in een fabriek. Dit soort zaken en alles wat we verder nodig hebben wordt ons verschaft door God. Het is onze taak er ons voordeel mee te doen in die zin, dat we God-bewust worden.
Hoewel God ons de faciliteiten gegeven heeft om in vrede op deze aarde te leven, Kṛṣṇa-bewustzijn te ontwikkelen en tenslotte tot Hem te komen, treffen we het slecht in deze tijd. We leven kort en er zijn tal van mensen zonder voedsel, onderdak, huwelijksleven of verweer tegen de aanslagen der natuur. Dit komt door de invloed van dit Kali-tijdperk. Daarom heeft Heer Caitanya Mahāprabhu, toen Hij de verschrikkelijke situatie van deze tijd aanschouwde, nadruk gelegd op de absolute noodzaak om het geestelijk leven tot ontwikkeling te brengen. En hoe dienen we dit te doen? Caitanya Mahāprabhu verschaft ons de formule:
harer nāma harer nāma
harer nāmaiva kevalam
kalau nāsty eva nāsty eva
nāsty eva gatir anyathā
'Doe niets anders dan altijd Hare Kṛṣṇa zingen.' Het doet er niet toe of men zich in een fabriek of in een hel, in een schuur of in een wolkenkrabber bevindt. Blijf alleen maar chanten: Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Het kost niets, wordt nergens door belemmerd, is onafhankelijk van kaste, godsdienst, huidskleur - iedereen kan het doen. Chant en luister.
Als men op de een of andere manier met het Kṛṣṇa-bewustzijn in contact komt en onder leiding van een bona fide gids de bewustwordings-methode volgt, keert men beslist terug naar God.
bahūnāṁ janmanām ante
jñānavān māṁ prapadyate
vāsudevaḥ sarvam iti
sa mahātmā su-durlabhaḥ
'Wie zich, na vele geboorten en doden, in werkelijke kennis bevindt, geeft zich aan Me over, want hij weet dat Ik de oorzaak van alle oorzaken ben en al wat is. Zo'n grote ziel is uiterst zeldzaam.' (Bg. 7.19)
Als men haar filosofisch benadert, dient men zich vele levens met de wetenschap Gods bezig te houden. Het doorgronden van God is heel makkelijk, maar tegelijk heel moeilijk. Het is makkelijk voor hen die Kṛṣṇa's woorden als waarheid aanvaarden, maar degenen die door onderzoek tot begrip komen langs de weg van stelselmatige kennisverwerving, dienen hun geloof te formuleren aan het eind van een massa onderzoekingswerk en deze methode kan vele levens vergen. Er zijn verschillende soorten transcendentalisten (lieden die het bovenzinnelijke nastreven), tattvavit geheten, die de Absolute Waarheid kennen. De transcendentalisten noemen datgene de Absolute Waarheid waarin zich geen dualiteit bevindt. In de Absolute Waarheid is geen dualiteit - alles bevindt zich op hetzelfde niveau. Wie dit werkelijk weet wordt tattvavit genoemd.
Kṛṣṇa verkondigt dat de Absolute Waarheid wordt gekend in drie aspecten Brahman, Paramātmā en Bhagavān- de onpersoonlijke Brahman-straling, de overal ter plaatse zijnde Superziel en de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Zo zijn er dus drie hoeken waaronder men de Absolute Waarheid kan waarnemen. Men kan een berg van grote afstand bekijken - dat is één hoek waaronder men hem waarneemt. Komt men dichterbij, dan kan men de bomen en het struikgewas op de berg ontwaren, en begint men de berg te beklimmen, dan zal men een grote variëteit aan bomen, planten en dieren zien. Het object blijft hetzelfde, maar vanwege hun uiteenlopende gezichtspunten hebben de wijzen verschillende opvattingen van de Absolute Waarheid. Nog een voorbeeld: er is zonneschijn, de zonneschijf en de zonnegod. Wie in de zonneschijn is, kan niet beweren dat hij op de zon zelf is en wie zich in de zon bevindt is, qua gezichtspunt, op een betere plek. De zonneschijn kan worden vergeleken met de aldoordringende brahmajyoti-gloed, de plaatselijk zichtbare zonneschijf kan worden vergeleken met het plaatselijk aspect van de Superziel en de zonnegod die in de zon zetelt kan worden vergeleken met de Persoonlijkheid Gods. Zoals we op deze aarde een menigte levende wezens hebben, zo maken we uit de Vedische geschriften op dat er ook op de zon een veelheid van levende wezens is, maar hun lichaam is van vuur, zoals ons lichaam van aarde is.
In de stoffelijke natuur zijn er vijf grofstoffelijke elementen: aarde, water, lucht, vuur en ether. Op de verschillende planeten is er verschil van atmosfeer doordat een van deze elementen de overhand heeft en er zijn verschillende lichamen voor de levende wezens, opgebouwd van dát element dat op de betreffende planeet het meest voorkomt. We moeten niet denken dat er op alle planeten een zelfde soort leven is, maar toch is er eenheid in die zin, dat de vijf elementen alle in de een of andere vorm aanwezig zijn. Zo is op de ene planeet aarde het sterkst aanwezig, op de andere planeet water, op een derde lucht, op de vierde vuur enz. We moeten dus niet denken dat alleen maar omdat een planeet niet voornamelijk uit aarde bestaat of omdat hij niet net zo'n atmosfeer heeft als de onze, er op zo'n planeet geen leven is. De Vedische literatuur vertelt ons dat er ontelbare planeten zijn vol levende wezens met verschillende soorten lichamen. Zoals we door ons materieel aan te passen zo ver kunnen komen, naar planeten met een andere stoffelijke gesteldheid te gaan, zo kunnen we door van kwaliteit te veranderen naar de geestelijke planeten gaan waar de Opperheer verwijlt.
yānti deva-vratā devān
pitṝn yānti pitṛ-vrataḥ
bhūtāni yānti bhūtejyā
yānti mad-yājino ’pi mām
'Degenen die de halfgoden aanbidden zullen onder de halfgoden geboren worden; degenen die de voorouders vereren gaan naar de voorouders; en degenen die Mij aanbidden zullen met Mij leven.' (Bg. 9.25)
Degenen die naar de hogere planeten proberen te komen kunnen erheen gaan en ook degenen die ervoor in aanmerking trachten te komen naar Goloka Vṛndāvana, Kṛṣṇa's planeet, te gaan, kunnen erheen via de methode van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Voordat we naar India gaan, zullen we allicht kennisnemen van een beschrijving van het land; de eerste kennismaking met een bepaald oord vindt plaats doordat we erover horen. Dus wanneer we het een en ander willen weten over de planeet waar God leeft, zullen we moeten luisteren. We kunnen niet zo maar in het wilde weg proberen er te komen. Dat is onmogelijk. Maar we kennen tal van beschrijvingen van de allerhoogste planeet in de Vedische literatuur. De Brahma-saṁhitā zegt bijvoorbeeld:
cintāmaṇi-prakara-sadmasu kalpa-vṛkṣa-
lakṣāvṛteṣu surabhīr abhipālayantam
lakṣmī-sahasra-śata-sambhrama-sevyamānaṁ
govindam ādi-puruṣaṁ tam ahaṁ bhajāmi
‘Ik aanbid Govinda, de oorspronkelijke Heer, de eerste verwekker, die de koeien hoedt, alle verlangens vervullend, in verblijfplaatsen gemaakt van geestelijke juwelen, omringd door miljoenen wensen-vervullende bomen, altijd met grote eerbied en genegenheid gediend door honderdduizenden lakṣmīs of gopīs.’
Er worden nog meer gedetailleerde beschrijvingen gegeven, met name in de Brahma-saṁhitā.
Degenen die de Absolute Waarheid proberen te doorgronden worden onderverdeeld naar gelang het aspect van de Absolute waarheid waarop ze zich richten. Degenen die zich richten op Brahman, de impersonalisten, worden brahmavādīs genoemd. Doorgaans doorschouwen degenen die zich op de Absolute Waarheid richten allereerst de brahmajyoti. Degenen die zich concentreren op de Superziel, de plaatselijke, in het hart aanwezige gedaante van de Heer, Paramātmā, zijn bekend als paramātmāvādīs. De Allerhoogste zetelt in Zijn deelaspect in ieders hart en door meditatie en concentratie kan men deze gedaante onderscheiden. Niet alleen zetelt Hij in ieders hart, maar Hij bevindt Zich ook in ieder atoom van de schepping. De Paramātmā-doorschouwing is de tweede fase. De derde en laatste fase is het doorschouwen of verwerkelijken van Bhagavān, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Aangezien er drie hoofdfasen op de weg der zelfverwerkelijking zijn, kan men niet in één geboorte tot de Allerhoogste Absolute Waarheid komen. Bahūnāṁ janmanām ante. Maar treft men het, dan kan men, binnen één seconde tot God komen. In de regel echter duurt het vele, vele jaren en vele, vele geboorten voordat men beseft wat God is.
ahaṁ sarvasya prabhavo
mattaḥ sarvaṁ pravartate
iti matvā bhajante māṁ
budhā bhāva-samanvitāḥ
'Ik ben de oorsprong van alle geestelijke en stoffelijke werelden. Alles komt uit Mij voort. De wijzen, die hiervan doordrongen zijn, bewijzen Me toegewijde dienst en aanbid- den Me met heel hun hart.' (Bg. 10.8)
De Vedānta-sūtra bevestigt ook dat de Absolute Waarheid Degene is van Wie alles afkomstig is. Geloven we werkelijk dat Kṛṣṇa de oorsprong van alles is en aanbidden we Hem, dan zijn we in één seconde vrij. Maar wie niet gelooft en zegt: 'Ik wil God eerst wel eens zien,' kan alleen in fasen tot God komen, door eerst de onpersoonlijke Brahman-uitstraling te doorschouwen, vervolgens Paramātmā, het plaatselijke deelaspect, voordat hij tenslotte tot de laatste verwerkelijkingsfase komt van 'O, daar is de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods!' We dienen evenwel te begrijpen dat dit proces meer tijd vergt. Wanneer men uiteindelijk na vele jaren van zoeken de Absolute Waarheid doorgrondt, komt men tot de slotsom: vāsudevaḥ sarvam iti - " Vāsudeva is al wat is'. Vāsudeva is een van de namen van Kṛṣṇa en hij betekent 'Hij Die overal leeft'. Wie beseft dat Vāsudeva de wortel van alles is māṁ prapadyate geeft zich aan Hem over. De overgave is het uiteindelijke doel; of men geeft zich onmiddellijk over, of na vele levens van onderzoek. In beide gevallen dient de overgave te geschieden volgens het besef: 'God is groot en ik ben aan Hem ondergeschikt.'
Wie verstandig is en dit begrijpt, geeft zich onmiddellijk over in plaats van nog vele, vele levens te wachten; die begrijpt dat deze gegevens worden verstrekt door de Opperheer, vanuit zijn eindeloze genade jegens de geconditioneerde zielen. We zijn allen geconditioneerde zielen, die de drievoudige ellende van deze stoffelijke wereld ondergaan.
Nu geeft de Allerhoogste ons de kans aan deze ellenden te ontkomen door de methode van overgave aan Hem. Hier gekomen, kan men, als de Allerhoogste Persoon het einddoel is en als men zich aan Hem moet overgeven, zich afvragen waarom er zo veel verschillende wijzen van aanbidding op de wereld bestaan. Deze vraag wordt in het volgende vers beantwoord.
kāmais tais tair hṛta jñānāḥ
prapadyante ’nya-devatāḥ
taṁ taṁ niyamam āsthāya
prakṛtyā niyatāḥ svayā
'Degenen wier geest verwrongen wordt door stoffelijke begeerte geven zich over aan halfgoden en volgen de bijzondere regels en bepalingen van hun eredienst al naar gelang hun eigen aard.' (Bg. 7.20)
Er zijn vele verschillende soorten mensen op de wereld en ze functioneren onder de verschillende geaardheden van de stoffelijke natuur. Over het algemeen zijn de mensen niet op verlossing uit. Begeven ze zich op het geestelijk vlak, dan willen ze zich door geestelijke kracht ergens meester van maken. In India is het niet ongewoon wanneer iemand bij een svāmī komt en hem vraagt: 'Svāmīji, kunt u me niet aan een geneesmiddel helpen? Ik lijd hier en hier aan.' Als een dokter te duur is, denkt men dat men naar een svāmī kan gaan, wonderen kan doen. Er zijn in India ook svāmi's die thuis bij de mensen langs gaan en prediken: 'Als je me een onsje goud geeft, kan ik het in honderd ons goud veranderen.' De mensen denken dan: 'Ik heb vijf ons goud. Laat me ze aan hem geven, dan krijg ik vijfhonderd ons weerom.' Op deze manier haalt de svāmī al het goud van het dorp op en neemt de wijk. Dit is onze kwaal: telkens wanneer we naar een svāmī of een tempel of een kerk gaan, is ons hart vervuld van materiële verlangens. Om materieel van het geestelijke te profiteren, beoefenen we yoga om gezond te blijven. Maar waarom zullen we aan yoga doen om gezond te blijven? Dat kan al door gewone lichaamsoefeningen en een geregeld dieet. Waarom nemen we onze toevlucht tot yoga? Omdat kāmais tais tair hṛta-jñānāḥ. We hebben het stoffelijk verlangen ons fit te houden en van het leven te genieten door naar de kerk te gaan en God tot onze leverancier te maken, bij wie we alles kunnen bestellen.
Omdat ze stoffelijke begeerten hebben, aanbidden de mensen verschillende halfgoden. Ze hebben geen idee hoe ze uit de stof kunnen los komen; ze willen zo veel ze kunnen van de materiële wereld gebruikmaken. In de Vedische literatuur bijvoorbeeld staan vele aanbevelingen daartoe. Als men een ziekte wil genezen, aanbidt men de zon, of als een meisje een goede echtgenoot wil, aanbidt ze Heer Śiva, of wanneer ze mooi wil worden, aanbidt ze god zus en zo, of wanneer men een goede ontwikkeling wil hebben, aanbidt men de godin Sarasvatī. Westerlingen denken hierdoor dikwijls dat de hindoes aan veelgodendom doen, maar het is niet God, doch de-halfgoden die hier aanbeden worden. We moeten niet denken dat de halfgoden God zijn. God is één, maar er zijn halfgoden, die levende wezens zijn net als wij. Het verschil met ons is dat ze aanzienlijke macht bezitten. Op deze aarde kennen we koningen of presidenten of dictators - mensen als wij weliswaar, maar in het bezit van buitengewone macht, en om gunsten van hen te ontvangen, om voordeel te hebben van hun macht, vereren we hen op enigerlei wijze. Maar de Bhagavad-gītā veróórdeelt de aanbidding van halfgoden. Dit vers geeft duidelijk aan dat de mensen de halfgoden aanbidden uit kāma, stoffelijke begeerte.
Dit materiële leven is eenvoudig gebaseerd op begeerte; we willen van deze wereld genieten en we houden van deze stoffelijke wereld, omdat we onze zinnen willen bevredigen. Deze begeerte of lust is het omgekeerde spiegelbeeld van onze liefde voor God. In onze oorspronkelijke wezensstaat zijn we een en al liefde voor God, maar omdat we God vergeten zijn, houden we nu van de materie. Er is altijd liefde. Of we houden van de materie, of we houden van God. Onze neiging tot liefhebben kunnen we op geen enkele manier kwijtraken; we zien dan ook dikwijls dat mensen die geen kinderen hebben, een kat of hond vertroetelen. Waarom? Omdat we ernaar verlangen iets of iemand lief te hebben. Zijn we het oog voor de werkelijkheid zoals ze is verloren, dan geven we ons geloof en onze liefde aan katten en honden. Liefde is er altijd, maar ze is verminkt tot lust. Wanneer deze lust gefrustreerd wordt, worden we kwaad; wanneer we kwaad worden, raken we begoocheld; en wanneer we begoocheld raken, zijn we verdoemd. Dit is het proces dat zich voortdurend voltrekt en dat we dienen om te keren, zodat onze lust verandert in liefde. Als we van God houden, houden we van alles. Houden we echter niet van God, dan is het onmogelijk, wáár dan ook van te houden. Misschien dénken we dat het liefde is, maar het is niets anders dan een opgepoetste vorm van lust. Van degenen die honden der wellust zijn geworden, wordt gezegd dat ze al hun gezond inzicht verloren hebben: kāmais tais tair hṛta-jñānāḥ.
Er zijn in de schriften veel regels en bepalingen betreffende het aanbidden van halfgoden, en men kan zich afvragen waarom de Veda's het aanbidden van halfgoden aanbevelen. Het gebeurt uit noodzaak. Degenen die door lust gedreven worden, zoeken een kans om ergens van te houden en de halfgoden worden erkend als onderbevelhebbers van de Allerhoogste Heer. De Vedische gedachte is, dat wanneer men deze halfgoden aanbidt, men geleidelijk tot Kṛṣṇa-bewustzijn komt. Maar als men volkomen atheïstisch en ongehoorzaam en rebels staat tegenover iedere vorm van gezag, wat valt er dan nog te hopen? Dus gehoorzaamheid aan een hogere persoonlijkheid kan beginnen met gehoorzaamheid aan de halfgoden.
Aanbidden we echter de Opperheer rechtstreeks, dan is het aanbidden van de halfgoden niet nodig. Degenen die de Allerhoogste aanbidden, geven daarmee rechtstreeks alle eerbied aan de halfgoden, maar ze hoeven hen niet te aanbidden, omdat ze weten dat het hoogste gezag boven de halfgoden de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is, Die ze aan het aanbidden zijn. Hoe dan ook is er altijd eerbied. Een toegewijde van de Heer betuigt zijn eerbied zelfs aan een mier, gezwegen dus van zijn eerbied jegens de halfgoden. De toegewijde beseft dat alle levende wezens volkomen deel van de Opperheer zijn en dat ze slechts verschillende rollen spelen.
Met betrekking tot de Allerhoogste dienen alle levende wezens te worden geëerbiedigd. Daarom noemt een toegewijde anderen 'Prabhu', hetgeen 'Waarde heer' betekent. Nederigheid is een van de eigenschappen van een toegewijde van de Heer. Toegewijden zijn vriendelijk en volgzaam en ze bezitten alle goede eigenschappen. Ter afsluiting; wordt men een toegewijde van de Heer, dan ontwikkelen zich vanzelf alle goede eigenschappen. Het levend wezen is van nature volmaakt, maar vanwege het feit dat het met lust besmet is, wordt het gemeen. Datgene wat volkomen deel uitmaakt van goud, is goud, en zo is ook datgene wat volkomen deel is van het Volkomen Volmaakte eveneens volmaakt.
oṁ pūrṇam adaḥ pūrṇam idaṁ
pūrṇāt pūrṇam udacyate
pūrṇasya pūrṇam ādāya
pūrṇam evāvaśiṣyate
'De Persoonlijkheid Gods is volmaakt en volkomen. En omdat Hij volkomen volmaakt is, is alles wat van Hem uitgaat, zoals deze wereld der verschijnselen, volmaakt toegerust als volkomen geheel. Alles wat door het volkomen geheel wordt voortgebracht is op zichzelf eveneens volkomen. En omdat Hij het Volkomen Geheel is, ook al gaan er nog zo veel volkomen eenheden van Hem uit, blijft Hij het volkomen evenwicht.' (Śrī Īśopaniṣad, Aanroeping.)
Tengevolge van de stoffelijke besmetting komt het volmaakte levende wezen ten val, maar het proces van het Kṛṣṇa-bewustzijn zal het weer volmaakt maken. Het kan er waarlijk gelukkig door worden en na het verlaten van dit stoffelijk lichaam binnengaan in het koninkrijk van eeuwig leven, eeuwige gelukzaligheid en volkomen kennis.