Default View
Dual Language View
4
De weg van de dwaas en de weg van de wijze
Kṛṣṇa beschrijft zichzelf zoals Hij is. Toch voelen we ons niet tot Hem aangetrokken. Hoe komt dat? Kṛṣṇa zelf geeft ons de reden:
daivī hy eṣā guṇa-mayī
mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante
māyām etāṁ taranti te
mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante
māyām etāṁ taranti te
'Mijn goddelijke energie welke uit de drieërlei aard der stoffelijke natuur bestaat, is moeilijk te overwinnen. Maar degenen die zich aan Me overgeven komen haar gemakkelijk te boven.' (Bg. 7.14)
De stoffelijke wereld is doordrongen van de drie geaardheden van de stoffelijke natuur. Alle levende wezens worden door deze geaardheden beïnvloed. Worden ze voornamelijk beïnvloed door de geaardheid goedheid, dan noemt men ze brāhmaṇas, en worden ze beïnvloed door de geaardheid hartstocht, dan heten ze kṣatriyas. Worden ze beïnvloed door de geaardheden hartstocht en onwetendheid, dan zijn het vaiśyas, en worden ze alleen door onwetendheid beïnvloed, dan zijn het śūdras. Dit is geen kunstmatig opgelegde zaak, die verband houdt met geboorte of maatschappelijke positie, maar iets wat plaatsvindt overeenkomstig guṇa of de natuurlijke geaardheid waaronder men actief is.
cātur-varṇyaṁ mayā sṛṣṭaṁ
guṇa-karma-vibhāgaśaḥ
tasya kartāram api māṁ
viddhy akartāram avyayam
guṇa-karma-vibhāgaśaḥ
tasya kartāram api māṁ
viddhy akartāram avyayam
'Overeenkomstig de drieërlei aard der stoffelijke natuur en de werkzaamheid daaraan toebedeeld, werden de vier geledingen der menselijke samenleving door Mij geschapen. En hoewel Ik de schepper van dit stelsel ben, dien je te weten dat Ik er niet aan gebonden ben, want Ik ben onveranderlijk.' (Bg. 4.13)
Het is niet zo, dat dit stelsel iets te maken heeft met het verdorven kastestelsel in India. Śrī Kṛṣṇa verklaart uitdrukkelijk: guṇa-karma-vibhāgaśaḥ: de mensen zijn onderverdeeld volgens de guṇa of natuurlijke geaardheid waaronder ze actief zijn en dit slaat op alle mensen in het hele universum. We dienen te begrijpen dat wanneer Kṛṣṇa spreekt, hetgeen Hij zegt niet van beperkte waarde is, maar universeel waar. Hij stelt dat Hij de vader van alle levende wezens is - zelfs de dieren, waterwezens, bomen, planten, wormen, vogels en bijen zijn volgens Hem alle Zijn zonen. Śrī Kṛṣṇa verklaart dat het hele universum in illusie verkeert ten gevolge van de begoocheling door de drieërlei aard der stoffelijke natuur en wij zijn in de ban van deze begoocheling; daardoor kunnen we niet begrijpen wat God is.
Van wat voor aard is deze illusie en hoe kunnen we ons eraan onttrekken? Ook dat wordt in de Bhagavad-gītā verteld:
daivī hy eṣā guṇa-mayī
mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante
māyām etaṁ taranti te
mama māyā duratyayā
mām eva ye prapadyante
māyām etaṁ taranti te
'Mijn goddelijke energie welke uit de drieërlei aard der stoffelijke natuur bestaat, is moeilijk te overwinnen. Maar degenen die zich aan Me overgeven komen haar gemakkelijk te boven.' (Bg. 7.14)
Niemand kan zich door theoretiseren ontworstelen aan zijn verstriktheid in de drie geaardheden van de stoffelijke natuur. De drie guṇa’s zijn bijzonder sterk en moeilijk te overwinnen. Kunnen we niet voelen hoe stevig we in de greep van de stoffelijke natuur zitten? Het woord guṇa (geaardheid, hoedanigheid) betekent tevens snoer. Wanneer iemand is vastgebonden met drie sterke snoeren, zit hij beslist heel stevig vast. Onze handen en voeten zijn stuk voor stuk gebonden door de sterke snoeren van goedheid, hartstocht en onwetendheid. Moeten we daarom de hoop laten varen? Nee, want Kṛṣṇa belooft hier dat ieder die zich aan Hem overgeeft, meteen vrij is. Wanneer men Kṛṣṇa-bewust wordt - het doet er niet toe langs welke weg - komt men vrij.
We zijn allen met Kṛṣṇa verwant, want we zijn allen Zijn zonen. Een zoon kan ruzie hebben met zijn vader, maar hij kan onmogelijk de vader-zoon-relatie verbreken. Er zal hem ooit in zijn leven wel eens worden gevraagd wie hij is, en dan zal hij moeten antwoorden: 'Ik ben de zoon van die en die.' Die relatie kan niet worden verbroken. We zijn allen zonen van God en deze relatie met Hem is eeuwig, maar we zijn dit gewoon vergeten. Kṛṣṇa is al-machtig, al-vermaard, al-rijk, al-schoon, al-wijs en tevens al-onthecht. Hoewel we bevriend zijn met deze grote persoonlijkheid, zijn we het vergeten. Als de zoon van een rijke man zijn vader vergeet, uit huis gaat en gek wordt, slaapt hij misschien op straat en bedelt hij zijn eten bij elkaar, maar dat komt allemaal door zijn vergeetachtigheid. Als iemand hem echter inlicht dat hij slechts lijdt omdat hij weggegaan is uit het huis van zijn vader en dat zijn vader, die een zeer rijk man is met enorme bezittingen, er naar verlangt hem weer thuis te hebben, is degene die dit vertelt een groot weldoener.
In deze stoffelijke wereld lijden we altijd onder de drievoudige ellende - de ellende die voortkomt uit lichaam en geest, de ellende die we ondervinden van andere levende wezens en de ellende van natuurrampen. Begoocheld als we zijn door de drieërlei aard der stoffelijke natuur, geven we ons geen rekenschap van deze drieërlei ellende. We dienen echter altijd te weten dat we in de stoffelijke wereld zeer veel leed ondergaan. Iemand die een voldoende ontwikkeld bewustzijn heeft en intelligent is, tracht er achter te komen waarom hij lijdt. 'Ik wil geen ellende. Waarom moet ik lijden?' Wanneer deze vraag wordt gesteld, bestaat de kans dat men Kṛṣṇa-bewust wordt.
Zodra we ons aan Kṛṣṇa overgeven, verwelkomt Hij ons allerhartelijkst. Het is alsof een verdoold kind bij zijn vader terugkomt en zegt: 'Lieve vader, omdat ik onverstandig was, ben ik weggegaan van uw bescherming, maar ik heb geleden. Nu kom ik bij u terug.' De vader omhelst zijn zoon en zegt: 'Mijn lieve jongen, laten we er niet over praten. Ik heb me de hele tijd dat je er niet was zó bezorgd over je gemaakt en nu ben ik zó blij dat je weer terug bent.' Zo vriendelijk is de vader. Wij bevinden ons in dezelfde situatie. We moeten ons overgeven aan Kṛṣṇa en dat is niet zo moeilijk. Want is het zo moeilijk voor een zoon om zich aan zijn vader over te geven? Het is juist heel natuurlijk, en de vader wacht voortdurend op de thuiskomst van zijn zoon. Hij is volstrekt niet beledigd. Als we ons verootmoedigen voor onze Allerhoogste Vader en Zijn voeten aanraken, kan ons geen kwaad overkomen en het is ook niet moeilijk. Het is juist heerlijk voor ons. Waarom zouden we het niet doen? Door ons aan Kṛṣṇa over te geven, komen we rechtstreeks onder Zijn bescherming en worden we van alle ellende verlost. Dit wordt bevestigd door alle heilige schriften. Aan het eind van de Bhagavad-gītā zegt Śrī Kṛṣṇa:
sarva-dharmān parityajya
mam ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo
mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ
mam ekaṁ śaraṇaṁ vraja
ahaṁ tvāṁ sarva-pāpebhyo
mokṣayiṣyāmi mā śucaḥ
'Laat alle vormen van godsdienst varen en geef je slechts over aan Mij. Ik zal je verlossen van alle gevolgen van je doen en laten. Vrees niet.' (Bg. 18.66)
Wanneer we ons ter aarde werpen aan Gods voeten, vallen we onder Zijn bescherming en vanaf dien kennen we geen vrees meer. Wanneer kinderen beschermd worden door hun ouders, kennen ze geen vrees omdat ze weten dat hun ouders niet willen dat hun iets overkomt. Mām eva ye prapadyante: Kṛṣṇa belooft degenen die zich aan Hem overgeven dat ze geen reden tot angst zullen hebben.
Als de overgave aan Kṛṣṇa zoiets makkelijks is, waarom geven de mensen zich dan niet over? Waarom zijn er daarentegen zo veel mensen die het bestaan van God in twijfel trekken en beweren dat wetenschap en natuur alles zijn en dat God niets is? De zogenaamde vooruitgang der beschaving op het gebied van kennis houdt in werkelijkheid in dat de bevolking steeds waanzinniger wordt. In plaats van genezen te worden, wordt de ziekte verergerd. De mensen geven niet om God, maar ze geven om de natuur en het is juist de taak van de natuur om ons te straffen, en wel met de drievoudige ellende. Ze straft ons aan één stuk door, vierentwintig uur per dag. We zijn er echter zó aan gewend geraakt te worden gestraft, dat we het niet eens in de gaten hebben of het heel gewoon vinden. We zijn bijzonder trots op onze ontwikkeling, maar toch zeggen we tegen de stoffelijke natuur: 'Welbedankt voor de straf. Ga er alsjeblieft mee door.' Op deze wijze begoocheld, denken we dat we zelfs de stoffelijke natuur de baas zijn geworden. Maar hoe komt dit allemaal zo? De natuur bezorgt ons nog altijd de ellende van geboorte, ouderdom, ziekte en dood. Heeft wíe dan ook deze problemen ooit opgelost? Zo nee, wat voor vooruitgang hebben we dan werkelijk gemaakt op het gebied van kennis en beschaving? We zijn onderhorig aan de strenge wetten der materiële natuur, maar nog altijd denken we dat we haar de baas zijn. Dit heet māyā.
Het mag misschien problemen opleveren, zich over te geven aan de vader van dit lichaam, want zijn kennis en macht zijn beperkt. Maar Kṛṣṇa is een ander soort vader. Kṛṣṇa is onbegrensd en heeft alle kennis, alle macht, alle rijkdom, alle schoonheid, alle roem en alle onthechting. Dienen we ons niet als gelukkig te beschouwen dat we naar zo'n vader toe kunnen gaan en meegenieten van Zijn bezittingen? Toch schijnt het niemand veel te kunnen schelen en tegenwoordig roept iedereen dat er geen God bestaat. Waarom gaan de mensen niet naar Hem op zoek? Het antwoord op deze vraag staat in het volgende vers van de Bhagavad-gītā:
na māṁ duṣkṛtino mūḍhāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta jñāna
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
prapadyante narādhamāḥ
māyayāpahṛta jñāna
āsuraṁ bhāvam āśritāḥ
'De afvalligen, die dom en afgestompt zijn, de laagsten onder de mensen, wier kennis gestolen is door begoocheling en die de goddeloze aard van demonen hebben, geven zich niet aan Me over.' (Bg. 7.15)
Zo worden de dwazen onderverdeeld. Een duṣkṛtī handelt altijd tegen de schrift in. De huidige beschaving houdt zich ermee bezig de regels van de schrift te overtreden - anders niet. Een vroom mens kan worden gedefinieerd als iemand die deze regels niet overtreedt. Er moet een maatstaf zijn om onderscheid te kunnen maken tussen duṣkṛtī (een boosdoener) en ṣkṛtī (de deugdzame). Ieder beschaafd land heeft een heilig geschrift of die nu christelijk, hindoeïstisch, mohammedaans of boeddhistisch is. Dat is geen punt. Het gaat erom dat het gezaghebbende geschrift beschikbaar is. Wie nu de voorschriften hiervan niet volgt wordt geacht buiten de wet te leven.
Een andere categorie personen die in dit vers wordt genoemd is die van de mūḍha, dwaas nummer één. De narādhama is iemand die zich onderaan de ladder der menselijke waarden bevindt en de term māyayāpahṛta jñāna heeft betrekking op iemand wie alle kennis wordt ontnomen door māyā - illusie. Āsuraṁ bhāvam āśritāḥ slaat op degenen die volkomen atheïstisch zijn. Hoewel er geen enkel nadeel aan verbonden is als men zich aan de Vader overgeeft, komen de hierboven gekarakteriseerde personen nimmer tot overgave. Als gevolg hiervan worden ze voortdurend gestraft door degenen die de Vader hiertoe heeft aangesteld. Ze moeten flink geslagen, geranseld en getrapt worden en ze moeten lijden. Zoals een vader zijn ongezeglijke zoon moet kastijden, zo moet ook de stoffelijke natuur bepaalde straffen toepassen. Tegelijkertijd onderhoudt de natuur ons lichaam door ons voedsel en andere noodzakelijke dingen te verschaffen. Straffen en voeden vinden gelijkelijk plaats omdat we zonen zijn van de allerrijkste Vader en Kṛṣṇa is ons welgezind, ook al geven we ons niet aan Hem over. Maar ook al worden ze nog zo goed door de Vader verzorgd, toch blijven de duṣkṛtī ongeoorloofde handelingen verrichten. Men is dwaas wanneer men hardnekkig straf wil blijven krijgen en men staat onderaan de ladder der menselijke waarden als men deze menselijke levensvorm niet benut om Kṛṣṇa weer te leren begrijpen. Als iemand zijn mensenleven niet gebruikt om zijn relatie met zijn werkelijke Vader weer tot leven te wekken, dient hij menselijkerwijs als gevallen te worden beschouwd.
Dieren eten en slapen gewoon, verdedigen zich, paren en sterven. Ze maken geen gebruik van een hoger bewustzijn, omdat dit in de lagere levensvormen niet mogelijk is. Als een menselijk wezen zich gedraagt naar de activiteiten van dieren en geen gebruik maakt van zijn vermogen om zijn bewustzijn te verheffen, valt hij van de menselijke ladder en bereidt zich daarmee voor op een dierenlichaam in zijn volgende leven. Door Kṛṣṇa's genade hebben we een hoger ontwikkeld lichaam en verstand gekregen, maar als we er geen gebruik van maken, waarom zou Hij ze ons dan nóg eens geven? We dienen te beseffen dat dit mensenlichaam zich heeft gevormd na miljoenen en nog eens miljoenen jaren van ziele-evolutie, en dat het op zichzelf een kans is om vrij te komen uit de kringloop van geboorte en dood, waarin meer dan achtmiljoen levensvormen rondwentelen. We krijgen deze kans door de genade van Kṛṣṇa en als we haar niet aangrijpen, zijn we dan niet de laagsten onder de mensen? Ook al hebben we een universitaire titel voor onze naam staan, dan neemt dit nog niet weg dat Kṛṣṇa's begoochelende lagere energie ons niet van onze wereldse kennis berooft. Wie werkelijk intelligent is, zal zijn intelligentie gebruiken om te begrijpen wie hij is, wie God is, wat de stoffelijke natuur is, waarom hij in de stoffelijke natuur lijdt en wat de methode is om dit lijden op te heffen.
Als we onze intelligentie gebruiken om een auto, een radio of een t.v.-toestel te vervaardigen, dienen we te beseffen dat dit niets met kennis te maken heeft. Veeleer beroven we onszelf van onze intelligentie. De mens heeft zijn verstand gekregen om de levensproblemen te kunnen begrijpen, maar hij misbruikt het. De mensen denken dat ze over kennis beschikken, omdat ze weten hoe ze een auto moeten maken en erin rondrijden, maar voordat de auto er was, reisden de mensen al rond van de ene plaats naar de andere. De faciliteiten zijn alleen maar vergroot, maar de vermeerdering van de faciliteiten brengt nieuwe problemen met zich mee - luchtvervuiling en verkeerschaos. Dit is māyā - we scheppen faciliteiten en deze scheppen op hun beurt tal van problemen.
In plaats van onze energie te verspillen aan het verwerven van tal van faciliteiten en moderne gemakken, dienen we onze intelligentie zo te gebruiken, dat we begrijpen wie en wat we zijn. We houden niet van lijden, maar we dienen te begrijpen waarom het lijden ons wordt opgedrongen. Door zogenaamde kennis zijn we er heel eenvoudig in geslaagd de atoombom te vervaardigen. Zo is het moord-proces versneld. We voelen ons trots bij de gedachte dat dit vooruitgang van onze kennis is, maar pas wanneer we iets kunnen maken wat een eind weet te maken aan de dood, zijn we werkelijk in kennis gevorderd. De dood is reeds in de stoffelijke natuur aanwezig, maar als we hem zo graag willen bevorderen door iedereen in één klap te doden, wordt dit māyayāpahṛta-jñāna genoemd, door illusie weggenomen kennis.
De asura's, de demonen en uitgesproken atheïsten, dagen in feite God uit. Als onze Allerhoogste Vader het niet zo wilde, zouden we het daglicht niet zien, dus wat heeft het voor zin Hem uit te dagen? In de Veda's wordt verklaard dat er twee soorten mensen zijn, de deva's en asura's, de halfgoden en demonen. Wie zijn de deva's? De toegewijden van de Allerhoogste worden deva's genoemd, omdat ze ook als God worden, terwijl degenen die het gezag van de Allerhoogste uitdagen asura's of demonen worden genoemd. Deze twee soorten treft men altijd in de menselijke samenleving aan.
Evenals er vier soorten booswichten zijn die zich nooit aan Kṛṣṇa overgeven, zijn er vier soorten gelukkigen die Hem aanbidden en deze worden opgesomd in het volgende vers:
catur-vidhā bhajante māṁ
janāḥ su-kṛtino ’rjuna
ārto jijñāsur arthārthī
jñānī ca bharatarṣabha
janāḥ su-kṛtino ’rjuna
ārto jijñāsur arthārthī
jñānī ca bharatarṣabha
'O beste der Bhārata's (Arjuna), er zijn vier soorten vrome mensen die Me toegewijde dienst bewijzen - de bedroefde, degene die rijkdom begeert, de nieuwsgierige en degene die naar de Absolute Waarheid zoekt.' (Bg. 7.16)
Deze materiële wereld is vol verdriet, waaraan zowel de vrome als de goddeloze onderworpen is. De winterkou ontziet niemand. Hij let er niet op of iemand vroom of goddeloos, arm of rijk is. Het verschil tussen de vrome en de goddeloze echter is dat de vrome aan God denkt wanneer hij zich in zijn ellendige toestand bevindt. Vaak wanneer iemand in nood zit, gaat hij naar de kerk en bidt: 'O Heer, ik zit in moeilijkheden, help me er alstublieft uit.' Ook al bidt hij vanuit materiële nood, toch dient zo iemand als vroom te worden beschouwd, omdat hij in zijn nood tot God is gekomen. Evenzo kan een arme naar de kerk gaan en bidden: 'O lieve Heer, geef me alstublieft wat geld.' De nieuwsgierigen daarentegen zijn doorgaans intelligent. Ze proberen alles altijd te begrijpen. Ze kunnen zich afvragen: 'Wat is God?' en vervolgens een wetenschappelijk onderzoek instellen om erachter te komen. Ook zij worden als vroom beschouwd, omdat hun onderzoek gericht is op het juiste doel. Iemand in kennis wordt jñāni genoemd - hetgeen inhoudt dat hij zijn wezensstaat begrijpt. Het kan zijn dat zo'n jñāni nog een onpersoonlijke opvatting van God heeft, maar omdat hij de beschutting zoekt van het uiteindelijke, van de Allerhoogste Absolute Waarheid, dient hij eveneens als vroom te worden beschouwd. Deze vier soorten mensen worden sukṛtī - vroom - genoemd, omdat ze allen naar God zoeken.
teṣāṁ jñānī nitya-yukta
eka-bhaktir viśiṣyate
priyo hi jñānino ’tyartham
ahaṁ sa ca mama priyaḥ
eka-bhaktir viśiṣyate
priyo hi jñānino ’tyartham
ahaṁ sa ca mama priyaḥ
'Van dezen is de wijze, die in volledige kennis door toegewijde dienst met Me verenigd is, de beste. Want Ik ben hem en hij is Mij heel dierbaar.' (Bg. 7.17)
Van de vier soorten mensen die naar God toe komen is degene die het wezen van God filosofisch benadert, die Kṛṣṇa-bewust tracht te worden - viśiṣyate - degene die er het beste voorstaat. Kṛṣṇa zegt immers dat zo iemand Hem heel dierbaar is, omdat hij zich met niets anders bezighoudt dan met het begrijpen van God. De anderen zijn lager. Niemand hoeft tot God te bidden om Hem iets te vragen en wie het toch doet is dwaas, omdat hij niet weet dat de alwetende God in zijn hart is en zeer goed beseft wanneer hij verdriet heeft of om geld verlegen zit. De wijze is zich hiervan bewust en bidt niet om verlichting van materiële nood. Hij bidt veeleer om God te verheerlijken en anderen te laten weten hoe groot Hij is. Hij bidt niet om persoonlijke belangen, voedsel, kleding of onderdak. Wanneer een zuivere toegewijde in benauwdheid is, zegt hij: 'Lieve Heer, dit is Uw genade. U hebt me deze benauwdheid gegeven alleen maar om me op het rechte spoor te brengen. U had me in veel grotere benauwdheid moeten storten, maar door Uw genade hebt U haar tot het geringste beperkt.' Dit is de manier van kijken van een zuivere toegewijde die zich niet van streek laat brengen.
Wie in Kṛṣṇa-bewustzijn is, geeft niet om materiële nood, noch om eer of oneer, omdat hij van dit alles afzijdig is. Hij is ervan doordrongen dat nood, eer en oneer uitsluitend op het lichaam betrekking hebben en dat hij niet zijn lichaam is. Toen bijvoorbeeld Socrates, die in de onsterfelijkheid der ziel geloofde, ter dood veroordeeld was en gevraagd werd hoe hij begraven wilde worden, antwoordde hij: 'Daarvoor zouden jullie me eerst moeten vangen.' Dus iemand die weet dat hij het lichaam niet is, raakt niet van streek, want hij weet dat de ziel niet gevangen, gemarteld, gedood of begraven kan worden. Wie vertrouwd is met de wetenschap van Kṛṣṇa, is er volkomen van op de hoogte dat hij zijn lichaam niet is, dat hij volkomen deel van Kṛṣṇa is en dat hij hoe dan ook, al is hij in een stoffelijk lichaam gestopt, afzijdig moet blijven van de drieërlei aard der materiële natuur. Hij houdt zich niet op met de geaardheid goedheid, de geaardheid hartstocht of de geaardheid onwetendheid, maar met Kṛṣṇa. Wie dit begrijpt is een jñāni, een wijze, en als zodanig Kṛṣṇa heel dierbaar. Wanneer iemand die in nood zat, rijkdom ontvangt, kan hij God vergeten, maar een jñāni, die Gods positie kent, zal Hem nimmer vergeten.
Er is een klasse van jñāni's, impersonalisten genaamd, die zeggen dat men zich een beeld van God heeft ontworpen, omdat het te moeilijk is het onpersoonlijke te aanbidden. Dit zijn geen echte jñāni's, maar dwazen. Niemand kan zich de gedaante van God voorstellen, want God is zó groot. Men kan zich een gedaante indenken weliswaar, maar dat is dan ook maar een bedenksel; het is niet de ware gedaante. Er zijn er die zich een gedaante van God indenken en er zijn er ook die de gedaante van God ontkennen. Zij zijn geen van allen jñāni's. Degenen die zich een beeld maken van de gedaante van God worden beeldstormers genoemd. Toen de hindoes en moslims met elkaar slaags waren in India, ging de ene keer een groep hindoes naar een moskee en sloeg daar de beelden en afbeeldingen van God kort en klein en de andere keer deden de moslims hetzelfde in de hindoetempel. Op deze wijze handelend, dachten beiden: 'We hebben de God van de hindoes gedood.' 'We hebben de God van de moslims gedood.' Toen Gandhi zijn verzetsbeweging leidde, gingen evenzovele Indiërs de straat op en vernielden de brievenbussen, daarbij denkend dat ze de staatsposterijen vernietigden. Mensen met zo'n mentaliteit zijn geen jñāni's. De godsdienst- oorlogen tussen hindoes en moslims en christenen en niet-christenen werden alle gevoerd op basis van onwetendheid. Wie in kennis is weet dat God één is; Hij kan niet mohamedaans, hindoeïstisch of christelijk zijn.
We beelden ons in dat God dit of dat of zus of zo is. Het is allemaal verbeelding. De werkelijk wijze weet dat God bovenzinnelijk is. Wie weet dat God bovenzinnelijk verheven is boven de geaardheden der stoffelijke natuur, kent Hem werkelijk. God is altijd bij ons, in ons hart. Wanneer we het lichaam verlaten, gaat God met ons mee en wanneer we een ander lichaam aannemen, vergezelt hij ons daarheen, alleen maar om te zien wat we uitvoeren. Wanneer zullen we ons gezicht naar Hem toe wenden? Hij wacht voortdurend. Zodra we ons gezicht naar Hem toe wenden, zegt Hij: 'Mijn lieve zoon, kom - sa ca mama priyaḥ - je bent Me eeuwig dierbaar. Nu wend je je gezicht naar Me toe en Ik ben er heel blij om.'
De wijze, de jñāni, begrijpt in feite wat de wetenschap van God inhoudt. Iemand die alleen begrijpt dat God goed is, bevindt zich in een beginstadium van begrip, maar iemand die werkelijk inziet hoe groot en goed God is, is verder gevorderd. Deze kennis is te verkrijgen uit het Śrīmad-Bhāgavatam en de Bhagavad-gītā. Wie werkelijk in God geïnteresseerd is, zou de wetenschap van God moeten bestuderen, in de Bhagavad-gītā.
idaṁ tu te guhya-tamaṁ
pravakṣyāmy anasūyave
jñānaṁ vijñāna-sahitaṁ
yaj jñātvā mokṣyase ’śubhāt
pravakṣyāmy anasūyave
jñānaṁ vijñāna-sahitaṁ
yaj jñātvā mokṣyase ’śubhāt
'Mijn beste Arjuna, omdat je nooit afgunstig op Me bent, zal Ik je deze meest geheime wijsheid onthullen, waarvan de kennis je zal verlossen van de ellenden van het stoffelijk bestaan.' (Bg. 9.1)
De kennis van God die onthuld wordt in de Bhagavad-gītā is uiterst subtiel en vertrouwelijk. Ze is vol jñāna, metafysische wijsheid, en vijñāna, wetenschappelijke kennis. En ze is tevens vol mysterie. Hoe kan iemand deze kennis begrijpen? Ze moet worden overgedragen door God Zelf of een bona fide vertegenwoordiger van God. Daarom zegt Śrī Kṛṣṇa ook, dat telkens wanneer er verschil van mening bestaat ten aanzien van het juiste begrip van de wetenschap Gods, Hij Zelf neerdaalt.
De kennis komt geenszins voort uit sentiment. Toewijding is iets anders dan sentiment. Ze is een wetenschap. Śrīla Rūpa Gosvāmi zegt: 'Geestelijk vertoon zonder relatie met de Vedische kennis is niets anders dan ordeverstoring.' Men dient de nectar der toewijding te proeven door logica, redenering en kennis en hem vervolgens aan anderen door te geven. Men gelieve niet te denken dat Kṛṣṇa-bewustzijn louter sentimentaliteit is. Ook het dansen en zingen zijn volkomen wetenschappelijk. Kṛṣṇa-bewustzijn kent wetenschap en liefdesbeantwoording. Kṛṣṇa is de wijze zeer dierbaar en de wijze is Kṛṣṇa zeer dierbaar. Kṛṣṇa zal onze liefde duizendvoudig beantwoorden. Wat is het liefdesvermogen van ons, nietige schepselen, voor Kṛṣṇa? Maar Kṛṣṇa heeft een reusachtig vermogen - onbegrensd - tot liefhebben.