Default View
Dual Language

3

Kṛṣṇa zien – altijd en overal

Kṛṣṇa leert ons hoe we in ons dagelijks leven ons Kṛṣṇa-bewustzijn kunnen opwekken. We dienen geenszins op te houden onze plicht te doen en evenmin onze activiteiten te staken. We dienen veeleer onze activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn te verrichten. Ieder heeft een levenstaak, maar met wat voor bewustzijn neemt hij die ter hand? Iedereen denkt: 'Ik moet mijn taak verrichten om mijn gezin te onderhouden.' De samenleving, de regering of het gezin dienen tevreden te worden gesteld - er is niemand die van dit besef verstoken is. Men dient over het juiste bewustzijn te beschikken om willekeurig welke taak naar behoren te verrichten. Iemand wiens bewustzijn opgewonden is, die zich als een dolleman gedraagt, kan geen enkele plicht vervullen. We dienen onze plicht naar behoren te vervullen, maar voortdurend met de gedachte, dat we Kṛṣṇa ermee tevreden moeten stellen. Het is niet zo, dat we een ander type werk moeten gaan doen; we dienen alleen te beseffen voor wie we werken. Elke activiteit die we moeten verrichten, behoren we dan ook metterdaad te verrichten, maar zonder dat we ons erbij laten leiden door kāma, begeerte. Het Sanskrit woord kāma heeft betrekking op wellust, begeerte of zinsbevrediging. Śrī Kṛṣṇa leert ons dat we niet moeten werken voor de bevrediging van kāma of onze eigen lust. De hele leer van de Bhagavad-gītā berust op dit beginsel.
Arjuna wilde zijn zinnen bevredigen door ervan af te zien met zijn familieleden te vechten, maar Kṛṣṇa sprak hem toe om hem ervan te overtuigen dat hij zijn plicht vervullen moest om de Allerhoogste tevreden te stellen. Materieel bezien, lijkt het heel vroom dat Arjuna zijn aanspraak op de troon liet varen en weigerde zijn familieleden te doden, maar Kṛṣṇa keurde zijn houding af, omdat Arjuna bij zijn besluit geleid werd door overwegingen die met zinsbevrediging verband hielden. Men hoeft niet van werk of beroep te veranderen - ook Arjuna hoefde dit immers niet – maar men dien zijn bewustzijn te veranderen. Om echter ons bewustzijn te veranderen hebben we kennis nodig. Deze kennis is de wetenschap: 'Ik maak volkomen deel uit van Kṛṣṇa, van de hogere energie van Kṛṣṇa.' Dit is waarachtige kennis. Relatieve, materiële kennis kan ons leren hoe we een kapotte machine kunnen repareren, maar werkelijke kennis is weten dat onze wezensstaat is dat we een integraal deeltje van Kṛṣṇa zijn. Aangezien we deel zijn van Hem, is ons genoegen, als gedeeltelijk genoegen, afhankelijk van het genoegen van het geheel. Zo kan mijn hand zich bijvoorbeeld goed voelen, omdat hij vastzit aan het lichaam en het dient. Hij ervaart geen genoegen wanneer hij andermans lichaam dient. Omdat we deel uitmaken van Kṛṣṇa, bestaat ons genoegen eruit dat we Hem dienen. 'Ik voel me niet gelukkig als ik jou dien,' denkt iedereen, 'ik kan me alleen gelukkig voelen als ik mezelf dien.' Maar niemand weet wie dit zelf is. Dit zelf is Kṛṣṇa.
mamaivāṁśo jīva-loke
jīva-bhūtaḥ sanātanaḥ
manaḥ ṣaṣṭhānīndriyāṇi
prakṛti sthāni karṣati
'De levende wezens in deze geconditioneerde wereld zijn eeuwige deeltjes van Mij. Als gevolg van hun geconditioneerde leven, zijn ze verwikkeld in een hevige worsteling met de zes zinnen, waar de geest er één van is.' (Bg. 15.7)
De jiva's of levende wezens zijn van het volkomen geheel losgeraakt als gevolg van hun contact met de stof. We moeten er derhalve naar streven ons weer aan het geheel vast te hechten, door het sluimerende Kṛṣṇa-bewustzijn in ons te wekken. We proberen op kunstmatige wijze Kṛṣṇa te verdringen en onafhankelijk te leven, maar dit is onmogelijk. Wanneer we ernaar streven onafhankelijk van Kṛṣṇa te zijn, komen we onder invloed van de wetten der stoffelijke natuur. Als iemand denkt dat hij onafhankelijk van Kṛṣṇa is, wordt hij afhankelijk van de begoochelende, lagere energie van Kṛṣṇa, zoals iemand die denkt dat hij onafhankelijk is van de regering en de wetten des lands, afhankelijk wordt van de arm der wet. Iedereen probeert onafhankelijk te worden en dit heet māyā, illusie. Of men het nu individueel, plaatselijk, maatschappelijk, landelijk of universeel probeert, het is niet mogelijk onafhankelijk te worden. Komen we zo ver, dat we beseffen dat we afhankelijk zijn, dan begint daar onze werkelijke kennis. Er zijn tegenwoordig massa's mensen die naar wereldvrede streven, maar ze weten niet wat er precies gebeuren moet om haar te verwerven. De Verenigde Naties streven al vele jaren naar wereldvrede, maar de oorlogen blijven voortwoeden.
yac cāpi sarva-bhūtānāṁ-
bījaṁ tad aham arjuna
na tad asti vinā yat syān
mayā bhūtaṁ carācaram
'Bovendien, O Arjuna, ben Ik het voortplantend zaad van al wat is. Er is geen wezen - al dan niet bewegend - dat bestaan kan zonder Mij.' (Bg. 10.39)
Zo is Kṛṣṇa de eigenaar van alles, degene die uiteindelijk overal de vruchten van plukt en van alles het resultaat ontvangt. We kunnen ons weliswaar als de eigenaar van de vruchten van onze arbeid beschouwen, maar dat is een onjuiste opvatting. We dienen tot het inzicht te komen dat uiteindelijk Kṛṣṇa de eigenaar van de vruchten van ál onze arbeid is. Ook al zijn er honderden mensen aan het werk op een kantoor, dan weten ze allemaal dat de winst die er door het bedrijf gemaakt wordt van de eigenaar is. Zodra de kassier van een bank denkt: 'Kijk eens wat een geld ik allemaal heb, dat neem ik fijn mee naar huis', komt hij in moeilijkheden. Als we denken dat we de middelen die we hebben vergaard, van wat voor aard ze ook zijn, kunnen gebruiken voor onze eigen zinsbevrediging, handelen we uit kāma, lust. Maar zien we in, dat alles wat we hebben aan Kṛṣṇa toebehoort, dan zijn we verlost. Wanneer we met geld in onze handen staan en denken dat het van ons is, ook al hebben we het 'zelf verdiend', dan verkeren we onder de invloed van māyā. Wie verankerd is in het besef dat alles aan Kṛṣṇa toebehoort, is waarlijk wijs.
īśāvāsyam idaṁ sarvaṁ
yat kiñca jagatyāṁ jagat
tena tyaktena bhuñjīthā
mā gṛdhaḥ kasya svid dhanam
'Alles wat bezield en onbezield is in dit universum wordt bestuurd door de Heer en is Zijn eigendom. Men behoort daarom alleen die dingen aan te nemen die men nodig heeft voor zichzelf en die ieder als zijn deel krijgt toegemeten; en men behoort geen andere dingen aan te nemen, want men weet heel goed aan Wie ze toebehoren.' (Śrī Īśopaniṣad, Mantra 1)
Dit iśāvāsya-bewustzijn - namelijk dat alles aan Kṛṣṇa toebehoort - dient weer tot leven te worden gewekt, niet alleen individueel, maar ook nationaal en universeel. Dan zal er vrede zijn. We vertonen weliswaar dikwijls menslievende en altruïstische neigingen en we streven ernaar bevriend te zijn met onze landgenoten, onze familie en alle volkeren van de wereld maar dit is allemaal gebaseerd op een verkeerde kijk op de werkelijkheid. Ons aller wérkelijke vriend is Kṛṣṇa en als we onze familie, ons volk of onze planeet daar hun voordeel mee willen laten doen, zullen we voor Hem willen werken. Als we het welzijn van onze familie op het oog hebben, zullen we proberen al onze familieleden Kṛṣṇa-bewust te maken. Er zijn tal van mensen die hun familie vooruit proberen te helpen, maar helaas slagen ze er niet in. Ze weten niet wat het werkelijke probleem is. Zoals het Bhāgavatam zegt, dient men niet te proberen vader, moeder of leraar te worden, als men de kinderen waarvoor men de verantwoordelijkheid op zich neemt niet weet te bevrijden van de dood, van de greep der stoffelijke natuur. De vader dient kennis over Kṛṣṇa te bezitten en vastbesloten te zijn ervoor te zorgen dat de argeloze kinderen die hem zijn toevertrouwd niet hoeven terug te keren in de kringloop van geboorte en dood. Hij dient zijn kinderen vastberaden op zo'n manier op te voeden, dat ze niet meer onderworpen hoeven te worden aan de smartelijke kringloop van geboorte en dood. Maar voordat hij dit kan doen, moet hij zich bekwamen voor deze taak. Wanneer hij doorkneed raakt in het Kṛṣṇa-bewustzijn, kan hij niet alleen zijn kinderen, maar ook zijn samenleving en volk helpen. Als hij echter zelf gebonden is door onwetendheid, hoe kan hij dan de anderen, die evenzeer gebonden zijn, in vrijheid verenigen? Hij moet eerst zichzelf bevrijden. In feite is niemand vrij, want iedereen is in de ban van de stoffelijke natuur, maar wie zich heeft overgeleverd aan Kṛṣṇa, kan niet meer door māyā worden aangetast. Zo iemand is - in deze wereld van gebonden mensen - werkelijk vrij. Als iemand in het zonlicht gaat staan, is er geen sprake meer van duisternis. Maar begeeft men zich in het schijnsel van kunstlicht, dan kan dit flikkeren en uitgaan. Kṛṣṇa is als het zonlicht. Wanneer Hij aanwezig is, is er geen sprake meer van duisternis en onwetendheid. De wijzen - de mahātmā's - doorschouwen dit.
ahaṁ sarvasya prabhavo
mattaḥ sarvaṁ pravartate
iti matvā bhajante māṁ
budhā bhāva-samanvitāḥ
'Ik ben de oorsprong van alle geestelijke en stoffelijke werelden. Alles komt uit Mij voort. De wijzen, die hiervan doordrongen zijn, bewijzen Me toegewijde dienst en aanbidden Me met heel hun hart.' (Bg. 10.8)
In dit vers wordt het woord budha gebezigd, dat betrekking heeft op een wijs of geleerd mens. Wat zijn de kenmerken van zo iemand? Hij weet dat Kṛṣṇa de oorsprong van alles is, van alle emanaties . Hij weet dat álles wat hij ziet enkel en alleen uit Kṛṣṇa voortkomt. In de stoffelijke wereld is het seksuele leven de meest klemmende factor. De seksuele aantrekkingskracht komt voor bij alle levensvormen en men kan zich afvragen waar ze vandaan komt. De wijze begrijpt dat deze neiging aanwezig is in Kṛṣṇa en dat ze geopenbaard wordt in zijn bovenzinnelijke verhouding met de koeherderinnen van Vraja. Alles wat men in deze stoffelijke wereld aantreft, kan men ook - maar dan volmaakt - aantreffen bij Kṛṣṇa. Het verschil is dat in de stoffelijke wereld alles openbaar is in ontgeestelijkte, verworden vorm. Bij Kṛṣṇa bestaan alle materiële neigingen en openbaringen in zuiver bewustzijn, in geest. Wie dit weet, in volkomen kennis, wordt een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa.
mahātmānas tu māṁ pārtha
daivīṁ prakṛtim āśritāḥ
bhajanty ananya-manaso
jñātvā bhūtādim avyayam
satataṁ kīrtayanto māṁ
yatantaś ca dṛḍha-vratāḥ
namasyantaś ca māṁ bhaktyā
nitya-yuktā upāsate
'O zoon van Pṛthā, degenen die niet begoocheld zijn, de grote zielen, worden beschermd door de goddelijke natuur. Ze zijn geheel in toegewijde dienst, omdat ze Mij kennen als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, de oorspronkelijke en onuitputtelijke. Immer Mijn roem verheerlijkend, vastberaden voortstrevend en zich voor Me verootmoedigend, aanbidden deze grote zielen Me onophoudelijk en toegewijd.' (Bg. 9.13-14)
Wie is de grote ziel, de mahātmā? Het is degene die zich onder invloed van de hogere energie bevindt. Op het ogenblik zijn we onder invloed van Kṛṣṇa’s lagere energie. Als levende wezens bevinden we ons in een grenssituatie – we kunnen ons naar elk van beide energieën begeven. Kṛṣṇa is volkomen onafhankelijk en omdat wij volkomen deel van Hem uitmaken, vertonen ook wij deze onafhankelijkheidstrek. Daardoor kunnen we kiezen onder welke energie we willen functioneren. Aangezien we geen weet hebben van de hogere natuur, hebben we geen andere keus dan in de lagere natuur te blijven.
Volgens sommige filosofische theorieën bestaat er geen andere natuur dan die welke we thans ervaren en is de enige manier om eraan te ontkomen dat we haar van nul en gener waarde verklaren en zelf in de leegte opgaan. Maar we kunnen niet leeg zijn, want we zijn levende wezens. Voordat we ons aan de invloed van de stoffelijke natuur onttrekken, dienen we te weten wat nu feitelijk onze wezensstaat is, waar we nu eigenlijk naar toe moeten. Als we niet weten waar we heen moeten, kunnen we denken van: 'Ach, weet ik veel van hoger en lager. Ik ken alleen maar hier, dus laat ik hier maar verrotten.' De Bhagavad-gītā echter verstrekt ons gegevens over de hogere energie, de hogere natuur.
Wat Kṛṣṇa zegt, zegt Hij voor alle eeuwigheid; het is onveranderlijk geldig. Het doet er niet toe wat onze huidige bezigheid is of wat Arjuna's toenmalige bezigheid was – het enige wat we dienen te doen is ons bewustzijn veranderen. Op het ogenblik worden we geleid door een bewustzijn dat vervuld is van eigenbelang, maar we weten niet waar ons eigenbelang werkelijk ligt. Het gaat ons trouwens niet werkelijk om ons eigenbelang, maar om het belang van onze zinnen. Alles wat we doen, doen we om onze zinnen te bevredigen. Dit bewustzijn dient veranderd te worden. En daarvoor in de plaats dienen we ons werkelijke eigenbelang te stellen - Kṛṣṇa-bewustzijn.
Hoe gaat dit in zijn werk? Hoe kunnen we bij elke stap in ons leven Kṛṣṇa-bewust worden? Kṛṣṇa maakt het ons bijzonder gemakkelijk:
raso ’ham apsu kaunteya
prabhāsmi śaśi-sūryayoḥ
praṇavaḥ sarva-vedeṣu
śabdaḥ khe pauruṣaṁ nṛṣu
'O zoon van Kunti (Arjuna), Ik ben de smaak van water, het licht van zon en maan, de lettergreep oṁ in de Vedische mantra's; Ik ben het geluid in ether en de bekwaamheid van mensen .' (Bg. 7.8)
In dit vers beschrijft Śrī Kṛṣṇa hoe we in alle levensfasen volkomen Kṛṣṇa-bewust kunnen worden. Alle levende wezens moeten water drinken. De smaak van water is zo fijn, dat als we dorst hebben, deze alleen met water verholpen schijnt te kunnen worden. Geen fabrikant kan de zuivere smaak van water vervaardigen. Zo kunnen we dus aan Kṛṣṇa of God denken wanneer we water drinken. Niemand ontkomt eraan dat hij iedere dag van zijn leven water drinkt, dus het God-bewustzijn is voor het grijpen - hoe kunnen we het kwijtraken?
Wanneer er evenzo licht is, is dat ook Kṛṣṇa. De oorspronkelijke lichtgloed in de geestelijke hemel, de brahmajyoti, straalt naar buiten uit het lichaam van Kṛṣṇa. Deze stoffelijke hemel is afgeschermd. Het wezenskenmerk van het stoffelijk universum is duisternis, welke we 's nachts ervaren. Het wordt kunstmatig verlicht door de zon, het door de maan weerspiegelde licht en elektriciteit. Waar komt dit licht vandaan? De zon krijgt zijn licht van de brahmajyoti, of de heldere gloed van de geestelijke wereld. In de geestelijke wereld is er geen zon, maan of elektriciteit nodig, omdat alles verlicht wordt door de brahmajyoti. Op deze aarde echter kunnen we telkens wanneer we ook maar een schijntje licht van de zon ontwaren aan Kṛṣṇa denken.
Wanneer we de Vedische mantra's chanten die met oṁ beginnen, kunnen we eveneens aan Kṛṣṇa denken. Oṁ is evenals Hare Kṛṣṇa een aanspreekvorm van God en oṁ is ook weer Kṛṣṇa, Śabdaḥ betekent geluid en telkens wanneer we iets horen, dienen we te weten dat het een klankafleiding is van het oorspronkelijke geluid, het zuiver geestelijke geluid oṁ of Hare Kṛṣṇa. Ieder geluid dat we in de stoffelijke wereld horen is slechts een verwrongen versie van het oorspronkelijke geestelijke geluid oṁ. Op deze manier kunnen we wanneer we geluid horen, water drinken, licht zien, aan God denken. Als we dit dus kunnen, wanneer zullen we dan niet aan God denken? Op deze manier kunnen we vierentwintig uur per dag aan Kṛṣṇa denken en zo is Kṛṣṇa voortdurend met ons. Kṛṣṇa is uiteraard altijd met ons, maar zodra we het ons herinneren, wordt Zijn aanwezigheid als werkelijkheid ervaren.
Er zijn negen verschillende methoden om met God om te gaan en de eerste omgangsmethode is śravanam - luisteren. Lezen we de Bhagavad-gītā, dan horen we de woorden van Śrī Kṛṣṇa, hetgeen betekent dat we in feite omgang hebben met Kṛṣṇa of God. (We dienen steeds te bedenken dat we telkens wanneer we het over Kṛṣṇa hebben, we over God spreken.) Naarmate we meer omgaan met God en meer luisteren naar de woorden van Kṛṣṇa en Zijn namen, vermindert de mate waarin we door de stoffelijke natuur besmet zijn. Wanneer we beseffen dat Kṛṣṇa geluid, licht, water is, wordt het onmogelijk Kṛṣṇa te ontlopen. Als we op deze manier aan Kṛṣṇa kunnen denken, gaan we blijvend met Hem om.
Omgaan met Kṛṣṇa is als omgaan met de zonneschijn. Waar de zon schijnt, heerst geen besmetting. Zo lang men buiten is in de ultraviolette straling van de zon, kan men geen ziekte oplopen. Door de medische wetenschap van het Westen wordt zonneschijn aanbevolen als geneesmiddel voor tal van kwalen en volgens de Veda's moet een zieke de zon aanbidden om genezing te verkrijgen. Wanneer we evenzo met Kṛṣṇa omgaan in Kṛṣṇa-bewustzijn, worden onze kwalen genezen. We kunnen met Kṛṣṇa omgaan door Hare Kṛṣṇa te zingen en we kunnen het water als Kṛṣṇa zien, de zon en de maan als Kṛṣṇa, we kunnen Kṛṣṇa horen in elk geluid en Hem proeven in water. Helaas bevinden we ons op het ogenblik in een toestand waarin we Kṛṣṇa vergeten zijn. We moeten nu ons geestelijk leven weer opwekken door ons Kṛṣṇa voortdurend te herinneren.
Deze methode van śravaṇaṁ kīrtanam - luisteren en zingen werd aanbevolen door Heer Caitanya Mahāprabhu. Toen Heer Caitanya sprak met Rāmānanda Rāya, een vriend en groot toegewijde van de Heer, ondervroeg de Heer hem over de verschillende methoden van geestelijke zelfverwerkelijking die hij kende. Rāmānanda sprak zich uit voor varṇāśrama-dharma, sannyāsa, het verzaken van arbeid en tal van andere methoden, maar Heer Caitanya zei: 'Nee, dat is allemaal niet goed.' Telkens wanneer Rāmānanda iets voorstelde, verwierp Heer Caitanya het en vroeg hem om een nog betere zelfverwerkelijkings-methode. Tenslotte citeerde Rāmānanda Rāya een Vedische spreuk, die behelsde dat men alle getheoretiseer beter kan opgeven, want door theoretiseren kan men onmogelijk doordringen tot de kennis van God en de diepste waarheid. Wetenschappelijke onderzoekers bijvoorbeeld kunnen theoretiseren wat ze willen over sterren en planeten, maar ze zullen nooit tot een conclusie kunnen komen zonder erváring van de sterren en planeten. Men kan zijn hele leven blijven theoretiseren en men zal nooit tot een definitieve conclusie komen.
Het is met name zinloos om over God te theoretiseren. Daarom beveelt het Śrīmad- Bhāgavatam aan, alle vormen van theoretiseren te laten varen en vervolgens nederig te zijn, beseffend dat men niet alleen een onbeduidend aards schepseltje is, maar ook dat deze aarde slechts een nietig puntje is in het reusachtige heelal. New York lijkt een enorme stad, maar wanneer men beseft dat de aarde slechts een vlekje is en dat de Verenigde Staten op deze aarde een kleiner vlekje zijn en dat in de Verenigde Staten New York slechts één vlekje is en dat in New York iedere individu er slechts één temidden van de miljoenen is, dan kan men tot het inzicht komen dat men eigenlijk maar een tamelijk onbelangrijk persoon is. We moeten oppassen dat we geen slachtoffer worden van de filosofie van de kikker. Er zat eens een kikker in een put en toen een vriend hem erover inlichtte dat er zoiets bestond als de Atlantische Oceaan, vroeg hij zijn vriend: 'Eh, wat is die Atlantische Oceaan voor iets?'
'Het is een grote hoeveelheid water,' antwoordde zijn vriend.
'Hoe groot? Soms twee keer zo groot als deze put?' '
O nee, veel en veel groter,' zei zijn vriend.
'Hoe veel groter dan? Tien keer zo groot?' Op deze manier bleef de kikker doorvragen. Maar wat voor kans maakt hij dat hij ooit de diepte en de enorme uitgestrektheid van de grote oceaan beseft? Evenzo zijn wij beperkt in ons voorstellingsvermogen, onze ervaring en denkvermogen. We kunnen op eigen kracht alleen maar de weg van de kikker opgaan. Daarom beveelt het Śrīmad-Bhāgavatam ons aan dat we ophouden met theoretiseren, omdat dit slechts oponthoud betekent tijdens onze tocht naar de Allerhoogste.
Wanneer we het theoretiseren staken, wat dan? Het Bhāgavatam raadt ons aan nederig te zijn en nederig naar de boodschap van God te luisteren. Deze boodschap kan ook worden gevonden in de Bhagavad-gītā en andere Vedische schriften, in de Bijbel of in de Koran - in elke bona fide heilige schrift - of ze kan worden vernomen van een zelfverwerkelijkte ziel. Het belangrijkste is dat men ophoudt met theoretiseren en eenvoudigweg luistert naar wat er gezegd wordt over God. Wat zal het gevolg zijn van dit luisteren? Ongeacht wat men is of men nu arm of rijk is, Amerikaan, Europeaan of Indiër, brāhmaṇa, śūdra of wat dan ook - als men slechts het bovenzinnelijk woord hoort van God, de Heer, Die door geen enkele kracht of macht kan worden overwonnen, wordt men overweldigd door liefde. Arjuna was een vriend van Kṛṣṇa, maar Kṛṣṇa werd, hoewel Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods was, Arjuna's wagenmenner, zijn eenvoudige dienaar. Arjuna hield van Kṛṣṇa en op deze manier beantwoordde Kṛṣṇa zijn liefde. Zo pakte Kṛṣṇa, spelend als kind, de schoenen van Zijn vader, Nanda Mahārāja, en zette ze op Zijn hoofd. Er zijn allerlei mensen die hard hun best doen om één te worden met God, maar we kunnen het in feite nog verder brengen - we kunnen de vader van God worden. Uiteraard is God de vader van alle schepselen en heeft Hij Zelf geen vader, maar hij neemt Zijn toegewijde, die Hem bemint, als Zijn vader aan. Kṛṣṇa laat Zich uit liefde door Zijn toegewijde overwinnen. Het enige wat men hiervoor hoeft te doen is aandachtig luisteren naar de boodschap van de Heer.
In Hoofdstuk Zeven van de Bhagavad-gītā geeft Śrī Kṛṣṇa nog een paar wegen aan waarlangs Hij bij iedere stap in het leven kan worden ontwaard:
puṇyo gandhaḥ pṛthivyāṁ ca
tejaś cāsmi vibhāvasau
jīvanaṁ sarva-bhūteṣu
tapaś cāsmi tapasviṣu
'Ik ben de oorspronkelijke geur van de aarde en Ik ben de hitte in het vuur. Ik ben het leven van al wat leeft en Ik ben de boetedoening van alle asceten.' (Bg. 7.9)
De woorden puṇyo gandhaḥ hebben betrekking op geuren. Alleen Kṛṣṇa kan geuren en smaken scheppen. We kunnen weliswaar langs synthetische weg wat aroma's en geuren samenstellen, maar deze zijn niet zo goed als de oorspronkelijke die in de natuur voorkomen. Wanneer we een goede, natuurlijke geur ruiken, kunnen we dus denken: 'Ha, hier is God. Hier is Kṛṣṇa.' Of wanneer we een stukje natuurlijke schoonheid zien, kunnen we denken: 'Ha, hier is Kṛṣṇa.' Of wanneer we iets ongewoons, geweldigs of schitterends zien, kunnen we denken: 'Hier is Kṛṣṇa.' Of wanneer we willekeurig welke levensvorm zien, in de gedaante van een boom, een plant of een dier of een menselijk wezen, dienen we te beseffen dat dit leven volkomen deel is van Kṛṣṇa, want zodra de geestelijke vonk, die volkomen deel van Kṛṣṇa is, uit het lichaam weggenomen wordt, valt het lichaam uiteen.
bījaṁ māṁ sarva-bhūtānāṁ
viddhi pārtha sanātanam
buddhir buddhimatām asmi
tejas tejasvinām aham
'O zoon van Pṛthā, weet dat Ik het oorspronkelijk zaad ben van al wat is, het verstand van de verstandigen en de moed van alle sterken.' (Bg. 7.10)
Hier wordt andermaal uitdrukkelijk gezegd dat Kṛṣṇa het leven is van al wat leeft. Zo kunnen we God zien bij iedere stap in ons leven. Men vraagt wel eens: 'Kun je me God laten zien?' Ja, natuurlijk. God is op zo veel manieren te zien. Maar als men zijn ogen stijf dicht doet en zegt: 'Ik zal God níet zíen', hoe kan Hij dan worden getoond?
In het bovenstaande vers betekent het woord bījam zaad en dit zaad wordt eeuwig (sanātanam) genoemd. Men kan voor een reusachtige boom staan, maar wat is de oorsprong van deze boom? De oorsprong is het zaad en dit zaad is eeuwig. Het zaad van het bestaan bevindt zich in elk levend wezen. Ook al ondergaat het lichaam tal van veranderingen - het ontwikkelt zich in de moederschoot, verschijnt als een kleine baby, groeit op tot kind, tot volwassene -, het zaad van het bestaan in het lichaam is onvergankelijk. Daarom is het sanātanam. Zonder dat we het kunnen bespeuren, verandert ons lichaam ieder ogenblik, elke seconde. Maar bījam, het zaad, de geestelijke vonk, verandert niet. Kṛṣṇa verkondigt van zichzelf dat hij het eeuwige zaad in elke bestaansvorm is. Hij is tevens het verstand van de schrandere. Zonder Kṛṣṇa's goedgunstigheid kan men niet bijzonder intelligent worden. Iedereen probeert intelligenter te zijn dan de anderen, maar zonder Kṛṣṇa's gunst kan dit niet. Wanneer we dus een buitengewoon, intelligent persoon ontmoeten, dienen we te denken: 'Deze intelligentie is Kṛṣṇa.' Evenzo is de invloed van een invloedrijk persoon eveneens Kṛṣṇa.
balaṁ balavatāṁ cāhaṁ
kā ma-rāga-vivarjitam
dharmāviruddho bhūteṣu
kāmo ’smi bharatarṣabha
'Ik ben de kracht der sterken en verstoken van hartstocht en begeerte. Ik ben het geslachtsverkeer dat niet tegen de beginselen der godsdienst indruist, O Heer der Bharata's (Arjuna).' (Bg. 7.11)
De olifant en de gorilla zijn buitengewoon sterke dieren en we dienen te beseffen dat ze hun kracht van Kṛṣṇa hebben. Een menselijk wezen kan zich dergelijke kracht nooit zelf verwerven, maar als Kṛṣṇa het wil, kan iemand duizend maal zo sterk worden als een olifant. De grote krijger Bhīma, die meevocht in de Slag van Kuruksetra, heette tienduizend maal sterker dan een olifant te zijn. Ook dient begeerte of lust (kāma) die niet tegen de beginselen der godsdienst indruist als Kṛṣṇa te worden beschouwd. Wat is eigenlijk deze lust? Lust betekent doorgaans geslachtsleven, maar hier heeft kāma betrekking op geslachtsleven dat niet tegen de beginselen der godsdienst indruist, hetgeen wil zeggen: geslachtsleven ten dienste van het verwekken van goede kinderen. Als men goede, Kṛṣṇa-bewuste kinderen kan verwekken, kan men duizenden keren geslachtsgemeenschap hebben, maar als men slechts kinderen weet te verwekken die worden opgevoed tot het bewustzijn van katten en honden, leidt men een goddeloos geslachtsleven. In religieuze en beschaafde samenlevingen is het huwelijk bedoeld als iets wat blijkgeeft van de instelling der echtelieden om door hun geslachtsverkeer goede kinderen te verwekken. Daarom wordt geslachtsverkeer binnen het huwelijk als religieus beschouwd en buitenechtelijk geslachtsverkeer als onreligieus. In feite bestaat er geen verschil tussen de sannyāsī (degene die de wereld verzaakt) en de huisvader, mits de seksuele activiteiten van de huisvader gebaseerd zijn op religieuze beginselen.
ye caiva sāttvikā bhāvā
rajasas tāmasāś ca ye
matta eveti tān viddhi
na tv ahaṁ teṣu te mayi
'Alle zijnstoestanden - in goedheid, hartstocht of onwetendheid worden geopenbaard door Mijn vermogen. Ik ben in zekere zin álles, maar Ik ben onafhankelijk. Ik word niet beïnvloed door de drieërlei aard der stoffelijke natuur.' (Bg. 7.12)
Men zou Kṛṣṇa het volgende kunnen vragen: 'U zegt dat U geluid, water, licht, geur, het zaad van alles, kracht en kāma, begeerte, bent betekent dit dat U uitsluitend in de geaardheid goedheid verkeert?'
In de stoffelijke wereld heersen de geaardheden goedheid, hartstocht en onwetendheid. Tot dusver heeft Kṛṣṇa Zichzelf beschreven als datgene wat goed is (bijvoorbeeld geslachtsleven volgens religieuze beginselen). Maar hoe staat het dan met de twee andere geaardheden? Is Kṛṣṇa niet in hen aanwezig? Kṛṣṇa zegt hierop dat alles wat in de stoffelijke wereld gezien wordt het gevolg is van de wisselwerking van de drieërlei aard der stoffelijke natuur. Alles wat we waarnemen is een menging van goedheid, hartstocht en onwetendheid en in alle omstandigheden worden deze drie zijnstoestanden 'door Mij geopenbaard'. Omdat ze door Kṛṣṇa worden geopenbaard, zijn ze in Hem, maar Hij is niet in hen, want Kṛṣṇa Zelf is bovenzinnelijk boven de drie geaardheden verheven. Zo zijn, in andere zin, kwade en slechte dingen, die voortkomen uit onwetendheid, eveneens Kṛṣṇa, wanneer Kṛṣṇa ze gebruikt. Hoe moet dit begrepen worden? We kunnen als voorbeeld een elektrotechnisch ingenieur nemen, die een installatie ontwerpt voor het opwekken van elektriciteit. Thuis ervaren we deze elektriciteit als kou in de ijskast of als hitte in het elektrisch kacheltje, maar in de elektriciteitscentrale is de elektrische energie heet noch koud. Zo kunnen de openbaringen van deze energie bij ieder levend wezen anders zijn, maar Kṛṣṇa kent geen verschil. Daarom handelt Kṛṣṇa soms schijnbaar volgens de principes van hartstocht en onwetendheid, maar voor Kṛṣṇa bestaat er niets anders dan Kṛṣṇa, zoals in de ogen van de elektrotechnisch ingenieur elektriciteit gewoon elektriciteit is en niets anders. Hij maakt geen onderscheid tussen 'koude energie' en 'hete energie'. Alles wordt verwekt door Kṛṣṇa. De Vedānta-sutra bevestigt dit met de woorden: athāto brahma jijñāsā janmādy asya yataḥ: alles vloeit voort uit de Allerhoogste Absolute Waarheid. Wat volgens het levend wezen goed of slecht is, is alleen goed of slecht voor het levend wezen, omdat het geconditioneerd is. Aangezien echter Kṛṣṇa niet geconditioneerd is, is er voor Hem geen sprake van slecht of goed. Omdat wij geconditioneerd zijn, hebben we met deze dualiteiten te kampen, maar bij Kṛṣṇa is alles volmaakt.