Default View
Dual Language

2

Kṛṣṇa chanten en Kṛṣṇa kennen

Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare. Dit is bovenzinnelijke geluidsvibratie. Ze helpt ons bij het afstoffen van de spiegel van de geest. In de loop der tijd is er een massa stof neergedaald op de spiegel van onze geest, zoals in de wereldsteden alles als gevolg van het drukke verkeer bestoft en beroet is. Als gevolg van ons drukke gedoe met de materie, is er een laag stof over de schone spiegel van onze geest gekomen en daardoor kunnen we de dingen niet meer in het juiste licht onderscheiden. Deze bovenzinnelijke geluidsvibratie (de Hare Kṛṣṇa-mantra) zal het stof verwijderen en ons laten zien wat onze wezenlijke plaats in de werkelijkheid is. Zodra we begrijpen wat het betekent als we zeggen: 'Ik ben dit lichaam niet: ik ben een geestelijke ziel en het teken daarvan is mijn bewustzijn' zodra we begrijpen wat dit betekent, kunnen we het ware geluk binnengaan. Terwijl ons bewustzijn gelouterd wordt door de methode van het chanten van Hare Kṛṣṇa, verdwijnen onze aardse ellendes de een na de ander. Er is een brand die immer laait in de materiële wereld en iedereen tracht hem te blussen, maar deze brand van de ellendes van de materiële natuur kan niet geblust worden, tenzij we ons zuivere bewustzijn hebben hervonden in ons geestelijk leven.
Een van de redenen van Heer Kṛṣṇa's komst of verschijning in deze stoffelijke wereld is dat Hij ten behoeve van alle levende wezens de brand van het materiële bestaan wil blussen door hun het dharma te verkondigen.
yadā yadā hi dharmasya
glānir bhavati bhārata
abhyutthānam adharmasya
tadātmānaṁ sṛjāmy aham
paritrāṇāya sādhūnāṁ
vināśāya ca duṣkṛtām
dharma-saṁsthāpanārthāya
sambhavāmi yuge yuge
'Wanneer en waar ook maar de naleving der godsdienst in verval geraakt, O telg van Bharata, en de goddeloosheid begint te overheersen, daal Ik Zelf neer. Zowel teneinde de getrouwen te verlossen en de ongelovigen te vernietigen als om de regels der godsdienst in ere te herstellen, verschijn Ik in tijdperk na tijdperk.' (Bg. 4.7-8)
In dit vers wordt het woord dharma gebruikt. Het wordt op verschillende manieren vertaald. Soms wordt het vertaald met 'geloof', maar volgens de Vedische literatuur is dharma niet een bepaald soort geloof. Iemands geloof kan veranderen, maar dharma is onveranderlijk. Men kan de vochtigheid van water niet in iets anders veranderen. Doet men het toch - men verandert het water bijvoorbeeld in een vaste stof - dan is het niet de substantie meer die we water noemen, want het typische water-karakter ervan is veranderd, het verkeert niet meer in zijn wezenlijke staat. Ons dharma of onze wezenlijke staat is dat we integraal deel uitmaken van de Allerhoogste en dat we, gezien dit feit, ons bewustzijn moeten paren of onderwerpen aan de Allerhoogste.
Als gevolg van aardse besmetting misbruiken we onze positie van bovenzinnelijk dienaar van de Heer. Want onze wezenlijke staat is het dienen van de Heer. Iedereen is dienaar, niemand is meester. Er is niemand of hij dient wel iemand. Hoewel de President de hoogste gezagsdrager des lands is, is hij tegelijk landsdienaar en wanneer men zijn diensten niet meer nodig heeft, dankt het land hem af. Wie bij zichzelf denkt 'Ik ben de heer van alles binnen mijn bereik', is begoocheld door māyā, illusie. In materieel bewustzijn verkerend, misbruiken we zo onze dienstbaarheid onder diverse voorwendsels. We kunnen ons van deze voorwendsels bevrijden, dat wil zeggen: wanneer het stof van de spiegel van de geest verwijderd is, kunnen we onszelf in onze wezenlijke staat als eeuwige dienaar van Kṛṣṇa zien.
Men moet niet denken dat dienen in de stoffelijke wereld en dienen in de geestelijke sfeer hetzelfde zijn. Misschien bezorgt de gedachte van 'O, moet ik na mijn verlossing door blijven dienen?' ons een huivering. Dat komt doordat we in de materiële wereld hebben ervaren dat dienen geen pretje is. In de bovenzinnelijke wereld echter gaat het er anders aan toe. In de geestelijke wereld is er geen verschil tussen dienaar en meester. Op aarde maken we nog onderscheid tussen beide, maar in de absolute wereld is alles één. In de Bhagavad-gītā zien we bijvoorbeeld dat Kṛṣṇa de wagenmenner is van Arjuna. In zijn wezenlijke staat is Arjuna de dienaar van Kṛṣṇa, maar we zien dat het soms zo kan lopen dat de Heer Zijn dienaar dient. We dienen ervoor te waken dat we niet op aardse wijze over de geestelijke wereld denken. Wat we allemaal weten door onze ervaring in de materiële wereld is een omgekeerd spiegelbeeld van de gang van zaken in het geestelijk leven.
Wanneer onze wezenlijke staat of ons dharma in verval raakt doordat we met de materie besmet zijn geraakt, verschijnt de Heer Zelf als incarnatie of zendt Hij een van Zijn vertrouwelijke dienaars. Heer Jezus Christus noemde zichzelf de 'zoon van God' en vertegenwoordigt dus de Allerhoogste. Op dezelfde manier maakte Mohammed zich kenbaar als dienaar van de Allerhoogste Heer. Dus telkens wanneer het volkomen scheef gaat met onze wezenlijke dienstverhouding tot de Heer, verschijnt de Allerhoogste Zelf of zendt Hij Zijn vertegenwoordiger om ons duidelijk te maken wat de wezenlijke staat van het levend wezen is.
We moeten daarom niet de fout begaan dat we denken dat dharma betrekking heeft op een 'bedacht' geloof. Dharma is nu net datgene waar geen enkel levend wezen buiten kan. Dharma is voor het levend wezen wat zoetheid is voor suiker, ziltheid voor zout of hardheid voor steen. Het levend wezen en dharma kunnen onder geen enkele omstandigheid los van elkaar bestaan. Het dharma van het levend wezen is dienen en we kunnen gemakkelijk waarnemen dat ieder levend wezen de neiging heeft zichzelf of anderen te dienen. Hoe we Kṛṣṇa moeten dienen, hoe we ons moeten ontwarren uit ons materialistisch dienen, hoe we tot Kṛṣṇa-bewustzijn kunnen komen en ons bevrijden van onze aardse denktrant, wordt allemaal als wetenschap uiteengezet door Śrī Kṛṣṇa in de Bhagavad-gitā.
Het woord sādhu in het vers hierboven dat met paritrāṇāya sādhūnām begint, heeft betrekking op een heilige man of een vroom persoon. Een heilig persoon is verdraagzaam, erg vriendelijk jegens iedereen, een vriend van alle levende wezens, niemands vijand en altijd kalm. Er zijn zesentwintig elementaire eigenschappen waaraan men een heilige kan kennen en we zien in de Bhagavad-gītā dat Heer Kṛṣṇa Zelf er het volgende van zegt:
api cet su-durācāro
bhajate mām ananya-bhāk
sādhur eva sa mantavyaḥ
samyag vyavasito hi saḥ
'Zelfs al begaat men de afschuwelijkste daden, dan dient men tóch als heilig te worden beschouwd als men in toegewijde dienst is, omdat men zo de juiste weg bewandelt.' (Bg. 9.30)
Op werelds niveau vindt de een moreel aanvaardbaar wat de ander moreel onaanvaardbaar vindt en andersom. Hindoes vinden wijn drinken moreel onaanvaardbaar, terwijl men in het Westen daarentegen wijn drinken niet alleen moreel aanvaardbaar, maar zelfs heel gewoon vindt. De morele opvattingen zijn dus afhankelijk van plaats, tijd, omstandigheden, maatschappelijke status enz. Alle samenlevingen echter hebben niettemin een bepaald idee over goed en kwaad met elkaar gemeen. In dit vers geeft Kṛṣṇa aan dat als men immoreel handelt, maar zich tegelijkertijd geheel in Kṛṣṇa-bewustzijn bevindt, men als een sādhu of heilige beschouwd dient te worden. Met andere woorden: als men nog wat slechte gewoonten overheeft van zijn vroegere manier van leven, moet daar, als men er met zijn gehele inzet naar streeft Kṛṣṇa-bewust te zijn, niet te zwaar aan worden getild. Wat er ook gebeuren mag - als men Kṛṣṇa-bewust wordt, zal men geleidelijk worden gelouterd en een sādhu worden. Terwijl men vordert, blijven de slechte gewoonten gaandeweg achterwege en bereikt men heilige volmaaktheid.
In verband hiermee bestaat er een verhaal over een dief die een bedevaart maakte naar een heilige stad en onderweg overnachtten hij en de andere pelgrims in een herberg. Het stelen zat nog zo in zijn bloed, dat de dief automatisch begon te denken hoe hij de bagage van zijn mede-pelgrims zou kunnen ontvreemden, maar tevens dacht hij: 'Ik ben een bedevaart aan het maken en stelen hoort daar helemaal niet bij. Nee, ik zal het niet doen.' Maar als gevolg van zijn lange dievenleven kon hij zijn handen niet van de bagage af houden. Dus hij nam de tas van de één en gaf hem een andere plaats, vervolgens nam hij de tas van een ander en zette hem op wéér een andere plaats. De hele nacht was hij bezig koffers en tassen te verplaatsen, maar zijn geweten zat hem zo dwars, dat hij er niet toe komen kon iets uit de tassen te ontvreemden. Toen de andere pelgrims de volgende ochtend ontwaakten, keken ze om zich heen, waar hun bagage gebleven was, maar ze konden hun spullen nergens vinden. Er ontstond tumult, maar uiteindelijk kwamen de tassen en koffers stuk voor stuk terecht. Toen alles er weer was, verklaarde de dief: 'Heren, ik ben dief van beroep. Als zodanig ben ik gewend 's nachts te stelen en daarom kwam ik aan uw bagage, maar ik dacht er toen aan dat we op weg waren naar de heilige plaats en dat er dus niet gestolen kon worden. Ik geef toe dat ik de tassen en koffers op andere plaatsen heb neergezet, maar neemt u het me alstublieft niet kwalijk.' Zoiets is kenmerkend voor iemand die er een slechte gewoonte op nahoudt. De dief wil niet meer stelen, maar omdat hij eraan gewend is, doet hij het af en toe tóch. Kṛṣṇa zegt echter dat wie besloten heeft een eind te maken aan zijn immorele gewoonten en vooruit te gaan in Kṛṣṇa-bewustzijn, als een sādhu dient te worden beschouwd, ook al geeft hij uit macht der gewoonte of bij toeval toe aan zijn verkeerde neiging. Kṛṣṇa zegt verder:
kṣipraṁ bhavati dharmātmā
śaśvac-chāntiṁ nigacchati
kaunteya pratijānīhi
na me bhaktaḥ praṇaśyati
'Hij zal zeer spoedig rechtvaardig worden en zich blijvende vrede verwerven. O zoon van Kunti, Ik beloof dat Mijn toegewijde nimmer verloren zal gaan.' (Bg. 9.31)
Śrī Kṛṣṇa verkondigt hier dat wie zich wijdt aan het ontwikkelen van Kṛṣṇa-bewustzijn, binnen een zeer kort tijdsbestek heilig zal worden. Als men een elektrische ventilator uitschakelt, blijft hij weliswaar nog een tijd door draaien, maar we begrijpen dat hij langzamerhand volledig tot stilstand zal komen. Wanneer we nu de beschutting zoeken van Kṛṣṇa's lotusvoeten, schakelen we onze karma-vormende activiteiten uit en hoewel deze activiteiten nog een poosje kunnen doorgaan, dienen we te begrijpen dat ze snel zullen verminderen. Het is een feit dat ieder die het Kṛṣṇa-bewustzijn aanvaardt, niet op eigen houtje hoeft te proberen een goed mens te worden. Alle goede kwaliteiten zullen zich vanzelf openbaren. In het Śrīmad-Bhāgavatam wordt verklaard dat wie het Kṛṣṇa-bewustzijn heeft verkregen tegelijkertijd alle goede eigenschappen heeft ontvangen. De goede eigenschappen daarentegen van iemand die van Godbewustzijn verstoken is, dienen als waardeloos te worden beschouwd, want er is niets wat hem ervan weerhoudt ze in dienst te stellen van onwenselijke activiteiten. Als men verstoken is van Kṛṣṇa-bewustzijn, zal men zich in deze wereld beslist misgaan.
janma karma ca me divyam
evaṁ yo vetti tattvataḥ
tyaktvā dehaṁ punar janma
naiti mām eti so ’rjuna
'Wie de bovenzinnelijke aard van Mijn verschijnen en handelen kent, wordt bij het verlaten van zijn lichaam niet wedergeboren in de stoffelijke wereld, maar bereikt Mijn eeuwige woning, O Arjuna.' (Bg. 4.9)
De taak waarvoor Kṛṣṇa verschijnt wordt hier nader toegelicht. Wanneer Hij met een bepaald doel verschijnt, zijn er bepaalde activiteiten. Uiteraard zijn er altijd filosofen die niet geloven dat God als incarnatie komt. Ze zeggen: 'Waarom zou God naar deze beroerde wereld komen?' De Bhagavad-gītā leert ons echter iets anders. We dienen voortdurend te bedenken dat we de Bhagavad-gītā lezen als heilig geschrift en dat alles wat in de Gītā staat dient te worden aanvaard, anders heeft het geen zin haar te lezen. In de Gītā zegt Kṛṣṇa dat Hij als incarnatie verschenen is met een taak, en dat er in verband hiermee activiteiten plaatsvinden. We zien bijvoorbeeld dat Kṛṣṇa actief optreedt als wagenmenner van Arjuna en tal van dingen doet op het slagveld van Kurukṣetra. Zoals tijdens een oorlog personen of staten partij kunnen kiezen voor andere personen en staten, zo kiest Kṛṣṇa op het slagveld partij voor Arjuna. In wezen is Kṛṣṇa nimmer partijdig, al kan Hij wel die indruk wekken. Dit soort partijdigheid echter dient niet met menselijke ogen te worden bekeken.
In dit vers laat Kṛṣṇa tevens zien dat Zijn neerdalen in de stoffelijke wereld bovenzinnelijk is. Het woord divyam betekent bovenzinnelijk. Zijn activiteiten zijn in geen enkel opzicht gewoon. In India zijn de mensen zelfs tegenwoordig nog gewoon aan het eind van augustus Kṛṣṇa's verjaardag te vieren, ongeacht het geloof dat ze belijden, zoals de hele Westerse wereld met Kerstmis Christus' verjaardag viert. Kṛṣṇa's verjaardag wordt Janmāṣṭami genoemd en in dit vers gebruikt Kṛṣṇa het woord janma in de zin van 'Mijn geboorte'. Omdat er een geboorte plaatsvindt, doen er zich activiteiten voor. Kṛṣṇa's geboorte en activiteiten zijn bovenzinnelijk, hetgeen betekent dat ze anders zijn dan gewone geboorten en activiteiten. Men kan zich afvragen in welk opzicht Zijn activiteiten bovenzinnelijk zijn. Hij wordt geboren, Hij neemt met Arjuna deel aan een veldslag, Hij heeft een vader die Vasudeva en een moeder die Devaki heet en ook een hele familie wat is daar voor bovenzinnelijks aan? Kṛṣṇa zegt: evam yo vetti tattvataḥ - we dienen te weten wat deze geboorte en activiteiten in werkelijkheid inhouden. Wanneer men werkelijk weet wat Kṛṣṇa's geboorte en activiteiten te betekenen hebben, heeft dit tot gevolg: tyaktva deham punar janma naiti mām eti so 'rjuna - dat men bij het verlaten van dit stoffelijk omhulsel niet wordt wedergeboren, maar rechtstreeks naar Kṛṣṇa gaat. Dit betekent dat men een bevrijde ziel wordt. Men gaat naar de eeuwige geestelijke wereld en keert terug tot zijn wezensstaat van gelukzaligheid, kennis en onvergankelijkheid. Dit kan allemaal worden verkregen als men er moeite voor doet werkelijk te begrijpen wat Kṛṣṇa's bovenzinnelijke geboorte en activiteiten inhouden.
Doorgaans dient men, wanneer men zijn lichaam verlaat, een ander lichaam aan te nemen. Het leven van de levende wezens blijft als zodanig voortgaan, omdat de levende wezens van lichaam blijven verwisselen (zielsverhuizing) als gevolg van hun doen en laten in de stoffelijke wereld. We kunnen op dit moment nog denken dat dit stoffelijk omhulsel ons werkelijke lichaam is, maar in feite is het veeleer een kostuum. Dit stoffelijk lichaam is slechts iets oppervlakkigs vergeleken met het werkelijk, geestelijk lichaam van het levend wezen. Wanneer dit stoffelijk lichaam oud en versleten raakt, of wanneer het door een ongeval zijn nut verliest, leggen we het opzij als een pak dat gescheurd is of niet meer schoon te krijgen, en nemen een volgend stoffelijk lichaam aan.
vāsāṁsi jīrṇāni yathā vihāya
navāni gṛhṇāti naro ’parāṇi
tathā śarīrāṇi vihāya jīrṇāny
anyāni saṁyāti navāni dehī
'Zoals iemand zijn oude, versleten kleren wegdoet en zich in nieuwe steekt, zo laat de ziel het oude, nutteloze lichaam achter en hult zich in een nieuw.' (Bg. 2.22)
Aanvankelijk heeft het lichaam de grootte van een erwt. Dan groeit het uit tot baby, vervolgens tot kind, jongen, knaap, volwassene, oude man en tenslotte, wanneer het lichaam zijn nut verliest, gaat het levend wezen een nieuw lichaam binnen. Het lichaam is dus voortdurend in verandering en de dood is niets anders dan de laatste verandering van het huidige lichaam.
dehino ’smin yathā dehe
kaumāraṁ yauvanaṁ jarā
tathā dehāntara-prāptir
dhīras tatra na muhyati
'Zoals de belichaamde ziel in dit lichaam gestaag van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over. Een zelfverwerkelijkte ziel raakt door zo'n verandering niet uit haar evenwicht.' (Bg. 2.13)
Hoewel het lichaam verandert, verandert de bewoner van het lichaam nooit. Hoewel de jongen opgroeit tot man, blijft het levend wezen in het lichaam hetzelfde. Het zelf dat in de jongen aanwezig was heeft dus geen plaats gemaakt voor een ander zelf. De medische wetenschap is het er mee eens dat het stoffelijk lichaam elk ogenblik verandert. Evenals de levende wezens hierdoor niet van streek raken, raakt een verlicht mens niet van streek wanneer het lichaam, bij de dood, zijn laatste verandering ondergaat. Maar wie de dingen niet begrijpt zoals ze werkelijk zijn, klaagt ach en wee. In onze materiële situatie verwisselen we gewoon voortdurend van lichaam; dat is onze ziekte. En het is niet zo, dat wéetelkens weer een mensenlichaam krijgen. Afhankelijk van ons doen en laten, kunnen we naar een dieren- of een halfgodenlichaam verhuizen. Volgens de Padma Purāņa zijn er 8.400.000 levensvormen. Wanneer we sterven kunnen we in elk van deze vormen terecht komen. Maar Kṛṣṇa belooft ons dat wie Zijn geboorte en activiteiten doorgrondt, bevrijd wordt van deze zielsverhuizingskringloop.
Hoe kan men Kṛṣṇa's geboorte en activiteiten begrijpen zoals ze werkelijk zijn? Dit wordt uitgelegd in Hoofdstuk Achttien van de Bhagavad-gītā.
bhaktyā mām abhijānāti
yāvān yaś cāsmi tattvataḥ
tato māṁ tattvato jñātvā
viśate tad-anantaram
'Men kan de Allerhoogste Persoonlijkheid alleen leren kennen zoals Hij is als men Hem toegewijd dient. Wordt men zich door deze toewijding volledig bewust van het wezen van de Opperheer, dan kan men binnengaan in het koninkrijk Gods.' (Bg. 18.55)
Hier wordt wederom het woord tattvataḥ, 'in werkelijkheid', gebezigd. Men kan de wetenschap van Kṛṣṇa alleen wérkelijk begrijpen als men Zijn toegewijde wordt. Wie geen toegewijde is, wie niet naar Kṛṣṇa-bewustzijn streeft, begrijpt er niets van. In het begin van Hoofdstuk Vier (Bg. 4: 3) vertelt Kṛṣṇa Arjuna dat Hij deze aloude yoga wetenschap aan hém uitlegt omdat Arjuna Zijn 'toegewijde en vriend' is. Voor iemand die de Bhagavad-gitā louter op akademische wijze bestudeert, blijft de wetenschap van Kṛṣṇa een mysterie. De Bhagavad- gitā is geen boek dat men gewoon even bij de boekwinkel koopt en met behulp van zijn wereldse kennis en geleerdheid zo maar begrijpt. Arjuna was geen groot geleerde, noch een Vedānta-kenner, noch een filosoof, noch een brāhmaṇa, noch een wereldverzaker; hij leidde een gezinsleven en was tevens veldheer. Toch liet Kṛṣṇa de keus op hém vallen om hem de Bhagavad-gītā te verkondigen en hem tot eerste autoriteit in de lijn der geestelijke erfopvolging te maken. Waarom? 'Omdat je Mijn toegewijde bent.' Dat is de noodzakelijke voorwaarde om de Bhagavad-gītā zoals ze is en Kṛṣṇa zoals Hij is te begrijpen men moet Kṛṣṇa-bewust worden.
En wat is dit Kṛṣṇa-bewustzijn? Het is de methode waardoor men het stof van de spiegel van de geest wist door Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare/Hare Rāma, Hare Rāma, Rāma Rāma, Hare Hare te chanten. Door deze mantra te zingen en te luisteren naar de Bhagavad-gītā kunnen we geleidelijk tot Kṛṣṇa-bewustzijn komen. Iśvaraḥ sarva-bhūtānām - Kṛṣṇa is altijd aanwezig in ons hart. De individuele ziel en de Superziel zitten altijd samen in de boom van het lichaam. De individuele ziel eet de vruchten van de boom en de Superziel (Paramātmā) is er getuige van. Terwijl de individuele ziel toegewijde dienst begint te verrichten en geleidelijk Kṛṣṇa-bewustzijn ontwikkelt, begint de Superziel van binnen uit te helpen alle onreinheden weg te wissen van de spiegel van de geest. Kṛṣṇa is de vriend van alle zuivere personen en wie Kṛṣṇa-bewust wil worden, getuigt daarmee van een zuivere instelling. Sravanaṁ kirtanam - door te zingen en te luisteren kan men langzamerhand de wetenschap van Kṛṣṇa en daardoor Kṛṣṇa Zelf doorgronden. En wanneer men Kṛṣṇa begrijpt, kan men bij zijn sterven onmiddellijk opgaan naar Zijn woning in de geestelijke wereld. Deze geestelijke wereld wordt in de Bhagavad-gītā als volgt beschreven:
na tad bhāsayate sūryo
na śaśāṅko na pāvakaḥ
yad gatvā na nivartante
tad dhāma paramaṁ mama
'Mijn woonplaats wordt door zon noch maan verlicht, noch door elektriciteit. En ieder die haar bereikt keert nimmer terug naar deze stoffelijke wereld.' (Bg. 15.6)
Deze stoffelijke wereld is altijd donker; daarom hebben we de zon, de maan en elektriciteit nodig. De Veda's bevelen ons aan, niet in dit duister te blijven zitten, maar onszelf over te brengen naar de wereld van het licht, de geestelijke wereld. Het woord duisternis kan op twee manieren worden opgevat: ten eerste in de betekenis 'zonder licht' en ten tweede in de betekenis 'domheid ', 'onwetendheid'.
De Opperheer heeft tal van energieën. Het is niet zo, dat Hij naar deze wereld komt om er activiteiten te ontplooien. In de Veda's wordt verklaard dat de Allerhoogste niets hoeft te doen. In de Bhagavad-gītā zegt Śrī Kṛṣṇa ook:
na me pārthāsti kartavyaṁ
triṣu lokeṣu kiñcana
nānavāptam avāptavyaṁ
varta eva ca karmaṇi
'O zoon van Prthā, in alle drie de planetenstelsels is er geen enkel werk dat Me is voorgeschreven. Het ontbreekt Me aan niets, noch hoef Ik iets te hebben - en toch houd Ik Me met werken bezig.' (Bg. 3.22)
We moeten dus niet denken dat Kṛṣṇa verplicht is neer te dalen in deze stoffelijke wereld om er tal van activiteiten te ontplooien. Niemand is gelijk aan, of groter dan Kṛṣṇa en Hij bezit van nature alle kennis. Het is niet zo, dat Hij zich allerlei onthoudingen moet opleggen om aan kennis te komen of dat Hij ooit kennis krijgt of zich kennis verwérft. Hij is altijd en overal vol kennis. Hij spreekt de Bhagavad-gītā tot Arjuna, maar nooit heeft iemand de Bhagavad-gītā aan Hém onderwezen. Wie inziet dat dit inderdaad Kṛṣṇa's situatie is, hoeft niet terug te keren in de kringloop van geboorte en dood in deze stoffelijke wereld. Door illusie beïnvloed, proberen we ons hele leven ons aan te passen aan de stoffelijke atmosfeer, maar dit is niet het doel van het mensenleven. Het doel van het mensenleven is trachten de wetenschap van Kṛṣṇa te doorgronden.
Onze stoffelijke of materiële noden zijn de volgende: het voedsel-probleem, paren, slapen, zelfverdediging en het verkrijgen van zinsbevrediging. Deze problemen hebben menselijke wezens en dieren met elkaar gemeen. De dieren zijn druk in de weer deze problemen op te lossen en als wij ons nu ook alleen met het oplossen van deze problemen bezighouden, in hoeverre verschillen we dan van de dieren? Het menselijk wezen heeft echter een aparte hoedanigheid, waardoor het bovenzinnelijk Kṛṣṇa-bewustzijn kan ontwikkelen, maar zo lang het er geen gebruik van maakt, leidt het geen hoger leven dan een dier. De fout van de moderne samenleving is dat ze te veel nadruk legt op het oplossen van deze materiële levensvragen. Op ons, geestelijke levende wezens, rust de last, ons te onttrekken aan de omstrengeling van geboorte en dood. We dienen er daarom met alle voorzichtigheid voor te waken dat we de bijzondere kans, die het mensenleven ons biedt, niet verspelen. Śrī Kṛṣṇa verschijnt Zelf om ons de Bhagavad-gītā te verkondigen en ons te helpen God-bewust te worden. In feite is de hele stoffelijke schepping ons ten geschenke gegeven om haar te gebruiken voor het ontwikkelen van God-bewustzijn. Maar als we na het geschenk van deze kans en het geschenk van het mensenleven geen van beide te baat nemen om Kṛṣṇa-bewustzijn te ontwikkelen, verbeuren we deze zeldzame gelegenheid. De ontwikkelings-methode is erg eenvoudig: śravaṇam kirtanam - luisteren, en zingen of chanten. We hebben niets anders te doen dan te luisteren en luisteren we aandachtig, dan is verlichting daar onherroepelijk het gevolg van. Kṛṣṇa helpt beslist, want Hij zetelt in ons hart. We moeten ons alleen de moeite geven en er wat tijd voor nemen. En we zullen niemand hoeven vragen of we al vooruitgang maken. Dat zullen we vanzelf wel merken, zoals een hongerlijder die aan het eten slaat vanzelf merkt dat zijn honger wordt gestild.
De Kṛṣṇa-bewustzijns-methode of zelfverwerkelijkingsmethode is niet zo moeilijk te volgen. Kṛṣṇa onderwees haar aan Arjuna in de Bhagavad-gītā en als we de Bhagavad-gītā aanvaarden zoals Arjuna haar aanvaardde, zullen we geen moeite hebben de staat der volmaaktheid te bereiken. Trachten we de Bhagavad-gītā echter te verklaren aan de hand van de maatstaven van onze werelds-academische geest, dan bederven we alles.
Zoals gezegd is het chanten van Hare Kṛṣṇa een methode waarbij alle onreinheden waarmee we door nauwe omgang met de materie zijn besmet, worden verwijderd van de spiegel van de geest. We hebben geen hulp van buiten nodig om ons Kṛṣṇa-bewustzijn weer op te wekken, want Kṛṣṇa-bewustzijn is immers iets wat sluimert in onszelf. In feite is Kṛṣṇa- bewustzijn de hoedanigheid van het zelf zélf. We dienen het alleen door de bewustmakings-methode te activeren. Kṛṣṇa-bewustzijn is een eeuwig feit. Het is geen dogma of een pakket leefregels van de een of andere beweging. Het is aanwezig in alle levende wezens, of ze nu menselijk of dierlijk zijn. Toen Heer Caitanya Mahaprabhu zo'n vijfhonderd jaar geleden door de wouden van Zuid-India trok, chantte Hij Hare Kṛṣṇa en alle dieren, de tijgers, olifanten en herten, dansten op de klanken van de heilige namen. Zo'n effect kan natuurlijk alleen worden bereikt als de namen volkomen zuiver worden gezongen. Maar naarmate we vorderen in het chanten, komt de zuiverheid steeds meer in ons bereik.