Default View
Dual Language

1

De Kortste weg naar het geluk

Ieder van ons is op zoek naar het geluk, maar wat geluk eigenlijk inhoudt weten we niet. We zien een massa reclame over dingen die de mens gelukkig maken, maar gelukkige mensen zien we eerlijk gezegd maar heel weinig. Dat komt omdat maar heel weinig mensen weten dat het ware geluk alleen buiten deze tijdelijke wereld te vinden is. Dit ware geluk wordt in de Bhagavad-gītā door Heer Kṛṣṇa aan Arjuna beschreven.
Geluksgevoelens ondervinden we doorgaans via onze zinnen. Een steen bijvoorbeeld heeft geen zintuigen en kan daardoor geluk noch verdriet ervaren. Een ontwikkeld bewustzijn kan geluk en verdriet heviger ondervinden dan een onontwikkeld bewustzijn. Bomen hebben bewustzijn, maar het is niet ontwikkeld. Hoe lang een boom ook staat te staan in allerlei weersomstandigheden, hij krijgt er geen naar gevoel van. Als een menselijk wezen gevraagd werd om slechts drie dagen of zelfs korter buiten te gaan staan zoals een boom, dan zou hij dat niet aankunnen. De conclusie luidt dat de mate waarin een levend wezen geluk of verdriet voelt afhankelijk is van de mate waarin zijn bewustzijn ontwikkeld is.
Het geluk dat we ervaren in de materiële, aardse wereld is geen waar geluk. Als men een boom vraagt: 'Voel je je gelukkig?', zal de boom, als hij kan antwoorden, kunnen zeggen: 'Ja hoor, ik voel me gelukkig zoals ik hier sta, het hele jaar door. De wind is fijn en de sneeuw is verrukkelijk enz.' Een boom kan aan zo'n bestaan plezier beleven - een menselijk wezen vindt dit maar een heel bekrompen vorm van welbehagen. Er zijn uiteenlopende soorten en klassen van levende wezens en hun opvattingen en inzichten aangaande het geluk zijn eveneens in verschillende soorten en klassen te onderscheiden. Hoewel een dier er getuige van kan zijn dat een ander dier wordt afgemaakt, blijft het rustig door grazen want het heeft geen idee dat het als nummer twee zal kunnen worden geslacht. Het denkt dat het gelukkig is, maar het volgende ogenblik kan het voor de bijl gaan.
Zo zijn er verschillende gradaties van geluk. Maar wat is van al deze vormen van geluk de hoogste? Heer Kṛṣṇa zegt tegen Arjuna:
sukham ātyantikaṁ yat tad
buddhi-grāhyam atīndriyam
vetti yatra na caivāyaṁ
sthitaś calati tattvataḥ
‘In die blije toestand (samādhi) verkeert men in grenzeloos bovenzinnelijk geluk en geniet men door bovenzinnelijke zinnen. Eenmaal in zo'n staat, kan men niet meer van de waarheid scheiden.' (Bhagavad-gītā 6.21)
Buddhi betekent intelligentie; men moet intelligent zijn om te kunnen genieten. Dieren hebben geen echt ontwikkeld bewustzijn en kunnen daardoor niet zo van het leven genieten als een menselijk wezen. Er kunnen handen, neus, ogen, andere zintuig-organen en alle verdere lichaamsdelen gezamenlijk deel uitmaken van een lichaam, maar als er geen leven meer in zit, kan het niet genieten. Waarom niet? Datgene wat geniet, de geestelijke vonk, is verdwenen en daardoor kan het lichaam niets meer. Wie deze zaak met een tikkeltje intelligentie wat scherper beziet, kan begrijpen dat het niet het lichaam is geweest dat genoot, maar de kleine geestelijke vonk in het lichaam. Al denkt men dat men geniet met zijn lichamelijke zinnen, men vergeet dat de werkelijke genieter die geestelijke vonk is. Deze vonk heeft immer het vermogen tot genieten, maar dit is niet zo duidelijk te merken, omdat het stoffelijk omhulsel hem aan de waarneming onttrekt. Hoewel we het misschien niet beseffen, kan het lichaam onmogelijk vreugde ervaren als er geen geestelijke vonk in zit. Als een man het lijk van een mooie vrouw krijgt aangeboden, neemt hij het dan aan? Nee, want de geestelijke vonk is uit het lichaam verdwenen. De vonk had niet alleen genóten in het lichaam, hij had het lichaam tevens intact gehouden. Wanneer de vonk vertrekt, gaat het lichaam gewoon tot ontbinding over.
Als de geestelijke vonk genieten kan, moet hij daarvoor dan logischerwijs ook de zintuigen bezitten? De Veda's bevestigen dat de geestelijke ziel, al is ze atomisch klein, datgene is wat in wezen geniet. Het is onmogelijk de ziel te meten, hetgeen niet zeggen wil dat ze geen bepaalde omvang bezit. Een voorwerpje dat er misschien niet groter uitziet dan een punt en geen lengte of breedte schijnt te hebben, blijkt onder de microscoop duidelijk vorm en afmetingen te bezitten. Evenzo heeft de ziel haar afmetingen, maar we kunnen ze niet zien. Wanneer we een pak of een jurk kopen, zorgen we ervoor dat de boel past. De geestelijke vonk moet een vorm hebben, hoe kan er anders een stoffelijk omhulsel omheen gegroeid zijn om hem te herbergen? We moeten concluderen dat de geestelijke vonk niet onpersoonlijk is. Hij is een bestaand iemand. God is een bestaand iemand en ook de geestelijke vonk, die een uiterst klein deeltje van Hem is, is een persoon. Bezit de vader een individuele persoonlijkheid, dan bezit de zoon die ook; en bezit de zoon haar, dan moet ook de vader haar hebben. Hoe kunnen wij, zonen van God die we zijn, beweren dat we persoonlijk en individueel zijn en tegelijkertijd ontkennen dat onze Vader, de Allerhoogste Heer ook persoonlijk en individueel is?
Atindriyam betekent dat we aan onze stoffelijke zinnen zullen moeten ontstijgen, willen we ooit het ware geluk kunnen beleven. Ramante yogino 'nante satyananda-cid-ātmani: ook de yogi's, die een geestelijk leven nastreven, ervaren vreugde wanneer ze hun blik naar binnen richten, naar de Superziel, Die in ieder levend wezen woont. Als het geen plezier oplevert, als het geen vreugde oplevert, wat heeft het dan voor zin om al die moeite te doen om de zinnen te beheersen? Wat voor genot ervaren de yogi's, dat ze zich al die moeite ervoor getroosten? Dat genot is ananta - eindeloos. Hoe zit dat dan? De geestelijke ziel is eeuwig en de Allerhoogste Heer is eeuwig; daarom zijn ook de liefdesblijken die ze elkaar over en weer betonen eeuwig. Wie echt intelligent is, laat het aan en uit flakkerend zingenot van dit stoffelijk lichaam varen en spitst zich op het geestelijk leven. Deelhebben aan het geestelijk leven met de Allerhoogste Heer wordt rāsa-līlā genoemd.
Velen hebben gehoord van Kṛṣṇa's rāsa-līlā met de koeherdersmeisjes van Vṛndāvana. Het gaat daarbij niet om de geijkte relaties die we van stoffelijk lichaam tot stoffelijk lichaam kennen, maar om het uitwisselen van gevoelens van geestelijk lichaam tot geestelijk lichaam. Om dit te kunnen begrijpen dient men enige schranderheid te bezitten, want een dwaas, die niet kan begrijpen wat waar geluk is, zoekt het in deze aardse wereld. Zo bestaat er een verhaal uit India over een man die niet wist wat suikerriet was en te horen kreeg dat het erg zoet was. 'O, en hoe ziet het er dan uit?' vroeg hij. 'Het heeft veel weg van bamboe,' zei iemand. En de onnozele kerel begon op alle soorten bamboe te kauwen die hij tegenkwam. Hoe kan hij op deze manier ooit de zoetheid van het suikerriet gewaarworden? Op dezelfde wijze zoeken wij naar geluk en plezier, maar we doen dit door telkens weer de geneugten van dit materiële lichaam te herkauwen; daarom kennen we geluk noch plezier. Er kan zich wel even een pleziergevoelentje voordoen, maar het is geen echt plezier, want het is van voorbijgaande aard. Het lijkt op licht dat we in het zwerk zien blikkeren en dat even aan bliksem doet denken, maar de werkelijke bliksem gaat dit licht te boven. Omdat men niet weet wat waar geluk eigenlijk is, raakt men er steeds verder van verdwaald.
De methode waarmee we een blijvende toestand van waar geluk ervaren heet Kṛṣṇa-bewustzijn. Door ons te oefenen in Kṛṣṇa-bewustzijn kunnen we geleidelijk aan onze diepste intelligentie ontwikkelen en vanzelf, terwijl we geestelijk vorderen, van steeds meer geestelijk geluk genieten. Hoe meer we de smaak van het geestelijk geluk te pakken krijgen, hoe meer we het aards geluk laten schieten. Naarmate we meer inzicht krijgen in de Absolute Waarheid, komen we losser te staan tegenover dit stoffelijk schijngeluk. Bereikt men op wat voor manier dan ook het Kṛṣṇa-bewustzijnsniveau, wat ondergaat men dan?
yaṁ labdhvā cāparaṁ lābhaṁ
manyate nādhikaṁ tataḥ
yasmin sthito na duḥkhena
guruṇāpi vicālyate
'Wie dit bereikt heeft, denkt dat er niets heerlijkers te bereiken is. Wie in dit bewustzijn leeft, raakt zelfs bij de ergste moeilijkheden nimmer uit zijn evenwicht.' (Bg. 6.22)
Wie dit niveau bereikt, vindt alles wat hij voordien bereikte daarbij vergeleken onbeduidend. In deze stoffelijke wereld proberen we tal van zaken in ons bezit te krijgen - rijkdom, vrouwen, roem, schoonheid, kennis enz., maar zodra we geestelijk het Kṛṣṇa-bewustzijn hebben verkregen, denken we: 'O, dit had ik niet kunnen denken! Er is in de hele wereld niets beters dan dit!' Kṛṣṇa-bewustzijn is zoiets krachtigs, dat slechts een snuifje ervan ons van het grootste gevaar kan redden. Wanneer men de smaak van het Kṛṣṇa-bewustzijn te pakken krijgt, lijken alle prestaties en genietingen die men tot dusver kende flauw en smakeloos. Is men eenmaal goed van het Kṛṣṇa-bewustzijn doordrongen, dan is men zelfs door het ernstigste gevaar niet meer uit het lood te slaan. Er zijn zeer veel gevaren in het leven, want de materiële wereld is een oord vol gevaar. We zijn geneigd onze ogen te sluiten voor dit feit en omdat we dwaas zijn, proberen we ons aan de bestaande gevaren aan te passen. Het kan zijn dat we nog veel gevaarlijke momenten zullen beleven op aarde, maar als we ons oefenen in het Kṛṣṇa-bewustzijn en ons gereed maken om weer naar huis te gaan, terug naar God, verliezen ze hun dreiging. We zullen dan een levenshouding hebben van: 'Gevaren komen en gaan - dus laat ze hun gang maar gaan.' Het is buitengewoon moeilijk om zich deze manier van leven eigen te maken, zo lang men nog op het materialistische niveau denkt en leeft en zich vereenzelvigt met zijn grofstoffelijk lichaam, dat uit vergankelijke elementen is opgebouwd. Maar hoe meer men van het Kṛṣṇa-bewustzijn doordrongen raakt, hoe meer men los komt van de fysiek bepaalde levensbeschouwing, met de aardse gebondenheid vandien.
In het Śrīmad-Bhāgavatamwordt de stoffelijke wereld vergeleken met een grote oceaan. Binnen dit stoffelijk heelal zweven miljoenen en miljarden planeten in de ruimte en we kunnen ons vagelijk indenken hoe veel Atlantische en Stille Oceanen er op al deze planeten tezamen zijn. Dit hele stoffelijke heelal nu wordt vergeleken met een grote oceaan van smart, een oceaan van geboorte en dood. Om deze grote oceaan van onwetendheid te kunnen oversteken, hebben we een sterke boot nodig en die sterke boot zijn de lotusvoeten van Kṛṣṇa. We moeten meteen aan boord gaan. We moeten niet aarzelen, omdat we bijvoorbeeld denken dat Kṛṣṇa's voeten maar klein zijn. Het hele universum rust op Zijn been. Men zegt dat in de ogen van degene die de beschutting van Zijn lotusvoeten geniet, het stoffelijk heelal niet meer te betekenen heeft dan het plasje water dat men vindt waar een kalf zijn hoef in het zand had gezet. Het is beslist niet moeilijk zo'n plasje over te steken.
taṁ vidyād duḥkha-saṁyoga-
viyogam yoga-saṁjñitam
'Dit is waarlijk vrijheid van alle leed, dat voortkomt uit de aanraking met het aardse.' (Bg. 6.23)
Als gevolg van het feit dat we onze zinnen niet weten te beheersen zijn we in de materiële wereld verstrikt geraakt. Het oefenen in yoga heeft tot bedoeling om de zinnen te leren beheersen. Lukt het ons de zinnen onder de duim te krijgen, dan kunnen we ons gezicht opheffen naar het ware geestelijk geluk en een bij voorbaat geslaagd leven leiden.
sa niścayena yoktavyo
yogo ’nirviṇṇa-cetasā
saṅkalpa-prabhavān kāmāṁs
tyaktvā sarvān aśeṣataḥ
manasaivendriya-grāmaṁ
viniyamya samantataḥ
śanaiḥ śanair uparamed
buddhyā dhṛti-gṛhītayā
ātma-saṁsthaṁ manaḥ kṛtvā
na kiñcid api cintayet
yato yato niścalati
manaś cañcalam asthiram
tatas tato niyamyaitad
ātmany eva vaśaṁ nayet
'Men dient zich vastberaden en vol vertrouwen aan yoga te wijden. Men moet zich van alle stoffelijke begeerten, die voortkomen uit het vermeende ik, zonder uitzondering ontdoen en zo met de geest de zinnen geheel beheersen. Geleidelijk, stap voor stap, volledig overtuigd, dient men door gebruikmaking van zijn schranderheid in een verheven geestestoestand te geraken, waarbij de geest enkel en alleen op het Zelf gericht is. Hoe de geest ook overal tracht rond te zwerven, wispelturig en onevenwichtig als hij van nature is, steeds dient men hem weer binnen bereik van het Zelf te brengen.' (Bg. 6. 24-26)
De geest is altijd in beroering. Nu eens flitst hij hierheen, dan weer daarheen. Door ons te oefenen in yoga sleuren we de geest letterlijk het Kṛṣṇa-bewustzijn binnen. De geest dwaalt zo makkelijk van het Kṛṣṇa-bewustzijn af naar uitwendige zaken, omdat we sinds onheuglijke tijden in het ene leven na het andere niets anders hebben gedaan dan afdwalen. Hierdoor kan het in het begin bijzonder moeilijk zijn de geest op het Kṛṣṇa-bewustzijn te richten, maar deze moeilijkheden kunnen alle worden overwonnen.
Juist omdat de geest in de war en niet op Kṛṣṇa georiënteerd is, flitst hij van de ene gedachte naar de andere. Wanneer we bijvoorbeeld aan het werk zijn, kunnen er plotseling zonder aanwijsbare reden herinneringen aan gebeurtenissen van tien, twintig, dertig of veertig jaar geleden in onze geest opduiken. Deze gedachten komen uit ons onderbewuste en omdat ze voortdurend opkomen, is onze geest altijd onrustig . Als we met een stok in het water van een vijver porren, komt de modder van de bodem naar boven. Evenzo rijzen er, wanneer de geest in beweging wordt gebracht, uit het onderbewuste allerlei gedachten op die er in de loop der jaren in waren neergezonken. Laten we de vijver met rust, dan zal de modder naar de bodem zakken. Het onderhavige yoga-systeem is bedoeld om de geest te kalmeren en al deze gedachten te laten wegzakken. Om de geest kalm te houden dienen er heel wat regels en bepalingen te worden gevolgd. Doen we dit, dan krijgen we geleidelijk aan vat op de geest. Er zijn tal van geboden en verboden: wil men ernst maken met het temmen van zijn geest, dan moet men zich eraan houden. Gaat men naar eigen inzicht te werk, hoe zal men de geest dan in bedwang kunnen krijgen? Wanneer de geest tenslotte zo geoefend is, dat hij alleen nog maar aan Kṛṣṇa denkt, zal hij rust vinden en heel vredig worden.
praśānta-manasaṁ hy enaṁ
yoginaṁ sukham uttamam
upaiti śānta-rajasaṁ
brahma-bhūtam akalmaṣam
'De yogi wiens geest op Mij gericht is verwerft zich voorzeker het hoogste geluk. Dankzij zijn eenheid met Brahman wordt hij verlost; zijn geest heeft vrede, zijn drangen zijn tot rust gekomen en hij is van zonden vrij.' (Bg. 6.27)
De geest is voortdurend bezig dingen te bedenken die de mens gelukkig zouden moeten maken. Ik denk alsmaar 'Dit zal me gelukkig maken' of 'Dat zal me gelukkig maken - het geluk is hier, het geluk is daar.' Op deze manier sleurt de geest ons overal naar toe, alsof we op een kar zitten achter een ongehalsterd paard. We kunnen op geen enkele manier onze richting bepalen en ontsteld en hulpeloos slaan we onze eigen toestand gade. Zodra de geest echter betrokken wordt bij het oefenen in het Kṛṣṇa-bewustzijn met name door het chanten van: Hare Kṛṣṇa, Hare Kṛṣṇa, Kṛṣṇa Kṛṣṇa, Hare Hare Hare Rāma, Hare Rama, Rāma Rāma, Hare Hare - beginnen de wilde paarden van de geest ons geleidelijk te gehoorzamen. We moeten zorgen dat we ieder ogenblik van ons leven in dienst van Kṛṣṇa werkzaam zijn, om te voorkomen dat de rusteloze en woelige geest ons op een zinloze speurtocht naar het geluk in de tijdelijke materiële wereld op sleeptouw neemt van het een naar het ander.
yuñjann evaṁ sadātmānaṁ
yogī vigata-kalmaṣaḥ
sukhe na brahma-saṁsparśam
atyantaṁ sukham aśnute
'Standvastig in het Zelf, van alle aardse smetten vrij, bereikt de yogi de hoogste volmaaktheid des geluks in voortdurende aanraking met het allerhoogste bewustzijn. (Bg. 6.28)
Kṛṣṇa beschermt degenen die Hem zijn toegewijd. Verkeert men in moeilijkheden, dan brengt de beschermer uitkomst. Zoals geschreven staat in de Bhagavad-gītā is Kṛṣṇa de ware vriend van ieder levend wezen en dienen wij onze vriendschap met Hem weer tot leven te wekken. Deze methode van het tot leven wekken van de vriendschap met Kṛṣṇa is het Kṛṣṇa-bewustzijns-proces. Wanneer we ons oefenen in het Kṛṣṇa-bewustzijn, komt er een eind aan onze aardse hunkeringen en hartstochten. Deze hunkeringen en hartstochten houden ons van Kṛṣṇa gescheiden. Kṛṣṇa is in ons en wacht tot we ons tot Hem wenden, maar we zijn te druk in de weer met het verorberen van de vruchten van de aardse boom der begeerte. Aan deze dwangmatige materiële genotzoekerij dient een eind te komen en we moeten terugkeren naar onze wezenlijke aard - Brahman: zuivere geest.