Default View
Dual Language View
Inleiding
Moge alle heil ons deel zijn. Heer Sri Kṛṣṇa is de Allerhoogste Godspersoon, de oorzaak van alle oorzaken en de bron van alle rasa's of relaties, welke men kent als de neutrale (van eerbied en ontzag), de dienstbare, de vriendschappelijke, de ouderlijke, de amoureuze, de humoristische, de mededogende, de angstige, de ridderlijke, de gruwelijke, de verbaasde en de ontredderde. Hij is de hoogste aantrekkelijke gedaante en met Zijn universele en bovenzinnelijke aantrekkelijkheid houdt Hij alle gopī's in Zijn ban, met Tārakā, Pālikā, Śyāmā, Lalitā en Srīmatī Rādhārāņī voorop. Moge de genade van Zijne Heerlijkheid met ons zijn, opdat ons bij het schrijven van De Nectarzee van Zuivere Liefde niets in de weg zal worden gelegd.
Laat me mijn eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de lotusvoeten van Srīla Rūpa Gosvāmī Prabhupāda, en van Šrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Gosvāmī Prabhupāda, die me tot het schrijven van deze verklarende bewerking van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu heeft geïnspi-reerd. Dit werk behandelt de verheven wetenschap der toegewijde dienst, zoals onderricht door Śrī Caitanya Mahāprabhu, die vijfhonderd jaar geleden in West-Bengalen in India verscheen om de Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn in leven te roepen.
Srīla Rūpa Gosvāmi vangt zijn schitterende werk aan met het brengen van zijn eerbiedige eerbetuigingen aan Srī Sanātana Gosvāmī, zijn oudere broer en geestelijk leraar, en bidt dat de Bhakti-rasāmṛta-sindhu hem zeer welgevallig mag zijn. Hij voegt hieraan nog de bede toe dat Sanātana, in die Nectarzee verwijlend, altijd bovenzinnelijke vreugde mag ervaren in zijn dienst aan Rādhā en Kṛṣṇa.
Laten wij onze eerbiedige eerbetuigingen brengen aan alle grote toegewijden en ācārya's (heilige leraren), die als haaien in die grote Nectarzee zijn en geen aandacht hebben voor de diverse verlossings-rivieren. Impersonalisten gaan zielsgraag op in het Allerhoogste, zoals rivieren uitstromen in zee. De zee kan met de verlossing worden vergeleken en iedere rivier met een verlossingsweg. De impersonalisten wonen in het rivierwater, dat zich tenslotte met de zee vermengt. Ze hebben er echter geen weet van dat er in de zee, zoals ook in de rivier, ontelbare waterwezens huizen. De haaien in de zee zijn niet geïnteresseerd in de rivieren die erin uitmonden. De toegewijden wonen eeuwig in de zee der toegewijde dienst en schenken geen aan-dacht aan de rivieren. Met andere woorden: zuivere toegewijden ver-blijven altijd in de zee van bovenzinnelijke liefdedienst aan de Heer en houden zich afzijdig van de verschillende verlossingswegen die met rivieren vergeleken worden, welke slechts half in zee uitkomen.
Srīla Rūpa Gosvāmī bidt tot zijn geestelijk leraar dat de Bhakti-rasāmṛta-sindhu - de Zuivere Nectarzee van toegewijde dienst - beschermd mag worden voor het gehaal en getrek van theoretici die zich nodeloos met de wetenschap van het dienen van God bemoeien. Hij vergelijkt hun geargumenteer en geredeneer met vulkaanuitbarstingen midden in zee. Midden in zee kunnen zulke uitbarstingen heel weinig kwaad en evenzo kunnen degenen die tegen het toegewijd dienen van de Heer gekant zijn en met tal van filosofische stellingen komen aandragen over wat volgens hen de hoogste transcendente realisatie is, deze grote zee der toegewijde dienst niet in beroering brengen.
De auteur van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu, Srīla Rūpa Gosvāmi, geeft te kennen dat hij het Kṛṣṇa-bewustzijn over de hele wereld tracht te verbreiden, hoewel hij in alle nederigheid denkt dat hij ongeschikt voor dat werk is. Zo behoort ook de houding van elke prediker van de Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn te zijn. We dienen onszelf nimmer voor grote predikers te houden, maar juist steeds te bedenken dat we gewoon een instrument in handen van de voorgaande ācārya's zijn: louter door hun voorbeeld te volgen mogen we hopen iets voor het welzijn van de lijdende mens te kunnen doen.
De Bhakti-rasāmṛta-sindhu is in vieren verdeeld, zoals de zee in vieren verdeeld kan worden, en deze vier delen hebben elk weer onderafdelingen. In de oorspronkelijke Bhakti-rasāmṛta-sindhu wordt de zee, evenals de zee van water, in een westelijk, oostelijk, noordelijk en zuidelijk deel onderscheiden, terwijl de onderafdelingen hiervan golven worden genoemd. Zoals er altijd golven opkomen in de oceaan, hetzij in het oosten, hetzij in het westen, noorden of zuiden, vertoont ook de Bhakti-rasāmṛta-sindhu verschillende golven. Het eerste deel telt vier golven. De eerste hiervan is een algemene beschrijving van de toegewijde dienst; de tweede betreft de regulerende principes welke bij de uitoefening van de toegewijde dienst gelden; de derde toegewijde dienst in extase; de vierde beschrijft het einddoel, liefde tot God. alles zal uit en te na behandeld worden met alle bijbehorende kenmerken.
De definitie van bhakti, of toegewijde dienst, zoals de voorgaande ācārya's haar accepteren, komt neer op de volgende verklaring van Srīla Rūpa Gosvāmi:
"De hoogste vorm van toegewijde dienst bestaat uit de neiging volkomen in Kṛṣṇa-bewustzijn op te gaan, waarbij men de Heer in gunstige zin ter wille is."
Dit houdt in dat men zich ook in ongunstige zin in Kṛṣṇa-bewustzijn bevinden kan, hetgeen echter niet als zuivere toegewijde dienst mag worden aangemerkt. Zuivere toegewijde dienst behoort vrij te zijn van verlangens naar materieel voordeel of zingenot, aangezien deze in verband staan met baatzuchtig handelen en eigenzinnig denken. Doorgaans doen de mensen van alles uit baatzuchtige overwegingen, terwijl de meeste denkers tot bovenzinnelijke realisatie menen te kunnen komen met behulp van boekdelen vol eigenzinnig woordgegoochel en geredeneer. Zuivere toegewijde dienst behoort altijd vrij van baatzuchtige en eigenzinnige motieven te zijn. Men dient tot Kṛṣṇa-bewustzijn of zuivere toegewijde dienst te willen komen door degenen die terzake kundig zijn spontaan liefdedienst te bewijzen.
"De hoogste vorm van toegewijde dienst bestaat uit de neiging volkomen in Kṛṣṇa-bewustzijn op te gaan, waarbij men de Heer in gunstige zin ter wille is."
Dit houdt in dat men zich ook in ongunstige zin in Kṛṣṇa-bewustzijn bevinden kan, hetgeen echter niet als zuivere toegewijde dienst mag worden aangemerkt. Zuivere toegewijde dienst behoort vrij te zijn van verlangens naar materieel voordeel of zingenot, aangezien deze in verband staan met baatzuchtig handelen en eigenzinnig denken. Doorgaans doen de mensen van alles uit baatzuchtige overwegingen, terwijl de meeste denkers tot bovenzinnelijke realisatie menen te kunnen komen met behulp van boekdelen vol eigenzinnig woordgegoochel en geredeneer. Zuivere toegewijde dienst behoort altijd vrij van baatzuchtige en eigenzinnige motieven te zijn. Men dient tot Kṛṣṇa-bewustzijn of zuivere toegewijde dienst te willen komen door degenen die terzake kundig zijn spontaan liefdedienst te bewijzen.
Deze toegewijde dienst moet tot ontwikkeling worden gebracht. Het is geen kwestie van inactief zijn en zich overgeven aan stille inkeer. Hiervoor bestaan al tal van methoden. Het ontwikkelen van Kṛṣṇa-bewustzijn is iets anders. Het woord dat Śrīla Rūpa Gosvāmī in dit verband bezigt, luidt anusilana: "tot ontwikkeling brengen door de voorgaande leraren na te volgen”. Zodra we "ontwikkeling" zeggen is er sprake van activiteit. Zonder activiteit kan ons bewustzijn alleen ons niet verder helpen. Alle activiteit kan in twee soorten worden onderscheiden: die waarmee men op een gewenst doel aanstreeft, en die waarmee men ongewenste dingen tracht te vermijden. In het Sanskriet worden ze pavrtti en nvrtti-positieve en negatieve actie genoemd.
Degenen die een geestelijk leven activiteit en toegewijde dienst verrichten zijn altijd actief. Hun activiteit kan zowel lichamelijk als mentaal zijn. Denken, voelen en willen zijn alle activiteiten van de geest, het mentale, en wanneer we iets willen doen, wordt de activiteit geopenbaard via de grofstoffelijke zintuigen. Zo dienen we ons in onze mentale activiteiten altijd op Kṛṣṇa te richten en te bedenken hoe men Hem, zoals de voorgaande ācārya's en de eigen geestelijk leraar het hebben laten zien, voldoening kan geven. We kennen activiteiten van het lichaam, activiteiten van de verschillende zintuigen en activiteiten van de spraak. Een Kṛṣṇa-bewust persoon gebruikt zijn woorden om de heerlijkheid van de Heer te verkondigen. Dit wordt kirtana genoemd. En in zijn geest denkt een Kṛṣṇa-bewust persoon altijd aan de activiteiten van de Heer, zoals Hij op het Slagveld van Kurukṣetra spreekt of in Vrndāvana met Zijn toegewijden Zijn spel en vermaak bedrijft. Zo kan men altijd aan de activiteiten en het spel en vermaak van de Heer blijven denken. Dat is het mentale ontwikkelen van Kṛṣṇa-bewustzijn.
Ook kunnen we allerlei dienst bewijzen met onze lichamelijke activiteiten. Al deze activiteiten dienen dan in relatie tot Kṛṣṇa te staan. Deze relatie gaat men aan door zich in verbinding te stellen met de bevoegde geestelijk leraar, die in het kader van de geestelijke erfopvolging Kṛṣṇa's directe vertegenwoordiger is. Het verrichten van Kṛṣṇa-bewuste activiteiten met het lichaam dient dus door de geestelijk leraar te worden gedirigeerd en vol vertrouwen te worden beoefend. Het aanvaarden van de leiding van de geestelijk leraar wordt initiatie genoemd. Vanaf het tijdstip dat men door de geestelijk leraar geïnitieerd is, is de verbinding tussen Kṛṣṇa en degene die zijn Kṛṣṇa-bewustzijn aan het ontwikkelen is een feit. Zonder door een bevoegd geestelijk leraar geïnitieerd te zijn, raakt men nooit werkelijk in het Kṛṣṇa-bewustzijn opgenomen.
Het ontwikkelen van Kṛṣṇa-bewustzijn is geen materiële aangelegenheid. De Heer bezit, globaal gesproken, drie energieën, te weten Zijn uitwendige, Zijn innerlijke en Zijn tussenenergie. De levende wezens worden tussenenergie genoemd, en de stoffelijke kosmische openbaring is de openbaring van de stoffelijke of materiële of uitwendige energie. Tenslotte is er de geestelijke wereld, die door de innerlijke energie geopenbaard wordt. De levende wezens, die dus tussenenergie genoemd worden, verrichten materiële activiteiten wanneer ze zich in de invloedssfeer van de lagere, uitwendige energie bevinden. En bedrijven ze activiteiten onder invloed van de innerlijke, geestelijke energie, dan worden deze Kṛṣṇa-bewust genoemd. Dit houdt in dat grote zielen of grote toegewijden niet handelen in de ban van de stoffelijke energie, maar onder bescherming van de geestelijke energie. Alle activiteit verricht in toegewijde dienst of Kṛṣṇa-bewustzijn voltrekt zich onder rechtstreekse leiding van de geestelijke energie. Met andere woorden: als tussenenergie kan het levend wezen door de genade van de geestelijk leraar en Kṛṣṇa gespiritualiseerd of vergeestelijkt worden.
In de Caitanya- caritāmṛta van Kṛṣṇadāsa Kavirāja Gosvāmī verklaart Heer Caitanya dat iemand die door de genade van Kṛṣṇa in aanraking komt met een bevoegde geestelijk leraar groot geluk heeft. Wie ernst wil maken met het geestelijk leven ontvangt van Kṛṣṇa het inzicht waardoor hij met een bonafide geestelijk leraar in contact kan komen, waarna hij door de genade van de geestelijk leraar steeds meer tot Kṛṣṇa-bewustzijn kan geraken. Alles wat met het Kṛṣṇa-bewustzijn te maken heeft-- Kṛṣṇa en de geestelijk leraar- bevindt zich geheel binnen de geestelijke energie. Het stoffelijke is er volkomen vreemd aan.
Hebben we het over Kṛṣṇa, dan spreken we over de Allerhoogste Godspersoon en al Zijn vele expansies. Dat zijn Zijn volkomen deel-aspecten, Zijn gedifferentieerde deelaspecten en Zijn verschillende energieën. Met andere woorden: er is niets wat niet door Kṛṣṇa wordt omvat. Over het algemeen echter verstaan we onder Kṛṣṇa: Kṛṣṇa en Zijn persoonlijke expansies. Kṛṣṇa expandeert Zich als Baladeva, Sankarşaņa, Vāsudeva, Aniruddha, Pradyumna, Rāma, Nrsimha, Varāha en in vele andere avatāra's en talloze Vișņu-expansies. Het Śrīmad-Bhāgavatam noemt ze even talrijk als de ontelbare golven van de oceaan. Dus Kṛṣṇa omvat zowel al deze expansies als Zijn zuivere toegewijden. De Brahma-samhitā verklaart dat Kṛṣṇa's expansies allen volkomen vervuld zijn van eeuwigheid, gelukzaligheid en wijsheid.
Hebben we het over Kṛṣṇa, dan spreken we over de Allerhoogste Godspersoon en al Zijn vele expansies. Dat zijn Zijn volkomen deel-aspecten, Zijn gedifferentieerde deelaspecten en Zijn verschillende energieën. Met andere woorden: er is niets wat niet door Kṛṣṇa wordt omvat. Over het algemeen echter verstaan we onder Kṛṣṇa: Kṛṣṇa en Zijn persoonlijke expansies. Kṛṣṇa expandeert Zich als Baladeva, Sankarşaņa, Vāsudeva, Aniruddha, Pradyumna, Rāma, Nrsimha, Varāha en in vele andere avatāra's en talloze Vișņu-expansies. Het Śrīmad-Bhāgavatam noemt ze even talrijk als de ontelbare golven van de oceaan. Dus Kṛṣṇa omvat zowel al deze expansies als Zijn zuivere toegewijden. De Brahma-samhitā verklaart dat Kṛṣṇa's expansies allen volkomen vervuld zijn van eeuwigheid, gelukzaligheid en wijsheid.
Toegewijde dienst betekent het nastreven van Kṛṣṇa-bewuste activiteiten die een gunstige invloed hebben op het bovenzinnelijk genoegen van Kṛṣṇa, de Opperheer, terwijl alle activiteiten die de bovenzinnelijke genade van de Heer niet gunstig beïnvloeden niet als toegewijde dienst mogen worden aangemerkt. Grote demonen als Rāvaņa, Kamsa en Hiraņyakasipu dachten altijd aan Kṛṣṇa, maar zagen Hem daarbij steeds als vijand. Dit soort denken kan niet als bhakti of Kṛṣṇa-bewustzijn worden geaccepteerd.
De impersonalisten hebben veelal een verkeerde opvatting van de toegewijde dienst, in die zin dat ze Kṛṣṇa gescheiden zien van Zijn attributen en Zijn spel en vermaak. Zo werd bijvoorbeeld de Bhagavad-gītā uitgesproken op het Slagveld van Kurukṣetra en de impersonalisten zeggen nu dat hoewel Kṛṣṇa van belang is, het Slagveld van Kurukṣetra dat niet is. De toegewijden echter weten dat het Slagveld van Kuruketra op zichzelf niets met hun activiteiten te maken heeft, maar ze weten tevens dat Kṛṣṇa nooít zomaar Kṛṣṇa zonder meer is. Hij is altijd samen met Zijn metgezellen en attributen. Wanneer iemand bijvoorbeeld zegt: "Geef die man met die wapens wat te eten", dan is dat eten bestemd voor de man en niet voor de wapens. Zo kan in het Kṛṣṇa-bewustzijn een toegewijde belang stellen in de attributen en geografische plaatsen die met Kṛṣṇa verband houden, zoals bijvoorbeeld het Slagveld van Kurukṣetra, terwijl andere slagvelden hem onverschillig laten. Hij is geïnteresseerd in Kṛṣṇa, in Zijn woorden, Zijn leringen enz. Het is om Kṛṣṇa dat het slagveld zo belangrijk is.
Dit is in het kort wat men onder Kṛṣṇa-bewustzijn verstaat. Heeft men hier geen begrip van, dan kan men beslist geen idee hebben waarom de toegewijden in het Slagveld van Kurukṣetra geïnteresseerd zijn. Wie in Kṛṣṇa geïnteresseerd is, raakt vanzelf in al Zijn activiteiten en spel en vermaak geïnteresseerd.
De definitie van een zuivere toegewijde, zoals Rūpa Gosvāmī die in de Bhakti-rasāmṛta-sindhu geeft, kan als volgt worden samengevat: zijn dienst is gunstig bedoeld en houdt altijd verband met Kṛṣṇa. Teneinde deze Kṛṣṇa-bewuste activiteiten zuiver te houden, dient men geheel vrij te zijn van materiële verlangens en eigenzinnig denken. Elk verlangen dat niet met het dienen van de Heer te maken heeft, is materieel verlangen. En eigenzinnig denken heeft betrekking op die vorm van theoretiseren, welke uiteindelijk tot de conclusie leidt dat de Absolute Waarheid leeg of onpersoonlijk zou zijn. Een Kṛṣṇa-bewust persoon heeft niets aan zo'n conclusie. Men kan slechts hoogstzelden door eigenzinnig denken tot de slotsom komen dat men Vāsudeva, Kṛṣṇa, zou moeten dienen. Dit wordt door de Bhagavad-gitā zelf bevestigd. Het einddoel van alle overwegingen dient dus Kṛṣṇa te zijn, in die zin dat Kṛṣṇa alles is, de oorzaak van alle oorzaken, en dat men zich daarom aan Hem overgeven moet. Komt men door eigen denken tot deze slotsom, dan kan men uiteraard rustig blijven doorfilosoferen, maar bereikt men de conclusie dat alles uiteindelijk op leegte of het onpersoonlijke berust, dan is dat geen bhakti.
Onder karma of baatzuchtig streven wordt soms een bepaalde vorm van ritualistische activiteit verstaan. Velen voelen zich sterk aangetrokken tot de ritualistische activiteiten die in de Veda's worden beschreven. Raakt men er echter slechts toe aangetrokken zonder dat dit tot ínzicht aangaande Kṛṣṇa leidt, dan is dit nutteloos. De ontwikkeling van het Kṛṣṇa-bewustzijn kan eigenlijk alleen op luisteren, verheerlijking, meditatie enz, gebaseerd zijn. In het Śrīmad-Bhāgavatam vindt men negen methoden beschreven en alles wat men daar buitenom doet is ongunstig voor het bevorderen van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Men dient dus altijd voor struikelen te waken.
Srīla Rūpa Gosvāmī noemt in zijn bhakti-definitie het woord jnāna-karmādi. Deze karmādi (baatzuchtige activiteit) bestaat uit bezigheden die er niet toe bijdragen dat men tot zuivere toegewijde dienst geraakt.
Srīla Rūpa Gosvāmī haalt voorts een passage uit de Nārada-pañca-rātra aan, die luidt:
"Men dient geheel vrij van materiële denkbeelden te zijn en door Kṛṣṇa-bewustzijn van alle stoffelijke smetten verschoond. Men dient terug te keren tot zijn zuivere identiteit, waarbij men zijn zinnen in dienst van de Eigenaar der zinnen kan stellen."
"Men dient geheel vrij van materiële denkbeelden te zijn en door Kṛṣṇa-bewustzijn van alle stoffelijke smetten verschoond. Men dient terug te keren tot zijn zuivere identiteit, waarbij men zijn zinnen in dienst van de Eigenaar der zinnen kan stellen."
Zijn onze zinnen dus actief ter wille van de eigenlijke Eigenaar der zinnen, dan heet zulks toegewijde dienst. In onze gebonden staat houden de zinnen zich slechts bezig met het dienen van het lichaam. Worden diezelfde zinnen echter gebruikt om de opdrachten van Kṛṣṇa uit te voeren, dan is dat bhakti.
Zolang men zich met een bepaalde persoon, familie of samenleving identificeert, heet men door stoffelijke denkbeelden verhuld. Beseft men dat men aan geen enkele persoon, familie of samenleving toebehoort, maar eeuwig met Kṛṣṇa verbonden is, dan begrijpt men dat men zijn energie niet het belang van die zogenaamde persoon, familie of samenleving moet laten dienen, maar het belang van Kṛṣṇa. Hieruit spreekt zuiverheid van inzet en zij vormt de zuivere toegewijde dienst aan Kṛṣṇa.
Zolang men zich met een bepaalde persoon, familie of samenleving identificeert, heet men door stoffelijke denkbeelden verhuld. Beseft men dat men aan geen enkele persoon, familie of samenleving toebehoort, maar eeuwig met Kṛṣṇa verbonden is, dan begrijpt men dat men zijn energie niet het belang van die zogenaamde persoon, familie of samenleving moet laten dienen, maar het belang van Kṛṣṇa. Hieruit spreekt zuiverheid van inzet en zij vormt de zuivere toegewijde dienst aan Kṛṣṇa.