Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 1

Kenmerken van zuivere toegewijde dienst

In het Śrīmad-Bhāgavatam (3.29.10) geeft Śrila Kapiladeva tijdens Zijn onderricht aan Zijn moeder de volgende beschrijving van de kenmerken van zuivere toegewijde dienst:

"Lieve Moeder, degenen die Mij zuiver zijn toegewijd en geen lust voelen tot baatzuchtig handelen of eigenzinnig denken, gaan met hun geest zó op in Mijn dienst, dat ze er totaal geen belang in stellen Me waar dan ook om te vragen-behalve om die dienst te kunnen vervullen. Ze vragen me niet eens of ze in Mijn woning mogen binnengaan. Er zijn vijf soorten van verlossing, namelijk:

1) een worden met de Heer;
2) op dezelfde planeet wonen als de Heer;
3) hetzelfde uiterlijk hebben als de Heer;
4) dezelfde volheid genieten als de Heer;
5) Zijn metgezel zijn.
Een toegewijde begeert niet één van deze vijf soorten van verlossing en stelt uiteraard geen enkel belang in materiële zinsbevrediging. Het verrichten van liefdedienst voor de Heer stelt hem al tevreden. Dat is het kenmerk van zuivere toewijding."
Bovenstaande verklaring van Kapiladeva in het Śrīmad-Bhāgavatam beschrijft de eigenlijke positie van de zuivere toegewijde, terwijl ze tevens de primaire kenmerken van de toegewijde dienst definieert. Rūpa Gosvāmī beschrijft de verdere kenmerken van de toegewijde dienst onder verwijzing naar de verschillende Schriften. Hij verklaart dat zuivere toegewijde dienst zes kenmerken vertoont, en wel de volgende:
1) zuivere toegewijde dienst brengt dadelijk verlichting van alle materiële smart;
2) zuivere toegewijde dienst is het begin van alle heil;
3) zuivere toegewijde dienst schenkt vanzelf bovenzinnelijke vreugde;
4) zuivere toegewijde dienst wordt zelden bereikt;
5) degenen die zich in zuivere toegewijde dienst bevinden, moeten alleen al bij de gedachte aan verlossing lachen;
6) zuivere toegewijde dienst is de enige manier om Kṛṣṇa aan te trekken.
Kṛṣṇa is al-aantrekkelijk, maar zuivere toegewijde dienst trekt zelfs Kṛṣṇa aan. Dat betekent dat zuivere toegewijde dienst zelfs transcendentaal sterker is dan Kṛṣṇa Zelf, want ze is Kṛṣṇa's innerlijk vermogen.

Verlichting van materiële smart

In de Bhagavad-gītā (XVIII.66) zegt de Heer dat men zich aan Hem moet overgeven en verder alles laten varen. Daarbij geeft de Heer Zijn woord, dat Hij de overgegeven ziel behoeden zal voor de terugslagen van al haar zondig doen en laten. Śrīla Rūpa Gosvāmī zegt dat elk leed het gevolg is van zondige activiteiten, zowel van dit als van vorige levens. Men zondigt over het algemeen uit onwetendheid. Maar men kan zich niet op onwetendheid beroepen om zo voor terugslagen gespaard te blijven. Er bestaan tweeërlei zondige activiteiten: "rijpe en "onrijpe". Die waarvan we thans de terugslagen ondergaan worden "rijp" genoemd. De vele begane zonden waarvoor we nog geen terugslagen te lijden hebben gekregen, worden "onrijp" genoemd. Iemand heeft bijvoorbeeld een misdaad gepleegd, maar is er nog niet voor opgepakt. Zodra men nu ontdekt waar hij zit, wordt hij gegrepen. Zo staan ook ons in de toekomst terugslagen te wachten voor sommige begane zondige activiteiten, en voor andere, "gerijpte", moeten we nu boeten.
Zo zien we dat er een keten van zondige activiteiten met de smart van dien bestaat, en leven in, leven uit, heeft de gebonden ziel van deze zonden te lijden. In dit leven heeft ze te lijden van de terugslagen van zonden in haar vorige leven, terwijl ze tevens leed voor toekomstige levens creëert. Zonden zijn merkbaar tot terugslagen gerijpt wanneer men aan een chronische ziekte lijdt, in een wettelijke procedure verwikkeld zit, in een asociaal milieu geboren is, geen ontwikkeling bezit of erg lelijk is.
We lijden onder tal van terugslagen van vroeger begane zonden, en zo kunnen we in de toekomst om onze huidige zonden te lijden krijgen. Al deze terugslagen kunnen echter terstond een halt worden toegeroepen als we Kṛṣṇa-bewust worden. Ten bewijze hiervan citeert Śrīla Rūpa Gosvāmī een vers uit het Šrīmad-Bhāgavatam (11.14.19),waarin Heer Kṛṣṇa Zijn vriend Uddhava als volgt onderricht:

"Beste Uddhava, toegewijde dienst, aan Mij bewezen, is als een laaiend vuur dat eindeloze hoeveelheden brandstof tot as verteert."

De strekking hiervan is dat, zoals een laaiend vuur willekeurig welke hoeveelheid brandstof tot as verteren kan, toegewijde dienst aan Kṛṣṇa in God-bewustzijn alle brandstof van vroeger begane zonden kan verteren. Zo dacht Arjuna, in de Gītā, dat vechten zonde was, maar Kṛṣṇa liet hem op Zijn bevel aan de strijd deelnemen, waardoor zijn vechten toegewijde dienst werd. Daarom werd Arjuna aan geen enkele terugslag onderworpen.
Srīla Rūpa Gosvāmī citeert een ander vers uit het Śrīmad-Bhāgavatam (3.33.6), waarin Devahūti zich met de volgende woorden tot haar zoon, de avatāra Kapila, richt:
"Lieve Heer, er zijn negen vormen van toegewijde dienst, te beginnen met luisteren en verheerlijken. Ieder die naar de verhalen over Je spel en vermaak luistert, Je roem verheerlijkt, Je eerbetuigingen brengt, steeds aan Je denkt, en zo de negen vormen van toegewijde dienst verricht, is zonder meer bevoegd om offers te brengen ook al is hij onder hondeneters [het laagste slag mensen] geboren."
Hoe zou dan in dit licht iemand die de Heer in volkomen Kṛṣṇa-bewustzijn metterdaad toegewijde dienst bewijst niet gelouterd raken? Dat is niet mogelijk. Wie in Kṛṣṇa-bewustzijn toegewijde dienst verricht is ongetwijfeld vrij van de besmetting van al zijn vroeger begane zonden. Toegewijde dienst heeft dus het vermogen dat ze de terugslagen van zondige activiteiten werkelijk tot niets kan terugbrengen. Niettemin blijft een toegewijde op zijn hoede dat hij niet zondigt: hieraan kent men hem juist als toegewijde. Uit de verklaring van het Śrīmad-Bhāgavatam, dat iemand uit een hondeneters-milieu die de Heer toegewijde dienst bewijst ertoe gerechtigd is om Vedische offers te brengen, blijkt dat zo iemand in de regel niet voor yajna, of offeren, geschikt wordt geacht. De priester-kaste, die normaal de riten en offers celebreert, is de orde van de brāhmaņa's. Als men geen brāhmaņa is, kan men dat niet doen.
Men wordt in een brahmaanse dan wel in een hondeneters-familie geboren als gevolg van zijn vroeger doen en laten. Wordt men onder hondeneters geboren, dan is dit het gevolg van zondige activiteiten. Maar begaat zelfs een laagstaand mens als een hondeneter het pad der toegewijde dienst en begint hij de heilige naam van de Heer te chanten:

Hare Kṛṣṇa Hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa Hare Hare
Hare Rāma hare Rāma Rāma Rāma Hare Hare

dan mag hij dadelijk celebreren en voorgaan. Dat houdt in dat de terugslagen van zijn zonden ineens geneutraliseerd zijn.
De Padma Purāņa verklaart dat zondige activiteiten tot vier soorten gevolgen leiden, welke hieronder worden opgenoemd:

1) het gevolg dat zaad zet;
2) het gevolg dat nog ontkiemen moet;
3) het bijna gerijpte gevolg;
4) het reeds gerijpte gevolg.

Tevens wordt verklaard dat al deze gevolgen worden weggevaagd, zodra men zich overgeeft aan de Allerhoogste Godspersoon, Viṣṇu, en zich in volkomen Kṛṣṇa-bewustzijn in Zijn toegewijde dienst verbindt.
De gevolgen die als “bijna gerijpt" worden beschreven, hebben betrekking op de smart waaronder men thans nog niet lijdt, en de gevolgen die "nog ontkiemen” moeten hebben betrekking op de voorraad zondige verlangens die als zaad liggen te sluimeren op de bodem van het hart. Uit deze verklaring van de Padma Purāņa blijkt dat de materiële besmetting uiterst subtiel te werk gaat. Haar uitzaaiing, ontkieming en rijping, met de smart van dien, maken deel uit van een grote keten van oorzaak en gevolg. Loopt men een ziekte op, dan kan men dikwijls moeilijk nagaan wat de oorzaak ervan is, waar ze vandaan komt en hoe ze zich ontwikkelt. Het leed van een ziekte doet zich echter niet plotseling voor. Daar gaat eerst wat tijd overheen. En zoals op het medische vlak de arts uit voorzorg een injectie geeft om te voorkomen dat een infectie uit de hand loopt, is er ook een praktische injectie waardoor men het ontkiemen en vrucht dragen van het zaad van ons zondig doen en laten kan tegengaan: zich gewoon in het Kṛṣṇa-bewustzijn storten.
In dit verband vertelt Śukadeva Gosvāmī in het Śrīmad-Bhāgavatam (6.2.17) het verhaal van Ajāmila, die het leven als een goede en plicht-getrouwe brāhmaņa begon, maar in zijn jonge jaren door toedoen van een prostituée volkomen verdorven raakte. In weerwil van al zijn zonden werd hij aan het eind van zijn kwade leven behouden, louter doordat hij de naam Nārāyaņa (Kṛṣṇa) uitriep. Sukadeva laat zien dat het doen van boete en barmhartigheid en het voltrekken van rituelen weliswaar aanbevolen wordt om tegenwicht te bieden tegen zondige activiteiten, maar dat men daardoor niet het zaad van het zondige verlangen uit het hart verwijderen kan, zoals blijkt uit het geval van de jeugdige Ajāmila. Dit zaad van het zondige verlangen kan alleen door het ontwikkelen van Kṛṣṇa-bewustzijn verwijderd worden. En dat gaat heel makkelijk door het chanten van de mahā-mantra of Hare Kṛṣṇa-mantra, zoals Śrī Caitanya Mahāprabhu aanraadt te doen. Met andere woorden: tenzij men slechts het pad der toegewijde dienst begaat, kan men zich niet geheel bevrijden van de terugslagen van vroegere zondige activiteiten.
Door het verrichten van rituele activiteiten, door barmhartigheid te doen in de vorm van het wegschenken van geld en door boete kan men tijdelijk verschoond blijven van de terugslagen van zondige activiteiten, maar daarna raakt men weer bij dergelijke activiteiten betrokken. Zo moet iemand die als gevolg van buitensporige seksuele activiteit aan een geslachtsziekte lijdt bij de medische behandeling daarvan flink pijn ondergaan, waarna hij voorlopig beter is. Maar omdat hij de seksuele begeerte niet uit zijn hart heeft weten te bannen, zal hij er weer aan toegeven en slachtoffer van dezelfde ziekte worden. Dus medische behandeling kan tijdelijk verlichting van de smart van zo'n geslachtsziekte geven, maar als men niet heeft leren inzien dat seks ter wille van de seks iets verfoeilijks is, kan men met geen mogelijkheid voor een herhaling van dergelijke ellende gespaard blijven.
Zo kunnen ook rituele activiteiten en het doen van barmhartigheid en boete, aanbevolen door de Veda's, het zondig handelen tijdelijk tot stilstand brengen, maar zo lang het hart niet gereinigd is, zal men telkens weer tot zondigen moeten vervallen.
Het Śrīmad-Bhāgavatam geeft nog een voorbeeld (4.22,39). Sanat-kumāra zegt:
"Waarde vorst, het vals ego van de mens is zo hard, dat hij erdoor aan het stoffelijk bestaan gebonden blijft als met een sterk touw. Alleen toegewijden kunnen de knoop van dit touw makkelijk doorhakken door zich in Kṛṣṇa-bewustzijn te begeven. Anderen, die zich niet in Kṛṣṇa-bewustzijn bevinden, maar grote mystici of ritualisten trachten te worden, kunnen niet zulke vorderingen maken als de toegewijden. Daarom is het ieders plicht om zich aan de activiteiten van het Kṛṣṇa-bewustzijn te wijden, om de stijf aangehaalde knoop van vals ego en materieel handelen te kunnen losmaken."
De stijf aangehaalde knoop van het vals ego zit er door onwetendheid. Zo lang men niet weet wie men werkelijk is, moet men wel onjuist handelen en raakt daardoor in de materiële verwarring verstrikt. Onze onbekendheid met de werkelijke stand van zaken kan worden weggenomen door het ontwikkelen van Kṛṣṇa-bewustzijn, zoals door de Padma Purāna als volgt bevestigd wordt:

"Zuivere toegewijde dienst in Kṛṣṇa-bewustzijn schenkt de hoogste verlichting, en heeft men deze verlichting bereikt, dan is ze aIs een laaiende bosbrand die de slangen van onze heilloze begeerten verzengt."

Dus hier krijgen we het voorbeeld van de bosbrand, die breed rondlaaiend vanzelf alle slangen in het woud doodt. Er zijn massa's slangen in het woud, en komt er brand, dan staat het droge struikgewas in vuur en vlam en worden de slangen ter wille bedreigd. Dieren in het bezit van poten kunnen dan nog wegvluchten, of het althans proberen, maar de slangen worden dadelijk gedood. Evenzo is de laaiende brand van het Kṛṣṇa-bewustzijn zo hevig, dat de slangen der onwetendheid er meteen door worden gedood.

Kṛṣṇa-bewustzijn is al-heilrijk

Srīla Rūpa Gosvāmī geeft ons een definitie van het begrip heilrijk. Hij zegt dat werkelijk heilrijk handelen inhoudt dat men er het welzijn van alle mensen ter wereld mee op het oog heeft. Op het ogenblik zijn er allerleí groeperingen met welzijnswerk doende op lokaal of nationaal niveau. In de vorm van de Verenigde Naties doet men zelfs een poging de hele wereld te helpen. Maar aangezien er al tekortkomingen kleven aan de beperkte activiteiten op nationale schaal, is een massaal welzijnsprogramma voor de hele wereld niet werkelijk uitvoerbaar. De Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn echter is zoiets speciaals, dat ze het hele mensenras de hoogste weldaad kan bewijzen. Iedereen kan zich tot deze Gemeenschap aangetrokken voelen en iedereen kan daar de heilzame gevolgen van ervaren. Daarom zijn Rūpa Gosvāmī en andere grote geleerden het erover eens dat grootscheepse propaganda op wereldschaal voor de Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn in toegewijde dienst de hoogste welzijnsactiviteit is die men voor de mensheid kan verrichten.
Hoe de Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn de aandacht van de hele wereld op zich kan vestigen en hoe elk individu genoegen kan beleven aan het Kṛṣṇa-bewustzijn, wordt als volgt aangegeven in de Padma Purāna:

"Iemand die zich in volledig Kṛṣṇa-bewustzijn in toegewijde dienst verbindt, wordt geacht de wereld de beste dienst te bewijzen die er bestaat en iedereen voldoening te schenken, niet alleen de menselijke samenleving, maar zelfs ook de bomen en de dieren, aangezien zij zich eveneens tot die Gemeenschap aangetrokken voelen."
Een praktisch voorbeeld hiervan gaf Heer Caitanya op Zijn reis door het woud van Jharikhanda in Centraal India, die Hij ondernam om Zijn sankirtana-beweging te verbreiden. De tijgers, olifanten, herten en alle andere wilde dieren sloten zich bij Hem aan en leverden hun bijdrage door ieder op zijn wijze te dansen en Hare Kṛṣṇa te chanten.
Iemand die in Kṛṣṇa-bewustzijn toegewijde dienst verricht, kan bovendien alle goede eigenschappen in zich tot ontwikkeling brengen die men doorgaans bij de goden aantreft. Śukadeva Gosvāmī zegt in het Śrīmad-Bhāgavatam (5.18.12):

"Waarde vorst, mensen die een onwankelbaar geloof in Kṛṣṇa hebben en niet dubbelhartig zijn, kunnen alle goede eigenschappen van de goden in zich ontwikkelen."

Wegens zijn hoge graad van Kṛṣṇa-bewustzijn gaan zelfs de goden graag met een toegewijde om, waaruit men kan opmaken dat de eigenschappen van de goden zich in hem hebben ontwikkeld.
Daarentegen bezit iemand die zich niet in Kṛṣṇa-bewustzijn bevindt geen goede eigenschappen. Al is hij misschien uit academisch oogpunt hoog ontwikkeld, dan neemt zulks niet weg dat hij zich in zijn werkelijke activiteiten lager toont dan een dier. Als men zich niet boven mentaal niveau verheffen kan, blijft er geen andere mogelijkheid, al is men academisch ook nog zo ver gevorderd, iets anders dan materiële activiteiten te verrichten, met het gevolg dat men onzuiver blijft. Er zijn in de huidige wereld massa's mensen die aan de materialistische universiteiten het hoogste onderricht hebben ontvangen, maar men ziet dat ze niet met de Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn mee kunnen gaan en niet de verheven eigenschappen van de goden in zich tot ontwikkeling brengen.
Voor een gewoon, Kṛṣṇa-bewust iemand, die naar universitaire maatstaven niet bijzonder ontwikkeld is, is het geen enkel probleem om op te houden met ongeoorloofde seks, vlees eten, roken en drinken, terwijl daarentegen niet-Kṛṣṇa-bewuste mensen, ook al zijn ze nog zo hoog ontwikkeld, vaak dronkaards, vrouwenjagers, vleeseters en gokkers zijn. Dit zijn praktische bewijzen voor het feit dat een Kṛṣṇa-bewust persoon verregaand goede eigenschappen ontwikkelt, terwijl iemand die zich niet in Kṛṣṇa-bewustzijn bevindt dat niet kan. We merken dat zelfs een jonge jongen in Kṛṣṇa-bewustzijn geen belangstelling heeft voor bioscoop, nachtclub, naaktshows, vleesrestaurants, café's enz. Hij raakt er volkomen los van. Hij zorgt ervoor dat hij zijn kostbare tijd niet verdoet met roken, drinken, dansen, theaterbezoek en wat dies meer zij.
Iemand die niet Kṛṣṇa-bewust is kan in de regel geen halfuur stil zitten. De yoga-methode leert, dat als men stil wordt, de realisatie volgt dat men God is. Misschien heeft een materialist iets aan zo'n yoga-methode, maar hoelang kan hij stil blijven zitten? Zich kunstmatig bedwingend, kan hij even gaan zitten om te mediteren, maar meteen na zo'n yoga-vertoning gaat hij weer door met ongeoorloofde seks, gokken, vlees eten en allerlei andere onzinnige activiteiten. Een Kṛṣṇa-bewust persoon daarentegen komt geleidelijk aan tot verheffing zonder zich met deze stille meditatie in te laten. Louter omdat hij met het ontwikkelen van Kṛṣṇa-bewustzijn bezig is, laat hij al deze onzin vanzelf varen en ontwikkeIt een hoogstaand karakter. Men ontwikkelt het edelste karakter wanneer men een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa wordt. De slotsom luidt dat men in het geheel geen goede eigenschappen kan hebben als het aan Kṛṣṇa-bewustzijn ontbreekt.

Geluk in Kṛṣṇa-bewustzijn

Srīla Rūpa Gosvāmī geeft een analyse van de verschillende oorzaken die leiden tot de toestand van geluk. Zo onderscheidt hij drie vormen van geluk:
1) geluk ontleend aan materieel genoegen;
2) geluk ontleend aan vereenzelviging van het ik met het Allerhoogste Brahman;
3) geluk ontleend aan het bereiken van de toestand van
  Kṛṣṇa-bewustzijn.
In de Tantra-sāstra spreekt Heer Śiva als volgt tot zijn echtgenote, Satī:
"Lieve vrouw, wie zich aan de lotusvoeten van Govinda overgegeven heeft en zo tot zuiver Kṛṣṇa-bewustzijn gekomen is, ontvangt heel makkelijk de volmaakte talenten waar de impersonalisten zo naar verlangen; en bovendien kan hij het geluk genieten dat de zuivere toegewijde eigen is."
Geluk verkregen door zuivere toegewijde dienst is het hoogste, omdat het eeuwig is. Het geluk, ontleend aan succes op materieel gebied of vereenzelviging met Brahman, is lager, omdat het tijdelijk is. Het is niet te voorkomen dat men uit een toestand van materieel geluk ten val komt en er is alle kans dat men ten val komt uit het geestelijk geluk dat men ervaart door vereenzelviging van het ik met het onpersoonlijk Brahman.
Men ziet soms dat grote māyāvādī (impersonalistische) sannyāsī's - zeer hoog ontwikkelde en welhaast zelfgerealiseerde zielen - zich aan politieke of maatschappelijke welzijnsactiviteiten wijden. De reden hiervoor is dat ze uit hun onpersoonlijk inzicht geen definitief transcendentaal geluk puren en daarom weer tot het stoffelijk niveau moeten afdalen, waar ze zich dan met wereldse aangelegenheden bezighouden. Er zijn vooral in India veel voorbeelden van māyāvādī-sannyāsi's, die tot het materieel niveau zijn teruggekeerd. Maar iemand in volledig Kṛṣṇa-bewustzijn zal nimmer tot wat voor materieel niveau dan ook terugvallen. Hoe aanlokkelijk en aantrekkelijk ze ook schijnt, toch weet hij dat geen enkele materiële activiteit de vergelijking met de geestelijke activiteit van het Kṛṣṇa-bewustzijn kan doorstaan.
De mystieke volmaaktheden die een yogi wiens streven met succes bekroond wordt zich verwerft, zijn acht in getal. Zo is animā-siddhi het vermogen waarmee hij zich zo klein kan maken, dat hij in een steen kan kruipen. De moderne wetenschap evenwel staat ook ons toe in steen binnen te dringen, omdat ze tunnels en schachten enz. weet te boren. Dus animā-siddhi, het vermogen om in steen binnen te dringen, is ook een verworvenheid van de materiële wetenschap. Zo zijn eveneens de andere yoga-siddhi's, of volmaaktheden, materiële kunsten. Er is bijvoorbeeld een yoga-siddhi waarbij men het vermogen ontwikkelt om zich zo licht te maken, dat men in de lucht kan blijven zweven of op het water drijven. Beoefenaars van de moderne wetenschap presteren dat ook. Ze vliegen door de lucht, drijven op het wateroppervlak en reizen onder de waterspiegel.
Vergelijkt men al deze mystieke yoga-siddhi's met materialistische prestaties, dan ziet men dat de materialistische geleerden achter dezelfde dingen aan zitten. Dus er bestaat eigenlijk geen verschil tussen mystieke en materialistische vervolmaking. Een Duits geleerde heeft eens gezegd dat de zogenaamde yoga-volmaaktheden reeds door de hedendaagse geleerden zijn verkregen en dat hij er daarom niet meer in geïnteresseerd was. Hij nam het intelligente besluit om naar India te reizen teneinde er door middel van bhakti-yoga, toegewijde dienst, achter te komen wat zijn eeuwige relatie met de Opperheer is.
Er zijn uiteraard mystieke volmaaktheden die de materiële geleerden nog niet weten te evenaren. Zo kan een mystieke yogī bijvoorbeeld door gebruikmaking van de zonnestralen op de zon belanden. Deze volmaaktheid wordt laghima-siddhi genoemd. Ook kan een yogī met zijn vinger de maan aanraken. Hoewel de moderne astronauten zich met ruimtevaartuigen maanwaarts begeven, ontmoeten ze vele moeilijkheden op hun weg, terwijl iemand in het bezit van deze bepaalde mystieke volmaaktheid gewoon zijn hand uitsteekt en met zijn vinger de maan beroert. Deze siddhi wordt prāpti, of verwerving, genoemd. Met deze prāpti-siddhi kan de volmaakte mystieke yogī niet alleen de maan aanraken, maar zijn hand overal heen laten gaan en er alles laten wegnemen wat hij maar wil. Al zit hij duizenden kilometers van de boom vandaan, toch kan hij er zo een vrucht van plukken. Dat wordt prapti-siddhi genoemd.
De hedendaagse geleerden hebben wapens bedacht waarmee ze een onbeduidend deel van deze planeet kunnen verwoesten, maar door middel van de yoga-siddhi, welke men als iśitā kent, kan men louter door zijn wil een hele planeet scheppen of vernietigen.
Met behulp van een andere volmaaktheid, vaśitā, kan men iedereen in zijn macht krijgen; een haast onweerstaanbare hypnose. Soms zien we dat een yogi die een beetje gevorderd is op het gebied van vaśitā de mensen tegemoet treedt, allerlei onzin tot ze praat, hun geest in zijn macht krijgt, ze hun geld afhandig maakt en vervolgens zijns weegs gaat.
Weer een andere mystieke volmaaktheid is prākāmya, toverij. Met prākāmya kan men doen wat men wil. Zo kan men water in zijn oog laten lopen en het dan van binnenuit weer naar buiten laten komen. Louter door zijn wil kan men dit soort fraaie dingen uithalen.
De hoogste volmaaktheid op het gebied van mystieke macht heet kāmāvasāyitā. Dat is eveneens toverij, maar waar men met prākāmya wonderen kan doen binnen de mogelijkheden van de natuur, kan men met kāmāvasāyitā tegen de natuur ingaan. Met andere woorden het onmogelijke presteren. Door zich dergelijke materialistische volmaaktheden op het gebied van de mystieke yoga te verwerven, kan men natuurlijk heel wat tijdelijk geluk genieten.
Dwaas genoeg, denken degenen die in de ban van de schittering van de materialistische vooruitgang zijn, dat de Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn iets voor minder snuggere mensen zou zijn. Ze vinden dat ze beter aan hun materiële genoegen kunnen denken - huis, gezin, seks. Dergelijke mensen beseffen niet dat ze elk ogenblik uit hun materiële situatie geschopt kunnen worden. Uit onwetendheid beseffen ze niet dat het ware leven eeuwig is. Het tijdelijke welzijn van het lichaam is geenszins het echte levensdoel, en het is slechts een teken van de diepste onwetendheid wanneer men zich door de schone schijn van de materiële genoegens laat bekoren.
Srīla Bhaktivinoda Thākura heeft gezegd dat iemand door materiële kennisontwikkeling alleen maar dwazer wordt, omdat hij, aangetrokken door de schone schijn, zijn werkelijke identiteit uit het oog verliest. Hierdoor is hij verdoemd, aangezien de menselijke levensvorm ervoor bedoeld is om zich erin van de stoffelijke besmetting te ontdoen. Door materiële kennisontwikkeling raken de mensen steeds meer in het stoffelijke bestaan verstrikt. Ze zien geen kans om uit deze rampzalige situatie los te komen.
In de Hari-bhakti-sudhodaya wordt verklaard dat Prahlāda Mahārāja, een groot toegewijde van de Heer, als volgt tot Nrsimhadeva (de half leeuw-, half mens-avatāra) bad:
"Lieve Heer, telkens weer bid ik tot Uw lotusvoeten dat ik mag groeien in Uw toegewijde dienst. Ik bid slechts dat mijn Kṛṣṇa-bewustzijn krachtiger en standvastiger worden mag, omdat het geluk dat men van Kṛṣṇa-bewustzijn en toegewijde dienst krijgt zo geweldig is, dat het alle andere volmaaktheden - op het gebied van religie, welstand, zinsbevrediging en zelfs verlossing uit het stoffelijk bestaan - omvat en overtreft."
In werkelijkheid is een zuivere toegewijde totaal niet op het verkrijgen van dergelijke volmaaktheden uit, omdat het geluk dat men ervaart bij de toegewijde dienst in Kṛṣṇa-bewustzijn zo transcendent en grenzeloos is, dat geen andere vorm van geluk de vergelijking ermee kan doorstaan. Het heet dat slechts één druppel Kṛṣṇa-bewust geluk zelfs een oceaan van vreugde die men aan willekeurig welke andere vorm van geluk ontleent in het niet laat zinken. Dus wie maar een vleugje zuivere toegewijde dienst ontwikkelt, heeft er geen enkele moeite mee om zich van alle andere vormen van geluk, ontleend aan religiositeit, welstand, zinsbevrediging en bevrijding, af te wenden.
Er was een groot toegewijde van Heer Caitanya, Kholāvecā Srīdhara genaamd, die het erg arm had. Hij handelde in bakjes, die hij van platanenblad vlocht, en verdiende vrijwel niets. Toch besteedde hij de helft van zijn inkomsten aan het brengen van offers aan de Ganges, terwijl hij van.de andere helft op de een of andere manier in leven bleef. Op een dag openbaarde Heer Caitanya Zich aan deze verheven toegewijde, Kholāvecā Śrīdhara, en zei hem dat hij zich wensen mocht wat hij maar wilde. Srīdhara liet de Heer echter weten dat hij geen enkele stoffelijke rijkdom begeerde. Hij voelde zich heel gelukkig met zijn leven en wilde slechts tot onwankelbare trouw en toewijding aan Heer Caitanya's lotusvoeten geraken. Zo zijn zuivere toegewijden. Als ze de Heer maar vierentwintig uur per etmaal toegewijd kunnen dienen, hebben ze niets meer te wensen, zelfs niet het geluk van de verlossing of van eenwording met het Allerhoogste.
In het Nārada-pāncarātra wordt eveneens bevestigd dat wie ook maar een greintje toegewijde dienst ontwikkeld heeft, geen zier meer geeft om wat voor geluk dan ook, ontleend aan ritualisme, welstand, zinsbevrediging of een van de vijf vormen van verlossing. Het soort geluk voortkomend uit ritualisme, welstand, zinsbevrediging of verlossing mag het hart van een zuivere toegewijde niet eens in beroering brengen. Er wordt gezegd dat zoals de hofdames en dienaressen van de koningin haar vol achting en eerbied volgen, de vreugden van ritualisme, welstand, zinsbevrediging en verlossing het gevolg vormen van de toegewijde dienst aan de Heer. Met andere woorden: het ontbreekt een zuivere toegewijde aan geen enkele vorm van geluk. Hij kent geen ander verlangen dan Kṛṣṇa te dienen en zou hij daarnaast nog andere wensen hebben, dan zou de Heer die ongevraagd vervullen.

De zeldzaamheid van zuivere toegewijde dienst

In de beginfase van het geestelijk leven dienen er verschillende vormen van boete, penitentie en wat dies meer zij te worden betracht, om tot zelfverwerkelijking te komen. Maar zelfs als iemand, die zich hierop toelegt, geen materiële verlangens meer heeft, kan hij nog niet tot toegewijde dienst komen. En ook als men op eigen kracht tot toegewijde dienst wil geraken, hoeft men niet te verwachten dat het gelukken zal, omdat Kṛṣṇa Zijn toegewijde dienst niet zo maar aan iedereen uitdeelt. Kṛṣṇa kan iemand weliswaar al gauw stoffelijk geluk of zelfs verlossing schenken, maar stemt er niet bijster makkelijk in toe om iemand tot Zijn toegewijde dienst toe te laten. Toegewijde dienst kan in feite alleen worden verkregen door de genade van een zuivere toegewijde. De Caitanya-caritāmrta (Madhya 19.151) zegt:
"Door de genade van de geestelijk leraar, die een zuivere toe-gewijde is, en door de genade van Kṛṣṇa kan men het niveau van zuivere toegewijde dienst bereiken. Er is geen andere weg."
Het zeldzaam voorkomen van toegewijde dienst wordt ook bevestigd in de Tantra-śāstra. Daarin zegt Heer Śiva tot Satī:
"Mijn lieve Satī, een fijnzinnig filosoof, die de wegen der kennisverwerving analyseert, kan uit zijn materiële verstriktheid losraken. Door de weg van de Vedische riten te begaan, kan men tot het peil van vrome activiteit verheven worden en daarbij uit en te na genieten van de stoffelijke levensgeneugten. Maar al dit soort moeite kan vrijwel niemand toegewijde dienst aan de Heer opleveren, ook al doet men er duizenden en nog eens duizenden levens lang op deze manier nog zo zijn best voor."
In het Śrīmad-Bhāgavatam bevestigt Prahlāda Mahārāja dat men geenszins op eigen kracht of volgens aanwijzingen van deze of gene autoriteit het peil van toegewijde dienst bereiken kan. Men dient gezegend te worden met de aanraking van het stof van de lotusvoeten van een zuivere toegewijde, die van alle materiële smetten vrij is.
"Waarde vorst, het is Heer Kṛṣṇa, bekend als Mukunda, die de Pāndava's en de Yadu's beschermt. Hij is ook in alle opzichten je geestelijk leraar en onderwijzer. Alleen Hij is je aanbiddenswaardige Heer. Hij is je uiterst toegenegen en bestuurt je hele doen en laten ter wille van jezelf en je hele familie. Bovendien voert Hij soms zelfs een opdracht voor je uit, alsof Hij je loopjongen is| Waarde vorst, hoe bijzonder tref je het, want andere mogen er zelfs niet van dromen dat hun al deze gunsten door de Opperheer geschonken zouden worden."
De strekking van dit vers is dat de Heer makkelijk verlossing schenkt, maar er zelden in toestemt een ziel toegewijde dienst te verlenen, omdat de zuivere toegewijde door zijn dienst de Heer tót zich kan dwingen.

Het geluk ontleend aan éénwording met het Allerhoogste

Śrīla Rūpa Gosvāmī zegt, dat als men brahmānanda, het geluk van de eenwording met het Allerhoogste, zou vertriljoenvoudigen, het nog niet eens de vergelijking met een fractie van het geluk van de oceaan der toegewijde dienst zou kunnen doorstaan.
In de Hari-bhakti-sudhodaya zegt Prahlāda Mahārāja in zijn lof-gebeden tot Heer Nrsimhadeva:
“Lieve Heer van het universum, ik ervaar door Uw aanwezigheid bovenzinnelijke vreugde en ga op in de oceaan van geluk. Ik beschouw nu het brahmānanda-geluk, vergeleken bij deze oceaan van gelukzaligheid, als niet meer dan het plasje water in de hoef-afdruk van een koe."

Ook de Bhāvārtha-dīpikā, het commentaar van Śrīdhara Svāmī op het Srīmad-Bhāgavatam, geeft zo'n verklaring:
"Lieve Heer, sommige gelukkigen die rondzwemmen in de vreugdezee van Uw toegewijde dienst en er de nectar van het indrinken van Uw spel en vermaak genieten, beleven beslist extases die de waarde van het geluk, ontleend aan ritualisme, welstand, zinsbevrediging en verlossing, volkomen teniet doen. Zulke bovenzinnelijke toegewijden zien elke vorm van geluk die niets met toegewijde dienst te maken heeft als nietiger dan een strootje op de weg"

Het aantrekken van Kṛṣṇa

Srīla Rūpa Gosvāmī verklaart dat men met toegewijde dienst zelfs Kṛṣṇa aantrekt. Kṛṣṇa trekt iedereen aan, maar toegewijde dienst trekt Kṛṣṇa aan. Het voorbeeld van de hoogste vorm van toegewijde dienst wordt gegeven door Rādhārānī. Kṛṣṇa wordt Madana-mohana genoemd, hetgeen beduidt dat Hij zelfs de aantrekkelijkheid van de liefdesgod duizenden malen overtreft. Maar Rādhārāņi is nog aantrekkelijker, want Zij kan zelfs Kṛṣṇa aantrekken. Daarom noemen de toegewijden haar Madana-mohana-mohinī - zij die de aantrekker van de liefdesgod aantrekt.
Toegewijde dienst verrichten houdt in dat men het voorbeeld van Rādhārānī volgt, en teneinde tot volmaakte toegewijde dienst te geraken, stellen toegewijden in Vrndāvana zich onder Rādhārāņī's bescherming. Kortom, toegewijde dienst is geen activiteit van de materiële wereld: ze staat rechtstreeks onder toezicht van Rādhārāņī. In de Bhagavad-gītā wordt verklaard dat de mahātmā's, of grote zielen, zich onder de hoede van daivī prakrti, de innerlijke energie - Rādhā-rānī - bevinden. Dus aangezien ze zich onder rechtstreeks toezicht van Zijn innerlijk vermogen bevindt, trekt toegewijde dienst zelfs Kṛṣṇa Zelf aan.
Hij erkent dit in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.14.20):
“Beste Uddhava, je gelieve te weten dat de aantrekkingskracht van de toegewijde dienst die Mijn toegewijden Me bewijzen, uitgaat boven de aantrekking die op Me uitgeoefend wordt door hen die zich bezighouden met mystieke yoga, speculatief denken, het brengen van rituele offers, het onderzoek van de Vedānta, het doen van strenge boete, of het barmhartig wegschenken van hun bezit. Het zijn uiteraard heel fraaie activiteiten, maar ze trekken Me niet zo aan als de bovenzinnelijke liefdedienst van Mijn toegewijden."
Hoe Kṛṣṇa door de toegewijde dienst van Zijn toegewijden aangetrokken raakt, beschrijft Nārada in het Srīmad-Bhāgavatam (7.10.48-49). Hij richt zich daar tot Koning Yudhișthira in een vertoog over de voortreffelijkheid van het karakter van Prahlāda Mahārāja, waar de vorst met graagte naar luistert. Een toegewijde hoort altijd graag van de activiteiten van andere toegewijden. Een zuivere toegewijde vindt zichzelf nooit belangrijk: hij denkt altijd dat andere toegewijden belangrijker zijn dan hij. De vorst dacht: "Prahlāda is een echte toegewijde van de Heer, terwijl ik niets ben". Terwijl Yudhisthira van deze gedachte vervuld was, richtte Nārada zich als volgt tot hem:
"Waarde Koning Yudhișțhira, in deze wereld zijn jullie (de zoons van Pāndu) de enigen die geluk hebben. De Allerhoogste Gods-persoon is op deze planeet verschenen en doet Zich als een gewoon mensenwezen aan je voor. Hij is altijd bij je. Hij gaat op zo'n manier met je om, dat anderen Hem niet als God herkennen. Ze hebben geen idee dat Hij de Opperheer is, terwijl Hij Zich voordoet als je neef, je vriend en zelfs als je loopjongen. Je moet dus wel beseffen dat niemand ter wereld meer geluk heeft dan jij."
Toen Kṛṣṇa in de Bhagavad-gitā Zijn kosmische gedaante openbaarde, bad Arjuna:
"O Kṛṣṇa, ik zag Je altijd aan voor mijn neef en broeder en daardoor heb ik Je op allerlei manieren onachtzaam bejegend en Je gewoon Kṛṣṇa of vriend genoemd. Maar nu zie ik dat Je zo groot bent, dat ik er niets van begrijp."
Dat was de situatie waarin de Pāņdava's zich bevonden: hoewel Kṛṣṇa de Allerhoogste Godspersoon en de grootste onder alle groten is, hield Hij Zich steeds op in het gezelschap van deze koninklijke broers, aangetrokken als Hij was door hun toewijding, vriendschap en liefde. Dat bewijst hoe geweldig de werking van de toegewijde dienst is. Ze kan zelfs de Allerhoogste Godspersoon aantrekken. God is groot, maar toegewijde dienst is groter dan God, omdat ze Hem aantrekt. Wie zich niet in Zijn toegewijde dienst bevindt, zal nooit kunnen bevatten van hoe grote waarde het dienen van de Heer is.