Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 2

De eerste fasen der toewijding

De drie categorieën van toegewijde dienst die Śrīla Rūpa Gosvāmī in de Bhakti-rasāmrta-sindhu beschrijft, zijn toegewijde dienst als oefening, toegewijde dienst in extase en toegewijde dienst in zuivere liefde tot God. Elke categorie kent een aantal afdelingen. In de categorie van toegewijde dienst als oefening onderscheidt men gewoonlijk twee verschillende afdelingen; in toegewijde dienst in extase vier; en in toegewijde dienst in zuivere liefde tot God zes. Śrīla Rūpa Gosvāmī gaat hier later nader op in.
Hij zegt in dit verband dat iemand die tot Kṛṣṇa-bewustzijn of toegewijde dienst nadert, kan worden gekend aan zijn smaak of voorkeur. Hij verklaart dat toegewijde dienst een proces is dat zich voortzet vanuit ons vorige leven. Niemand kan tot toegewijde dienst komen als hij er niet al eerder mee te maken heeft gehad. Stel, dat ik in dit leven tot op zekere hoogte toegewijde dienst verricht. Al doe ik het niet voor de volle honderd procent goed, dan raakt hetgeen ik gedaan heb toch niet verloren. Ik zal dan in mijn volgende leven verder kunnen gaan vanaf het punt waar ik in dit leven gebleven was. Zo is er steeds een voortzetting. Maar zelfs als iemand toevallig geïnteresseerd raakt in het onderricht van een zuivere toegewijde, zonder dat er dus van een voortzetting sprake is, kan hij als leerling worden aangenomen en vooruitgang maken in het beoefenen van de toegewijde dienst. Hoe dan ook is toegewijde dienst makkelijker te verrichten voor personen die er van nature toe geneigd zijn boeken als Bhagavad-gitā en Śrīmad-Bhāgavatam te lezen dan voor hen die zich slechts met eigenzinnig denken en argumenteren bezighouden.
Ter ondersteuning van deze verklaring zijn er vele gezaghebbende uitspraken van grote geleerden uit het verleden. Volgens hun algemene opvatting kan iemand bijvoorbeeld van een bepaalde mening overtuigd raken, die aan zijn eigen denken is ontsproten; dan kan een ander, die er misschien een degelijker logica op nahoudt, zijn conclusie ontkrachten en een nieuwe denkwijze vestigen. Zo is het pad van gedachte en weerlegging nimmer veilig en leidt nooit tot een definitieve slotsom. Daarom raadt het Śrīmad-Bhāgavatam aan dat men op het gezag van de autoriteiten afgaat.
Hierboven is verklaard dat toegewijde dienst in drie categorieën kan worden onderscheiden, namelijk toegewijde dienst als oefening, toegewijde dienst in extase en toegewijde dienst in zuivere liefde tot God. Śrīla Rūpa Gosvāmī gaat er thans toe over de toegewijde dienst als oefening te beschrijven.
Oefening of praktijk betekent dat we onze zinnen gebruiken voor het verrichten van een bepaald soort werk. Daarom houdt deze vorm van toegewijde dienst in dat we onze verschillende zintuigen in dienst van Kṛṣṇa stellen. Sommige zinnen zijn bestemd voor kennisverwerving, andere voor het uitvoeren van de besluiten van ons denken, voelen en willen. Dus deze oefening houdt in dat men zowel de geest als de zinnen in praktische toegewijde dienst inschakelt. Dit oefenen beoogt het bereiken van een natuurlijk doel. Een kind oefent bijvoorbeeld om te kunnen lopen, maar dat lopen is geenszins onnatuurlijk. Het loopvermogen is van oorsprong al in het kind aanwezig, en met een klein beetje oefening begint het al aardig te stappen. Evenzo is toegewijde dienst aan de Heer al instinctmatig in ieder levend wezen aanwezig. Zelfs mensen die nooit met een hogere beschaving in aanraking zijn geweest, brengen hun eerbiedige eerbetuigingen aan de wonderen der natuur en begrijpen dat er achter alle fantastische verschijnselen een hogere orde schuilgaat. Dit besef wordt dus in ieder levend wezen aangetroffen, hoewel het verhuld is bij degenen die materieel besmet zijn. Eenmaal gezuiverd, wordt het Kṛṣṇa-bewustzijn genoemd.
Er zijn bepaalde voorgeschreven methoden voor een zodanig gebruik van onze zinnen en geest, dat onze verborgen liefde voor Kṛṣṇa erdoor gewekt wordt, zoals een kind met een beetje oefenen kan leren lopen. Iemand die van nature geen loopvermogen bezit, zal door oefenen niet kunnen leren lopen. Zo kan ook het Kṛṣṇa-bewustzijn niet louter door oefenen worden gewekt. Dat soort oefenen is onbestaanbaar. Wanneer we ons aangeboren vermogen tot het verrichten van toegewijde dienst willen ontwikkelen, zijn er bepaalde methoden die we kunnen accepteren en beoefenen, waardoor dat verborgen vermogen wordt gewekt. Deze vorm van oefenen heet sādhana-bhakti.
Ieder levend wezen dat zich in de ban van de stoffelijke energie bevindt, wordt geacht in staat van waanzin te verkeren. Het Śrīmad-Bhāgavatam (5.5.1) zegt:

"De gebonden ziel is waanzinnig, omdat ze altijd dingen doet die haar verstrikken en leed berokkenen."

De geestelijke ziel is van oorsprong vrolijk, gelukzalig, eeuwig en vol kennis. Slechts doordat ze in stoffelijke activiteiten verwikkeld is geraakt, is ze ongelukkig, onderworpen aan de tijd en vol onwetendheid. Dat komt door vikarma. Vikarma betekent ongewenste activiteit. Daarom moeten we sādhana-bhakti beoefenen, hetgeen inhoudt dat we 's ochtends vroeg mangala-ārati offeren (de mūrti  eren), bepaalde materiële activiteiten nalaten, de geestelijk leraar eerbetuigingen brengen en tal van regels en bepalingen naleven, die in het vervolg stuk voor stuk besproken zullen worden. Dat zal ons helpen van de waanzin af te komen. Zoals iemand onder leiding van een psychiater van zijn geestesziekte genezen kan worden, geneest deze sādhana-bhakti de gebonden ziel van de waanzin waarin ze door de betovering van māyā, de stoffelijke begoocheling, gevangen is geraakt.
Nārada Muni spreekt in het Śrīmad-Bhāgavatam (7.1.32) over sādhana-bhakti. Hij zegt daar tot Koning Yudhisthira:

"Waarde vorst, men dient zijn geest hoe dan ook op Kṛṣṇa te richten."

Dat wordt Kṛṣṇa-bewustzijn genoemd. Het is de plicht van de ācārya, de geestelijk leraar, de methoden en middelen te vinden waarmee hij de geest van zijn leerling op Krşņa kan afstellen.
Srī Caitanya Mahāprabhu heeft ons hiertoe een gezaghebbende methode geschonken, waarin alles om het chanten van de Hare Krşņa-mantra draait. Dit chanten is zo krachtig, dat het ons terstond aan Krșņa hecht. Dat is het begin van sādhana-bhakti. Men dient hoe dan ook de geest op Krsņa te richten. De grote heilige Ambarīșa Mahārāja vestigde zijn geest op Krsņa, hoewel hij als koning verantwoordelijk was voor zijn land; en wie, zoals hij, zijn geest op Krșņa probeert af te stellen, zal er zeer snel in slagen zijn oorspronkelijke Kṛṣṇa-bewustzijn tot leven te wekken.
Deze sādhana-bhakti, het oefenen in het verrichten van toegewijde dienst, kan in tweeën worden onderverdeeld. Het eerste deel is het naleven van regels en bepalingen in opdracht van de geestelijk leraar of volgens de aanwijzingen van de gezaghebbende Schriften. Er is geen sprake van dat men dit alles naast zich neer kan leggen. Dit wordt vaidhi, of gereguleerd, genoemd. Men dient zich hier onvoorwaardelijk aan te houden. Het andere deel van sādhana-bhakti wordt rāgānugā genoemd. Rāgānugā heeft betrekking op de toestand waarin men door het naleven van regels en bepalingen wat meer aan Kṛṣṇa gehecht raakt en zich met natuurlijke graagte aan het verrichten van toegewijde dienst wijdt. Zo kan iemand in toegewijde dienst de opdracht krijgen 's ochtends vroeg op te staan om ārati te offeren, de mūrti  eer te brengen. In het begin staat men vroeg op en offert ārati, omdat de geestelijk leraar het beveelt, maar later krijgt men een spontaan verlangen om dit te doen. Is dit verlangen gewekt, dan wil men vanzelf de mūrti  opsieren, er allerlei kostuums voor maken en bedenkt men van alles om zijn toegewijde dienst fraai te verrichten. Hoewel dit verlangen zich nog binnen de categorie van het oefenen in toegewijde dienst bevindt, is het verrichten van deze liefdedienst spontaan. Dus het oefenen in toegewijde dienst, sadhana-bhakti, kan in tweeën worden onderscheiden, namelijk gereguleerd en spontaan.
Rūpa Gosvāmi geeft de volgende definitie van het eerste deel der toegewijde dienst, of vaidhi-bhakti:

"Wanneer er sprake is van gehechtheid of spontane liefdedienst aan de Heer en men louter uit gehoorzaamheid aan de geestelijk leraar of aan de Schriften Zijn dienst verricht, heet dit plichtmatige dienen vaidhi-bhakti."
De beginselen van vaidhi-bhakti worden ook beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam (2.1,5), waar Śukadeva Gosvāmī de stervende Pariksit laat weten hoe hij dient te handelen. Mahārāja Parīkșit kwam precies een week vóór zijn dood in aanraking met Śukadeva Gosvāmī en de vorst verkeerde in staat van verwarring, omdat hij niet wist wat hij doen moest nu hij heen zou gaan. Er verschenen ook vele wijzen, maar geen van hen kon hem de juiste aanwijzingen geven. Śukadeva Gosvāmī echter gaf hem de volgende raad:

"Waarde vorst, wilt u geen angst kennen wanneer u over een week uw dood ontmoet (iedereen is immers bang in het doodsuur], dan moet u zich dadelijk gaan oefenen in het luisteren naar verhalen over God, het chanten van Zijn heilige namen en het denken aan Hem."

Als men Hare Kṛṣṇa kan chanten en naar dat chanten luisteren en altijd aan Heer Kṛṣṇa denken, zal men beslist onbevreesd de dood ontmoeten, hetgeen ieder ogenblik gebeuren kan.
In de verklaringen van Śukadeva Gosvāmi wordt gezegd dat de Allerhoogste Godspersoon Kṛṣṇa is. Derhalve raadt Śukadeva Gosvāmī aan dat men altijd verhalen en kennis over Kṛṣṇa moet zien te horen. Hij zegt niet dat men verhalen over de goden moet horen en hun namen chanten. De Māyāvādī's (impersonalisten) zeggen dat men willekeurig wat voor naam kan chanten, of het die van Kṛṣṇa of van zomaar een god is, en dat het allemaal hetzelfde resultaat oplevert. Dat is echter niet waar. Volgens het gezaghebbende Śrīmad-Bhāgavatam dient men alleen over Heer Vișņu (Kṛṣṇa) te horen en Zijn naam te chanten.
Dus Śukadeva Gosvāmī beveelt Mahārāja Parīkșit aan dat hij, wil hij zonder angst de dood in gaan, hoe dan ook verhalen en kennis over de Allerhoogste Godspersoon, Kṛṣṇa, moet horen, Zijn naam chanten en aan Hem denken. Hij vermeldt ook dat de Allerhoogste Godsper-soon sarvātmāis. Sarvātmā betekent de Superziel van iedereen. Kṛṣṇa wordt ook beschreven als iśvara, de Opperbestuurder, die Zich in ieders hart bevindt. Als we dus op de een of andere manier aan Kṛṣṇa gehecht raken, zal Hij ons geheel buiten gevaar brengen. In de Bhagavad-gītā wordt verklaard dat ieder die de Heer toegewijd dient nimmer verloren zal gaan. Anderen echter gaan altijd verloren. "Verloren" betekent dat iemand, hoewel hij zich in de menselijke levensvorm bevindt, waardoor hij een gulden kans heeft om tot geestelijk inzicht en verlossing te komen, zich niet weet te bevrijden uit de ban van wedergeboorte en dood. Zo iemand weet niet waar de wetten der natuur hem zullen doen belanden.
Stel, men ontwikkelt in deze menselijke levensvorm geen Kṛṣṇa-bewustzijn. Dan wordt men teruggeworpen in de kringloop van geboorte en dood binnen de 8.400.000 levenssoorten en moet van zijn geestelijke identiteit vervreemd blijven. Men weet niet of men een plant, een zoogdier, een vogel of wat dan ook zal zijn; zo veel levensvormen zijn er. Rūpa Gosvāmī's aanbeveling dat we ons oorspronkelijk Kṛṣṇa-bewustzijn moeten opwekken houdt in dat we onze geest op de een of andere manier uiterst serieus op Kṛṣṇa dienen te concentreren, waarbij we tegelijk onze angst voor de dood verliezen. We weten niet waar we na de dood naar toe gaan, omdat we volkomen in de ban van de wetten der natuur zijn. Alleen Kṛṣṇa, de Allerhoogste Godspersoon, heeft macht over de natuurwetten. Als we dan ook serieus onze toevlucht bij Hem zoeken, hoeven we niet bang te zijn dat we weer in de kringloop van de zielsverhuizing zullen worden teruggeworpen. Een echte toegewijde wordt beslist naar Kṛṣṇa's koninkrijk overgebracht, verzekert ons de Bhagavad-gitā.
De Padma Purāṇa adviseert dezelfde handelwijze. Daar heet het dat men altijd aan Heer Visnu moet denken. Dit wordt dhyāna-meditatie-genoemd: altijd aan Kṛṣṇa denken. De Padma Purāṇa zegt dat men door meditatie de geest voortdurend op de gedaante van Visnu moet richten en haar geen ogenblik mag vergeten. Zo'n geestestoestand heet samādhi, of trance.
We dienen ons doen en laten steeds zo te regelen, dat we onophoudelijk aan Vişņu, of Kṛṣṇa, kunnen blijven denken. Dat is Kṛṣṇa-bewustzijn. Het doet er niet toe of men zich nu op de gedaante van de vierarmige Vișņu of de tweearmige Kṛṣṇa concentreert. De Padma Purāṇa zegt dat men hoe dan ook, in alle omstandigheden, aan Visnu moet denken. Dat is eigenlijk de belangrijkste van alle regels en bepalingen. Wanneer een meerdere iemand een gebod oplegt, komt er tegelijk een verbodsbepaling bij. Luidt het gebod dat men zich voortdurend Kṛṣṇa dient te heugen, dan luidt het verbod dat men Hem nimmer mag vergeten. In dit eenvoudige gebod met bijbehorend verbod vindt men alle regels en bepalingen allemaal bijeen.
De regels en bepalingen zijn van toepassing op alle en āsrama's, de kasten en geestelijke orden. Er zijn vier varņa's, namelijk die der brāhmana's (priesters en intellectuelen), die der kṣatriya's (militairen  en bestuurders), die der vaiśya’s (zakenlui en boeren) en die der śūdra’s (arbeiders en knechten). Er zijn ook vier āśrama's: brahmacarya (de leerpositie), grhastha (de gehuwde staat), vānaprastha (het teruggetrokken leven) en sannyāsa (algehele verzaking). De regels en bepalingen dienen niet alleen door de brahmacāri's (celibataire leer-lingen) te worden nageleefd, maar door iedereen. Het doet er niet toe of men nu pas begint -brahmacārī- of zeer gevorderd -sannyāsi- is. Iedereen dient zich zonder mankeren aan het beginsel te houden zich de Allerhoogste Godspersoon voortdurend te heugen en Hem geen ogenblik te vergeten.
Wordt deze aanwijzing opgevolgd, dan komt het met alle andere regels en bepalingen vanzelf in orde. Al deze regels en bepalingen behoren als dienaars en helpers van dit ene grondbeginsel te worden beschouwd. De aanwijzingen ten aanzien van regels en bepalingen worden genoemd in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.27.2-3). Camasa Muni, een van de negen wijzen die Koning Nimi kwamen onderrichten, zegt daar tot de vorst:

"De vier maatschappelijke geledingen, te weten de brāhmana's, kṣatriya's, vaisya's en śūdra’s, komen voort uit de verschillende lichaamsdelen van de kosmische gedaante van de Opperheer, en wel als volgt: de brāhmana's uit het hoofd, de kșatriya's uit de armen, de vaiśya’s uit de romp en de śūdra’s uit de benen. Evenzo komen de sannyāsī's uit het hoofd, de vānaprastha's uit de armen, de grhastha's uit de romp en de brahmacāri's uit de benen."
Deze vier maatschappelijke geledingen en de vier fasen van toenemende geestelijke gevorderdheid worden naar hoedanigheid onderscheiden. In de Bhagavad-gitā (IV.13) wordt bevestigd dat de vier maatschappelijke geledingen en de vier geestelijke fasen een instelling van de Heer zijn, bedoeld om de verschillende individuen hun eigen plaats te geven. Zoals de verschillende lichaamsdelen verschillend handelen, hebben ook de maatschappelijke geledingen en geestelijke orden verschillende activiteiten naar aard en functie. Deze activiteiten zijn echter altijd georiënteerd op de Allerhoogste Godspersoon. De Bhagavad-gītā verklaart dat Hij “de hoogste genieter" is. Dus of men nu brāhmaņa of śūdra is, steeds dient men met zijn doen en laten de Opperheer voldoening te schenken. Dit wordt ook door het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.13) bevestigd met de woorden:

"Iedereen dient te werk te gaan overeenkomstig zijn bijzondere functie, maar de mate waarin men zich er goed van kwijt behoort afgelezen te worden aan de mate waarin de Heer er voldoening aan beleeft."

De aanwijzing luidt hier dat men dient te handelen naar gelang zijn positie, waarbij men dan, hetzij de Allerhoogste Godspersoon tevreden stemt, hetzij uit zijn positie ten val komt.
Een brāhmaņa bijvoorbeeld, die uit het hoofd van de Heer geboren is, heeft tot taak de bovenzinnelijke Vedische klanken, śabda-brahman, te laten horen. Omdat de brāhmana het hoofd is, moet hij de bovenzinnelijke klank uitspreken, alsook namens de Opperheer voedsel aannemen. Wanneer een brāhmana eet, zo zeggen de Vedische aan-wijzingen, dient men te begrijpen dat de Godspersoon door hem eet. Het is echter niet zo dat de brāhmana slechts namens de Heer zou moeten eten en tegelijk verzuimen de boodschap van de Bhagavad-gītā aan de wereld te verkondigen. In feite is iemand die de boodschap van de Gītā predikt, zoals de Gītā zelf bevestigt, Kṛṣṇa uiterst dierbaar. Zo'n prediker is feitelijk brāhmaņa, zodat men, door hem voedsel aan te bieden, rechtstreeks de Opperheer voedsel aanbiedt.
De kṣatriya behoort de mensen tegen de aanvallen van māyā te beschermen. Dat is zijn plicht. Toen Mahārāja Parīkșit bijvoorbeeld zag dat een duistere figuur een koe probeerde te doden, greep hij onmiddellijk zijn zwaard om de schurk, die Kali (1) heette, het leven te benemen. Dat is kṣatriya-werk. Men moet soms geweld gebruiken om bescherming te kunnen bieden. In de Bhagavad-gītā beval Heer Kṛṣṇa Arjuna om op het Slagveld Kurukșetra, slechts ter wille van de mensheid in het algemeen, zijn toevlucht tot het gebruik van geweld te nemen.
(1) Niet te verwarren met Kālī, de halfgodin die het verwoestende aspect van de stoffelijke natuur vertegenwoordigt. Haar naam wordt uitgesproken als Kaa-lie, terwijl de onderhavige naam als Kulli klinkt.
De vaisya's behoren landbouwproducten te leveren, ze te verhandelen en rond te brengen. En de arbeiders, de śūdra’s, zijn personen die niet de intelligentie van brāhmaņa's, kṣatriya's of vaiśya’s bezitten: daarom dienen ze deze hogere klassen met lichamelijk werk te helpen. Zo bestaat er volledige samenwerking en ook geestelijke vooruitgang onder al de verschillende geledingen van de samenleving. Is die samenwerking er niet, dan gaat de samenleving te gronde. Dat is de situatie in kali-yuga, de huidige tijd van twist. Niemand doet zijn plicht en iedereen stapt opgeblazen rond als zogenaamde brāhmaņa of kṣatriya. Maar eigenlijk bezitten deze mensen geen enkele status. Ze zijn het contact met de Allerhoogste kwijt, omdat ze niet Kṛṣṇa-bewust zijn. De gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn heeft dan ook als opzet om de ganse menselijke samenleving weer in orde te brengen, zodat iedereen gelukkig kan zijn en zijn voordeel doen kan met de ontwikkeling van zijn Kṛṣṇa-bewustzijn.
Heer Srī Kṛṣṇa maakte het Uddhava duidelijk dat men door zich aan het stelsel van de maatschappelijke en geestelijke orden van de menselijke samenleving te houden, de Allerhoogste Godspersoon voldoening kan schenken, als gevolg waarvan de hele samenleving ruimschoots en moeiteloos van alle levensbenodigdheden wordt voorzien. Dit komt omdat de Allerhoogste Godspersoon immers alle levende wezens in stand houdt. Als de ganse samenleving zich van haar plichten kwijt en in Kṛṣṇa-bewustzijn blijft, lijdt het geen twijfel dat iedereen in vrede en geluk zal leven. Zonder gebrek aan levensbenodigdheden zal de hele wereld veranderen in Vaikuntha, een geestelijke woning. Zelfs al wordt ze niet tot Gods koninkrijk verheven, dan nog zal de menselijke samenleving in alle opzichten gelukkig zijn als ze de aanwijzingen van het Śrīmad-Bhāgavatam naleeft en haar plichten ten aanzien van Kṛṣṇa vervult.
. Elders in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.27.49) staat een vergelijkbare verklaring van Srī Kṛṣṇa Zelf aan Uddhava. De Heer zegt daar:

"Beste Uddhava, alle mensen verrichten activiteiten, of ze nu worden aanbevolen in de geopenbaarde Schriften, of gewoon van de wereld zijn. Als ze Mij met de vruchten van welke activiteit dan ook in Kṛṣṇa-bewustzijn aanbidden, worden ze vanzelf zowel in deze wereld als in de volgende zeer gelukkig. Dat lijdt geen twijfel."

Deze woorden van Kṛṣṇa laten dus weten dat activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn ieders wensen volmaakt in vervulling laten gaan.
De Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn is dus zo bijzonder, dat het nergens voor nodig is om zich als brāhmaņa, kṣatriya, vaisya, śūdra, brahmacārī, grhastha, vānaprastha of sannyāsi te afficheren. Laat iedereen doen wat hij al aan het doen is. Maar laat hem met de vruchten van zijn activiteiten slechts Heer Kṛṣṇa aanbidden. Dat zal alles in het reine brengen, zodat de hele wereld geluk en vrede zal kennen. In het Nārada Pañcarātra worden de regulerende beginselen der toegewijde dienst als volgt beschreven:

"Alle activiteiten, goedgekeurd door de geopenbaarde Schriften, die tot doel hebben de Allerhoogste Godspersoon voldoening te schenken, worden door heilige leraren als de regulerende beginselen der toegewijde dienst aanvaard. Als iemand de Allerhoogste Gods-persoon onder leiding van een bevoegde geestelijk leraar op deze manier strikt dient, stijgt hij geleidelijk op tot het niveau van zuivere liefdedienst aan God."