Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 9
Enkele beginselen van de toegewijde dienst
Verzet tegen het kwaadspreken
Men mag niet dulden dat er kwaad gesproken wordt van de Heer of Zijn toegewijden. In dit verband zegt Śukadeva Gosvāmī in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.74.10) tot Mahārāja Parīksit:
"Waarde vorst, als iemand niet onmiddellijk weggaat wanneer hij de Heer of Zijn toegewijden belasterd hoort worden, raakt hij beroofd van de vruchten van zijn goede werken."
"Waarde vorst, als iemand niet onmiddellijk weggaat wanneer hij de Heer of Zijn toegewijden belasterd hoort worden, raakt hij beroofd van de vruchten van zijn goede werken."
Een van de Śikṣāṣṭaka-gebeden van Heer Caitanya verklaart:
"De toegewijde dient nederiger te zijn dan het gras en verdraagzamer dan een boom. Hij dient verstoken te zijn van valse trots en alle eer aan anderen te geven."
Hoewel Heer Caitanya als toegewijde nederig en zachtmoedig was, stoof hij weg toen hij hoorde dat iemand Śrī Nityānanda had gewond en wilde de euveldoener doden. Deze handelwijze van Heer Caitanya is uiterst veelzeggend. Men ziet eraan dat een Vaișņava, als het om kwaad gaat dat hemzelf wordt aangedaan, uiterst verdraagzaam en deemoedig kan zijn; maar wanneer de eer van Kṛṣṇa of Zijn toegewijden in het geding is, accepteert hij geen enkele belediging.
"De toegewijde dient nederiger te zijn dan het gras en verdraagzamer dan een boom. Hij dient verstoken te zijn van valse trots en alle eer aan anderen te geven."
Hoewel Heer Caitanya als toegewijde nederig en zachtmoedig was, stoof hij weg toen hij hoorde dat iemand Śrī Nityānanda had gewond en wilde de euveldoener doden. Deze handelwijze van Heer Caitanya is uiterst veelzeggend. Men ziet eraan dat een Vaișņava, als het om kwaad gaat dat hemzelf wordt aangedaan, uiterst verdraagzaam en deemoedig kan zijn; maar wanneer de eer van Kṛṣṇa of Zijn toegewijden in het geding is, accepteert hij geen enkele belediging.
Men kan zich op drie manieren tegen zo'n belediging teweerstellen. Als iemand kwaadspreekt, behoort men bekwaam genoeg te zijn om zijn tegenstander met argumenten te verslaan. Als men zijn tegenstander niet weet te vloeren, bestaat de volgende stap eruit dat men niet zomaar kalmpjes blijft staan, maar zijn leven prijsgeeft. De derde mogelijkheid, te volgen wanneer de bovenvermelde wegen niet bewandeld kunnen worden, is dat men dadelijk van de plaats des onheils verdwijnt. Verzuimt de toegewijde een van de drie genoemde maatregelen te nemen, dan komt hij uit de toegewijde dienst ten val.
Tilaka, tulasi-kralensnoer en bloemenkransen
In de Padma Purāṇa wordt beschreven hoe een Vaiṣṇava zijn lichaam met tilaka en een kralensnoer moet tooien:
“Personen die een tulasi-kralensnoer om hun hals dragen, op twaalf plekken op hun lichaam het teken van een Vișņu -tempel aanbrengen, alsook de symbolen van Vișņu [de vier attributen in Heer Vșņu's handen - schelphoorn, knots, werpschijf en lotus], en die Vișņu-tilaka op hun voorhoofd hebben, dienen in deze wereld als Heer Vișņu's toegewijden te worden beschouwd. Hun aanwezigheid loutert de aarde en waar ze ook verschijnen wordt hun omgeving gelijk aan Vaikuņtha."
“Personen die een tulasi-kralensnoer om hun hals dragen, op twaalf plekken op hun lichaam het teken van een Vișņu -tempel aanbrengen, alsook de symbolen van Vișņu [de vier attributen in Heer Vșņu's handen - schelphoorn, knots, werpschijf en lotus], en die Vișņu-tilaka op hun voorhoofd hebben, dienen in deze wereld als Heer Vișņu's toegewijden te worden beschouwd. Hun aanwezigheid loutert de aarde en waar ze ook verschijnen wordt hun omgeving gelijk aan Vaikuņtha."
De Skanda Purāṇa geeft een dergelijke verklaring:
"Mensen die zich tooien met tilaka of gopi-candana [een klei-soort die op voldersaarde lijkt en in een bepaald gedeelte van Vṛndāvana verkregen wordt] en die overal op hun lichaam de heilige namen van de Heer aanbrengen en die om hun hals en op hun borst een tulasi-kralensnoer dragen, worden nimmer door de Yamadūta's benaderd."
De Yamadūta's zijn de handlangers van Koning Yamarāja (de heer des doods), díe alle zondaars straft. Vaișņava's worden nooit door Yama's handlangers opgehaald. In het verhaal van de verlossing van Ajāmila in het Śrīmad-Bhāgavatam (6.3,27) wordt verteld dat Yamarāja zijn helpers duidelijk instrueerde zich niet met Vaisņava's te bemoeien. Vaişņava's vallen buiten het rechtsgebied van de activiteiten van Yamarāja.
"Mensen die zich tooien met tilaka of gopi-candana [een klei-soort die op voldersaarde lijkt en in een bepaald gedeelte van Vṛndāvana verkregen wordt] en die overal op hun lichaam de heilige namen van de Heer aanbrengen en die om hun hals en op hun borst een tulasi-kralensnoer dragen, worden nimmer door de Yamadūta's benaderd."
De Yamadūta's zijn de handlangers van Koning Yamarāja (de heer des doods), díe alle zondaars straft. Vaișņava's worden nooit door Yama's handlangers opgehaald. In het verhaal van de verlossing van Ajāmila in het Śrīmad-Bhāgavatam (6.3,27) wordt verteld dat Yamarāja zijn helpers duidelijk instrueerde zich niet met Vaisņava's te bemoeien. Vaişņava's vallen buiten het rechtsgebied van de activiteiten van Yamarāja.
De Padma Purāṇa verklaart in dit verband:
"Wie zijn lichaam siert met sandelpulp, waarmee hij de heilige naam van de Heer op zijn huid aanbrengt, wordt verlost van de terugslagen van al zijn zonden en gaat na zijn dood rechtstreeks naar Kṛṣṇaloka, teneinde met de Allerhoogste Godspersoon te mogen omgaan."
"Wie zijn lichaam siert met sandelpulp, waarmee hij de heilige naam van de Heer op zijn huid aanbrengt, wordt verlost van de terugslagen van al zijn zonden en gaat na zijn dood rechtstreeks naar Kṛṣṇaloka, teneinde met de Allerhoogste Godspersoon te mogen omgaan."
Het dragen van bloemenkransen
De volgende aanwijzing luidt dat men de bloemenkrans om moet hangen die aan de mūrti geofferd is. In dit verband zegt Uddhava in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.6.46) tot Kṛṣṇa:
"Mijn beste Kṛṣṇa, ik heb alles aangenomen wat Jij gebruikt en genoten hebt, zoals bloemenkransen, heilige dingen, kleren en sieraden, en ik eet alleen wat er op Jouw bord is overgebleven, omdat ik gewoon Je knecht ben. En daarom ben ik er zeker van dat ik niet zal worden aangevallen door de begoocheling van de stoffelijke energie."
De betekenis van dit vers is dat iemand die zich gewoon aan het voorschrift houdt om zijn lichaam met tilaka-tekens van gopi-candana of sandelpulp te versieren en de bloemenkransen omdoet die eerst aan Kṛṣṇa zijn geofferd, nimmer ten prooi zal vallen aan de begoocheling van de stoffelijke energie. Er is geen sprake van dat zo iemand in het doodsuur door de handlangers van Yamarāja zal worden opgewacht. Ook al houdt men zich niet aan alle Vaișņava-regels, maar voedt men zich met wat er van Kṛṣṇa's maaltijd overblijft, Kṛṣṇa-prasāda, dan zal men zich geleidelijk tot het Vaiṣṇava-niveau kunnen verheffen.
"Mijn beste Kṛṣṇa, ik heb alles aangenomen wat Jij gebruikt en genoten hebt, zoals bloemenkransen, heilige dingen, kleren en sieraden, en ik eet alleen wat er op Jouw bord is overgebleven, omdat ik gewoon Je knecht ben. En daarom ben ik er zeker van dat ik niet zal worden aangevallen door de begoocheling van de stoffelijke energie."
De betekenis van dit vers is dat iemand die zich gewoon aan het voorschrift houdt om zijn lichaam met tilaka-tekens van gopi-candana of sandelpulp te versieren en de bloemenkransen omdoet die eerst aan Kṛṣṇa zijn geofferd, nimmer ten prooi zal vallen aan de begoocheling van de stoffelijke energie. Er is geen sprake van dat zo iemand in het doodsuur door de handlangers van Yamarāja zal worden opgewacht. Ook al houdt men zich niet aan alle Vaișņava-regels, maar voedt men zich met wat er van Kṛṣṇa's maaltijd overblijft, Kṛṣṇa-prasāda, dan zal men zich geleidelijk tot het Vaiṣṇava-niveau kunnen verheffen.
Voorts zegt Heer Brahmā in de Skanda Purāņa tot Nārada:
"Beste Nārada, wie de bloemenkrans omdoet die Kṛṣṇa om Zijn hals heeft gehad, wordt van alle ziekten en de terugslagen van zijn kwade doen en laten verlost en raakt geleidelijk van alle stoffelijke smetten gereinigd."
"Beste Nārada, wie de bloemenkrans omdoet die Kṛṣṇa om Zijn hals heeft gehad, wordt van alle ziekten en de terugslagen van zijn kwade doen en laten verlost en raakt geleidelijk van alle stoffelijke smetten gereinigd."
Dansen voor de mūrti
In het Dvārakā-māhātmya beschrijft Heer Kṛṣṇa als volgt hoe belangrijk het is om voor de mūrti te dansen:
"Wie in juichstemming is en diepe toegewijde vervoering beleeft wanneer hij voor Mij danst, en lichamelijke tekenen van extase vertoont, kan zo de opeenhoping van zonden die hij in de loop van duizenden jaren heeft begaan wegvagen."
In hetzelfde werk stelt Nārada:
"Als iemand voor de mūrti danst en in zijn handen klapt en daarbij tekenen van vervoering toont, vliegen alle vogels van zijn kwade doen en laten uit zijn lichaam de hemel in."
Zoals men een troep vogels kan wegjagen door in de handen te klappen, kan men dus ook de vogels van al zijn kwade daden, die in het lichaam wonen, wegjagen door dansend in de handen te klappen voor Kṛṣṇa's mūrti .
"Wie in juichstemming is en diepe toegewijde vervoering beleeft wanneer hij voor Mij danst, en lichamelijke tekenen van extase vertoont, kan zo de opeenhoping van zonden die hij in de loop van duizenden jaren heeft begaan wegvagen."
In hetzelfde werk stelt Nārada:
"Als iemand voor de mūrti danst en in zijn handen klapt en daarbij tekenen van vervoering toont, vliegen alle vogels van zijn kwade doen en laten uit zijn lichaam de hemel in."
Zoals men een troep vogels kan wegjagen door in de handen te klappen, kan men dus ook de vogels van al zijn kwade daden, die in het lichaam wonen, wegjagen door dansend in de handen te klappen voor Kṛṣṇa's mūrti .
Neerbuigen en opstaan ter ere van de mūrti
In de Nāradīya Purāņa staat een uitspraak over het neerbuigen voor de mūrti :
"Iemand die een groot ritueel offer heeft gebracht en iemand die gewoon zijn eerbiedige eerbetuigingen aan de Heer heeft gebracht door voor Hem neer te buigen, kunnen niet als gelijken worden beschouwd."
Iemand die tal van grote offers heeft gebracht, oogst weliswaar de vruchten van zijn vrome werken, maar wanneer ze eenmaal genoten zijn, moet hij op aarde worden wedergeboren; terwijl iemand die de mūrti zijn eerbiedige eerbetuigingen heeft gebracht door voor Hem neer te buigen niet meer in deze wereld terugkeert, aangezien hij rechtstreeks naar Kṛṣṇa's woning gaat.
"Iemand die een groot ritueel offer heeft gebracht en iemand die gewoon zijn eerbiedige eerbetuigingen aan de Heer heeft gebracht door voor Hem neer te buigen, kunnen niet als gelijken worden beschouwd."
Iemand die tal van grote offers heeft gebracht, oogst weliswaar de vruchten van zijn vrome werken, maar wanneer ze eenmaal genoten zijn, moet hij op aarde worden wedergeboren; terwijl iemand die de mūrti zijn eerbiedige eerbetuigingen heeft gebracht door voor Hem neer te buigen niet meer in deze wereld terugkeert, aangezien hij rechtstreeks naar Kṛṣṇa's woning gaat.
Opstaan om de Heer te verwelkomen
In de Brahmāṇḍa Purāṇa wordt gezegd:
"Wanneer iemand tijdens het ratha-yātrā festival de wagen van de Heer ziet en uit respect opstaat, kan hij zo zijn lichaam louteren van allerlei terugslagen van zijn kwade doen en laten."
"Wanneer iemand tijdens het ratha-yātrā festival de wagen van de Heer ziet en uit respect opstaat, kan hij zo zijn lichaam louteren van allerlei terugslagen van zijn kwade doen en laten."
De beeldgedaante volgen
De Bhaviṣya Purāṇa zegt iets dergelijks:
"Iemand die de ratha-yātrā-wagens volgt wanneer de ratha's [mūrti 's] voor of achter hem langsgaan, zal beslist, ook al is hij van lage komaf, verheven worden tot de positie waarin hij de weelde van Visnu geniet."
"Iemand die de ratha-yātrā-wagens volgt wanneer de ratha's [mūrti 's] voor of achter hem langsgaan, zal beslist, ook al is hij van lage komaf, verheven worden tot de positie waarin hij de weelde van Visnu geniet."
Het bezoeken van de tempel van Visnu of bedevaartsplaatsen
In de Purāṇa's wordt verklaard:
"Mensen die een reis naar de heilige pelgrimsoorden ondernemen, zoals Vṛndāvana , Mathurā of Dvārakā, bevinden zich in staat van heerlijkheid. Door hun reisactiviteit kunnen zij de woestijn van het stoffelijk bestaan in haar geheel doorkruisen."
"Mensen die een reis naar de heilige pelgrimsoorden ondernemen, zoals Vṛndāvana , Mathurā of Dvārakā, bevinden zich in staat van heerlijkheid. Door hun reisactiviteit kunnen zij de woestijn van het stoffelijk bestaan in haar geheel doorkruisen."
De Hari-bhakti-sudhodaya bevat een verklaring over het nut van het bezoeken van tempels van Heer Kṛṣṇa. Zoals reeds verklaard, geldt in Vṛndāvana, Mathurā en Dvārakā dat alle toegewijden ter plaatse hun voordeel met de aanwezigheid van de vele tempels moeten doen door ze te bezoeken. De Hari-bhakti-sudhodaya zegt:
"Mensen die in Kṛṣṇa-bewustzijn worden geleid door zuivere toegewijde dienst en in het kader hiervan een bezoek aan de mūrti van Visnu in de tempel brengen, worden voorzeker verlost van de noodzaak om een volgende gevangenschap in een baarmoeder tegemoet te gaan."
De gebonden ziel is geneigd te vergeten hoe ellendig het is om in de baarmoeder te verblijven en hoe pijnlijk en verschrikkelijk de ervaring van de geboorte is. Teneinde aan dit materiële probleem te kunnen ontkomen, wordt men aangeraden in toegewijd bewustzijn een tempel van Viṣṇu te bezoeken. Zo raakt men makkelijk verlost van de ellendige noodzaak om wedergeboren te worden in de stof.
"Mensen die in Kṛṣṇa-bewustzijn worden geleid door zuivere toegewijde dienst en in het kader hiervan een bezoek aan de mūrti van Visnu in de tempel brengen, worden voorzeker verlost van de noodzaak om een volgende gevangenschap in een baarmoeder tegemoet te gaan."
De gebonden ziel is geneigd te vergeten hoe ellendig het is om in de baarmoeder te verblijven en hoe pijnlijk en verschrikkelijk de ervaring van de geboorte is. Teneinde aan dit materiële probleem te kunnen ontkomen, wordt men aangeraden in toegewijd bewustzijn een tempel van Viṣṇu te bezoeken. Zo raakt men makkelijk verlost van de ellendige noodzaak om wedergeboren te worden in de stof.
Het maken van ommegangen om de tempel van Viṣṇu
De Hari-bhakti-sudhodaya zegt:
"Door ommegangen te maken om de mūrti van Vişņu kan men de ommegang van de herhaling van geboorte en dood in deze stoffelijke wereld beëindigen."
De gebonden ziel maakt krachtens haar stoffelijk bestaan voortdurend ommegangen van geboorte naar dood, en ze kan dit gewoon ongedaan maken door ommegangen te maken om de mūrti in de tempel.
"Door ommegangen te maken om de mūrti van Vişņu kan men de ommegang van de herhaling van geboorte en dood in deze stoffelijke wereld beëindigen."
De gebonden ziel maakt krachtens haar stoffelijk bestaan voortdurend ommegangen van geboorte naar dood, en ze kan dit gewoon ongedaan maken door ommegangen te maken om de mūrti in de tempel.
Tijdens de vier maanden van de regentijd in India (ongeveer juni tot oktober) houdt men zich aan het caturmāsya-gebruik. Tijdens deze vier maanden verblijven heilige lieden, die doorgaans van de ene plaats naar de andere reizen om het Kṛṣṇa-bewustzijn te prediken, gewoonlijk gezamenlijk in een bedevaartsoord. Ze houden zich dan strikt aan bepaalde regels en voorschriften. De Skanda Purāṇa verklaart dat iemand die in deze tijd tenminste vier ommegangen om de tempel van Vișņu maakt, het ganse universum doorkruist heet te hebben. Men wordt geacht dan alle heilige plaatsen te hebben bezocht waar het water van de Ganges stroomt, en door de regulerende principes van caturmāsya te volgen kan men zeer snel tot het peil van toegewijde dienst verheven raken.
Het eren van de mūrti in de tempel (arcanā)
Arcanā betekent het eren van de mūrti in de tempel. Door deze activiteit gedraagt men zich niet als lichaam, maar als geestelijke ziel. Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.81.19) vertelt hoe Kṛṣṇa's intieme vriend Sudāmā eens, op weg naar het huis van een brāhmaṇa, bij zichzelf mompelde: "Alleen maar door Kṛṣṇa te aanbidden kan men zich makkelijk alle hemelse weelde verwerven en verlossing, heerschappij over de planetenstelsels van het heelal, alle rijkdom van deze stoffelijke wereld, en de mystieke vermogens van het yoga-stelsel."
Sudāmā kwam als volgt tot zijn geprevelde verklaring: Śrī Kṛṣṇa had Zijn vriend Sudāmā gevraagd bij het huis van een brāhmaņa aan te kloppen om wat eten. Een aantal brāhmaņa’s was daar een groot offer aan het brengen, en Śrī Kṛṣṇa zei dat Sudāmā hun dringend moest voorhouden dat Hij en Balarāma honger hadden en wat moesten eten.
Toen Sudāmā dit verzoek aan de brāhmaņa's overbracht, gaven ze hem niets, maar toen hun vrouwen hoorden dat Śrī Kṛṣṇa wat wilde eten, kwamen ze dadelijk met allerlei lekkere hapjes aanlopen en begaven zich naar Kṛṣṇa om Hem alles eigenhandig te offeren.
Verder wordt in het Visnu-rahasya verklaard:
"Wie in deze wereld Vișņu eert, verwerft zich uiterst makkelijk toegang tot het immer gelukzalige koninkrijk van God, dat men kent als Vaikuntha."
Toen Sudāmā dit verzoek aan de brāhmaņa's overbracht, gaven ze hem niets, maar toen hun vrouwen hoorden dat Śrī Kṛṣṇa wat wilde eten, kwamen ze dadelijk met allerlei lekkere hapjes aanlopen en begaven zich naar Kṛṣṇa om Hem alles eigenhandig te offeren.
Verder wordt in het Visnu-rahasya verklaard:
"Wie in deze wereld Vișņu eert, verwerft zich uiterst makkelijk toegang tot het immer gelukzalige koninkrijk van God, dat men kent als Vaikuntha."
Het dienen van de Heer
Het Viṣṇu-rahasy verklaart:
"Als iemand in staat is de Heer even luisterrijk te laten dienen als een koning door zijn dienaren wordt gediend, wordt hij na zijn dood beslist naar Kṛṣṇa's woning overgebracht."
In India zijn de tempels in feite als koningspaleizen. Het zijn geen gewone gebouwen, aangezien de eredienst aan Kṛṣṇa van het niveau dient te zijn waarop een vorst in zijn paleis gediend wordt. Zo vindt men in Vṛndāvana vele honderden tempels waarin de mūrti precies als een koning wordt geëerd. In de Nāradiya Purana wordt gezegd:
"Als iemand ook maar even in de tempel van de Heer verblijft, kan hij zich zeker toegang tot Gods bovenzinnelijk koninkrijk verwerven."
"Als iemand in staat is de Heer even luisterrijk te laten dienen als een koning door zijn dienaren wordt gediend, wordt hij na zijn dood beslist naar Kṛṣṇa's woning overgebracht."
In India zijn de tempels in feite als koningspaleizen. Het zijn geen gewone gebouwen, aangezien de eredienst aan Kṛṣṇa van het niveau dient te zijn waarop een vorst in zijn paleis gediend wordt. Zo vindt men in Vṛndāvana vele honderden tempels waarin de mūrti precies als een koning wordt geëerd. In de Nāradiya Purana wordt gezegd:
"Als iemand ook maar even in de tempel van de Heer verblijft, kan hij zich zeker toegang tot Gods bovenzinnelijk koninkrijk verwerven."
De conclusie van het voorgaande luidt dat de rijken in de samenleving mooie tempels moeten bouwen en een rijke eredienst aan Vişņu moeten arrangeren, opdat iedereen zich tot een bezoek aan zulke tempels aangetrokken zal voelen en zo de kans krijgt om voor de Heer te dansen of Zijn heilige naam te zingen of de heilige naam te horen. Zo kan iedereen naar Gods koninkrijk worden bevorderd. Als nu zelfs al een gewoon mens door een bezoek aan zo'n tempel de hoogste zegen kan ontvangen, wat zullen dan de toegewijden niet verkrijgen die onophoudelijk in volledig Kṛṣṇa-bewustzijn de Heer dienen?
In dit verband verklaart het Śrīmad-Bhāgavatam (4.21.31) bij monde van Koning Pṛthu, sprekend tot zijn onderdanen: "Beste landgenoten, jullie gelieven te weten dat de Allerhoogste Godspersoon, Hari, alle gevallen en gebonden zielen werkelijk verlost. Geen enkele god weet dat voor de gebonden zielen te doen, want de goden zijn zelf gebonden. De ene gebonden ziel kan de andere gebonden ziel niet verlossen. Dat kan alleen Kṛṣṇa of Zijn bevoegde vertegenwoordiger. Het water van de Ganges, dat uit de teen van Heer Vișņu tevoorschijn stroomt, buitelt neer op de aarde en andere planeten en verlost zo alle gebonden zondige wezens. Dus waarom moeten we nog spreken over de verlossing van mensen die de Heer onophoudelijk dienst bewijzen? Het lijdt geen twijfel dat zij al verlost zijn, ook al hebben ze in vele vorige levens massa's zonden begaan."
Dus wanneer men de mūrti 's dient, kan men hierdoor de opeenhoping van terugslagen van zijn zondige activiteiten van vele vroegere levens tot niets terugbrengen. Hoe het eren van de mūrti in zijn werk gaat, is al beschreven, en men dient te proberen zich serieus aan de desbetreffende regels en bepalingen te houden.
Dus wanneer men de mūrti 's dient, kan men hierdoor de opeenhoping van terugslagen van zijn zondige activiteiten van vele vroegere levens tot niets terugbrengen. Hoe het eren van de mūrti in zijn werk gaat, is al beschreven, en men dient te proberen zich serieus aan de desbetreffende regels en bepalingen te houden.
Het bezingen van de heerlijkheid van de Heer
De Lińga Purāṇa doet een uitspraak over het verheerlijken van de Heer en het zingen van Zijn naam:
"Een brāhmaṇa die zich voortdurend bezighoudt met het bezingen van de heerlijkheid van de Heer wordt beslist verheven tot de planeet waarop de Allerhoogste Godspersoon verblijft. Heer Kṛṣṇa waardeert dit zingen nog meer dan de gebeden die Heer Śiva aan Hem opzendt."
"Een brāhmaṇa die zich voortdurend bezighoudt met het bezingen van de heerlijkheid van de Heer wordt beslist verheven tot de planeet waarop de Allerhoogste Godspersoon verblijft. Heer Kṛṣṇa waardeert dit zingen nog meer dan de gebeden die Heer Śiva aan Hem opzendt."
Sankirtana
Het luidop bezingen van de heerlijkheid van het doen en laten van de Heer, Zijn eigenschappen, gedaanten enz., wordt saṅkīrtana genoemd. S Saṅkīrtana heeft ook betrekking op het gemeenschappelijk chanten van de heilige namen van de Heer.
Het Viṣṇu-dharma bevat een passage waarin deze weg van het gemeenschappelijk chanten wordt verheerlijkt:
"Waarde vorst, het woord ' Kṛṣṇa' is zo heilrijk, dat wie deze heilige naam chant dadelijk verlost wordt van de terugslagen van zijn zonden van vele vroegere levens."
Dat is een feit. Het Caitanya-caritāmṛta zegt:
"Wanneer iemand de heilige naam van Kṛṣṇa chant, kan hij daarmee de terugslagen van meer zonden dan hij kan begaan tot niets terugbrengen."
Een zondig mens kan zeer veel kwaad doen, maar toch weer niet zóveel, dat het niet kan worden weggevaagd door eenmaal de naam ' Kṛṣṇa' uit te spreken.
"Waarde vorst, het woord ' Kṛṣṇa' is zo heilrijk, dat wie deze heilige naam chant dadelijk verlost wordt van de terugslagen van zijn zonden van vele vroegere levens."
Dat is een feit. Het Caitanya-caritāmṛta zegt:
"Wanneer iemand de heilige naam van Kṛṣṇa chant, kan hij daarmee de terugslagen van meer zonden dan hij kan begaan tot niets terugbrengen."
Een zondig mens kan zeer veel kwaad doen, maar toch weer niet zóveel, dat het niet kan worden weggevaagd door eenmaal de naam ' Kṛṣṇa' uit te spreken.
In het Śrīmad-Bhāgavatam(7.9.18) zendt Mahārāja Prahlāda de volgende gebeden op tot de Heer:
“Lieve Heer Nṛsiṁha, als ik tot het niveau van Uw dienaar mag worden bevorderd, zal ik kunnen horen wat U allemaal doet. U bent de allerhoogste vriend, de allerhoogste godheid die men eren moet. Uw spel en vermaak is bovenzinnelijk en louter door te luisteren naar wat erover wordt verteld, kan men de terugslagen van al zijn zonden tenietdoen. Daarom maak ik me er niet druk meer over, omdat ik alleen maar door naar de verhalen over Uw spel en vermaak te luisteren volkomen bevrijd zal worden van de besmetting van mijn gehechtheid aan de stof."
“Lieve Heer Nṛsiṁha, als ik tot het niveau van Uw dienaar mag worden bevorderd, zal ik kunnen horen wat U allemaal doet. U bent de allerhoogste vriend, de allerhoogste godheid die men eren moet. Uw spel en vermaak is bovenzinnelijk en louter door te luisteren naar wat erover wordt verteld, kan men de terugslagen van al zijn zonden tenietdoen. Daarom maak ik me er niet druk meer over, omdat ik alleen maar door naar de verhalen over Uw spel en vermaak te luisteren volkomen bevrijd zal worden van de besmetting van mijn gehechtheid aan de stof."
Er zijn veel zangen en liederen die de activiteiten van de Heer ver-heerlijken. We kennen bijvoorbeeld de Brahma-samhitā, gezongen door Heer Brahmā, het Nārada-pancarātra, gezongen door Nārada Muni en het Śrīmad-Bhāgavatam, gezongen door Śukadeva Gosvāmī. Als iemand ze hoort reciteren, komt hij makkelijk los uit de greep van de materiële besmetting. Het moet geen probleem zijn om naar deze zangen te luisteren. Ze komen tot ons uit een tijd die vele miljoenen jaren achter ons ligt en de mensen doen er nog steeds hun voordeel mee, dus waarom zouden wij er nu niet ons voordeel mee doen en zo verlost raken?
In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.5.22) zegt Nārada Muni tot zijn leerling Vyāsadeva:
"Mijn beste Vyāsa, weet dat mensen die zich bezighouden met boete doen, het bestuderen van de Veda's, het brengen van grote offers, het reciteren van de Vedische zangen, filosoferen over de bovenzinnelijke kennis en het doen van barmhartigheid, weliswaar gunstig bezig zijn, maar zich beter een plaats kunnen verschaffen in de kring van toegewijden om met hen de heerlijkheid van de Heer te bezingen."
Hier wordt dus aangeduid dat het verheerlijken van de Heer de hoogste activiteit van het levend wezen is.
"Mijn beste Vyāsa, weet dat mensen die zich bezighouden met boete doen, het bestuderen van de Veda's, het brengen van grote offers, het reciteren van de Vedische zangen, filosoferen over de bovenzinnelijke kennis en het doen van barmhartigheid, weliswaar gunstig bezig zijn, maar zich beter een plaats kunnen verschaffen in de kring van toegewijden om met hen de heerlijkheid van de Heer te bezingen."
Hier wordt dus aangeduid dat het verheerlijken van de Heer de hoogste activiteit van het levend wezen is.
Japa
Wanneer een mantra zachtjes en langzaam wordt uitgesproken, heet dat japa. Wordt dezelfde mantra luid gechant, dan heet dat kīrtana. Wanneer bijvoorbeeld de mahā-mantra
hare Kṛṣṇa hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa hare hare
hare rāma hare rāma rāma rāma hare hare
zo zacht wordt uitgesproken, dat men hem alleen zelf kan horen, dan heet dat japa. Wordt dezelfde mantra luid gezongen, zodat iedereen hem kan horen, dan wordt dat kīrtana genoemd. De mahā-mantra kan zowel worden gebruikt voor japa als voor kīrtana. Beoefent men japa, dan heeft de chanter daar persoonlijk voordeel van, maar doet men kīrtana, dan komt dat ten goede aan iedereen die het hoort.
hare Kṛṣṇa hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa hare hare
hare rāma hare rāma rāma rāma hare hare
zo zacht wordt uitgesproken, dat men hem alleen zelf kan horen, dan heet dat japa. Wordt dezelfde mantra luid gezongen, zodat iedereen hem kan horen, dan wordt dat kīrtana genoemd. De mahā-mantra kan zowel worden gebruikt voor japa als voor kīrtana. Beoefent men japa, dan heeft de chanter daar persoonlijk voordeel van, maar doet men kīrtana, dan komt dat ten goede aan iedereen die het hoort.
De Padma Purāṇa verklaart:
"Voor ieder die de heilige naam, hetzij luid, hetzij zachtjes chant, ligt onmiddellijk de weg naar zijn verlossing open, terwijl zelfs het hemelse geluk hem wacht."
"Voor ieder die de heilige naam, hetzij luid, hetzij zachtjes chant, ligt onmiddellijk de weg naar zijn verlossing open, terwijl zelfs het hemelse geluk hem wacht."
Onderwerping
In de Skanda Purāṇa vindt men een uitspraak betreffende overgave aan de lotusvoeten van de Heer. Het heet daar dat ingetogen toegewijden Kṛṣṇa op de volgende drie wijzen hun overgave kunnen schenken:
1) samprārthanātmika: door vol gevoel voor Hem te bidden;
2) dainyavodhikā: door zich nederig tot Zijn beschikking te stellen;
3) lālasāmayī: door naar een van de vormen van volmaaktheid te streven.
Het verlangen om een bepaalde vorm van volmaaktheid te bereiken in het geestelijk leven mag niet als zinsbevrediging worden beschouwd. Ontvangt iemand enige realisatie van zijn wezenlijke relatie met de Allerhoogste Godspersoon, dan begrijpt hij wat zijn oorspronkelijke positie is en wil die dan weer terug, als vriend, dienaar, ouder of geliefde van Kṛṣṇa. Dat noemt men lālasāmayī of het vurig verlangen om in zijn oorspronkelijke toestand terug te keren. Het lālasāmayi-niveau van overgave valt samen met volmaakte verlossing, welke technisch wordt aangeduid als svarūpa-siddhi: het levend wezen begrijpt dan, krachtens zijn volmaakte geestelijke gevorderdheid, door openbaring, wat zijn oorspronkelijke relatie met de Heer is.
1) samprārthanātmika: door vol gevoel voor Hem te bidden;
2) dainyavodhikā: door zich nederig tot Zijn beschikking te stellen;
3) lālasāmayī: door naar een van de vormen van volmaaktheid te streven.
Het verlangen om een bepaalde vorm van volmaaktheid te bereiken in het geestelijk leven mag niet als zinsbevrediging worden beschouwd. Ontvangt iemand enige realisatie van zijn wezenlijke relatie met de Allerhoogste Godspersoon, dan begrijpt hij wat zijn oorspronkelijke positie is en wil die dan weer terug, als vriend, dienaar, ouder of geliefde van Kṛṣṇa. Dat noemt men lālasāmayī of het vurig verlangen om in zijn oorspronkelijke toestand terug te keren. Het lālasāmayi-niveau van overgave valt samen met volmaakte verlossing, welke technisch wordt aangeduid als svarūpa-siddhi: het levend wezen begrijpt dan, krachtens zijn volmaakte geestelijke gevorderdheid, door openbaring, wat zijn oorspronkelijke relatie met de Heer is.
In de Padma Purāṇa verklaart een toegewijde in een gebed tot de Heer:
“O Heer, het is bekend dat het hart van meisjes van nature naar jongens uitgaat en andersom. Ik bid tot Uw lotusvoeten dat mijn hart even spontaan naar U mag uitgaan."
Dit is een zeer toepasselijk voorbeeld. Wanneer een jongen of meisje een lid van het andere geslacht ziet, ontstaat er vanzelf een gevoel van aantrekking zonder dat daar verder wat aan voorafgaat. Deze aantrekking is niet aangeleerd, maar ontstaat vanzelf uit de seksuele drang. Dit is weliswaar een materieel voorbeeld, maar de toegewijde gebruikt het in zijn geestelijk gebed, waarin hij vraagt of hij net zo spontaan tot de Opperheer aangetrokken mag raken, zonder daarbij naar voordeel of wat dan ook te verlangen. Deze spontane aantrekking tot de Heer kenmerkt het volmaakte niveau van zelfverwerkelijking.
“O Heer, het is bekend dat het hart van meisjes van nature naar jongens uitgaat en andersom. Ik bid tot Uw lotusvoeten dat mijn hart even spontaan naar U mag uitgaan."
Dit is een zeer toepasselijk voorbeeld. Wanneer een jongen of meisje een lid van het andere geslacht ziet, ontstaat er vanzelf een gevoel van aantrekking zonder dat daar verder wat aan voorafgaat. Deze aantrekking is niet aangeleerd, maar ontstaat vanzelf uit de seksuele drang. Dit is weliswaar een materieel voorbeeld, maar de toegewijde gebruikt het in zijn geestelijk gebed, waarin hij vraagt of hij net zo spontaan tot de Opperheer aangetrokken mag raken, zonder daarbij naar voordeel of wat dan ook te verlangen. Deze spontane aantrekking tot de Heer kenmerkt het volmaakte niveau van zelfverwerkelijking.
Deze Padma Purāṇa bevat een uitspraak betreffende overgave en nederigheid. Ze luidt:
"Lieve Heer, onder alle levende wezens bestaat er geen groter zondaar dan ik, noch heeft iemand grotere overtredingen begaan. Ik ben zo slecht en zondig, dat ik me schaam om het U allemaal te bekennen."
Dat is de natuurlijke houding van de toegewijde. Het is hoe dan ook de gewoonste zaak van de wereld dat de gebonden ziel in het verleden zonden bedreven heeft, en dat dient ze te erkennen en aan de Heer op te biechten. Wanneer een oprechte toegewijde dat doet, schenkt de Heer hem vergeving. Dit houdt echter niet in dat hij steeds maar op de grondeloze genade van de Heer moet rekenen, ervan uitgaand dat hij steeds maar weer dezelfde zonden kan begaan in de gedachte dat hij daarvoor vanzelf vergiffenis ontvangt. Dat is een schaamteloze mentaliteit. Hier wordt duidelijk gezegd: "Ik schaam me om mijn zonden te bekennen." Dus als men zich niet voor zijn zondig doen en laten schaamt en steeds maar hetzelfde kwaad blijft bedrijven in de gedachte dat de Heer het wel vergeven zal, is dat hoogst onzinnig. Nergens in de Vedische schriften wordt zo'n houding gebillijkt. Het is weliswaar een feit dat men door het chanten van de heilige naam van de Heer schoongewassen wordt van alle vroeger begane zondige activiteiten, maar dat betekent niet dat men, eenmaal gereinigd, maar weer kan gaan zondigen in de verwachting dat men opnieuw zal worden schoongewassen. Dat getuigt allemaal van een onzinnige instelling, die in de toegewijde dienst ongepast is. Misschien denkt men wel: "De hele week kan ik zondig leven, en dan ga ik één dag naar de tempel of de kerk. Dan biecht ik mijn euveldaden op om gereinigd te worden en kan ik weer met zondigen beginnen." Dat is hoogst onzinnig en stuitend, en de auteur van de Bhakti-rasāmrta-sindhu wijst zo'n houding vierkant af.
"Lieve Heer, onder alle levende wezens bestaat er geen groter zondaar dan ik, noch heeft iemand grotere overtredingen begaan. Ik ben zo slecht en zondig, dat ik me schaam om het U allemaal te bekennen."
Dat is de natuurlijke houding van de toegewijde. Het is hoe dan ook de gewoonste zaak van de wereld dat de gebonden ziel in het verleden zonden bedreven heeft, en dat dient ze te erkennen en aan de Heer op te biechten. Wanneer een oprechte toegewijde dat doet, schenkt de Heer hem vergeving. Dit houdt echter niet in dat hij steeds maar op de grondeloze genade van de Heer moet rekenen, ervan uitgaand dat hij steeds maar weer dezelfde zonden kan begaan in de gedachte dat hij daarvoor vanzelf vergiffenis ontvangt. Dat is een schaamteloze mentaliteit. Hier wordt duidelijk gezegd: "Ik schaam me om mijn zonden te bekennen." Dus als men zich niet voor zijn zondig doen en laten schaamt en steeds maar hetzelfde kwaad blijft bedrijven in de gedachte dat de Heer het wel vergeven zal, is dat hoogst onzinnig. Nergens in de Vedische schriften wordt zo'n houding gebillijkt. Het is weliswaar een feit dat men door het chanten van de heilige naam van de Heer schoongewassen wordt van alle vroeger begane zondige activiteiten, maar dat betekent niet dat men, eenmaal gereinigd, maar weer kan gaan zondigen in de verwachting dat men opnieuw zal worden schoongewassen. Dat getuigt allemaal van een onzinnige instelling, die in de toegewijde dienst ongepast is. Misschien denkt men wel: "De hele week kan ik zondig leven, en dan ga ik één dag naar de tempel of de kerk. Dan biecht ik mijn euveldaden op om gereinigd te worden en kan ik weer met zondigen beginnen." Dat is hoogst onzinnig en stuitend, en de auteur van de Bhakti-rasāmrta-sindhu wijst zo'n houding vierkant af.
Het Nārada Pañcarātra bevat een verklaring waaruit overgave en het verlangen naar volmaaktheid spreken. De toegewijde zegt:
"Lieve Heer, wanneer zal de dag daar zijn waarop U me vraagt om Uw lichaam koelte toe te wuiven en terloops tegen me zegt: 'Waaier me een beetje meer hier'?"
Het gaat er in dit vers om dat de toegewijde het lichaam van de Aller-hoogste Godspersoon eigenhandig koelte wil toewuiven. Hieruit spreekt dat hij persoonlijk met de Opperheer wil omgaan. Uiteraard heeft elke toegewijde, in welke relatie ook, als dienaar, vriend of geliefde, altijd rechtstreeks omgang met de Heer, maar naar gelang zijn individuele smaak heeft iedereen voorkeur voor één speciale relatie. Ik ben zo slecht en zondig, dat ik me schaam om het U allemaal te bekennen."
Het gaat er in dit vers om dat de toegewijde het lichaam van de Aller-hoogste Godspersoon eigenhandig koelte wil toewuiven. Hieruit spreekt dat hij persoonlijk met de Opperheer wil omgaan. Uiteraard heeft elke toegewijde, in welke relatie ook, als dienaar, vriend of geliefde, altijd rechtstreeks omgang met de Heer, maar naar gelang zijn individuele smaak heeft iedereen voorkeur voor één speciale relatie. Ik ben zo slecht en zondig, dat ik me schaam om het U allemaal te bekennen."
"Lieve Heer, wanneer zal de dag daar zijn waarop U me vraagt om Uw lichaam koelte toe te wuiven en terloops tegen me zegt: 'Waaier me een beetje meer hier'?"
Het gaat er in dit vers om dat de toegewijde het lichaam van de Aller-hoogste Godspersoon eigenhandig koelte wil toewuiven. Hieruit spreekt dat hij persoonlijk met de Opperheer wil omgaan. Uiteraard heeft elke toegewijde, in welke relatie ook, als dienaar, vriend of geliefde, altijd rechtstreeks omgang met de Heer, maar naar gelang zijn individuele smaak heeft iedereen voorkeur voor één speciale relatie. Ik ben zo slecht en zondig, dat ik me schaam om het U allemaal te bekennen."
Het gaat er in dit vers om dat de toegewijde het lichaam van de Aller-hoogste Godspersoon eigenhandig koelte wil toewuiven. Hieruit spreekt dat hij persoonlijk met de Opperheer wil omgaan. Uiteraard heeft elke toegewijde, in welke relatie ook, als dienaar, vriend of geliefde, altijd rechtstreeks omgang met de Heer, maar naar gelang zijn individuele smaak heeft iedereen voorkeur voor één speciale relatie. Ik ben zo slecht en zondig, dat ik me schaam om het U allemaal te bekennen."
Eveneens in het Nārada-pāncarātra vinden we de volgende uiting van onderworpenheid:
"Lieve Heer, o Lotusoog, wanneer zal de dag daar zijn dat ik aan de oever van de Yamunā dol word en onophoudelijk Uw heilige naam blijf chanten terwijl de tranen me uit de ogen stromen?"
Dit beschrijft een andere vorm van volmaaktheid. Heer Caitanya had het er ook over:
"O Govinda, één ogenblik komt mij als een yuga voor en de hele wereld als één grote leegte, zolang ik U niet voor me zie, o lieve Heer."
Men dient in deze trant met intens gevoel te bidden en er vurig naar te verlangen de Heer zijn bijzondere dienst te bewijzen. Zo leren alle grote toegewijden het ons, met name Heer Caitanya.
"Lieve Heer, o Lotusoog, wanneer zal de dag daar zijn dat ik aan de oever van de Yamunā dol word en onophoudelijk Uw heilige naam blijf chanten terwijl de tranen me uit de ogen stromen?"
Dit beschrijft een andere vorm van volmaaktheid. Heer Caitanya had het er ook over:
"O Govinda, één ogenblik komt mij als een yuga voor en de hele wereld als één grote leegte, zolang ik U niet voor me zie, o lieve Heer."
Men dient in deze trant met intens gevoel te bidden en er vurig naar te verlangen de Heer zijn bijzondere dienst te bewijzen. Zo leren alle grote toegewijden het ons, met name Heer Caitanya.
Kortom, men moet leren huilen voor de Heer. Men dient zich dit eenvoudige vermogen eigen te maken en uit vurig verlangen werkelijk huilend te smeken om een bepaalde vorm van dienst te mogen verrichten. Dat verlangen wordt laulya genoemd en de gewenste tranen zijn de prijs voor de hoogste volmaaktheid. Ontwikkelt men dit laulya of buitengewone verlangen om de Heer te ontmoeten en Hem op een speciale manier te dienen, dan is dat de prijs waarvoor men toegelaten wordt in het koninkrijk van God. Er is geen enkele materiële manier waarop men de toegangsprijs tot Gods koninkrijk kan betalen. Deze prijs voldoet men slechts door laulyar lalasāmayi- door begeerte en vurig verlangen.
Gebeden
Volgens grote geleerden bevat de Bhagavad-gitā tal van voorbeeldige gebeden, vooral in het elfde hoofdstuk, waarin Arjuna zich tot de kosmische gedaante van de Heer richt. Elk vers van het Gautamiya Tantra wordt eveneens een gebed genoemd. Ook het Śrīmad-Bhāgavatam bevat honderden gebeden aan de Heer. Een toegewijde doet er goed aan een aantal van deze gebeden uit te zoeken om ze geregeld op te zeggen. De Skanda Purāṇa bezingt de heerlijkheid van deze gebeden als volgt:
"Toegewijden wier tong altijd verlucht is met gebeden tot Heer Kṛṣṇa worden zelfs door grote heiligen en wijzen met eerbied bejegend; zelfs de goden kunnen hun eer brengen."
"Toegewijden wier tong altijd verlucht is met gebeden tot Heer Kṛṣṇa worden zelfs door grote heiligen en wijzen met eerbied bejegend; zelfs de goden kunnen hun eer brengen."
Minder intelligente mensen willen liever tot allerlei goden bidden, ter wille van materieel voordeel, dan Kṛṣṇa te eren. Maar hier wordt verklaard dat een toegewijde die onophoudelijk gebeden tot de Heer opzendt zelfs door deze goden zelf geëerd kan worden. Zuivere toegewijden hoeven geen enkele god iets te verzoeken, terwijl daarentegen de goden ernaar verlangen zich met gebeden tot de zuivere toegewijden te richten.
In de Nṛsiṁha Purāṇa wordt verklaard:
"Wie voor de mūrti van Heer Kṛṣṇa verschijnt en allerlei gebeden begint te zeggen, wordt dadelijk verlost van de terugslagen van al zijn zondig doen en laten en mag zonder twijfel ingaan tot Vaikuṇṭha-loka."
"Wie voor de mūrti van Heer Kṛṣṇa verschijnt en allerlei gebeden begint te zeggen, wordt dadelijk verlost van de terugslagen van al zijn zondig doen en laten en mag zonder twijfel ingaan tot Vaikuṇṭha-loka."
Het nuttigen van prasāda
De Padma Purāṇa doet deze bijzondere uitspraak:
"Wie de prasāda eer aandoet en er regelmatig van eet, zij het niet recht voor de mūrti , en daarbij caraņāmrta drinkt [water vermengd met tulasi-blaadjes, geofferd aan de lotusvoeten van de Heer], kan daarmee een resultaat bereiken dat gelijk staat aan dat van het brengen van tienduizend rituele offers."
"Wie de prasāda eer aandoet en er regelmatig van eet, zij het niet recht voor de mūrti , en daarbij caraņāmrta drinkt [water vermengd met tulasi-blaadjes, geofferd aan de lotusvoeten van de Heer], kan daarmee een resultaat bereiken dat gelijk staat aan dat van het brengen van tienduizend rituele offers."
Het drinken van Caraṇāmṛta
Men krijgt het caraņāmrta 's ochtends wanneer de Heer gewassen wordt voordat men Hem aankleedt. Geurig van reukolie en bloemen, stroomt het water langs Zijn lotusvoeten van Zijn lichaam af, wordt opgevangen en met yoghurt vermengd. Zo krijgt het caraņāmrta niet alleen een heerlijke smaak, maar ook immense geestelijke waarde. In de Padma Purana wordt beschreven dat iemand die nog nooit barmhartigheid heeft kunnen doen, nooit een groot offer heeft kunnen brengen, nooit de Veda's heeft kunnen bestuderen, nooit de Heer heeft kunnen eren - dus iemand die nooit vrome werken heeft kunnen doen -, indien hij slechts van het caraņāmrta drinkt dat in de tempel wordt bewaard, mag teruggaan naar Gods koninkrijk. Het caranāmrta wordt in de tempel gewoonlijk bewaard in een grote kom. Toegewijden die op tempelbezoek gaan en hun eerbiedige eerbetuigingen aan de mūrti brengen, nemen in alle nederigheid drie druppels caraņāmrta en voelen zich als gevolg daarvan bovenzinnelijk voldaan.
Het opsnuiven van de wierookgeur
De Hari-bhakti-sudhodaya bevat een uitspraak over de wierook die in de tempel geofferd wordt:
"Wanneer de toegewijden de heerlijke geur ruiken van de wierook die aan de mūrti geofferd wordt, raken ze hierdoor genezen van de vergiftigingsverschijnselen van hun stoffelijke besmetting, zoals men van een slangenbeet kan genezen door de geur van bepaalde geneeskruiden op te snuiven."
Mensen met verstand van zaken kunnen met bepaalde kruiden uit het bos de levensgeesten opwekken van iemand die door een slang gebeten is. Slechts door de kruiden te ruiken raakt men dadelijk het giftige effect van de slangenbeet kwijt. Het voorbeeld van de slangenbeet en het kruid wordt hier gebruikt met betrekking tot iemand die de tempel bezoekt en de wierook ruikt die aan de mūrti geofferd is, waardoor hij van de vergiftiging van het materiële bestaan wordt genezen.
"Wanneer de toegewijden de heerlijke geur ruiken van de wierook die aan de mūrti geofferd wordt, raken ze hierdoor genezen van de vergiftigingsverschijnselen van hun stoffelijke besmetting, zoals men van een slangenbeet kan genezen door de geur van bepaalde geneeskruiden op te snuiven."
Mensen met verstand van zaken kunnen met bepaalde kruiden uit het bos de levensgeesten opwekken van iemand die door een slang gebeten is. Slechts door de kruiden te ruiken raakt men dadelijk het giftige effect van de slangenbeet kwijt. Het voorbeeld van de slangenbeet en het kruid wordt hier gebruikt met betrekking tot iemand die de tempel bezoekt en de wierook ruikt die aan de mūrti geofferd is, waardoor hij van de vergiftiging van het materiële bestaan wordt genezen.
Een toegewijde die een tempel binnengaat, moet altijd iets aan de mūrti offeren - een vrucht, bloemen, wierook enz. Kan men geen geld geven, dan offert men wat anders. In India nemen de mensen die 's ochtends de tempel bezoeken altijd van alles mee. Men kan zelfs een handje rijst of een handje meel offeren. Er is een regulerend beginsel dat zegt dat men niet bij een heilige of bij de mūrti in de tempel op bezoek gaat zonder wat mee te nemen. Het mag iets heel eenvoudigs zijn, of iets van onschatbare waarde. Al heeft men niets meer dan een bloem, een vrucht of een beetje water te offeren, dan moet men dat in elk geval doen. Dus wanneer de toegewijde 's ochtends iets aan de mūrti komt offeren, ruikt hij vast en zeker de fijne geur van de wierook en raakt dan dadelijk genezen van de vergiftiging van het stoffelijk bestaan.
Het Tantra-sāstra zegt:
"Als de geur van de bloemenkrans die in de tempel aan de mūrti geofferd is iemands neus binnendringt, houdt dat in dat hij on-middellijk van zijn gebondenheid aan kwade activiteiten verlost is. En al zondigt men niet, dan kan men nog door de geur van zo'n gebruikte krans op te snuiven van het niveau van de onpersoonlijke verlossing van de Māyāvādī opstijgen tot dat van toegewijde."
Men kent hier verschillende voorbeelden van: zeer bekend is dat van de vier Kumāra's. Dat waren impersonalistische Māyāvādī's, maar nadat ze de geur van tulasi-blaadjes hadden geroken die aan de lotusvoeten van Visnu waren geofferd, werden ze toegewijden. Uit bovengenoemd vers blijkt dat de MāyāvādI's of impersonalisten min of meer besmet zijn. Ze zijn niet zuiver.
"Als de geur van de bloemenkrans die in de tempel aan de mūrti geofferd is iemands neus binnendringt, houdt dat in dat hij on-middellijk van zijn gebondenheid aan kwade activiteiten verlost is. En al zondigt men niet, dan kan men nog door de geur van zo'n gebruikte krans op te snuiven van het niveau van de onpersoonlijke verlossing van de Māyāvādī opstijgen tot dat van toegewijde."
Men kent hier verschillende voorbeelden van: zeer bekend is dat van de vier Kumāra's. Dat waren impersonalistische Māyāvādī's, maar nadat ze de geur van tulasi-blaadjes hadden geroken die aan de lotusvoeten van Visnu waren geofferd, werden ze toegewijden. Uit bovengenoemd vers blijkt dat de MāyāvādI's of impersonalisten min of meer besmet zijn. Ze zijn niet zuiver.
Het Śrīmad-Bhāgavatam bevestigt:
"Wie niet verlost is van alle terugslagen van zijn zondig doen en laten kan geen zuivere toegewijde zijn. Een zuivere toegewijde twijfelt niet meer aan de almacht van de Godspersoon en verbindt zich daarom zonder meer in de activiteiten van het Kṛṣṇa-be-wustzijn en de toegewijde dienst."
Een dergelijke verklaring staat ook in de Agastya-samhitā:
"Alleen al om onze neus van onreinheid te zuiveren, moeten we proberen de geur op te snuiven van de bloemen die in de tempel aan Kṛṣṇa geofferd zijn."
"Wie niet verlost is van alle terugslagen van zijn zondig doen en laten kan geen zuivere toegewijde zijn. Een zuivere toegewijde twijfelt niet meer aan de almacht van de Godspersoon en verbindt zich daarom zonder meer in de activiteiten van het Kṛṣṇa-be-wustzijn en de toegewijde dienst."
Een dergelijke verklaring staat ook in de Agastya-samhitā:
"Alleen al om onze neus van onreinheid te zuiveren, moeten we proberen de geur op te snuiven van de bloemen die in de tempel aan Kṛṣṇa geofferd zijn."
Het aanraken van de mūrti
Het Viṣṇu-dharmottara doet een uitspraak over het aanraken van de lotusvoeten van de Heer:
"Alleen iemand die tot Vaiṣṇava is gewijd en toegewijde dienst verricht in Kṛṣṇa-bewustzijn heeft het recht om het lichaam van de mūrti aan te raken."
In de tijd van Gandhi's politieke optreden braken er in India onge-regeldheden uit, omdat laag geboren mensen, zoals straatvegers en candāla's, die volgens het Vedische stelseI niet in de tempel binnen mogen, werden aangespoord om toch binnen te gaan. De toegang wordt hun ontzegd vanwege hun onreine levenswijze, maar wel worden ze anderszins geestelijk tegemoetgekomen, zodat ze door omgang met zuivere toegewijden tot de hoogste vorm van toegewijde dienst kunnen worden bevorderd. Het doet er in feite niet toe in wat voor milieu men geboren is, als men eerst maar rein wordt. Men dient dit reinigingsproces door te maken. Gandhi wilde de laaggeborenen gewoon rein verklaren door ze een zelfbedachte naam te geven, hari-jana (kinderen van God), met als gevolg dat er tussen de tempeleigenaars en de volgelingen van Gandhi een grote strijd ontbrandde.
"Alleen iemand die tot Vaiṣṇava is gewijd en toegewijde dienst verricht in Kṛṣṇa-bewustzijn heeft het recht om het lichaam van de mūrti aan te raken."
In de tijd van Gandhi's politieke optreden braken er in India onge-regeldheden uit, omdat laag geboren mensen, zoals straatvegers en candāla's, die volgens het Vedische stelseI niet in de tempel binnen mogen, werden aangespoord om toch binnen te gaan. De toegang wordt hun ontzegd vanwege hun onreine levenswijze, maar wel worden ze anderszins geestelijk tegemoetgekomen, zodat ze door omgang met zuivere toegewijden tot de hoogste vorm van toegewijde dienst kunnen worden bevorderd. Het doet er in feite niet toe in wat voor milieu men geboren is, als men eerst maar rein wordt. Men dient dit reinigingsproces door te maken. Gandhi wilde de laaggeborenen gewoon rein verklaren door ze een zelfbedachte naam te geven, hari-jana (kinderen van God), met als gevolg dat er tussen de tempeleigenaars en de volgelingen van Gandhi een grote strijd ontbrandde.
De vigerende wet blijft altijd de Schriftuurlijke stelregel dat men in de tempel binnen mag als men gereinigd is. Daar gaat het feitelijk om. Alleen als men op de juiste wijze is geïnitieerd en de regels en bepalingen gehoorzaamt, kan men het vertrek van de mūrti binnengaan en Hem aanraken- dus dat mag niet iedereen. Als men dan gehoorzaam aan de desbetreffende regels het lichaam van de mūrti aanraakt, wordt men dadelijk van alle stoffelijke smetten gereinigd en gaat elke wens onverwijld in vervulling.
Het aanschouwen van de mūrti
Ook de Varāha Purāņa bevat een verklaring die het aanraken van de mūrti van Srī Kṛṣṇa in de tempel verheerlijkt, Een toegewijde zegt:
"Beste Vasundharā, iedereen die naar Vṛndāvana gaat en de mūrti van Govindadeva ziet, hoeft niet voor het hof van Yamarājā te verschijnen en mag opstijgen naar het hoogste planetenstelsel, waar de goden verblijven."
Dat betekent dat zelfs gewone mensen die uit nieuwsgierigheid naar Vṛndāvana gaan en dan toevallig de tempel binnengaan, met name die van Govindadeva, als ze al niet tot het geestelijk koninkrijk worden bevorderd, in elk geval naar de hogere planetenstelsels opstijgen. Dus alleen maar door een bezoek te brengen aan de mūrti van Govinda in Vṛndāvana stijgt men in het vrome leven tot grote hoogte op.
"Beste Vasundharā, iedereen die naar Vṛndāvana gaat en de mūrti van Govindadeva ziet, hoeft niet voor het hof van Yamarājā te verschijnen en mag opstijgen naar het hoogste planetenstelsel, waar de goden verblijven."
Dat betekent dat zelfs gewone mensen die uit nieuwsgierigheid naar Vṛndāvana gaan en dan toevallig de tempel binnengaan, met name die van Govindadeva, als ze al niet tot het geestelijk koninkrijk worden bevorderd, in elk geval naar de hogere planetenstelsels opstijgen. Dus alleen maar door een bezoek te brengen aan de mūrti van Govinda in Vṛndāvana stijgt men in het vrome leven tot grote hoogte op.
Het bijwonen van ārati en feesten ter ere van de Heer
De Skanda Purāṇa beschrijft als volgt wat het ārati (aanbidding) van de mūrti doet voor iemand die het bijwoont:
"Als men tijdens het ārati het gezicht van de Heer ziet, kan men daardoor verlost raken van de terugslagen van alle zonden van miljoenen jaren terug. Men krijgt zelfs vergeving voor het doden van een brāhmaṇa of dergelijke ernstige misdaden."
"Als men tijdens het ārati het gezicht van de Heer ziet, kan men daardoor verlost raken van de terugslagen van alle zonden van miljoenen jaren terug. Men krijgt zelfs vergeving voor het doden van een brāhmaṇa of dergelijke ernstige misdaden."
Zoals reeds gezegd, dient men een bepaalde ceremonie te vieren op bepaalde dagen, zoals de verschijningsdag van Kṛṣṇa, de verschijningsdag van Heer Rāmacandra, de verschijningsdag van bepaalde vooraanstaande Vaişņava's, het jhulana-yātrā-feest, waarbij de Heer op een schommel wordt gezet, dola-yātrā, de dagen ter ere van de speciale activiteiten van de Heer in de maand maart enz. Bij al deze feesten wordt de Heer een plaats aangeboden op een wagen, die dan door verschillende straten van de stad rijdt, zodat de mensen hun voordeel kunnen doen met de aanblik van de Heer. In de Bhaviṣya Purana wordt gezegd:
"Als zelfs een candāla [hondeneter] uit pure nieuwsgierigheid bij zo'n feest naar de Heer op Zijn wagen kijkt, wordt hij als een der metgezellen van Viṣṇu beschouwd."
"Als zelfs een candāla [hondeneter] uit pure nieuwsgierigheid bij zo'n feest naar de Heer op Zijn wagen kijkt, wordt hij als een der metgezellen van Viṣṇu beschouwd."
De Agni Purāṇa verklaart:
"Wie blij van hart de eredienst aan de mūrti in de tempel meemaakt ontvangt het resultaat dat de beoefening van kriyā-yoga oplevert en waarover het Pancarātra bericht."
Kriyā-yoga is een vorm van geestelijke activiteit die sterk op de beoefening van toegewijde dienst lijkt, maar speciaal bedoeld is voor de mystieke yogi's. Met andere woorden: langs de geleidelijke weg van kriyā raken de mystieke yogi's bevorderd tot de toegewijde dienst aan de Heer.
"Wie blij van hart de eredienst aan de mūrti in de tempel meemaakt ontvangt het resultaat dat de beoefening van kriyā-yoga oplevert en waarover het Pancarātra bericht."
Kriyā-yoga is een vorm van geestelijke activiteit die sterk op de beoefening van toegewijde dienst lijkt, maar speciaal bedoeld is voor de mystieke yogi's. Met andere woorden: langs de geleidelijke weg van kriyā raken de mystieke yogi's bevorderd tot de toegewijde dienst aan de Heer.