Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 8

Te vermijden overtredingen

In de aanvullende Vedische geschriften wordt onderstaande opsomming gegeven van tweeëndertig regels die men bij zijn dienst aan de Heer niet mag overtreden:
 
1) men mag de tempel van de mūrti niet binnengaan in een wagen of draagstoel of met schoeisel aan;
2) men moet altijd meedoen aan de verschillende feesten ter ere van de Allerhoogste Godspersoon, zoals janmāșțamī, ratha-yātrā, enz.;
3) men mag het niet vermijden voor de mūrti te buigen;
4) men mag de tempel niet binnengaan om de Heer te eren zonder na de maaltijd handen en voeten te hebben gewassen;
5) men mag de tempel niet binnengaan in onreine toestand (volgens de Vedische Schriften is na een sterfgeval de hele familie enige tijd onrein. De familie van een brāhmaṇa wordt twaalf dagen onrein geacht, van een kṣatriya of vaiśya vijftien dagen en van een śūdra dertig dagen.);
6) men dient zijn eerbetuigingen niet te brengen met slechts één hand op de grond;
7) men mag geen ommegangen maken vóór Srī Kṛṣṇa (In de témpel maakt men zijn ommegangen altijd zo, dat men vanaf de rechterhand van de mūrti rechtsom gaat en zo rond loopt. Zo’n ommegang dient men minstens driemaal per dag buiten om de tempel te maken.);
8) men behoort niet met gespreide benen voor de mūrti te zitten;
9) men behoort niet met zijn handen om enkels, ellebogen of knieën voor de mūrti te zitten;
10) men mag niet op de grond gaan liggen voor Kṛṣṇa's mūrti ;
11) men dient geen prasāda te nuttigen voor de rti ;
12) men behoort nooit een leugen voor de mūrti uit te spreken;
13) men mag niet luidkeels voor de mūrti praten;
14) men mag niet met anderen praten voor de mūrti ;
15) men dient niet te schreeuwen of te jammeren voor de mūrti ;
16) men mag geen ruzie maken en niet vechten voor de mūrti ;
17) men mag niemand de les lezen voor de mūrti ;
18) men dient niets aan bedelaars te geven voor de mūrti ;
19) men dient geen scherpe woorden tot anderen te spreken voor de mūrti ;
20) men dient geen bont te dragen voor de mūrti ;
21) men dient voor de mūrti geen anderen te loven of te prijzen;
22) men dient geen kwalijke taal te gebruiken voor de mūrti ;
23) men dient geen winden te laten voor de mūrti ;
24) men dient het niet te vermijden de mūrti naar draagkracht te eren (In de Bhagavad-gitā (IX.26) wordt verklaard dat de Heer al voldaan is als een toegewijde Hem slechts een blaadje of een beetje water offert. Er is geen mens ter wereld, zelfs de armste niet, die zich hier niet aan kan houden. Dat betekent echter niet dat als men over de middelen beschikt om de Heer royaal te eren, men moet blijven proberen om Hem tevreden te stellen met een beetje water en een blaadje. Is men in goeden doen, dan moet men de Heer mooie sieraden geven, mooie bloemen, lekker eten en geen eredienst overslaan. Het is dus niet de bedoeling dat men de Heer afscheept met wat water en een blaadje en dan al zijn geld voor zingenot uitgeeft.);
25) men dient geen voedsel te nuttigen dat niet eerst aan Kṛṣṇa geofferd is;
26) men behoort Kṛṣṇa altijd vers fruit en verse graanproducten te offeren naar gelang het jaargetij;
27) is men klaar met koken, dan dient niemand iets te eten aange-boden te worden, tenzij het eerst aan de Heer is geofferd;
28) men mag niet met zijn rug naar de mūrti zitten;
29) men mag zijn eerbetuigingen niet zwijgend aan de geestelijk leraar brengen; met andere woorden: men dient bij zijn eerbe-tuigingen de mantra's voor de geestelijk leraar hardop te zeggen;
30) men dient zich in tegenwoordigheid van de geestelijk leraar altijd lovend over hem uit te laten;
31) men behoort zichzelf niet te roemen in tegenwoordigheid van de geestelijk leraar;
32) men mag voor de mūrti niet geringschattend over de goden spreken.
Other rules are that one should not offer foodstuff which is cooked by a non-Vaiṣṇava, one should not worship the Deity before a nondevotee, and one should not engage himself in the worship of the Lord while seeing a nondevotee. One should not worship the Deity without first worshiping the demigod Gaṇapati, who drives away all impediments in the execution of devotional service. In the Brahma-saṁhitā it is stated that Gaṇapati worships the lotus feet of Lord Nṛsiṁha-deva and in that way has become auspicious for the devotees in clearing out all impediments. Therefore, all devotees should worship Gaṇapati. The Deities should not be bathed in water that has been touched by the nails or fingers. When a devotee is perspiring, he should not engage himself in worshiping the Deity. Similarly, there are many other prohibitions. For example, one should not cross or step over the flowers offered to the Deities, nor should one take a vow in the name of God. These are all different kinds of offenses in the matter of executing devotional service, and one should be careful to avoid them.

Naast deze lijst van tweeëndertig te vermijden overtredingen vinden we er in de Schriften nog meer vermeld. De Varāha Purāṇa noemt de volgende:
1) men mag de mūrti niet in het donker aanraken;
2) men dient de regels en bepalingen van de eredienst aan de mūrti altijd strikt in acht te nemen;
3) men behoort de tempel van de mūrti niet binnen te gaan zonder door een geluid zijn aanwezigheid kenbaar te maken;
4) men mag geen voedsel aan de mūrti offeren dat gezien is door honden of andere lagere dieren;
5) men mag tijdens aanbidding de stilte niet verstoren;
6) men mag de eredienst niet onderbreken voor een gang naar het toilet;
7) men dient geen wierook te offeren zonder ook een bloem te offeren;
8) nutteloze bloemen zonder geur mogen niet worden geofferd;
9) men dient ervoor te zorgen dat men elke dag zorgvuldig zijn gebit reinigt;
10) als men geslachtsgemeenschap heeft gehad, mag men niet meteen de tempel ingaan;
11) men dient zijn vrouw niet aan te raken tijdens haar menstruatie;
12) men mag de tempel niet binnengaan als men een lijk heeft aangeraakt;
13) men dient niet in de tempel te komen in rode of blauwe of ongewassen kleren;
14) men dient niet naar de tempel te gaan als men zojuist een lijk heeft gezien;
15) men mag geen winden laten in de tempel;
16) men mag zich niet kwaad maken in de tempel;
17) men mag niet in de tempel binnengaan als men zojuist vaneen lijkverbrandingsplaats of een crematorium komt;
18) men mag geen boeren laten voor de mūrti (dus als de maaltijd niet geheel verteerd is, mag men de tempel niet binnen);
19) men dient geen marihuana of ganja te roken;
20) men dient geen opium of dergelijke bedwelmende middelen te gebruiken;
21) men mag het vertrek van de mūrti niet binnengaan en de mūrti  niet aanraken als men zich het lichaam met olie heeft ingewreven;
22) men mag zich niet schamper uitlaten over een Schrift die de Heer als Allerhoogste verheerlijkt;
23) men mag niet met Schrift-vijandige teksten komen aandragen;
24) men mag geen betel kauwen voor de mūrti ;
25) men mag geen bloem offeren die in een onreine vaas is be-waard;
26) men mag de Heer niet gezeten op de kale vloer aanbidden: men dient plaats te nemen op een doek of een kleedje;
27) men mag de mūrti niet aanraken tenzij men geheel gebaad is;
28) men mag zijn voorhoofd niet met tilaka sieren in de vorm van drie dwarsstrepen;
29) men mag de tempel niet binnengaan met ongewassen handen en voeten.
Hier volgt nog een aantal regels: men behoort geen voedsel te offeren dat door een niet-Vaișņava bereid is. Men dient de mūrti niet te eren in tegenwoordigheid van een niet-toegewijde. Men dient de Heer niet te aanbidden terwijl men oog in oog staat met een niet-toegewijde.

Men dient te beginnen met het eren van de god Gaņapati, die alle hindernissen op de weg van de toegewijde dienst opruimt. In de Brahma-samhitā (5.50) wordt verklaard dat Gaṇapati de lotusvoeten van Heer Nṛsiṁhadeva vereert, en uit dien hoofde bewijst hij de toegewijde heilrijke dienst door alle hindernissen voor hem uit de weg te ruimen. Derhalve dienen alle toegewijden Gaņapati te vereren.

De mūrti 's mogen niet worden gebaad met water dat door de nagels of de vingers is aangeraakt. Als een toegewijde transpireert, moet hij zich van aanbidding van de mūrti onthouden. Zo zijn er nog meer verboden, bijvoorbeeld dat men niet over bloemen heen mag lopen die aan de mūrti  zijn geofferd en dat men geen gelofte mag doen in naam van God. Dit zijn allerlei overtredingen die men bij het verrichten van zijn toegewijde dienst kan begaan, en men dient ze zorgvuldig te vermijden.
De Padma Purāṇa verklaart dat zelfs iemand die door en door zondig is, volkomen door de Heer beschermd zal worden als hij zich slechts aan Hem overgeeft. Dat betekent dus dat wie zich aan de Allerhoogste Godspersoon uitlevert, verlost wordt van alle terugslagen van zijn zondig doen en laten. Zelfs als iemand zich jegens de Allerhoogste Godspersoon Zelf misgaat, kan hij nog worden bevrijd wanneer hij slechts zijn heil zoekt bij de heilige namen van de Heer:
hare Kṛṣṇa hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa hare hare
hare rāma hare rāma rāma rāma hare hare
Het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra heeft dus een gunstige invloed op het uitroeien van alle zonden, maar als men zich tegen de heilige namen van de Heer misgaat, verspeelt men zijn kans op verlossing.
De overtredingen die men bij het chanten van de heilige namen kan begaan, zijn de volgende:
1)kwaad spreken van de toegewijden die hun hele leven in dienst stellen van de verkondiging van de heilige naam van de Heer;
2) denken dat de namen van goden als Heer Śiva of Heer Brahmā gelijk zijn aan de naam van Heer Visnu of er los van staan (Atheïsten denken soms dat men willekeurig welke god even goed kan eren als de Allerhoogste Godspersoon, Visnu. Maar de toegewijde weet dat geen halfgod, hoe verheven ook, op zichzelf even goed is als de Allerhoogste Godspersoon. Denkt iemand dus dat het chanten van “Kālī, Kālī”of “Durgā, Durgā" even goed is als het chanten van Hare Kṛṣṇa, dan begaat hij de ergste overtreding die er bestaat.);
3) zich niet houden aan de aanwijzingen van de geestelijk leraar;
4) zich spottend uitlaten over de Vedische Schriften of geschriften die daarop voortgaan;
5) denken dat de heerlijkheid van het chanten van Hare Kṛṣṇa op fantasie berust;
6) de heilige naam van de Heer op enigerlei wijze interpreteren;
7) doorgaan met zondigen terwijl men chant, en denken dat men zo geen terugslagen krijgt (Men wordt door het chanten van de heilige naam van de Heer weliswaar gevrijwaard van de terugslagen van allerlei vroegere kwade daden, maar dat betekent niet dat men er al chantend mee door mag gaan, in de verwachting dat de heilige namen de zonde zullen neutrali-seren. Deze gevaarlijke houding is uiterst kwalijk en mag niet worden aangenomen.);
8) denken dat het chanten van Hare Kṛṣṇa tot de gelukbrengende activiteiten behoort die in de Veda's worden aangeboden onder de noemer "baatzuchtig streven" (karma-kāņda);
9) ongelovigen in vertrouwen nemen over de heerlijkheid van de heilige naam (Iedereen mag de heilige naam van de Heer chanten, maar men mag niet meteen al worden ingelicht over het bovenzinnelijk vermogen van de Heer. Al te zondige mensen kunnen geen waardering opbrengen voor de bovenzinnelijke heerlijkheid van de Heer en daarom is het beter hen er niet over in te lichten.);
10) niet volkomen in het chanten van de heilige naam geloven en aan de stof gehecht blijven, ook al heeft men al het desbetreffende onderricht van de geestelijk leraar goed begrepen.
Iedere toegewijde die zegt Vaisņava te zijn moet het vermijden om deze overtredingen te begaan, wil hij het verlangde resultaat snel bereiken.