Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 7

De schriften over de regulerende principes

In het elfde canto van het Śrīmad-Bhāgavatam (11.3.21) zegt Prabuddha tot Mahārāja Nimi:
"Wees ervan overtuigd, beste vorst, dat er in de stoffelijke wereld geen geluk bestaat. Men vergist zich als men denkt dat het wel zo is, want het is slechts een oord vol ellendige toestanden. Wie werkelijk naar waar geluk verlangt moet een bonafide geestelijk leraar zien te vinden en zijn heil bij hem zoeken door hem om initiatie te vragen. Men is geestelijk leraar wanneer men de conclusie van de Schriften in diepgaande gesprekken vol doorslaggevende argumenten heeft begrepen en derhalve in staat is anderen deze conclusies te laten accepteren. Een verheven persoon, die zijn toevlucht bij de Allerhoogste Godspersoon zoekt en er geen materiële overwegingen meer op na houdt, dient als bonafide geestelijk leraar te worden beschouwd. Iedereen moet proberen zo'n bonafide geestelijk leraar te vinden om het doel van zijn leven te bereiken, dat eruit bestaat zich te verheffen tot het peil van geestelijk geluk."
De strekking van deze verklaring is dat men geen overgehaalde zot als geestelijk leraar moet accepteren, noch iemand die zich niet door de Schriftuurlijke wenken laat leiden, of die van twijfelachtig karakter is, die zích niet aan de beginselen der toegewijde dienst houdt of die de invloed van de zes zinnelijke drangen niet te boven is. Deze zes drangen zijn die van tong, geslachtsdeel, maag, woede, geest en spraak. Ieder die deze zes drangen heeft leren bedwingen mag overal ter wereld leerlingen aannemen. Onderricht van zo'n geestelijk leraar is het grondbeginsel van alle vooruitgang in het geestelijk leven. Wie het geluk heeft dat hij zijn heil kan zoeken bij zo'n bevoegde leraar zal ongetwijfeld het pad naar de geestelijke verlossing met succes afleggen.

Het aannemen van een geestelijk leraar en het ontvangen van zijn onderricht

Voorts sprak de wijze Prabuddha tot de koning:
"Waarde vorst, een leerling moet zijn geestelijk leraar niet alleen aannemen als geestelijk leraar, maar ook als vertegenwoordiger van de Allerhoogste Godspersoon en de Superziel. Dus de leerling behoort de geestelijk leraar als God te aanvaarden, aangezien hij de uiterlijke openbaring van Kṛṣṇa is."

Dit wordt in alle Schriften bevestigd, en de leerling dient de geestelijk leraar in dit licht te zien. Men behoort in alle ernst en met alle respect en eerbied voor de geestelijk leraar kennis te nemen van het Śrimad-Bhā-gavatam. Kennis nemen van en spreken over het Śrīmad-Bhāgavatam is de religieuze methode waardoor men verheven raakt tot het niveau van de liefdevolle dienst aan de Allerhoogste Godspersoon.
De leerling moet er altijd op uit zijn de geestelijk leraar voldoening te schenken. Dan zal hij de geestelijke kennis zonder moeite kunnen bevatten. Dit wordt bevestigd in de Veda's, en Śrīla Rūpa Gosvāmī zal verder uitleggen dat iemand die onwankelbaar op God en de geestelijk leraar vertrouwt alles zeer eenvoudig geopenbaard zal krijgen.

Het gelovig dienen van de geestelijk leraar

In het Śrīmad-Bhāgavatam (11,17.27) verklaart Heer Kṛṣṇa terzake van de initiatie door de geestelijk leraar:
"Beste Uddhava, de geestelijk leraar dient niet slechts als Mijn vertegenwoordiger te worden beschouwd, maar als Mijzelf in eigen persoon. Men mag nooit denken dat hij op gelijk niveau staat met gewone mensen. Men mag nooit afgunstig op de geestelijk leraar zijn, zoals men op een gewoon iemand afgunstig kan zijn. De geestelijk leraar behoort altijd als vertegenwoordiger van de Allerhoogste Godspersoon te worden beschouwd, en dient men hem, dan kan men alle goden dienen."

Het voorbeeld volgen van heilige personen

De Skanda Purāṇa raadt de toegewijde aan het voorbeeld van de voorgaande ācārya's en heiligen te volgen, omdat hij hierdoor het door hem verlangde resultaat bereiken kan zonder kans op teleurstelling of mislukking.
Het Gechrift bekend als Brahma-yāmala verklaart:
"Als iemand voor een groot toegewijde wil doorgaan, maar hij houdt zich niet aan het voorbeeld van de autoriteiten, beschreven in de geopenbaarde Schriften, dan zal zijn doen en laten hem nooit vooruit helpen in de toegewijde dienst. Zo iemand brengt oprechte toegewijden alleen maar in de war."
Mensen die de beginselen van de geopenbaarde Schriften niet strikt aanhouden, worden meestal sahajiyā genoemd: ze denken dat alles maar heel makkelijk gaat, houden er hun eigen bedenksels op na en negeren de wenken van de Schriften. Ze zorgen alleen maar voor verwarring bij de beoefening van de toegewijde dienst.
Mensen die niet in toegewijde dienst zijn en geen boodschap hebben aan de geopenbaarde Schriften, kunnen hiertegen in verzet komen. We zien hiervan een voorbeeld bij de boeddhisten. De Boeddha verscheen in het gezin van een kṣatriya van de eerste rang, maar zijn filosofie strookte niet met de conclusies van de Veda's en werd daarom afgewezen. Onder patronaat van een hindoe-vorst, Mahārāja Asoka, raakte de boeddhistische religie over heel India en zijn buurlanden verspreid. Na de verschijning echter van de grote geduchte leraar Śaṅkarācārya werd het boeddhisme uit India verdreven.
De boeddhisten en dergelijke, die niet om de geopenbaarde Schriften geven, zeggen soms dat er veel mensen zijn die Heer Boeddha toegewijde dienst bewijzen en daarom gewoon als toegewijden moeten worden be-schouwd. In antwoord hierop verklaart Rūpa Gosvāmī dat de volgelingen van Boeddha niet als toegewijden kunnen worden aangemerkt. Al accepteert men Heer Boeddha als incarnatie van Kṛṣṇa, dan betekent dat nog niet dat volgelingen van zo'n incarnatie bijzonder gevorderd zijn op het gebied van de Vedische kennis. Werkelijk onderzoek van de Veda's betekent dat men tot de conclusie komt dat de Godspersoon boven alles staat. Derhalve wordt geen enkel religieus beginsel dat de opperheerschappij van de Godspersoon afwijst als geldig aanvaard; het wordt atheïsme genoemd. Atheïsme betekent dat men het gezag van de Veda's tart en zich laatdunkend uitlaat over grote ācārya's, die tot heil van de mensheid in het algemeen de Vedische leer verkondigen.
In het Śrīmad-Bhāgavatam wordt Heer Boeddha weliswaar als incarnatie van Kṛṣṇa aanvaard, maar hetzelfde Śrīmad-Bhāgavatam verklaart dat Heer Boeddha in feite verscheen om de atheïsten onder de mensen in verwarring te brengen. Zijn filosofie heeft dus tot doel de atheïsten in de war te brengen en dient niet als religie te worden aan-vaard. Vraagt nu iemand: “Waarom zou Kṛṣṇa Zich bezighouden met het verkondigen van een atheïstische leer?" dan luidt het antwoord dat de Allerhoogste Godspersoon zulks deed uit verlangen om een eind te maken aan het kwaad dat in die tijd in naam van de Veda's bedreven werd. Zogenaamd godsdienstige mensen gebruikten de Veda's ten onrechte aIs excuus voor een gewelddadige activiteit als het eten van vlees, en Heer Boeddha verscheen nu om de gevallen mensheid tegen dit misbruik van de Veda's te beschermen. Ter wille van de atheïsten predikte Heer Boeddha voorts Zijn atheïsme, opdat ze Hem zouden volgen en zo zouden worden verleid tot toegewijde dienst aan Hem, dus aan Kṛṣṇa.

Het vragen naar de religieuze beginselen

In de Nāradīya Purāṇa heet het;
"Wil men werkelijk ernst maken met de toegewijde dienst, dan krijgt men daar dadelijk alle gelegenheid voor."

Bereid zijn om ter wille van Kṛṣṇa alles te verzaken

De Padma Purāṇa verklaart:
"Voor wie afscheid heeft genomen van het stoffelijk zingenot en de beginselen van het toegewijde leven heeft omhelsd, ligt de volheid van Vişņuloka [Gods koninkrijk] open."

Het verblijven in een heilig oord

Volgens de Skanda Purāṇa staat iemand die zes maanden of één maand of zelfs maar twee weken in Dvārakā heeft gewoond verheffing naar de Vaikunthaloka's te wachten en alle voordelen van sārūpya-mūkti (die vorm van verlossing waarbij men dezelfde vierarmige gedaante verkrijgt als Nārāyaņa).
In de Brahmā Purāṇa wordt verklaard:
"Het is onmogelijk naar behoren aan te geven wat precies de bovenzinnelijke betekenis is van Puruṣottama-kṣetra, het gebied van tweehonderdtwintig vierkante kilometer waar Heer Jagannātha verblijft. Zelfs de goden van de hogere planetenstelsels zien de inwoners van Jagannātha Purī in dezelfde gedaante als de bewoners van Vaikuṇṭha. Dus in de ogen van de goden hebben de inwoners van Jagannātha Purī vier armen."
Tijdens een bijeenkomst van grote wijzen in Naimiṣāraṇya verhaalde Sūta Gosvāmī het Śrīmad-Bhāgavatam en sprak als volgt over de belangrijkheid van de Ganges:
"Het water van de Ganges draagt altijd de geur met zich mee van tulasi-blaadjes, geofferd aan de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa, en op die manier verbreidt het water van de Ganges overal waar het stroomt Zijn heerlijkheid. Waar dit water ook komt, zal het alles, zowel uiterlijk als innerlijk, heiligen." (Ś.B., 1.19.6)

Slechts aannemen wat men nodig heeft

De Nāradiya Purāṇa geeft de volgende aanwijzing:
"Als men ernst maakt met het verrichten van toegewijde dienst, mag men niet meer aannemen dan men nodig heeft."
De betekenis van deze uitspraak is dat men de beginselen der toegewijde dienst niet mag verwaarlozen en dat men geen toegewijde taken op zich mag nemen die boven zijn macht gaan. Zo kan men bijvoorbeeld vernemen dat men de Hare Kṛṣṇa-mantra minstens 100.000 keer per dag op zijn mālā moet chanten. Is dit echter niet mogelijk, dan moet men het aantal mantra's dat men chant terugbrengen tot een aanvaardbare hoeveelheid. Doorgaans adviseren we onze leerlingen elke dag minstens zestien ronden op hun japa-mālā (bidsnoer) te chanten, en daaraan dienen ze zich te houden. Lukt het echter niet de zestien ronden vol te maken, dan moet men de ontbrekende de volgende dag inhalen. Men dient zich strikt aan deze gelofte te houden. Doet men dit niet, dan zal men ook in andere opzichten onachtzaam zijn. De dienst aan de Heer kan dit niet gedogen. Staan we zulke overtredingen oogluikend toe, dan kan niemand vooruitgaan op het pad van de toegewijde dienst. Het verdient aanbeveling dat men zich naar vermogen reguleert, en dan zonder mankeren op peil blijft. Zo gaat men in het geestelijk leven vooruit.

Vasten op ekādasī

De Brahma-vaivarta Purāṇa verklaart:
"Wie zich houdt aan de gelofte van het vasten op ekādaśī heeft geen last meer van allerlei terugslagen van zijn vroegere kwade activiteiten en stijgt zo op tot het peil van het vrome leven."
Het basisprincipe is niet dat men gewoon maar vast, maar zijn geloof in, en liefde tot, Govinda, of Kṛṣṇa, intensiveert. De werkelijke reden waarom men op ekādaśī vast, bestaat eruit dat men de verlangens van het lichaam moet terugbrengen en zijn tijd aan het dienen van de Heer moet besteden door te chanten en wat dies meer zij. Het beste wat men op zo'n vastendag kan doen, is zich het spel en vermaak van Govinda te heugen en onophoudelijk Zijn heilige naam te horen.

Het eren van heilige bomen

De Skanda Purāṇa verklaart:
"De toegewijde behoort de tulasi-struik en de āmalaka-boom water te offeren. Tevens hoort hij de brāhmana's te eren en de Vaisnava's te dienen door hun zijn eerbiedige eerbetuigingen te brengen en op hen te mediteren. Al deze activiteiten staan de toegewijden bij om de terugslagen van hun vroeger zondig doen en laten een halt toe te roepen."

Niet meer omgaan met niet-toegewijden

Heer Caitanya werd eens door een huisman onder zijn toegewijden gevraagd hoe een Vaișņava zich over het algemeen dient te gedragen. Hij antwoordde dat een Vaișņava nooit omgaat met niet-toegewijden Vervolgens verklaarde Hij dat er twee soorten niet-toegewijden zijn: de ene is gekant tegen Kṛṣṇa als opperbestuurder, de andere is te materia-listisch. Beide typen niet-toegewijden worden avaisņava genoemd en men dient de omgang met hen strikt te vermijden.
In de Kātyāyana-samhitā wordt gezegd:
"Als er geen andere keus is, moet men liever in een ijzeren kooi in een laaiend vuur willen wonen dan dat men onder niet-toegewijden woont die door en door vijandig staan tegenover de almacht van de Heer,"

Het Viṣṇu-rahasya geeft een vergelijkbare verklaring:
"Liever omhelst men een slang, een tijger of een krokodil, dan dat men omgaat met mensen die allerlei goden aanbidden en zich door hun stoffelijke verlangens laten meeslepen."
De Schriften laten weten dat iemand die een bepaald materieel doel bereiken wil daartoe een bepaalde god kan aanbidden. Zo wordt men geadviseerd de zonnegod te aanbidden als men van een slechte ge-zondheid af wil komen. Verlangt men een mooie echtgenote, dan kan men om haar te krijgen tot Umā, de echtgenote van Heer Śiva bidden; en verlangt men naar meer materiële kennis, dan kan men daarvoor Sarasvatī eren. Het Śrīmad-Bhāgavatam noemt een hele rij van ver-schillende godenaanbidders, gerubriceerd naar hun verschillende ma-teriële verlangens. Ook al zijn deze mensen allemaal kennelijk zeer goede toegewijden van de goden, toch worden ze als niet-toegewijden beschouwd. Ze kunnen niet als zodanig worden geaccepteerd.
De Māyāvādī's (impersonalisten) zeggen dat men de Heer in wille-keurig wat voor vorm aanbidden kan, en dat men zo hoe dan ook allemaal dezelfde bestemming bereikt. De Bhagavad-gītā (IX.25) verklaart evenwel dat degenen die tot de goden bidden daarmee slechts de planeten van die goden bereiken, terwijl daarentegen de toegewijden van de Heer Zelf verheven zullen worden tot Zijn woning, of koninkrijk. Dus de Gitā veroordeelt in feite degenen die zich tot de goden richten. Ze beschrijft dat ze als gevolg van hun wellustig verlangen hun verstand zijn kwijtgeraakt en daardoor tot de dienst aan de goden zijn vervallen. Het Viṣṇu-rahasya spreekt een krachtige veroordeling uit over deze godenaanbidders met de uitspraak dat men beter bij de gevaarlijkste dieren kan vertoeven dan met zulke mensen om te gaan.

Geen onwaardige leerlingen aannemen, niet de ene tempel na de andere willen bouwen en niet te veel boeken willen lezen

Een andere bepaling luidt dat men weliswaar veel leerlingen mag hebben, maar nooit zo met hen mag omgaan dat men door een van hen kan worden verplicht tot een bepaalde handelwijze of het verlenen van een bepaalde gunst. Voorts dient men niet veel op te hebben met het bouwen van nieuwe tempels, noch dient men gretig allerhande boeken te willen lezen, behalve die welke tot vooruitgang in de toegewijde dienst inspireren. Als men, praktisch gesproken, heel zorgvuldig de Bhagavad-gitā, het Śrīmad-Bhāgavatam, de Caitanya-caritamrta en deze Nectarzee van Zuivere Liefde bestudeert, ontvangt men voldoende inzicht om te begrijpen wat de wetenschap aangaande het Kṛṣṇa-bewustzijn inhoudt. Men kan zich de moeite van het lezen van andere werken besparen.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (7.13.8) noemt Nārada Muni in een gesprek met Mahārāja Yudhiṣṭhira over de taken van de verschillende geledingen van de samenleving met name de regels die gelden voor sannyāsi's- mensen die het wereldse leven verzaken. Het is iemand die tot deze levensorde toetreedt verboden ongeschikte personen tot leerling te nemen. Een sannyāsi moet altijd eerst onderzoeken of een kandidaat-leerling er oprecht naar streeft om Kṛṣṇa-bewust te worden. Als dat niet het geval is, mag hij hem niet als leerling aannemen. Heer Caitanya ging in zijn grondeloze genade echter zo ver, dat hij alle bonafide geestelijk leraren aanried overal waar ze kwamen over het Kṛṣṇa -bewustzijn te spreken. Derhalve kunnen ook de sannyāsī's die verbonden zijn met de erfopvolging van Heer Caitanya overal het Kṛṣṇa-bewustzijn prediken, en als iemand dan serieus hun leerling wil worden, nemen ze hem altijd aan. 
Het gaat er hier om dat men het Kṛṣṇa-bewustzijn niet verbreiden kan als er geen leerlingen meer worden aangenomen. Daarom accepteert een sannyāsī in de geestelijke linie van Caitanya Mahāprabhu soms het risico dat hij iemand tot leerling neemt die niet volkomen voor het leerlingschap geschikt is. Later raakt zo'n leerling overigens door de genade van de bonafide leraar geleidelijk tot hoger plan verheven. Maar als men zijn leerlingental slechts vergroot om daaraan prestige of roem te willen ontlenen, komt men bij het verrichten van zijn taak van het verbreiden van het Kṛṣṇa-bewustzijn beslist ten val.
Voorts gaat het niet aan, dat een bonafide leraar tal van boeken leest louter om te laten zien hoe goed hij is, of dat hij zich populair maakt door her en der voordrachten te houden. Dat moet allemaal vermeden worden. Terzake van de bepaling dat een sannyāsī niet overal tempels moet willen bouwen, zien we uit de activiteiten van verschillende ācārya's in de erfopvolging van Śrī Caitanya Mahāprabhu dat ze zich daar nooit geestdriftig mee hebben beziggehouden. Maar als iemand zijn diensten komt aanbieden, kan het gebeuren dat zo'n terughoudende ācārya de bouw van een kostbare tempel door zo'n dienstvaardig persoon aanmoedigt. Zo mocht Rūpa Gosvāmī van Mahārāja Mānsiṅgh, de bevelhebber van het leger van Keizer Akhbar, om een gunst vragen, en Rūpa Gosvāmī verzocht hem een grote tempel te bouwen voor Govindajī, hetgeen enorme geldbedragen kostte.
Een bonafide geestelijk leraar moet dus niet uit eigen initiatief allerlei tempels willen bouwen, maar als iemand geld heeft en het in dienst van Kṛṣṇa wil besteden, kan een ācārya als Rūpa Gosvāmī het benutten om er een mooie, rijke tempel van op te richten voor de dienst van de Heer. Helaas gebeurt het wel dat iemand die ongeschikt is voor het geestelijk leraarschap rijke mensen benadert om hun een bijdrage te vragen voor de bouw van een tempel. Het is een onaanvaardbare situatie als zo'n onbevoegde leraar dan zonder enig predikwerk te verrichten er in de riante tempel zijn gemak van neemt. Dus een leraar mag er niet warm voor lopen om louter in naam van "de geestelijke vooruitgang" tempels te bouwen. Zijn eerste taak bestaat uit het prediken. Daarom deed Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Gosvāmī Mahārāja de aanbeveling dat een geestelijk leraar boeken moet publiceren. Als men geld heeft dient men het in plaats van aan de bouw van dure tempels te besteden aan het uitgeven van gezaghebbende werken in allerlei talen, die tot bedoeling hebben het Kṛṣṇa-bewustzijn te verbreiden.

Evenwichtigheid in het dagelijks leven

De Padma Purāṇa verklaart:
"Wie Kṛṣṇa-bewust actief is mag zich nooit laten verstoren door de gedachte aan materiële winst of tegenslag. Als er zich materieel verlies voordoet, mag men zich daar niet door in de war laten brengen, maar moet men altijd innerlijk aan Kṛṣṇa blijven denken."

De strekking hiervan is dat elke gebonden ziel altijd opgaat in gedachten aan materiële activiteiten. Ze moet zich hiervan ontdoen en zich volkomen aan het Kṛṣṇa-bewustzijn overgeven. Zoals reeds gezegd, geldt in het Kṛṣṇa-bewustzijn als grondbeginsel dat men altijd aan Kṛṣṇa denkt. Men moet zich dus niet door materieel verlies in de war laten brengen, maar zich geestelijk instellen op de lotusvoeten van de Heer.
Een toegewijde mag niet van streek raken door de neiging tot jammeren of door begoocheling. De Padma Purāṇa verklaart in dit verband het volgende:
"Het is onbestaanbaar dat Kṛṣṇa Zich openbaart in het hart van iemand die ten prooi is aan jammer of woede."

De goden

Men mag niet onachtzaam zijn als het erom gaat de goden te eerbiedigen. Men mag geen toegewijde van hen zijn, maar dat betekent niet dat men hen met minachting mag bejegenen. Zo is een Vaișņava geen toegewijde van Heer Śiva of Heer Brahmā, maar toch is het zijn plicht zulke hooggeplaatste goden alle respect te betonen. Volgens de Vaisnava-filosofie dient men zelfs een mier te respecteren, dus hoe dient men zich dan niet te gedragen jegens verheven personen als Heer Śiva en Heer Brahmā.
In de Padma Purana heet het:
“Kṛṣṇa, of Hari, is de Heer van alle goden en verdient derhalve altijd ieders aanbidding. Maar dat betekent niet dat men de goden niet moet respecteren."

Geen enkel levend wezen leed berokkenen

Het Mahābhārata zegt in dit verband:
"Wie geen enkel levend wezen hindert of innerlijk leed berok-kent, wie iedereen tegemoet treedt als een liefhebbende vader zijn kinderen, wie aldus zuiver van hart is, ontvangt zeer spoedig de genade van de Allerhoogste Godspersoon."
In de zogenaamde beschaafde samenleving maakt men zich soms druk over dierenmishandeling, maar tegelijk draaien de abattoirs netjes door. Een Vaiṣṇava accepteert dit niet. Vaișņava's dulden niet dat dieren worden gedood of zelfs maar pijn moeten lijden.