Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 6
Hoe men toegewijde dienst verricht
Śrīla Rūpa Gosvāmī verklaart dat zijn oudere broer, Sanātana Gosvāmī, een werk getiteld Hari-bhakti-vilāsa heeft geschreven als leidraad voor de Vaișņava's en dat hij daarin tal van regels en bepalingen vermeldt die ze moeten navolgen. Sommige ervan zijn uiterst belangrijk en hij noemt ze hier nu, opdat wij ons voordeel ermee doen. Deze verklaring dient ertoe om duidelijk te maken dat Śrila Rūpa Gosvāmī alleen over de basisprincipes wil spreken en niet over details. Een basisprincipe is bijvoorbeeld dat men een geestelijk leraar dient te accepteren. Wil men nu precies weten hoe men zijn aanwijzingen dient op te volgen, dan is dat een detail. Als men de aanwijzingen van zijn geestelijk leraar opvolgt en deze verschillen van de aanwijzingen van een andere geestelijk leraar, dan zijn alle mededelingen hierover detail-informatie, maar het grondbeginsel dat men een geestelijk leraar dient te accepteren, geldt in alle omstandigheden, ook al bestaat er tussen verschillende leraren verschil op ondergeschikte punten. Śrila Rūpa Gosvāmī wil het hier niet over hebben, maar ons slechts met de grond-beginselen confronteren.
Hij noemt de volgende basisprincipes:
1) zijn toevlucht zoeken bij de lotusvoeten van een bonafide geestelijk leraar;
2) zich door hem laten initiëren en van hem leren hoe men toegewijde dienst verrichten moet;
3) de aanwijzingen van de geestelijk leraar gelovig en toegewijd gehoorzamen;
4) het voorbeeld volgen van de grote ācārya's onder leiding van de geestelijk leraar;
5) de geestelijk leraar vragen hoe men in Kṛṣṇa-bewustzijn kan groeien;
6) bereid zijn het hele materiële bestaan prijs te geven ter wille van het genoegen van de Allerhoogste Godspersoon, Srī Kṛṣṇa (dat houdt in dat we, bezig met Kṛṣṇa's toegewijde dienst, bereid moeten zijn iets op te geven dat we niet willen opgeven, en ook iets moeten kunnen accepteren dat we niet willen accepteren);
7) in een heilig bedevaartsoord verblijven, zoals Dvārakā of Vṛndāvana ;
8) alleen bemoeienis met de stoffelijke wereld hebben voor zover dat nodig is;
9) vasten op ekādaśī;
10) heilige bomen, zoals de banyan en andere, vereren.
1) zijn toevlucht zoeken bij de lotusvoeten van een bonafide geestelijk leraar;
2) zich door hem laten initiëren en van hem leren hoe men toegewijde dienst verrichten moet;
3) de aanwijzingen van de geestelijk leraar gelovig en toegewijd gehoorzamen;
4) het voorbeeld volgen van de grote ācārya's onder leiding van de geestelijk leraar;
5) de geestelijk leraar vragen hoe men in Kṛṣṇa-bewustzijn kan groeien;
6) bereid zijn het hele materiële bestaan prijs te geven ter wille van het genoegen van de Allerhoogste Godspersoon, Srī Kṛṣṇa (dat houdt in dat we, bezig met Kṛṣṇa's toegewijde dienst, bereid moeten zijn iets op te geven dat we niet willen opgeven, en ook iets moeten kunnen accepteren dat we niet willen accepteren);
7) in een heilig bedevaartsoord verblijven, zoals Dvārakā of Vṛndāvana ;
8) alleen bemoeienis met de stoffelijke wereld hebben voor zover dat nodig is;
9) vasten op ekādaśī;
10) heilige bomen, zoals de banyan en andere, vereren.
Aan deze tien voorwaarden moet worden voldaan alvorens men volgens de regulerende beginselen een aanvang kan maken met de beoefening van de toegewijde dienst. Als een toegewijde de bovenvermelde tien regels van stonde af aan opvolgt, zal hij beslist snel in Kṛṣṇa-bewustzijn groeien.
Dan komt de volgende reeks aanwijzingen:
1) men dient de omgang met niet-toegewijden strikt te vermijden;
2) men mag geen onderricht geven aan iemand die geen toege-wijde dienst verrichten wil;
3) men behoort niet warm te lopen voor het bouwen van dure tempels of kloosters;
4) men moet niet te veel boeken willen lezen, noch moet men in zijn levensonderhoud willen voorzien door les te geven uit Śrīmad-Bhāgavatam of Bhagavad-gītā;
5) men mag de gewone dingen niet verwaarlozen;
6) men dient niet te klagen in tegenspoed, noch te juichen in voorspoed;
7) men mag de goden niet onachtzaam bejegenen;
8) men mag geen enkel levend wezen nodeloos leed berokkenen;
9) men dient er zorgvuldig op toe te zien dat men de verschillende overtredingen tegen het chanten van de heilige naam of het eren van de mūrti in de tempel niet begaat;
10) men dient hoogst onverdraagzaam te zijn wanneer de Aller-hoogste Godspersoon, Kṛṣṇa, of zijn toegewijde worden beledigd of beschimpt.
1) men dient de omgang met niet-toegewijden strikt te vermijden;
2) men mag geen onderricht geven aan iemand die geen toege-wijde dienst verrichten wil;
3) men behoort niet warm te lopen voor het bouwen van dure tempels of kloosters;
4) men moet niet te veel boeken willen lezen, noch moet men in zijn levensonderhoud willen voorzien door les te geven uit Śrīmad-Bhāgavatam of Bhagavad-gītā;
5) men mag de gewone dingen niet verwaarlozen;
6) men dient niet te klagen in tegenspoed, noch te juichen in voorspoed;
7) men mag de goden niet onachtzaam bejegenen;
8) men mag geen enkel levend wezen nodeloos leed berokkenen;
9) men dient er zorgvuldig op toe te zien dat men de verschillende overtredingen tegen het chanten van de heilige naam of het eren van de mūrti in de tempel niet begaat;
10) men dient hoogst onverdraagzaam te zijn wanneer de Aller-hoogste Godspersoon, Kṛṣṇa, of zijn toegewijde worden beledigd of beschimpt.
Als men zich niet aan deze tien beginselen houdt, kan men zich eigenlijk niet tot het niveau verheffen van sādhana-bhakti of de beoefening van toegewijde dienst. Śrīla Rūpa Gosvāmī noemt hier bij elkaar twintig principes en ze zijn alle zeer belangrijk. Van deze twintig zijn de eerste drie de belangrijkste, te weten: zijn toevlucht zoeken bij een bonafide leraar, zich door hem laten initiëren en hem dienen met eerbied en ontzag.
Dan is er nog een reeks belangrijke principes:
men dient het lichaam te sieren met tilaka-tekens, waaraan men de Vaiṣṇava kent (Het belang hiervan is dat zodra iemand deze tekens op het lichaam van de Vaişņava ziet,hij dadelijk aan Kṛṣṇa denkt. Heer Caitanya heeft gezegd dat een Vaisnava iemand is die een ander door zijn uiterlijk dadelijk aan Kṛṣṇa doet denken. Derhalve is het van het grootste belang dat een Vaiṣṇava zijn lichaam
met tilaka siert.);
2) men kan ook wel met tilaka Hare Kṛṣṇa op zijn lichaam schrijven;
3) men dient de bloemen en kransen die aan de mūrti en de geestelijk leraar geofferd zijn aan te nemen en zichtbaar bij zich te dragen;
4) men moet leren dansen voor de mūrti ;
5) men moet zijn eerbetuigingen leren brengen zodra men de mūrti of de geestelijk leraar ziet;
6) na zijn eerbetuigingen in de tempel van Heer Kṛṣṇa staat men dadelijk op;
7) wanneer de mūrti naar buiten gedragen wordt voor een wandeling, behoort een toegewijde de stoet meteen te volgen (In India heeft men, vooral in tempels van Visnu waar de grote mūrti zijn vaste plaats heeft in het hoofdgedeelte, kleinere mūrti 's, die 's avonds in processie mee naar buiten worden genomen. In sommige tempels is het gebruikelijk dat men
's avonds een grote ommegang maakt met een muziekkorps voorop en een mooie grote parasol boven de mūrti 's, die op de wagen of in de draagstoel, welke door toegewijden wordt getorst, op een versierde troon zitten. De mūrti 's trekken door de straten, terwijl de buurtbewoners hun huis uitkomen om prasāda te offeren. Ze lopen allen met de stoet mee en alles ziet er prachtig uit. Wanneer de mūrti naar buiten gaat, leggen de tempeldienaars hem een lijstje met de inkomsten en uitgaven van die dag voor: zo veel is er ingezameld, zo veel
is er besteed. Het gaat er allemaal om dat de mūrti gezien wordt als de eigenaar van tempel en omgeving, en alle priesters en anderen die functies vervullen in de tempel worden als dienaars van de mūrti beschouwd. Dit is een oeroud systeem dat nog steeds wordt nagevolgd. Dus hierom wordt hier vermeld dat men de mūrti dient te volgen wanneer deze een wandeling maakt.);
8) een toegewijde behoort minstens tweemaal daags, 's ochtends en 's avonds, een tempel van Vişņu te bezoeken (In Vṛndāvana houdt men zich hier zeer strikt aan. Alle toegewijden van de stad bezoeken de tempels iedere ochtend en avond. Men ziet dan overal grote mensenmenigten op straat. Er zijn in de stad Vṛndāvana ongeveer vijfduizend tempels. Men kan ze natuurlijk niet allemaal bezoeken, maar er is zo'n twaalftal zeer grote en belangrijke tempels, gesticht door de Gosvāmī's, waar men beslist naar toe moet gaan.);
9) men dient minstens drie ommegangen om de tempel te maken (Bij iedere tempel zijn de nodige voorzieningen getroffen dat men er ommegangen omheen kan maken. Sommige toege-wijden maken er meer dan drie; tien, vijftien - al naar hun geloften. De Gosvāmi's maakten altijd een ommegang om de heuvel Govardhana. Men behoort een ommegang te maken om het hele gebied van Vṛndāvana .);
10) men dient de mūrti in de tempel te eren volgens de regulerende beginselen (Men behoort zich met vaste regelmaat te houden aan het offeren van ārati, prasāda, aan het kleden en tooien van de mūrti , enz.);
11) men dient de mūrti 's persoonlijke diensten te verlenen;
12) men dient te zingen;
13) men dient saṅkīrtana te houden;
14) men behoort te chanten;
15) men behoort gebeden op te zenden;
16) men dient bekende gebeden te reciteren;
17) men dient van de mahā-prasāda te proeven (voedsel van het bord waarvan de mūrti 's zelf genomen hebben);
18) men dient caranāmrta te drinken (water waarmee de mūrti 's gebaad zijn en dat de tempelbezoekers aangeboden wordt);
19) men behoort de geur van de wierook en de bloemen op te snuiven die aan de mūrti zijn geofferd;
20) men dient de lotusvoeten van de mūrti aan te raken;
21) men behoort de mūrti met grote toewijding te aanschouwen;
22) men moet op verschillende vaste tijden ārati offeren;
23) men dient te vernemen wat er over de Heer en Zijn spel en vermaak geschreven staat in Śrīmad-Bhāgavatam, Bhagavad-gītā en dergelijke werken;
24) men moet de mūrti om Zijn genade bidden;
25) men dient zich de mūrti te heugen;
26) men dient op de mūrti te mediteren;
27) men dient vrijwillig wat dienst te verrichten;
28) men dient aan de Heer te denken als aan zijn vriend;
29) men dient alles wat men heeft aan de Heer te offeren;
30) men dient iets te offeren waar men bijzonder op gesteld is (een bepaald gerecht of kledingstuk);
31) men dient ter wille van Kṛṣṇa allerlei risico’s te nemen;
32) men behoort in alle omstandigheden aan Hem overgegeven te zijn;
33) men behoort de tulasi-struik water te geven;
34) men dient geregeld kennis te nemen van het Śrīmad-Bhāga-vatam en dergelijke Schriften;
35) men dient in een heilig oord te wonen, zoals Mathurā, Vṛndāvana of Dvārakā;
36) men behoort de Vaișņava's (toegewijden) zijn diensten aan te bieden;
37) men behoort zijn toegewijde dienst naar draagkracht te verrichten;
38) in de maand kārttika (oktober-november) moet men zich gereedhouden om speciale diensten te verlenen;
39) op janmāștamī (Krșņa's verschijningsdag) behoort men een speciale dienst te houden;
40) men behoort al zijn activiteiten zeer zorgvuldig en met grote toewijding voor de mūrti te verrichten;
41) men dient van lezingen uit het Bhāgavatam te genieten in het gezelschap van toegewijden en niet van buitenstaanders;
42) men moet met toegewijden omgaan die als verder gevorderd worden beschouwd;
43) men dient de heilige namen van de Heer te chanten;
44) men dient in het district Mathurā te wonen.
men dient het lichaam te sieren met tilaka-tekens, waaraan men de Vaiṣṇava kent (Het belang hiervan is dat zodra iemand deze tekens op het lichaam van de Vaişņava ziet,hij dadelijk aan Kṛṣṇa denkt. Heer Caitanya heeft gezegd dat een Vaisnava iemand is die een ander door zijn uiterlijk dadelijk aan Kṛṣṇa doet denken. Derhalve is het van het grootste belang dat een Vaiṣṇava zijn lichaam
met tilaka siert.);
2) men kan ook wel met tilaka Hare Kṛṣṇa op zijn lichaam schrijven;
3) men dient de bloemen en kransen die aan de mūrti en de geestelijk leraar geofferd zijn aan te nemen en zichtbaar bij zich te dragen;
4) men moet leren dansen voor de mūrti ;
5) men moet zijn eerbetuigingen leren brengen zodra men de mūrti of de geestelijk leraar ziet;
6) na zijn eerbetuigingen in de tempel van Heer Kṛṣṇa staat men dadelijk op;
7) wanneer de mūrti naar buiten gedragen wordt voor een wandeling, behoort een toegewijde de stoet meteen te volgen (In India heeft men, vooral in tempels van Visnu waar de grote mūrti zijn vaste plaats heeft in het hoofdgedeelte, kleinere mūrti 's, die 's avonds in processie mee naar buiten worden genomen. In sommige tempels is het gebruikelijk dat men
's avonds een grote ommegang maakt met een muziekkorps voorop en een mooie grote parasol boven de mūrti 's, die op de wagen of in de draagstoel, welke door toegewijden wordt getorst, op een versierde troon zitten. De mūrti 's trekken door de straten, terwijl de buurtbewoners hun huis uitkomen om prasāda te offeren. Ze lopen allen met de stoet mee en alles ziet er prachtig uit. Wanneer de mūrti naar buiten gaat, leggen de tempeldienaars hem een lijstje met de inkomsten en uitgaven van die dag voor: zo veel is er ingezameld, zo veel
is er besteed. Het gaat er allemaal om dat de mūrti gezien wordt als de eigenaar van tempel en omgeving, en alle priesters en anderen die functies vervullen in de tempel worden als dienaars van de mūrti beschouwd. Dit is een oeroud systeem dat nog steeds wordt nagevolgd. Dus hierom wordt hier vermeld dat men de mūrti dient te volgen wanneer deze een wandeling maakt.);
8) een toegewijde behoort minstens tweemaal daags, 's ochtends en 's avonds, een tempel van Vişņu te bezoeken (In Vṛndāvana houdt men zich hier zeer strikt aan. Alle toegewijden van de stad bezoeken de tempels iedere ochtend en avond. Men ziet dan overal grote mensenmenigten op straat. Er zijn in de stad Vṛndāvana ongeveer vijfduizend tempels. Men kan ze natuurlijk niet allemaal bezoeken, maar er is zo'n twaalftal zeer grote en belangrijke tempels, gesticht door de Gosvāmī's, waar men beslist naar toe moet gaan.);
9) men dient minstens drie ommegangen om de tempel te maken (Bij iedere tempel zijn de nodige voorzieningen getroffen dat men er ommegangen omheen kan maken. Sommige toege-wijden maken er meer dan drie; tien, vijftien - al naar hun geloften. De Gosvāmi's maakten altijd een ommegang om de heuvel Govardhana. Men behoort een ommegang te maken om het hele gebied van Vṛndāvana .);
10) men dient de mūrti in de tempel te eren volgens de regulerende beginselen (Men behoort zich met vaste regelmaat te houden aan het offeren van ārati, prasāda, aan het kleden en tooien van de mūrti , enz.);
11) men dient de mūrti 's persoonlijke diensten te verlenen;
12) men dient te zingen;
13) men dient saṅkīrtana te houden;
14) men behoort te chanten;
15) men behoort gebeden op te zenden;
16) men dient bekende gebeden te reciteren;
17) men dient van de mahā-prasāda te proeven (voedsel van het bord waarvan de mūrti 's zelf genomen hebben);
18) men dient caranāmrta te drinken (water waarmee de mūrti 's gebaad zijn en dat de tempelbezoekers aangeboden wordt);
19) men behoort de geur van de wierook en de bloemen op te snuiven die aan de mūrti zijn geofferd;
20) men dient de lotusvoeten van de mūrti aan te raken;
21) men behoort de mūrti met grote toewijding te aanschouwen;
22) men moet op verschillende vaste tijden ārati offeren;
23) men dient te vernemen wat er over de Heer en Zijn spel en vermaak geschreven staat in Śrīmad-Bhāgavatam, Bhagavad-gītā en dergelijke werken;
24) men moet de mūrti om Zijn genade bidden;
25) men dient zich de mūrti te heugen;
26) men dient op de mūrti te mediteren;
27) men dient vrijwillig wat dienst te verrichten;
28) men dient aan de Heer te denken als aan zijn vriend;
29) men dient alles wat men heeft aan de Heer te offeren;
30) men dient iets te offeren waar men bijzonder op gesteld is (een bepaald gerecht of kledingstuk);
31) men dient ter wille van Kṛṣṇa allerlei risico’s te nemen;
32) men behoort in alle omstandigheden aan Hem overgegeven te zijn;
33) men behoort de tulasi-struik water te geven;
34) men dient geregeld kennis te nemen van het Śrīmad-Bhāga-vatam en dergelijke Schriften;
35) men dient in een heilig oord te wonen, zoals Mathurā, Vṛndāvana of Dvārakā;
36) men behoort de Vaișņava's (toegewijden) zijn diensten aan te bieden;
37) men behoort zijn toegewijde dienst naar draagkracht te verrichten;
38) in de maand kārttika (oktober-november) moet men zich gereedhouden om speciale diensten te verlenen;
39) op janmāștamī (Krșņa's verschijningsdag) behoort men een speciale dienst te houden;
40) men behoort al zijn activiteiten zeer zorgvuldig en met grote toewijding voor de mūrti te verrichten;
41) men dient van lezingen uit het Bhāgavatam te genieten in het gezelschap van toegewijden en niet van buitenstaanders;
42) men moet met toegewijden omgaan die als verder gevorderd worden beschouwd;
43) men dient de heilige namen van de Heer te chanten;
44) men dient in het district Mathurā te wonen.
Hiermee komt het totale aantal regulerende beginselen op vierenzestig. Zoals vermeld, komen eerst de tien primaire aanwijzingen, dan volgen de tien secundaire aanwijzingen en daaraan worden dan deze vierenveertig andere toegevoegd. Bij elkaar zijn er dus vierenzestig activiteiten ter geregelde beoefening van de toegewijde dienst. Van deze vierenzestig zijn er vijf zeer belangrijk, namelijk: water geven aan de tulasi-struik, kennisnemen
van het Śrīmad-Bhāgavatam, omgaan met de toegewijden, saṅkīrtana houden en in Mathurā wonen.
van het Śrīmad-Bhāgavatam, omgaan met de toegewijden, saṅkīrtana houden en in Mathurā wonen.
Aan de beoefening van deze vierenzestig activiteiten van de toegewijde dienst dienen we lichaam, geest en spraak geheel ondergeschikt te maken. Zoals in het begin verklaard, wil het grondbeginsel van de toegewijde dienst dat we het gebruik van al onze zinnen ten dienste stellen van de Heer. Hoe dat precies kan, is in bovenvermelde vierenzestig punten beschreven. Thans zal Śrīla Rūpa Gosvāmī uit verschillende Schriften aanhalingen geven die de geldigheid van tal van deze punten onderstrepen.