Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 5
Toegewijde dienst en zuiverheid
Alle tot dusver door Śrīla Rūpa Gosvāmī in den brede gegeven instructies kunnen als volgt worden samengevat. Zo lang men tot de stof geneigd is of ernaar verlangt in het geestelijk licht op te gaan, kan men niet binnentreden in de sfeer der zuivere toegewijde dienst. Vervolgens verklaart Rūpa Gosvāmī dat de toegewijde dienst zich aan elke vorm van materiële beoordeling onttrekt en niet voorbehouden is aan een bepaalde natie, klasse, gemeenschap of situatie. Zoals het Śrīmad-Bhāgavatam aangeeft, is toegewijde dienst bovenzinnelijk en kent geen bijbedoelingen. Men verricht toegewijde dienst zonder gedachte aan eigen voordeel en geen enkele materiële omstandigheid kan haar een halt toeroepen. Ze is zonder onderscheid toegankelijk vooriedereen en vormt de wezenlijke activiteit van elk levend wezen.
Na het heengaan van Heer Caitanya's verheven metgezel Heer Nityānanda, stond er een klasse van priesters op die beweerden dat ze de opvolgers van Nityānanda waren en zich de gosvāmī-kaste noemde. Ze beweerden ook dat de beoefening en verbreiding van de toegewijde dienst slechts aan hún klasse voorbehouden was, aan de Nityānanda- vaṁśa. Zo oefenden ze een tijdlang op irreële wijze de macht uit, totdat Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ţhākura, de vervaarlijke ācārya van de Gaudīya-Vaişņava-sampradāya, hun waan verbrijzelde. Nu volgde er enige tijd een harde strijd, die goed afliep en thans is het een uitgemaakte zaak dat de toegewijde dienst niet aan een bepaalde klasse voorbehouden is. Bovendien bevindt iedereen die toegewijde dienst verricht zich reeds op het niveau van een eerwaarde brāhmaņa. Dus de strijd die Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Ţhākura voor deze beweging gestreden heeft, is met succes bekroond.
Op grond van zijn verdienste kan tegenwoordig iedereen, waar ook ter wereld of in het universum, een Gaudīya Vaişņava worden. Een zuivere Vaișņava is op bovenzinnelijk niveau en daarom is het hoogste wat men in deze wereld bereiken kan, te weten: zich in de geaardheid goedheid bevinden, reeds zijn deel. Onze Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn in de westerse wereld gaat uit van het bovenvermelde stand-punt van Śrīla Bhaktisiddhānta Sarasvatī Gosvāmī Prabhupāda, onze geestelijk leraar. Het is op zijn gezag dat we uit alle geledingen van de westerse samenleving leden aantrekken. De zogenaamde brāhmana's beweren dat iemand die niet als brāhmana geboren is geen heilige draad mag ontvangen en geen hoogwaardige Vaisnava kan worden. Wij verwerpen deze gedachte, omdat ze geen steun vindt bij Rūpa Gosvāmī of de diverse Schriften.
Śrīla Rūpa Gosvāmī vermeldt hier speciaal dat iedereen van nature recht op toegewijde dienst en Kṛṣṇa-bewustzijn heeft. Hij toont dit aan met tal van schriftuurlijke bewijsplaatsen, met name een tekst uit de Padma Purāṇa, waarin de wijze Vasiṣṭha tot Koning Dilipa zegt:
"Waarde vorst, iedereen mag toegewijde dienst verrichten, zoals iedereen zich in de maand Māgha [december-januari] vroeg mag baden."
De Padma Purāņa zegt hierover nog meer, want in de Kāśī-khaṇḍa-afdeling staat te lezen:
"In het land genaamd Mayūradhvaja worden mensen uit de laagste kasten, die als nog minder dan śudra's worden beschouwd, ook ingewijd in de toegewijde dienst aan Vișņu. En als ze zich correct kleden, met tilaka -tekens op hun lichaam en een kralensnoer in de hand en om hun hals, lijken ze zo van Vaikuṇṭha te komen. Ze zien er dan eigenlijk zo mooi uit, dat een gewone brāhmaņa erbij ín het niet zinkt."
"Waarde vorst, iedereen mag toegewijde dienst verrichten, zoals iedereen zich in de maand Māgha [december-januari] vroeg mag baden."
De Padma Purāņa zegt hierover nog meer, want in de Kāśī-khaṇḍa-afdeling staat te lezen:
"In het land genaamd Mayūradhvaja worden mensen uit de laagste kasten, die als nog minder dan śudra's worden beschouwd, ook ingewijd in de toegewijde dienst aan Vișņu. En als ze zich correct kleden, met tilaka -tekens op hun lichaam en een kralensnoer in de hand en om hun hals, lijken ze zo van Vaikuṇṭha te komen. Ze zien er dan eigenlijk zo mooi uit, dat een gewone brāhmaņa erbij ín het niet zinkt."
Dus een Vaíșņava is vanzelf brāhmaņa. Deze gedachte wordt ook door Sanātana Gosvāmī gehuldigd in zijn boek Hari-bhakti-vilāsa, het handboek van de Vaisņava's. Daarin wordt duidelijk verklaard dat iedereen die op de juiste wijze ingewijd wordt in de eredienst aan Vișņu, beslist brāhmaņa wordt, zoals het metaal kaṁsa (klokkespijs / legering van koper en tin) door menging met kwik in goud verandert. Een bevoegd geestelijk leraar kan op gezag van zijn meerderen iedereen tot Vaişņava maken, zodat, men vanzelf de verheven positie van het brāhmaņa-schap bereikt.
Śrila Rūpa Gosvāmi waarschuwt er echter voor dat iemand die op de juiste wijze door een bevoegd geestelijk leraar ingewijd is niet denken moet dat louter met deze initiatie de kous af is. Men dient zich uiterst zorgvuldig aan de regulerende bepalingen te houden. Indien men zich na zijn initiatie door de geestelijk brāhmaņa bereikt. Men dient zich ook aan zijn plichten te houden en de regulerende beginselen uiterst strikt na te leven.
Srī Rūpa Gosvāmī zegt, dat wie zijn toegewijde dienst stelselmatig verricht met geen mogelijkheid ten val kan komen. Maar zelfs als een Vaişņava een val maakt, hoeft daar geen prāyaścitta -het louterings-ritueel-aan te pas te komen. Iemand die de beginselen der toegewijde dienst verlaten heeft, hoeft geen prāyaścitta te doen om er weer bovenop te komen. Hij dient slechts de regels en bepalingen der toegewijde dienst na te leven, waardoor hij voldoende op peil komt. Dat is het mysterie van de religie der Vaişņava's.
Er bestaan in de praktijk drie methoden waardoor men het geestelijk bewustzijnsniveau bereiken kan: karma, jñāna en bhakti. Het verrichten van rituele activiteiten behoort tot het gebied van karma. De methode van het speculatief denken behoort tot het gebied van jñāna. Iemand die de weg van bhakti volgt, de toegewijde dienst aan de Heer, heeft niets met karma en jñāna van doen. Zoals reeds verklaard, heeft zuivere toegewijde dienst geen zweem van karma of jñāna in zich. Bhakti behoort geheel vrij te zijn van speculatief denken en ritualistische activiteit.
In dit verband citeert Śrila Rūpa Gosvāmi Heer Kṛṣṇa, die tot Uddhava zegt (S.B., 11.21.2):
"Men kan als volgt onderscheid maken tussen geschiktheid en ongeschiktheid: is men door toegewijde dienst gestegen, dan zal men nooit meer zijn heil zoeken bij de methoden van baatzuchtige activiteiten en speculatief denken. Houdt men zich aan zijn toegewijde dienst en volgt men de regels en bepalingen van de autoriteiten en ācārya's, dan blijkt daaruit het duidelijkst dat men geschikt is."
"Men kan als volgt onderscheid maken tussen geschiktheid en ongeschiktheid: is men door toegewijde dienst gestegen, dan zal men nooit meer zijn heil zoeken bij de methoden van baatzuchtige activiteiten en speculatief denken. Houdt men zich aan zijn toegewijde dienst en volgt men de regels en bepalingen van de autoriteiten en ācārya's, dan blijkt daaruit het duidelijkst dat men geschikt is."
Deze verklaring wordt ondersteund door een tekst in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.5.17), waarin Srī Nārada Muni als volgt raad geeft aan Vyāsadeva:
"Zelfs als men zich niet aan zijn speciale plicht volgens zijn maatschappelijke positie houdt, maar rechtstreeks zijn toevlucht bij de lotusvoeten van Hari [Kṛṣṇa] zoekt, is zulks geen gebrek en is men onder alle omstandigheden veilig. Zelfs als men door omgang met verkeerde personen uit zijn toegewijde dienst ten val komt of de weg der toegewijde dienst niet geheel aflegt en ontijdig sterft, is er nog niets verloren. Iemand echter die slechts zijn plicht doet over-eenkomstig zijn varņa en āśrama, zonder Kṛṣṇa-bewustzijn, weet eigenlijk geen werkelijk voordeel uit zijn mensenleven te trekken."
De strekking hiervan is dat alle gebonden zielen die zich driftig met zinsbevredigende activiteiten bezighouden, zonder te weten dat dit hun nooit uit de sfeer van de stoffelijke besmetting zal helpen wegkomen, slechts een voortdurende herhaling van geboorte en dood toegemeten krijgen.
"Zelfs als men zich niet aan zijn speciale plicht volgens zijn maatschappelijke positie houdt, maar rechtstreeks zijn toevlucht bij de lotusvoeten van Hari [Kṛṣṇa] zoekt, is zulks geen gebrek en is men onder alle omstandigheden veilig. Zelfs als men door omgang met verkeerde personen uit zijn toegewijde dienst ten val komt of de weg der toegewijde dienst niet geheel aflegt en ontijdig sterft, is er nog niets verloren. Iemand echter die slechts zijn plicht doet over-eenkomstig zijn varņa en āśrama, zonder Kṛṣṇa-bewustzijn, weet eigenlijk geen werkelijk voordeel uit zijn mensenleven te trekken."
De strekking hiervan is dat alle gebonden zielen die zich driftig met zinsbevredigende activiteiten bezighouden, zonder te weten dat dit hun nooit uit de sfeer van de stoffelijke besmetting zal helpen wegkomen, slechts een voortdurende herhaling van geboorte en dood toegemeten krijgen.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (5.5.6) verklaart Rşabhadeva duidelijk aan zijn zoons:
"Lieden die zich met baatzuchtige activiteiten bezighouden krijgen telkens met geboorte en dood te maken, en tenzij ze liefde voor Vāsudeva opvatten, is er geen sprake van dat ze zich aan de onvermurwbare greep van de wetten der stoffelijke natuur kunnen onttrekken."
Men dient dus te begrijpen dat wie zich uiterst serieus aan het vervullen van zijn plichten overeenkomstig zijn varņa en āśrama wijdt, maar daarbij geen liefde voor de Allerhoogste Godspersoon, Vāsudeva, ontwikkelt, slechts zijn menselijke levensvorm verkwanselt.
"Lieden die zich met baatzuchtige activiteiten bezighouden krijgen telkens met geboorte en dood te maken, en tenzij ze liefde voor Vāsudeva opvatten, is er geen sprake van dat ze zich aan de onvermurwbare greep van de wetten der stoffelijke natuur kunnen onttrekken."
Men dient dus te begrijpen dat wie zich uiterst serieus aan het vervullen van zijn plichten overeenkomstig zijn varņa en āśrama wijdt, maar daarbij geen liefde voor de Allerhoogste Godspersoon, Vāsudeva, ontwikkelt, slechts zijn menselijke levensvorm verkwanselt.
Dit wordt ook elders in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.11.32) bevestigd, namelijk waar de Heer tot Uddhava zegt:
"Mijn beste Uddhava, iedereen die in volledige overgave zijn toevlucht bij Mij zoekt en Mijn aanwijzingen volgt, terwijl hij daarbij zijn plichten met betrekking tot van zijn maatschappelijke positie laat varen, dient als een mens van de eerste orde te worden beschouwd."
Uit deze verklaring van de Allerhoogste Godspersoon dient men op te maken dat mensen die zich doorgaans aangetrokken voelen tot het verrichten van filantropische, altruïstische, politieke en sociale welzijnsactiviteiten, alleen naar materiële maatstaven waardering verdienen. Uit het Śrīmad-Bhāgavatam en andere authentieke Vedische bronnen vernemen we voorts dat iemand die gewoon in Kṛṣṇa-bewustzijn handelt en toegewijde dienst verricht, als veel verhevener wordt beschouwd dan al diegenen die zich met filantropische, altruïstische en sociale welzijnsactiviteiten bezighouden.
"Mijn beste Uddhava, iedereen die in volledige overgave zijn toevlucht bij Mij zoekt en Mijn aanwijzingen volgt, terwijl hij daarbij zijn plichten met betrekking tot van zijn maatschappelijke positie laat varen, dient als een mens van de eerste orde te worden beschouwd."
Uit deze verklaring van de Allerhoogste Godspersoon dient men op te maken dat mensen die zich doorgaans aangetrokken voelen tot het verrichten van filantropische, altruïstische, politieke en sociale welzijnsactiviteiten, alleen naar materiële maatstaven waardering verdienen. Uit het Śrīmad-Bhāgavatam en andere authentieke Vedische bronnen vernemen we voorts dat iemand die gewoon in Kṛṣṇa-bewustzijn handelt en toegewijde dienst verricht, als veel verhevener wordt beschouwd dan al diegenen die zich met filantropische, altruïstische en sociale welzijnsactiviteiten bezighouden.
Hetzelfde wordt nog nadrukkelijk bevestigd door Karabhājana Muni, wanneer deze zich in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.41) als volgt tot Mahārāja Nimi richt:
"Waarde vorst, als iemand zijn plichten verzaakt die met zijn positie binnen de varṇa’s en āśrama's samenhangen, maar zich volkomen aan de lotusvoeten van de Heer overgeeft, is hij niemands schuldenaar meer, noch hoeft hij zich bezig te houden met de verschillende vormen van dienst die we de grote wijzen, voorouders en allerlei lieden van de samenleving bewijzen. Noch hoeft hij een van de vijf soorten offers te brengen, waardoor men van stoffelijke smettenmvrij blijft. Louter door zijn toegewijde dienst wordt hij van allerlei verplichtingen ontslagen."
De strekking hiervan is dat men vanaf het moment van zijn geboorte bij allerlei instanties in de schuld staat. Men staat in het krijt bij de grote wijzen, omdat men baat heeft bij het kennisnemen van hun gezaghebbende geschriften en boeken. Zo doen wij bijvoorbeeld ons voordeel met de boeken van Vyāsadeva. Vyāsadeva heeft ons alle Veda's nagelaten. Voordat Vyāsadeva haar op schrift stelde, werd de Vedische literatuur slechts mondeling doorgegeven: de leerlingen leerden de mantra's snel op het gehoor en niet door ze te lezen. Het leek Vyāsadeva verstandig de Veda's te boekstaven, omdat de mensen van deze tijd kort van memorie zijn en zich onmogelijk alle aanwijzingen van de geestelijk leraar kunnen herinneren. Daarom stelde hij alle Vedische kennis te boek, in de vorm van de Purāņa's, de Vedānta, het Mahabhārata en het Śrīmad-Bhāgavatam.
"Waarde vorst, als iemand zijn plichten verzaakt die met zijn positie binnen de varṇa’s en āśrama's samenhangen, maar zich volkomen aan de lotusvoeten van de Heer overgeeft, is hij niemands schuldenaar meer, noch hoeft hij zich bezig te houden met de verschillende vormen van dienst die we de grote wijzen, voorouders en allerlei lieden van de samenleving bewijzen. Noch hoeft hij een van de vijf soorten offers te brengen, waardoor men van stoffelijke smettenmvrij blijft. Louter door zijn toegewijde dienst wordt hij van allerlei verplichtingen ontslagen."
De strekking hiervan is dat men vanaf het moment van zijn geboorte bij allerlei instanties in de schuld staat. Men staat in het krijt bij de grote wijzen, omdat men baat heeft bij het kennisnemen van hun gezaghebbende geschriften en boeken. Zo doen wij bijvoorbeeld ons voordeel met de boeken van Vyāsadeva. Vyāsadeva heeft ons alle Veda's nagelaten. Voordat Vyāsadeva haar op schrift stelde, werd de Vedische literatuur slechts mondeling doorgegeven: de leerlingen leerden de mantra's snel op het gehoor en niet door ze te lezen. Het leek Vyāsadeva verstandig de Veda's te boekstaven, omdat de mensen van deze tijd kort van memorie zijn en zich onmogelijk alle aanwijzingen van de geestelijk leraar kunnen herinneren. Daarom stelde hij alle Vedische kennis te boek, in de vorm van de Purāņa's, de Vedānta, het Mahabhārata en het Śrīmad-Bhāgavatam.
Er zijn vele andere wijzen, zoals Śańkarācārya, Gautama Muni en Nārada Muni enz., bij wie we in de schuld staan wegens het voordeel dat we met hun kennis doen. Evenzo hebben we verplichtingen jegens onze voorouders, omdat we in de familie waarin we geboren zijn allerlei voordelen genieten en eigendom erven. Daarom staan we bij onze voorouders in de schuld en moeten we ze na hun dood pinda (prasādam) offeren. Verder hebben we verplichtingen jegens de mensheid in het algemeen alsook aan onze familie, vrienden en zelfs dieren als koeien en honden, die ons zo veel dienst bewijzen.
Zo staan we in het krijt bij goden, voorouders, wijzen, dieren en de samenleving in het algemeen. Het is onze plicht hun allen genoegdoening te verschaffen door hen op de juiste manier te dienen. Maar als men al zijn plichten laat varen en zich in toegewijde dienst aan de Allerhoogste Godspersoon overgeeft, is men in één klap van al zijn schuld af en geen enkele andere bron van voordeel nog iets verplicht.
In de Bhagavad-gītā (XVIII.66) zegt de Heer:
“Laat al je bezigheden varen en geef je slechts aan Mij over. Ik verzeker je dat ik je tegen alle terugslagen van je zondig doen en laten beschermen zal."
Dus men kan weliswaar denken dat men zijn verplichtingen niet meer na zal kunnen komen als men zich aan de Allerhoogste Godspersoon overgeeft, maar de Heer zegt herhaaldelijk: “Aarzel niet. Denk niet dat er iets misgaat als je al die andere dingen laat varen. Zo moet je niet denken. Ik zal je volkomen beschermen." Dat is de verzekering die Heer Kṛṣṇa ons in de Bhagavad-gitā geeft.
“Laat al je bezigheden varen en geef je slechts aan Mij over. Ik verzeker je dat ik je tegen alle terugslagen van je zondig doen en laten beschermen zal."
Dus men kan weliswaar denken dat men zijn verplichtingen niet meer na zal kunnen komen als men zich aan de Allerhoogste Godspersoon overgeeft, maar de Heer zegt herhaaldelijk: “Aarzel niet. Denk niet dat er iets misgaat als je al die andere dingen laat varen. Zo moet je niet denken. Ik zal je volkomen beschermen." Dat is de verzekering die Heer Kṛṣṇa ons in de Bhagavad-gitā geeft.
Hetzelfde blijkt uit de Agastya-samhitā:
"Aangezien een verloste ziel zich niet aan de regulerende be-ginselen van de Schriften hoeft te houden, hoeft iemand die zich op de juiste wijze aan de dienst van Heer Rāmacandra wijdt geen rituele handelingen meer te verrichten welke de Vedische supplementen voorschrijven."
Met andere woorden: de toegewijden van Heer Rāmacandra of Kṛṣṇa zijn al verlost en hoeven zich niet meer naar al de regulerende beginselen te richten welke in de Vedische Schriften met betrekking tot de riten worden vermeld.
"Aangezien een verloste ziel zich niet aan de regulerende be-ginselen van de Schriften hoeft te houden, hoeft iemand die zich op de juiste wijze aan de dienst van Heer Rāmacandra wijdt geen rituele handelingen meer te verrichten welke de Vedische supplementen voorschrijven."
Met andere woorden: de toegewijden van Heer Rāmacandra of Kṛṣṇa zijn al verlost en hoeven zich niet meer naar al de regulerende beginselen te richten welke in de Vedische Schriften met betrekking tot de riten worden vermeld.
In hoofdstuk vijf van het elfde canto van het Śrīmad-Bhāgavatam richt Karabhājana Muni zich als volgt tot Koning Nimi:
"Mijn waarde vorst, iemand die ervan afziet de goden te aanbidden en al zijn energie volkomen richt op het toegewijd dienen van de Allerhoogste Godspersoon, is de Heer daarmee uiterst dierbaar. Doet zo iemand per ongeluk iets wat verboden is, dan hoeft hij daarvoor geen rituele loutering te ondergaan. Van binnenuit zorgt de Heer, die in het hart van de toegewijde woont, dat deze zijn levenswandel corrigeert."
Ook op vele plaatsen in de Bhagavad-gitā wordt bevestigd dat de Allerhoogste, Kṛṣṇa, bijzondere belangstelling voor Zijn toegewijden aan de dag legt en uitdrukkelijk te kennen geeft dat ze op geen enkele manier ten val kunnen komen. Hij beschermt ze altijd.
"Mijn waarde vorst, iemand die ervan afziet de goden te aanbidden en al zijn energie volkomen richt op het toegewijd dienen van de Allerhoogste Godspersoon, is de Heer daarmee uiterst dierbaar. Doet zo iemand per ongeluk iets wat verboden is, dan hoeft hij daarvoor geen rituele loutering te ondergaan. Van binnenuit zorgt de Heer, die in het hart van de toegewijde woont, dat deze zijn levenswandel corrigeert."
Ook op vele plaatsen in de Bhagavad-gitā wordt bevestigd dat de Allerhoogste, Kṛṣṇa, bijzondere belangstelling voor Zijn toegewijden aan de dag legt en uitdrukkelijk te kennen geeft dat ze op geen enkele manier ten val kunnen komen. Hij beschermt ze altijd.