Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 4

Toegewijde dienst gaat elke vorm van verlossing te boven

Hoe serieus een toegewijde gehecht is aan de toegewijde dienst van de Allerhoogste Godspersoon kan men aflezen aan een uitspraak van Mahārāja Prthu (Ādirāja) dienaangaande in het Śrīmad-Bhāgavatam(4.20.24):

"Lieve Heer, als ik na mijn verlossing geen kans zou krijgen de roem van Uwe Heerlijkheid te horen bezingen door zuivere toege-wijden, die uit de grond van hun hart Uw lotusvoeten prijzen, en als deze bovenzinnelijke vreugde-honing me zou moeten ontgaan, zal ik nimmer om verlossing of zogenaamde geestelijke verlichting vragen. Ik zal Uwe Heerlijkheid altijd bidden dat U me miljoenen tongen en miljoenen oren wilt geven, opdat ik onophoudelijk Uw bovenzinnelijke daden zal mogen bezingen en vernemen."
De impersonalisten verlangen ernaar met het bestaan van het Allerhoogste te versmelten, maar verliest men zo zijn individualiteit, dan bestaat er geen kans dat men de heerlijkheid van de Opperheer kan bezingen en vernemen. Omdat ze niets van de bovenzinnelijke gedaante van de Opperheer afweten, is het ondenkbaar dat ze Zijn bovenzinnelijke activiteiten zullen bezingen en horen loven. Met andere woorden: als men de verlossingsidee niet heeft laten varen, kan men niet van de bovenzinnelijke heerlijkheid van de Heer genieten, noch Zijn bovenzinnelijke gedaante verstaan.
Elders in het Bhāgavatam (5.14.44) vindt men nog zo'n verklaring. Śukadeva Gosvāmī zegt daar tot Mahārāja Parīkșit:

"Koning Bharata, die grote ziel, was zo aan het dienen van Kṛṣṇa's lotusvoeten gehecht, dat hij zijn heerschappij over de aardplaneet en zijn genegenheid voor zijn kinderen, de samenleving, vrienden, koninklijke weelde en zijn schone gemalin moeiteloos liet varen. Het lot wilde dat het de godin van het geluk behaagde hem alle vormen van stoffelijke gunst te bewijzen, maar nimmer nam hij er ook maar iets van aan."

Śukadeva Gosvāmī prijst deze houding van Koning Bharata buitenmate.  Hij zegt:

"Wie zich innerlijk aangetrokken voelt tot de bovenzinnelijke eigenschappen van de Allerhoogste Godspersoon, Madhusūdana, taalt zelfs niet meer naar verlossing, waar vele grote wijzen naar streven, en de gedachte aan stoffelijke weelde komt niet eens meer in hem op."
In het Bhāgavatam (6.11.25) vinden we een vergelijkbare verklaring van Vrtrāsura, die zich als volgt tot de Heer richt:
"Lieve Heer, als ik Uw bovenzinnelijke dienst verlaat, mag ik misschien opgaan tot de planeet Dhruva-loka [de Poolster] of heer over alle planetenstelsels van het universum worden. Maar daar gaat mijn verlangen niet naar uit. Noch begeer ik me de mystieke volmaaktheden, die men door yoga-beoefening verkrijgt, te ver-werven, noch streef ik naar geestelijke verlossing. Het enige wat ik begeer, o Heer, is eeuwig in bovenzinnelijke dienstbaarheid met U te mogen omgaan."
De juistheid van zo'n uitspraak wordt in het Śrīmad-Bhāgavatam (6.17.28) bevestigd door Heer Śiva in een gesprek met zijn echtgenote Satī:
“Mijn lieve Satī, degenen die Nārāyaņa [Kṛṣṇa] zijn toegewijd hebben nergens angst voor. Of ze nu verheven worden tot de hemelse planeten, of verlossing ontvangen van de besmetting door de stof, of neergeworpen worden in helse omstandigheden, of wat dan ook, ze zijn nergens bang voor. Louter omdat ze hun toevlucht bij de lotusvoeten van Nārāyaņa zoeken, is iedere positie in de stoffelijke wereld even goed voor ze als elke andere." 
Indra, de hemelvorst, spreekt eveneens in het Śrīmad-Bhāgavatam(6.18.74) een dergelijke verklaring uit. Hij zegt daar tot zijn moeder:
"Lieve moeder [Aditi], degenen die alle vormen van begeerte hebben laten varen en zich slechts in toegewijde dienst van de Heer bevinden, weten werkelijk wat in hun belang is. Zij dienen hun belang en worden beschouwd als de mensen die bij uitstek weten hoe men zijn leven vervolmaakt."
Mahārāja Prahlāda zegt in het Bhāgavatam (7.6.25):
"Beste vrienden, ook al zijn jullie geboren onder atheïsten, toch zal elk verlangen dat in het diepst van je hart leeft vervuld worden, als de Opperheer, Kṛṣṇa, tevreden over jullie is. Als je de Allerhoogste Godspersoon, Krșņa, voldoening weet te schenken, is er niets fijners in de wereld. Als je dat weet, wat heb je er dan aan het hogerop te zoeken door egoïstische activiteiten, waarvan de vruchten je vanzelf al worden toegeworpen door de invloed van de drieërlei aard der natuur?  En wat heb je aan geestelijke verlossing uit de gevangenschap in de stof? Als je maar altijd bezig bent de heerlijkheid van de Opperheer te bezingen en altijd van de nectar van Zijn lotusvoeten geniet, is het niet nodig die zaken na te streven."
Uit deze uitspraak van Prahlāda Mahārāja blijkt duidelijk dat iemand die behagen schept in het bezingen van en luisteren naar beschrijvingen van de bovenzinnelijke heerlijkheid van de Heer al aan alle stoffelijke zegeningen ontstegen is, dus ook aan het genot van de vruchten van zijn vrome baatzuchtige streven en offers, en zelfs aan zijn verlossing uit de stoffelijke gevangenschap.
Wanneer in hetzelfde boek (7.8.42) de goden gebeden opzenden aan Heer Nrsimha, zegt Indra, de hemelkoning:
"O Allerhoogste, deze demonen hebben hun mond vol over ons aandeel dat we ontvangen van de rituele offers, maar louter door Uw verschijnen als Heer Nrsimhadeva heeft U ons van verschrikkelijke angsten gered. In feite hebben we ons deel van de offeranden slechts aan U te danken, want U bent de opperste genieter van alle soorten offers. U bent de Superziel van ieder levend wezen en daarom bent U van alles de eigenlijke eigenaar. Lang was ons hart van vrees vervuld voor deze demon, Hiraņyakaśipu. Maar U bent ons nu zo welgezind, dat U door hem te doden alle vrees uit ons hart gebannen hebt en ons in staat stelt Uwe Heerlijkheid daarin weer Uw plaats te geven. Voor lieden in de bovenzinnelijke liefdedienst van Uwe Heerlijkheid is alle weelde welke de demonen ons hadden afgenomen van geen enkel belang. Toegewijden zijn niet eens in verlossing geïnteresseerd, dus wat kan stoffelijke weelde hun dan schelen ? Wij zijn immers niet degenen die van de vruchten van de offers behoren te genieten. Het is slechts onze plicht ons altijd aan Uw dienst te wijden, want U bent de Algenieter."
De strekking van deze uitspraak van Indra is dat geen enkel levend wezen, vanaf Brahmā tot de onbeduidende mier, van de geneugten van de materie behoort te genieten. Iedereen dient alles slechts aan de hoogste eigenaar, de Godspersoon, te offeren, hetgeen vanzelf zijn vruchten afwerpt. Hier kan weer het voorbeeld worden aangehaald van de verschillende lichaamsdelen die de voedsel-ingrediënten ver-zamelen en koken, opdat er tenslotte een maaltijd aan de maag kan worden gegeven. Zit het voedsel eenmaal in de maag, dan hebben alle delen van het lichaam daar gelijkelijk nut van. Zo is het ook ieders plicht de Opperheer voldoening te schenken, als gevolg waarvan iedereen zich voldaan zal voelen.
Er is nog zo'n vers in het Śrīmad-Bhāgavatam (8.3.20). Gajendra zegt:
"Lieve Heer, ik weet niets van de bovenzinnelijke gelukzaligheid welke men aan Uw toegewijde dienst ontleent; daarom vraag ik U dus om een gunst. Maar ik weet dat zuivere toegewijden, die door het dienen van de lotusvoeten van grote zielen losgekomen zijn van alle stoffelijke begeerte, altijd opgaan in de oceaan van bovenzinne-lijke gelukzaligheid en bijgevolg altijd voldaan zijn met het ver-heerlijken van Uw heilrijke eigenschappen. Zij hebben niets anders te verlangen of te vragen."
Elders (9.4.67) geeft de Heer van Vaikuntha aldus antwoord aan Durvāsa Muni:
"Mijn zuivere toegewijden voelen zich altijd volkomen voldaan in Mijn toegewijde dienst en verlangen niet eens naar het bereiken van een der vijf vormen van verlossing, te weten: eenwording met Mij, deel uitmaken van Mijn gezelschap, het bezit van Mijn vol-heden, het vertonen van Mijn uiterlijke kenmerken of wonen op Mijn planeet. Dus als ze al zo weinig geven om deze vormen van verlossing, is het duidelijk hoe weinig stoffelijke weelde of ver-lossing zonder meer hun kan schelen."
Ook is er een gebed van gelijke strekking van de nāga-patnī's, de echtgenoten van het slangenmonster Kāliya (10.16.37):
"Lieve Heer, het stof van Uw lotusvoeten is zo wonderbaarlijk. Een ieder die het geluk heeft dat hij iets van dat stof bemachtigen kan, verliest zijn verlangen naar de hemelse planeten, de heerschappij over alle planetenstelsels, het bezit van de mystieke volmaaktheden die men door yoga-beoefening verkrijgt, of zelfs naar verlossing van het stoffelijke bestaan. Met andere woorden: wie het stof van Uw lotusvoeten aanbidt, is hoegenaamd niet meer geïnteresseerd in wat voor vorm van volmaaktheid ook."
We vinden elders (10.87.21) een vergelijkbare uitspraak, wanneer de śruti's, de Veda's in eigen persoon, zich als volgt tot de Heer wenden:
"Lieve Heer, het is zeer moeilijk te begrijpen wat geestelijke kennis precies inhoudt. Uw verschijnen hier, zoals U werkelijk bent, dient ertoe om ons inzicht te geven in deze uiterst moeilijke kwestie van de kennis aangaande het geestelijke. Daartoe hebben Uw toegewijden huis en haard verlaten, teneinde de omgang met de verloste ācārya's te zoeken, als gevolg waarvan ze nu volkomen opgaan in de toegewijde dienst aan Uwe Heerlijkheid en geen belangstelling meer hebben voor de zogenaamde verlossing."
Ter verduidelijking van dit vers dient te worden opgemerkt dat geestelijke kennis inhoudt dat men weet wie het zelf en het Superzelf, of de Superziel, zijn. De individuele ziel en de Superziel zijn naar gehalte één en daarom kent men beiden als Brahman, of Geest. Maar de kennis aangaande Brahman is uiterst moeilijk te bevatten. Vele filosofen houden zich er druk mee bezig het wezen van de ziel te doorgronden, maar maken daarbij geen merkbare vooruitgang. In de Bhagavad-gītā wordt bevestigd dat onder miljoenen personen er misschien één tracht te begrijpen wat geestelijke kennis is en dat er onder velen die enig inzicht hebben gekregen slechts een enkeling doorkrijgt wat de Allerhoogste Godspersoon is. Het onderhavige vers zeg dus dat geestelijke kennis zeer moeilijk te verwerven is en dat de Opperheer, teneinde dit te vergemakkelijken, Zelf in Zijn oorspronkelijke Kṛṣṇa-gedaante neerdaalt en Zijn metgezel Arjuna rechtstreeks dienaangaande onderricht, opdat de mensheid in het algemeen haar voordeel met deze geestelijke openbaring zal kunnen doen. Dit vers legt tevens uit dat verlossing betekent dat men volkomen afziet van de stoffelijke levensgeneugten. Impersonalisten voelen zich al voldaan wanneer ze gewoon hun materiële omstandigheden van zich af kunnen zetten, maar toegewijden geven het stoffelijk bestaan vanzelf prijs, terwijl ze tegelijk bovenzinnelijke gelukzaligheid ervaren bij het luisteren naar de verhalen over de fantastische activiteiten van Heer Kṛṣṇa en bij het verheerlijken van die activiteiten.
Heer Kṛṣṇa spreekt als volgt tot Uddhava (Ś.B., 11.20.34):

"Waarde Uddhava, de toegewijden die zich volkomen op Mijn dienst hebben geworpen zijn daarin zo verankerd, dat ze daar-buiten geen enkel verlangen meer hebben. Zelfs indien hun de vier geestelijke volheden (1) worden aangeboden, weigeren ze die te accepteren. Dus hoe zullen ze dan ook niet iets stoffelijks kunnen weigeren!"

Elders (Ś.B., 11.14.14) verklaart Heer Kṛṣṇa:

"Beste Uddhava, iemand wiens bewustzijn geheel doortrokken is van gedachten aan Mijen Mijn doen en laten, verlangt er niet eens meer naar de positie van Brahmā te krijgen òf over de planeten te heersen of de acht vormen van mystieke volmaaktheid te bezitten of de verlossing zelf deelachtig te zijn."

Op weer een andere plaats in het Bhāgavatam (12.10.6) zegt Heer Śiva tot Devi:

“Lieve Devī, deze grote wijze Mārkaņdeya is tot onwankelbaar geloof en toewijding aan de Allerhoogste Godspersoon gekomen en stelt bijgevolg geen enkel belang meer in wat voor zegeningen dan ook, zelfs niet in verlossing uit de stoffelijke wereld."
(1) De vijfde vorm van verlossing, opgaan in het Allerhoogste, wordt niet als een der volheden van het zo afwisselende geestelijke bestaan beschouwd.
Er is ook een vergelijkbare uitspraak in de Padma Purāņa aangaande rituelen in de maand Kārtikka (oktober-november). Tijdens deze maand geldt in Vṛndāvana  als regel dat men er Heer Kṛṣṇa dagelijks in Zijn Dāmodara-gedaante eert. De Dāmodara-gedaante is die van Kṛṣṇa als ondeugend kind, die door Zijn zeer verstoorde moeder Yaśoda met een touw wordt vastgebonden. Dāma betekent touwen en udara betekent onderlijf. Tijdens de maand Kārtikka wordt Dāmodara als volgt aanbeden:

"Lieve Heer, U bent de Meester van alles en schenkt alle zegen."

Er zijn veel goden, zoals Heer Brahmā en Heer Śiva, die hun toegewijden soms een zegen schenken. Zo ontving Rāvaņa vele zegens van Heer Śiva en werd Hiranyakaśipu gezegend door Heer Brahmā. Maar zelfs Heer Śiva en Heer Brahmā zijn afhankelijk van de zegen van Heer Kṛṣṇa en daarom wordt Kṛṣṇa ook wel aangesproken als de Heer van alle weldoeners. Kṛṣṇa kan Zijn toegewijden dan ook alles schenken wat ze begeren, maar toch zegt hun gebed:

"Ik vraag U niet om verlossing of stoffelijke gunsten. Ik verlang slechts de genade dat ik altijd aan U zal mogen denken zoals ik U hier vóór me zie in Uw Dāmodara-gedaante. U bent zo mooi en aantrekkelijk, dat mijn geest nog slechts deze pracht-gedaante wil kennen." (Dāmodarāștakam, IV)

Elders in hetzelfde gebed komt een passage voor die luidt:
"Lieve Heer Dāmodara, toen U eens als stout jongetje aan het spelen was in het huis van Nanda Mahārāja, brak U de yoghurt-pot -reden waarom Moeder Yaśodā U als deugniet met een eind touw aan haar stampblok vastbond. Dadelijk daarop verloste U de beide zoons van Kuvera, Nalakūvara en Maņigrīva, die als twee arjuna-bomen op het erf van Nanda Mahārāja stonden. Het enige wat ik vraag is dat U door Uw genadig spel en vermaak ook mij zult verlossen." (Dāmodarāstakam, VII)
Het verhaal hierachter is dat de twee zoons van Kuvera (de schat-bewaarder van de goden) zich trots gedroegen vanwege hun vaders rijkdom. Op een keer waren ze zich op een hemelse planeet naakt in het water aan het vermaken met wat hemeldames. Terwijl ze daar zo bezig waren, kwam de grote heilige Nārada langs en zag tot zijn misnoegen wat de zoons van Kuvera deden. Toen de jongedames Nārada voorbij zagen komen, bedekten ze zich haastig, maar de twee zoons, die zich bedronken hadden, brachten dit fatsoen niet op. Hierom werd Nārada kwaad en vervloekte hen als volgt:
"Jullie hebben geen gevoel, daarom is het beter dat jullie bomen worden in plaats van de zoons van Kuvera te blijven."
Toen de jongens dat hoorden, kwamen ze bij hun positieven en smeekten Nārada om genade. Daarop zei Nārada:
"Goed, jullie worden hoe dan ook bomen, arjuna's, maar jullie zullen op het erf van Nanda Mahārāja komen te staan. Krșņa zal te bestemder tijd Zelf verschijnen als pleegzoon van Nanda Mahārāja en jullie verlossen."
Met andere woorden, de vloek van Nārada was eigenlijk een zegen voor de zoons van Kuvera, omdat hun inter wille voorzegd werd dat ze de gunst van Heer Kṛṣṇa zouden kunnen ontvangen. Hierna stonden de beide zoons als arjuna-bomen op het erf van Nanda Mahārāja, totdat Heer Dāmodara, teneinde Nārada's woorden in vervulling te laten gaan, het grote stampblok waaraan Hij vastgebonden was achter Zich aan tussen de twee bomen door trok, en wel met zoveel kracht, dat ze omvielen. Uit de omgevallen bomen rezen Nalakūvara en Maņigrīva op, die intussen grote toegewijden van de Heer waren geworden.
In het Hayaśīrșa-pancarātra wordt verklaard:
"O lieve Heer, o Allergrootste Godspersoon, ik verlang niet naar zegeningen vanwege mijn religieuze activiteiten, noch wens ik welstand, noch goede mogelijkheden om mijn zinnen te bevredigen, noch verlossing. Ik bid slechts dat ik eeuwig Uw lotusvoeten dienen mag. Wees me alstublieft ter wille en schenk me die zegen."
In hetzelfde Hayaśīrṣa-pañcarātra staat beschreven hoe Prahlāda Mahārāja, toen Nrsimhadeva hem een zegen wilde schenken, geen stoffelijk voordeel wilde aannemen, maar de Heer slechts om de gunst vroeg dat hij Zijn eeuwige toegewijde mocht zijn. Prahlāda Mahārāja wees in dit verband op het voorbeeld van Hanumān, de eeuwige dienaar van Heer Rāmacandra, die de Heer nimmer om een stoffelijke gunst vroeg. Hij bleef altijd Zijn dienaar. Zo is het ideale karakter van Hanumān, waarom alle toegewijden hem nog steeds vereren. Ook Prahlāda Mahārāja braçht Hanumān zijn eerbiedige eerbetuigingen.Er is een bekend vers waarin Hanumān zegt:
"Lieve Heer, als het U behaagt, kunt U me verlossing uit het stoffelijk bestaan verlenen of het voorrecht dat ik mag opgaan in Uw Zijn, maar naar deze dingen verlang ik niet. Ik wil niets ont-yangen wat afbreuk doet aan mijn verhouding tot U als Uw dienaar, zelfs niet na mijn verlossing."
In het Nārada-pañcarātra treft men een vergelijkbare verklaring aan:
"Lieve Heer, ik verlang niet naar de volmaaktheden van ritualisme, welstand, zinsbevrediging of verlossing. Ik bid slechts dat het me vergund zal zijn onder Uw lotusvoeten te mogen blijven. Ik verlang niet naar een van de vormen van verlossing als sālokya, waarbij men op Uw planeet mag wonen, of sārūpya, waarbij men dezelfde uiterlijke kenmerken bezit als U. Ik bid slechts om de gunst dat ik altijd in Uw liefdedienst verbonden mag blijven."
Mahārāja Parīkșit vraagt in het Śrīmad-Bhāgavatam (6.14.5) aan Śukadeva Gosvāmī:
"Waarde brāhmaņa, ik begrijp dat de demon Vrtrāsura een groot zondaar was en geheel in de geaardheden onwetendheid en hartstocht gevangen zat. Hoe kon hij dan tot zo'n volmaakte staat van toegewijde dienst aan Nārāyaņa opstijgen ? Ik heb gehoord dat zelfs mensen die zware boete hebben gedaan en daardoor verlost zijn, in volkomen staat van kennis er nog naar moeten streven om toegewijde van de Heer te worden. Naar verluidt, zijn zulke mensen uiterst schaars en krijgt men ze bijna nooit te zien, dus het verwondert me dat Vrtrāsura zo'n toegewijde geworden is!"
Het belangrijkste dat dit vers te kennen geeft, is dat er vele verloste personen kunnen zijn die in de existentie van het onpersoonlijk Brahman opgaan, maar een toegewijde van de Allerhoogste Godspersoon, Nārāyaņa, is uiterst zeldzaam. Onder miljoenen personen is er slechts een enkeling die het geluk heeft dat hij een toegewijde wordt.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.8.20) bidt Koningin Kunti tot Heer Kṛṣṇa wanneer Hij weggaat:
"Lieve Kṛṣṇa, Je bent zo groot dat zelfs grote onwankelbare wijzen en paramahamsa's [geheel verloste zielen] zich er geen voorstellíng van kunnen maken. Dus als zulke grote wijzen, die aan alle invloeden van het stoffelijk bestaan ontstegen zijn, Je al niet kunnen kennen, hoe zouden dan wij, die tot de minder intelligente klasse der vrouwen behoren, Je heerlijkheid kunnen bevatten? Hoe kunnen wij begrijpen wie Je bent ?"
Het bijzondere van dit vers is dat het aangeeft dat de Godspersoon niet gekend wordt door grote verloste zielen, maar slechts door een nederige toegewijde als Koningin Kuntī. Hoewel ze vrouw was en daarom als minder intelligent dan een man werd beschouwd, ervoer ze Kṛṣṇa's heerlijkheid. Dat is de strekking van dit vers.
Een andere in dit verband uiterst belangrijke tekst in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.7.10) is het zogenaamde ātmārāma-vers. Hierin wordt verklaard dat zelfs degenen die van alle stoffelijke smetten vrij zijn zich aangetrokken voelen door Heer Kṛṣṇa's bovenzinnelijke eigenschappen. (1) De strekking van dit vers is dat een verloste ziel in de verste verte niet taalt naar materieel genot: ze is vrij van alle stoffelijke begeerte. Tegelijk voelt ze zich onweerstaanbaar bekropen door het verlangen om de verhalen over het spel en vermaak van de Heer te horen en begrijpen. We moeten hieruit concluderen dat de heerlijkheid en het spel en vermaak van de Heer niet materieel zijn. Hoe zouden anders verloste zielen, ātmārāma's, erover willen horen? Dat is het waar het in dit vers om gaat.
(1) Dit ātmārāma-vers werd door Heer Caitanya fraai uitgelegd aan Sanātana Gosvāmī. Het wordt gedetailleerd besproken in Teachings of Lord Caitanya.
Uit het bovenstaande blijkt dat een toegewijde er niet op uit is een der verlossingstoestanden te bereiken. Er zijn vijf toestanden van verlossing, die reeds beschreven zijn als eenwording met de Heer, op dezelfde planeet wonen als de Heer, hetzelfde uiterlijk krijgen als de Heer, dezelfde weelde genieten als de Heer en onophoudelijk met de Heer omgaan. Van deze vijf toestanden is sāyujya, eenwording met de Heer, wel het laatste waar een toegewijde in geïnteresseerd is. De overige vier vormen van verlossing, waarnaar toegewijden evenmin verlangen, gaan niet tegen de idealen der toegewijde dienst in. Sommige van de verlosten, die een van de vier bevrijdingstoestanden hebben bereikt, kunnen genegenheid voor Kṛṣṇa opvatten en verheven raken tot de Goloka Vṛndāvana -planeet in de geestelijke hemel. Met andere woorden: degenen die al op de Vaikuņțha-planeten verblijven en een van de vormen van verlossing hebben verkregen, vatten soms ook een diepe genegenheid voor Kṛṣṇa op en gaan dan verder naar Kṛṣṇa-loka.
Dus degenen die zich in de vier verlossingstoestanden bevinden,  kunnen zích nog verder verheffen. In het begin kan men nog geïnteresseerd zijn in Kṛṣṇa's koninklijke weelde, maar in een rijpere fase van toewijding openbaart zich de voordien nog sluimerende liefde voor Kṛṣṇa in Vṛndāvana  in hun hart. Hierom zijn de zuivere toegewijden geenszins uit op de sāyujya-verlossing, de eenwording met het Aller-hoogste, hoewel ze de vier overige vormen van verlossing wel eens als aantrekkelijk beschouwen.
Van de talloze soorten toegewijden van de Allerhoogste Godspersoon beschouwt men degene die zich tot de oorspronkelijke gedaante van de Heer, Kṛṣṇa in Vṛndāvana , aangetrokken voelt, als de eerste en belangrijkste. Zo'n toegewijde voelt zich nimmer bekoord door de weelde van Vaikuntha, of zelfs van Dvārakā, Krşņa's koninklijke stad. Šrī Rūpa Gosvāmī concludeert dat de toegewijden die zich tot het spel en vermaak van de Heer in Gokula, of Vṛndāvana , (1) aangetrokken voelen de belangrijkste zijn.
Een toegewijde die aan een bepaalde gedaante van de Heer gehecht is wil zijn toewijding niet op andere gedaanten overhevelen. Hanumān, de toegewijde van Heer Rāmacandra, wist bijvoorbeeld dat er tussen Heer Rāmacandra en Heer Nārāyaņa geen verschil bestaat ,maar wilde toch alleen Heer Rāmacandra dienst bewijzen. Dat komt door de bijzondere aangetrokkenheid van iedere toegewijde. De Heer kent zeer veel gedaanten, maar Kṛṣṇa blijft altijd de oorspronkelijke. Hoewel alle toegewijden van de Heer zich op hetzelfde niveau bevinden, zegt men niettemin dat de toegewijden van Heer Kṛṣṇa in de rij van alle toegewijden vooraan staan.

(1) Vṛndāvana  is het bovenzinnelijke oord waar Kṛṣṇa als jongen Zijn eeuwig spel en vermaak botviert. Het wordt als de hoogste sfeer van het ganse bestaan beschouwd. Wanneer Vṛndāvana  in de stoffelijke wereld geopenbaard wordt, heet het Gokula, en waar het in de geestelijke wereld wordt geopenbaard, noemt men het Goloka of Goloka Vṛndāvana.