Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 10

Luisteren en mediteren

Luisteren

De eerste fase van de beoefening van toegewijde dienst in Kṛṣṇa-bewustzijn wordt luisteren genoemd- śravaṇa in het Sanskrit. Iedereen moet de gelegenheid krijgen om plaats te nemen in een kring van toegewijden, zodat hij kan meeluisteren. Dit luisteren is hoogst belangrijk als men Kṛṣṇa-bewustzijn wil ontwikkelen. Leent men het oor aan de bovenzinnelijke klanktrillingen, die in zo'n bijeenkomst rondgaan, dan kan het hart snel gereinigd en gelouterd worden. Heer Caitanya bevestigt dat dit luisteren van het grootste belang is. Het reinigt het hart van de besmette ziel, zodat ze spoedig een aanvang met de toegewijde dienst mag maken en het Kṛṣṇa-bewustzijn begint te begrijpen.
In de Garuḍa Purāṇa wordt fraai de nadruk gelegd op het belang van het luisteren:
"De toestand van het gebonden leven in de stoffelijke wereld is als die van iemand, die door een slang gebeten, bewusteloos neerligt. Zowel de gebonden toestand als de vergiftigde kan worden beëindigd door de klank van een mantra."
Als iemand door een slang gebeten wordt, gaat hij niet meteen dood, maar verliest eerst het bewustzijn en ligt dan in coma. In de materiële wereld slaapt iedereen, aangezien men geen weet heeft van zijn werkelijke identiteit of zijn werkelijke taak met betrekking tot God. Het materiële leven is dus de staat waarin men gebeten is door de slang van māyā, de begoocheling, en verstoken van Kṛṣṇa-bewustzijn, is men zo bijna dood. Nu kan zo'n schijndode weer tot leven worden gewekt door het uitspreken van een mantra. Er zijn zeer deskundige mantra-chanters die dat kunnen. Zo kan men ook uit de dodelijk bewuste staat van het stoffelijk bestaan tot Kṛṣṇa-bewustzijn worden gewekt wanneer men de maha-mantra hoort:

hare Kṛṣṇa hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa hare hare
hare rāma hare rāma rāma rāma hare hare
In het Śrīmad-Bhāgavatam (4.29.40) zegt Śukadeva Gosvāmi tot Mahārāja Parīkșit hoe belangrijk het is om de verhalen te horen over het spel en vermaak van de Heer:
"Waarde vorst, men dient te verblijven in een oord waar de grote ācārya's over het bovenzinnelijk doen en laten van de Heer spreken en het oor te lenen aan de stroom van nectar die uit het maan-gelijke gezicht van deze grote personen tevoorschijn welt. Blijft men begerig luisteren naar deze bovenzinnelijke klanken, dan wordt men beslist verlos van alle materiële honger, dorst, vrees en jammer, alsook van de hele begoocheling van het stoffelijk bestaan."
Ook Heer Caitanya heeft deze methode van het luisteren als zelf-verwerkelijkingsmethode voor de huidige kali-periode aanbevolen. In deze tijd is het bijzonder moeilijk om door het volgen van de regulerende beginselen en bestudering van de Veda's- methoden die vroeger werden aanbevolen - de geestelijke weg tot het eind toe te gaan. Als men echter het oor leent aan de klankvibraties uit de mond van grote toegewijden en ācārya's, dan geeft dat alleen al verlichting van alle stoffelijke pijn. Daarom adviseert Caitanya Mahāprabhu dat men alleen maar moet luisteren naar autoriteiten die ware toegewijden van de Heer zijn. Luisteren naar beroepssprekers heeft geen zin, maar luisteren we naar werkelijk zelfgerealiseerde zielen, dan stromen de nectarrivieren, die als de nectarstromen op de maan zijn, onze oren in. Dat is het beeld dat in bovengenoemd vers gebezigd wordt.
De Bhagavad-gītā (II.59) verklaart dat een materialist zich alleen van zijn stoffelijk verlangen kan ontdoen als hij in Kṛṣṇa-bewustzijn verankerd raakt. Tenzij men een hogere smaak te pakken krijgt, zal men zijn lagere bezigheden niet kunnen laten varen. In de stoffelijke wereld gaat iedereen op in de begoochelende activiteiten van de lagere energie, maar als men de kans krijgt om te genieten van activiteiten in de hogere energie, zoals verricht door Kṛṣṇa, dan laat men al het mindere voor wat het is. Wanneer Kṛṣṇa op het Slagveld van Kurukşetra met Arjuna spreekt, lijkt dit, materieel gezien, gewoon op een gesprek tussen twee vrienden, maar in werkelijkheid stroomt er uit Śrī Kṛṣṇa's mond een rivier van nectar. Arjuna dronk deze klankenstroom met zijn oren in en raakte daardoor van alle begoocheling van zijn materiële leven bevrijd.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (12.3.15) verklaart verder:
"Wie ongerepte toegewijde dienst aan Heer Kṛṣṇa wil bewijzen, die met bovenzinnelijke klanken wordt verheerlijkt, dient altijd te luisteren naar de verhalen welke zijn roem en bovenzinnelijke eigenschappen beschrijven. Hierdoor wordt alle onheil in het hart voorzeker uitgeroeid."

De Heer om Zijn genade bidden

Elders in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.8) heet het:
"Lieve Heer, iemand die altijd op Uw grondeloze genade hoopt, ook al lijdt hij nog steeds onder de terugslagen van zijn vroegere euveldaden, en die U uit de grond van zijn hart zijn eerbiedige eerbetuigingen brengt, mag zeker zijn van zijn verlossing, want die heeft hij dan verdiend."
Deze uitspraak van het Śrīmad-Bhāgavatam zou de leidraad van iedere toegewijde moeten zijn. Een toegewijde mag niet verwachten dat hij dadelijk van de terugslagen van zijn vroegere euveldaden zal worden bevrijd. Geen enkele gebonden ziel is van zulke reacties vrij, aangezien het stoffelijk bestaan voortdurend lijden of genieten betekent als gevolg van vroegere activiteiten. Als men zijn materiële doen en laten eenmaal beëindigd heeft, wordt men niet wedergeboren. Dat kan alleen wanneer men Kṛṣṇa-bewust begint te handelen, aangezien zulks geen terugslagen teweegbrengt. Daarom wordt men niet meer in deze stoffelijke wereld wedergeboren zodra men tot de volmaakte staat van Kṛṣṇa-bewust handelen is gekomen. Een toegewijde die niet volmaakt vrij van terugslagen is moet dus serieus blijven handelen in Kṛṣṇa-bewustzijn, ook al heeft hij met nog zo veel problemen te kampen. Doen zulke problemen zich voor, dan moet hij slechts aan Kṛṣṇa denken en op Zijn genade hopen. Dat is zijn enige troost. Als de toegewijde zijn dagen in die geest doorbrengt, zal hij vast en zeker tot de woning van de Heer worden toegelaten. Door zijn instelling verdient hij het recht om in Gods koninkrijk te mogen binnengaan. Het woord dat in dit verband gebezigd wordt, is dāya-bhak. Het heeft betrekking op de situatie van een zoon die de wettige erfgenaam van het bezit van de vader is. Ook een zuivere toegewijde, die bij het vervullen van zijn Kṛṣṇa-bewuste plichten bereid is allerlei moeite te ondergaan, verwerft zich daardoor het onvervreemdbaar recht om in de bovenzinnelijke woning van de Heer te worden toegelaten.

Heugenis

Als men er op een of andere manier in slaagt zijn geest met Kṛṣṇa verbonden te houden, heet dit heugenis. De Viṣṇu Purāṇa doet een mooie uitspraak over deze heugenis:
"Wanneer de levende wezens zich slechts de Allerhoogste Godspersoon heugen, mogen ze daarvan alle heil verwachten. Laat me daarom onophoudelijk denken aan de Heer, die ongeboren en eeuwig is."

De Padma Purāṇa zegt over dit onderwerp het volgende:
"Laat me mijn eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de Opperheer Kṛṣṇa omdat wie zich Hem heugt, hetzij in het doodsuur, hetzij tijdens zijn leven, van alle terugslagen van zijn zondig doen en laten zal worden verlost."

Meditatie

Meditatie betekent dat men zijn geest concentreert op het denken aan de gedaante van de Heer, de eigenschappen van de Heer, de activiteiten van de Heer en het dienen van de Heer. Meditatie heeft niets met leegte of het onpersoonlijke te maken. Volgens de Vedische Schriften mediteert men altijd op de gedaante van Vişņu.
De Nṛsiṁha Purāṇa doet een uitspraak over meditatie op de gedaante van de Heer. Deze luidt:
"Meditatie verricht op de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon wordt gezien als bovenzinnelijk en ontstegen aan stoffelijke pijn en vreugde. Zelfs een grote euveldoener kan door zulke meditatie van de terugslagen van zijn kwade activiteit worden verlost."
Het Viṣṇu-dharma zegt over meditatie op de bovenzinnelijke eigenschappen van de Heer:
"Mensen die altijd Kṛṣṇa-bewust doende zijn en zich de bovenzinnelijke eigenschappen van de Heer heugen, raken zo verlost van alle terugslagen van hun zondig doen en laten, en zijn ze eenmaal vrij, dan mogen ze binnengaan in Gods koninkrijk."
Met andere woorden: als men niet van alle terugslagen van zijn zonden verlost is, mag men niet in Gods koninkrijk binnengaan. Men kan verdere terugslagen voorkomen door slechts aan de gedaante, eigenschappen, het spel en vermaak enz. van de Heer te denken.
Ook de Padma Purāṇa bevat een verklaring over meditatie op de activiteiten van de Heer:
"Wanneer iemand altijd opgaat in meditatie op het zoete spel en vermaak en de schitterende activiteiten van de Heer, wordt hij beslist van alle stoffelijke smetten gereinigd."
Sommige Purāṇa's laten zien dat al meditéért men slechts op toegewijde activiteiten, men dáárvan al het reële resultaat geniet en geacht wordt de Allerhoogste Godspersoon van oog tot oog te aanschouwen. De Brahma-vaivarta Purāņa verhaalt in dit verband dat er in de stad Pratisthānapura in Zuid-India eens een brāhmaṇa woonde, die het weliswaar niet erg breed had, maar toch innerlijk voldaan was, aangezien hij begreep dat hij door zijn vroegere euveldaden en Kṛṣṇa's wil niet genoeg geld en bezit verkrijgen kon. Zijn schamele materiële situatie verdroot hem in het geheel niet en hij leidde zijn leven in alle vrede. Hij had een open geest en soms ging hij luisteren naar geestelijke verhandelingen van grote zelfverwerkelijkte zielen. Op zo'n bijeenkomst hoorde hij eens dat een Vaișņava zijn toegewijde activiteiten zelfs door meditatie kan verrichten. Met andere woorden: als iemand lichamelijk niet in staat is de activiteiten van een Vaişņava te verrichten, kan hij op de verrichting ervan mediteren en bereikt zo hetzelfde resultaat. Aangezien de brāhmana geen enkele financiële armslag had, besloot hij slechts te mediteren op het verrichten van grandioze, vorstelijke toegewijde activiteiten, en dat gebeurde als volgt.
Op gezette tijden nam hij zijn bad in de rivier de Godāvarī. Na zijn bad ging hij altijd op een stille plek aan de oever zitten en bracht zijn geest in evenwicht met behulp van de prānāyāma-oefeningen, de geijkte adembeteugeling van de yoga-methode. Deze adembeheersing heeft tot doel de geest langs mechanische weg op een bepaald object te richten. Dat is de bedoeling van de adembeheersing, alsook van het zitten in bepaalde yoga-houdingen. Vroeger wisten zelfs heel gewone mensen hoe ze hun geest voortdurend aan de Heer moesten laten denken, en de brāhmana bracht deze kennis nu in praktijk. Toen hij zich mentaal op de gedaante van de Heer had gericht, stelde hij zich in zijn meditatie voor dat hij de Heer prachtig aankleedde en met een vracht aan sieraden, een kroon en andere attributen tooide. Vervolgens bracht hij zijn eerbiedige eerbetuigingen door innerlijk voor de Heer neer te buigen. Na het aankleden van de Heer gaf hij de tempel in gedachten een grondige schoonmaakbeurt. Vervolgens stelde hij zich voor dat hij een massa gouden en zilveren waterkruiken had, die hij allemaal naar de rivier droeg en met het heilige water vulde. Hij haalde niet alleen water uit de Godāvarī, maar ook uit de Ganges, de Yamunā, de Narmadā en de Kāverī. Normaal haalt een Vaișņava bij zijn aanbidding van de Heer water uit al deze rivieren door het chanten van een mantra. Maar in plaats van een mantra te chanten, dacht deze brāhmaṇa zich in, dat hij met gouden en zilveren kruiken eigenhandig water uit al deze rívieren haalde. Daarna verzamelde hij allerlei attributen voor de eredienst -bloemen, fruit, wierook en sandelpulp. Dit alles legde hij in de geest voor de mūrti neer. Al dit water, deze bloemen en deze reukwaar offerde hij zeer fraai aan de mūrti om Hem voldoening te schenken. Tenslotte offerde hij ārati en rondde strikt volgens alle regulerende bepalingen zijn toegewijde activiteiten naar behoren af.
Elke dag werkte hij innerlijk hetzelfde programma af en deed dit vele jaren lang. Toen de brāhmaṇa in zijn meditatie van melk en suiker
wat zoete rijst had bereid, wilde hij dit gerecht aan de mūrti offeren. Hij was echter niet helemaal tevreden met zijn offergave, omdat de zoete rijst nog gloeiend heet was (zoete rijst dient niet heet genuttigd te worden: hoe kouder hij is, hoe lekkerder hij smaakt). Aangezien de zoete rijst nog maar net gekookt was, wilde de brāhmaṇa met zijn vinger voelen of de Heer er al van eten kon. Zodra hij nu de rand van de pan aanraakte, schroeide hij zijn vingertop. Hierdoor werd zijn meditatie verbroken. Hij keek naar zijn vinger en zag dat die rood was, en vroeg zich verbijsterd af hoe dat had kunnen gebeuren. Omdat hij alleen maar had zitten meditéren op het aanraken van de hete zoete rijst, had hij nooit gedacht dat zijn vinger werkelijk zou kunnen verbranden.
Terwijl dit door hem heenging, begon in Vaikuņțha Heer Nārāyaņa, die met de geluksgodin Lakșmī aan Zijn zijde op Zijn troon zat, geamuseerd te lachen. Toen ze de Heer zo vrolijk zag, werd de geluksgodin nieuwsgierig en vroeg Hem wat er aan de hand was. De Heer ging echter niet op haar nieuwsgierige vraag in, maar liet onmiddellijk de brāhmaṇa bij Zich ontbieden. Een vliegtuig, uit Vaikuņțha naar hem gezonden, bracht de brāhmaņa terstond voor Heer Nārāyaņa. Toen de brāhmaṇa daar voor de Heer en de geluksgodin verscheen, legde de Heer hem de hele geschiedenis uit. De brāhmaṇa kreeg nu het geluk dat hij eeuwig met de Heer en zijn Lakșmī's in Vaikuntha mocht omgaan.
Dit laat zien dat de Heer, ook al bevindt Hij zich op één plaats in Zijn woning, alomtegenwoordig is. Al was de Heer in Vaikuņțha, toch was Hij ook in het hart van de brāhmaṇa toen deze op zijn toegewijde dienst zat te mediteren. Zo zien we dat wanneer een toegewijde zelfs in zijn meditatie iets aan de Heer offert, deze activiteit de gewenste vruchten afwerpt.