Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 11
Aspecten van de toegewijde dienst
Toegewijd dienaarschap
Volgens de karmi's (degenen die voor zichzelf werken) bestaat dienaarschap eruit dat men het resultaat van zijn karma aan de Heer offert. Maar volgens een Vaișņava ācārya als Rūpa Gosvāmī betekent dienaarschap dat men de Heer voortdurend de een of andere dienst bewijst.
De Skanda Purāṇa zegt dat mensen die aan rituele activiteiten en het maatschappelijk stelsel met zijn vier geledingen en de vier niveaus van het geestelijk leven gehecht zijn, als toegewijden worden beschouwd. Maar wanneer toegewijden de Heer werkelijk ter wille dienen, moeten zij als bhāgavata's of zuivere toegewijden worden gezien. Degenen die zich bezighouden met baatzuchtige activiteiten of leven volgens de voorschriften die voor de vier maatschappelijke geledingen en de vier geestelijke levensfasen gelden, zijn geen echte zuivere toegewijden. Maar omdat ze de vruchten van hun werk aan de Heer offeren, worden ze als toegewijden geaccepteerd. Wil men niets voor zichzelf, maar handelt men uit spontane liefde voor de Heer, dan behoort men als zuivere toegewijde te worden beschouwd. De zielen die met de stoffelijke wereld in aanraking zijn gekomen, verlangen er allen min of meer naar om de baas over de stoffelijke natuur te spelen.
Het varņāśrama-stelsel, met alle regels en voorschriften van dien, is zo ontworpen, dat de gebonden ziel die zich eraan houdt, naar gelang haar hang naar zinsbevrediging in de stoffelijke wereld genieten kan, terwijl ze tegelijk geleidelijk tot geestelijk inzicht verheven raakt. Tot de regels en bepalingen van varņa's en āśrama's behoren er vele die ook bij de toegewijde dienst in Kṛṣṇa-bewustzijn van kracht zijn. Toegewijden die het leven van huisman leiden, vieren niet alleen Vedische rituelen, maar verrichten ook de taken die door de toegewijde dienst worden voorgeschreven, aangezien beide activiteiten bedoeld zijn om Kṛṣṇa voldoening te schenken. Als een huisman een Vedisch ritueel viert, doet hij dat om Krșņa te plezieren. Zoals hiervoor besproken, wordt elke handeling die tot doel heeft de Allerhoogste Godspersoon tevreden te stemmen als toegewijde dienst beschouwd.
Het varņāśrama-stelsel, met alle regels en voorschriften van dien, is zo ontworpen, dat de gebonden ziel die zich eraan houdt, naar gelang haar hang naar zinsbevrediging in de stoffelijke wereld genieten kan, terwijl ze tegelijk geleidelijk tot geestelijk inzicht verheven raakt. Tot de regels en bepalingen van varņa's en āśrama's behoren er vele die ook bij de toegewijde dienst in Kṛṣṇa-bewustzijn van kracht zijn. Toegewijden die het leven van huisman leiden, vieren niet alleen Vedische rituelen, maar verrichten ook de taken die door de toegewijde dienst worden voorgeschreven, aangezien beide activiteiten bedoeld zijn om Kṛṣṇa voldoening te schenken. Als een huisman een Vedisch ritueel viert, doet hij dat om Krșņa te plezieren. Zoals hiervoor besproken, wordt elke handeling die tot doel heeft de Allerhoogste Godspersoon tevreden te stemmen als toegewijde dienst beschouwd.
Śrīla Rūpa Gosvāmī beschrijft de kenmerken van iemand die ervoor in aanmerking komt om toegewijde dienst te verrichten. Hij zegt dat beginnelingen, die nog maar weinig liefde voor God hebben, hun belangstelling voor zingenot zien afnemen naar gelang hun toewijding toeneemt. Maar tonen ze nog enige belangstelling voor zins-bevredigende activiteit, dan behoort het resultaat van deze activiteit aan Kṛṣṇa te worden geofferd. Ook dit wordt werkzaamheid in dienst van de Heer genoemd, waarbij de Heer als meester en de handelende persoon als dienaar wordt gezien.
De Nāradiya Purāṇa bevat een verklaring waaruit blijkt dat dit dienaarschap bovenzinnelijk is. Het heet daar dat iemand die naar lichaam, geest en woorden onophoudelijk in toegewijde dienst bezig is, of iemand die niet praktisch bezig is, maar dit wel van harte wenst te doen, reeds als verlost moet worden gezien.
Toegewijde dienst in vriendschap
Men onderscheidt toegewijde dienst in vriendschap in twee cate-gorieën: men kan enerzijds optreden als trouwe dienaar van de Heer, anderzijds als iemand die het beste met de Heer voor heeft. Iemand die in de werkzaamheid van de toegewijde dienst aan de Heer gelooft houdt zich strikt aan de desbetreffende regels en bepalingen, ervan uitgaande dat hij zo tot het peil van het bovenzinnelijke bestaan zal opstijgen.
In de Bhagavad-gītā (XVIII.69) zegt de Heer dat Hij de prediker als Zijn meest geliefde dlienaar beschouwt. Iedereen die de vertrouwelijke boodschap van de Gītā aan de mensheid verkondigt is Kṛṣṇa zo lief, dat geen mens hem kan evenaren.
In de Bhagavad-gītā (XVIII.69) zegt de Heer dat Hij de prediker als Zijn meest geliefde dlienaar beschouwt. Iedereen die de vertrouwelijke boodschap van de Gītā aan de mensheid verkondigt is Kṛṣṇa zo lief, dat geen mens hem kan evenaren.
In het Mahābhārata zegt Draupadī:
"Lieve Govinda, Je hebt beloofd dat Je toegewijde nooit verloren zal gaan. Ik geloof heilig in wat Je daar zegt, en daarom denk ik in alle moeilijkheden alleen maar aan Jouw belofte en zo is mijn leven goed."
Draupadī en haar vijf echtgenoten, de Pāṇḍava’s, werden door hun neef Duryodhana en anderen met problemen bestookt. Deze waren zo hevig dat zelfs Bhīșmadeva, die een groot krijger was en zijn leven lang brahmacāri was gebleven, wanneer hij eraan dacht, soms tranen vergoot. Het verbaasde hem steeds weer dat de Pāṇḍava’s, die de rechtschapenheid zelf waren, zoals Draupadī bijna een geluksgodin was, hoewel Kṛṣṇa hun vriend was, het telkens zo te kwaad hadden. Ofschoon hun rampspoed ongewoon was, verloor Draupadī nooit de moed. Ze wist dat ze uiteindelijk behouden zouden worden, omdat Kṛṣṇa hun vriend was.
"Lieve Govinda, Je hebt beloofd dat Je toegewijde nooit verloren zal gaan. Ik geloof heilig in wat Je daar zegt, en daarom denk ik in alle moeilijkheden alleen maar aan Jouw belofte en zo is mijn leven goed."
Draupadī en haar vijf echtgenoten, de Pāṇḍava’s, werden door hun neef Duryodhana en anderen met problemen bestookt. Deze waren zo hevig dat zelfs Bhīșmadeva, die een groot krijger was en zijn leven lang brahmacāri was gebleven, wanneer hij eraan dacht, soms tranen vergoot. Het verbaasde hem steeds weer dat de Pāṇḍava’s, die de rechtschapenheid zelf waren, zoals Draupadī bijna een geluksgodin was, hoewel Kṛṣṇa hun vriend was, het telkens zo te kwaad hadden. Ofschoon hun rampspoed ongewoon was, verloor Draupadī nooit de moed. Ze wist dat ze uiteindelijk behouden zouden worden, omdat Kṛṣṇa hun vriend was.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.53) zegt iets dergelijks. Havi, de zoon van Ṛṣabha, zegt tot Mahārāja Nimi:
"Waarde vorst, iemand die zelfs geen ogenblik zijn dienst aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoon onderbreekt [zelfs een grote halfgod als Indra verlangt ernaar zulke dienst te verrichten], in de vaste overtuiging dat er niets wenselijker en achtenswaardiger is dan deze activiteit, wordt een toegewijde van de eerste orde genoemd."
"Waarde vorst, iemand die zelfs geen ogenblik zijn dienst aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoon onderbreekt [zelfs een grote halfgod als Indra verlangt ernaar zulke dienst te verrichten], in de vaste overtuiging dat er niets wenselijker en achtenswaardiger is dan deze activiteit, wordt een toegewijde van de eerste orde genoemd."
Śrī Rūpa Gosvāmī zegt dat een beginneling, die slechts een beetje liefde voor God heeft ontwikkeld, beslist verwachten mag dat hij tot de toegewijde dienst zal worden bevorderd. Als hij er namelijk hecht in verankerd raakt, wekt zijn vaste dienst het vertrouwen van de Heer.
Soms ziet men dat een zuivere toegewijde languit bij de mūrti in de tempel ligt om Hem zo zijn innige vriendschap te bewijzen. Zulk vriendschappelijk gedrag mag als rāgānugā of spontaan worden gezien, Hoewel niemand volgens de regulerende bepalingen in de tempel van de Allerhoogste Godspersoon mag gaan liggen, kan dit blijk van spontane liefde voor God als toegewijde dienst in vriendschap worden aangemerkt.
Volkomen overgave aan de Heer
Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.29.34) geeft een fraaie beschrijving van wat volkomen overgave aan de Heer betekent. De Heer zegt:
"Wie zich volkomen aan Mij uitlevert en alles wat hij buiten Mij om deed totaal opgeeft, wordt zowel in dit leven als in het volgende door Mij persoonlijk beschermd, want Ik wens dat zo iemand steeds verder in het geestelijk leven doordringt. Hij wordt geacht reeds tot sārșți gekomen te zijn [de weelde van de Allerhoogste te delen]."
Ook de Bhagavad-gītā bevestigt dat Kṛṣṇa onmiddellijk leiding geeft aan iemand die zich aan Zijn lotusvoeten overgeeft en hem verzekert dat hij van de terugslagen van zijn vroeger zondig doen en laten zal worden gevrijwaard (XVIII.66). Hij geeft hem ook leiding van binnenuit, waardoor de toegewijde zeer snel tot het niveau van geestelijke volmaaktheid kan opstijgen.
"Wie zich volkomen aan Mij uitlevert en alles wat hij buiten Mij om deed totaal opgeeft, wordt zowel in dit leven als in het volgende door Mij persoonlijk beschermd, want Ik wens dat zo iemand steeds verder in het geestelijk leven doordringt. Hij wordt geacht reeds tot sārșți gekomen te zijn [de weelde van de Allerhoogste te delen]."
Ook de Bhagavad-gītā bevestigt dat Kṛṣṇa onmiddellijk leiding geeft aan iemand die zich aan Zijn lotusvoeten overgeeft en hem verzekert dat hij van de terugslagen van zijn vroeger zondig doen en laten zal worden gevrijwaard (XVIII.66). Hij geeft hem ook leiding van binnenuit, waardoor de toegewijde zeer snel tot het niveau van geestelijke volmaaktheid kan opstijgen.
Deze overgave wordt ātma-nivedana genoemd. Volgens verschillende autoriteiten bestaan er uiteenlopende definites voor ātmā, het zelf. Deze term wordt soms geacht betrekking te hebben op het geestelijk zelf of de ziel, terwijl hij ook wel wordt opgevat in de betekenis van lichaam of geest. Volkomen overgave betekent dan dat men zich niet alleen uitlevert als geestelijke ziel, maar zich ook met geest en lichaam wijdt aan het dienen van de Heer. Śrīla Bhaktivinoda Țhākura zegt in een lied, waarin hij zich als volkomen overgegeven ziel presenteert:
"Mijn geest, mijn hele hebben en houden, mijn lichaam, alles wat ik bezit, Lieve Heer, breng ik U in Uw dienst. Nu kunt U met me doen wat U wilt. U bent de enige die alles bezit, dus U kunt me doden, als U wilt, of U kunt me sparen. Alle gezag berust alleen bij U. Er is niets wat ik het mijne mag noemen."
"Mijn geest, mijn hele hebben en houden, mijn lichaam, alles wat ik bezit, Lieve Heer, breng ik U in Uw dienst. Nu kunt U met me doen wat U wilt. U bent de enige die alles bezit, dus U kunt me doden, als U wilt, of U kunt me sparen. Alle gezag berust alleen bij U. Er is niets wat ik het mijne mag noemen."
In zijn gebeden aan de Heer brengt Srī Yāmunācārya ongeveer dezelfde gedachte als volgt onder woorden:
"Lieve Heer, nu eens leef ik in het lichaam van een mens, dan misschien in het lichaam van een god, maar in wat voor toestand ik ook verkeer, ze gaat langs me heen, omdat deze lichamen slechts bijproducten zijn van de drie geaardheden van de stoffelijke natuur: ik, die door zo'n lichaam ben omhuld, geef me aan U over."
"Lieve Heer, nu eens leef ik in het lichaam van een mens, dan misschien in het lichaam van een god, maar in wat voor toestand ik ook verkeer, ze gaat langs me heen, omdat deze lichamen slechts bijproducten zijn van de drie geaardheden van de stoffelijke natuur: ik, die door zo'n lichaam ben omhuld, geef me aan U over."
In de Hari-bhakti-viveka wordt beschreven hoe men zijn lichaam aan de Heer kan overgeven. Een toegewijde zegt daar:
"Lieve Heer, zoals een dier dat een eigenaar heeft er niet aan hoeft te denken hoe het zich in leven houdt, hoef ik daar ook niet meer aan te denken, omdat ik me met lichaam en ziel aan U heb overgegeven."
Een toegewijde hoeft zich dus niet druk te maken om zijn eigen levensonderhoud of dat van zijn gezin. Als hij werkelijk lichaam en ziel aan de
"Lieve Heer, zoals een dier dat een eigenaar heeft er niet aan hoeft te denken hoe het zich in leven houdt, hoef ik daar ook niet meer aan te denken, omdat ik me met lichaam en ziel aan U heb overgegeven."
Een toegewijde hoeft zich dus niet druk te maken om zijn eigen levensonderhoud of dat van zijn gezin. Als hij werkelijk lichaam en ziel aan de
Śrīla Rūpa Gosvāmī zegt dat toegewijde dienst in vriendschap en toegewijde dienst in overgave beide een moeilijke weg zijn. Daarom ziet men zo'n vorm van dienst aan de Heer uiterst zelden. Alleen gevorderde toegewijden kunnen deze wegen met succes begaan. Het komt dus zelden voor dat men getuige is van overgave gepaard aan ware extatische toewijding. Men dient zich volkomen aan de wil van de Heer uit te leveren.
De Heer iets offeren dat de gever lief is
In het Śrīmad-Bhāgavatam (11.11.41) zegt Heer Kṛṣṇa tot Uddhava:
"Mijn beste vriend, als iemand Me het beste geeft van wat hij heeft of iets waar hij erg op gesteld is, komt hem dat eeuwig ten goede."
"Mijn beste vriend, als iemand Me het beste geeft van wat hij heeft of iets waar hij erg op gesteld is, komt hem dat eeuwig ten goede."
Zich inspannen ter wille van Kṛṣṇa's genoegen
Het Nārada-pañcarātra verklaart hoe men op alle levensgebieden de Heer voldoening kan schenken. Wanneer men werkelijk in toegewijde dienst is, behoort men allerlei activiteiten te verrichten, zowel degene die beschreven worden in de geopenbaarde Schriften, als die welke nodig zijn voor het levensonderhoud. Een toegewijde moet zich dus niet alleen aan de regels en bepalingen van de toegewijde dienst houden
die in de Schriften worden vermeld, maar ook de normale dagelijkse dingen in Kṛṣṇa-bewustzijn doen. Een toegewijde die een zaak drijft of een fabriek heeft kan dan de vruchten van zo'n materiële onderneming in dienst van de Heer besteden.
die in de Schriften worden vermeld, maar ook de normale dagelijkse dingen in Kṛṣṇa-bewustzijn doen. Een toegewijde die een zaak drijft of een fabriek heeft kan dan de vruchten van zo'n materiële onderneming in dienst van de Heer besteden.
Zich een overgegeven ziel tonen
De Hari-bhakti-vilāsa zegt terzake van overgave het volgende:
"Lieve Heer, iemand die zich aan U overgeeft en ervan overtuigd is dat hij Uw eigendom is en in dat licht wil handelen naar lichaam, geest en woord, kan werkelijk bovenzinnelijke gelukzaligheid ervaren."
"Lieve Heer, iemand die zich aan U overgeeft en ervan overtuigd is dat hij Uw eigendom is en in dat licht wil handelen naar lichaam, geest en woord, kan werkelijk bovenzinnelijke gelukzaligheid ervaren."
In de Nṛsiṁha Purāṇa zegt Heer Nṛsiṁhadeva:
"Ik stel Me verantwoordelijk voor ieder die Mij aanbidt en zijn heil bij Mij zoekt, en Ik bescherm hem voor alle rampspoed."
"Ik stel Me verantwoordelijk voor ieder die Mij aanbidt en zijn heil bij Mij zoekt, en Ik bescherm hem voor alle rampspoed."
Het dienen van een heilige plant als tulasi
De Skanda Purāṇa bevat een lofprijzing van tulasi:
"Laat me mijn eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de tulasi-struik, zodat ik ineens massa's terugslagen van kwade daden ongedaan kan maken. Wanneer men deze struik slechts ziet of aanraakt, kan men al verlost raken van allerlei ziekte en leed. Wanneer men tulasī slechts eerbetuigingen brengt en water geeft, wordt men al bevrijd van de vrees dat men zal moeten verschijnen voor het hof van Yamarāja [de Heer des doods, die de zondaren straft]. Als iemand tulasī zaait en opkweekt, wordt hij beslist een toegewijde van Kṛṣṇa, en wanneer de tulasi-blaadjes vol toe-wijding aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa worden geofferd, komt zijn liefde tot God volledig tot ontwikkeling."
"Laat me mijn eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de tulasi-struik, zodat ik ineens massa's terugslagen van kwade daden ongedaan kan maken. Wanneer men deze struik slechts ziet of aanraakt, kan men al verlost raken van allerlei ziekte en leed. Wanneer men tulasī slechts eerbetuigingen brengt en water geeft, wordt men al bevrijd van de vrees dat men zal moeten verschijnen voor het hof van Yamarāja [de Heer des doods, die de zondaren straft]. Als iemand tulasī zaait en opkweekt, wordt hij beslist een toegewijde van Kṛṣṇa, en wanneer de tulasi-blaadjes vol toe-wijding aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa worden geofferd, komt zijn liefde tot God volledig tot ontwikkeling."
In India wijden alle hindoes, zelfs degenen die geen Vaișņava zijn, bijzondere zorg aan de tulasi-struik. Zelfs in grote steden, waar men tulasī moeilijk houden kan, ziet men de mensen vaak zeer goed voor deze plant zorgen. Ze geven haar water en brengen haar eerbetuigingen, omdat het eren van de tulasi-struik zeer belangrijk is in de toegewijde dienst.
De Skanda Purāṇa doet nog een uitspraak over de tulasi:
"Tulasī schenkt in alle opzichten alle heil: als men haar slechts ziet, slechts aanraakt, tot haar bidt, haar eerbetuigingen brengt, over haar hoort, of haar zaait, is dit alles alleen maar gunstig. Als men op een van deze wijzen met tulasī in aanraking komt, verblijft men eeuwig in Vaikuṇṭha".
"Tulasī schenkt in alle opzichten alle heil: als men haar slechts ziet, slechts aanraakt, tot haar bidt, haar eerbetuigingen brengt, over haar hoort, of haar zaait, is dit alles alleen maar gunstig. Als men op een van deze wijzen met tulasī in aanraking komt, verblijft men eeuwig in Vaikuṇṭha".