Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 12
Verdere aspecten van de bovenzinnelijke dienst
De geopenbaarde Schriften
Volgens Śrīla Rūpa Gosvāmī wordt ieder boek dat ons inlicht hoe we in de toegewijde dienst vooruit kunnen gaan als geopenbaarde Schrift beschouwd. Śrīla Madvācārya heeft het begrip geopenbaarde Schrift gedefinieerd als betrekking hebbend op werken als het Rāmā-yana, het Mahābhārata, de Purāņa's, de Upanișads, de Vedānta-en ieder ander geschrift dat op deze geopenbaarde Schriften voortbouwt.
De Skanda Purāṇa bevat de volgende uitspraak:
De Skanda Purāṇa bevat de volgende uitspraak:
“Iemand die altijd werken leest die de ontwikkeling prediken van toegewijde dienst aan Vișņu is luisterrijk onder de mensen, en Heer Kṛṣṇa zal zeker tevreden over hem zijn. Wie zulke werken zorgvuldig thuis bewaart en ze zijn eerbiedige eerbetuigingen brengt, raakt verlost van de terugslagen van al zijn zonden en verdient tenslotte zelfs de aanbidding van de goden."
Tot Nārada Muni wordt gezegd:
"Beste Nārada, wie Vaișņava literatuur schrijft en haar thuis bewaart heeft Heer Nārāyaņa altijd te gast,"
"Beste Nārada, wie Vaișņava literatuur schrijft en haar thuis bewaart heeft Heer Nārāyaņa altijd te gast,"
Het Śrīmad-Bhāgavatam (12.13.15) verklaart:
"Het Śrīmad-Bhāgavatam behelst de essentie van alle Vedānta-filosofie. Wie op de een of andere manier aan het lezen van het Śrīmad-Bhāgavatam gehecht raakt, verliest daardoor de smaak van het lezen van alle andere boeken. Dus als iemand eenmaal de bovenzinnelijke gelukzaligheid van het Śrīmad-Bhāgavatam heeft geproefd, kan geen werelds boek hem nog voldoening schenken."
"Het Śrīmad-Bhāgavatam behelst de essentie van alle Vedānta-filosofie. Wie op de een of andere manier aan het lezen van het Śrīmad-Bhāgavatam gehecht raakt, verliest daardoor de smaak van het lezen van alle andere boeken. Dus als iemand eenmaal de bovenzinnelijke gelukzaligheid van het Śrīmad-Bhāgavatam heeft geproefd, kan geen werelds boek hem nog voldoening schenken."
In een heilig oord verblijven
In de Varāha Purāņa staat een verklaring die het wonen in Mathurā prijst. Heer Varāha zegt tot de aardbewoners:
“Als iemand liever in andere steden verblijft dan in Mathurā, raakt hij beslist in de ban van de begoochelende energie."
In de Brahmāṇḍa Purāṇa wordt verklaard dat men alle resultaten van het reizen naar alle pelgrimsoorden in de drie werelden tegelijk ontvangt wanneer men alleen maar het heilig land van Mathurā aanraakt. In tal van śāstra's wordt verklaard dat men door slechts te horen over Mathurā, eraan te denken, het te verheerlijken, ernaar te verlangen, het te zien of er de grond van aan te raken, al zijn wensen in vervulling ziet gaan.
“Als iemand liever in andere steden verblijft dan in Mathurā, raakt hij beslist in de ban van de begoochelende energie."
In de Brahmāṇḍa Purāṇa wordt verklaard dat men alle resultaten van het reizen naar alle pelgrimsoorden in de drie werelden tegelijk ontvangt wanneer men alleen maar het heilig land van Mathurā aanraakt. In tal van śāstra's wordt verklaard dat men door slechts te horen over Mathurā, eraan te denken, het te verheerlijken, ernaar te verlangen, het te zien of er de grond van aan te raken, al zijn wensen in vervulling ziet gaan.
Het dienen van de toegewijden
De Padma Purāṇa bevat een fraaie uitspraak over het prijzens-waardige dienen van de Vaișņava's of toegewijden. Heer Śiva zegt tot Pārvatī:
“Lieve Pārvatī, er zijn allerlei vormen van aanbidding en daarvan heet de aanbidding van de Allerhoogste Persoon de beste. Maar hoger nog dan het aanbidden van de Heer is het eren van de toegewijde van de Heer,"
“Lieve Pārvatī, er zijn allerlei vormen van aanbidding en daarvan heet de aanbidding van de Allerhoogste Persoon de beste. Maar hoger nog dan het aanbidden van de Heer is het eren van de toegewijde van de Heer,"
Ook de Skanda Purāṇa spreekt zich ongeveer zo uit:
"Wanneer men slechts eenmaal iemand aanschouwt wiens lichaam met tilaka-tekens is versierd, die de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus van Śrī Viṣṇu symboliseren, en die tulasī-blaadjes op zijn hoofd heeft en wiens lichaam altijd met gopī-candana versierd is, kan men bij de aanblik hiervan de terugslagen van alle zonden kwijtraken."
Ook het Śrīmad-Bhāgavatam (1.19.33) geeft een dergelijke verklaring:
"Het lijdt geen twijfel dat men van alle zonden van zijn kwade doen en laten zal worden verlost als men een toegewijde heeft bezocht of zijn lotusvoeten heeft aangeraakt of hem een zitplaats heeft aangeboden. Zelfs door zich slechts de activiteiten van zo'n Vaişņava te heugen raakt men met zijn hele gezin gelouterd. Dus wat voor gevolgen zal het niet hebben als men hem rechtstreeks dienst bewijst?"
"Het lijdt geen twijfel dat men van alle zonden van zijn kwade doen en laten zal worden verlost als men een toegewijde heeft bezocht of zijn lotusvoeten heeft aangeraakt of hem een zitplaats heeft aangeboden. Zelfs door zich slechts de activiteiten van zo'n Vaişņava te heugen raakt men met zijn hele gezin gelouterd. Dus wat voor gevolgen zal het niet hebben als men hem rechtstreeks dienst bewijst?"
De Ādi Purāṇa geeft de volgende verklaring van Heer Kṛṣṇa Zelf, gericht tot Arjuna:
"Mijn beste Pārtha, wanneer iemand beweert dat hij Mijn toegewijde is, is hij dat niet. Alleen iemand die zegt dat hij de toegewijde van Mijn toegewijde is, is werkelijk Mijn toegewijde."
Niemand kan rechtstreeks tot de Allerhoogste Godspersoon naderen. Men moet Hem benaderen via Zijn zuivere toegewijde. Derhalve geldt in het stelsel van de activiteiten van de Vaișņava's als hun eerste plicht dat ze zich tot een toegewijde als geestelijk leraar wenden en hem vervolgens hun dienst bewijzen.
"Mijn beste Pārtha, wanneer iemand beweert dat hij Mijn toegewijde is, is hij dat niet. Alleen iemand die zegt dat hij de toegewijde van Mijn toegewijde is, is werkelijk Mijn toegewijde."
Niemand kan rechtstreeks tot de Allerhoogste Godspersoon naderen. Men moet Hem benaderen via Zijn zuivere toegewijde. Derhalve geldt in het stelsel van de activiteiten van de Vaișņava's als hun eerste plicht dat ze zich tot een toegewijde als geestelijk leraar wenden en hem vervolgens hun dienst bewijzen.
Śrīla Rūpa Gosvāmī verklaart dat alle aanhalingen in de Bhakti-rasāmṛta-sindhu uit de verschillende Schriften door de grote ācārya's en toegewijden van de Heer als gezaghebbend worden geaccepteerd.
De Heer dienen naar draagkracht
De Padma Purāṇa zegt dat men de rituelen voor de Heer moet celebreren naar gelang zijn financiële draagkracht. Iedereen moet hoe dan ook alle ceremoniën en riten ter ere van de Heer celebreren.
Toegewijde dienst tijdens de maand kārttika
Een van de belangrijkste ceremoniële plechtigheden is ūrja-vrata.Men viert ūrja-vrata in de maand kārttika (oktober-november). Vooral in Vṛndāvana is er dan een speciaal tempelprogramma, waarbij de Heer in Zijn Dāmodara-gedaante wordt aanbeden. De naam Dāmodara heeft betrekking op Krșņa die door Zijn moeder, Yaśodā,met een touw om Zijn middel wordt vastgebonden. Zoals Heer Dāmodara Zijn toegewijden zeer dierbaar is, is naar men zegt ook de maand genaamd Dāmodara of kārttika hun zeer dierbaar.
Het verdient bijzondere aanbeveling de toegewijde dienst met betrekking tot ūrja-vrata in de maand kārttika in Mathurā te verrichten. Tal van toegewijden volgen deze aanbeveling nog steeds op. Ze gaan naar Mathurā of Vṛndāvana en blijven daar de hele maand kārttika speciaal met het oog op het verrichten van deze toegewijde dienst.
In de Padma Purāṇa wordt verklaard:
"De Heer kan een toegewijde weliswaar verlossing of materieel geluk schenken, maar wanneer men vooral tijdens kārttika in Mathurā enige toegewijde dienst heeft gedaan, verlangt men slechts nog naar zuivere toegewijde dienst aan de Heer."
De betekenis van deze uitspraak is dat de Heer geen toegewijde dienst toekent aan gewone mensen die er geen ernst mee maken. Maar zelfs zulke onserieuze figuren kunnen heel makkelijk tot de persoonlijke dienst aan de Heer worden toegelaten, wanneer ze volgens de regulerende principes toegewijde dienst doen in het district Mathurā in India.
"De Heer kan een toegewijde weliswaar verlossing of materieel geluk schenken, maar wanneer men vooral tijdens kārttika in Mathurā enige toegewijde dienst heeft gedaan, verlangt men slechts nog naar zuivere toegewijde dienst aan de Heer."
De betekenis van deze uitspraak is dat de Heer geen toegewijde dienst toekent aan gewone mensen die er geen ernst mee maken. Maar zelfs zulke onserieuze figuren kunnen heel makkelijk tot de persoonlijke dienst aan de Heer worden toegelaten, wanneer ze volgens de regulerende principes toegewijde dienst doen in het district Mathurā in India.
Het vieren van de feesten ter ere van Kṛṣṇa's spel en vermaak
De Bhaviṣya Purāṇa doet een uitspraak over het celebreren van de verschillende ceremoniën ter ere van de verschijning van de Heer en andere bovenzinnelijke gebeurtenissen: "O Heer Janārdana [Kṛṣṇa], laat ons alstublieft weten wanneer Uw moeder, Devakīdevī, U ter wereld bracht. Als U ons dit in Uw goedheid vertelt, zullen we op die dag een groot feest vieren, O doder van Keśī, we zijn zielen die zich volkomen aan Uw lotusvoeten hebben overgegeven, en we willen U met ons feest slechts vreugde schenken."
Deze verklaring van de Bhaviṣya Purāṇa toont aan dat men door het vieren van allerlei feesten en het houden van plechtigheden in verband met de activiteiten van de Heer Hem beslist voldoening schenkt.
De Heer met grote toewijding dienen
In de Ādi Purāṇa wordt gezegd:
"Wanneer iemand voortdurend de heilige naam chant en bovenzinnelijk genoegen ervaart bij het verrichten van zijn toegewijde dienst, wordt deze dienst hem beslist makkelijk gemaakt en krijgt hij nooit alleen maar mukti [verlossing]."
"Wanneer iemand voortdurend de heilige naam chant en bovenzinnelijk genoegen ervaart bij het verrichten van zijn toegewijde dienst, wordt deze dienst hem beslist makkelijk gemaakt en krijgt hij nooit alleen maar mukti [verlossing]."
Mukti betekent verlossing uit de stoffelijke gevangenschap: is men verlost, dan hoeft men niet in de stoffelijke wereld te worden weder-geboren. Impersonalisten verlangen ernaar om in het geestelijk bestaan op te gaan en zo een eind te maken aan hun individualiteit, maar volgens het Śrīmad-Bhāgavatam (2.10.6) is mukti slechts de fase voorafgaand aan de terugkeer naar de normale toestand. De normale toestand van elk levend wezen is dat het verbonden is in toegewijde dienst aan de Heer. Uit bovengenoemde verklaring van de Ādi Purāņa blijkt dat een toegewijde al voldaan is wanneer hij slechts toegewijde dienst kan verrichten. Hij is helemaal niet uit op wat voor verlossing dan ook van het materiële bestaan. Dus iedereen die toegewijde dienst doet is vrij van het geconditioneerde leven, ook al lijkt hij er nog aan gebonden.
Lezen uit het Śrīmad-Bhāgavatam in gezelschap van toegewijden
Het Śrīmad-Bhāgavatam is de wensboom van de Vedische wijsheid. Het woord Veda op zichzelf betekent: alle kennis bijeengenomen. Die kennis nu welke voor de menselijke samenleving vereist is wordt volmaakt beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam. De Veda's bevatten verschillende afdelingen van kennis, zoals bijvoorbeeld maatschappelijk, politiek, geneeskundig en strategisch. Al deze vormen van kennis en andere staan volmaakt in de Veda's beschreven. Ook de geestelijke kennis vindt men er volmaakt in uitgelegd, en het Śrīmad-Bhāgavatam nu wordt beschouwd als de rijpe vrucht van de wensboom van de geestelijke kennis van de Veda's. Men roemt een boom om zijn vruchten. Een mangoboom wordt als zeer waardevol beschouwd, omdat hij de koning van alle vruchten voortbrengt. Is de mango rijp, dan is hij het grootste geschenk van zijn boom, en zo wordt het Śrīmad-Bhāgavatam beschouwd als de rijpe vrucht van de Vedische wensboom. Zoals nu een rijpe vrucht lekker wordt wanneer ze is aangepikt door de snavel van een papegaai of śuka, is het Śrīmad-Bhāgavatam extra aangenaam voor het oor omdat het tot ons komt via de bovenzinnelijke mond van Śukadeva Gosvāmī.
Men dient het Śrīmad-Bhāgavatam te vernemen uit de mond van iemand die zich in een ononderbroken erfopvolging bevindt. Wanneer een rijpe vrucht uit de boomkruin van tak tot tak wordt doorgegeven door mensen in de boom, blijft ze heel. Zo blijft ook de kennis van het Śrīmad-Bhāgavatam, indien doorgegeven via de paramparā of geeste-lijke erfopvolging, ongeschonden. De Bhagavad-gītā (IV.2) verklaart dat de paramparā of geestelijke erfopvolging de weg is waarlangs men de bovenzinnelijke kennis dient te ontvangen. Deze kennis moet de weg van de geestelijke erfopvolging begaan via geestelijke autoriteiten die weten wat de werkelijke bedoeling van de śāstra's is.
Srī Caitanya Mahāprabhu adviseert dat men het Srīmad-Bhāga-vatam leert kennen uit de mond van een zelfverwerkelijkte ziel, die bhāgavata wordt genoemd. Bhāgavata betekent in verband staand met de Godspersoon (Bhagavān). Dus de toegewijde wordt ook wel bhāgavata genoemd en het boek dat verband houdt met de toegewijde dienst aan de Allerhoogste Godspersoon draagt dezelfde naam. Sri Caitanya Mahāprabhu adviseert dat iemand die van de ware smaak van het Śrīmad-Bhāgavatam genieten wil zich door de persoon bhāgavata moet laten onderrichten. Het Śrīmad-Bhāgavatam kan zelfs genoten worden door een verloste ziel. Śukadeva Gosvāmī, die al verlost was in de moederschoot, verklaart dat hij pas echt toegewijde werd nadat hij van het luisteren naar het Śrīmad-Bhāgavatam had genoten. Derhalve dient iemand die ernaar verlangt om in het Kṛṣṇa-bewustzijn vorderingen te maken zich het Śrīmad-Bhāgavatam door bevoegde toegewijden te laten uitleggen.
Śukadeva Gosvāmī verklaart in het Śrīmad-Bhāgavatam (2.1.9) dat toen hij uit de mond van zijn vader, Vyāsadeva, de geschiedenis van het bovenzinnelijk spel en vermaak van de Allerhoogste Godspersoon vernam, hij meer tot het Śrīmad-Bhāgavatam aangetrokken raakte, hoewel hij voordien sterk tot het onpersoonlijk Brahman aangetrokken was geweest. Men dient hier te begrijpen dat Vyāsadeva ook een zelfverwerkelijkte ziel was, die zijn volwassen bijdrage op het gebied van de bovenzinnelijke kennis, zoals beschreven, rechtstreeks aan Śukadeva Gosvāmī doorgaf.
Omgang zoeken met gevorderde toegewijden
Tijdens de bijeenkomst van de wijzen in Naimişāranya in aanwezigheid van Śuta Gosvāmī legt Śaunaka Muni uit hoe belangrijk het is om het Śrīmad-Bhāgavatam onder zuivere toegewijden te bespreken. Suta Gosvāmi laat weten dat als iemand het geluk heeft dat hij ook maar een ogenblik met een zuivere toegewijde van de Heer kan verkeren, dit ene moment zo waardevol is, dat zelfs de vrome werken waardoor men tot de hemelse planeten wordt bevorderd of waardoor men verlossing van alle materiële ellende ontvangt erbij in het niet zinken. Kortom: wie aan het luisteren naar het Śrīmad-Bhāgavatam gehecht is, interesseert zich niet meer voor materiële voordelen zoals bevordering naar het koninkrijk van de hogere planeten of de ver-lossing zoals impersonalisten zich die voorstellen. De omgang met zuívere toegewijden is van zo'n hoge bovenzinnelijke waarde, dat ze met geen enkele vorm van materieel geluk te vergelijken valt.
De Hari-bhakti-sudhodaya geeft een gesprek weer tussen Prahlāda Mahārāja en zijn vader Hiraņyakaśipu, waarin de laatste Prahlāda als volgt toespreekt:
"Mijn lieve zoon, het is van het grootste belang met wie men omgaat. Deze omgang is als een kristal dat alles weerkaatst waarmee het in aanraking komt."
Als we dus omgaan met de toegewijden van de Heer, die als bloemen zijn, en als ons hart daarbij helder is als kristal, doet zich ongeveer hetzelfde verschijnsel voor. Een ander voorbeeld in dit verband is dat van een potente man die gemeenschap heeft met een vrouw; mankeert de vrouw niets, dan zal hun samengaan tot bevruchting kunnen leiden. Als nu ook degene die geestelijke kennis overdraagt en degene die haar ontvangt beiden oprecht zijn en volgens de Schriften handelen, leidt beider samenzijn tot een goed resultaat.
"Mijn lieve zoon, het is van het grootste belang met wie men omgaat. Deze omgang is als een kristal dat alles weerkaatst waarmee het in aanraking komt."
Als we dus omgaan met de toegewijden van de Heer, die als bloemen zijn, en als ons hart daarbij helder is als kristal, doet zich ongeveer hetzelfde verschijnsel voor. Een ander voorbeeld in dit verband is dat van een potente man die gemeenschap heeft met een vrouw; mankeert de vrouw niets, dan zal hun samengaan tot bevruchting kunnen leiden. Als nu ook degene die geestelijke kennis overdraagt en degene die haar ontvangt beiden oprecht zijn en volgens de Schriften handelen, leidt beider samenzijn tot een goed resultaat.
Het chanten van de heilige namen van de Heer
Het Śrīmad-Bhāgavatam legt de grootste nadruk op het chanten van:
hare Kṛṣṇa hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa hare hare
hare rāma hare rāma rāma rāma hare hare
Śukadeva Gosvāmī zegt tot Mahārāja Pariksit:
"Waarde vorst, als iemand spontaan aan het chanten van de Hare Kṛṣṇa maha-mantra gehecht is, moet men aannemen dat hij de hoogste staat van volmaaktheid heeft bereikt." (S.B., 2.1.11)
Hij vermeldt speciaal dat de karmi's, die de vruchten van hun werk begeren, de jnāni's, die één willen worden met de Allerhoogste Godspersoon, en de yogi's, die zich mystieke vermogens willen verwerven, alle vormen van volmaaktheid die ze zich wensen ineens kunnen ontvangen door gewoon de mahā-mantra te chanten. Śukadeva Gosvāmī bezigt in dit verband het woord nirṇītam, waarmee wordt aangegeven dat dit een uitgemaakte zaak is. Hij was zelf een verloste ziel en kon dus niet meer iets accepteren dat niet aan alle kanten juist was. Dus Śukadeva Gosvāmī benadrukt hier dat het een uitgemaakte zaak is dat iemand die de Hare Kṛṣṇa-mantra begint te chanten en hier vastberaden mee doorgaat, de karmī, de jnāni en de mystieke yogī te boven heet te gaan.
hare Kṛṣṇa hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa hare hare
hare rāma hare rāma rāma rāma hare hare
Śukadeva Gosvāmī zegt tot Mahārāja Pariksit:
"Waarde vorst, als iemand spontaan aan het chanten van de Hare Kṛṣṇa maha-mantra gehecht is, moet men aannemen dat hij de hoogste staat van volmaaktheid heeft bereikt." (S.B., 2.1.11)
Hij vermeldt speciaal dat de karmi's, die de vruchten van hun werk begeren, de jnāni's, die één willen worden met de Allerhoogste Godspersoon, en de yogi's, die zich mystieke vermogens willen verwerven, alle vormen van volmaaktheid die ze zich wensen ineens kunnen ontvangen door gewoon de mahā-mantra te chanten. Śukadeva Gosvāmī bezigt in dit verband het woord nirṇītam, waarmee wordt aangegeven dat dit een uitgemaakte zaak is. Hij was zelf een verloste ziel en kon dus niet meer iets accepteren dat niet aan alle kanten juist was. Dus Śukadeva Gosvāmī benadrukt hier dat het een uitgemaakte zaak is dat iemand die de Hare Kṛṣṇa-mantra begint te chanten en hier vastberaden mee doorgaat, de karmī, de jnāni en de mystieke yogī te boven heet te gaan.
Dit wordt ook door Kṛṣṇa bevestigd in de Ādi Purāņa. Zich tot Arjuna richtend, zegt Hij:
"Wanneer iemand Mijn bovenzinnelijke naam ten gehore brengt dient hij te begrijpen dat hij al met Me omgaat. En Ik kan je vrijuit zeggen dat zo'n toegewijde Me makkelijk voor zich wint."
"Wanneer iemand Mijn bovenzinnelijke naam ten gehore brengt dient hij te begrijpen dat hij al met Me omgaat. En Ik kan je vrijuit zeggen dat zo'n toegewijde Me makkelijk voor zich wint."
Dezelfde Purāṇa zegt verder:
"Er bestaat geen verschil tussen de heilige naam van de Heer en de Heer Zelf. In dit licht gezien, moet men aannemen dat de heilige naam in volheid, zuiverheid en oneindigheid even volmaakt is als de Heer Zelf. De heilige naam is geen materiële geluidstrilling, en is van alle stoffelijke smetten vrij."
De heilige naam kan dan ook niet zonder overtredingen worden gechant door iemand die zijn zinnen nog niet heeft gelouterd. Door echter toch de Hare Kṛṣṇa-mantra te chanten krijgt men de gelegenheid om zich werkelijk te reinigen, zodat men weldra zonder overtredingen de heilige naam ten gehore kan brengen.
"Er bestaat geen verschil tussen de heilige naam van de Heer en de Heer Zelf. In dit licht gezien, moet men aannemen dat de heilige naam in volheid, zuiverheid en oneindigheid even volmaakt is als de Heer Zelf. De heilige naam is geen materiële geluidstrilling, en is van alle stoffelijke smetten vrij."
De heilige naam kan dan ook niet zonder overtredingen worden gechant door iemand die zijn zinnen nog niet heeft gelouterd. Door echter toch de Hare Kṛṣṇa-mantra te chanten krijgt men de gelegenheid om zich werkelijk te reinigen, zodat men weldra zonder overtredingen de heilige naam ten gehore kan brengen.
Caitanya Mahāprabhu adviseert iedereen om de Hare Kṛṣṇa-mantra te chanten teneinde zijn hart te reinigen van het stof dat erin ligt opgehoopt. Is het hart eenmaal van stof ontdaan, dan kan men werkelijk begrijpen hoe belangrijk de heilige naam is. Voor mensen die er niet toe geneigd zijn hun hart te reinigen en die alles bij het oude willen laten, is het ondenkbaar dat het chanten van de Hare Krsņa-mantra hun ook maar enig bovenzinnelijk resultaat zal opleveren. Men moet zich dus laten aanmoedigen om een houding van dienstbaarheid jegens de Heer aan te nemen, aangezien men hierdoor vrij van overtredingen zal kunnen leren chanten. Onder leiding van een geestelijk leraar raakt de leerling erin geoefend zowel dienst te bewijzen als de Hare Kṛṣṇa-mantra te chanten. Zodra men zijn dienst spontaan begint te verrichten, kan men inzien dat het wezen van de heilige namen van de mahā-mantra bovenzinnelijk is.
In Mathurā wonen
De Padma Purāṇa verklaart hoe belangrijk het is om in heilige plaatsen als Mathurā of Dvārakā te verblijven:
"Reizen naar verschillende bedevaartsoorden leidt tot verlossing uit de materiële gevangenschap. Deze verlossing is echter niet de hoogste staat van volmaaktheid. Na het bereiken van de fase van verlossing dient men verbonden te raken in toegewijde dienst aan de Heer. Is men op het niveau van brahma-bhūta [verlossing], dan kan men vandaar de toegewijde dienst binnengaan. Toelating tot de bovenzinnelijke liefdedienst aan de Heer is het uiteindelijke levensdoel en men komt zeer makkelijk tot dit punt wanneer
en, al is het maar enkele sekonden, in Mathurā-maņdala verblijft."
"Reizen naar verschillende bedevaartsoorden leidt tot verlossing uit de materiële gevangenschap. Deze verlossing is echter niet de hoogste staat van volmaaktheid. Na het bereiken van de fase van verlossing dient men verbonden te raken in toegewijde dienst aan de Heer. Is men op het niveau van brahma-bhūta [verlossing], dan kan men vandaar de toegewijde dienst binnengaan. Toelating tot de bovenzinnelijke liefdedienst aan de Heer is het uiteindelijke levensdoel en men komt zeer makkelijk tot dit punt wanneer
en, al is het maar enkele sekonden, in Mathurā-maņdala verblijft."
Verder wordt er gezegd:
"Wie zal het er niet mee eens zijn dat het land van Mathurā aanbeden moet worden? Mathurā kan alle wensen vervullen, zowel van de karmī's als van de jnāni's, die met het Allerhoogste Brahman één willen worden. Mathurā zal de toegewijden, die slechts de Heer willen dienen, beslist ter wille zijn."
De Vedische Schriften verklaren tevens:
"Hoe prachtig is het dat men door slechts één dag in Mathurā te verblijven de neiging van bovenzinnelijke liefde tot de Allerhoogste Godspersoon in zich voelt opkomen! Dit land Mathurā moet heerlijker zijn dan Vaikuņțha-dhāma, Gods koninkrijk!"
"Wie zal het er niet mee eens zijn dat het land van Mathurā aanbeden moet worden? Mathurā kan alle wensen vervullen, zowel van de karmī's als van de jnāni's, die met het Allerhoogste Brahman één willen worden. Mathurā zal de toegewijden, die slechts de Heer willen dienen, beslist ter wille zijn."
De Vedische Schriften verklaren tevens:
"Hoe prachtig is het dat men door slechts één dag in Mathurā te verblijven de neiging van bovenzinnelijke liefde tot de Allerhoogste Godspersoon in zich voelt opkomen! Dit land Mathurā moet heerlijker zijn dan Vaikuņțha-dhāma, Gods koninkrijk!"