Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 13

Vijf krachtige vormen van toegewijde dienst

Rūpa Gosvāmī zegt dat de vijf belangrijkste toegewijde principes, namelijk:
1) het verblijven in Mathurā;
2) het dienen van de mūrti van de Heer;
 3) het lezen uit het Śrīmad-Bhāgavatam;
4) het dienen van de toegewijden;
5) het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra-
zoveel kracht in zich hebben, dat slechts een geringe gehechtheid aan een van deze vijf zelfs een beginneling tot toegewijde extase kan brengen.
Over het aanbidden van de gedaante van de Heer, of de mūrti schrijft Rūpa Gosvāmī:
"Beste vrienden, als jullie nog van het gezelschap van jullie dierbaren in deze materiële wereld willen genieten, kijk dan niet naar Kṛṣṇa zoals Hij bij Keśi-ghāta aan de oever van de Yamunā staat. Men kent Hem als Govinda en Hij werpt betoverende blikken om Zich heen. Hij speelt op Zijn fluit en op Zijn hoofd prijkt een pauwenveer. Zijn gedaante baadt zich van top tot teen in het maanlicht."
De strekking van dit vers is dat iemand die aan de mūrti, het beeld van Kṛṣṇa gehecht raakt, door het thuis te aanbidden, zijn belangstelling verliest voor alles wat voor liefde, vriendschap en maatschappelijk verkeer moet doorgaan. Het is dan ook de plicht van elke huisman om in zijn woning de mūrti van de Heer te installeren en haar met zijn gezin volgens de regels te vereren. Zo hoeft niemand zich in te laten met ongewenste activiteiten als het bezoeken van de bioskoop, dansfeesten, roken, drinken enz. Al deze onzin vergeet men gewoon als men thuis het accent op het eren van de mūrti legt.
Rūpa Gosvāmi schrijft verder:
"Mijn beste dwaze vriend, volgens mij heb je al gehoord van het heilrijke Śrīmad-Bhāgavatam, dat het najagen van de vruchten van ons werk, economische ontwikkeling en streven naar verlossing afwijst. Volgens mij staat het vast dat de verzen van het tiende canto van het Śrīmad-Bhāgavatam, die het spel en vermaak van de Heer beschrijven, via je oren geleidelijk in je hart zullen binnendringen."
In het begin van het Śrīmad-Bhāgavatam wordt gezegd dat men het niet begrijpen kan, als men er niet toe in staat is zich van zijn baatzuchtig verlangen naar het resultaat van ritualisme, economische ontwikkeling en vereniging met het Allerhoogste-of verlossing-te ontdoen alsof het vuilnis is. Het Bhāgavatam behandelt uitsluitend de toegewijde dienst. Alleen als men in de houding van verzaking de stof van het Śrīmad-Bhägavatam bestudeert, kan men het spel en vermaak van de Heer begrijpen, dat in het tiende canto beschreven wordt. Met andere woorden: men moet niet willen proberen de onderwerpen van het tiende canto te begrijpen, zoals de rāsa-līlā (de liefdesdans), tenzij men zich spontaan tot het Śrīmad-Bhāgavatam aangetrokken voelt. Men moet zich op het niveau van zuivere toegewijde dienst bevinden, voordat men het Śrīmad-Bhāgavatam zoals het is genieten kan.
In het hierboven aangehaalde vers van Rūpa Gosvāmi wordt indirect een veroordeling uitgesproken over het opgaan in de liefde, de vriendschap en het maatschappelijk verkeer van de materiële wereld. De mensen voelen zich over het algemeen aangetrokken tot liefde, vriendschap en het maatschappelijk verkeer, en treffen uitgebreide voorzieningen en stellen hevige pogingen in het werk om steeds intenser met deze vormen van materiële besmetting in contact te komen. Maar als men met de śrī mūrti 's van Rādha en Krșņa omgaat, vergeet men zijn hele streven om zich met de stof af te geven. Rūpa Gosvāmī schreef zijn vers op zo'n manier dat het leek alsof hij zijn waardering uitsprak voor de omgang in vriendschap en liefde enz. in de materiële sfeer en alsof hij het gezelschap van de śri-mūrti , of Govinda, veroordeelde. Zijn beeldspraak is van dien aard dat hij schijnt te prijzen wat veroordeeld moet worden en te veroordelen wat geprezen moet worden. De werkelijke betekenis van dit vers is dat iemand die werkelijk van de onzin van de liefde, de vriendschap en het maatschappelijk verkeer van de materiële wereld af wil, zijn toevlucht moet zoeken tot het aanschouwen van de gedaante van Govinda.
Śrīla Rūpa Gosvāmī geeft een vergelijkbare beschrijving van de bovenzinnelijke aard van het genieten van de gespreksonderwerpen die betrekking hebben op Kṛṣṇa. Een toegewijde zei eens:
"Het is verbazingwekkend dat vanaf het ogenblik dat ik de Godspersoon aanschouwde en mijn tranen Zijn beeltenis wasten, ik over mijn hele lichaam beef en Hij ervoor zorgt dat ik bij alles wat ik op materieel gebied doe faal. Sinds ik Hem gezien heb, kan ik niet meer rustig thuis blijven zitten. Ik wil altijd naar Hem toe."
De betekenis van deze verklaring is dat zodra men het geluk heeft dat men met een zuivere toegewijde in aanraking is gekomen, men direct zo veel mogelijk over Kṛṣṇa moet willen horen, over Kṛṣṇa moet willen leren, kortom: volkomen Kṛṣṇa-bewust moet willen worden. Zo is er ook een uitspraak over het horen en chanten van de mahā-mantra:
"Het heet dat er heiligen zijn die de trillingen van de snaren van de vīņā hebben kunnen horen, welke Nārada, die altijd de heerlijkheid van Heer Kṛṣṇa bezingt, in zijn handen houdt. Deze zelfde klanktrilling is nu mijn oren binnengegaan en ik ervaar onophoudelijk de aanwezigheid van de Allerhoogste Persoon. Geleidelijk raak ik los van al mijn gehechtheid aan het genieten van de stof."
Śrīla Rūpa Gosvāmī beschrijft ook Mathurā-maņdala:
"Ik herinner me de Heer zoals Hij aan de oever van de Yamunā staat in Zijn stralende schoonheid, temidden van de kadamba-bomen in tuinen vol tjilpende vogels. Dit herinneringsbeeld schenkt me altijd de bovenzinnelijke realisatie van schoonheid en gelukzaligheid."
De gevoelens van Rūpa Gosvāmī met betrekking tot Mathurā-maņdala en Vṛndāvana kunnen zelfs door niet-toegewijden worden ervaren. De plaatsen van Kṛṣṇa's spel en vermaak in de ruim tweehonderd vierkante kilometer van het district Mathurā liggen zo fraai aan weerszijden van de Yamunā, dat iedereen die ze bezoekt nooit meer naar deze stoffelijke wereld wil terugkeren. De uitspraken van Rūpa Gosvāmī zijn in feite gerealiseerde beschrijvingen van het transcendente Mathurā en Vṛndāvana . Uit al zijn woorden spreekt dat Mathurā en Vṛndāvana zich in de bovenzinnelijke wereld bevinden, anders zou het niet mogelijk zijn dat er bovenzinnelijke gevoelens voor deze oorden in ons ontwaken. Ze komen zonder meer tot leven, zodra men in Mathurā of Vṛndāvana arriveert.
In deze uitspraken over de toegewijde dienst lijkt het soms dat het resultaat ervan wordt overdreven, maar van overdrijving is geen sprake. Uit de geopenbaarde Schriften blijkt dat sommige toegewijden onmiddellijk resultaat hebben gehad, hoewel dit niet bij iedereen het geval kan zijn. De Kumāra's bijvoorbeeld werden onmiddellijk toegewijd toen ze de geur van de wierook in de tempel roken. Bilvamaṅgala Ṭhākura hóórde alleen maar over Kṛṣṇa en gaf onmiddellijk het gezelschap van zijn mooie vriendin op, waarna hij afreisde naar Mathurā en Vṛndāvana , waar hij een volmaakte Vaiṣṇava werd. Dus deze verklaringen berusten niet op overdrijving. Het zijn geen fabeltjes. Ze zijn werkelijk waar, maar dat kan alleen door bepaalde toegewijden worden gerealiseerd. Zelfs als men deze beschrijvingen als overdrijving beschouwt, doet men er goed aan ze te accepteren zoals ze tot ons komen, teneinde onze aandacht van de vergankelijke schoonheid van de stof af te laten leiden en op de eeuwige schoonheid van het Kṛṣṇa-bewustzijn te richten. De beschreven resultaten zijn voor iemand die al in aanraking met het Kṛṣṇa-bewustzijn is geenszins ongewoon.
Sommige geleerden beweren dat men door zich gewoon aan de principes van het varņa-en āśrama-stelsel te houden, geleidelijk op kan stijgen tot het níveau van volmaaktheid, dat men door de beoefening van toegewijde dienst bereikt, maar de grote autoriteiten willen hier niet aan. Ook Heer Caitanya verwierp in Zijn gesprekken met Rāmānanda Rāya over het geleidelijk ontwikkelen van toegewijde dienst deze gedachte. Hij verklaarde dat de verheffende werking van het varna- en āsrama-stelsel slechts uiterlijk is. Er bestaat een hoger beginsel. Ook in de Bhagavad-gitā zegt de Heer dat men alle andere beginselen van zelfverheffing moet prijsgeven en zich slechts aan de weg van de ontwikkeling van het Kṛṣṇa-bewustzijn moet houden. Op deze manier kan men tot de hoogste levensvolmaaktheid opstijgen. In het Śrīmad-Bhāgavatam (11.20.9) zegt de Heer Zelf:
"Men dient zich slechts met de voorgeschreven plichten van het varņa-en āsrama-stelsel in te laten, zolang men er nog niet spontaan toe neigt om steeds naar de verhalen over Mijn spel en vermaak en activiteiten te willen luisteren."
Dus de voorschriften van het varna- en āśrama-stelsel zijn van ritualistisch-religieuze aard en hebben slechts vergroting van de welstand, intensere zinsbevrediging of het bereiken van verlossing tot doel. Al deze zaken worden aanbevolen voor mensen die geen Kṛṣṇa-bewustzijn hebben ontwikkeld. De geopenbaarde Schriften adviseren dit soort activiteiten in feite uitsluitend om de gebonden zielen op een punt te brengen vanwaar ze tot Krșņa-bewustzijn kunnen komen, maar wie al spontaan aan Kṛṣṇa gehecht is, hoeft geen enkele plicht meer te vervullen die in de Schriften aanbevolen wordt.