Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 14
Voorwaarden tot toelating tot de toegewijde dienst
Sommige geleerden verzekeren dat kennis en verzaking belangrijke factoren zijn bij het opstijgen tot het niveau van de toegewijde dienst. Maar dat is eigenlijk niet zo. Om enig houvast te krijgen in het Kṛṣṇa-bewustzijn kan men weliswaar worden aangeraden zich aanvankelijk toe te leggen op kennisontwikkeling of verzaking, maar men verkrijgt beide uiteindelijk hoe dan ook, aangezien toegewijde dienst slechts gebaseerd is op het gevoel of het verlangen om zich die dienst te verwerven. Ze verlangt niets anders dan oprechtheid.
Volgens ervaren toegewijden kunnen de weg van theoretiseren en redeneren en die van de kunstmatige boete van de yoga-beoefening hun nut hebben om zich te reinigen van de besmetting van de stof, maar tegelijk kunnen ze het hart steeds meer verharden. Men heeft er abso-luut niets aan als men in zijn toegewijde dienst wil vorderen. Daarom worden deze wegen dus afgewezen voor iemand die de Heer boven-zinnelijke liefdedienst wil bewijzen. Eigenlijk is alleen Kṛṣṇa-bewustzijn, de toegewijde dienst zelf, de weg waarlangs men in het toegewijde leven vooruit kan gaan. Toegewijde dienst is absoluut: ze is zowel oorzaak als gevolg. De Allerhoogste Godspersoon is oorzaak en gevolg van al wat is en om tot Hem, de Absolute, te kunnen naderen, moet men de methode van de toegewijde dienst, die eveneens absoluut is, te baat nemen.
De Heer bevestigt dit Zelf in de Bhagavad-gitā(XVIII.55):
"Alleen door toegewijde dienst kan men Mij leren kennen."
Aan het begin van Zijn onderricht zegt de Heer tot Arjuna (B.g. IV.3):
"Omdat je Mij toegewijd bent, zal Ik je deze geheimen onthullen."
De Vedische kennis leidt er uiteindelijk toe dat men leert begrijpen wie de Opperheer is, en wil men vervolgens in Zijn koninkrijk binnengaan, dan doet men dat door toegewijde dienst. Alle authentieke Schriften spreken zich hier zo over uit. Theoretici hebben geen oog voor de weg van de toegewijde dienst. Door elkaar steeds maar met filosofische argumenten om de oren te slaan, slagen ze er niet in om de extase van het toegewijde leven in zich tot ontwikkeling te brengen.
"Alleen door toegewijde dienst kan men Mij leren kennen."
Aan het begin van Zijn onderricht zegt de Heer tot Arjuna (B.g. IV.3):
"Omdat je Mij toegewijd bent, zal Ik je deze geheimen onthullen."
De Vedische kennis leidt er uiteindelijk toe dat men leert begrijpen wie de Opperheer is, en wil men vervolgens in Zijn koninkrijk binnengaan, dan doet men dat door toegewijde dienst. Alle authentieke Schriften spreken zich hier zo over uit. Theoretici hebben geen oog voor de weg van de toegewijde dienst. Door elkaar steeds maar met filosofische argumenten om de oren te slaan, slagen ze er niet in om de extase van het toegewijde leven in zich tot ontwikkeling te brengen.
Kṛṣṇa zegt in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.20.31):
"Mijn beste Uddhava, voor degenen die Mij serieus willen dienen is de weg van het filosofisch redeneren alsook de weg van de kunstmatige verzaking niet bijster geschikt. Wanneer iemand Mijn toegewijde wordt, verwerft hij zich automatisch de vruchten van de verzaking van alle materiële genoegens en ontvangt hij voldoende kennis om de Absolute Waarheid te kunnen begrijpen."
Hieraan kan men zien of iemand in zijn toegewijde dienst vorderingen maakt. Een echte toegewijde kan zich niet in het ongewisse bevinden, aangezien de Heer hem Zijn bijzondere gunst bewijst en van binnenuit verlicht.
"Mijn beste Uddhava, voor degenen die Mij serieus willen dienen is de weg van het filosofisch redeneren alsook de weg van de kunstmatige verzaking niet bijster geschikt. Wanneer iemand Mijn toegewijde wordt, verwerft hij zich automatisch de vruchten van de verzaking van alle materiële genoegens en ontvangt hij voldoende kennis om de Absolute Waarheid te kunnen begrijpen."
Hieraan kan men zien of iemand in zijn toegewijde dienst vorderingen maakt. Een echte toegewijde kan zich niet in het ongewisse bevinden, aangezien de Heer hem Zijn bijzondere gunst bewijst en van binnenuit verlicht.
De Heer onderricht Uddhava verder (S.B., 11.20.32-33):
"Mijn beste vriend, het voordeel dat men heeft van het ver-richten van baatzuchtige activiteiten, het doen van boete, het ontwikkelen van filosofische kennis, verzaking, de beoefening van mystieke yoga, het doen van barmhartigheid en meer van zulke heilzame activiteiten, valt Mijn toegewijden, degenen die er slechts aan gehecht zijn Mij liefdevol te dienen, vanzelf in de schoot. Deze toegewijden ontbreekt het aan niets, want ze verlangen niets anders dan Mijn toegewijde dienst. Als een toegewijde ooit bijzonder materieel of geestelijk voordeel zou verlangen, bijvoorbeeld toegang tot de hemelse planeten of tot de Vaikuṇṭha-planeten, dan worden zijn wensen door Mijn grondeloze genade zeer makkelijk vervuld."
"Mijn beste vriend, het voordeel dat men heeft van het ver-richten van baatzuchtige activiteiten, het doen van boete, het ontwikkelen van filosofische kennis, verzaking, de beoefening van mystieke yoga, het doen van barmhartigheid en meer van zulke heilzame activiteiten, valt Mijn toegewijden, degenen die er slechts aan gehecht zijn Mij liefdevol te dienen, vanzelf in de schoot. Deze toegewijden ontbreekt het aan niets, want ze verlangen niets anders dan Mijn toegewijde dienst. Als een toegewijde ooit bijzonder materieel of geestelijk voordeel zou verlangen, bijvoorbeeld toegang tot de hemelse planeten of tot de Vaikuṇṭha-planeten, dan worden zijn wensen door Mijn grondeloze genade zeer makkelijk vervuld."
Het komt erop neer dat iemand die Kṛṣṇa-bewustzijn ontwikkelt, maar nog enigszins aan materiële genoegens gehecht is, door het regelmatig verrichten van toegewijde dienst, op aanwijzing van een bevoegd geestelijk leraar, spoedig van zijn materiële neiging zal worden verlost.
Vervolgens adviseert Śrila Rūpa Gosvāmi dat men niet gehecht moet blijven aan stoffelijk zingenot, maar slechts van die dingen genieten welke in verband staan met Kṛṣṇa.Het is bijvoorbeeld nodig dat we eten en men nuttigt het liefst iets wat de tong streelt. In dat geval kan men, liever om Kṛṣṇa ņa voldoening te schenken dan de eigen tong, een paar lekkere gerechten klaarmaken en die dan aan Hem offeren. Men kan smakelijke gerechten bereiden, maar als ze niet eerst aan Kṛṣṇa zijn geofferd, mag men er niet van willen eten. Als men de gelofte doet dat men alles afwijst wat niet eerst aan Kṛṣṇa is geofferd ,is men werkelijk verzaakt. Door deze verzaking nu is men in staat de zinnen op de juiste wijze aan hun trekken te laten komen.
De impersonalisten die al het stoffelijke proberen af te wijzen, doen wel allerlei strenge vormen van boete, maar missen de kans om de Heer toegewijd te dienen. Daardoor leidt hun verzaking hen niet tot vol-maaktheid. Er bestaan tal van voorbeelden die laten zien dat imperso-nalisten met hun kunstmatige verzaking, zonder enig contact met de toegewijde dienst, ten val kwamen en weer aangetrokken raakten tot de besmetting van de stof. Ook vandaag lopen er tal van zogenaamde verzakers in sannyāsi-kledij rond, die verkondigen dat het geestelijk bestaan waarheid en het stoffelijk bestaan onwaarheid is. Zo geven ze een hele vertoning van verzaking van de stoffelijke wereld weg. Omdat ze echter niet tot het niveau van toegewijde dienst kunnen opstijgen, lukt het hun niet om het hoogste doel te bereiken en vallen ze weer terug tot materiële activiteiten, zoals menslievend werk, politieke agitatie enz. Er zijn voorbeelden te over van zogenaamde sannyāsi's die de wereld als zijnde onwerkelijk vaarwel zeiden, maar er weer in terugkeerden, omdat ze hun ware toevlucht niet bij de lotusvoeten van de Heer zochten.
Men behoort niets af te wijzen wat in dienst van de Heer kan worden gebruikt. Dat is het geheim van de toegewijde dienst. Alles wat kan worden benut om erdoor tot hoger Kṛṣṇa-bewustzijn te komen en tot toegewijde dienst, moet worden geaccepteerd. Wij maken bijvoorbeeld gebruik van allerlei machines en apparaten bij ons werk om de Ge-meenschap voor Kṛṣṇa-bewustzijn ruimere bekendheid te geven, zoals schrijfmachines, dictafoons, tape-recorders, microfoons en vliegtuigen. Men vraagt ons wel eens: "Waarom maakt u gebruik van producten van de materiële wereld, als u de vooruitgang van de materiële beschaving veroordeelt?" Maar in feite veroordelen we haar niet. We vragen de mensen alleen datgene wat ze doen voort te zetten in Kṛṣṇa-bewustzijn. Volgens ditzelfde beginsel ried Krşņa Arjuna in de Bhagavad-gītā (III.30) aan zijn krijgers-kwaliteiten aan te wenden in toegewijde dienst. Zo gebruiken wij allerlei apparatuur in dienst van Krsņa. Vanuit dit gevoel voor Krșņa, of in Kṛṣṇa-bewustzijn, kunnen we alles voor Zijn gebruik accepteren. Kunnen we een schrijfmachine gebruiken om onze Gemeenschap voor Kṛṣṇa-bèwustzijn meer bekendheid te geven, dan moeten we dat doen. Hetzelfde geldt voor een dictafoon of willekeurig welk ander apparaat. Naar onze opvatting is Kṛṣṇa alles: Kṛṣṇa is oorzaak en gevolg en niets is ons eigendom. Kṛṣṇa's zaken moeten worden gebruikt in Kṛṣṇa's dienst. Zo zien wij dat.
Dit betekent echter niet dat we de principes moeten opgeven die gelden bij het verrichten van de toegewijde dienst of ons niet aan de regels en bepalingen moeten houden die daarbij zijn voorgeschreven. In de beginfase van de toegewijde dienst moet men zich aan alle regels houden op gezag van de autoriteit van de geestelijk leraar. Aannemen en verwerpen van zaken behoort altijd overeenkomstig de beginselen van de toegewijde dienst te gebeuren; men kan niet zelf bedenken wat men aannemen of verwerpen moet. Het is dus nodig dat de geestelijk leraar als uiterlijke openbaring van de Allerhoogste Godspersoon de toegewijde leiding geeft.
De geestelijk leraar mag zich nooit laten meeslepen door de ge-dachte aan veel geld of veel volgelingen. Een bonafide geestelijk leraar zal dat nooit doen. Wanneer een geestelijk leraar niet werkelijk bevoegd is en slechts op eigen initiatief zijn positie inneemt, kan de bekoring van het krijgen van veel geld of een groot aantal leerlingen hem ten val brengen. Zijn toegewijde dienst is niet van bijzonder hoog niveau. Als iemand zich door zulke zaken laat meeslepen, verliest zijn toegewijde dienst haar spankracht. Men dient zich dus strikt aan de principes van de geestelijke erfopvolging te houden.
Een Kṛṣṇa-bewust persoon, die van nature rein is, hoeft op geen enkele manier zijn denken of handelen verder te louteren. Door zijn hoge bewustzijnsstaat is hij al in het bezit van alle goede eigenschappen, en hij volgt de regels en bepalingen die van kracht zijn voor iemand die de weg van de mystieke yogi gaat. Toegewijden van Kṛṣṇa houden zich automatisch aan deze voorschriften. Een concreet voorbeeld hiervan is dat ze geweldloos zijn, hetgeen als een goede eigenschap wordt beschouwd. Een toegewijde is van nature geweldloos en hoeft daarom niet apart nog eens geweldloosheid te beoefenen. Sommige mensen willen zich zuiveren door zich aan te sluiten bij een vereniging van vegetariërs, maar een toegewijde is vanzelf al vegetariër. Er zijn tal van andere voorbeelden waaruit blijkt dat een toegewijde niets anders heeft te doen dan de ontwikkeling van zijn Kṛṣṇa-bewustzijn na te streven: zo komen alle goede eigenschappen van de goden vanzelf in hem tot ontwikkeling. Mensen die zich erop toeleggen om vegetarisch of geweldloos te leven maken materieel gezien weliswaar een goede indruk, maar hun goede eigenschappen stempelen hen nog niet tot toegewijde. Een vegetariër is niet per se toegewijde en dat geldt ook voor een geweldloze. Maar een toegewijde is vanzelf zowel vegetariër als geweldloos. We moeten dus concluderen dat vegetarisme of geweldloosheid niet aan toewijding ten grondslag ligt.
We kunnen in dit verband een verhaal uit de Skanda Purāņa aanhalen over een jager die onder leiding van Nārada Muni in een groot toegewijde veranderde. Toen de jager een volmaakte toegewijde geworden was, wilde hij niet eens een mier meer doden. Een vriend van Nārada, Parvata Muni, die de fantastische karakterverandering zag die de jager door zijn toegewijde dienst had ondergaan, merkte op:
“Beste jager, het feit dat je zelfs geen mier meer doden wilt is zeer verbluffend. Iemnand die de toegewijde houding in zich ontwikkelt, ziet alle goede eigenschappen vanzelf in zich tevoorschijn komen. Een toegewijde brengt niemand ooit leed toe."
“Beste jager, het feit dat je zelfs geen mier meer doden wilt is zeer verbluffend. Iemnand die de toegewijde houding in zich ontwikkelt, ziet alle goede eigenschappen vanzelf in zich tevoorschijn komen. Een toegewijde brengt niemand ooit leed toe."
Śrīla Rūpa Gosvāmī bevestigt hier dat reiniging van het bewustzijn, loutering van de lichamelijke activiteiten, boete en geestelijk evenwicht allemaal vanzelf tevoorschijn komen bij iemand die toegewijde dienst doet.
Śrila Rūpa Gosvāmī verklaart dat er negen verschillende vormen van toegewijde dienst zijn, namelijk horen, verheerlijken, zich heugen, dienen, het eren van de mūrti in de tempel, bidden, het uitvoeren van opdrachten in de tempel, het dienen van de Heer als vriend en alles voor Hem opofferen. Elke van deze negen methoden op zichzelf is zo krachtig, dat als men er ook maar één van volgt, men zonder mankeren de gewenste volmaaktheid bereikt. Als de één er bijvoorbeeld slechts aan gehecht is om te luisteren naar de verhalen over de Heer, terwijl een ander gehecht is aan het bezingen van de heerlijkheid van Zijn naam, dan zullen beiden het doel dat ze in hun toegewijde dienst voor ogen hebben bereiken. Dit wordt uitgelegd in de Caitanya-caritāmṛta. Ook al houdt men zich aan één, twee, drie of alle verschillende methoden van toegewijde dienst, het slot is in alle gevallen dat men het verlangde doel bereikt, namelijk verankering in zuivere toegewijde dienst.
Er bestaan concrete voorbeelden van toegewijden die slechts een van deze vormen van toegewijde dienst verrichtten en tot volmaaktheid kwamen. Koning Pariksit bereikte het gewenste levensdoel door slechts te luisteren naar het Śrīmad-Bhāgavatam; Śukadeva Gosvāmī bereikte hetzelfde doel door slechts het Śrīmad-Bhāgavatam te reciteren; Prahlāda Mahārāja bekroonde zijn toegewijde dienst met succes door zich altijd de Heer te heugen; Lakșmī, de godin van het geluk, kwam tot volmaaktheid door steeds de lotusvoeten van de Heer te masseren; Koning Prthu bereikte het hoogste levensdoel door aanbidding in de tempel; Akrūra kwam tot volmaaktheid door gebeden op te zenden; Hanumān bereikte het verlangde succes door Heer Rāmacandra persoonlijk te dienen; Arjuna kwam tot volmaaktheid door zijn vriendschap voor Krșņa; en Bali Mahārāja zag zijn toewijding met succes bekroond toen hij al zijn have en goed aan Kṛṣṇa offerde.
Er bestaan ook voorbeelden van toegewijden die alle verschillende wegen tegelijk volgen. Het Śrīmad-Bhāgavatam (9.4.18-19) bevat een verklaring over Mahārāja Ambarīșa, die alle methoden van toegewijde dienst beoefende. Śukadeva Gosvāmī zegt:
"Koning Ambarīșa richtte allereerst zijn geest op de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa en gebruikte zijn spraak om het spel en vermaak en de activiteiten van de Heer te beschrijven. Hij benutte zijn handen om er de tempel van de Heer mee te reinigen; zijn oren gebruikte hij om ermee te luisteren naar beschrijvingen van de bovenzinnelijke heerlijkheid van de Heer; met zijn ogen keek hij slechts naar de schoonheid van de mūrti in de tempel; zijn lichaam gebruikte hij door het alleen met zuivere toegewijden van de Heer te laten omgaan. [Als men met iemand omgaat, houdt dat in dat men naast elkaar zit, met elkaar eet enz., en op deze manier is het niet te vermijden dat men elkaar lichamelijk af en toe aanraakt. Ambarīsa Mahārāja ging slechts met zuivere toegewijden om en liet zijn lichaam door niemand anders aanraken.] Hij gebruikte zijn neus door aan de bloemen en tulasi-blaadjes te ruiken die aan Kṛṣṇa geofferd waren, en zijn tong door slechts kṛṣṇa-prasāda te proeven [voedsel dat speciaal bereid is om aan de Heer te offeren en waarvan de overblijfselen door de toegewijden worden genuttigd]."
Mahārāja Ambarīșa kon Kṛṣṇa voortreffelijke prasāda offeren, omdat hij koning was en derhalve geen geldgebrek kende. Hij placht Kṛṣṇa de meest koninklijke schotels te serveren en deed dan vervolgens de overblijfselen eer aan als kṛṣṇa-prasāda. Het ontbrak hem in zijn koninklijke levensstijl aan niets, aangezien hij een prachtige tempel had, waarin de mūrti van de Heer steeds met kostbare attributen getooid werd en voedsel van de eerste kwaliteit geofferd kreeg. Zo stelde hij al zijn rijkdom ter beschikking en ging steeds volkomen in de activiteiten van het Kṛṣṇa-bewustzijn op. Het gaat erom dat we het voorbeeld van grote toegewijden volgen. Als we niet in staat zijn alle verschillende onderdelen van de toegewijde dienst in praktijk te brengen, moeten we er op zijn minst één zien uit te voeren, zoals voorgaande ācārya's het hebben laten zien. Beoefenen we alle onderdelen van de toegewijde dienst, zoals Mahārāja Ambarīșa het deed, dan mogen we voor elk onderdeel afzonderlijk vervolmaking van onze gehele toegewijde dienst verwachten. Als men volkomen opgaat in één onderdeel, raakt men vanzelf van de besmetting van de stof gereinigd en verschijnt de verlossing vanzelf, als een dienares die de toegewijde op zijn wenken bedient. Deze gedachte wordt bevestigd door Bilvamaṅgala Ṭhākura:"Als men tot ongerepte toewijding tot de Heer komt, zal de verlossing in eigen persoon de toegewijde overal op zijn wenken volgen."
Śrila Rūpa Gosvāmī zegt dat het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst door sommige autoriteiten beschreven wordt als identiek aan het dienen van de Heer in koninklijke weelde.
Śrila Rūpa Gosvāmī zegt dat het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst door sommige autoriteiten beschreven wordt als identiek aan het dienen van de Heer in koninklijke weelde.