Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 15

Spontane toegewijde dienst

Voorbeelden van spontane toegewijde dienst vindt men makkelijk bij hen die rechtstreeks met Kṛṣṇa omgingen in Vṛndāvana. De spontane bejegening die Kṛṣṇa van de inwoners van Vṛndāvana ondervond wordt rāgānugā genoemd. Deze mensen hoefden niets over de toege-wijde dienst te leren; ze waren in alle regulerende opzichten al volmaakt en waren tot spontane liefdedienst aan de Allerhoogste Godspersoon gekomen. De koeienjongens bijvoorbeeld die met Kṛṣṇa omgingen hoefden geen boete te doen of yoga te beoefenen om te leren hoe ze met Hem moesten spelen. In vorige levens waren ze in dat opzicht al met vlag en wimpel geslaagd, en als gevolg daarvan in dit leven verheven tot het niveau waarop ze als Zijn beste vrienden ter wille met Kṛṣṇa mochten omgaan. Hun spontane omgang met Hem wordt rāgānugā-bhakti genoemd.
Srī Rūpa Gosvāmī definieert rāgānugā-bhakti als spontane aantrekking tot iets, waarbij men er vol intens liefdesverlangen met zijn gedachten geheel in opgaat. Toegewijde dienst, verricht met dergelijke gevoelens van spontane liefde, heet rāgānugā-bhakti. Toegewijde dienst van dit type kan verder in twee aspecten worden onderscheiden: de ene categorie wordt sensuele aantrekking genoemd, de andere relatie.
Er bestaat in dit verband een uitspraak van Nārada Muni ,in een gesprek met Yudhiṣṭhira (Ś.B., 7.1.30):
"Waarde vorst, er zijn vele toegewijden die eerst tot de Godspersoon aangetrokken raken uit zinnelijk verlangen, uit afgunst, vrees, of omdat ze op intieme manier met Hem willen omgaan. Op den duur raken deze vormen van aangetrokkenheid ontdaan van alle stoffelijke besmetting en gaan over in geestelijke liefde, waarbij de toegewijde het verlangde hoogste levensdoel bereikt."
Men kan de gopi's zien als voorbeeld van spontane liefde in sensuele aangetrokkenheid. De gopī's zijn jonge meisjes, en Kṛṣṇa is een jongen. Op het eerste oog lijkt het alsof de gopi's zich seksueel tot Kṛṣṇa aan-getrokken voelen. Zo voelde Koning Kaṁsa zich tot Kṛṣṇa aangetrokken uit angst voor Hem. Kamsa was altijd bang voor Kṛṣṇa, omdat hem voorspeld was dat zijn zusters zoon, Kṛṣṇa, hem zou doden. En S Śiśupāla was altijd jaloers op Kṛṣṇa. De nakomelingen van Koning Yadu, die familie van Kṛṣṇa zijn, denken altijd aan Hem als hun bloedverwant. Al deze verschillende soorten toegewijden hebben een spontane relatie met Kṛṣṇa, zij het op verschillende wijze, en bereiken allen hetzelfde begeerde levensdoel.
De aangetrokkenheid van de gopi's tot Kṛṣṇa en de genegenheid van de vertegenwoordigers van het geslacht Yadu worden beide als spontaan of rāgānugā beschouwd. De aangetrokkenheid van Kamsa met zijn angst en Śiśupāla met zijn jaloezie wordt echter niet as toegewijde dienst aangemerkt, omdat hun houding niet welgezind is. Toegewijde dienst behoort in een welgezinde gemoedstoestand te worden verricht. Dus daarom mag deze vorm van aangetrokkenheid volgens Śrila Rūpa Gosvāmī niet tot een van de vormen van toegewijde dienst worden gerekend. De genegenheid van de Yadu's analyserend, verklaart hij dat voor zover ze het niveau van vriendschap bezit, ze spontane liefde is, maar als ze zich voordoet op het niveau van het volgen van regulerende bepalingen, ze dit niet is. Slechts wanneer genegenheid het niveau van spontane liefde bereikt, wordt ze als zuivere toegewijde dienst beschouwd.
Het is misschien moeilijk te bevatten dat zowel de gopi's als Kaṁsa hetzelfde doel bereiken, dus men dient dit punt goed te begrijpen, omdat de houding van Kaṁsa en Śiśupāla anders was dan die van de gopi's. Hoewel het brandpunt van de aandacht in alle gevallen de Allerhoogste Godspersoon is en hoewel alle toegewijden naar de geestelijke wereld worden bevorderd, bestaat er toch onderscheid tussen deze twee soorten zielen. In het eerste canto van het Śrīmad-Bhāgavatam (1,2,11) wordt gezegd;
"De Absolute Waarheid is één en openbaart zich als onpersoonlijk Brahman, Paramātmā [Superziel] en Bhagavān [de Allerhoogste Godspersoon]."

Hier wordt een geestelijk onderscheid gemaakt. Hoewel Brahman, Paramātmā en Bhagavān één Absolute Waarheid zijn, konden toe-gewijden als Kaṁsa en Śisupāla slechts doordringen tot het Brahman-licht. Ze konden geen Paramātmā- of Bhagavān-realisatie verkrijgen.Dat is het onderscheid.
We kunnen hier het voorbeeld van de zon en de zonneschijn aan-halen: om in de zonneschijn te kunnen zijn hoeft men niet naar de zon te gaan. De temperatuur van de zon verschilt van de temperatuur van de zonneschijn. Iemand die in een straaljager of ruimtevaartuig door de zonneschijn is gegaan, heeft daarmee nog niet de zon zelf bereikt. Hoewel de zonneschijn en de zon in feite één en hetzelfde zijn, bestaat er toch onderscheid, want het ene is de energie en het andere is de energiebron. Zo zijn de Absolute Waarheid en haar uitstraling terzelfdertijd gelijk en ongelijk. Kaṁsa en Śisupāla drongen door tot de Absolute Waarheid, maar het was hun niet vergund naar Kṛṣṇa's eigen woning, Goloka Vṛndāvana , te gaan. Impersonalisten en de vijanden van de Heer mogen vanwege hun aangetrokkenheid tot God weliswaar binnengaan in Zijn koninkrijk, maar worden niet toegelaten tot de Vaikuṇṭha-planeten of de planeet Goloka Vṛndāvana , waar de Opperheer verblijft. Er bestaat verschil tussen binnengaan in het koninkrijk en in het koninklijk paleis.
Śrīla Rūpa Gosvāmī legt hier uit hoe de impersonalisten en de per-sonalisten een verschillend doel bereiken. Over het algemeen worden impersonalisten en vijanden van de Allerhoogste Godspersoon slechts toegelaten tot het onpersoonlijk Brahman wanneer ze tot geestelijke volmaaktheid komen. De impersonalistische filosofen zijn in zekere zin vijanden van de Heer, omdat zowel zij als de uitgesproken vijanden van de Heer slechts in één en dezelfde gloed, brahmajyoti genaamd, mogen binnengaan. Men dient hieruit op te maken dat ze tot dezelfde klasse behoren. En de impersonalisten zijn in feite ook vijanden van de Heer, omdat ze Zijn weergaloze volheid niet kunnen velen. Ze willen zich altijd op gelijk níveau met de Heer plaatsen. Dat komt door hun afgunstige instelling. Śrī Caitanya Mahāprabhu heeft de impersonalisten uitgeroepen tot zondaar tegen de Heer. De Heer is echter zo goed, dat hij hen, ook al zijn het Zijn vijanden, toch in Zijn geestelijk koninkrijk binnenlaat en hun toestaat in de onpersoonlijke brahmajyoti, het ongedifferentieerde licht van het Absolute, te verblijven.
Soms ziet men dat een impersonalist geleidelijk zodanig van opvatting verandert, dat hij de Heer als persoon begint te zien.

De Bhagavad-gītā (VII.19) spreekt hiervan:
"Na vele malen geboren en gestorven te zijn komt hij die werkelijk kennis bezit tot overgave aan Mij."

Door deze overgave kan een impersonalist worden bevorderd tot de Vaikuṇṭhaloka (geestelijke planeet), waar hij hetzelfde uiterlijk ontvangt als de Heer.
De Brahmāṇḍa Purāṇa verklaart:
"Degenen die van de materiële besmetting gereinigd zijn en demonen die door de Allerhoogste Godspersoon zijn gedood, gaan op in de Brahman-levensbeschouwing en verblijven in de brahmajyoti in de geestelijke hemel."

Deze geestelijke hemel verheft zich ver boven de stoffelijke ruimte. De Bhagavad-gitā bevestigt dat er buiten de stoffelijke ruimte een hogere, eeuwige hemel is. De vijanden van de Heer en de impersonalisten mogen in dit Brahman-licht binnengaan, maar de toegewijden van Kṛṣṇa gaan daar dwars door heen naar de geestelijke planeten. Aangezien de zuivere toegewijden tot spontane liefde voor de Allerhoogste Godspersoon zijn gekomen, mogen ze naar de geestelijke planeten gaan om daar met de Allerhoogste Godspersoon een bestaan van geestelijke gelukzaligheid te leiden.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.87.23) richten de Veda's zich in eigen persoon als volgt tot de Heer:
"Lieve Heer, yogi's mediteren op Uw Superziel-aspect en verkrijgen zo de geestelijke volmaaktheid waarbij ze in de onpersoonlijke brahmajyoti binnengaan. Mensen die U als vijand bejegenen verwerven zich dezelfde volmaaktheid zonder ervoor te hoeven mediteren. De gopī's, die zich in Uw armen laten omhelzen en zo een 'wellustige' indruk wekken, komen tot dezelfde volmaaktheid. En wat ons aangaat, als verschillende goden belast met het doorgeven van verschillende gedeelten van de Vedische kennis, volgen we altijd het voorbeeld van de gopi's. Zo hopen wij dezelfde volmaaktheid te mogen bereiken."

Bij de uitdrukking 'dezelfde volmaaktheid' moeten we altijd denken aan het voorbeeld van de zon en de zonneschijn. Impersonalisten kunnen opgaan in de brahmajyoti, die als de zonneschijn is, terwijl degenen die een liefdesrelatie met de Allerhoogste Godspersoon hebben mogen binnengaan in de hoogste woning van de Heer, Goloka Vṛndāvana.
Het wellustige van de gopi's heeft niets te maken met een of andere vorm van seks. Śrīla Rūpa Gosvāmī legt uit dat hun 'wellustig verlangen' aangeeft dat ze op een bepaalde manier met Kṛṣṇa willen omgaan. Iedere toegewijde die tot volmaaktheid is gekomen, gaat op een bepaalde spontane manier met de Heer om. Een van deze manieren van omgaan met de Heer is die van het 'wellustig verlangen'. De lust bestaat uit de hevige begeerte van de toegewijde om de Heer in een bepaalde functie te dienen. Zo op het oog lijkt het soms op een verlangen om van de Heer te genieten, maar in werkelijkheid streeft de toegewijde ernaar om de Heer op die schijnbaar genietende manier van dienst te zijn. Zo kan een toegewijde ernaar verlangen met de Godspersoon om te gaan als vriend, die samen met Hem de koeien hoedt. Zijn dienst is dan dat hij de Heer wil helpen om in de weidegronden op de koeien te passen. Het lijkt er dan weliswaar op alsof hij van het gezelschap van de Heer wil genieten, maar in feite is hier sprake van spontane liefde, waarbij men Hem helpt om de bovenzinnelijke koeien bij elkaar te houden.

Innerlijke aangetrokkenheid

Het hevige verlangen om de Heer te dienen bespeurt men in het transcendente land van Vraja, vooral onder de gopi's. De liefde van de gopi's voor Kṛṣṇa is zo verheven, dat ze ter wille van ons begrip soms als 'wellustig verlangen' wordt bestempeld.
De auteur van de Śrī Caitanya-caritāmṛta, Kṛṣṇadāsa Kavirāja, verklaart het onderscheid tussen 'wellustig verlangen' en de wens tot dienen als volgt:
"'Wellustig verlangen' heeft betrekking op de neiging de eigen zinnen voldoening te schenken, terwijl bovenzinnelijk verlangen betrekking heeft op de neiging om de zinnen van de Heer te dienen."

In de materiële wereld is het onbestaanbaar dat een minnaar de zinnen van zijn geliefde voldoening wil schenken. In feite wil iedereen in de materiële wereld slechts zijn eigen zinnen behagen. De gopi's daar-entegen wilden niets anders dan de zinnen van de Heer voldoening schenken, en van deze instelling vindt men in de stoffelijke wereld geen voorbeeld. Daarom ziet men geleerden de extatische liefde van de gopi's voor Kṛṣṇa weliswaar soms beschrijven als voortkomend uit 'wellustig verlangen', zoals men dat kent in de stoffelijke wereld, maar men moet die uitdrukking niet letterlijk nemen. Deze term wordt slechts gebezigd in een poging om de bovenzinnelijke situatie bondig te schetsen.
Grote toegewijden tot het niveau van Uddhava zijn zeer dierbare vrienden van de Heer en verlangen ernaar het voorbeeld van de gopī's te volgen. Dus de liefde van de gopi's voor Krsņa heeft niets met materiële wellustige verlangens te maken. Hoe zou Uddhava anders hun voorbeeld kunnen willen volgen? Een ander voorbeeld is Heer Caitanya Zelf. Nadat Hij tot de wereldverzakende levensorde was toegetreden hield Hij Zich uiterst strikt aan het principe dat Hij de omgang met vrouwen vermeed, maar toch leerde Hij dat er geen hogere weg van aanbidding van Kṛṣṇa bestaat dan die van de gopī's. Zo werd de manier waarop de gopī's de Heer vereerden, alsof zij door ' wellustig verlangen' werden aangedreven, zelfs door Śrī Caitanya Mahāprabhu hemelhoog geprezen. Dit alles wijst erop dat, ook al lijkt de aangetrokkenheid van de gopi's tot Kṛṣṇa wellustig van aard te zijn, ze niet in het minst materieel is. Tenzij men zich volkomen op het bovenzinnelijk vlak bevindt, is het uiterst moeilijk de relatie van de gopi's met Kṛṣṇa te begrijpen. Omdat ze sprekend op de gewone omgang van jongens en meisjes lijkt, wordt ze soms verkeerd uitgelegd, alsof ze gewoon op wereldse seksualiteit berust. Mensen die de bovenzinnelijke aard van de liefdesaangelegenheden van de gopi's en Kṛṣṇa niet kunnen begrijpen nemen zonder meer aan dat Kṛṣṇa's spel met de gopi's van wereldse aard is en laten zich er daardoor soms toe verleiden om Hun liefdesspel op werelds-erotische wijze af te schilderen.
Het 'wellustig verlangen' van Kubjā daarentegen wordt door grote geleerden als bijna-wellustig beschreven. Kubjā was een bultenares, die met grote extatische liefde naar Kṛṣṇa verlangde. Maar haar ver-langen naar Kṛṣṇa was bijna werelds en daarom kan haar liefde niet met die van de gopi's worden vergeleken. Haar genegenheid voor Kṛṣṇa wordt kāma-prāyā genoemd: gelijkend op de liefde van de gopi's voor Kṛṣṇa.